zondag 26 februari 2023

Alice Zeniter - De kunst van het verliezen

 

Nergens meer thuis

Meelevend en invoelbaar zijn voor mij belangrijke criteria voor literatuur. Dat een verhaal iets teweeg brengt, informeert, verontrust of boeit. De kunst van het verliezen is zo'n boek. Naarmate het verhaal vordert, word je stapje voor stapje in deze familiegeschiedenis getrokken.

Alice Zeniter, een jonge Franse schrijfster, begint het eerste deel 'Het Algerije van papa' in het heden te vertellen vanuit een jonge geëmancipeerde vrouw Naïma, derde generatie Algerijns-Frans, die in een kunstgalerij in de Franse hoofdstad werkt. Zij begint de familiegeschiedenis van haar grootvader Ali te beschrijven. Een eenvoudige grondbezitter die met zijn twee broers in een van de zeven dorpjes op een bergkam in Kabylië (aan de kust van Algerije) woont. Een simpele man die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Franse leger in Europa heeft gevochten. Hij kan zijn geluk niet op als hij op een dag een olijvenpers in een rivier ziet drijven. Door deze pers weet hij in het dorp en omstreken zijn handel in olijven zodanig uit te breiden dat hij zelf niet meer hoeft te werken. Het levert hem en zijn familie een hogere status op. En afgunst bij andere families in het gebied.

Philipp van Ekeren

"Wordt rijkdom niet altijd afgemeten aan het zure gezicht van je buurman"

 
De Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog bereikt gegeven ogenblik ook zijn dorp en alle inwoners worden gedwongen om een kant te kiezen. De vrijheidsstrijders doen qua onderdrukking en represailles niet onder voor de Fransen. Ali heeft geen hoge pet op van de vrijheidsstrijders en houdt spaarzaam contact met de Franse autoriteiten. Ondanks dat hij hen geen informatie verstrekt over vrijheidsstrijders wordt hij toch door de FLN (Front de libération nationale) als verrader ('harki') aangemerkt. Door de dreigende machtsovername van het FLN ontkomt hij er niet aan om met zijn jonge vrouw en drie kinderen naar Frankrijk te vluchten om daar een nieuw leven te beginnen. Dit deel van het boek geeft gelijk een goed inzicht in de Algerijnse geschiedenis van de twintigste eeuw.

In deel twee van het verhaal 'Het kille Frankrijk' komt de familie met vele andere vluchtelingen terecht in het kamp Rivesaltes in Frankrijk, niet ver van de Spaanse oostgrens. Vervolgens in het kamp 'Le Logis d'Anne', boven Aix-en-Provence waar Ali bomen moet hakken. Uiteindelijk belandt de familie in een goedkope flat aan de rand van Flers in Normandië. De focus in het verhaal is inmiddels verlegd naar de oudste zoon Hamid. Een zoon die zich realiseert dat de Franse taal beheersen de enige mogelijkheid is om te ontsnappen uit de onderklasse. Hij doet enorm zijn best en krijgt daardoor de kans om verder te studeren. Door zijn ontwikkeling krijgt hij automatisch een grote verantwoordelijkheid binnen zijn familie omdat zijn ouders amper Frans spreken en niet kunnen lezen of schrijven.

In Frankrijk krijgen zijn ouders nog een hele rits aan kinderen. In de krappe flatwoning maakt de drukte en het lawaai het bijna onmogelijk om te studeren. Schaamte maakt de afstand tot zijn vader steeds groter. Hamid distantieert zich steeds meer van zijn ouders en rebelleert tegen hun traditionele opvoeding.

"Zijn hoofd zit zo vol met 'je moet', 'je mag niet' en 'omdat ik het zeg' dat hij amper nog vooruitkomt. 's Nachts wiedt hij zijn innerlijke tuin in plaats van te slapen. De knopen hakt hij door."


In de vierde of vijfde klas van de middelbare school besluit hij niet meer mee te doen met de ramadan. Hij trekt veel op met zijn vrienden Gilles en François en leidt een eigen leven. Hamid krijgt meermaals te maken met onverhuld racisme. Gegeven moment waagt hij het op school om de leraar aan te spreken vanwege zijn opmerking die doorspekt is met blanke superioriteit:

"Zeg, Pierre, als Hamid het kan, moet het voor jou toch geen probleem zijn. Wat bedoelt u daarmee? Vraagt Hamid. …. Bedoelde u soms dat wat een Arabier kan vanzelfsprekend binnen het bereik van een Fransman ligt? Dat als ik het kan met mijn achterlijke Afrikanenbrein, de Blanke Man het ongetwijfeld beter kan dan ik? Is dat wat u bedoelde?"


Zijn vrienden nemen het gelijk voor hem op en alle drie worden de klas uitgestuurd. Dit durft hij natuurlijk niet thuis te vertellen. Hamid probeert er achter te komen wat er is gebeurd in Algerije waarom zijn vader heeft moeten vluchten. Maar Ali houdt zijn mond, heeft geen antwoord omdat hij het zelf ook niet weet. Hij heeft niet gekozen. Het is hem overkomen. De eeuwige strijd tegen discriminatie en zijn positie als tweederangs burger worden aan de volgende generaties doorgegeven. Naast de schande om als 'Harki' te worden bestempeld. Een Algerijnse Fransman zal nooit een Fransman worden.

Door een andere vriend Stéphane komt Hamid in contact met het communistische gedachtegoed. IJverig probeert hij tevergeefs Het Kapitaal te lezen. Maar het sterkt wel zijn verzet tegen de situatie. Zelfs in zijn wekelijkse buurthulp zet hij uitgebuite werklui aan om hun rechten op te eisen, om te gaan staken.

Dan ontmoet Hamid in 1972 zijn toekomstige vrouw Clarisse. Zijn afkomst, discriminatie, schaamte en 'onduidelijke' identiteit trekken een zware wissel op hun relatie. Toch overwint de liefde, ze trouwen en krijgen vier dochters. Een daarvan is Naïma, de derde generatie waar het verhaal mee is begonnen.

In het laatste deel 'Parijs is een feest' wordt zij door haar werkgever, de galeriehouder, naar Algerije gestuurd om een kunstenaar zover te krijgen kunst af te staan voor een expositie in Parijs. De spanning is intens. Is ze wel welkom? Komt ze als kleindochter van een 'Harki' Algerije wel binnen? Het land waar ze oorspronkelijk vandaan komt maar wat ze totaal niet kent. Het blijkt tenslotte wel mee te vallen. Ook bezoekt ze het dorpje van haar grootvader in Kabylië waar inmiddels "de baardmannen" (lees: moslimextremisten) het voor het zeggen hebben. Daar maakt ze kennis met haar achtergebleven familie. Allereerst wordt ze geconfronteerd met wantrouwen en distantie. Nadat de familieband duidelijk is gemaakt, haar oom overtuigd is dat ze niet terug is gekomen om bezit terug te vorderen moet ze vervolgens grote moeite doen om überhaupt te kunnen communiceren. Gelukkig is er een persoon die enkele woorden Frans machtig is. Het verschil tussen de werelden van dit bergdorp in Algerije en het bruisende leven in Parijs kan niet groter zijn. Naïma raakt bewust dat aan haar dubbele identiteit niet te ontkomen is. Er zit niets anders op dan dit te accepteren.

"Wat niet wordt doorgegeven, gaat verloren, zo simpel is het. Je komt hier vandaan maar je bent hier niet thuis"


De kunst van het verliezen is prachtig geschreven. Gevoelig. Alle personages zijn mensen van vlees en bloed. Ieder met zwakheden, soms een enorme gelatenheid, vaak met weemoed en ieder op zoek naar houvast. Identiteit, spanningen en sociale klasse voeren de boventoon zonder het verhaal te verstoren. Het verleden is onontkoombaar en blijft generaties lang in zijn greep houden.

Een minpuntje dat voor mij enigszins theatraal overkomt, is het feit dat Hamid, tientallen jaren later, zijn Franse jeugdliefde uit Algerije tegenkomt in een café in Parijs. Daarna verdwijnt zij weer van het toneel en draagt niet bij aan het verhaal.

Uniek is deze roman zeker niet maar wel universeel en herkenbaar. Ook voor Nederland zoals bijvoorbeeld de Molukse gemeenschap die na hun vlucht uit de Molukken hier in twee voormalige concentratiekampen Westerbork en Vught terecht zijn komen. Vluchtelingen is iets van alle tijden. Na hoeveel generaties wordt iemand echt volledig als staatsburger gezien?

De kunst van het verliezen is een familiegeschiedenis die het lezen waard is. Een verhaal dat alleen maar begrip kan opwekken voor de vreemdeling. Deze roman over vluchten, vrijheid, acceptatie en doorzettingsvermogen moet meer gelezen worden. Juist nu.

--

Titel: De kunst van het verliezen
Auteur: Alice Zeniter
Vertaling: Martine Woudt en Marijke Arijs
Pagina’s: 463
ISBN: 9789029525701
Uitgeverij De Arbeiderspers
Verschenen: oktober 2018

donderdag 9 februari 2023

Ann Quin - Berg


Moordcomplot met onverwachte wending

De Britse Ann Quin (1936-1973) heeft vier romans geschreven, waarvan haar geniale debuut Berg (uit 1964) nu voor het eerst is verschenen bij Uitgeverij Oevers, in een Nederlandse vertaling van Barbara de Lange. Quin was bekend door haar modernistische en experimentele schrijfstijl, maakte deel uit van de vernieuwende stroming van de Britse avant-garde. Ze was onder andere schatplichtig aan de Ierse Samuel Beckett, die deel uitmaakte van het Brits experimentalisme en een tragikomische en absurdistische schrijfstijl had. Ook haar landgenoten Virginia Woolf en Anna Kavan zijn van invloed geweest op haar schrijven. In 1989 is Berg bewerkt tot de film (Netflix) Killing Dad met Richard E. Grant in de rol van Alistair Berg. De roman is opgenomen in de herfstactie 2022 van Schwob.

Quin groeide op in Brighton, Sussex, waar ze werd opgevoed door haar moeder, nadat haar vader het gezin had verlaten. Na verschillende periodes van psychische inzinkingen liep ze in 1973, op 37-jarige leeftijd, de zee in. De volgende dag werd haar lichaam gevonden en werd er aangenomen dat ze door suïcide om het leven is gekomen. Ziehier mogelijk nog een overeenkomst met Virginia Woolf.

