dinsdag 13 april 2021

Lize Spit - Het smelt

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Das Mag

Onherstelbaar beschadigd


Mijn verwachting was hoog gespannen. Mijn nieuwsgierigheid groot. Simpelweg omdat er de afgelopen jaren veel positieve berichten over 'Het smelt' voorbij zijn gekomen op de sociale media. Enthousiast begon ik aan de 480 pagina's van deze jonge Belgische schrijfster. Vlaanderen heeft deze eeuw voor mij persoonlijk al veel mooie literatuur voortgebracht zoals 'Marcel' en 'Godenslaap' van Erwin Mortier of het fenomenale 'Wil' van Jeroen Olyslaegers om maar een paar hoogtepunten te noemen.

Het relaas van een opgroeiend meisje in een klein (fictief) dorpje in Vlaanderen. Duidelijk een 'coming of age' roman van een meisje in een zwaar instabiel gezin op het rurale platteland. Het verhaal is geschreven vanuit haar standpunt en beleving. De hoofdstukken springen heen-en-weer tussen het heden (bezoek aan een feest) en gebeurtenissen uit het verleden (2001 en 2002). De hoofdstuktitel geeft dit duidelijk aan. Hiermee ontrafelt Lize Spit de rode lijnen van het verhaal. Als eerste de vriendschap met haar twee leeftijdsgenoten en tevens hartsvrienden, de ontluikende seksualiteit van alle drie, de zelfdoding van een broer van één van haar vrienden en zijn herdenkingsfeest, de ontwikkelingsstoornis van haar zusje en de algehele toestand van haar familie.

Op zich sterke ingrediënten om een schitterend verhaal te schrijven. Maar dat is helaas niet het geval. Ten eerste omdat het verhaal doorspekt is met onnodige uitweidingen en beschrijvingen. Dit maakt het verhaal tamelijk uitgesponnen. Ten tweede omdat de hoofdpersoon en verteller Eva alles van een afstand bekijkt en beleeft. Je weet en voelt niet wat er écht in haar omgaat. Geen twijfel te bekennen. Alsof het leven haar overkomt. Een uitzondering hierop zijn haar zorgen over haar zusje Tesje. Dat wordt namelijk prachtig beschreven. Haar vermoedens dat het niet in orde is met haar zusje, meegaan in haar rituelen alleen maar om in contact met haar te blijven omdat de ouders al zijn afgehaakt. En uiteindelijk, samen met haar oudste broer, actie onderneemt om haar hulp voor haar te regelen. Aandoenlijk en intens. Vooral mooi weergegeven vanuit de visie van een jeugdige Eva. Dit is helaas de uitzondering. Als de relatie van Eva met haar zusje Tesje de leidraad zou zijn in het gehele verhaal had het verhaal wat mij betreft aan kracht gewonnen.

'Wat zou jij het ergste vinden? Vroeg ze. De hond was net even opgehouden met onrustig baantjes trekken, moeder bleef in de donkerte achter. 'De hond dood of papa dood?' Aan de manier waarop ze het vroeg, wist ik wat haar antwoord was.

De seksuele ontwikkeling van de twee jeugdvriendjes en Eva is in een kinderlijk spel gegoten waarbij een raadsel het hoofdingrediënt is om alle buurmeisjes uit de kleren te krijgen. Eva speelt hier eigenlijk de rol van onafhankelijke jurylid. Bij het laatste spelletje draaien de rollen om en gaat het dan ook helemaal mis. Tot het sadistische aan toe. Ik werd er zelfs misselijk van. Deze gebeurtenis heeft dan ook een enorme impact op Eva en betekent het einde van haar vriendschap met haar vrienden. En het leidt uiteindelijk ook tot de finale aan het einde van het boek. Dat laatste vind ik erg gezocht. Ik begrijp heel goed dat een heftige jeugd zonder enige warmte en genegenheid diepe sporen nalaat. Maar dit is echt ongeloofwaardig. Het komt gekunsteld over. Ook kan ik de laatste daad van Eva niet echt duiden. Is dit haar wraak? Iedereen genadeloos confronteren? Alle bekenden straffen? Temeer omdat zij zelf mededader was en alles wat haar is overkomen vrij gelaten beleeft en beschrijft. Misschien is de emotionele blokkade wel een natuurlijk bescherming om te overleven. Maar dat komt bij mij niet zo over. Ook al hunkert ze op eind naar een berichtje of teken van leven van haar ex-vrienden, broer of zusje. Ik kan er niet teveel over zeggen om de clou niet te verklappen.

Wat mij wel van het hart moet is het feit dat ik als Amsterdammer aardig moeite had met de vele onbekende Vlaamse woorden en uitdrukkingen die worden gebruikt (zoals 'kramakkelige', 'schellen', 'rekker' of 'opgepompte jams').

Lize Spit kan wel schrijven. Met een toegankelijke en natuurlijke schrijfstijl weet zij haar hele jeugd goed te beschrijven. Maar dat is voor mij niet genoeg. Met name omdat haar jeugd verteld wordt vanuit de eerste persoon wil ik haar afwegingen, twijfels, overwegingen en aanhankelijkheid meemaken. Of in haar onmacht meetrokken worden. Dat voelde ik dus niet.

Titel: Het smelt
Auteur: Lize Spit
Pagina's: 488
ISBN: 9789082410617
Uitgeverij Das Mag
Verschenen: november 2015

maandag 12 april 2021

Maarten 't Hart - De nachtstemmer

Recensie door Dietske Geerlings
Uitgeverij De Arbeiderspers

‘Registers open en zie daar’

In
De nachtstemmer trekt Maarten ’t Hart meerdere registers open. Zo wordt de lezer niet alleen getrakteerd op een tragikomisch liefdesverhaal, maar ook op allerlei interessante weetjes over de kunst van het orgelstemmen, klassieke muziek, de bijbel en bijbelvertalingen. Het is een vermakelijk boek dat regelmatig een glimlach bij de lezer ontlokt, maar soms ook een kleine frons.

Het verhaal begint met een vrij droog motto: een fragment uit een werk van A.P. Oosterhof en A. Bouwman over orgelbouwkunde. Toch staan daar allerlei essentiële elementen in, die in het verhaal een belangrijke rol spelen:

Het stemmen van een pijporgel is een moeizaam werk, dat een scherp gehoord, omzichtigheid, spierbeheersing, logisch denken, zin voor praktisch handelen en bij dit alles geduld en uithoudingsvermogen van een stemmer vergt. Alleen in een ruimte waar het volkomen stil is en met een vaardige helper bij de klavieren kan hij zijn taak naar behoren verrichten en bij een groot orgel en gunstige klimaatomstandigheden ook voldoening hebben van zijn werk.

Het verhaal gaat over de orgelstemmer Gabriel Pottjewijd, die in een dorp dat niet bij name wordt genoemd, maar zeer waarschijnlijk Maassluis is, het Garrelsorgel van de Groote Kerk gaat stemmen. Daarvoor logeert hij in het Zeemanshuis. De eigenschappen die in het motto genoemd worden, zijn inderdaad allemaal eigenschappen waarover Gabriel beschikt. In het dorp ontmoet hij de dochter van de Braziliaanse Gracinha, het meisje Lanna, dat hem kan helpen met het indrukken van de toetsen. Men zegt dat zij geestelijk gehandicapt is, maar zij blijkt bij nader inzien ook over veel eigenschappen uit bovengenoemd motto te beschikken, waaruit Gabriel concludeert dat zij allesbehalve ‘debiel’ is. Vooral haar uithoudingsvermogen valt in eerste instantie op, omdat zij een middag lang alleen toetsen kan indrukken, zonder dat het haar verveelt. De broer van Gabriel is psychiater en oppert – als Gabriel hem aan de telefoon heeft – dat het meisje wel eens autistisch zou kunnen zijn, omdat ze uitblinkt in haar feilloze gehoor en eentonig werk kan doen, zonder verveeld te raken.

Als Gabriel de eerste avond in het Zeemanshuis doorbrengt, maakt hij kennis met een bijbelgroep, waarmee hij op een vermakelijke manier in gesprek raakt. Zij bespreken het bijbelverhaal van Bileam en de sprekende ezel. Geen van de aanwezigen heeft het over het feit dat het misschien wat vreemd is dat Bileam het vanzelfsprekend vindt dat de ezel kan praten. Door het gesprek tussen Gabriel en de leden van de bijbelgroep maakt de lezer meteen kennis met de scherpzinnigheid van Gabriel en zijn grote kennis van de bijbel. Verderop in het boek blijkt dat Gabriel de bijbel niet alleen van voor naar achteren kent, doordat hij met de bijbel is opgevoed, maar ook doordat hij de bijbel gebruikt om andere talen te leren. Omdat hij de tekst in het Nederlands zo goed kent, kan hij eenvoudig achterhalen wat er in de andere taal staat. Overigens kocht hij de vertalingen vooral om indruk te maken op een vrouw. Zo was zijn – inmiddels overleden – vrouw Lore een Duitse en om Duits te leren had hij dus een Duitse bijbelvertaling gekocht. Omdat Gabriel inmiddels zo veel vertalingen heeft gelezen, is hij erachter gekomen dat vertalingen lang niet altijd zo nauwkeurig zijn en vooral wat ‘aanrommelen’ op het gebied van gesteenten, dieren en muziekinstrumenten, alsof de vertalers niet de moeite hebben genomen zich in deze materie te verdiepen alvorens een goede vertaling te geven.

