donderdag 31 oktober 2019

Marek Šindelka – Anna in kaart gebracht

Recensie door Tea van Lierop
Das Mag



De show gaat beginnen...’


Gefragmenteerd zoals de afbeelding op de omslag komt Anna stukje bij beetje in beeld. Het verhaal laat zich niet eenvoudig veroveren omdat het een ‘vol’ boek is. De auteur wil er, naar mijn mening, zoveel in kwijt, dat het voor de lezer een waterval van indrukken wordt. Ik heb het bij de eerste lezing over me heen laten komen, bij de tweede probeerde ik de lijn, voor zover aanwezig, te pakken en aantekeningen te maken. 

Wat me opviel is de maatschappijkritiek. Die is duidelijk aanwezig. Op meerdere niveaus krijgt de schijnwereld op z’n donder van de auteur. Een bevrijding om te lezen dat er blijkbaar mensen bestaan die de nepwereld met het hoge plastic-gehalte en imitatiegedrag van mensen doorzien. Daaraan gekoppeld loopt een rode draad van spiegelen en metamorfosen. Doordat mensen imiteren krijg je kopieën, eigen identiteit verdwijnt, dat zag je duidelijk bij Anna. Als puber moest ze niets van haar grote neus hebben en probeert ze hem te camoufleren door grote oorbellen en een ander kapsel. Wanneer ze de 15 jaar oudere architect ontmoet verandert ze compleet, een metamorfose. Zij spiegelt zich aan hem, wil volwassen worden, hij spiegelt zich aan haar, wil haar jeugd, een dubbele metamorfose dus.

Het boek is verdeeld in een aantal hoofdstukken, waarvan het eerste ‘De show gaat beginnen’ de toon zet. Een presentator met plankenkoorts gaat erg ver in zijn beschrijving van de menselijke angst.

‘De tong! Weet je wat een tong is? Met dit inwendige orgaan worden woorden gevormd, dat is zoiets smerigs, snap je, woorden. Waarom moeten woorden in vlees ontstaan?’

Deze diepte, het beschrijven van het verborgene komt terug in de geweldige beschrijving van de mens in een mijnschacht. De hoofdstukken met titels die soms zakelijk zijn en soms een handeling uitdrukken lijken zelfstandige verhalen, maar bevatten elke keer een fractie van een ander verhaal. De jonge knappe vrouw die in het ene verhaal als figurant fungeert, krijgt in een volgend verhaal een gezicht en een verhaal waardoor het beeld completer wordt.

Een grote rol is weggelegd voor mineralen, stenen en dieren. Van mijnschacht tot bergtoppen, van schelp tot walvis. De natuur contrasteert scherp met de lelijke bouwsels die opduiken in het landschap, hoewel de architect getracht heeft iets organisch te bouwen, een ontwerp naar zijn eigen lichaamsbouw.

Terugkijkend op dit boek ben ik blij dat ik het eindelijk gelezen heb. Het is een niet zo toegankelijk boek, dat wel blijft hangen en ik vind het een ongelooflijk prachtig staaltje van verbeelding. De poging het leven te vatten, vooral als mens in de maatschappij en ook hoe je je als individu kan laten verleiden op te gaan in de massa. Onverklaarbare krachten laten de mens soms dingen doen die we eigenlijk helemaal niet willen. Een klein voorbeeldje nog. In de trein heeft een onbekende vrouw een jongeman woedend gemaakt door haar gedrag. Wanneer ze hem zomaar een tijdschrift geeft, gebeurt er iets in hem en hij kwaad omdat zij zijn woede weggenomen heeft. Meesterlijk en voorstelbaar.

Voor wie iets wil weten over de bedoeling van de schrijver is hier een zeer interessant interview. Lezen voor of na 'Anna in kaart gebracht' ???





De auteur 


Marek Šindelka (1984) is een Tsjechisch supertalent. Zijn oeuvre bestaat uit romans, dichtbundels en een graphic novel, waarvoor hij met diverse prijzen bekroond is. Hij wordt beschouwd als de belangrijkste schrijver van zijn generatie. Hij woont in Praag.




woensdag 30 oktober 2019

Dave Eggers - De parade

Recensie door Truusje
Uitgeverij Lebowski



Verbinding

In een land - naar alle waarschijnlijkheid staat hier een Afrikaans land model - waar jarenlang een burgeroorlog heeft gewoed, worden met een particulier chartervliegtuig twee mannen ingevlogen. Zonder identiteitspapieren en voorzien van een codenaam, te weten Vier en Negen. Dit uit veiligheidsoverwegingen, omdat het bedrijf in het verleden te maken heeft gehad met ontvoering van personeel, afpersing en zelfs moord. Voor alle zekerheid zijn ze uitgerust met handvuurwapens, messen en dergelijke. Zelfs het materieel en machinerie is ontdaan van nummer en naam. De efficiënte, supersonische en snelwerkende asfalteermachine heeft de codenaam RS-80 gekregen.

De bedoeling is dat door het aanleggen van een kilometers lange asfaltweg het letterlijk verscheurde land weer aaneengesloten wordt. In veertien dagen tijd dient de klus geklaard te zijn, vanwege een vooruit geplande zelfverheerlijkende parade van de president van het land. De stad ligt in puin, de ziekenhuizen liggen vol gewonden en stervenden, er zijn vele wezen, vluchtelingen en daklozen, maar de bevolking is euforisch bezig met de wederopbouw ervan.

Al meteen komt Eggers to the point en maakt de lezer duidelijk dat de neuzen van de twee heren niet in de zelfde richting wijzen, waardoor ergernis en confrontatie niet uit zullen blijven. De dreiging is direct voelbaar en hij doet dat met een ironische inslag. De setting van dit consistente verhaal blijft klein, doordat hij maar een beperkt aantal personages ten tonele brengt. Zijn voorliefde voor dystopie, zoals hij in De cirkel gebruikte, komt ook in deze roman duidelijk naar voren.

Negen is de extraverte van dit duo, zoekt zijn genot bij de dames van plezier. Hij ziet de lol van de klus wel in en lapt de strenge regels die Vier hem heeft medegedeeld voor het overgrote deel aan zijn laars. Ondanks dat hem is gezegd dat hij geen direct contact mag hebben met de locale bevolking, ziet Vier hem toch ravotten in het water met jonge jongens.

Vier (bijgenaamd De Klok) - vanuit zijn personage krijgen we dit verhaal voor ogen - sluit zich af voor alles en iedereen, bewaakt krampachtig de grenzen van zijn eigen territorium. Híj zit op de asfalteermachine en Negen rijdt voor hem uit om ervoor te zorgen dat de weg vrij is van obstakels en obstructies. Met een rigide houding richt Vier zich op de klus. Wanneer hij bezig is en niet gestoord wenst te worden doet hij zijn oortjes in en luistert, maar waar luistert hij toch naar...?
Het is een stoïcijns man, bijna emotieloos, maar er bekruipt hem toch een zekere vorm van paniek wanneer Negen zich buiten de lijntjes begeeft van de kaders die Vier voor ogen heeft. Vier zoekt geen contact met de bevolking en eet zijn meegebrachte etenswaren. Wat hij wil is werken, minimaal pauzeren en het liefst elke dag vooruit werken.