‘Een man genaamd Berg, die hij veranderde in Greb, kwam naar een badplaats om zijn vader te vermoorden…’


Marjon Nooij

Met zijn koffer vol haarproducten en pruiken reist haarspecialist Alistair Berg af naar de badplaats met het ultieme doel om zijn vader te vermoorden. In zijn koffer een krantenknipsel en foto van zijn ouwe heer; anders zou hij hem waarschijnlijk niet herkennen, hoewel hij op zijn lichaam ook drie tatoeagepatronen heeft als herkenningspunten. Om geen argwaan te wekken besluit hij zijn naam te verbasteren tot Greb. Hij slaagt erin een kamer te huren naast die van zijn vader en zijn jongere vriendin Judith. Door de flinterdunne scheidingswand hoort hij al hun geruzie en genotsgeluiden. Om hen te begluren maakt hij er een gaatje in en ontpopt zich tot een heuse voyeur.

Vader Berg wordt afgespiegeld als een nogal pathetische, maar berekenende zatlap. Wanneer Berg ‘m tijdens een woordenwisseling met Judith smeert, knoopt zijn zoon doelgericht een relatie met haar aan. De ultieme wraak of met de bedoeling om dichterbij zijn vader kunnen komen?

Edith – zijn moeder die hem in haar eentje heeft opgevoed, omdat ze al snel verlaten is door haar man – is het vierde, weliswaar afwezige, maar zeer lucide personage; alleen aanwezig door haar brieven en door de gedachten die Greb heeft aan uitspraken van haar. Het heeft er alle schijn van dat er sprake is van een symbiotische relatie. Ze is ervan op de hoogte dat hij zijn vader gaat opzoeken en lijkt hem als het ware continu toe te spreken. Zo regisseert ze in feite de gedachten en daardoor de daden van Greb, bewerkt hem en speelt hem op zijn gevoel: 

‘Wanneer kom je weer hier Aly? Je weet wel dat het niet waar is, ik vraag het me alleen maar af, want ik wil het graag weten, maar ja je moet je eigen leven leiden, en ik zal niet in de weg staan.’


Aly heeft geen hoog zelfbeeld – ‘hij is een mietje, een doodgewoon mietje; heeft geen vader, zijn moeder verpandt zichzelf om de rekeningen te betalen; dat malle pietje Berg, hij heeft het zelfs te koud om te schijten.’ Greb hangt op een ongezonde manier aan zijn moeder en wil haar wreken. Hier komt voorzichtig het klassieke Griekse toneel over het Oedipusmotief om de hoek kijken, hoewel Quin dit nergens benoemt.

Bijzonder is het wel dat Berg niet ontdekt dat Greb zijn zoon is – ‘mijn zoon heet ook Alistair’ –, terwijl, wanneer Greb in de spiegel kijkt, hij ziet dat hij de ogen van zijn vader heeft en dat zijn gezicht ook gelijkenissen met hem vertoont.
Zowel Judith als zijn vader vertellen hem in vertrouwen hun zielenroerselen en onvrede over hun beider geliefden, dus hij zit midden in hun stormachtige relatie. 

Ofschoon Greb van zins is om zijn vader van kant te maken, slingert hij tijdens een wandeling een opdringerige kat dood, Judiths kat. Om zijn vader te shockeren laat hij de kooi met Bergs geliefde parkiet Berty voor diens ogen van de trap vallen, wetende dat de vogel al eerder de hongerdood is gestorven, omdat Judith niet voor het beestje wenste te zorgen tijdens Bergs afwezigheid. Haar kat was immers dood, waarvoor ze haar geliefde verantwoordelijk hield. Desalniettemin kan Greb geen doortrapte moordenaar genoemd worden; hij draait voortdurend om de hete brij heen en is eigenlijk een grillige, weifelende antiheld; kansen te over, die hij niet benut. 

Berg heeft een bijzondere passie in de vorm van een eigenhandig gemaakte buikspreekpop, die hij heeft gehuld in zijn eigen krijtstreeppak. Het plan is om een vaudeville-act op te voeren tijdens een tour met een vriend. De pop is een afspiegeling van hemzelf. Hij kan zich veilig verstoppen achter andere stemmen en typetjes en zich zo waarschijnlijk gemakkelijker uiten. Het verminken van de pop tijdens een schermutseling is voor de vader alsof hemzelf iets is aangedaan. De pop wordt uit het raam gegooid en Grebs ladderzatte vader rent naar buiten om ‘zijn kind’ te redden uit het vuur waar het in is gevallen.

Quin houdt haar verhaal – vol absurdistische plotwendingen – heel suggestief. Hoe Alistair Berg de moord op zijn vader aanpakt blijft ongewis. Naderhand rolt hij het lijk in een tapijt en donsdeken, maar hij blijft rusteloos; vraagt zich af wanneer bederf intreedt, wanneer de stank begint en of hij het lichaam misschien nog zag bewegen. Op de tast ontdekt hij echter bobbels en waar ’de kopergele ogen’ zitten.

‘Eindelijk kan ik in vrede rusten amen. Volbracht, Daar ligt hij dan, naast het bed, in het tapijt gerold met de donsdeken eroverheen. Ik ga nog niet kijken, geef me even tijd, gewoon een kwestie van wennen aan het idee, daar komt het in wezen op neer. In hoeverre kan je in een zogenaamde daad geloven wanneer het onderwerp zelf niet meer zichtbaar is?’ 


Tragedie en komedie wisselen elkaar in hoog tempo af wanneer Breg twijfelt, maar hij herpakt zich en rolt het tapijt nog eens stevig op. Judith komt naar zijn kamer en stort zich vol sensueel verlangen op hem. Wanneer ze de tapijtrol ontdekt reageert ze eigenlijk niet verbaasd, zelfs begripvol. ‘Alsof ik in haar het begin van mijn eigen gevoel van verraad vind.’ Hij zeult met het opgerolde tapijt, dat bevreemdend licht van gewicht is en ontdoet zich van de ballast door het op een treinstation achter te laten, vanwaar hij het naar zijn moeder wil sturen als teken van zijn onvoorwaardelijke genegenheid voor haar.

Quin maakt veelvuldig gebruik van hyperbolen en elliptische, onaffe zinnen. Het proza is zeer grillig, gaat alle kanten op. Ze blinkt uit in het snelle wisselen van perspectief. Binnen een alinea schakelt ze haast terloops van derde persoon naar de ik-persoon en je-perspectief. Hierdoor wordt de stem van de alwetende verteller doorkruist door de gedachten van Greb en wordt de lezer met grote regelmaat het hoofd van Alistair Berg ingetrokken. 

Vanwege het ontbreken van aanhalingstekens bij de dialoog en door de vele innerlijke monologen wordt de indruk gegeven dat de auteur een metafysische droomwereld rond haar hoofdpersonage heeft geconstrueerd. Ook de surrealistische grilligheid van de raadselachtige plot lijkt te duiden op een constante droomtoestand.

Wanneer Greb zijn intrek heeft genomen bij Judith, vertelt de hospita dat er een nieuwe bewoner in zijn kamer is getrokken; een man met een baard die eigenlijk wel wat op Greb lijkt.
Het is aan de lezer om te bepalen hoe verhaal eindigt. Greb kwam, hij zag, maar of hij ook daadwerkelijk overwon… 

--

Titel: Berg
Auteur: Ann Quin
Vertaling: Barbara de Lange
Pagina’s: 208
ISBN: 9789493290136
Uitgeverij Oevers
Verschenen: september 2022

zondag 29 januari 2023

Waguih Ghali – Bier in de snookerclub

 

Over het niet kunnen vinden van je balans tussen twee culturen

De Egyptische schrijver Waguih Ghali is geboren in Alexandrië in een arm Koptisch milieu. Zijn familie behoorde echter tot de rijkere elite, met wie er een financiële strijd bestond. Hij was, waarschijnlijk voorzichtigheidshalve, bewust onduidelijk over zijn geboortedatum, maar dat moet ergens tussen 1927 en 1929 zijn. Ook zijn er maar zeer weinig foto’s van hem te vinden.

Ghali groeide op in een land dat tot 1922 voornamelijk werd geregeerd door het protectoraat van het Britse rijk. Vanaf die tijd werden er voorzichtige pogingen gedaan om de democratie in het zadel te helpen, maar de Britten lieten Egypte niet los. Pas in 1952 brak de Egyptische revolutie uit; het Britse leger werd verjaagd, de pro-Britse Koning Farouk afgezet en Egypte werd een republiek. Schrijvers als Nagieb Mahfoez en Albert Cossery schreven net als Ghali ook over de vloek van onderontwikkeling in Egypte. Het tragikomische Bier in de snookerclub speelt in de vijftiger jaren, rond de conflicten voor en na de Suez-crisis van 1956. Met de volksopstand tijdens de Arabische Lente en het aftreden van Hosni Mubarak won het in 2011 weer aan urgentie en kan het zelfs gezien worden als visionair werk. De uitstekende vertaling is van de hand van Paul Heijman. Jamal Mahjoub (Parker Bilal) schreef voor de roman een verduidelijkend nawoord. Bier in de snookerclub is tevens opgenomen in de winteractie 2022/2023 van Schwob

Vanwege zijn angst om politiek vervolgd te worden – hij had openlijk de revolutie gesteund – woonde Ghali vanaf de jaren ‘50 in ballingschap in diverse landen in Europa, waar hij allerlei baantjes aannam. Hij studeerde aan de Sorbonne in Parijs, waarna hij in Londen ging wonen, waar hij in het Engels zijn debuutroman Beer in the snookerclub (1964) schreef, die ook zijn laatste zou blijken. Wel verschenen er tussen 1957 en 1959 zes persoonlijke verhalende essays van hem in The (Manchester) Guardian. Hij stierf op 5 januari 1969, nadat hij tien dagen daarvoor een overdosis slaappillen had ingenomen in het huis van zijn vriendin en redacteur Diana Athill bij wie hij de laatste twee jaar van zijn leven woonde. Van haar verscheen in de tachtiger jaren After a Funeral, waarin ze haar relatie met Ghali beschreef. Op de site van Cornell University Library is een uitgebreide briefwisseling tussen hen te vinden.

Marjon Nooij

Bier in de snookerclub heeft overduidelijk autobiografische elementen. Ghali heeft de personages van zijn roman geplaatst in het Caïro van na de revolutie. Het ik-personage Ram is een antiheld; een koptische christen die sympathiseert met de revolutie. Doordat hij op school in het Engels en Frans les kreeg – het Arabisch wordt door hem amper gebezigd – staat hij veraf van de jongeren die wel naar Egyptische scholen gingen. De Britse gebruiken zijn hem met de paplepel ingegoten. Uit luiheid en verveling zoekt hij zijn vertier in koffietent Groppi – een begrip in Caïro sinds 1891 – en in gokken en drinken. Om hiervoor aan geld te komen zoekt hij zijn heil bij leden van zijn welgestelde familie.

