dinsdag 20 oktober 2020

Benny Lindelauf - Hele verhalen voor halve soldaten

Bespreking door Dietske Geerlings 
Uitgeverij Querido  


‘Geen beter medicijn tegen de gruwelen van deze wereld’


Hoe de kracht van de verbeelding ingezet kan worden om de absurditeit en gruwelen van de oorlog te tonen, laat Benny Lindelauf zien in zijn nieuwe Hele verhalen voor een halve soldaat met beeldschone illustraties van Ludwig Volbeda. De schoonheid van dit werk verraadt zich al door de prachtige omslag in een dagboekachtig formaat, de afbeelding van de geopende grenspaal in een grijsblauw mistig niemandsland, omlijst door zinnenstrelende, gekleurde postzegels op een okerkleurige achtergrond. Alles aan dit prachtige boekje verleidt de lezer om het te pakken, erin te bladeren en niet meer op te houden erin te lezen.

Er is een wacht, die jonge soldaten opvangt bij de grenspaal. Achter de grenspaal is de oorlog. Hij bepaalt wie erdoor mag. Alleen de jongens die een geschikte gift bij zich hebben voor de Vrede, worden toegelaten. De jongen die zich op de eerste bladzijde aandient, is klein van stuk: ‘Als de soldaten nog jonger worden, dacht de wacht, hoef ik de slagboom niet eens meer op te halen. Dan lopen ze er zo onderdoor.’ Vanaf deze allereerste bladzijde wordt de oorlog neergezet als een bizar verschijnsel dat zich achter een grenspaal zou bevinden, maar tegelijkertijd levensecht: de soldaten zijn jonge jongens, veel te jong om hun leven op te offeren. Hoe angstaanjagend de wacht ook is, met zijn kromzwaard en strenge blik, zijn eis is aandoenlijk. De gift voor de Vrede mag niet zomaar wat zijn. De jongen haalt van alles uit zijn knapzak: een mandoline, een sjaal van vette geitenwol, een stapel liefdesbrieven. Tenslotte biedt hij zijn gemzenleren laarzen met rood kwastje aan, maar de wacht weigert alles. Hij had de jongen meteen herkend. Het ging precies zoals het was voorspeld. Hij verlegt zijn kromzwaard, de punt van het lemmet vangt het laatste licht van de dag, en hij zegt tegen de jongen: ‘Geef dan maar je oren.’

De toon van de oorlog is gezet. De lezer wordt niet gespaard. Hij krijgt hoe dan ook gruwelen voorgeschoteld. Wat had hij anders verwacht van een boek over de oorlog? Er zijn zes broers, met allemaal bijzondere namen ‘Oudstebroer’, ‘Tweede Oudstebroer,’ en zo verder tot Jongstebroer’. Oudstebroer krijgt als eerste de brief dat hij naar de oorlog moet. Die is bijna afgelopen, want nog even en dan is het al Vrede, maar hij kan nog net even meehelpen. De oudere broers spreken over de oorlog als over ‘vakantie’, om Jongstebroer te sparen. Oudstebroer geeft zijn mandoline aan Jongstebroer, voordat hij ‘op vakantie’ gaat. Als de wacht hem vraagt om een gift, heeft hij niets anders dan een verhaal. De wacht eist dat het een verhaal is waardoor hij zijn honger weer zal terugkrijgen. Oudstebroer vindt dat prima, maar heeft ook een voorwaarde. Die fluistert hij in het oor van de wacht en voor de lezer blijft deze voorlopig nog een raadsel. Hij vertelt het verhaal van de pasteien van Baldoun, over Antoine die een uitgestorven dorpje weer tot leven brengt met zijn overheerlijke pasteien. Gruwelijkheden worden niet geschuwd. Hetzelfde geldt voor het verhaal van Tweede Oudstebroer, ‘Duizend vadem’ over een spookachtig meer waar ooit een vrouw verdronken is, die kinderen steelt.