'Wel eens iets gevaarlijks meegemaakt?' vroeg Negen.Vier was maar twee keer met een vuurwapen bedreigd. Zijn soort werk werd vaak uitgevoerd in periodes en gebieden die getekend waren door geweld en bloedvergieten, maar zelf had hij daar nooit mee te maken gehad. Bij een eerdere klus had hij iets gezien waarvan hij later hoorde dat het een neerstortend passagiersvliegtuig was geweest dat vanaf de grond met een luchtdoelraket was neergeschoten. Hij was langs waterputten gekomen met lijken erin. Hij was een keer ergens geweest waar een paar minuten later iemand zou worden gekruisigd. 'Nee' antwoordde hij.'

Vier vraagt zich af of de functie van Negen wel zoveel toevoegt. Hij is ervan overtuigd dat hij het in zijn eentje ook wel zou redden en is de recalcitrante en grenzeloze Negen eigenlijk liever kwijt dan rijk. Waar Vier zich afsluit voor alles wat er om hem heen gebeurt, is Negen juist degene die openstaat voor de locale bevolking.

'Maar ik moet zeggen: ik voel me hier zó vervuld. Dat optimisme van die mensen, het lijkt wel de geboorte van een ster. Het geeft licht. Mijn hart is vol. Voelt jouw hart ook zo vol?' Vier zweeg en Negen leek zijn stilte als instemming op te vatten. 'Ja,' ging hij door, 'ik geloof niet dat ik me ooit zo direct en diep betrokken heb gevoeld.'

Wanneer Negen op sterven na dood ziek wordt, voelt de woedende Vier zich door hem bedonderd en noodgedwongen uit zijn comfortzone getrokken. Een ogenschijnlijk louche heerschap, Medaille genaamd, biedt de helpende hand, maar Vier vertrouwt het allemaal niet. Tegen wil en dank wordt hij meegesleurd en uit zijn werkroutine gehaald.

Zo klein als Eggers het verhaal ogenschijnlijk houdt, zo groots maakt hij de inhoud en hoewel hij vliegensvlug zijn punt maakt, is het geen uitgekauwd geheel. Hij laat voldoende ruimte over om na te denken over verwarrende intermenselijke relaties, waarbij de lezer over afkomst en het milieu waar de mannen uitkomen in het ongewisse wordt gelaten. Zoals de rafelrand tussen noord en zuid verbonden moet worden door de weg, zo werkt Eggers - gebruikmakend van licht bijtende en subtiele humor - toe naar het al dan niet verbinden van de menselijke belangen, om aan het einde de lezer keihard te confronteren.

Auteur

Dave Eggers (Boston (Massachusetts), 12 maart 1970) is een Amerikaans auteur en redacteur.
Hij begon zijn loopbaan als schrijver bij Salon.com en het tijdschrift Might, dat hij zelf oprichtte. Vervolgens schreef hij het boek ´Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit´ met semi-fictieve memoires (dat werd genomineerd voor de Pulitzerprijs) over het opvoeden van zijn jongere broer na de dood van hun ouders. Daarna volgden diverse romans en een verzameling korte verhalen. In 2005 publiceerde Eggers het boek Surviving Justice: America's Wrongfully Convicted and Exonerated, met daarin een serie interviews met mensen die tot de doodstraf veroordeeld werden, maar voor wie dat oordeel later teruggedraaid werd. Dat boek richt zich met name op de nasleep voor onterecht veroordeelden en hun nakomelingen.

In 2008 was Eggers een van de drie winnaars van de TED Prijs.

Titel: De Parade
Auteur: Dave Eggers
Vertaling: Gerda Baardman
Pagina's: 144
ISBN: 9789048848911
Uitgeverij Lebowski
Verschenen: maart 2019

dinsdag 29 oktober 2019

Rob van Essen - Visser

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact

‘De herinnering blijft,
Aan die clown met zijn lach,
Hij heeft alles gegéven,
Tot de láátste dag.’

Het gevecht met de clown of de nachtmerrie waaruit je niet wakker kan worden

*spoilers* vermoed ik; deze roman moet je eerst zelf lezen. Bijna alles wat ik erover schrijf, lost iets op van zijn raadsels.


Er is iets vreemds met Jacob Visser. Hij is geschorst van de middelbare school waar hij als leraar geschiedenis werkt. Als lezer denk je in dit #metoo-tijdperk direct aan seksueel misbruik. Maar is het dat wel? Er is wel een meisje in het spel, een leerlinge van hem, Clarissa, maar is er sprake van seks en van misbruik? Misschien.
Is hij in de war, Jacob Visser? Wat daarbij instantly opvalt, is het gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd, de o.t.t., die in de hele roman volgehouden wordt. Heel ongewoon is dat niet, maar mij viel het meteen al in het begin op. Dat kan geen toeval zijn, dat doet de auteur ongetwijfeld heel bewust.
Jacob Visser lijkt zich voort te bewegen als in een droom, een nachtmerrie is een betere benaming. Er is nog iets, hij bedient zich voortdurend van ironie, zonder dat die ironie altijd door anderen als zodanig herkend wordt, - behalve door Clarissa, en dat lijkt zijn ondergang te worden.

Voor de rest lijken plaats en omstandigheden concreet: een buitenwijk, auto’s, een dochter die gaat trouwen, een echtgenote die de aanstaande schoonouders van de dochter ontvangt, een kerkhof (sic!), een caravan (een afgesloten huis, Huis clos, van Jean-Paul Sartre, denk ik meteen) maar Jacob is er niet bij - in meerdere betekenissen is Jacob er niet bij- ; Jacob vlucht, Jacob is voortdurend op de vlucht. Een droomvlucht, nee, ik bedoel een vluchtdroom.

En de avondzon ‘hangt laag boven de huizen en het geeloranje licht zet de spelende kinderen om hem heen in een onwezenlijke gloed, alsof hij door een filter naar een televisieprogramma kijkt over een verleden waarin een vreedzame stemming heerst.’ (2019: 5).

De eerste paar regels van een roman bevatten vaak al de essentie van het literaire verhaal. Wat lezen we dan hier? Avondzon met een onwezenlijke gloed (als in een droom!). Huizen en spelende kinderen: sic!, daar is iets mee aan de hand. Filter en televisieprogramma: de hoofdpersoon lijkt weinig contact te hebben met de werkelijkheid; er is iets tussen hem en de realiteit; wat dat is, daar gaat dit verhaal over. Een verleden in een vreedzame stemming: dus die stemming is er in het nu niet meer? Jacob lijkt een man die het contact met zijn leven kwijt is. Het kan zijn dat hij werkelijk droomt, het kan zijn dat hij getraumatiseerd is of zoiets. - Ik heb zelf een beetje een hekel aan al te veel gepsychologiseer. - Dat ‘er niet bij zijn’, de weg kwijt zijn wordt gestaafd door de aanwezigheid van de psychiater Braamhaar; de aanstaande schoonvader van Jacobs en Maja’s dochter Rosa. Maja is Jacobs vrouw. Jacob ziet haar meer als een warm kacheltje of een warme kruik dan als zijn echtgenote.

Deze roman is een boek dat je beslist vaker kunt lezen, moet lezen, zou ik bijna zeggen. De eerste lezing van het eerste hoofdstuk bracht me aanvankelijk meer in verwarring dan dat het een eenduidige introductie was van Jacobs leven, maar dat er is raars is met Jacob, dat is vanaf de eerste zin evident.