Als Gabriel samenwerkt met Lanna, worden zij altijd nauwlettend in de gaten gehouden door haar oogverblindende moeder Gracinha, weduwe van een kapitein. Gracinha gaat soms als een ‘Xantippe’ tegen hem tekeer, maar nodigt hem vervolgens wel uit voor een tosti en een lekkere soep, en later ook voor heerlijke andere maaltijden. De gesprekken tussen haar en Gabriel zijn aandoenlijk, soms ook hilarisch, vooral als hij haar er steeds op wijst dat ze het woordje ‘er’ moet gebruiken:

‘ “Nou, hier doen ze niks anders, zijn hele dag op uit je foppen en stangen, willen je altijd tussen nemen. Is lust in hun leven.” “Daar heb je ’t weer, zijn ér de hele dag op uit je te foppen, willen je ertussen nemen. Maar als ze er steeds op uit zijn je te foppen, dan fop je toch terug?” “Kan ik niet, ben te serieus, heb totaal niks gevoel voor humor, ik kan eigenlijk niks, alleen maar eten koken, ik ga er toetje maken.” “Nee, daar geen ‘er’, maar wel een lidwoord, ik ga hét toetje maken.” “Ja, weet ik wel, maar niet erg als je weglaat.” “Nee, maar dan hoor je wel meteen dat je geen Nederlandse bent (...)”

Gracinha is bijzonder gecharmeerd van Gabriel, niet omdat ze hem aantrekkelijk vindt, want zij vindt hem ‘saai’ en niet ‘sexy’, maar omdat hij haar dochter voor vol aanziet, in tegenstelling tot haar dorpsgenoten. Zij komt met het idee dat Lanna misschien van hem het vak kan leren. Gabriel heeft daar wel vertrouwen in, al is hij bang voor de reacties van buitenstaanders. Omdat Gracinha een alleenstaande, bloedmooie vrouw is, wordt Gabriels omgang met haar met argusogen bekeken door het mannelijk volk. Hij krijgt een dreigbrief en daarna allerlei geheimzinnige waarschuwingen. Omdat Gabriel allesbehalve een held is, maar ook een Einzelgänger, is het lastig om als lezer deze bedreigingen serieus te nemen. Het is net of de verteller je in het ootje neemt.

In het hele boek voel je het plezier van ’t Hart in het schrijven, maar ook zijn liefde voor de kunst, voor het orgel, klassieke muziek en de bijbel. In deze roman is de plot eigenlijk ondergeschikt aan dit plezier en deze liefde, alsof de auteur er en passant nog een leuk verhaal omheen heeft verzonnen waar het eigenlijk niet om draait. Dat verhaal wordt op een gegeven moment ook tamelijk bizar en ongeloofwaardig. Toch neem je dat als lezer voor lief, omdat het voelt als een knipoog.

Ruimtes zijn in De nachtstemmer vol betekenis. Het belang van de stilte die nodig is voor het orgelstemmen, waarnaar in het motto al wordt verwezen, komt regelmatig terug in het boek, ook op spannende momenten dat Gabriel alleen in een doodstille kerk denkt te zijn en toch iemand hoort ademhalen. Hij moet daarnaast zijn werk regelmatig onderbreken door het lawaai van allerlei werkzaamheden in de haven, zoals rinkelende ankerkettingen, klinkhamers en gierende pneumatische boren. Al die geluiden klinken niet voor niets mee in een verhaal dat voor een groot deel gaat over ‘afstemmen’.

Het is jammer dat ’t Hart af en toe de neiging heeft om mooie onderliggende patronen die een ervaren lezer zonder probleem meekrijgt, nog eens uit te leggen. Zo vergelijkt Gabriel diverse zaken uit het gewone leven met het orgelstemmen. Dan is het jammer als hij dominee Berenschot laat zeggen: ‘(...) maar ik vind het wel verhelderend dat u de geloofsafval vergelijkt met hangers in een kerkorgel. Ach ja, u ziet natuurlijk beroepshalve het hele leven via de omweg van het kerkorgel. Dat is mij de vorige keer reeds opgevallen. Mooie metafoor, geloofsafval is als het verval van een kerkorgel.’ Het is niet fijn om als lezer de metaforen die echt niet zo verstopt zaten, door een dominee uit het verhaal uitgelegd te krijgen.

Al met al is De nachtstemmer een vermakelijk boek met veel wetenswaardigheden. Ook werpt het een kritische blik op de samenleving, waarin de Einzelgänger meer oog voor zijn medemens lijkt te hebben dan de massa, die een waarschijnlijk autistisch meisje als geestelijk gehandicapt bestempelt. Of dat nog helemaal van deze tijd is, is de vraag.

Titel: De nachtstemmer
Auteur: Maarten ’t Hart
Pagina's: 315
ISBN: 9789029542548
Uitgeverij De Arbeiderspers
Verschenen: juli 2019

donderdag 8 april 2021

Irene Vallejo - Papyrus

Recensie door Koen de Jager
Uitgeverij Meulenhoff

Noodzakelijk boek over boeken


Papyrus
van de Spaanse schrijfster Irene Vallejo wordt aangeprezen als een ‘ontroerende en eigentijdse hommage aan het boek’ op de achterkant en de voorkant spreekt van ‘Een geschiedenis van de wereld in boeken’. Dat is nogal een breed begrip, maar als liefhebber van boeken over boeken kon ik dit maar moeilijk laten liggen. Het is een boek van ruim 500 pagina’s. Pure tekst, geen afbeeldingen, uw verbeelding moet het hem doen.

Dat was geen probleem. Het is een vlot geschreven boek, waarbij enige voorliefde en misschien kennis van de klassieke oudheid best handig is. Het boek is namelijk verdeeld in twee delen. Deel 1 heet Griekenland bedenkt de toekomst en deel 2 De wegen van Rome. Hebt u die kennis of voorliefde (nog) niet; niet getreurd, saai en stoffig wordt het nergens.

Dat heeft te maken met de vertelkunst van Vallejo. We sluiten in de eerste zin meteen aan bij een stel ruiters die in Griekenland op zoek zijn naar boeken in opdracht van Ptolemaeus, de farao van Egypte, die boeken nodig had voor de bibliotheek van Alexandrië. Niet minder dan alle boeken ter wereld (die gelukkig wat overzichtelijker was dan de onze) moesten daar terecht komen. Zo komen we dus in Alexandrië, gesticht door Alexander de Grote. De grote veroveraar die nooit ging slapen zonder een dolk en de Ilias van Homerus onder zijn kussen. Alexandrië, waar de legendarische bibliotheek onderdeel was van het Mouseion, of de Tempel der Muzen. Een centrum van geleerdheid en wetenschap van de toenmalige hellenistische wereld. Talloze boekrollen moeten er hebben gelegen, die wat anders ter hand werden genomen dan een boek in onze dagen;

'Een boekrol werkte heel anders dan een boek met bladzijden. Bij het openen van een rol papyrus trof je een lange rij tekstkolommen aan, die van links naar rechts liepen. Al lezend rolde de lezer met zijn rechterhand de rol af en met zijn linkerhand rolde hij op wat hij net gelezen had. Een kalme, ritmische, verinnerlijkte beweging; een trage dans.'

Die boekrollen werden gemaakt van papyrus en er wordt uitgebreid stilgestaan bij het belang hiervan én de verschillen ten opzichte van het perkament. Dat werd namelijk belangrijk toen er een boycot kwam van papyrus en men in het (nu) Turkse Pergamon een oude oosterse techniek perfectioneerde om op dierenhuid te schrijven.

In dit deel van het boek staat Vallejo uitgebreid stil bij het belang van de Ilias en Odyssee van Homerus. Wat erg aangenaam is dat ze moeiteloos verbanden legt met het heden. Zo stond de wereld op zijn kop toen Bob Dylan de Nobelprijs voor Literatuur toebedeeld kreeg, maar Vallejo geeft subtiel aan dat de oude barden een goed deel van de klassieke literatuur uit hun hoofd kenden en in die liederen uitlegden wat er in de wereld aan de hand is. Zo is die Nobelprijs ineens niet zo vreemd meer. In haar woorden;

'Een Nobelprijs voor Oraliteit. Hou oud kan de toekomst zijn.'