Tussendoor krijgt de lezer steeds een stukje mee van de ontmoeting tussen de broers en de wacht en merkt hoe de wacht op zijn post ook aan het lijden is, in de eindeloze zandvlakte, waardoor alles naar gruis smaakt en de korrels branden in zijn ogen. Elke broer fluistert een voorwaarde in het oor van de wacht en begint met het volgende verhaal. De verhalen zijn stuk voor stuk juweeltjes van de verbeelding, over een kindheilige van Oussidin, die de oorlog kan afwenden, over een man met een bruid van zand, een mysterieuze marionettenspeler, een witte wolf en nog meer moois. In alle verhalen verliezen kinderen hun ouders of andersom, worden mensen aan gruwelijkheden blootgesteld en speelt de verbeelding een belangrijke rol. Waarom die gruwelen zo belangrijk zijn in een verhaal over de oorlog, zegt de vader van Zetta Schmetterling in een van de verhalen: ‘Er is geen beter medicijn tegen de gruwelen van deze wereld, dan de gruwelen uit het rijk der verbeelding.’ Dat hij de naam ‘Schmetterling’ (‘vlinder’) draagt, is veelzeggend.

De verhalen worden onderbroken door prachtige illustraties die ook tot de verbeelding spreken, zoals de glas-in-loodvensters van een oude abdij, prachtige potten in een schemerig licht, uitgestrekte vlaktes met hier en daar wat stenen, een winterlandschap tussen de bomen, alles even verleidelijk. Ben je de verhalen aan het lezen, dan verlang je naar de prachtige afbeeldingen, bekijk je de prachtige afbeeldingen, dan kun je niet wachten tot het verhaal weer verder gaat.

De verhalen hebben niet alleen een wonderlijke inhoud, maar ze zijn ook fantastisch geschreven. Je komt zinnen tegen die je een leven lang wilt bewaren. Zo zijn de geitenhoeders in het eerste verhaal zuinig van natuur, vooral op hun taal, want het was; 

[...] ronduit gevaarlijk om woorden op de vlakte te gebruiken. De wind raasde ermee vandoor, buitelde ze binnenstebuiten of achterstevoren totdat geen letter meer op de juiste plek stond. Dan kon het gebeuren dat je een vriend tegenkwam en hem hartelijk begroette, maar tegen de tijd dat de woorden bij hem aankwamen, hoorde die vriend dat je hem wilde doden en al zijn geld wilde stelen.’

Hier wordt in een prachtig beeld en passant de miscommunicatie aan de orde gesteld, die vaak aan de basis van ruzies en oorlogen ligt. Deze manier van vertellen maakt dat het boek voor alle leeftijden even aantrekkelijk is. De sprookjesachtige verhalen hebben vast een enorme aantrekkingskracht op kinderen, maar de filosofische gedachten daarachter trekken ook de oudere lezer.

Aan het eind voel je hoe aanstekelijk de verhalen zijn, hoe besmettelijk de verbeelding is, in de positieve zin van het woord. Je wordt meegetrokken naar het slot, krijgt steeds meer zicht op het hartveroverende plan van de Oudstebroers en wilt weten wat het lot zal zijn van Jongstebroer. Als het uit is, wil je terug naar het front, onder de paal door naar het front van de verbeelding, omdat daar het antwoord ligt op de vraag waarom de oorlog zo bizar is. 

Titel: Hele verhalen voor een halve soldaat
Auteur: Benny Lindelauf
Illustraties: Ludwig Volbeda
Pagina's: 288
ISBN: 9789021414713 
Uitgeverij Querido 
Verschenen: oktober 2020

maandag 19 oktober 2020

Henriette Roosenburg - De muren vielen om

Recensie door Truusje (Marjon Nooij)
Uitgeverij Cossee
Schwob lenteactie 2020


Vergeten boek, vergeten verzetsvrouw 


In haar boek De muren vielen om doet Henriette Roosenburg verslag van haar bevrijding uit gevangenis Waldheim in Oost-Duitsland en haar vlucht met drie medegevangenen terug naar huis. Ze is dan achtentwintig.

Henriette (Jet) Jacoba Roosenberg (Den Haag, 1916 - Frankrijk, 1972) was geboren in een seculier joods gezin van een huisarts. Ze studeerde letteren en leerde Frans, Spaans en Russisch. In 1941 sloot ze zich aan bij het verzet, waarmee ze een indrukwekkende lijst met oorlogsverrichtingen op haar conto kreeg. Zo hield ze zich onder andere bezig met het helpen van joodse onderduikers, werkte bij de illegale krant Het Parool - verspreidde die en zorgde voor de aanvoer van nieuws van illegale radiozenders -, was koerier voor de verzetsgroep Fiat Libertas en smokkelde microfilms, wapens, geallieerde piloten en inlichtingen.