Omdat het Engelse bier Draught Bass met de verjaagde Britten is verdwenen, gaan ze zich te buiten aan een imitatie hiervan; goedkoop Egyptisch Stella-bier met wodka en whisky.Ik dronk twee pinten van de Bass, die me een prettig gevoel geeft en mijn oriëntaalse brein de kans geeft me te verbazen over niet-oriëntaalse zaken.’ Het drinken van Bass verbindt hen nog met de Britse invloeden uit de koloniale tijd.

Met zijn vriend Font en hun vriendin, de rijke Joods-Egyptische communiste Edna, vormt Ram een drie-eenheid, die hier symbool staat voor de verschillen in sociaal-culturele identiteit. Ze wijdt hen in in het socialisme, stimuleert hen om goede literatuur te lezen en vertelt hen alles wat ze weet over de strijd voor vrijheden die wordt gevoerd. 'Langzaam maar zeker begonnen we onszelf te zien als onderdeel van de mensheid in het algemeen en niet slechts als Egyptenaren.' Ze moedigt de jongens aan om hun studie te voltooien in Londen, betaalt voor de overtocht met de belofte hen in Londen te ontmoeten en ze financieel te ondersteunen. 'We vertrokken naar Londen, Font en ik. Naar het gedroomde Europa, naar de ‘beschaving’, naar de ‘vrijheid van spreken’, de ‘cultuur’, het ‘leven’.'Een uitreisvisum verkrijgen is snel geregeld. Aan visa komen om in Engeland te kunnen zijn blijkt bijna onmogelijk, – ‘Jullie zijn allebei kopten, en nu de macht geheel in handen is van moslims, nemen ze niet de moeite om jullie visa te geven.’ – maar de directeur van de school weet soelaas te bieden.

De provinciale Ram voelt zich als een vis in het water in de moderne Britse hoofdstad. Zijn blanke huid werkt duidelijk in zijn voordeel en een links georiënteerde familie biedt hen onderdak aan. Een ontmoeting met een tramconductrice resulteert in een uitnodiging bij haar thuis. Haar zoon Steve heeft gediend in Suez, maarzegt dat-ie nooit de kans heb gehad om de inboorlingen te leren kennen, vanwege de legervoorschriften en zo.’ Toch blijkt het voor Ram heel ongemakkelijk te voelen om zijn afkomst en eigenheid los te laten en de twijfel slaat toe.

'Het geestelijk raffinement van Europa heeft in ons iets moois, iets onbedorvens stukgemaakt, heeft het voorgoed gedood… voor altijd.'


Edna en Ram raken verliefd, maar zijn ervan doordrongen dat hun relatie geen stand kan houden vanwege hun verschillende achtergrond, etniciteit en politiek inzicht. Ook draagt Edna een geheim met zich mee dat haar ervan weerhoudt zich aan hem te binden.
De Suez-crisis gooit roet in het eten en noopt hen om terug te keren naar hun geboorteland, waar Ram wordt getroffen door de gevolgen van de etnische zuiveringen, de barbaarsheid en corruptie van het regime van Nasser. Het gevoel dat hij in spagaat zit tussen twee culturen, verleden en heden, dringt zich aan hem op. Waar er verrukking was na de revolutie, blijkt er ontgoocheling voor in de plaats gekomen te zijn. Hij radicaliseert, sluit zich voor een korte periode aan bij de communisten en bij een geheime organisatie die ‘foto’s en geschreven informatie [verzamelt M.N.] over de wreedheden die in onze concentratiekampen en kampen voor politieke misdadigers worden bedreven.’ Deze documenten koopt hij clandestien van de politie. ‘Ik heb het afschuwelijke gevoel dat een aantal van de foto’s niet zo bloederig zou zijn als we er niet voor betaalden.’

Als hij in de gaten krijgt dat zijn hart niet bij de politiek ligt, verliest hij zichzelf weer in roken, rondneuken, drinken en gokken. In het razendsnel veranderende Egypte voelt hij zich vervreemd van zijn eigen land. Maar het dringende gevoel dat hij zijn leven beter op de rit moet krijgen en aan zijn toekomst moet werken, keert terug. Hij doet een meisje van rijke komaf een aanzoek en windt er geen doekjes om dat haar vermogen zijn drijfveer is. Zijn grootste uitdaging is het samenbrengen van zijn leven in een postkoloniaal land met zijn veridealiseerde ervaringen waar hij in het overzeese van heeft geproefd. Confronterend is het verschil tussen hem en Font, wanneer ze elkaar in Caïro weer ontmoeten en hij zijn vriend in Egyptische kledij op straat notabene komkommers ziet verkopen, terwijl hijzelf zich in het moderne leven heeft gestort. Hij bezorgt Font een baantje in de snookerclub waar hij zijn avonden doorbrengt en ze mijmeren over hun tijd in Londen.

Ghali heeft met Bier in de snookerclub geen somber boek geschreven. Hoe pretentieus Ram soms ook lijkt, de auteur laat hem regelmatig grappig, ironisch, maar ook ontroerend uit de hoek komen. Ram zal zich staande moeten houden in zijn veranderende wereld: de cultuurshock die hij kreeg in Londen en de ervaringen die hij mee terug neemt naar zijn geboorteland, waar hij nooit meer gewend kan raken aan wat hij heeft achtergelaten, zijn allesbepalend. Vooral als blijkt dat Edna in eigen land is mishandeld vanwege haar Joodse Identiteit. Het blijkt toch lastiger te zijn dan hij verwachtte om een multicultureel wereldburger te zijn en dat frustreert hem.

De realistische, circulaire en vooral volle roman, doorspekt met existentiële thema's geeft een glashelder beeld van de gevolgen van het Britse kolonialisme en het revolutionaire verleden van Egypte. Wat basiskennis over de recente geschiedenis van het land geeft meerwaarde, daar de auteur niet te uitleggerig is. Bier in de snookerclub geeft een scherp beeld van de autobiografische ervaringen van Ghali. Het is een boek met krachtige dialogen, geestige, maar ook indrukwekkende en diep tragische toetsen, waarin Ghali’s leven en ervaringen vol zelfspot worden weergegeven.

--

Eerder verschenen op Tzum en Bazarow


Titel: Bier in de snookerclub
Auteur Waguih Ghali
Vertaling: Paul Heijman
Nawoord: Jamal Mahjoub
Pagina's: 238
Uitgeverij Jurgen Maas
ISBN: 9789083210872
Verschenen: januari 2023

donderdag 12 januari 2023

Friedrich Torberg – Gerber

 

De goddelijke almacht van een wiskundeleraar


De in Wenen geboren Joodse journalist Friedrich Torberg (1908-1979) was pas tweeëntwintig toen in 1930 'Der Schüler Gerber hat absolviert' verscheen. Max Brod geloofde heilig in deze debuutroman en bezorgde het bij de Weense uitgeverij Zsolnay. Het boek werd direct een daverend succes, maar onder invloed van de nazi's werd het verboden en verbrand. Torberg wist via diverse omzwervingen te ontsnappen naar de Verenigde Staten waar hij tot 1951 in ballingschap bleef wonen, om zich daarna weer definitief te vestigen in Wenen. Vlak voor zijn plotselinge dood in 1979 ontving Torberg de Grote Oostenrijkse Staatsprijs voor Literatuur.

Marjon Nooij

Bij Uitgeverij Van Maaskant Haun is Torbergs debuut – opgenomen in de winteractie van Schwob en met een schitterend zelfportret van Egon Schiele op de cover – verschenen onder de titel Gerber, waarvoor Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen garant stonden voor de soepele vertaling. Omdat de doctrine van het door de auteur beschreven schoolsysteem op verontrustende wijze raakvlakken heeft met de praktijken van de kampcommandant in zijn latere werk Mein ist die Rache (1943), wordt Gerber gezien als visionaire roman, die qua inzicht dus breder getrokken kan worden dan dat deze alleen bedoeld is als schoolroman; zoals Max Brod het verwoordde, geeft het inzicht in het totaalbeeld van ons bestaan. Kurt Tucholsky en Robert Musil waren er bij verschijnen zeer van onder de indruk. Als 'The pupil Gerber' volgde in 1981 een verfilming met Gabriel Barylli in de rol van Kurt Gerber.

De inspiratie voor deze semi-autobiografische roman haalde Torberg uit zijn eigen schooltijd in Praag en het zakken voor zijn eindexamen. Hij heeft aan den lijve meegemaakt hoe zo'n onbarmhartige ervaring soms kon doorwerken en er door de hoge druk zelfs leerlingen overgingen tot suïcide. Deze klassieker uit de Duitstalige literatuurgeschiedenis kan gezien worden als kritiek op het destijds geldende, autoritaire schoolsysteem.

Protagonist Kurt Gerber – alter ego van Friedrich Torberg – begint aan zijn achtste en laatste jaar op het Realgymnasium. Hij bereidt zich voor op de Matura, oftewel Reifeprüfung; het eindexamen. Zijn kansen om te slagen zijn zeker niet slecht te noemen, maar wiskunde is zijn zwakke punt en hij beseft dat hij er nog flink aan moet trekken.

Antagonist is de autocratische wiskundeleraar professor Artur Kufper, die vanwege zijn beruchte reputatie door de leerlingen 'God Kupfer' wordt genoemd; 'een kleinburger die zijn machtsfantasieën botviert van achter zijn lessenaar' en vooral geen tegenspraak duldt. Hij blijkt dat jaar ongelukkigerwijs ook hun klassenleraar te zijn, die er niet voor schroomt om de leerlingen voor het oog van iedereen door het slijk te halen. Wiskunde is een verplicht vak, dus hiervoor slagen is van cruciaal belang. Dagelijks lopen de leerlingen de kans om naar voren geroepen te worden voor een mondelinge overhoring.

In zijn privéleven laat Kupfer bij tijd en wijlen een prostituee opdraven; 'zij werd door Kupfer bot opgedragen haar kleren uit te trekken om via alle denkbare wegen die zijn half ziekelijke lusten hem ingaven bij steeds hetzelfde eindpunt aan te komen: dat ze, zondig geworden, voor hem neerknielde en hem smeekte als straf haar lijf te nemen.'