Die verbinding met het heden zoekt Vallejo vaker en dat maakt het een levendig boek. In de dystopische roman Fahrenheit 451 van Ray Bradbury worden alle boeken verbrand. Zo dystopisch was dat echter niet, want in het jaar 213 voor Christus beval de Chinese keizer Qin Shi Huangli precies hetzelfde. Alle boeken moesten weg, de geschiedenis diende bij hem te beginnen. Ik houd erg van dit soort weetjes. Nog mooier is het verhaal van de ‘schildsmijter’ Archilochus. Je schild wegsmijten en wegrennen was de grootste schande die een Griekse krijger kon overkomen, maar hij deed het en stond zich er op voor. Hij vond het grappig zich te presenteren als anti-held, hoewel hij wel degelijk moedig was;

‘Het schild dat ik tot mijn spijt in een struik gooide, een uitstekend ding, daar zwaait nu een Thraciër mee. Maar ik heb mijn huid gered. Wat kan me dat schild schelen? Weg ermee. Ik koop wel weer een nieuw, dat net zo goed is.’

Maakt u zich geen zorgen, hij stierf volgens goede gewoonte keurig op het slagveld.

Maar er staat zo veel meer in dit boek. In het deel De wegen van Rome wordt uitgebreid stilgestaan bij de boekhandelaars uit het verleden en het heden, het begrip ‘klassieker’ en vrouwenstemmen uit heden en verleden. Ook de toekomst van het boek krijgt aandacht. Vallejo ziet het, bij monde van professor Victor Lapuente Giné, niet zo somber in;

'Als we iets ouds met iets nieuws vergelijken – zoals een boek met een tablet, of een non die in de metro naast een chattende puber zit – , denken we dat het nieuwe meer toekomst heeft. In feite is het precies omgekeerd. Hoe langer een voorwerp of een gewoonte onder ons is, hoe meer toekomst dat voorwerp of die gewoonte heeft… Het is waarschijnlijker dat er in de 22e eeuw nog nonnen en boeken zijn dan Whatsapp en tablets.'

Van die nonnen ben ik niet zeker, maar ze heeft een punt, sommigen zaken kunnen moeilijk verbeterd worden (boek, stoel, wiel, u kent ze wel). Daarom hoop ik dat er nog lang boeken verschijnen en dit soort boeken over boeken; ze zijn beiden zeer noodzakelijk.

Titel: Papyrus
Auteur: Irene Vallejo
Vertaling: Adri Boon
Pagina's: 536
ISBN: 9789029094207
Uitgeverij Meulenhoff
Verschenen: maart 2021

zondag 4 april 2021

Simone Atangana Bekono - Confrontaties

Recensie door Dietske Geerlings
Uitgeverij Lebowski 


‘Salomé Henriette Constance Atabong. Dat ben ik’

Het debuut van Simone Atangana Bekono, Confrontaties, begint met een confrontatie op het veldje dat de gymzaal van groep zeven of acht scheidt van het asielzoekerscentrum. Een paar jongens gooien muntjes naar een zwarte man achter het hek en roepen ‘Pak dan, pak dan’. Een meisje vraagt waarom ze dat doen. De jongens zeggen lachend dat hij toch geld nodig heeft. De ik-persoon, Salomé Atabong, kijkt toe en hoopt dat de man de muntjes niet opraapt. Terwijl de rest al lachend achter de juf naar school loopt, blijft zij nog even staan en kijkt de man aan. Hij draait zich om en loopt, zonder de muntjes op te rapen, weg. Met deze eerste confrontatie is meteen duidelijk hoe dun de scheiding is tussen racisme, pesten en eventueel goede bedoelingen, maar vooral ook hoe makkelijk mensen zich kunnen verschuilen achter die goede bedoelingen en daarmee vrijuit lijken te gaan, en hoe dit gemak zich al op jonge leeftijd manifesteert. Als je, net als Salomé Atabong, zelf aanhoudend op deze scheidslijn balanceert, omdat je huid donker is en je een afrokapsel hebt, is het leven een keten van confrontaties, die uiteindelijk kunnen leiden tot een explosie. Simone Atangana Bekono laat op een indringende manier zien hoe zich stukje bij beetje een drama voltrekt in het leven van de zestienjarig Salomé.

Salomé zit vast in een jeugddetentiecentrum, omdat ze op een middag twee schoolgenoten ernstig heeft mishandeld. Tot overmaat van ramp herkent ze haar psycholoog, Frits, van een tv-programma waarbij Nederlanders in Afrika proberen te leven als de lokale bevolking, wat erop neerkomt dat ze deze mensen vooral belachelijk aan het maken zijn. Salomé krijgt diverse woedeaanvallen, omdat het voor haar onmogelijk is met deze man haar problemen te bespreken. Dat Frits, met deze televisieachtergrond, psycholoog is in een jeugddetentiecentrum is misschien niet helemaal geloofwaardig, maar als je bedenkt hoeveel kijkers zulke programma’s trekken en hoeveel mensen zonder gewetensnood daarom kunnen lachen, is het wel duidelijk hoe ‘normaal’ dit gedrag in onze samenleving gevonden wordt, net als bij de confrontatie van de schoolklas met de asielzoeker, en hoe onbegrepen een meisje als Salomé zich dan moet voelen bij een witte man van wie het volstrekt onduidelijk is of hij wel betrouwbaar is, terwijl zij zich hier juist veilig zou moeten voelen.

Terwijl de dagen in het centrum voorbijkruipen, probeert Salomé zich in te houden bij de verschillende ruzies tussen de andere jongeren en begeleiders, zodat ze wel vooruitgang boekt en er kans op ‘rehabilitatie’ is. Deze term wordt overigens vlijmscherp bekritiseerd, want letterlijk betekent het dat je weer teruggaat naar waar je vandaan komt, en dat is onmogelijk als je iets vreselijks hebt gedaan, want je kunt dat nooit meer ongedaan maken en je zult dat dus altijd bij je dragen en nooit meer terug kunnen naar de situatie van daarvoor.

Je krijgt ook niet alleen het leven in het centrum mee, maar ook diverse terugblikken naar vroeger, haar gezin met vader, moeder en zus, met wie ze via de telefoon of tijdens bezoekuren nog wel contact heeft, de reis naar Kameroen naar haar tante Céleste en oom Honoré. Salomé blijkt een verlegen en gevoelig meisje dat niet helemaal in de pas lijkt te lopen met de rest. Zij is intelligent, leest heel graag, trekt zich het liefst terug, heeft eczeem en kroeshaar dat alleen maar met behoorlijk geweld en olie in vlechten gekamd kan worden. Wat dat betreft staat het haar bijna symbool voor de situatie waarin het meisje zit. Ze begrijpt niet waarom het haar niet gewoon zo mag zijn zoals het uit zichzelf valt, waarom het gevlochten moet worden. Het haar is ook aanleiding voor anderen om haar ‘aap’ te noemen, maar ook voor een vriendelijke voorbijganger om ‘welkom in Nederland’ tegen haar te zeggen, terwijl zij hier al haar hele leven heeft gewoond. Op het gymnasium is zij een van de weinigen met een andere culturele achtergrond. Je hebt maar twee mensen nodig die er plezier aan beleven om je het leven zuur te maken, zegt ze, en het schoolgaan wordt een ware hel. Twee jongens, Salvatore en Paul, hebben het voortdurend op haar gemunt, en elke dag is ze bang dat zij haar vinden. Haar vader heeft in de schuur een boksbal opgehangen om haar weerbaar te maken en zo ontwikkelt ze een enorme kracht.

Het boek krijgt een beklemmende gelaagdheid door de angst- en koortsdromen die Salomé heeft, waarin een vrouw met bloedende ogen en enorme zwarte vleugels wild krijst als een Furie. Ze doet haar denken aan Medusa. Vanaf het moment dat ze terugkwam van de reis naar Kameroen, had ze ‘het gevoel alsof de raarste beelden aan elkaar verbonden raakten, beelden die niks met elkaar te maken leken te hebben.’ Dit leidt steeds vaker tot een poëtische kluwen van zinnen waarin herinnering, droom en werkelijkheid door elkaar kronkelen: 

‘motherfuckers nee/want ik had het bloed in mijn mond het bloed tussen mijn tanden en toen kreeg ik pas echt met het ijzer en het bloed en de vuisten de smaak de kracht de wind is guur en ik heb een stok in mijn hand zie alles duidelijk de afstanden de kleuren en hoe alles zich tot elkaar verhoudt./Je moet met elke slag een stap naar voren doen, zei papa, alsof je dóór je vijand heen slaat./Het zijn een mond en een vuist en ze zoenen./Het is heerlijk./Ik ben vrolijk en wakker en zie alles. Het is licht en koud en ik ben wakker het gekrijs. Ik sta in de wereld ik ben naakt in de woestijn ik ben gigantisch licht ik ben wakker ik krijs met ellebogen zwemmend in vlees./Ik besluip niemand, maar het gevecht is stil. Er is niets zo stil als drie lichamen die botsen in een weiland aan de rand van de provinciale weg (...)’