Wat er aan de tocht naar huis vooraf ging

In maart 1944 werd ze verraden en gearresteerd, waardoor ze in het Oranjehotel in Scheveningen werd vastgezet. Twee overplaatsingen volgden, tot ze in de Kriegswehrmachtsgefängnis in Utrecht door de nazi's ter dood veroordeeld werd, omdat ze negentien neergeschoten piloten had gesmokkeld. Roosenburg antwoordde daarop; 'Meneer de rechter, het waren er drieëntwintig'. In afwachting op het voltrekken van het vonnis deelde ze haar cel met Nel Lind en Joke Folmer die ze al kende vanuit het verzet. Als 'Nacht- und Nebelgevangenen - ze werden de NN'ers genoemd - gingen de politiek gevangenen in september 1944 op transport naar Duitsland - een stuiptrekking van de SS, vlak na Dolle Dinsdag,  toen bekend werd dat de geallieerde legers in opmars waren.

Na vier verschillende gevangenissen belandden ze op 5 februari 1945 in Waldheim. De omstandigheden waren daar erbarmelijk, ze konden zich niet verwarmen en leden honger. Medische hulp werd er niet gegeven, behalve aan diegenen die al op sterven na dood waren. Hun kracht om in een dergelijke ontredderde situatie het moreel hoog te houden, was het gezamenlijk zingen en stiekem, buiten het oog van de bewakers, kleine lapjes borduren met draadjes die ze uit elkaars kleding trokken. Op die manier wisten ze, door ruiling, aan meerdere kleuren te komen. Verder stond hun niets te doen dan wachten, wachten, wachten. Tot een executie kwam het gelukkig niet, want op 6 mei 1945 zijn ze bevrijd door het Russische leger en vielen voor hen de muren. Dat is het moment dat Jet's chronologische memorandum - ze schreef het tien jaar nadien in het Engels en gaf het uit in de VS - begint.

Zondag, 6 mei 1945

In de gevangenis gonst het 'Hitler is dood'. Ongeloof gaat langzaam over in een opgewonden sfeer, wanneer sleutels rinkelen en de celdeuren worden geopend. De verwarring is groot als blijkt dat er geen Duitsers meer te bekennen zijn. Dan ontmoeten ze Dries uit de mannengevangenis. Hij vindt een kaart van Duitsland in de opslagruimte en om de exodus voor te zijn bedenken ze hoe ze hun tocht naar Nederland zullen aanvangen. Ze besluiten hun eigen plan te trekken en niet te wachten op de repatriëring door de Russen. Een karretje brengt uitkomst om levensmiddelen mee te nemen en Dries, Nel, Joke en Jet besluiten - zonder identiteitsbewijzen - noordwaarts te lopen tot ze bij de Elbe belanden, waar ze een boot vinden en een stuk de rivier afzakken. Onderweg door het geruïneerde Duitsland vinden ze hier en daar onderdak, een bed, een maaltijd en 'nieuwe' kleding en schoenen.

'Wij Duitsers hebben jullie veel aangedaan wat we nooit meer goed kunnen maken. […]' 'We hadden voldoende bewijzen ondervonden van de goedgezindheid onder de Duitsers die we na onze bevrijding hadden ontmoet om ervan overtuigd te zijn dat ze niet allemaal zo verdorven waren als het trotse militairendom, de wrede Gestapo en de onmenselijke gevangenenbewaaksters die ons tijdens de vijfjarige bezetting van Holland hadden geregeerd. Toch was het moeilijk voor me om een Duitser anders dan als vijand te beschouwen.'

Niet alle Russen hebben het beste met de vluchtelingen voor en Roosenburg beschrijft onverbloemd dat ze zich aan vrouwen opdrongen en hen verkrachtten. Door honger gedreven belanden de vier in een Russisch uitwisselingskamp waar ze zich verplicht moeten laten controleren op geslachtsziektes en met DDT worden ontluisd. Na overdracht aan de Amerikanen gaat hun tocht verder, op weg naar huis.