Gerber stelt zich vooralsnog redelijk mild op ten opzichte van Kupfer, maar al snel heeft hij in de gaten dat Kupfer geen enkele kans onbenut laat om zijn machtsmiddelen in te zetten en de leerling waar hij zijn oog op heeft laten vallen op een meedogenloze manier uit te wringen. De sadistische treitercampagne wordt successievelijk voortgezet met als doel de druk op te voeren, de leerling te kleineren en de psyche te breken. Dit levert beklemmende passages op.

Tijdens een vluchtige ontmoeting met vader Gerber, waarschuwt Kupfer hem; 'uw zoon zal bij mij het lachen wel vergaan. Dat soort vlegels krijg ik wel klein!’ Hierop dringt vader er bij zijn zoon op aan om naar een andere school te gaan, maar, omdat hij in beginsel nog zelfverzekerd is en niet gelooft dat Kupfer zoveel macht zal hebben, weigert Kurt halsstarrig het hoofd te buigen. Wel accepteert hij uiteindelijk de bijlessen. Desalniettemin regeert de angst wanneer de mondelinge examens beginnen. De subjectiviteit van de beoordelingen is fnuikend, vooral omdat hij heeft gehoord dat er andere leerlingen tot tweemaal toe zijn gezakt voor wiskunde.

'[…] nu weet Kurt waaraan dit beeld hem herinnert, iets wat hij kortgeleden heeft gelezen over een pogrom in een synagoge, daar zitten ze nu, angstig, o zo angstig te wachten tot de kozakkenhoofdman binnenvalt met de gruwelijke boodschap, Kurt kan zich voorstellen dat ze allen in een vreselijk geweeklaag uitbarsten – maar nee, dat zal niet gebeuren, ze zijn tenslotte ‘voorbereid’, ze hebben allemaal geleerd, sommigen zijn zo zelfverzekerd dat ze zelfs met elkaar babbelen, dat zijn de goede leerlingen, ze praten luid, zonder met de anderen rekening te houden [...]'


Het moge duidelijk zijn dat eenzaamheid om de hoek komt kijken wanneer zijn vader ernstig ziek wordt en zelfs dreigt te overlijden. De kans om van school gestuurd te worden is reëel. Hij wil hoe dan ook slagen en zijn vader behoeden voor stress vanwege van
zijn slechte beoordelingen. Daardoor verzwijgt hij zijn onvoldoende en vervalst zijn vaders handtekening, domweg omdat Kupfer een handtekening van zijn moeder niet accepteert. Ook zijn wanhopige en onbeantwoorde liefde voor zijn voormalige klasgenoot Lisa Berwald – die hem als speelbal gebruikt; hem lijkt aan te moedigen, maar zich dan terugtrekt – speelt hem parten. Hij mag haar alleen 'vanuit de verte aanbidden' en ze beantwoordt zijn brieven niet.

Een confronterend hersenspinsel van Kurt is, dat wanneer een klasgenoot onverwachts sterft en niemand om hem lijkt te rouwen, hij er vanuit gaat dat er waarschijnlijk ook niemand zal zijn die om hém zal rouwen. Gaandeweg verliest hij het contact met de realiteit. 'Het was moeilijk te geloven dat er ook leraren waren die níet uit waren op het demonstreren van hun macht zolang het nog kon, maar die stil en bescheiden toewerkten naar de overgang van hun grote belangrijkheid naar hun nog grotere onbelangrijkheid.' De andere leraren lijken onder de plak van Kupfer te zitten en te zwichten voor zijn vernederingen. Toch probeert een leraar van een ander vak hem nog te behoeden voor de fratsen van Kupfer, wanneer Kurt op een belangrijk moment de klas verlaat om Lisa op te zoeken.

Het altruïsme van Kurt staat haaks op de egoïstische, grensoverschrijdende opstelling van Kupfer. De angst die de leerling voelt tijdens het mondelinge examen – waarvan hij achteraf bedenkt dat de oplossing uiteindelijk toch niet zo ingewikkeld was – slaat Kurt letterlijk lam.

Torberg zet psychologisch sterk uitgewerkte personages neer en gebruikt beklemmende sleutelscènes die de onrechtvaardige en psychologische oorlogsvoering zeer realistisch maken. Existentiële thema's als angst, verlies en vrees worden in de roman glashelder beschreven alsook de verschillende soorten relaties, zoals tussen Kurt en zijn ouders, leraren, medeleerlingen en zijn onbereikbare liefde.

Zoals het motto van Rabbi Shimon ben Gamliël al aangeeft: 'De wereld berust op drie dingen: waarheid, rechtvaardigheid en liefde.' Maar Kurt Gerber voelt dat de druk wordt opgevoerd, verliest zijn trots en zelfvertrouwen, en ziet geen andere uitweg dan een drastische vorm van capitulatie. Het krantenbericht dat Torberg op de laatste bladzijde heeft geplaatst is ontluisterend.

--

Titel: Gerber
Auteur: Friedrich Torberg
Vertaling: Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen
Pagina's: 296
ISBN: 9789083166148
Uitgeverij Van Maaskant Haun
Verschenen: december 2022

donderdag 5 januari 2023

Kevin Prenger - In de schaduw van Schindler


Lichtpunten van onvoorwaardelijke naastenliefde

De twee delen Ondergang van J. Presser in mijn vader 's boekenkast obsedeerden mij als kind. Dat ging over de oorlog. Dat ging over de Jodenvervolging. Daar stonden plaatjes in. Ik dorst er niet in te kijken. Over de oorlog werd thuis niet gesproken. Mijn vaders tewerkstelling in Duitsland hing als een zware deken over ons gezin. Pas in mijn puberteit heb ik beide delen gelezen.

Philipp van Ekeren

Dat zo'n groot deel van de Nederlandse bevolking zo efficiënt en geruisloos uit Nederland is verwijderd kon ik niet bevatten. Maar ook het feit dat het Duitse volk, zowaar tot in de laatste uren van de oorlog, massaal de joodse medemens heeft ontmenselijkt en uitgeroeid. Mijn vader durfde ik niets over te vragen. Pas aan het eind van zijn leven heeft hij eindelijk iets verteld. Ik was verbaasd te horen dat hij in Berlijn was behandeld door een Duitse arts waardoor hij de oorlog heeft overleefd. Niet alle Duitsers waren dus slecht. Goed en fout heeft mij altijd bezig gehouden.

Sinds die tijd heb ik veel boeken gelezen om erachter te komen hoe het Duitse volk in dit racistische gedachtegoed is meegegaan en de Holocaust hebben uitgevoerd. Hoe doorsnee burgers hiertoe in staat waren. Maar ook de onverschillige houding van Nederlanders en een, met de Duitse bezetter grotendeels meewerkende, overheid waardoor het slachtofferpercentage relatief zo hoog is in vergelijk tot andere Europese landen. Van de paperback Hitler, leven en ondergang van een tiran van Alan Bullock, Hitlers gewillige beulen van Daniel Goldhagen tot afgelopen jaar nog In de schaduw van gisteren van H.M. van Randwijk. En nog steeds valt het voor mij niet te doorgronden.

In onverschilligheid stond Duitsland echter niet alleen. Op de conferentie in Évian-les-Bains in 1938, bijeengeroepen door de Amerikaanse president Franklin Roosevelt om het probleem van de Joodse vluchtelingen te bespreken, was geen van de 32 aanwezige landen bereid om hun quota, om Joodse vluchtelingen toe te laten, te verhogen.

Jodenvervolging komt al eeuwen voor. In 1066 vond de eerste pogrom van Europa plaats waarbij 4.000 joodse inwoners van Granada werden vermoord.

Via Twitter volg ik al een lange tijd Kevin Prenger. Hij schrijft over de Tweede Wereldoorlog en heeft zijn eerdere boeken in eigen beheer uitgegeven. Vooral persoonlijke verhalen hebben zijn belangstelling. Zijn laatste uitgave In de schaduw van Schindler , uitgegeven bij Just Publishers, maakte mij gelijk nieuwsgierig. Juist om, als verademing, verhalen van medeburgers te lezen die hun leven wél in de waagschaal hebben gesteld om de verschoppelingen te redden in Duitsland tijdens de zwartste pagina uit de wereldgeschiedenis.

Kevin Prenger beschrijft in de eerste twee delen nauwgezet een algemeen beeld hoe burgers in het dagelijkse leven in Duitsland en daarbuiten reageerden op systematische uitsluiting en deportaties. Dat doet hij secuur en in een bekwame manier. Zoals de reactie op de Kristallnacht:

'Veel gewone Duitsers toonden zich geschrokken door de huiveringwekkende geweldsuitbarsting. Vele maakten zich echter meer druk om de ordeverstoring op zichzelf en de materiële schade dan om de slachtoffers.'


Aan de hand van diverse voorbeelden wordt het leven van Joden, hun vrienden en omgeving invoelbaar. Kevin Prenger weet op een goede manier het complexe tijdsbeeld weer te geven zonder dat de lezer wordt bedolven onder gegevens.

Het hoofdstuk 'Yad Vashem en de Rechtvaardigen' behandelt hij de Israëlisch staatsinstelling Yad Vashem voor het herdenken van de Joodse slachtoffers. Deze instelling heeft vele redders van Joden tot Rechtvaardigen benoemd. Het is duidelijk dat dit voor de auteur een belangrijke bron is geweest.

In het derde deel schrijft Kevin Prenger over een zestal redders, die ieder uitvoerig worden beschreven in een eigen hoofdstuk. Van een burger die het in een brief aan Herr Reichkanzler in 1933 het opnam voor de Joden, hun rol prees in de ontwikkeling en groei van Duitsland en de anti-semitische wetten bekritiseerde. Het verhaal van de negenjarige Renate Reutlinger, een van de joods vluchtelingen op de MS St. Louis die onder leiding van kapitein Gustav Schröder naar Cuba zou worden gebracht. Maar het schip werd in elke haven werd geweerd en keerde onverrichte zaken terug naar continentaal Europa. Deze moedige kapitein wordt door Yad Vashem erkent als held vanwege zijn '[…] vastberadenheid om zijn Joodse passagiers niet aan hun lot over te laten […]'

In het derde hoofdstuk van dit deel begint Prenger met de verklaring van Hermann Friedrich Gräbe die wordt voorgedragen door de hoofdaanklager in het internationaal Militair Tribunaal in Neurenberg. Een keurige burger die zich aansloot bij de NDSAP omdat Hitler beloofd om orde op zaken te stellen. Gelukkig verloor hij niet zijn rechtvaardigheidsgevoel. Maar door zijn kritiek op de partij kwam hij al gauw in de problemen. Toch werd hij als bouwkundig ingenieur ingezet in Oekraïne na de inval van Duitsland in de Sovjet-Unie. Daar werd hij geconfronteerd met de weerzinwekkende acties van het Duitse leger tegen Joodse burgers. Op een ingenieuze manier en met een niet-aflatende voortvarendheid vanuit zijn functie binnen het Reichsministerium für die besetzte Ostgebiete heeft hij grote groepen Joden uit de klauwen van Einsatzgruppe weten te houden.