Hier zie je ook hoe de taal voor elkaar krijgt dat je de mens gaat zien als een vloeibaar geheel dat kolkend kan overkoken als er allerlei gevaarlijke grondstoffen aan toegevoegd worden.

Simone Atangana Bekono opent de ogen van de lezer voor hoe ingewikkeld het is om volwassen te worden in zo’n ingewikkelde situatie, waarbij je je voortdurend moet afvragen wie je bent, of je wel mag zijn wie je bent, of je je moet aanpassen en hoe je dat dan moet doen, omdat je voortdurend van alle kanten tegenstrijdige signalen krijgt. Het is een boek dat ook heel geschikt is om leerlingen met allerlei verschillende achtergronden te laten lezen en het te bespreken op school. De auteur zet Salomé Atabong zo zuiver neer, met alle woede-uitbarstingen, tegenstrijdige gedachten en af en toe behoorlijk grove taal, dat je haar als lezer wel in je hart moet sluiten.

Titel: Confrontaties
Auteur: Simone Atangana Bekono
Pagina's: 224
ISBN: 9789048842438
Uitgeverij Lebowski Publishers
Verschenen: september 2020

vrijdag 2 april 2021

Joseph Ponthus - Aan de lopende band. Aantekeningen uit de fabriek

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij De Arbeiderspers

Prikklokken en stinkende, fokking eindeloze dagen

De liefde trok Joseph Ponthus (1978) naar Bretagne, nadat hij in het noorden van Frankrijk een literatuurstudie had doorlopen en als sociaal werker in Parijse achterstandswijken verstandelijk beperkten begeleidde. In zijn arbeidsveld lag het werk niet voor het oprapen aan de Franse Noord-Westkust en via het uitzendbureau ging aan het werk in de vis- en vleesverwerkingsindustrie. Zijn dagelijkse ervaringen documenteerde hij in een dagboek, dat hij bewerkte tot zijn experimentele debuutroman À la ligne, waarmee hij meteen de Grand Prix RTL-Lire 2019 won en als vierde auteur de prestigieuze Le Prix Régine Deforges in de wacht wist te slepen. De Franse lezer sloot Ponthus met zit debuut direct in het hart.

Het werk aan de lopende band is voor hem zuiver een middel om zijn brood te verdienen, hij wist waar hij aan begon, maar het lijkt verdacht veel op een vorm van 'moderne slavernij'. Zijn volharding haalt Ponthus uit de terugkerende gedachte aan de klassieke parabel Kathedraal van de vrome Paul Claudel (1868-1955), waarin duidelijk wordt gemaakt dat het glas ook halfvol kan zijn.

Eentonigheid, afstomping, het ritme van de werkdag en -nacht, de voortdurend repetitieve handelingen in een stinkende fabriek vol slachtafval en altijd werken zonder dat hij daglicht ziet, worden met grote urgentie beschreven. De korte zinnen, verstoken van elke interpunctie, volgen elkaar snel en doorlopend op als één lange stream of conciousness. Ponthus laat zijn tekst als het ware afrollen, waarmee hij de lopende band symboliseert. Het gaat maar door, omdat de band blijft doorlopen. Het repetitieve komt tevens tot uiting in het ritme van de tekst: de vrije verzen, strofen, mantra's, haiku's, alexandrijnen, kwatrijnen. Zelfs het omkleden aan het begin van de dienst is elke keer hetzelfde ritueel.

'Ik laat tahoe uitlekken/Als de tahoe is uitgelekt leg ik hem in een kuip/Dek de kuip af zet die ergens in een hoek om voor/Een of ander kant-en-klaargerecht te worden gebruikt/Maar dat is een andere productielijn' [...]

Tahoe-uitlekker/Wie 's nachts nog nooit negen uur achter elkaar tahoe/Heeft laten uitlekken zal er nooit iets van snappen/Pech gehad/Ik ouwe lul weet wat het is en jij niet/Het is niets om trots op te zijn/Geen minachting voor de niet-arbeiders/De minachting/Ik denk aan het meesterwerk van Godard probeer me/De filmmuziek van George Delerue te herinneren/'Le thème de Camille' zou hier denk ik heel goed passen/Maar het lukt me niet/Silenzio […]

De uren verstrijken of verstrijken niet ik ben de weg kwijt/Ik verkeer in een vreemde extatische staat tussen waken en/Slapen zo'n beetje als wanneer je in slaap valt en je gedachten/Al naargelang het werk van het onbewuste alle kanten opvliegen/Maar ik droom niet/Ik val niet in slaap/Ik ben aan het werk

Ik laat tofoe uitlekken/Ik herhaal die woorden/Als een mantra […]'

Buiten de voortdurend herhalende handelingen gedurende de negen uur die hij op zijn werk is, raakt ook zijn privéleven noodgedwongen in de bepaalde cadans van werken, eten, slapen, werken. Door de nachtdiensten zit hij voor zijn gevoel geheel en al gevangen in zijn werk.

'Kortom/Het is zeven uur 's ochtends/De zon is op/Ik moet gaan slapen/Ik weet niet wat ik moet drinken/Een kopje koffie of een glaasje rode wijn'

Ponthus observeert, geeft een zeer realistische, zintuiglijke beschrijving van het geestdodende bestaan in de fabriek – het perspectief deels van binnenuit (ik-perspectief), deels van buitenaf, afstandelijk en minder betrokken (jij-perspectief) – en het werk dat hij aan den lijve meemaakt. Je voelt de kou, het zware werk. Je ruikt de geur van stront en bloed dat tot in zijn poriën dringt. Zowel fysiek als mentaal valt het slecht betaalde werk hem zwaar, vooral wanneer het werk handmatig moet worden gedaan als de machines de geest geven. Wanneer de voorgaande ploeg het quotum niet heeft gehaald, moet de volgende er extra hard aan trekken. (Berichten over de dubieuze arbeidsomstandigheden in de Franse abattoirs hebben het afgelopen jaar ook in ons land voldoende stof doen opwaaien.) Soms deelt hij de boosheid van zijn collega's, maar meedoen aan de staking mag hij niet als uitzendkracht, dus houdt hij zich gedeisd vanwege de angst om aan het einde van de dag ineens geen werk meer te hebben.

Toch is zijn boek geen aanklacht, hij zet juist verschillende werelden tegenover elkaar: beroepsdeformatie (het zijn geen dode dieren, maar zware, onhandige dingen) en oorlogsgeweld (aan de lopende band moorden zonder erbij na te denken); het bewustzijn uitschakelen uit zelfbehoud. Doordat hij het werk gaat begrijpen, wordt zijn boek juist een eerbetoon aan de arbeiders. Wat zijn moreel op peil houdt is de liefde voor zijn vrouw, hun puppy PokPok, zijn kracht, het leven en de solidariteit tussen hem en zijn collega's. Paradoxaal is dat hij tot de ontdekking komt dat hij door het geestdodende werk mentaal tot rust is gekomen en 'zijn fokking angstaanvallen'  zijn verdwenen.

De Franstalige titel À la ligne betekent niet alleen 'aan de lopende band', maar duidt ook op de opmaak van de tekst die volledig 'aan de kantlijn' is geschreven.

Als motto heeft hij gekozen voor een uitspraak van Apollinaire. 'Het is ongelooflijk wat je niet allemaal kunt verdragen', waarmee hij al aangeeft dat hij het afzien en oprekken van zijn grenzen heeft ingezet als thema.

Om niet te verzanden in afstomping, is het zijn redding dat hij zijn klassiekers kent en daaraan kan denken. Hij maakt gebruik van name dropping, citeert onder andere Zola (De mijn, de eerste vakbond) en Apollinaire (die ook gebruik maakte van de perspectiefverschuivingen tussen 'ik' en 'jij', en met zijn gedicht Zone een half-surrealistisch beeld schetst van de rafelranden van een gemeenschap.) Hij 'zingt luidkeels overstemd door het lawaai van de machines' de liedjes van Charles Trenet en in gedachten converseert hij met Proust, Baudelaire, Hugo, Beckett, Marx. Tijdens het werk heeft hij alle tijd om over de literatuur na te denken en ontstaat het plan om alles op te schrijven, waarbij het tempo van het werk het ritme maakt van zijn tekst. Ondanks de ferme taal die hij gebruikt, leest het boek als poëzie in proza, lieflijke taal, en krijgt de fabriek zo nu en dan zelfs iets poëtisch.