'In het vliegtuig, dat we met een dozijn Amerikaanse soldaten deelden, zaten we dicht bijeen in de metalen stoeltjes en knepen elkaar voortdurend om onszelf ervan te overtuigen dat het allemaal waar was. Nu vlogen we in de richting van het land waar we thuishoorden.'

Het is opmerkelijk dat Roosenburg haar verhaal zoveel luchtigheid heeft mee kunnen geven. Haar schrijfstijl laat veerkracht en levenslust zien, inventiviteit om oplossingen te vinden en vooral veel moed. Ondanks de ontberingen schrijft ze opgewekt, levendig, liefdevol en bovenal nuchter en zonder scrupules, waardoor het juist zo krachtig is. Vanzelfsprekend hebben angst en ontberingen een beklemmend effect op de lezer, maar het verhaal sprankelt, heeft zelfs humor en een verrassende frisheid, die de vertaler heel treffend heeft weten te vangen in zijn vertaling vanuit het Engels.

Sonja van ’t Hof heeft het nawoord geschreven. Ze heeft langdurig onderzoek gedaan naar Roosenburg. Ze heeft inzage gekregen in het 'reisdagboek' dat de vluchtelingen bijhielden en is tot de conclusie gekomen dat het verhaal waarheidsgetrouw is.
Op Op de site van de uitgeverij vertelt ze meer hierover.

Een spannend ooggetuigenverslag en indrukwekkende vergeten klassieker. 

Eerder gepubliceerd op Tzum

Titel: De muren vielen om
Oorspr. titel: The walls came tumbling down
Auteur: Henriette Roosenburg
Vertaling: Wim Hora Adema
Nawoord: Sonja van 't Hof
Pagina's: 287
ISBN: 9789059368972
Uitgeverij Cossee
Verschenen: maart 2020

zaterdag 17 oktober 2020

G. Tomasi Di Lampedusa – De tijgerkat

Recensie door Tea van Lierop  
Uitgeverij Athenaeum 


Het vergaan van glorie in al zijn pracht verteld  

Ga in gedachten terug naar 1860, voel de warmte van Sicilië, ruik de sacrale geuren van de kerk en de kruiden van het land, verbeeld een uitgestrekt landgoed met vele kamers en prachtige tuinen en stap in de schoenen van Don Fabrizio Corbera, prins van Salina. Het verval van een belangrijke aristocratische familie wordt door zijn ogen bekeken en beschreven. De auteur was de kleinzoon van Don Fabrizio en gebruikte zijn eigen ervaringen en verhalen uit overleveringen om zijn enige roman gestalte te geven. Van de prachtige rijkdommen die in het bezit waren van de familie is niets meer over, wat rest is De tijgerkat, de roman die op grond van een nagelaten typoscript en een autografisch manuscript, postuum verscheen. 

Het schijnt dat Di Lampedusa een inval kreeg voor zijn roman toen hij in 1925 de Baltische baronesse Alexandra Wolff-Stomersee ontmoette bij een oom die de ambassadeur van Italië in Londen was en tevens stiefvader van Alexandra. Het idee van een vertelling over zijn familie was er al, maar hij zocht naar het ultieme begin. In Koerland, Letland, schreef hij zijn eerste ruwe schetsen van De tijgerkat. De personages krijgen de aandacht die ze verdienen, hun karakter en uiterlijk doen hen leven en zorgen voor een soms filmische beleving. 

'Ongeduldig en nogal bruusk liet de prinses de rozenkrans in haar met gitten bestikte tasje vallen, terwijl haar mooie maar maniakale ogen tersluiks naar haar serviele kinderen keken en naar haar tirannieke echtgenoot, naar wiens liefdevolle overheersing het vergeefse smachten van haar lichaam uitging.' 

Voilà, zie hier de verhoudingen tussen de prins en de prinses. Deze observatie voorspelt een niet zo gelukkige echtgenote en een eega die zijn heil elders zoekt. Prachtig en subtiel wordt dit thema uitgewerkt, vooral wanneer het kerkelijk gezag met een schuin oogje meekijkt en hiermee de prins verzwakt. De kerkelijke en politieke macht zijn onlosmakelijk verbonden met het dagelijks leven en bestuur op Sicilië. 