Ook komt het verhaal van Otto Weidt aan bod, de eigenaar van een werkplaats voor blinden in hartje Berlijn. Deze held heeft veel Joodse medewerkers aangenomen en in 1942 van de deportatielijsten afgekregen. Via de zwarte markt wist hij veel mensen om te kopen om al zijn medewerkers te voeden. Ook met de hulp van vele andere Duitsers.

Met Maria von Maltzan, het zwarte schaap uit een adellijke Nazifamilie, zet Prenger vanuit een geheel andere hoek een Jodenhelper in het licht. Met haar afkomst weet deze gravin veel mensen om de tuin te leiden:

'De twee Gestapo-agenten die de inval deden, beschuldigden Maria ervan dat ze een Joods meisje in haar woning verborg. 'U gelooft toch niet dat ik als dochter van deze man Joden verberg? Antwoordde Maria terwijl ze wees naar een portretfoto van haar vader, de fiere Duitse graaf in militair uniform.'


Het verhaal van de Jodenhelper uit het laatste hoofdstuk van dit deel begint met de rechtszaak tegen de sadistische kampbeul Oswald Kaduk. Ludwig Wörl is een van de getuigen. Deze Wörl is nota bene een ziekenverpleger in Auschwitz die vele levens wist te redden, ook van Joodse medegevangenen. Door zijn inzet belandde hij in februari 1945 zelf in concentratiekamp Mauthausen.

In het afsluitende deel van het boek probeert Prenger het DNA te bepalen van deze, en vele anderen, helden. Hij komt al snel tot de conclusie dat er geen kenmerk bindend is. Niet qua geloof, opvoeding, afkomst of omstandigheden. Een moreel kompas en medemenselijkheid komt in alle lagen van de bevolking voor.

Tijdens elke oorlog, onderdrukking of uitsluiting zullen er altijd moedige mensen opstaan. In de schaduw van Schindler laat ons zien dat in de diepste krochten van de hel toch nog sprankjes licht te vinden zijn. Mensen die als lichtend voorbeeld kunnen dienen. Velen zullen echter onbekend blijven.

Daarom is dit boek waardevol te noemen. Omdat helden nooit mogen worden vergeten. Goed en leesbaar geschreven in de juiste context. Ik kan dit boek iedereen aanraden. Het verdient een groot publiek.

--

Titel: In de schaduw van Schindler
Auteur: Kevin Prenger
Pagina's: 300
ISBN: 9789089757241
Uitgeverij Just Publishers
Verschenen: mei 2022

woensdag 14 december 2022

Cao Xueqin - De Droom van de Rode Kamer


Een droomverhaal

Geen enkel werk uit de Chinese literatuur is zo beroemd als De droom van de rode kamer (of: Het verhaal van de steen) van auteur Cao Xueqin (1710-1763). Deze zeden-, familie- en liefdesroman wordt beschouwd als de belangrijkste van de vier grote klassiekers uit de Chinese literatuurgeschiedenis (1). De roman is zo veelgelezen en zo immens populair dat zelfs de Culturele Revolutie ten tijde van Mao Zedong niet bij machte was hem uit de geschiedenisboeken weg te censureren, terwijl hij toch gaat over een steenrijke familie in de feodale tijd, een thema dat haaks staat op de communistische maatschappijvisie. Het gerucht gaat dat Mao zelf van het werk hield, en misschien was dat wel de redding ervan.

Robert Van der Meiren

De droom van de rode kamer zit vol leven. Het verhaal valt geen seconde stil, het is onophoudelijk in beweging en blijft van de allereerste tot de allerlaatste letter onderhoudend tot-en-met. Die nooit aflatende levendigheid komt vooral van de overvloed aan dialogen: het valt moeilijk te meten, maar stellen dat driekwart van de roman door ‘gepraat’ in beslag wordt genomen is wellicht een onderschatting.

Ondanks zijn omvang (ruim tweeduizend pagina’s) zinkt de roman nooit in: geen momenten van zwakte, nooit een saaie passage, geen dode intermezzo’s, geen hiaten, geen langdradige beschrijvingen of vervelende uiteenzettingen… De droom van de rode kamer lezen is gewoonweg een onvergelijkbaar boeiend en ontspannend avontuur, en dat terwijl de inhoud bij momenten toch bijzonder tragisch kan zijn.

Het verhaal wordt ons bovendien gebracht in een fris, hedendaags Nederlands waaruit het kunstmatige van de achttiende-eeuwse schrijftaal volledig is verdwenen. Het is goed te zien dat de drie Nederlandse vertalers ruim twaalf jaar aan hun vertaling werkten, maar daarover later meer.

De droom van de rode kamer is een emotierijke roman die het verdient om uitgebreid te worden besproken, en dat ga ik hierna dan ook doen. Voor wie geen behoefte heeft aan zoveel detaillering hoop ik oprecht dat dit voorwoord al overtuigend genoeg is.

Inleiding

Voor ik aan De droom van de rode kamer begon had ik, lang geleden, één werk van Chinese origine gelezen: Wilde zwanen: drie dochters van China, de roman uit 1991 van schrijfster Jung Chang. Ik had daar goede herinneringen aan, en de lovende kritieken die ik de laatste tijd over De droom van de rode kamer her en der tegenkwam wakkerden mijn interesse voor dit werk aan. Ik aarzelde een tijdje, het leek mij immers geen hapklare brok te zijn het buitenmaatse volume, uit de 18de eeuw, én uit een wereld ‘ver van ons bed’ maar uiteindelijk won de nieuwsgierigheid en heb ik het boek gelezen. Na afloop wist ik meteen dat ik dit werk zeker nog een keer zal lezen, en wie weet hoeveel keer daarna nog.

Want De droom van de rode kamer is om te ontdekken en te exploreren, één lezing volstaat niet om het te doorgronden, en twee wellicht ook niet. Het is zoals met (bijvoorbeeld) The Lord of the Rings van J.R.R. Tolkien, De gebroeders Karamazow van Fjodor Dostojevski, Ulysses van James Joyce, Oorlog en vrede van Leo Tolstoj, Die Buddenbrooks van Thomas Mann of À la recherche du temps perdu van Marcel Proust (2): hoe vaak je die prachtwerken ook leest, je blijft er nieuwe dingen in ontdekken.

De droom van de rode kamer gaat over een invloedrijke, welgestelde familie en haar personeel. Meesters, meesteressen, dienstmeisjes, knechten, geliefden, concubines, hoofdvrouwen, bijvrouwen, vaders, moeders, kinderen, kleinkinderen, tot en met familieleden van het zevende knoopsgat ‒ bij elkaar ruim drie- tot vierhonderd (hoofdzakelijk vrouwelijke) personages ‒ wonen allemaal samen binnen de muren van een enorm familiedomein vol luxueuze huizen en paviljoenen, prachtige parken en idyllische prieeltjes. Ze vormen er een bont gevarieerde gemeenschap die als het ware een doorslag is van het keizerlijke China uit die tijd, maar met de nuance dat de vrouwen in dit verhaal opvallend geëmancipeerder en lotsbepalender zijn dan wellicht het geval was in het échte achttiende-eeuwse leven.

De vergelijking met de Britse televisieseries ‘Downton Abbey’ en ‘Upstairs, Downstairs’ ligt voor de hand en wordt ook vaak gemaakt. Zowel in die series als in de roman speelt de actie zich immers af binnen de grenzen van een familiaal domein, is er weinig interferentie met de wereld daarbuiten en vertegenwoordigen de personages alle maatschappelijke lagen, van machtige meesters tot eenvoudige manusjes-van-alles.

Die gelijkenis is ook de drie Nederlandse vertalers niet ontgaan. Volgens Anne Sytske Keijser en Silvia Marijnissen zou een succesvolle Netflix-serie heel goed mogelijk zijn (3), en Mark Leenhouts noemt De droom van de rode kamer 'een combinatie van een levensbeschouwelijke allegorie en een soap-op-niveau' (4). Dat laatste mag onderstreept worden, want op alle kenmerkende facetten van de romantische vertelling ‒ literair, dramatisch, psychologisch en filosofisch ‒ overstijgt De droom van de rode kamer het populaire stramien van de klassieke soap. En er is nog een aspect waarmee de roman zich van de tv-series onderscheidt: het bovennatuurlijke speelt in De droom van de rode kamer weliswaar geen overheersende, maar toch een niet te minimaliseren rol.

Het is een fascinerende wereld die de auteur ons voorzet, een wereld waarin droom, werkelijkheid, schijn en waarheid behoedzaam door elkaar worden geweven en een fijngevoelig spel met elkaar spelen. Al in het eerste hoofdstuk (I, 17) (5) verbluft de auteur ons met een enigmatische spreuk die gerust als hét thematische leitmotiv van deze imposante roman mag gezien worden:

'Als schijn de waarheid speelt, wordt waarheid schijn
Als niet-zijn zijn verbeeldt, blijkt zijn niet-zijn te zijn.'

 
Het verhaal

Het zal niemand verbazen dat een monumentaal werk als De droom van de rode kamer, met zijn honderden gedetailleerd uitgetekende personages, onmogelijk beknopt kan worden samengevat, noch kan de onuitputtelijke rijkdom ervan in enkele alinea’s voldoende eer worden bewezen. De roman is als het ware een mozaïek van vele miniaturen die allemaal samen een coherente vertelling vormen. Hierna volgt een (poging tot) synopsis van de voornaamste verhaallijn, maar ik benadruk nogmaals dat deze ‘main story’ veel vertakkingen heeft en doorkruist wordt door talrijke andere verhaallijnen.