'Welke poëzie valt er te ontdekken in de lopende band het razende tempo en het geestdodende werk/In machines die het nooit goed doen of veel te snel gaan/In die eindeloze nacht waar het vale licht van de tl-buizen weerkaatst op de witte tegeltjes van de muren het roestvrij staal van de werktafels de transportbanden de viesbruine vloer/In de dode dieren die je de hele nacht door loopt te duwen tot aan het krieken van de dag/Geen vogel komt ooit door een verborgen kier naar binnen vliegen'

Door gebruik te maken van humor, bijtend sarcasme en zelfspot is dit erudiete, uiterst originele debuut zeker geen sombere leesbeleving. De volharding en de eerlijkheid geven het zelfs een ontroerende toets. De ritmische, hallucinante, puntige en poëtische teksten heeft Floor Borsboom fantastisch omgezet in het Nederlands. Van Ponthus zal er helaas geen tweede roman meer verschijnen, daar hij op 23 februari 2021 aan de gevolgen van kanker is overleden.

Titel: Aan de lopende band. Aantekeningen uit de fabriek
Auteur: Joseph Ponthus
Vertaling: Floor Borsboom
Pagina's: 264
ISBN: 9789029540636
Uitgeverij De Arbeiderspers
Verschenen: juli 2020

dinsdag 30 maart 2021

Emy Koopman - Orewoet

Recensie door Dietske Geerlings
Uitgeverij Prometheus

Als een lopend vuur

De bijzondere titel van de roman Orewoet van Emy Koopman verwijst naar de dertiende-eeuwse mystica Hadewijch, die dit geheimzinnige woord gebruikte, in betekenis van ‘geestelijke gloed’, ‘vuur’, ‘extase’. In deze roman wordt het stukje bij beetje duidelijk wie zich precies in dit vuur bevindt en waarom.

De ik-persoon is de zestienjarige zoon van de alleenstaande Agatha. Hij is een wat teruggetrokken puber en wordt door zijn moeder meegenomen naar de begrafenis van een zekere Lucas Brandmeester. Als hij de foto op de grafkist ziet, ziet hij een oudere versie van zichzelf. Op dat moment realiseert hij zich pas dat hij de begrafenis van zijn eigen vader bijwoont. Dit is misschien ook het eerste moment dat een innerlijk vuur ontvlamt, een mengeling van woede, verdriet en eenzaamheid. Hij wendt zich af van zijn moeder en zoekt contact met Diederik Stegman, een vriend van Lucas, die op de begrafenis heeft gesproken.

Hij komt erachter dat Lucas een groot kunstenaar was en zelf een einde aan zijn leven heeft gemaakt. Als hij zich in zijn eenzaamheid verloren loopt in de stad, verzamelt hij in een winkelkarretje allemaal troep die aan de straat staat en die hij nog wel kan gebruiken om iets van te maken. In de tuin begint hij aan een soort hut.

Het perspectief wisselt als je de brief van Diederik aan May (de moeder van de ik-persoon) leest. Diederik blijkt een meester te zijn in het vervalsen van handschriften. Hij blijkt ook die van de mystica Hadewijch te hebben vervalst. Terwijl Lucas de grote liefde was voor May, was May die voor Diederik, die echter hopeloos in de schaduw van Lucas bleef staan.

Langzaamaan wordt duidelijk hoe een innerlijk vuur diverse personages in de greep heeft en hoe eenzaam en machteloos zij zich daarin voelen. Koopman heeft zich goed ingeleefd in de nonchalante, zestienjarige jongen, voor wie de wereld – pubereigen- vooral om hem draait, gelet bijvoorbeeld op de plek van het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’:

‘Aan het uiteinde van de vijfde rij zaten ik en Agatha. De meeste stoelen achter ons waren leeg, op wat afgetrapte mannen en wat meisjes in strakke jurken na. Eentje, zo’n vier meter verderop, leek net die actrice uit ‘Scream’, Neve Campbell. Ze had te veel inkijk om te kunnen negeren. Ik probeerde nog eens sneaky achterom te kijken, maar dat lukte me niet zonder m’n hoofd helemaal te draaien. Neve Campbell keek op. Verontschuldigend lachte ik in haar algemene richting, om me snel weer om te draaien, voordat de zweethitte zou toeslaan. Toch zag ik het nog, dat zij naar mij keek alsof ik hier de acteur-look-a-like was, haar ogen tot spleetjes geknepen. Kon ik haar ergens van kennen? Dat kon ik haar onmogelijk vragen, als ik het al durfde – het is de slechtst mogelijke versierzin volgens Dave. Zat er iets geks op m’n gezicht, had ik ineens alsnog puistjes gekregen? Ik wreef over mijn neus, haalde mijn hand langs mijn wangen, voelde niks geks. Er klonk muziek; iets instrumentaals, modern klassiek, als dat een term is, iets met klanken die zich steeds herhaalden en maar nauwelijks een melodie wilden vormen.’

De beschrijving is niet helemaal vrij van clichés, zoals de puistjes waarmee de puber altijd zou moeten worstelen, kennelijk zelfs als hij die niet heeft.

Het is mooi om te zien hoe een titel als een vuur om zich heen slaat, dwars door alle personages heen. Door de afwisseling van perspectieven van de ik-persoon, de brief van Diederik en de dagboekfragmenten van May/Agatha wordt er ook spanning opgebouwd. Er blijkt een dunne scheidslijn tussen liefde en waanzin. Hoewel psychische aandoeningen zich wel vaker pas manifesteren in de puberteit, zeker als zich een heftige situatie voortdoet, zit er ergens toch iets ongeloofwaardigs in het verhaal, alsof het vuur zich net iets te snel verspreidt.

Titel: Orewoet
Auteur: Emy Koopman
Pagina’s: 280
ISBN: 9789044628630
Uitgeverij Prometheus
Verschenen: september 2016

maandag 22 maart 2021

C Pam Zhang - Al wat goud op de bergen is

Recensie door Roosje
Uitgeverij Signatuur

!! Heel weinig spoilers maar niet helemaal zonder…

‘….familie komt op de eerste plaats.’ (2021, 234)

Dit boek gaat over Chinese immigranten in het negentiende-eeuwse Amerika. Ba, Lucy en Sam zijn in Amerika geboren, maar Ma was uit China gekomen naar het ‘Beloofde Land Amerika’, waar de Chinese arbeiders met open armen zouden worden ontvangen, quid non. Het verhaal gaat met name over Lucy, de oudste dochter, dat wil zeggen dat er vanuit haar personage het verhaal wordt verteld.

C Pam Zhang werd geboren in Peking, maar groeide op in de VS. Ze woonde in dertien verschillende steden in vier verschillende landen en is nog steeds op zoek naar haar thuis. Al wat goud op de bergen is is haar debuutroman, die lovend werd ontvangen en genomineerd werd voor de Booker Prize 2020.

In vier delen neemt de auteur je mee. De delen zijn mysterieus getiteld als XX62, XX59, XX42/62, XX67. Hoe de XX te duiden? Uit de context leid je wel af dat het om de 19e eeuw gaat: spoorwegen worden aangelegd, goud wordt gezocht, etc. Ik heb het als volgt opgevat: dít specifieke verhaal gaat weliswaar over Chinese immigranten in de 19e eeuw, maar hét verhaal van immigranten, waar ook, is van álle tijden. Het einde van deze roman suggereert geen einde; deze roman, dit verhaal van Lucy is ongoing …. Maar je mag het einde misschien zelf verzinnen, of kijk om je heen hoe levens verdergaan of uiteindelijk aflopen.
Immigratie is een ongoing process en vindt overal ter wereld plaats. Dat is het grote thema in het debuut van Zhang. Immigratie gaat altijd hand in hand met discriminatie, met het verlangen naar het oude land - heimwee dus -, met onrechtvaardige behandeling.
En binnen de groep - immigranten en ‘autochtonen’ - is de familie/het gezin het innigste verband. Binnen de familie/het gezin worden gevoelens, wensen en hoop gedeeld, maar het is ook de ‘plek’ waar het grootste verdriet ontstaat.

Het valt me de laatste jaren op dat met name in Amerikaanse films en series, het gezin/familie een van de grote thema’s is. Het gezin/familie is the save haven in een samenleving die te dynamisch is of zelfs chaotisch en vijandig. We leven in een tijd waarin te veel en te snel verandert. In de familie zou een mens zich moeten kunnen terugtrekken om zich veilig te voelen en zich te kunnen opladen voor die samenleving die zo veeleisend en onbarmhartig is.
Dat is in deze roman van Zhang ook het geval. Wat in die films en series aan de hand is, gebeurt ook in de roman: ook het gezin niet vaak niet die safe haven. In veel opzichten gedraagt het gezin zich als de samenleving: gevaarlijk, een ultieme bron voor verdriet en trauma.

Je leest het verhaal van Ba en Ma (vader en moeder, maar dat is wel duidelijk, toch?), Lucy en Sam. De auteur misleidt je: aanvankelijk denk je natuurlijk dat Sam een jongen is. Hoe makkelijk volg je als lezer en kijker de gebaande paden. In mijn vorige boekbespreking was dat hetzelfde laken een pak (Vonne van der Meer, Naar Lillehammer). Maar dat Sam op een jongen lijkt of wil lijken heeft wel degelijk redenen. Die ga ik niet verklappen - zo min mogelijk spoileren -.