Tancredi is als tweede hoofdpersonage een tegenhanger van de lethargische prins. De mooie en strijdbare jongeling maakt furore als revolutionair, bij de dames is hij zeer gewild. Italië is in de tijd waarin de roman zich afspeelt nog niet verenigd, Sicilië valt onder het gezag van Bourbon, het noorden wordt bestuurd door Oostenrijk. Meerdere pogingen worden ondernomen om de verschillende koninkrijken te verenigen in een natie, hiervoor worden geheime genootschappen opgericht. Tancredi sloot zich bij een van die genootschappen aan. 

De aantrekkelijke jongeman heeft niet te klagen over vrouwelijke belangstelling en dit kan leiden tot onverkwikkelijke situaties waarbij don Frabrizio voor de schier onmogelijke keuze gesteld wordt een eerlijk gesprek aan te gaan met de burgemeester over diens beeldschone dochter en Tancredi, die onder don Fabrizio’s vleugels valt. Tussen de twee mannen is wat spanning  die wordt fantastisch uitgewerkt,  hierin zie je de opkomst van het nieuwe geld en verhoudingen, die sinds jaar en dag geaccepteerd waren, langzaam veranderen. 

‘Maar er is een speciale godin die de prinsen beschermt. Zij heet Goede Manieren, en vaak grijpt zij in om een tijgerkat te behoeden voor een faux pas. Men moet daarvoor echter een hoge prijs betalen. Zoals Pallas Athena ingrijpt om Odysseus enigszins in te tomen, zo verscheen Goede Manieren aan Don Fabrizio om hem vlak voor de afgrond te houden, maar hij moest voor zijn redding betalen door zich voor tenminste een keer in zijn leven expliciet uit te drukken.’ 

Politieke gebeurtenissen maken deze roman ongemerkt complex doordat de veranderingen in de bestuurlijke macht zich mengen met de gewoonten op het zonovergoten Sicilië met zijn eeuwenoude tradities. Wanneer ook de persoonlijke verhoudingen gaan schuiven en menig personage teleurgesteld wordt in de liefde of een andere min of meer pikante aangelegenheid zou het verhaal met de vele ingrediënten een onoverzichtelijk karakter kunnen krijgen. Echter, door de prachtige, vaak barokke, schrijfstijl en de zintuiglijke beschrijvingen van zowel de overweldigende natuur als de aristocratische levenswijze leest de roman als een zeer rijke verzameling schetsen over het menselijk handelen in een tijd waarin zekerheden één voor één afbrokkelen. 

Het nawoord van de vertaler voegt enorm veel toe over de achtergrond van de auteur en het proces waarop het boek tot stand kwam. Tenslotte is er een hoofdstukje gewijd aan de historische context waarin de geschiedenis van Italië beknopt wordt weergegeven. Een warm aanbevolen klassieker met als een van de absolute hoogtepunten de alom geroemde sterfscène van de oude prins van Lampedusa.

De auteur

Giuseppe Tomasi di Lampedusa (Palermo, 23 december 1896 - Rome, 23 juli 1957), 12e hertog van Palma, 11e prins van Lampedusa, baron della Torretta, grande di Spagna (1934-1957). Hij is vooral bekend als schrijver van zijn enige roman, Il Gattopardo, postuum gepubliceerd in 1958. Il Gattopardo is in het Engels vertaald als The Leopard en in het Nederlands als De tijgerkat. De titel verwijst naar de luipaard die is afgebeeld op het wapenschild van de familie Salina, de familie die centraal staat in Il Gattopardo. Tomasi di Lampedusa was een zwijgzame en solitaire man, die zijn tijd doorbracht met lezen, nadenken en reizen. Hij zei over zichzelf: "Ero un ragazzo cui piaceva la solitudine, cui piaceva di più stare con le cose che con le persone." ("Ik was een kind dat van de eenzaamheid hield, dat liever met voorwerpen omging dan met personen.") (bron