Door een paar minder handige uitspraken - lees: prikkelend, lees: ironisch -  van Jacob Visser in zijn geschiedenislessen over WOII, wordt hij langzaam maar zeker door een aantal leerlingen het kamp van de jonge neonazi’s in getrokken. Deze situatie deed me denken aan een boek van Philip Roth, The Human Stain, waarin een docent van racisme wordt beschuldigd, omdat zijn woorden verkeerd worden uitgelegd; - in beide romans met even groot enthousiasme door de slechte verstaanders, die zichzelf eerder als goede verstaanders beschouwen -.

Ik ben nu op een punt gekomen dat ik aarzel of ik nu meer over het verhaal moet vertellen. Dat wil ik eigenlijk niet, want dan verklap ik te veel. Dit verhaal moet je zelf ontdekken. Maar dan zit ik met het probleem wat ik dan nog wel kan vertellen.
Ik doe gewoon een poging en ik zie wel waar het schip strandt. Het vertellen van het verhaal in een boekbespreking is meestal de kapstok waaraan je als recensent, als boekverslaggever, je beschouwingen, inzichten en waarderingen aan kunt ophangen.

Deze roman is zeer hecht gecomponeerd, gebreid door een strakke hand en met een ingewikkeld patroon aan motieven, een soort ouderwets Noorse ijstrui met ingebreide sneeuwvlokken en ijskristallen. Ken je ze nog? Die je aan moest als kind als je ging schaatsen.

Een paar grote thema’s breit Van Essen door elkaar heen - en dat breien bedoel ik met veel waardering; zie boven; en zelf ben ik dol op breien -.
Ten eerste is er de ironie; Jacob Visser gebruikt vaak ironie. Leerlinge Clarissa, de dochter van zijn vroegere vriend Bert Wegereef, is een van de weinigen die Jacobs ironie en humor begrijpt. Zijn ironie wordt hem fataal doordat zijn woorden en uitlatingen over WOII met groot enthousiasme verkeerd begrepen worden door leerlingen in zijn klas die het neonazisme aanhangen; dat zijn onder anderen de broer van Clarissa, Jonathan. - Jacob en Jonathan zijn bijbelse namen.*
Aan de andere kant gebruikt Jacob ironie om geen contact te hoeven maken met de realiteit. Hij vlucht in een wereld van ironie, in de wereld van het constante ‘nu’ om niet te hoeven voelen, om niet te hoeven zien wat er werkelijk in zijn leven aan de hand is. Hij ironiseert zo sterk dat hij zegt dat de geschiedenis niet bestaat, dat de geschiedenis zich niet kan herhalen - dat is onder de huidige historici trouwens een gangbare visie -. Dat zullen de neonazi’s, ‘de Visserjeugd’, dan nog wel eens zien, dat de geschiedenis zich niet herhaalt.
Ironie is een veelgebruikt literair vormprincipe.** Zeker in moderne en post-moderne romans: denk bijvoorbeeld aan Nabokov om maar eens een grootheid te noemen. Ironie is een veelkoppig monster; dat blijkt ook uit deze roman.
Grapjes als Albertkerkje, Albuquerque, in New Mexico, door Albert uit Albertkerkje in de 12e eeuw. Werkelijk, zegt Rosa, de 12e eeuw? Nee, zei Lila, dit kerkje op het plein in Albertkerkje is niet hét Albertkerkje, want dat is maar zo groot en ze wees met haar hand ter hoogte van haar knie (rdv: ik zeg het in mijn eigen woorden). Overigens dacht ik zelf meteen bij de naam Albertkerkje: Kirkjubæjarklaustur in IJsland, ‘kerkje-bij-het-klooster’.

Dan zijn er verdriet en rouw, uitgestelde rouw, die misschien wel het grootste thema vormen van deze roman. Een niet ongebruikelijk thema in veel moderne fictie, maar de wijze waarop Van Essen dat vorm geeft is zonder mee fenomenaal, zo prachtig, zo heftig, zo wreed en ook zo ontroerend. Ik noem bijvoorbeeld: het samen luisteren met ex-vriend Bert Wegener, de journalist, die Jacob erbij gelapt heeft, en die bovendien ook iemand moet missen, naar het Stabat Mater van Pergolesi - persoonlijk vind ik het Stabat Mater van Vivaldi nog net even wat ontroerender, maar dat doet er helemaal niet toe -.
Het toppunt van ontroering is Jacob als De Clown, de ziekenhuisclown, als gedwongen clown, als clown van een clown, als de überironie van een Clown, een archetype van de meest trieste Clown die er maar bestaat, een doodziek kind troost en hóé hij dat doet. Wat hij voor dat kind wel kan doen, kan hij voor zichzelf niet.
Zijn eigen verdriet maakt hem blind voor het verdriet van anderen: voor dat van zijn vrouw, van zijn dochter, van zijn ex-vriend Bert, van de aanstaande schoonouders van zijn dochter, de Braamhaars; vader Braamhaar is de psychiater.

‘Hij heeft een eigen gat in de mist dat met hem meereist. Het heeft een doorsnee van een paar meter en terwijl het met hem meeglijdt, past het zijn snelheid aan aan die van hem; hij gaat een paar keer express langzamer rijden om te kijken wie het tempo bepaalt, maar dat is wel degelijk hijzelf, en niet het gat.’ (ib.: 216).

Jacob heeft een ‘gat’, een leemte, een zwart gat; Jacob leeft in een gat, leeft in zijn eigen realiteit, in zijn eigen vacuüm; hij maakt zich ‘uit de gaten’, ook al is er een gat, hij ziet er geen gat in - vorm van ironie?

Een ander groot thema is deze roman is de tijd. Voor Jacob bestaat alleen het ‘nu’, ook al is hij voortdurend zijn horloge kwijt. Het zoekraken van het horloge kan verschillende betekenissen hebben: de tijd bestaat niet voor Jacob, het nu bestaat niet, het verleden bestaat niet, de realiteit bestaat niet; hij heeft geen horloge nodig, want hij vertoeft in een situatie waarin dat niet nodig is (zoals in een droom, daar kom ik nog op terug; de droom heb ik al een paar keer genoemd); het horloge is ook iets van hemzelf: zijn horloge verliezen is zichzelf verliezen; hij is iets kwijt waarvan hij weet waar het is, nl onder de stoel van zijn auto, maar toch kan hij het niet vinden (ook best typisch voor in een droom). Ook andere dingen raakt hij kwijt: zijn colbertje, waarvan hij eerst nog wel weet waar het is, namelijk bij Clarissa, zijn mobieltje, geen idee, in de zak van zijn colbert?, zijn auto, nadat hij al de mensen in zijn omgeving al is kwijtgeraakt en zich realiseert dat zijn dochter binnenkort of morgen al gaat trouwen en dat hij haar dan ook kwijt is.
Heel misschien moet ik de omkering hier ook thuisbrengen. De omkering als in Odeon = Noedo; de omkering, het totaal verkeerd uitleggen van Jacobs bedoeling met zijn geschiedenislessen. Als tijd niet bestaat, is er chaos, is er de omkering van de waarden een feit; Umwertung aller Werte van Nietzsche: er is geen moraal meer. Jacob heeft het over Nietzsche in zijn lessen, maar ‘het hebben over Nietzsche’ is altijd gevaarlijk.