In het eerste deel gaan Lucy en Sam - 12 en 11 jaar zijn ze - ervandoor met het lijk van Ba in een kist, die op het paard Nellie gebonden is. Ze ontvluchten het mijnwerkerskamp. Ze zoeken een plek om hem te begraven. De tijger, een van voornaamste literaire motieven in deze roman, moet hun de plaats wijzen waar zij hem ter aarde kunnen bestellen. Die tijger duikt overal op; een mythisch en magisch dier is hij, innig verbonden met hun moeder, die eerder gestorven is, in het kraambed; de baby was ook dood.

Deel twee vertelt over Ma, het jaar waarin zij Ma en de baby verloren en al hun spullen en goud. Ba was in hart en ziel een goudzoeker. Verbeten joeg hij dat na. Met redenen die je later te weten komt. Ma is nogal ambivalent over dat goudjagen. Ze wil wel het goud, dat hun alle ruimte zou geven het leven te leiden dat ze zou willen voor zichzelf en haar gezin, maar ze ook het immense gevaar dat daarmee verbonden is. Feitelijk is het goud in dit boek in alle opzichten de vijand, de verkeerde keuze, het pad dat naar hel en verdoemenis leidt, omdat goud de mensen hebzuchtig en gewelddadig maakt. Ma krijgt gelijk.

Deel drie gaat over Ba, zijn verleden, zijn wensen en gedachten. Tot nu toe werd Ba voornamelijk afgeschilderd als een dronkaard, een gokker en een verbeten goudzoeker. Het lijkt erop dat hij meer om Sam geeft en dat Lucy meer naar haar moeder trekt. In dit deel vertelt hij zijn oudste dochter dat hij eigenlijk meer van haar houdt maar dat hij zijn liefde niet durft te tonen, waarschijnlijk om de kwade geesten van Lucy te misleiden. In dit deel krijgt Ba eindelijk een beetje diepte. In het vorige was Ma de centrale figuur.

Deel vier is het einde van het boek. Lucy en Sam zijn onafhankelijk van elkaar hun weg gegaan maar Sam komt haar opzoeken in de stad waar zij beiden naartoe waren gegaan, nadat ze Ba begraven hadden. In dit deel vernemen we wat er met Sam gebeurd is.
In alle delen blijft Lucy het centrale personage. Het hele open einde komt toch wel een beetje als een verrassing, maar stemt me ook blij. Gelukkig worden niet alle raadsel opgelost….

Deel een overdonderde me. Op de achtergrond had ik herinneringen aan Faulkners As she lay dying, waarin een gezin hun dode moeder gaat begraven. Dat is een heel particuliere associatie, en die hoeft niet voor iedereen even duidelijk te zijn. Het gaat in ieder geval om familieleden die heel ver gaan - letterlijk en figuurlijk - om een dood familielid naar zijn laatste rustplaats te brengen.

In dit debuut van Zhang speelt de natuur een grote rol. In de eerste plaats omdat Lucy bijna alleen maar natuur kent, ze woont immers altijd in een kamp, nog net niet in een tent. Water, wuivend gras, aarde, lucht, modder, wind, zout, bloed, botten, goud, etc. De hoofdstukken binnen de delen dragen zulke kopjes. Hard is het leven. Heel hard. En magisch en mysterieus; die toverachtige wereld, waarin de tijger voorkomt -  maar ook andere dieren als jakhalzen - ook figuurlijk -,  bizons - komt van Ma, die zo’n ontzettende heimwee heeft naar haar eigen land aan de andere kant van de oceaan.
Dit begindeel was zo heerlijk kinderlijk magisch; zoveel dingen hadden nog geen verklaring, geen rationele duiding. Dat volgt in de volgende delen: achtergronden en afkomst van Ba en Ma; een verklaring voor hun gedrag en houding. En ook volgen we de groter geworden Lucy en Sam, op de drempel van hun volwassenheid. Bijna zou ik willen schrijven: had het bij het eerste deel gehouden. Dan was het net zo’n dun boekje geworden als dat van Faulkner; dan had het naar mijn gevoel zijn sterkte helemaal uitgebuit.
Maar dit is persoonlijk. Ik hou wel van boeken en verhalen die de lezer niet helemaal uitgelegd worden. Je moet dan zelf aan het werk. Suggestie is vaak aantrekkelijker dan uitwerkte verklaringen, en uitdagend is ze zeker, suggestie bedoel ik.

Het meest dynamische karakter is misschien wel dat van Ba, met Ma op de tweede plaats; dat verwacht je als lezer niet en daarom is het spannend. Misschien is Lucy zelf wel het meest statische personage. Daar kan ook veel moois instieten, natuurlijk. Sam ontwikkelt zich in de richting die ik wel verwacht had maar een ander misschien niet.

Een sympathiek debuut van een auteur met een immigratie-achtergrond. Immigratie en aanpassing aan een andere cultuur, waarbij immigranten sociaal gezien de mindere posities hebben is vanzelfsprekend een hot item. Het is goed dat we daarover zo veel boeken kunnen lezen. In een roman kunnen kwesties, thema’s en karakters uitgebreid verhaald worden.

Interview

Waardoor raakte je voor het eerst geïnspireerd om dit bijzondere verhaal te schrijven?
Ik werd op een ochtend wakker met de beelden van twee zilveren dollars, twee zusjes, droge hitte en een avontuurlijke reis in mijn hoofd. Elk fictioneel element uit het boek heeft zich zo ongevraagd aan me opgedrongen: via beelden, via een stem of vanuit een soort emotionele noodzaak.

Hoe zou je het begrip ‘thuis’ definiëren?
Thuis is meer een gevoel dan geografische plek, een gevoel van je letterlijk op je plaats voelen. Voor mij, als vrouw en als Amerikaanse van Aziatische afkomst, is het zeldzaam dat ik ergens ben waar ik me niet hyperbewust ben van hoe mensen me zien. Op dit moment is ‘thuis’ voor mij meestal de plek waar de mensen zijn van wie ik hou, maar het kan ook een landschap zijn, een moment van rust in een vertrouwde kamer of een bepaalde lichtinval waardoor ik me blij voel.

Welk boek maakte je voor het laatst aan het lachen?
The Changeling van Joy Williams.
De natuur en het landschap in het Amerikaanse Westen spelen een belangrijke rol in je boek. Wat is jouw relatie tot de natuur − hoe verhoud je je daartoe?
O, ik ben doodsbang voor de natuur! Maar dat wil niet zeggen dat ik er niet van hou. Sterker nog, ik zou zeggen dat ik meer respect heb voor het geweldige, woeste en ontzagwekkende Amerikaanse Wilde Westen dan de gemiddelde mens. Maar het is net zo als met wilde dieren. Je observeert het, maar het is niet de bedoeling dat je ermee knuffelt, want het heeft scherpe tanden. Ik ben me ervan bewust hoe weinig ik weet over overleven in de natuur. De natuur houdt zich niet aan de menselijke regels, en daarom bewonder ik haar vanaf een veilige afstand: via documentaires, goed onderhouden wandelpaden, et cetera.

Heb je een ochtendroutine of een andere specifieke routine in deze coronatijd?
Ik word wakker, vecht tegen existentiële angst, was mijn gezicht, smeer het rijkelijk in met een vitamine C-serum en vochtinbrengende crème en zonnebrandcrème. Dan geef ik toe aan mijn drang om het nieuws en mijn sociale media een paar minuten te checken. Vervolgens trek ik fatsoenlijke kleding aan en zet ik een modieus (?) mondkapje op om met mijn hond te wandelen. Want ik heb besloten dat het belangrijk is om ook in deze tijd echte kleding te dragen, en dan voel ik me zo langzaamaan weer mens worden en probeer ik te lezen of te schrijven.

Hoe ziet jouw huidige baan eruit?
Ik werk als creatief directeur bij een start-up op het gebied van huidverzorging. Gedurende dat deel van de dag richt ik me volledig op één specifieke en bevredigende taak, en ben ik heel gefocust. Dat is zo anders dan bij het schrijven van fictie, wanneer ik ben overgeleverd aan een wervelende, hulpeloze chaos!

Zijn er verhalen of boeken die jouw manier van denken over verdriet hebben veranderd of gevormd?Beminde van Toni Morrison en het verhaal In the Cemetery Where Al Jolson Is Buried van Amy Hempel zijn geweldig omdat ze verdriet om weten te zetten in iets onverwachts en wonderlijks. Bij Beminde gebeurt dat in de belichaming van een spook-baby-vrouw en ‘In the Cemetery’ vanwege de bondige, ongrijpbare structuur die zich rondom de kern van de pijn beweegt. Beide werken onderzoeken de minder gebruikelijke manieren waarop mensen hun verdriet verdringen, en bespreken vormen van rouw die we niet vaak krijgen te zien in de media voor het grote publiek. De H van havik van Helen Macdonald doet iets vergelijkbaars.