Maar eerst een waarschuwing. Op het internet vond ik ontelbaar veel recensies en samenvattingen van dit werk. Hierna vertel of verklap ik niks dat daar al niet in te vinden is, maar wie het boek alsnog zonder enige voorkennis wil lezen slaat het hiernavolgende resumé best over. Hier gaan we…

De onmetelijk rijke en invloedrijke Jia-clan (met ‘huize Ning’ en ‘huize Rong’ als familietakken) woont met enkele honderden ondergeschikten op een riant familiedomein, vermoedelijk in de omgeving van de Chinese stad Nanjing. De familie behoort tot de hogere ambtenarenadel. Al in het tweede hoofdstuk komt de lezer te weten dat haar rijkdom en macht tanen, maar de familie zelf is zich daar op dat moment nog niet van bewust. Ze weet de façade staande te houden doordat ze kan bogen op haar goede historische banden met de keizer, én omdat een van de familiedochters als concubine aan het keizerlijk hof verblijft, een exclusief privilege dat aan enkele familieleden belangrijke functies heeft opgeleverd.

Bovenaan de familiale hiërarchie staat moeder Jia, de oude matriarch van de clan. Haar leiderschap is niet altijd consequent en ze neemt weleens ondoordachte beslissingen (met soms dramatische gevolgen), maar vanwege haar leeftijd staat ze hoog in aanzien, durft men zelden tegen haar in te gaan en blijft ze veel respect krijgen van familie en personeel. Tweede in rang is moeder Jia’s schoondochter Wang Xifeng. Ze is knap, gewiekst, humoristisch, zakelijk en koelbloedig maar kan ook ronduit wreed en meedogenloos zijn, er zit 'geen greintje buigzaamheid' in haar, ze is 'echt spijkerhard' (III, 506). Met vaste hand stuurt zij het leger bedienden aan, en beheert aldus het huishoudelijke reilen en zeilen van de familie. Zij heeft het in feite voor het zeggen, maar ze is sluw genoeg om moeder Jia het uithangbord van de familiale macht te laten zijn.

Onder de vleugels van die twee vrouwen groeit moeder Jia’s kleinzoon Jia Baoyu op, de voorbestemde erfgenaam van huize Rong. Dat hij werd geboren met een magisch stukje jade (de steen uit de titel) in de mond ziet zijn grootmoeder als een onmiskenbaar teken dat hem een grootse toekomst wacht, en ze vertroetelt hem mateloos. De jongen zelf ‒ hij is nog een kind als zijn verhaal begint (6) ‒ is er echter niet erg op gebrand om snel volwassen te worden. Hij gedraagt zich uitgesproken meisjesachtig en voelt zich opperbest in het gezelschap van zijn zussen, nichten en dienstmeisjes bij wie hij veel tijd doorbrengt. Jia Zheng, Baoyu’s vader, is niet opgezet met de excentrieke levenswandel van zijn zoon. Hij walgt van hem omwille van zijn eclatante vrouwelijkheid, en verwijt hem zich onvoldoende voor te bereiden op het officiële ambtenarenexamen dat hij ooit zal moeten afleggen. Maar daar heeft Baoyu weinig zin in. 'Waarom ben ik in deze hoge ambtenarenadel geboren' vraagt hij zich af, 'als ik ook was geboren in een familie van arme geleerden of lage ambtenaren, dan zou ik niet al die tijd voor niets hebben geleefd' (I,125).

Baoyu voelt zich bijzonder verbonden met twee van zijn nichten, Lin Daiyu en Xue Baochai. Beide zijn bloedmooi en zeer onderlegd, maar op vele vlakken elkaars tegenpolen. De dromerige Lin Daiyu heeft een frêle lichaamsbouw en een zwakke gezondheid, is sentimenteel en romantisch, maar ze heeft een kort lontje en wordt af en toe geplaagd door aanvallen van gitzwarte jaloezie. De koele Xue Baochai daarentegen is sterk en gezond, ambitieus, zelfbeheerst, evenwichtig en realistisch, zij staat met beide voeten stevig op de grond en is niet gauw van haar stuk te brengen. Alle drie hebben ze het emotioneel moeilijk, ze lopen als het ware verloren in hun gevoelens van hun onderlinge verbondenheid, vriendschap en liefde, maar die uiten lukt hen niet.

Op een dag verliest Baoyu de magische jadesteen, die hij al zijn hele leven aan een halssnoer meedraagt. Baoyu zelf maakt er zich niet veel zorgen om: 'Wat een gezeur allemaal om niks! Ik wil dat ding helemaal niet meer, dus maak er niet zo’n drukte om.' (IV, 63) roept hij, maar het verlies van de steen zorgt toch voor veel onrust en spanningen bij de familie, en voor angstige paniek bij het personeel. Iedereen is van slag, maar weet dan nog niet dat het verlies van de steen een periode van veel rampspoed inluidt.

Daiyu en Baoyu zijn op elkaar verliefd, maar té geremd om hun liefde onder woorden te brengen. Dat ze zijn voorbestemd om met elkaar te huwen staat voor hen ‒ én voor hun omgeving ‒ evenwel als een paal boven water. Het loopt echter helemaal anders…

Een opeenhoping van misverstanden brengt moeder Jia, na overleg met enkele familieleden, tot het besluit dat niet Lin Daiyu maar wel Xue Baochai de beste partij voor haar kleinzoon is. Met Wang Xifeng smeedt ze een plan om Baoyu op slinkse wijze in een huwelijk met Baochai te manoeuvreren. Lin Daiyu, voor wie dit absoluut geheim moest blijven, krijgt er toch lucht van en, wit van woede en verlamd van verdriet tegelijk, keert ze zich uiteindelijk in zichzelf, kwijnt weg en sterft op de dag van het huwelijk. Baoyu van zijn kant is zich van geen kwaad bewust. Tijdens de huwelijksplechtigheid denkt hij nog steeds dat de zwaar gesluierde vrouw naast hem zijn geliefde Daiyu is. Pas als Baochai later, al gezeten op de rand van het bruidsbed, haar sluier afneemt, ontdekt hij het bedrog. Hij kan het gewoon niet geloven. Als Baochai hem bovendien vertelt dat Daiyu is overleden, wordt ook hij ziek van verdriet en zinkt hij weg in doffe lethargie.

Baoyu zakt verder weg. Hij heeft zelfmoordgedachten, weigert te eten, en even wordt zelfs gevreesd voor zijn leven. Maar dan daagt plots een monnik op, mét de verloren gewaande jadesteen, en Baoyu herleeft. Hij beseft dat hij iets moet ondernemen om de reputatie van zijn familie te herstellen. Hij begint opnieuw te studeren en legt alsnog het ambtenarenexamen af. Hij slaagt met vlag en wimpel wat even voor wat hoop op beterschap zorgt, maar de neerwaartse tendens is dan al niet meer om te buigen en Baoyu vraagt zich steeds meer af of al die macht en rijkdom en alles wat hij doet wel zinvol is.

De familie krijgt intussen af te rekenen met een reeks tegenslagen die haar rijkdom en aanzien ernstig aantasten. Een oom van Baoyu wordt beschuldigd van financieel gesjoemel, verliest daardoor zijn status, al zijn eigendommen én het vertrouwen van de keizer; ook Baoyu’s vader is bij deze zaak betrokken. Moeder Jia sterft, de keizerlijke concubine sterft, de familie verliest eigendommen waarna ook Wang Xifeng overlijdt, enzovoort.

Vertwijfeld verlaat Baoyu uiteindelijk zijn familie en zijn zwangere echtgenote, hij verdwijnt kort na het ambtenarenexamen. Heel toevallig ziet zijn vader hem later nog één keer terug, ergens in de straten van Nanjing. Zijn zoon, kaalgeschoren, blootvoets en armtierig gekleed, brengt hem stilzwijgend de boeddhistische groet, aldus aangevend dat hij heeft gekozen voor een ascetisch leven. Jia Zheng stelt hem een vraag, maar voordat Baoyu kan antwoorden wordt hij weggeleid door een boeddhistische monnik en een taoïst. Zheng zet de achtervolging in maar kan het trio niet bijbenen. Hij verliest hen uit het oog, en terwijl ze op mysterieuze wijze verdwijnen hoort hij nog hun samenzang (IV, 463):

'Bij de Blauwe Richel ging ik weg van huis en stee;
al door de chaos en de leegte zwierf ik frank en vrij.
Wie volgt mij op mijn laatste tocht, wie gaat er met mij mee?
T’rug naar de verre bergen, naar de weidse woestenij!'
Zo eindigt het verhaal van Baoyu, een wat melancholische maar ook rebelse jongeling.'

 
Vrouwen boven

In de Chinese cultuur was de term ‘rode kamers’ doorgaans de aanduiding voor de vrouwen- en meisjesvertrekken in de luxueuze villa’s van weleer, en daar speelt dit verhaal zich grotendeels in af. De droom van de rode kamer is dan ook opvallend vrouwelijk georiënteerd, en dat is toch wel bijzonder voor een werk uit de achttiende eeuw. Vandaag wordt Cao Xueqin in (vooral westerse) studies gezien als een feminist avant la lettre die zijn 'vrouwelijke protagonisten veel talentrijker en beschaafder had voorgesteld dan de mannelijke, die allen, op een paar uitzonderingen na, afgeschilderd werden als wellustige schurken' (7).

Van de honderden familieleden en bedienden die de voornaamste protagonisten omringen kan een dertigtal als secundaire hoofdpersonen worden beschouwd, en dat zijn bijna allemaal dienaressen. In theorie zijn ze niks meer dan gehoorzaamheidsplichtige ondergeschikten, maar in werkelijkheid vormen zij het kloppende hart van het dagelijkse leven op het familiedomein. Ze zijn psychologisch vaardig, weten hun ondergeschiktheid goed te gebruiken om dingen voor elkaar te krijgen en hebben een aanzienlijke impact op de levensloop van hun meerderen die dit vaak niet eens doorhebben. Dit haast burleske samenspel tussen gemakkelijk te manipuleren meesters en gewiekste dienstmeisjes leidt soms tot ronduit hilarische toestanden, en ik kan mij goed inbeelden hoe Cao Xueqin zich kostelijk zat te amuseren tijdens het schrijven van deze scènes.

De vrouwen maken hier de dienst uit, veel meer dan de mannen van wie de meeste een halfslachtige, onzekere, ongecultiveerde, onbeschofte, brutale of gewoonweg domme indruk nalaten. Ze hebben moeite met het bedwingen van hun seksuele driften, blazen hoog van de toren, slaan wild om zich heen of gaan geheel onbesuisd tewerk, maar als puntje bij paaltje komt draait hun wild geraas veelal uit op ‘wel erg hard willen, maar toch net niet kunnen’.

Er zijn zeldzame uitzonderingen, en de intelligente Baoyu is daar een van. Met zijn 'opvallende uiterlijk, zijn gouden diadeem en geborduurde kleding', en zijn voorkeur voor 'mooie dienstmeisjes en knappe knechten' (I,125) is hij echter niet bepaald het prototype van de dominante mannetjesputter, maar veeleer een bindfiguur tussen de brute wereld van de mannen en de zachtaardige van de vrouwen.