Wat het gebruik van motieven betreft staat Van Essen op eenzelfde hoogte als Jeroen Brouwers, vind ik. Zo’n veelvoudig gebruik en zo organisch ingepast. Ik noemde er al een paar: horloge, clown, colbert, auto; dan is er het water natuurlijk (daar ga ik het verder niet over hebben, maar dat is zeker een van de grootste motieven in het verhaal) met de boot en de ‘Visser’ natuurlijk (nu moet ik ook denken aan Jezus in het NT met een aantal apostelen, vissers, het Meer van Galilea, vissen; vis: het symbool van de vroege christenen; Jezus die het lijden van alle mensen op zich nam; alweer iets Bijbels); de namen Lila en Rosa (Liliane en Rosalien), de kleuren paars en lila, de psychiater, het Odeon = Noedo, het neo-nazisme, al zou je dat wellicht beter een thema kunnen noemen, het missen van familieleden, enfin, legio. Schitterend. Ik ben daar dol op.

Het weer buiten speelt een grote rol. Aan het begin van veel hoofdstukken wordt het weer besproken. In het eerste hoofdstuk is het de onwezenlijke gloed van de avondzon, in de laatste hoofdstukken is het de mist. Sneeuw is er ook, sterren lijken voor Jacob de sneeuwvlokken, sneeuw die de aarde zacht maakt, het geluid tempert, het gebrul van de jongeren en van het lawaai in zijn hoofd dempen (Van Essens woordspeling Gedempte Gracht, bedenk ik).
In de Middeleeuwse lyriek werd de natureigang in het begin van het gedicht gebruikt om de geestesgesteldheid van de minnaar, de zanger, de minstreel, te benadrukken. De weersgesteldheid weerspiegelde diens gevoelens, bedroefd als hij was dat de nacht voorbij was; zonsopgang kon via omkering niet iets moois zijn, maar juist iets droevigs. Zo is het hier ook met Jacob, denk ik.

Mijn meest boude stelling over dit boek: Jacob droomt
Mijn argumenten: 
  1.  Alles gebeurt in de onvoltooid tegenwoordige tijd; het verleden, de geschiedenis bestaat niet. 
  2. Er zijn tal van bizarre gebeurtenissen, misschien zijn er alleen maar bizarre gebeurtenissen: de neo-nazi-jeugd, de niets verhullende en op brute toon geuite joden-, moslim- en vreemdelingenhaat, daar is voorwaar geen woord Frans bij. De ziekenhuisclown, en de Clown der Clowns, het gevecht met de Clown, als het gevecht met de Engel (bijbels: Genesis 32:22-32: Jakobs gevecht met de engel). Een meisje in de caravan, ontvoering, nee, geen ontvoering.
  3. Jacob is alsmaar op de vlucht als in een vluchtdroom.
  4. De psychiater met het freudbaardje, Freud, Droomduiding, Traumdeutung.
  5. De omkering: van Odeon naar Noedo, van concertzaal naar housemuziek en Nederlandse schlagers als Hij is maar een clown van Ben Cramer.
Het omgekeerde Guantanamera:
‘Eén Jacob Visser,
Er is maar één Jacob Visser,
Eén Jacob Vííísser,
Er is maar één Jacob Visser.’ (ib.: 168)

       6.  De droom in een droom:

‘Is all that we see or seem
But a dream within a dream?’, E.A. Poe. ***

Het is als de droom waaruit je niet kunt ontwaken, ook al doe je nog zo je best; je bent verloren in het rijk der verloren zielen. Je kunt je met geen mogelijkheid losmaken uit je eigen situatie. Het verdriet houdt je in zijn greep.

Maar noodzakelijk is mijn droom-hypothese niet. En misschien is de roman ook gewoon beide: de droom en de waakwerkelijkheid van Jacob Visser. Dit raakt wel een beetje aan het concept van de post-moderne roman, en ook aan de opvatting van Nietzsche: er bestaat niet één waarheid, of misschien bestaat dé waarheid helemaal niet.

Post Scriptum: ik heb het nog niet eens over de seks gehad; seks speelt een prominente rol, net als in Van Essens De goede zoon, waarin de waarheid en de werkelijkheid evenmin duidelijke, vastomlijnde fenomenen zijn. Maar dat laat ik deze keer aan anderen over. Er is zo veel nog niet gezegd over deze compacte, veelgelaagde roman.

Hoe komt het toch dat het zo lang geduurd heeft voor Rob van Essen als auteur écht doorgebroken is? Een raadsel.
*Jacob ontfutselde zijn broer Esau het eerstegeboorterecht en misleidde zijn vader Abraham op diens doodsbed. Jonathan was de zoon van Saul en legeraanvoerder, en vriend van David en koos diens zijde toen David een conflict kreeg met Saul.

** Ironie (uit het Grieks: εἰρωνεία (eirooneia) = geveinsde onwetendheid) is een stijlfiguur waarbij dat wat klaarblijkelijk gezegd of getoond wordt, afwijkt van dat wat bedoeld wordt. Zodoende is ironie veelal alleen herkenbaar voor de geoefende of ingewijde verstaander. Ironie ontleent haar effect aan een bepaalde ambiguïteit in taalgebruik (verbale ironie) of situatie (situationele ironie) of een combinatie van beide. Om het verschil tussen het gezegde en het bedoelde uit te drukken, kan de ironie gebruikmaken van verschillende andere stijlfiguren, zoals sarcasme en understatement. Met gezichtsuitdrukkingen en intonatie kan de gebruiker van ironie aan de verstaander extra hints geven dat zijn uitspraak niet letterlijk bedoeld is.
In het Frans noemt men ironie weleens "l'arme du faible" (het wapen van de zwakke), omdat het voor de zwakke daarmee mogelijk is om zijn mening te geven zonder dat het voor iedereen overduidelijk en daarmee gevaarlijk is. 

*** Take this kiss upon the brow!
And, in parting from you now,
Thus much let me avow-
You are not wrong, who deem
That my days have been a dream;
Yet if hope has flown away
In a night, or in a day,
In a vision, or in none,
Is it therefore the less gone?
All that we see or seem
Is but a dream within a dream.

I stand amid the roar
Of a surf-tormented shore,
And I hold within my hand
Grains of the golden sand-
How few! yet how they creep
Through my fingers to the deep,
While I weep- while I weep!
O God! can I not grasp
Them with a tighter clasp?
O God! can I not save
One from the pitiless wave?
Is all that we see or seem
But a dream within a dream? 
Auteur

Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963) is een Nederlandse schrijver, vertaler en recensent.
In 2009 werd zijn roman Visser genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs, en tien jaar later, in 2019, won hij deze prijs met zijn roman De goede zoon. Zijn tweede verhalenbundel, Hier wonen ook mensen, werd in 2015 bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs.