Titel: De tijgerkat
Auteur: G. Tomasi Di Lampedusa
Vertaling: Anthonie Kee
ISBN: 9789025312077
Uitgeverij Athenaeum 
Pag.: 268 
Genre: fictie
Verschenen: deze editie 2020

woensdag 14 oktober 2020

Carmen Laforet - Nada

Recensie door Truusje (Marjon Nooij) 
Uitgeverij Orlando 


De leegheid van het 'niets' 


Carmen Laforet (1921-2004) heeft haar jeugd doorgebracht op Las Palmas en kwam in 1939, na de Spaanse burgeroorlog, naar Barcelona om filosofie en rechten te studeren. Ze debuteerde op 23-jarige leeftijd met de semi-autobiografische roman Nada, een klassieker die op de 30ste plaats is opgenomen in de Spaanse literaire canon. Laforet heeft diverse novellen, romans en verhalenbundels op haar naam staan. Het verschijnen in 1944 van het realistische Nada, heeft Laforet te danken aan het winnen van de Nadal-prijs. Nada werd in Spanje gezien als vernieuwende existentiële literatuur. 

Het is begin jaren '40 wanneer de 18-jarige, verweesde Andrea, na een flinke vertraging, om middernacht arriveert in het troosteloze, naoorlogse Barcelona van generalísimo Francisco Franco. Vanwege haar plannen om te gaan studeren, zal ze intrekken bij haar familie aan de Calle de Ariban. Het onthaal door de onbekende familieleden is als een droefgeestig welkomstcomité, zoals van de Adams family avant la lettre: spookachtige vrouwen, haar grofgebekte oom Juan, een dienstbode met een groenachtig gebit en een verwelkte en sukkelende grootmoeder. Het huis is verwaarloosd en ronduit smerig met een verstikkende atmosfeer. Beklemmend, benauwend, onheilspellend. Vanuit het ik-perspectief leidt ze de lezer door een jaar van bevreemding. 

'Vanaf dat moment leek alles me een nachtmerrie. […] Ik weet niet meer hoe ik die nacht in slaap heb kunnen vallen. […] Midden in deze ruimte, als een lijkbaar omringd door rouwende zielen - Die dubbele rij stoelen met uitpuilende zittingen - stond een divanbed met een zwarte deken, waarin ik moest slapen.' 

Haar hartstochtelijk godvrezende, maar hartvochtige en dominante tante Angustias brengt haar op de hoogte van de regels en probeert haar te waarschuwen en beschermen voor de dreigingen in de stad. Haar vriendelijke momenten komen bij Andrea niet geloofwaardig over en wanneer Angustias besluit om het klooster in te gaan, valt er een groot gat in het budget van de andere bewoners. Haar oom Juan is een zwakkeling en onbeduidend schilder. Hij heeft ongetwijfeld zwaar geleden in de oorlog en molesteert zijn liefhebbende vrouw Gloria, die - zonder dat Juan het weet - wat geld voor het gezin en 'het kind' probeert te verdienen met kaartspelen bij haar zuster. Ondertussen ontdekt Andrea dat haar knappe, maar naargeestige oom Román haar weet te verleiden tot contact door zijn viool- en pianospel. De getormenteerde en gemartelde man snuffelt in andermans spullen, maar weet dat vrouwen snel door hem gebiologeerd zijn. Haar oude grootmoeder is emotioneel niet meer zo sterk en laveert om de gemoederen van de andere bewoners.

'Vaak verwonderde ik me erover, te midden van die mensen in de Calle de Aribau, hoe ze van de meest onbeduidende voorvallen een drama wisten te maken, hoewel ze allemaal een last met zich meezeulden, een ware obsessie in hun binnenste, waar ze maar zelden direct op zinspeelden.' 

De aftakeling en onderlinge nijdigheid van de familieleden lijken model te staan voor hoe het Spanje na de oorlog vergaat, tijdens het Franco-regime. Laforet beschrijft dit niet met zoveel woorden, maar weet feilloos de suggestie te wekken. Huiselijk geweld en het seksueel gefrustreerde gedrag zijn schering en inslag in deze roman met duidelijke gothic novel-trekjes. Regelmatig ontvlucht de verantwoordelijke Andrea het huis en sluit vriendschappen in het kunstenaarsmilieu en met haar collegegenootje Ena, die in een gegoed milieu opgroeide, waarbij Andrea warmte en gelijkwaardigheid ervaart.