In welk restaurant ga je als eerste eten als het weer opengaat, en wat eet je dan?
Dit is misschien wel de beste vraag die mij is gesteld in mijn hele boektournee! Waarschijnlijk ga ik dan naar My Tofu House, voor een borrelende pot soondubu jjigae en, nog belangrijker, voor een eindeloze hoeveelheid banchan– en gerstthee. Ik mis die ervaring bijna meer dan het eten zelf: het wuiven van de obers, het gekletter van servies, het gevoel van een overvloed aan eten dat iemand anders voor je heeft gekookt. Of waterpijp en verse pitabroodjes met knoflooksaus op de geheime patio van Arabian Nights, nog zo’n onverklaarbare ervaring.

Welk immigrantenverhaal zouden meer mensen moeten kennen of lezen volgens jou?
Lucy van Jamaica Kincaid.

Welke schrijver bewonder je?
Toni Morrison, Jamaica Kincaid, Michael Ondaatje, Angela Carter en Anne Carson zijn veruit mijn echte helden, vanwege hun lyrische toon en diepere wijsheden. Daisy Johnson en Ottessa Moshfegh schrijven spetterende zinnen. Alexander Chee, R.O. Kwon, Lauren Groff, Garth Greenwell en Brandon Taylor schrijven prachtig, naast het feit dat ze ook bekende literaire personen zijn. Dat laatste klinkt misschien saai, maar deze schrijvers zijn zo belangrijk om de diversiteit in onze literatuur hoog te houden. En ik sta te springen om bij meer mensen een aantal nieuwe schitterende schrijvers onder de aandacht te brengen van wie het debuut nog moeten verschijnen, onder wie dat van Mai Nardone, Raven Leilani en Alice Sola Kim.

Titel: Al wat goud op de bergen is
Auteur: C Pam Zhang
Vertaling: Anne Jongeling
Pagina's: 335
ISBN: 9789056726829
Uitgeverij Signatuur
Longlist Booker Price 2020

donderdag 18 maart 2021

Peter WJ Brouwer - Het oog van de kraanvogel

Recensie door Arjen van Meijgaard
Uitgeverij In de Knipscheer

Een vriendschap tot in Japan


Waarom voel je je meer aangetrokken tot de een dan tot de ander? Wat is de basis van een vriendschap? Is het altijd duidelijk wat de ander van je verwacht of wat je van jezelf verwacht? Rond deze lastig te beantwoorden vragen heeft Peter WJ Brouwer in Het oog van de kraanvogel een boeiend en gelaagd verhaal gesponnen. Brouwer publiceerde een aantal dichtbundels, zijn romandebuut Het siamees moment verscheen in 2017.

Arthur en Marcus ontmoeten elkaar tijdens hun studie aan het conservatorium van Amsterdam, eind jaren tachtig. Het verhaal wordt verteld vanuit Marcus, een wat onzekere jongen die piano studeert en zijn weg zoekt tussen de nieuwe mensen die hij leert kennen tijdens zijn studie. Arthur, violist, is een stuk eigenwijzer. Ze kruisen elkaar een paar keer en een voorzichtig contact gaat al snel over in een hechte vriendschap. 

Brouwer weet heel goed het ontstaan van deze vriendschap te vangen, het wat claimerige gedrag van Arthur en de naïeve houding van Marcus lijken toch goed samen te gaan. En dan is er ook nog het contact tussen Marcus en Carlijn, die zijn vriendinnetje wordt. De aanloop naar een vriendschap of relatie is achteraf moeilijk terug te halen. Waar begon het precies, wie zette de eerste stap, in welke context ontstond de eerste dialoog? Brouwer zet dat heel natuurlijk en ongedwongen neer. 

De lezer voelt de constante spanning tussen Marcus en Arthur, vooral die tweede lijkt meer te willen. Ook Carlijn voelt dat feilloos aan en wurmt zich tussen beide vrienden. Maar wat wil Marcus? Als de vrienden een paar dagen naar de moeder van Arthur in Bergen gaan, komt het tot een interessante confrontatie. Niet alleen tussen beide jongens, maar ook bij Marcus met zichzelf. 

De tijdsprong naar 25 jaar later, wanneer Arthur en Marcus elkaar weer tegenkomen in Japan, geeft een nieuwe dimensie aan hun contact. Beide mannen kijken op een andere manier terug op hun vriendschap van lang geleden. Marcus is in Japan als advocaat om een conflict tussen een dirigent en een muzikante glad te strijken, Arthur speelt in het orkest waar dit is voorgevallen. Aan de andere kant van de wereld zijn ze aan elkaar over geleverd. Wat is er over van hun vriendschap, waar ging er mis?

De stijl is prettig, op een soepele en ongekunstelde manier ontrolt het verhaal zich tussen de verschillende personages die om Marcus heen cirkelen. Ook de wat vreemde Sofie met haar amandelvormige ogen en haar aparte gewoonte overal waar ze komt iets in haar zak te steken, heeft invloed op de hoofdpersoon. Deze mensen vormen Marcus, dagen hem bewust en onbewust uit zichzelf te ontdekken.

Vaak genoeg staan er mooie observaties in de tekst om even bij te blijven hangen:

'De allereerste tram schoot om de hoek, ijzer op ijzer, een meeuw krijste, daarna was het weer stil. Het was het tijdstip waarop alles nog ontbrak.'

Een roman die je aanzet na te nadenken over je eigen vriendschappen van lang geleden, over de onzichtbare draadjes tussen mensen die als ze eenmaal gesponnen zijn, nooit meer lijken te breken.

Eerder verschenen op Tzum

Titel: Het oog van de kraanvogel
Auteur: Peter WJ Brouwer
Pagina's: 304
ISBN: 9789493214224
Uitgeverij In de Knipscheer
Verschenen: maart 2021

dinsdag 16 maart 2021

Lammert Voos - Canisius

Recensie door Philipp van Ekeren
Afdh Uitgevers


Aan de verkeerde kant van de geschiedenis


Canisius, de laatste novelle van Lammert Voos, heeft er flink bij mij ingehakt. Rauw is het eerste woord dat in mij opkomt. Dezelfde typering kreeg Malterfoske, de eerste uitgave van dit drieluik, toebedeeld door het NRC Handelsblad. 

Het is uitgeklede taal, gestript van overbodige woorden, werkelijk uitgekleed tot de essentie. De zinnen zijn hard en meedogenloos, totaal in de lijn met de karakters van de twee hoofdpersonen. Daardoor krijgt het verhaal een buitengewoon grote impact. Na deze novelle in één ruk te hebben uitgelezen moest ik twee dagen bijkomen.

"In de kerk van het dorp geen hemels licht door glas-in-loodramen. Geen beelden. Harde banken. Geen verwarming. Een asmatisch orgel. Bijbeltjes die naar schimmels en  zwammen stonken."

Het boek bestaat uit twee gedeelten. Het eerste deel un perro rojo begint als een surrealistische film. Op een stacatto manier beschreven maken we kennis met de huiselijke kring van de verteller, een schrijver van beroep. Een milieu met weinig warmte, waar familie met de noorderzon vertrekt of onverbiddelijk wordt uitgedund door excessief drankgebruik. Zelfs de hond overleeft het niet. Toch werd er gelukkig in de familie wat afgelachen om de pijn van het gewone leven te verlichten. Vervolgens belandt de hoofdpersoon op de bonnefooi in het toeristenparadijs La Gomera. De enige waar hij op dat eiland een band mee krijgt zijn tequila en een rode zwerfhond Foxy Lady. Bij terugkomst raakt hij gefascineerd door het mysterie rond zijn oom Petrus. In een krant heeft deze dompteur van het Russische Staatscircus verteld dat hij zijn arm heeft verloren door een aanval van zijn favoriete leeuw. Een vermakelijk artikel dat de schrijver aanzet om de lotgevallen tussen 1940 en 1950 van deze oom op te gaan schrijven.

"Hij was een sterk verhaal in levenden lijve en als hij zijn leven verzon, waarom zou ik het dan niet mogen, dus ik was vastbesloten zijn verhaal te herschrijven."

Een beladen familiegeschiedenis van mogelijke collaboratie waarover natuurlijk na de oorlog niet werd gesproken. Dit levensverhaal wordt verteld in het tweede deel Wahrheit und Dichtung. Het eerste deel eindigt met een citaat van Toergenjev “Omstandigheden kenmerken ons; dwingen ons op een of andere weg en dan straffen ze ons daarvoor”. Dit is het thema van de novelle. Er is geen beter citaat te geven voor deze maalstroom door het voorportaal van de hel waar deze oom Petrus doorheen wordt getrokken. Het gaat die dingen die je niet kan uitkiezen. Familie krijg je en honden kiezen hun baasje. Onmacht. Zo simpel is het. Toch kan je het boek amper meer wegleggen als je eenmaal bent geraakt. Je wordt als lezer gewoon meegetrokken in het verhaal. Geen ontkomen aan. En het komt dichtbij; eerlijk en geloofwaardig. De hardheid van het bestaan voor een ongewenste bastaard, een krappe honderd jaar geleden. Van de criminele oom van zijn stiefvader krijgt hij de benodigde levenslessen.