Bibliografie
1996 - Reddend zwemmen (roman)
2000 - Troje (roman)
2002 - Kwade dagen (roman)
2004 - Engeland is gesloten (roman)
2006 - Het jaar waarin mijn vader stierf (kroniek)
2008 - Visser (roman)
2010 - Elektriciteit (verhalen)
2012 - Alles komt goed (roman)
2014 - Hier wonen ook mensen (verhalen)
2016 - Kind van de verzorgingsstaat (autobiografische kroniek)
2017 - Winter in Amerika (roman)
2018 - De goede zoon (roman)

Vertalingen
2016 - Over geweld van Hannah Arendt
2017 - Een halve gele zon van Chimamanda Ngozi Adichie

Titel: Visser
Auteur: Rob van Essen
Pagina's: 221
ISBN: 9789025458379
Uitgeverij: Atlas-Contact
Verschenen: 2008; 2019
In 2009 genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs

maandag 28 oktober 2019

Dörte Hansen – Middaguur

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij HarperCollins



                                                                                             ‘De Welt geiht ünner’


Van ongekende schoonheid


Wie genoten heeft van Het oude land , de eerste roman van Dörte Hansen, kan blindelings vertrouwen op een onvergetelijke leeservaring van ‘Middaguur’. Hoe ze het doet is me een raadsel, maar de auteur weet precies de juiste toon te zetten voor het beschrijven van het wel en wee van een Duits dorp in verval. Deze neergang komt helemaal niet zo dramatisch over, de manier van beschrijven maakt in plaats van een elegie een mooi ingetogen vertelling. Door het verhaal subtiel weer te geven krijgt het verhaal een enorme lading; kleine brokjes worden toegeworpen, net zolang tot de onderlinge verhoudingen van de dorpsbewoners duidelijk worden. De dorpelingen zijn veelal geworteld in de streek. Het fictieve Noord-Friese Brinkebüll is een dorp dat vroeger alles had wat de mensen nodig hadden. Er was een school, een kerk, een kruidenier en mooie kastanjebomen gaven schaduw in de warme zomers.

De titel Middaguur verwijst naar de rusttijd tussen de middag. De tijd die de boeren - die voor dag en dauw hun koeien melken - gebruiken om bij te komen van hun noeste arbeid.

‘Niemand kon zo zachtjes eten en geruisloos de trap opsluipen als kinderen die in Noord-Friesland waren opgegroeid. Als er daar iets voor de mensen heilig was, dan was het hun middagrust.’

Plotseling halverwege de jaren '60 moet alles anders. Kleinschalig maakt plaats voor grootschalig en daarmee verdwijnen oeroude gebruiken zoals het heilige middaguur.

Meester Steensen is tevens heemkundige, zijn visie op de vernieuwing is niet mis te verstaan:

‘De bouwlanden herverkavelen alsof het vergissingen waren. De oude velden, beken, zandpaadjes corrigeren en normaliseren, asfaltwegen door de oude sandrs walsen, zwerfstenen opzijschuiven die hier al sinds de Saale-ijstijd gelegen hadden. Zweeds graniet! Je moest een gletsjer zijn om dat te mogen! Ze hadden er het recht niet toe. Die lomperiken schaafden met brute kracht over het morenelandschap en wisten niet eens wat ze deden, geen enkel verstand! Met zijn rugzak vol stenen stond hij tussen diepladers en zware walsen, dorpsmeester Steensen, heemkundige, lid van het Genootschap voor Glaciale sedimentologie, en hij slingerde zijn woedende protest naar de gravende barbaren toe.'

Centraal in het boek staat het dorp zelf met daarin gevestigd het café van Sönke en Ella Feddersen, de plaats waar de bewoners elkaar ontmoeten. Hier worden tradities strikt nageleefd. Ook wanneer je niet zoveel verdient kan er toch een bruiloftsfeest gegeven worden, de uitbaters sjoemelen dan met de prijzen door de rijken gewoon wat hoger aan te slaan. Zo deden ze dat, solidariteit zonder er een woord over te reppen, de welgestelden merkten het toch niet. Van dochter Marret kun je niet helemaal op aan, haar taken in het café worden vaak maar half uitgevoerd, liever loopt ze te zingen en te zwerven over de velden.

Het dorp kent vele geheimen, niet alles wordt verteld, maar er zijn wel vermoedens.
Ingwer is een van de buitenbeentjes. Meester Steensen heeft dat al snel door, het schooltje heeft één klas en Steensen weet precies welk vlees hij in de kuip heeft, vlot dirigeert hij elk kind in één van de drie groepen. Ingwer zal doorleren, tot groot verdriet van Sönke, die hem graag als zijn opvolger ziet als uitbater. Hoe de verhoudingen precies liggen laat ik aan de lezer, niet alles mag prijsgegeven worden.
Ingwer vertrekt Kiel waar hij archeoloog wordt en in een schilderachtige woongroep huist. Prachtig beschreven wordt zijn innerlijke leven - afwisselend dromerig en realistisch weet hij zich staande te houden en komt  uiteindelijk tot inzicht. Het oude dorp met zijn gewoontes was misschien zo slecht nog niet.

En passant wordt verteld over het oorlogsverleden van Sönke. Zonder al te veel gruwelijke details wordt duidelijk wat hij gedaan heeft en ook wat zijn reactie op zijn daden is. Een kwestie van schuld en boete, net zolang tot er voldoende geboet is. Parallel aan zijn schuld loopt het schuldgevoel van Ingwer, terugblikkend voelt ook hij zich geroepen om boete te doen. 

Opvallend zijn de namen van de hoofdstukken, ze dragen allemaal de naam van een lied dat past bij het hoofdstuk. Veel schlagers, favoriet in het café, maar ook Engelstalige songs zoals ‘Old man, look at my life’ en The Times They Are a - Changing. Het gebruik van onvertaalde platduitse zinnen en uitdrukkingen geven het boek een bijzondere sfeer en brengt de personages tot leven. Verder worden er veel vogels genoemd ze horen bij het ritme van de seizoenen, maar ook bij het veranderen van het landschap. Zwaluwen blijven op een gegeven moment weg omdat er geen nesten meer te metselen zijn, modder verdwijnt, alles wordt geasfalteerd en er wordt strak en efficiënt gebouwd. 

Voor wie houdt van een roman waarin personages naturel geportretteerd worden, humor en zelfreflectie niet ontbreken en vraagtekens gezet worden bij zogenaamde vooruitgang, kan in deze roman zijn hart ophalen.


De auteur

Dörte Hansen woont in de buurt van Hamburg. Op de lagere school leerde ze dat 'platt'-Duits niet de enige taal was. Die ontdekking leidde tot de studie van meerdere talen zoals Keltisch, Fins en Saskisch, en tot een promotie als taalkundige. Ze was journalist en redacteur bij de NDR en werkt nu als zelfstandig schrijver. Het oude land is haar debuutroman en werd met meer dan 400.000 verkochte exemplaren 'Jahresbestseller 2015' in Duitsland.


Titel: Middaguur
Oorspronkelijke titel: Mittagsstunde
Auteur: Dörte Hansen
Uitgever: Uitgeverij HarperCollins
ISBN: 9789402702613
Vertaling: Lucienne Pruijs
Pag.: 304
Genre: fictie
Verschenen: 2019

vrijdag 25 oktober 2019

Simone Grimberg - Onkruid

Recensie door Truusje
Uitgeverij Lima Books

'Met onzichtbare draden wordt men het stevigst gebonden.'
- Friedrich Nietzsche


Als je bij het wieden de wortels vergeet

In Barneveld lopen de gemoederen hoog op wanneer het rechercheduo De Wit en Ligthart zich op een verontrustende zaak storten. 