'Voor de eerste keer voelde ik een werkelijk verlangen naar menselijk gezelschap. Voor de eerste keer voelde ik in de palm van mijn handen het verlangen naar een andere hand die me gerust zou stellen…' 

Laforet's schrijfstijl is helder en ze weet op formidabele manier emoties te vangen, zoals het kille gedrag van Juan, het opportunistische van Román en de weifelende, lieve grootmoeder. De angsten en onzekerheden van de toch zo vastberaden protagonist, die uiteindelijk de vertrouwelinge wordt van enkele andere personages die hun verhaal bij haar uit de doeken doen, zodat de lezer ineens veel informatie krijgt en ook Andrea een aantal zaken een plekje weet te geven.

Ruim 75 jaar na dato leest het bijzonder gelaagde verhaal nog steeds heel fris. De dialogen zijn heel realistisch en ontroeren. De politieke omstandigheden worden niet met name genoemd, maar resoneren heel duidelijk in het verhaal.

In 2021 zal bij Uitgeverij Orlando Laforet's tweede roman La isla y los demonios verschijnen die Laforet zeven jaar later heeft uitgebracht. De reeks klassiekers die Orlando uitgeeft zijn stuk voor stuk oogstrelende hardcovers, met in het geval van Nada de afbeelding van een schilderij van Maurice Fromkes (1872-1931) Spanish Woman with a Green Bead Necklace, uit ca 1930.

Eerder verschenen op Tzum

Titel: Nada
Auteur: Carmen Laforet
Vertaling: Fenny Ebels
Voorwoord: Mario Vargas Llosa
Pagina's: 336
ISBN: 9789493081574
Uitgeverij Orlando
Verschenen: september 2020

dinsdag 13 oktober 2020

Lizzy van Leeuwen - Indra, een wajangleven. Biografie van Leo Broekveldt 1906-1992

Recensie door Roosje 
Uitgeverij Atlas Contact 


Geen gewone Indische jongen


Leo Broekveldt werd geboren in koloniaal Nederlands Indië, in 1906. Zijn vader zou hoog stijgen op de Indische bestuursladder. Toch was dat naar Broekveldts gevoel niet hoog genoeg. Leo’s oma aan moederszijde was een inlandse minnares. Dat was tamelijk gebruikelijk in de kolonie (‘tell me more’). Leo had pech: hij viel veel donkerder van huid uit dan zijn oudere broer. Al op jonge leeftijd hield Leo zich bezig met dansen, met de hoge Javaanse hofdansen. Die hofdansen stamden met de tempeldansen nog uit de pre-islamitische tijd: die van het hindoeïsme (‘tell me more’). Belangrijk was dat de adel deze dansen beoefenden. Leo was niet van eenvoudige komaf.

Zijn ouders keerden vroeg terug naar het moederland. Leo’s vader had een burn-out - zo zouden we het nu noemen - en voelde zich in zijn carrière gedwarsboomd. Leo ging ervan uit dat hij spoedig terug zou keren naar Indië en ondernam een aantal pogingen daartoe. Hij leek wel behekst want de reis lukte alsmaar niet. Pas op hoge leeftijd zou hij het land van zijn jeugd terugzien.

In Leiden begon Leo een opleiding tot Indisch bestuursambtenaar. De eerste Nederlandse antropologen waren opgeleid tot bestuursambtenaar in Indië (rdv). De dans was echter Leo’s ware minnares. Na de dood van zijn vader kon hij zich hartstochtelijk aan haar overgeven. Dansen deed hij: de Indische dansen in vol ornaat, de tango - als stel met zijn vrouw -, Mexicaanse dansen met sombrero, de Cubaanse rumba: meer het revuematige gedeelte van zijn danscarrière. Ook volgde hij, aan de zijlijn, een balletopleiding en was hij belangrijk in de Nederlandse danswereld van na WOII. Zoals zo veel Nederlandse artiesten was ‘aanpassing’ in de oorlog aan de Duitse bezetter een noodzaak - ik probeer het zo neutraal mogelijk weer te geven.