Het zijn vaak fascinerende persoonlijkheden, deze vrouwen en meisjes. Cao Xueqin sublimeert noch idealiseert hen, maar met veel zin voor realisme portretteert hij ze stuk voor stuk met een adembenemende levensechtheid (8).

Nog meer ruimdenkendheid

Lijkt zoveel positivisme ten overstaan van de vrouw haast anachronistisch voor de achttiende eeuw, dan is de vrijmoedigheid waarmee Cao Xueqin schrijft over heterofiele én homofiele liefde en erotiek dat wellicht nog meer. Alleen al zijn keuze voor een niet al te mannelijke man als protagonist moet voor die tijd gedurfd zijn geweest, maar met zijn erg eerlijke kijk op liefde en erotiek ontmijnt en ontwijkt hij de mogelijke controverse. Hij geeft toe dat bepaalde uitingen 'eigenlijk niet betamelijk' zijn (zie fragment verder in dit hoofdstuk), maar wat onbetamelijk is, is niet per se verkeerd. Oprechte, respectvolle liefde is correcte liefde, ongeacht geslacht of geaardheid. Excessieve of extreme uitingen zoals losbandigheid of pornografie veroordeelt hij dan weer wel: als in een tuin van het domein een pornografische afbeelding wordt gevonden organiseert Baoyu’s moeder een ware klopjacht om uit te zoeken hoe zoiets verwerpelijks het familiedomein is kunnen binnendringen (III, 235 e.v.).

Cao Xueqin benadert liefde en erotiek dus met een voor die tijd bewonderenswaardige openheid van geest. Aan expliciete beschrijvingen doet hij niet en vulgair wordt hij nooit, maar netjes afgeborstelde omschrijvingen en spitsvondige dubbelzinnigheden gebruikt hij graag, en die zijn vaak amusant. Een voorbeeld maakt dit duidelijker: het volgende tafereel speelt zich af in de jongensschool van Baoyu en zijn vriend Zhong, en gaat over de ontluikende amoureuze gevoelens van enkele jongens voor elkaar. Voor een goed begrip van dit fragment: Pan is een wat oudere leerling op de school, en tevens een broer van Xue Baochai (I,150):

'Toevallig zaten er twee zeer romantisch ingestelde leerlingen op de school. Tot welke tak van de familie Jia ze behoorden was niet duidelijk en ook hun echte naam was onbekend, want vanwege hun charmante en bekoorlijke uiterlijk noemde de hele klas hen bij hun bijnamen: Schatje en Liefje. Hoewel de meesten hen heimelijk bewonderden en gevoelens voor hen koesterden die eigenlijk niet betamelijk waren, durfden ze zich uit angst voor Pans invloed niet met hen in te laten. Ook Baoyu en Zhong voelden zich, zodra ze op de school aankwamen, haast onontkoombaar tot Schatje en Liefje aangetrokken, maar in de wetenschap dat Pan zijn oog op het tweetal had laten vallen, waagden ook zij geen enkele kans. Schatje en Liefje waren al net zo betoverd door Baoyu en Zhong, en zo koesterden ze dus alle vier een sterke genegenheid voor elkaar, zonder er openlijk voor uit te kunnen komen. Vanuit hun verschillende schoolbankjes zochten hun ogen voortdurend contact, en met bedekte toespelingen of dubbelzinnige opmerkingen probeerden ze, op afstand, te laten merken wat er in hen omging, zichzelf wijsmakend dat niemand om hen heen iets in de gaten had. Toch kregen een paar lastpakken natuurlijk wel degelijk door wat er aan de hand was; ze wierpen elkaar steeds snaakse blikken toe of kuchten veelbetekenend.'


De mooiste (en belangrijkste) verhaallijn betreft natuurlijk de tragische liefdesgeschiedenis van Jia Baoyu en Lin Daiyu. Het is werkelijk een van de prachtigste en pakkendste liefdesverhalen die ooit werden geschreven. De tragische afloop ervan zal menigeen doen denken aan dat andere beroemde liefdesdrama, met name
Romeo en Julia van William Shakespeare. In beide verhalen zijn het de bemoeienissen en de druk vanuit de omgeving van beide geliefden en een serie misverstanden die uiteindelijk leiden tot de dood van een van hen. Cao Xueqin wordt daarom weleens ‘de Chinese Shakespeare’ genoemd. Die gelijkenis houdt mijns inziens maar steek voor zover het over de inhoud van deze twee verhalen gaat, maar verder niet: er is vooreerst het genreverschil (verhalend proza tegenover drama), en er zijn de personages die in De droom van de rode kamer een veel realistischere uitstraling hebben dan in Romeo en Julia. Ook stilistisch liggen beide werken mijlenver uit elkaar, en laten we tenslotte niet vergeten dat Cao Xueqin in zijn hele leven één werk creëerde, terwijl het oeuvre van Shakespeare wel eindeloos lijkt.

Misschien trap ik een heilig huisje in, maar het tragische liefdesverhaal van Baoyu en Daiyu ontroerde en raakte mij veel intenser en vond ik veel beklijvender dan dat van de geliefden uit Verona… sorry, William!

Een gesloten leefwereld

Het is een microkosmos, daar binnen de muren van het Jia-domein, een afspiegeling van de ‘grote’ maatschappij daarbuiten. De leden van de familie leiden er 'een leventje van poëzie en plezier' maar kunnen evengoed dagenlang doorbrengen 'in volmaakte ledigheid' (II, 96). Alle middelen zijn evenwel goed om de verveling te verdrijven. Ze ‒ vooral Baoyu en de vrouwen ‒ wonen graag opera’s bij, filosoferen veelvuldig en uitgebreid over de meest uiteenlopende onderwerpen, doen raadselspelletjes, bespreken gedichten of organiseren zelf dichtwedstrijden waarna ze elkaars creaties op een vermakelijke manier analyseren en becommentariëren. Als Daiyu een van haar dienstmeisjes het schrijven van gedichten wil aanleren, zegt ze daarover dit (II, 285):

'Er is niks moeilijks aan hoor, er valt weinig te leren. De structuur van een normgedicht heeft een opening, een voortzetting, een wending en een slot. De middelste twee regelparen, de voortzetting en de wending, zijn parallel maar met contrast. Niet alleen de tonen van de karakters contrasteren, ook moeten de meer concrete woorden contrasteren met de meer abstracte, en andersom. Maar als je echt een bijzondere zin maakt, geeft het niet als al die dingen niet helemaal kloppen.'


Op elkaars lippen leven veroorzaakt natuurlijk ook spanningen. De bewoners kibbelen veel, vaak over de grootste onbenulligheden, waarbij gelijk en ongelijk over en weer gaan tussen de partijen. Ze zijn vaak lichtgeraakt, en rancuneus, en in liefde, vriendschap of haat proberen ze elkaar voortdurend de loef af te steken. Kibbelpartijen tussen familieleden zijn niet van de lucht, en als die er niet zelf uit geraken, dan zijn er nog altijd de dienstmeisjes om al het gedoe op af te wentelen, en dit is best wel grappig. Bijvoorbeeld: als de ordinaire Jia Lian en zijn machtige echtgenote Wang Xifeng ruziën – en dat gebeurt nogal eens
is het meestal hun hoofddienstmeisje Harmonie dat het uiteindelijk moet ontgelden.

Doorgaans gaat het er allemaal wel vrij beschaafd aan toe, maar heel soms ‒ en zeker als er mannen bij te pas komen ‒ loopt een discussie toch uit op een eindeloze scheldpartij, een regelrechte vechtpartij of een fysieke afstraffing: als Jia Zheng vermoedt dat zijn zoon Baoyu zich weer eens te schande heeft gemaakt gaat hij hem zo brutaal met stokslagen te lijf dat de jongen wekenlang het bed moet houden.

Toch wordt evenwicht voortdurend nagestreefd, de mini-maatschappij moet immers leefbaar worden gehouden, en daar is diplomatie een goed middel toe. Gebeurt er iets dat de vrede kan verstoren ‒ een diefstal bijvoorbeeld, of een geval van ontucht ‒ dan wordt vervolgens eindeloos afgewogen wie er baat bij heeft de waarheid te kennen, en wie er beter in het ongewisse wordt gehouden. En als alle voors en tegens uitentreuren werden bekeken en er toch geen handig compromis is gevonden, wordt de zaak gewoon in de doofpot gestopt, en dat blijkt in sommige gevallen zelfs de beste oplossing te zijn. Reputatie staat immers boven alles, en ‘niemand kwetsen of niemand benadelen’ is de perfecte instelling om de rust te bewaren.

Constructie van de roman

De Droom van de rode kamer telt 120 hoofdstukken. Ze hebben geen titel, maar elk hoofdstuk begint met een hoofding van twee korte tekstlijntjes die de lezer op een ietwat mysterieuze en dus nieuwsgierig makende manier een hint geven over wat er in het hoofdstuk staat te gebeuren. Anderzijds eindigt elk hoofdstuk (behalve het laatste), met een uitnodiging of een aanmoediging om maar meteen het volgende hoofdstuk te lezen. Enkele (willekeurig gekozen) voorbeelden ter illustratie:

1. De hoofding boven hoofdstuk 10 gaat als volgt (I, 159):
            
'Belust op voordeel delft weduwe Jin het onderspit
Gedreven door kennis duidt dokter Zhang een ziektegeval.'

2. en dit is de laatste zin van datzelfde hoofdstuk (I, 170):
'Of de situatie van Keping door deze medicijnen verbeterde, hoort u in                   
het volgende hoofdstuk.'

3. Hoofdstuk 67 wordt als volgt ingeleid (III, 121):
'Bij het terugzien van een plaatselijk product krijgt Brauwtje heimwee
Na het vernemen van een groot geheim houdt Xifeng een verhoor'

4. en het wordt met dit ‘lokaas’ afgesloten (III, 139):
'Wat Xifeng van plan was, wordt duidelijk in het volgende hoofdstuk.'

Bijzonder is ook dat de auteur geregeld een vertelling onderbreekt om er later op terug te komen, of dat hij een bepaald relaas abrupt en definitief afbreekt, wellicht omdat het vervolg ervan niet relevant is voor het grotere verhaal. De lezer blijft echter niet in de kou staan, want met afsluitende zinnetjes als …'het is niet nodig daar uitgebreid op in te gaan' (I, 181), Daar laten we het hier bij (II, 188), 'Daarover hebben wij het verder niet' (III, 416), of 'Dat bewaren wij dan ook voor later' (IV, 137) maakt de auteur duidelijk of de lezer over dat bepaalde onderwerp nog iets mag verwachten, of juist niet.