Tristan Klaver, een paar jaar eerder veroordeeld voor de gewelddadige verkrachting van zijn dorpsgenootje Nadine, is met de hulp van een bakkersjongen ontsnapt tijdens een survivalkamp voor jonge gedetineerden in Duitsland. Het blijkt een uiterst geraffineerd plan en hij wordt zijn vrijheid ingereden door een in het gezicht getatoeëerde man die zich Michael laat noemen.
Toch voelt Tristan zich unheimlich bij deze hachelijke kwestie en ervaart dan ook niet de euforie die een ontsnapping hem zou moeten geven. Hijzelf zou dit immers nooit gepland hebben en vraagt zich af of zijn vader hier misschien meer van weet. Of luizen ze hem ergens in? Uiteindelijk komt de ontsnapping hem héél duur te staan.

Verbazing alom wanneer de recherche ontdekt dat de ontsnapte het overgrote deel van zijn straf er al op heeft zitten en nog maar een relatief korte tijd in hechtenis voor de boeg heeft.
Willem, de dienstdoende hoofdbegeleider van het kamp, wordt gearresteerd op verdenking van medeplichtigheid aan de ontsnapping. Liesbeth Ligthart is volledig van de kook wanneer ze dit verneemt, want Willem is... háár Willem. Ten einde raad zoekt ze Inge de Wit op - haar partner van de recherche die juist verlof heeft genomen - om hulp.

‘Willem maakte het corveerooster en heeft Klaver goedkeuring gegeven om met eenbakkersjongen mee te lopen bij de bevoorrading. Ik vind het een beetje twijfelachtig omdat het buiten de poort is. Er hangen geen camera’s en het schijnt dat Willem de jongens niet in het zicht had. Dus waarom hij dat goed vond, weet ik ook niet. In ieder geval ziet het ernaar uit dat Klaver door die broodjongen is geholpen. Zijn scooter is achtergebleven op de parkeerplaats. Volgens een collega heeft Willem de corveediensten veranderd na de eerste paar dagen. Ook dat deed hij normaal niet. Hij bereidde alles tot in de puntjes voor. Dus dat is ook verdacht. En dan hebben ze ook nog een briefje gevonden in zijn spullen met de datum en de tijd van de ontsnapping. Dit briefje wordt onderzocht op vingerafdrukken en handschrift.' [...] 'Ik weet zéker dat hij er niets mee te maken heeft.'

Samen storten de twee collega's zich op deze casus die een gecompliceerd web blijkt te zijn in een gemeente waar men elkaar de hand boven het hoofd houdt. Niet alleen om elkaar te beschermen, maar ook uit angst voor represailles. Vanuit diverse hoeken komen er echter signalen naar buiten, waardoor deze zaak complexer blijkt te zijn dan aanvankelijk werd gedacht.
De auteur biedt de lezer een aantal buitengewoon ingenieuze plotwendingen, want bij nader politieonderzoek lijkt er iets essentieels niet te kloppen in de verkrachtingszaak.

Ondertussen bereikt het nieuws van de ontsnapping ook de immer angstige Nadine, die opgezocht wordt door het duo van de recherche. Ze is lang geleden verdwenen uit Barneveld en blijkt echter al jaren niet meer te praten, dus communiceren vergt veel tijd, inzet en creativiteit.

‘Niet schrikken. Ik ga je helpen, Nadine, daarvoor ben ik naar je toe gekomen. Ik weet dat je niet naar muziek luistert, dat je jezelf afsluit voor iedereen die je niet kent en niet vertrouwt. Je hebt iets ongelofelijks meegemaakt en alles diep weggestopt in een kistje. Het zit in je buik, hier.’ Ze legt haar hand op haar eigen buik. [...] 'Ik ga je helpen Nadine, ik maak je niet kapot.’

Lange tijd blijven vele vragen voor de recherche onbeantwoord. Datzelfde geldt voor de lezer die op zijn qui vive zal moeten blijven.
Waar is de moeder van Nadine? Wat hebben de vader van Tristan en diens vriend Guido Wezel met elkaar gemeen? Hoe kennen Willem en Michael elkaar? Hoe verhoudt een kerkelijke gemeente zich tot porno? Waarom bezoeken Ligthart en De Wit een psychiatrische instelling in Duitsland?

Verschillende verhaallijnen draaien om elkaar heen en worden met elkaar verweven. Wanneer de puzzelstukjes op hun plaats beginnen te vallen en het web zich lijkt te sluiten, worden de verwikkelingen langzamerhand duidelijk en uiteindelijk ontward tot een naadloos sluitend verhaal.

Door de psychologisch goed uitgewerkte personages is dit een verhaal dat heel geloofwaardig is neergezet.
De auteur heeft zich overduidelijk uitvoerig laten informeren over de verschillende onderwerpen die een rol spelen in haar tweede boek. Ze is op alle vlakken heel intensief op onderzoek uitgegaan, om ervoor te zorgen dat de feiten ook daadwerkelijk kloppen. Ik heb haar niet kunnen betrappen op onjuistheden. Na haar eerste boek ´Niemand die me ziet' is Simone Grimberg met 'Onkruid' absoluut nóg sterker uit de verf gekomen.

'Onkruid' is een ingenieus gelaagd verhaal over duistere intriges.
Grimberg duikt diep in de krochten van verontrustende dorpsgeheimen en geeft een stem aan hen die moesten zwijgen. Broeierig, beklemmend, onthutsend!


In de pen… Parasiet
Het volgende deel met het recherche-duo Liesbeth Ligthart en Inge de Wit. 

'Verdoofd zwalkt hij stoep op en af, zijn voet zwikt, maar de pijn dringt niet tot hem door. Zijn hoofd barst van alle vragen. Zijn lichaam heeft zijn eigen behoefte en roept op die fluisterende toon die jarenlang had gezwegen. Zacht, maar ook doordringend. Ze zal niet stoppen totdat ze aan haar gerief is gekomen of totdat hij dood in de greppel lag. Waarom ging het mis?'

Titel: Onkruid
Auteur: Simone Grimberg
Pagina's: 368
ISBN: 9789082695816
Uitgeverij Lima Books
Verschenen: oktober 2019




Interview met de auteur


Waar komt je idee vandaan om je toe te leggen op het schrijven van boeken?
Ik schreef als kind altijd al korte verhalen en veranderde dat later, toen ik met kinderen met opvoedingsproblemen werkte, door leuke verhalen te vertellen. Toen ik vijf geleden noodgedwongen op bed kwam te liggen, ging ik erover fantaseren om een boek te schrijven. Dat is veel ingewikkelder, want het moet allemaal kloppen. Pas toen de film in mijn hoofd helder was, schreef ik het op.

Je bent intensief bezig met een eigen onderneming. Waar haal je de tijd vandaan om ook nog te schrijven?
Werk en schrijven gaan heel moeilijk samen. Ik ben in hart en nieren een ondernemer, hou van handelen, producten in de markt zetten, uitdagingen, en vooral dingen anders doen dan anderen. Daar heb je volle focus bij nodig. Dus schrijf ik de weken om en om. Dat is goed te doen met de telefoon en internet uit.