Toen het dansen door reuma niet meer ging, deed hij een apart soort wajangvoorstellingen, met zijn handen als wajangpoppen, de schaduwen op de muur; hij werd een verhalenverteller. Acteur was hij ook, niet zo’n heel goede: hij speelde de dronken Javaan in Couperus’ De stille kracht, een tv-serie. In de Late late Lien Show van Wieteke van Dort was hij een graag geziene gast; een show voor Indische Nederlanders, vooral gestoeld op de nostalgie van het oude Indië (ik vond het toentertijd en nog steeds een voorbeeld van wansmaak).

Wie belangstelling heeft, leze de biografie van Lizzy van Leeuwen. Zij gebruikt veel bronnen en de bronnenvermelding vermoedt een systematisch aanpak. Ik miste een stamboom van Leo’s afkomst. Helaas waren er ook niet zo heel veel foto’s en op internet zijn ook geen filmpjes van optredens te vinden. Dat is echt jammer. Het onderwerp ontbeert écht beeldend materiaal. 

Ik had me verheugd op deze biografie. Ik heb veel vrienden met een Indische achtergrond en Indië was ooit Nederland. In het verleden en nu nog speelde en speelt Nederlands Indië (Indonesië) een heel belangrijke rol. Ik heb een grote interesse in het onderwerp.

Krijgt de lezer een goed beeld van Leo Broekveldt aka Indra Kamadjojo? Dat is immers iets wat je als lezer van een biografie verwacht. Ik krijg geen goed beeld van Broekveldt maar misschien ligt dat aan mij. Wat Van Leeuwen in ieder geval wel toont, is dat de doorsnee Indische Nederlander niet bestaat en nooit bestaan heeft. De koloniale en na-koloniale periode is veel complexer dan je als lezer in eerste instantie had vermoed. Broekveldt is van hoge geboorte, geen adel, voor het grootste deel Nederlander, voor een deel Indiër, al is het een soort Indiër die later in zijn leven meer georiënteerd was op India dan op Indië. Dat is erg verwarrend. Zijn pseudoniem Indra Kamadjojo symboliseerde voor hem waarschijnlijk een gefantaseerd leven met een fictieve culturele en historische achtergrond. Natuurlijk beschrijft Van Leeuwen dat ook, maar dit blijft een beetje in de lucht hangen. 

Verward ben ik ook en daar word ik in dit geval niet blij van. Van Leeuwen probeert aan deze biografie een koloniaal-historische achtergrond mee te geven: heel interessant! Dat is echt een immens groot terrein. Enerzijds gaat het om een persoon, een personage feitelijk, anderzijds om de koloniaal-historische achtergrond van Indische Nederlanders en hun leven in Nederland. Van Leeuwen weet de historisch-culturele achtergrond niet voldoende toe te passen op Broekveldt. Te gefragmenteerd komen historische feitjes aan de orde en ook niet altijd ‘to the point’. En net als ik denk: nu wordt het interessant, wordt dat afgekapt, want het boek is immers een biografie - denk ik -. Op twee benen hinkt dit boek: de biografie en de koloniale geschiedenis. Wat mij betreft schiet deze studie op beide terreinen tekort. Echt jammer. Geen aanrader. Toch zijn er in elk boek altijd zaken die wel interessant en leuk zijn. Zoekplaatje. O ja, ik miste de Blue Diamonds…. 

Auteur

Elisabeth Margaretha (Lizzy) van Leeuwen (1958) is een Nederlands bestuurskundige, cultureel antropoloog en publicist. Ze schrijft onder andere voor De Groene Amsterdammer. Van Leeuwen, zelf Indisch, is deskundig op het gebied van de positie van Indische Nederlanders in het postkoloniale tijdperk.

Tot 2008 was ze werkzaam bij het Meertens Instituut waar ze met de historicus Gert Oostindie het project Bringing history home als postdoc historisch en etnologisch onderzoeker werkte. Ze deed onderzoek naar de wisselwerking tussen de naoorlogse identiteitspolitiek onder postkoloniale migranten in Nederland en de Nederlandse samenleving. 

Titel: Indra. Een wajangleven. Biografie van Leo Broekveldt 1906-1992
Auteur: Lizzy van Leeuwen
Pagina's: 416
ISBN: 9789045029245
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: augustus 2020