Zo creëert de auteur een speelse sfeer en weet hij de interesse van de lezer vast te houden. Maar vooral zorgt hij aldus voor duidelijkheid, en daar lijkt de auteur bijna obsessief om bekommerd te zijn, alsof hij doorlopend bang is om mis- of onbegrepen te worden. Zijn beschrijvingen van bijvoorbeeld kledij, recepten, architectuur, rituelen zijn dan ook minutieus gedetailleerd. Dit haast maniakale streven naar duidelijkheid en volledigheid neemt niet weg dat de lezer zich onderweg af en toe vragen stelt. Die worden echter vroeg of laat allemaal beantwoord, en als de laatste pagina is omgeslagen zijn alle losse eindjes aan elkaar geknoopt en heeft de lezer geen onbeantwoorde vragen meer. Wel kunnen de (zeer aandachtige) lezer enkele inconsequenties opvallen: volgens de vertalers 'het gevolg van het feit dat het boek altijd als onvolledig manuscript (en in meerdere versies) heeft gecirculeerd' (IV, 47, voetnoot).

Ieder deel bevat een lijst met woord- en naamverklaringen, een overzicht van de Chinese keizerlijke dynastieën, een uitgebreide lijst van personages, en de familiestambomen. Het vierde deel wordt bovendien afgesloten met een zeer interessant nawoord van de vertalers (IV, 511-534).

Tenslotte nog dit: De droom van de rode kamer is géén tetralogie, de uitgever heeft deze kolossale roman over vier boeken verdeeld omwille van de manipuleerbaarheid.

De vertalers

Met een diepe buiging neem ik mijn hoed af voor Anne Sytske Keijser, Mark Leenhouts en Silvia Marijnissen, de Nederlandse sinologen die deze imposante roman hebben vertaald, en hoe! Meer dan twaalf jaar hebben ze eraan gewerkt, en ik zal nooit genoeg superlatieven kunnen bedenken om hun titanenklus te loven. Een groots literair meesterwerk in het Chinees is onder hun handen een groots literair meesterwerk in het Nederlands geworden.

De Stichting Filter kende in 2022 haar Filter Vertaalprijs toe aan dit trio, en ik kan de verantwoording van de jury niet verbeteren: 'Deze roman is grote literatuur en ontstijgt zijn tijd. Dat geldt ook voor de vertaling. Je merkt aan alles dat de vertalers een goed gevoel voor de toon hebben ontwikkeld – en voor de wisselingen van die toon. […] Het drietal maakte allerlei weloverwogen keuzes om de afstand in cultuur en tijd te overbruggen zonder het verhaal te vernederlandsen. De tweeduizend pagina’s zijn een monument voor de samenwerking van vertalers. Lang niet altijd werkt een vertaler in zijn eentje; soms is het teamsport. De drie vertalers hebben er vele jaren met elkaar aan gewerkt.'

Cao Xueqin

Cao Xueqin werd geboren in 1715, de precieze datum is niet bekend. Er is over de familie van de auteur trouwens meer geweten dan over de auteur zelf. Zijn overgrootvader, grootvader en vader bekleedden vanaf het begin van de Mantsjoe- of Qingdynastie (1644-1912) verschillende hoge functies, met name het directoraat van de keizerlijke textielfabriek in Nanjing. Cao Xueqin groeit dus op in een zeer welstellend, machtig en gecultiveerd milieu. Maar als de familie in 1728 na een keizerswissel in ongenade valt en haar vermogen geconfisqueerd wordt, vervalt de jonge Cao Xueqin ‒ hij is dan dertien ‒ tot een armoedig bestaan (8), en uit dat dal zal hij nooit meer kunnen opklimmen. Hij sterft op 12 februari 1763, 48 jaar oud; zijn vroegtijdig heengaan werd waarschijnlijk bespoedigd door de voortijdige dood van zijn enige zoon enkele maanden eerder (7). De publicatie van De droom van de rode kamer, zijn enige levenswerk, heeft hij niet mogen meemaken.

Cao Xueqin moet een brede kennis van de literaire geschiedenis, de cultuur en de legendes van China hebben gehad, daarvan getuigen de vele citaten en verwijzingen die hij in zijn roman heeft verwerkt. Die zouden aan de meesten van ons betekenisloos of onbegrepen voorbijgaan, ware het niet dat de vertalers voortdurend te hulp schieten met talrijke verklarende voetnoten.

In hun nawoord hebben de vertalers alle huidige biografische kennis over Cao Xueqin bijeengebracht; wie graag meer wil weten over leven van deze auteur verwijs ik naar dat nawoord (IV, 511-534).

Is De droom van de rode kamer een autobiografisch werk? Volgens vertaler Mark Leenhouts zijn er elementen die erop wijzen dat de auteur veel eigen ervaringen in zijn roman heeft verwerkt: “Aan het begin van het boek is de auteur, Cao Xueqin, zelf aan het woord. Hij vertelt over zijn leven en de vele vrouwen die daarin een rol speelden” (I, 9):

'Nu ik volkomen aan de grond zit en werkelijk niets van mijn leven heb gemaakt, denk ik onwillekeurig terug aan de vrouwen die ik vroeger heb gekend. Als ik hen allemaal onder de loep neem en met mezelf vergelijk, kom ik tot de conclusie dat ze in levenswandel en levenswijsheid stuk voor stuk mijn meerdere zijn.'


Met deze bekentenis, helemaal in het begin van het boek, zet de auteur meteen de toon voor een verhaal waarin vrouwen de hoofdrol spelen. 'Het is ook opvallend', aldus Mark Leenhouts, 'hoe Baoyu beweegt in die wereld, hij gaat liever met meisjes om dan met jongens' (3). Daarnaast is het niet moeilijk een parallel te trekken tussen het verval van de familie Jia enerzijds, en wat anderzijds Cao Xueqins familie overkwam.

Kenners waren er lange tijd unaniem van overtuigd dat alleen de eerste tachtig hoofdstukken door Cao Xueqin werden geschreven, en dat de laatste veertig het werk zijn van Gao E (1738-1815), de eerste publicist van deze roman. Recenter onderzoek brengt deze stelling echter steeds nadrukkelijker aan het wankelen, en vandaag denkt de meerderheid van de kenners dat Cao Xueqin wel degelijk de auteur is van alle honderdtwintig hoofdstukken; absolute zekerheid is er hier (nog) niet over. Wel zeker is dat de eerste (handgeschreven) publicatie slechts tachtig hoofdstukken bevatte; de overige veertig zouden pas later zijn ontdekt en dan door Gao E geredigeerd.

Conclusie

We dromen allemaal, zo vertelt de wetenschap ons, we dromen zelfs iedere nacht, maar alleen als we ontwaken tijdens de remslaap kunnen we onze dromen ook navertellen. Nu ik De droom van de Rode Kamer heb gelezen, heb ik het gevoel te zijn ontwaakt uit een hele diepe remslaap, met daarin de prachtigste droom ooit.

De roman heeft iets magisch, iets betoverends. Ik heb hem nu enkele maanden uit, en ik kan er nog steeds niet aan weerstaan om af en toe een boekdeel uit de mooie box te trekken, het op een willekeurige bladzijde open te slaan, en een stukje te lezen, zomaar. Het is alsof ik maar niet genoeg kan krijgen van dit wonderbaarlijke verhaal, en waarschijnlijk is dat ook zo. Toen ik de laatste pagina omdraaide, had ik spijt dat er niet nog eens tweeduizend volgden. Ik moet mij zelfs inhouden om het niet nu al op nieuw te gaan lezen.

Het is mij in mijn lange leesleven nog nooit overkomen, maar ik kan voor De droom van de rode kamer niet één woord van kritiek bedenken. Niet op het verhaal, niet op de opbouw, niet op het taalgebruik, niet op de verhaaltechniek … niks, helemaal niks. De droom van de rode kamer is zo meeslepend verteld en zo ongemeen boeiend dat ik mij niet kan inbeelden dat iemand níét van dit werk zou kunnen houden. De droom van de rode kamer is voorwaar een boek voor iedereen, een voornaam, elegant, uniek en bijzonder werk.

  1. De overige drie klassiekers zijn: De geschiedenis van de drie rijken, een historische roman uit de 14de eeuw van Luo Guanzhong, de avonturen- en schelmenroman Het verhaal van de wateroever uit de 14de eeuw, toegeschreven aan Luo Guanzhong of Shi Naian, en Het verhaal van de reis naar het westen, een zgn. wonderverhaal uit de 16de eeuw van Wu Cheng’en.

  2. The Lord of the Rings las ik in mijn jeugdjaren vier of vijf keer, Karamazow drie keer (gespreid over vijftig jaar) in de vertalingen van Marco Fondse en Arthur Langeveld, Ulysses, Oorlog en vrede en Die Buddenbrooks twee keer, en de zeven delen van À la recherche du temps perdu één keer.

  3. Interview met de vertalers van 6 februari 2022 door Gijs Moes voor het magazine Trouw

  4. Het Parool van 13 november 2021.

  5. Mijn annotaties lees je als volgt: ‘I, 17’ betekent ‘deel I, pagina 17’

  6. Baoyu’s leeftijd kan niet met absolute zekerheid uit de teksten worden afgeleid; sommige studies schatten hem acht als het verhaal begint, andere eerder elf of twaalf, wat mij acceptabeler toeschijnt. In elk geval stuit de zoektocht naar Baoyu’s exacte leeftijd op enkele chronologische inconsequenties.

  7. Arnaud de Schaetzen G.H.M (2002), De droom van de rode kamer: liefde zonder lust?, Katholieke Universiteit Leuven.

  8. Jonker D.R., Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur (MEW), deel 8, p. 527.


Oorspronkelijke titel: Hongloumeng (Shitouju)
Nederlandse titel: Het verhaal van de rode kamer, of: het verhaal van de steen
Auteur: Cao Xueqin (1715-1763)
Uit het Chinees vertaald door: Anne Sytske Keijser, Mark Leenhouts en Silvia Marijnissen
Uitgeverij Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2021
Uitgave: box met vier boekdelen, totaal 2147 pagina’s.
Genre: familie-, zeden- en liefdesroman, maar vooral toch een liefdesroman met klasse
ISBN: 978 90 253 0088 3 /NUR 302