Hoe ziet je favoriete schrijfplek eruit?
Ik kan overal schrijven, maar niet met mensen naast of achter me. Als ik in het verhaal zit dan hoor ik niets meer. Maar het liefst in mijn eigen werkkamer met de muziek op die bij het verhaal past, of in doodse stilte.

Je hebt nu twee boeken geschreven over zedenzaken. Vanwaar dit onderwerp?
Er wordt me inderdaad regelmatig gevraagd waarom ik over zedenzaken schrijf, verkrachtingen, misbruik. Ik ben geboren op een dag die later uitgeroepen is tot de 'Internationale dag tegen mensenhandel'. Dat vind ik nou zo'n mooie verklaring. Daar komt nog bij dat ik een zedenrechercheur als vriendin heb en ik houd ervan tot in het naarste en diepste dal door te dringen. Een blijvende schade is verschrikkelijk, maar je zult ermee door moeten en dat kan beter wanneer de omgeving meer begrip heeft voor jouw problemen.

Je grote voorbeeld in schrijversland is... ?
Michael Robotham

Schrijven, werken, of... ?
Met mijn kinderen en manlief gezellig in de tuin eten tot laat in de avond.

Heb je een grote, onvervulde wens?
Dat ik Bram Moskoviz op mag halen met een mooie auto en we de hele dag praten over dingen die in de auto gezegd worden.

Wie of wat verdient jouw respect?
Mijn vriendin Judith die als zedenrechercheur werkt in deze rare wereld waarin mensen worden verhandeld als een kilo appels bij de boer. En ook heb ik respect voor mensen die hard vechten in hun leven om daar te komen waar ze willen staan, ongeacht hun tegenslagen.

Wat wekt jouw ergernis op?
Ik heb een bloedhekel aan mensen die altijd alles beter weten, of aardig tegen je doen omdat ze iets van je willen.

Je schrijft over de harde feiten die een mens zomaar op zijn pad kan tegenkomen. Waar maak je je persoonlijk zorgen om in de wereld van tegenwoordig?
Zorgen maak ik me om de achteruitgang bij de mensen in communiceren. De 'angstigen' doen helemaal niets meer en worden ook niet meer gestimuleerd door de 'hypers', want die krijgen te veel social media prikkels.

Ga je je ooit nog eens wagen aan een roman?
Nee, ik lees ze heel soms, als een boek me wordt aangeraden. Weet je, ik denk dan wanneer gebeurt er eens iets spannends, wordt er eens iemand overvallen, ontvoerd. Meestal lees ik ze tegelijk met een thriller. Ik denk dat mijn brein voordat het aangemaakt werd, de voorkeur had voor bestanddelen van bijzondere spanning.

woensdag 23 oktober 2019

Bernard Malamud – De fikser

Bespreking door Roosje
Uitgeverij J.M. Meulenhoff





Het grote joodse lijden

*spoilers*

Er zijn boeken waar ik moeite mee heb; dit is zo’n boek. Niet omdat het moeilijk geschreven is, niet omdat het onderwerp me niet interesseert, niet omdat het langdradig is, niet omdat ik er niets van snap, niet omdat ik me eraan erger. Maar het is vooral omdat het zo’n ongelooflijk zwaar onderwerp is, voor mij persoonlijk komt het aardig in de buurt van Primo Levi’s Is dit een mens? Een zwaar en zeer beklemmend onderwerp: unverfroren en bikkelhard antisemitisme. Als dit boek geen buddyread was - met Tea, en ik geloof zelfs dat dit boek mijn voorstel was - had ik het misschien niet uitgelezen.

Jakow Bok is een rasvoorbeeld van een schlemiel. Hij is al vroeg wees. Zijn vader werd gedood in een straatgevecht toen hij klein was. Zijn vrouw Raisl kan geen kinderen krijgen en loopt bij hem weg; zijn schoonvader zit hem achter de vodden over het geloof. Jakow gelooft niet, hij is atheïst, hij is Spinozist, hij is apolitiek; hij is arm; hij wil de sjtetl uit, hij wil leven in de grote stad, in Kiew (zo spellen de vertalers van het boek de Oekraïense stad, en ook spellen zij ‘Jakow’; ik volg dat) wil hij nu eindelijk eens geld verdienen. Hij is fikser, hij doet klusjes, hij is handig. Klusjesman zouden we misschien nu zeggen; het beroep ‘fikser’ wordt tegenwoordig anders gebruikt: iemand die problemen oplost, desnoods met geweld, vaak in dienst van een minder welwillend bedrijf of persoon.
Zijn aftocht uit de sjtetl is er een van de grootste zieligheid; zijn paard en wagen begeven het al voor hij de stad bereiken kan.

De knol stond, vastgebonden aan een paal, in het maanlicht toe te kijken. Hij ziet eruit als een oude jood, dacht de fikser.’ (1986: 27). 

In dit deel van het verhaal had ik meer medelijden met het oude paard dan met Jakow. Een schlemiel, een zeurpiet, een ontevreden sujet, ook al zit hem alles tegen in het leven.
In de stad komt hij terecht bij een antisemitische Rus, een dronkaard, met een manke dochter. Jakow verhult dat hij een jood is, want in dat deel van de stad mag hij zonder papieren niet verkeren. De dochter doet toenaderingspogingen, maar Jakow is op zijn hoede. De Rus stelt hem aan als toezichthouder in zijn steenfabriek.

Dan slaat het noodlot toe. Jakow wordt opgepakt door de politie en de beschuldiging luidt dat hij een rituele moord gepleegd heeft op een gojse jongen, wiens bloed hij gebruikt heeft, zoals joden kennelijk doen, om de paasmatses te bakken.
Het boek gaat over Jakows tijd in de gevangenis en zijn onwil om een moord te bekennen die hij niet gepleegd heeft. Eigenlijk weet iedereen wie de moord gepleegd heeft en dat is niet Jakow. De bewijzen ontbreken feitelijk, getuigenissen worden verzonnen en weer ingetrokken. De procesgang is een zootje.

Heel langzaam wordt het hem duidelijk dat zijn proces een politiek proces is. Hij is in dat proces, dat alsmaar uitgesteld wordt, niet de persoon Jakow Bok, maar hij is de verachtelijke jood. De zondebok die geslachtofferd moet worden. Enerzijds willen de Russen de joden flink een oor aannaaien, hun bloed vergieten, feitelijk een zoveelste pogrom veroorzaken en de boel eens flink opstoken. We schrijven circa 1910; een periode rommelt het al in de Russische politiek; bomaanslagen worden gepleegd, politieke tegenstand neemt toe. Anderzijds zijn er krachten die juist de pogroms tegen willen houden omdat die de Russische samenleving te zeer zullen ontwrichten. De tsaar is van goede wil, in zekere zin, maar een zwakkeling.
Politie en justitie willen het liefst dan Jakow zijn misdaad bekent en dan kan hij een mildere straf krijgen: 20 jaar Siberië of zo. 
 