"En je zorgt ervoor dat nooit, maar dan ook nooit of te nimmer iemand je uitlacht! Als ze je uitlachen, sla je er direct op los! Een Canisius laat zich nooit uitlachen!"

Overleven in elke situatie. Als een rots in de branding. Dat Petrus ‘rots’ betekent in het Grieks kan duiden op het feit dat alle narigheid van deze ‘rots in de branding van de geschiedenis’ ogenschijnlijk afglijdt. Als lezer begin je te snakken naar warmte, genegenheid en (een beetje) geluk.

Het verhaal speelt zich grotendeels af rondom de Tweede Wereldoorlog. Naïviteit en onnozelheid vieren hoogtij. Petrus kiest nooit, slaat nooit een weg in, neemt nooit een standpunt in. De omstandigheden sturen hem verder. Meer wil ik niet verklappen. Pas later kan Petrus concluderen dat bepaalde richtingen niet goed voor hem hebben uitgepakt. Petrus deed me gelijk denken aan de hoofdpersoon Billy Pilgrim uit Slachthuis 5 van Kurt Vonnegut. Meegetrokken of eerder verzwolgen door de geschiedenis. In het verhaal blijven honden als een rode draad hun opwachting maken. Zij accepteren oom Petrus onvoorwaardelijk en blijven hem trouw (uitgezonderd de laatste viervoeter).

De zorg die is besteed aan de vormgeving van het boek is een waar genoegen. Typografisch tot in de puntjes verzorgd door Martien Frijns. De twee gedeeltes zijn prachtige gescheiden door een hardblauwe pagina met titel. Dat is uitgeverij AfdH wel toevertrouwd. Hun uitgaven zijn altijd een genot voor elke typograaf en ontwerper. Zorgvuldig gekozen papier, lettertype, bladspiegel tot een mooi kapitaalbandje in de rug. Het grappige is dat ik bij ontvangst niet gecharmeerd was van de afbeelding op de voorzijde. Nu ik het boek heb gelezen weet ik dat deze tekening perfect gekozen is.

Natuurlijk zijn er verleden jaar weer veel boeken verschenen maar het heeft mij werkelijk verbaasd dat dit boek niet meer in de publiciteit is gekomen. Voor mij is Lammert Voos dé ontdekking van 2020. Wat kan die man schrijven! Deze schrijver verdient echt een groter publiek. Denk sowieso dat deze spannende en bondige novelle ook veel jonge lezers kan bekoren. Ik kan in ieder geval niet wachten totdat het derde deel van deze trilogie verschijnt.

Titel: Canisius
Auteur: Lammert Voos
Pagina's: 144
ISBN: 9789493183018
Afdh Uitgevers
Verschenen: juli 2020

dinsdag 9 maart 2021

Marcel Proust - Sodom en Gomorra

Essay door Dietske Geerlings
Uitgeverij De Bezige Bij

Het voertuig dat de gulden maat der aarde bepaalt...

Nu we – wellicht noodgedwongen – steeds meer het vliegtuig mijden, is het een mooi moment om even stil te staan bij de invloed die een willekeurig door ons gekozen voertuig, heeft, op hoe wij de wereld waarnemen. Marcel Proust heeft daar een eeuw geleden iets moois over geschreven in het vierde deel van zijn A la recherche.... Niet over het vliegtuig, maar over de automobiel die op dat moment zijn intrede deed.

Een rode draad door dit omvangrijke werk van Proust is de onkenbaarheid van de wereld om ons heen. Personages veranderen niet alleen door de tijd, maar ook door ons perspectief en door onze gemoedstoestand. Niet anders is dat bij het topografische beeld dat wij van onze omgeving hebben.

Wij vertrokken, een eindweegs geëscorteerd door de met hun bloemen toegesnelde huisjes. Het gezicht van de dorpen leek ons geheel veranderd, zo weinig speelt in het topografisch beeld dat je je er stuk voor stuk van vormt, het besef van ruimte de voornaamste rol. Dat van de tijd, zeiden wij al, legt ze verder van elkaar af. Dat doet het ook niet als enige. Sommige plekken die je altijd op zichzelf ziet lijken je zonder overeenkomst met de rest, haast buitenwerelds, zoals die mensen die je hebt gekend in perioden los van je bestaan, in de dienst, in je kindertijd, en die nergens bij aansluiten.’

Vervolgens beschrijft hij hoe Mme Villeparisis vroeger, als hij in Balbec verbleef, hem graag meenam naar Beaumont, een plek op een hoogte waarvandaan je alleen zee en bos zag. Het rijtuig deed er heel lang over, omdat de weg voortdurend steeg. De ik had geen idee waar Beaumont zich bevond, alleen dat het iets heel aparts was en zich ergens ver en erg hoog bevond. Hij had de weg naar Beaumont nooit genomen om ergens anders heen te gaan, dus hij had geen idee van de omgeving. Daardoor lag het voor zijn gevoel ‘op een ander plan, genoot een speciaal privilege van exterritorialiteit.’

Maar dan gaat hij met Albertine voor het eerst met een automobiel (‘die zich aan geen enkel mysterie stoort’) via Incarville en vervolgens een afdaling van een zijhelling naar Parville, en wordt dan de zee gewaar vanaf een pleintje. Hij vraagt de chauffeur naar de naam van het oord en weet al voordat hij antwoord krijgt dat het Beaumont is. Ineens realiseert hij zich dat Beaumont, dat bijzondere mysterie uit zijn herinnering, dus al die tijd langs het spoortje lag dat hij elke keer neemt als hij naar Parville gaat. Er worden ineens verbindingen in zijn hoofd gelegd en zo ‘verloor Beaumont zijn mysterie en nam in de streek zijn plaats in, wat mij met schrik deed bedenken dat Madame Bovary en La Sanseverina mij misschien eendere wezens als andere hadden toegeleken als ik hen elders had ontmoet dan in de beslotenheid van een roman.’ Op deze manier verandert dus de beleving van plekken doordat je een andere route neemt. De spoorlijn ligt vast, maar de auto kan andere wegen nemen, waardoor de afstand en ook het landschap anders beleefd wordt.

In het volgende fragment beschrijft Proust hoe de auto zich door het landschap voortbeweegt, ondertussen de inzittenden met elkaar verbindt, en de indruk wekt dat je zelf het landschap ontdekt, als met een kompas. Op meerdere plekken in zijn werk besteedt hij bijzondere aandacht aan namen, van personen, maar ook van plaatsen. Namen roepen een sfeer, een wereld op, door de klank en de letters. In dit fragment constateert hij dat met de auto het landschap zich in delen blootgeeft, in tegenstelling tot de naam van de plaatsen, die de plek als een geheel oproept:

Nee, de automobiel voerde ons niet aldus op toverachtige wijze een stad binnen die wij eerst zagen in het door haar naam samengevatte geheel, met de illusies van de toeschouwer in de zaal. Hij liet ons de coulisse van straten ingaan, verdeed zijn tijd met navraag doen bij een ingezetene. Maar, als compensatie voor een zo familiaar vorderen, krijgt met het eigen tasten en zoeken van de chauffeur die onzeker is over zijn route en terugkeert op zijn schreden, het heen en weer springen van de perspectief die een kasteel laat stuivertje-wisselen met een heuvel, een kerk en de zee, terwijl men dichter in zijn buurt komt, al schuilt het vergeefs onder zijn eeuwenoud loof, de steeds nauwere cirkels door de automobiel beschreven rondom een gehypnotiseerde stad die naar alle kanten week om te ontsnappen, en waar hij ten slotte recht op afschiet, steil omlaag, het dal in, waar zij ter aarde ligt, zodat de automobiel ons van die locatie, van dat unieke punt waaraan hij het mysterie van de exprestreinen lijkt te hebben ontnomen, de indruk geeft dat wij het zelf ontdekken, het als met een kompas bepalen, dat hij ons helpt om met liefdevollere explorateurshand, met fijnere precisie de werkelijke geometrie te voelen, de gulden ‘maat der aarde’.’

We kunnen Proust lezen als uitnodiging om ons over te geven aan een andere vorm van landschapsbeleving. De landschapsbeleving met de fiets of te voet kan minstens zo vernieuwend en verrassend zijn als die met het vliegtuig, of met de automobiel, met als prettige bijkomstigheid dat we er in verschillende opzichten langer van kunnen genieten.

Titel: Sodom en Gomorra
Auteur: Marcel Proust
Reeks: Op zoek naar de verloren tijd
Vertaling: Thérèse Cornips
Pagina's: 688
ISBN: 9789403124001
Uitgeverij De Bezige Bij
Verschenen: november 2018