Alles is erop gericht Jakow te laten bekennen zodat een proces vermeden kan worden. Bewijzen en getuigenverslagen zijn namelijk al te zwak. Alle soorten van martelingen worden hem aangedaan: pogingen tot verraad van medegevangenen, solitaire opsluiting, fysieke visitaties, slecht eten, dag en nacht boeien, vergif, bedreigingen, kou en hitte, slechte verzorging, you name it.
Jakow krijgt toch soms wel de trekken van de lijdende Christus. De Christus die in de woestijn overgeleverd is aan de grillen van de Duivel maar die niet versaagt.
De autoriteiten laten hem ook het Nieuwe Testament lezen, voor joden is dat zoiets als De Duivelsverzen voor orthodoxe moslims.
Maar Jakow geeft niet toe. Zo vasthoudend als hij was in zijn vroegere leven in zijn chagrijn, zo volhardend is hij in de gevangenis in zijn onschuld.

Toch zijn er verschillende mensen op zijn hand, zoals de onderzoeksrechter; een medegevangene; zijn schoonvader, zelfs zijn vrouw, zijn uiteindelijke advocaat en de nachtcipier; met de meesten loopt het niet goed af. Die mensen geven Jakow steeds weer moed. Langzaam weet hij dat hij niet alleen is.

Het boek eindigt ermee dat Jakow na 2,5 jaar voorarrest en 3 jaar nadat hij uit de sjtetl vertrokken is, eindelijk zijn proces krijgt. Hij krijgt het inzicht dat hij geen apolitieke jood is, dat hij moet kiezen. Hij is zich zijn eigen strijdbaarheid ineens verschrikkelijk bewust.

Al lezende dacht ik wel steeds: een dergelijke roman zou je op dit moment niet zo makkelijk meer schrijven. Ons idee van morele moed is enigszins veranderd. Wij benadrukken nu veeleer de dubbele kanten van de medaille. Ons idee van morele helden is veranderd. Wie si er nog een morele held? Oké, Gandhi, vermoed ik, Mandela en wie nog meer? Daar houdt het wel zo’n beetje op.

Dat ongelooflijk harde, niets ontziende antisemitisme, poeh, ja, natuurlijk weet ik dat; natuurlijk ben ik op de hoogte van de historische pogroms in oost-Europa en heb ik erover gelezen, toch valt dit boek in deze tijd, vlak voor 4 mei, me heel erg rauw op mijn dak. Heftig, heftig!

De stijl van Malamud is uiterst leesbaar. De oneliners die Jakow met name in het begin van het boek voortdurend ophoest, zijn heel komisch en ik moest wel steeds grinniken. De joodse humor is hier herkenbaar: een beetje zeuren en het dan toch ook maar weer een beetje nemen zoals het komt, of soms klinkklare onzin.

Waar gaat een mens heen als hij nergens is geweest?’ (ibid.: 30)

Jakow piekerde maar ‘met zijn halve wezen - de andere helft piekerde over zijn zorgen.’ (ib.: 30)

Een bange wolf moet het bos mijden.’ (ib.: 36)

Als er een fout te maken valt, moet ik ‘m altijd maken, dacht hij.’ (ib.: 52)

Een penning gespaard is er twee vergaard.’ (ib.: 63)

De fikser is een roman van Bernard Malamud uit 1966. Het boek werd geïnspireerd door het verhaal van Menahem Mendel Beilis, een onterecht gevangen gehouden jood in het tsaristische Rusland. Het proces rond Beilis in 1913 veroorzaakte internationale verontwaardiging. De roman won de Pulitzerprijs in 1967. 
Voor de roman The Fixer ontving Malamud in 1967 zowel de Amerikaanse National Book Award als de Pulitzer-prijs voor fictie. Het werk werd verfilmd in 1968 met in de hoofdrollen onder anderen Dirk Bogarde en Alan Bates (Oscar-nominatie voor beste mannelijke hoofdrol). (Wikip.)

Malamud zelf is geboren in New York, Brooklyn, uit joods-Russische ouders.

In Amerika behoorde Malamud tot de vooraanstaande, joods-Amerikaanse schrijvers, van wie er na de oorlog nogal wat wereldfaam verwierven,zoals J.D. Salinger (1919), Saul Bellow (1915), Norman Mailer (1923) en Philip Roth (1933).
Malamuds naam werd ook wel in verband gebracht met die van Izak Bashevis Singer, de laatste grote vertegenwoordiger van de Jiddische literatuur, maar die vergelijking gaat maar zeer ten dele op. Malamud was te zeer een kind van zijn tijd om zijn werk geheel en al te modelleren naar een vertrouwde traditie. Voor de joodse bevolking van New York was die trouwens minder vanzelfsprekend dan in het oude Oost-Europa, met zijn getto's en armoe.’
Toch wekt het werk van Malamud meer de indruk tot de Amerikaanse 'immigranten-literatuur' te behoren dan dat van zijn leeftijdgenoten Salinger en Bellow, en zeker meer dan het werk van een jongere vakgenoot als Philip Roth, de inmiddels ook al bejaarde dwarskont, die de soms wat ouderwetse, maar ook zo aimabele Malamud als iemand uit een andere wereld moet hebben ervaren.’

Ik heb ook wat gelezen in Roths essaybundel Waarom schrijven? uit 2018, met name de stukken die gaan over Bernard Malamud. Het is duidelijk dat Roth de oudere Malamud niet te zeer wil aanvallen maar Roth heeft het niet zo op het het soort slachtofferige jood uit het oude Europa. Je moet hier wel een beetje tussen de regels door lezen. Roth heeft het evenmin op de overassertieve jood, die de menigte wel eens een lesje zal leren en die het aangedane leed uit het verleden te vuur en te zwaard zullen bestrijden.
Philip Roth zit er een beetje tussenin, denk ik. Hij voelt zich voornamelijk een Amerikaanse jood; zijn grootouders kwamen uit Gallicië; dat is nu Polen. Hij onderzoekt wat het is om een Amerikaanse jood te zijn, zo kan ik het het beste formuleren, denk ik.

Natuurlijk ben ik blij dat ik het boek gelezen heb, maar het viel me niet licht. Malamud bevrijdt de jood uit zijn slachtofferrol zou je kunnen zeggen. Jakow Bok ontdekt dat hij een strijdbare jood is. Maar jood is hij. Jakow Bok probeert wel te leven als Rus, dus niet-jood, maar dat lukt hem niet. Ik denk dat Philip Roth dat een beetje te ver vindt gaan. Roth schrijft absoluut over de zwarte kant van het menszijn, maar ‘zijn’ joden zijn meer gewone mensen dan joden. Malamud beschrijft in De fikser juist de jood, die niet anders dan jood kan zijn, al verkent Jakow via Spinoza en het Nieuwe Testament zijn grenzen. Met dit alles zo te schrijven begeef ik me misschien op glad ijs. Sommige kwesties liggen ontzettend gevoelig, maar die kwesties zijn ook voor mij gevoelig.

Dat dit boek mij heel zwaar op de borst ligt, is een persoonlijke kwestie. Niemand zal het een licht boek vinden, maar voor anderen ligt misschien het zwaartepunt meer op het ethisch-morele vlak: de man, de jood, die blijft staan te midden van alle ellende, die zich niet verloochent al kost het hem zijn leven. En niet dat dat zonder slag of stoot gaat, absoluut niet, Jakow gaat regelmatig door de hel en weer terug.
Voor mij weegt het pure haatdragende antisemitisme vooral heel zwaar.



Titel: De fikser
Auteur: Bernard Malamud
ISBN: 9789029091688
Uitgeverij J.M. Meulenhoff
Vertaling: L. Coutinho
Pag.: 360
Genre: fictie
Verschenen: 2016