vrijdag 19 april 2019

Linda Polman - Niemand wil ze hebben


Recensie door Truusje
Uitgeverij Jurgen Maas


Europa en zijn vluchtelingen

Met 'Niemand wil ze hebben' schreef Linda Polman een boek met uiterst urgente strekking. Het is een zeer leesbaar relaas over het vluchtelingenbeleid en met name over die in Europa. Leuke of ontspannende lectuur is het niet te noemen. Het is het resultaat van onderzoek en de bevindingen van de auteur. Wanneer je alles, wat zo geconcentreerd tussen de kaften is gedrukt, in ogenschouw neemt is het veel, heel veel ellende bij elkaar.

Van het vluchtelingenbeleid bakt Europa heden ten dage nog steeds niet zoveel. Polman stelt dit aan de kaak en steekt meteen van wal, benoemd veel precaire punten en neemt geen blad voor de mond, deelt links en rechts behoorlijk venijnige sneren uit. En terecht!!! 

Ze begint haar relaas met de internationale conferentie van 1939 over de Europese vluchtelingencrisis in het Franse Evian. Door de dreiging in Duitsland en Oostenrijk ontvluchtten grote groepen Joden het land en er waren met spoed opvangplaatsen nodig. Nederland zou slechts als doorgangsland fungeren en wilde zekerheid dat de vluchtelingen binnen afzienbare tijd weer zouden vertrekken. Polman benoemt de angst voor een ongewenste 'aanzuigende werking'. Wanneer je één vluchteling 'over de dam' laat gaan, volgen er meer. Overzeese gebieden en kolonies werden voorgesteld, maar de ervaring leerde dat slechts enkelingen daar welkom waren en het schip rechtsomkeert moest maken, om uiteindelijk bij Rotterdam aan te meren. De Joden werden in opvangkamp Westerbork ondergebracht, maar de Duitsers namen het later in, de vluchtelingen werden gevangenen en afgevoerd naar vernietigingskampen.

Na de oorlog was het echter niet gedaan met het antisemitisme en het leven voor de Joden werd niet voor iedereen makkelijker. Er zijn vele gevallen bekend van mensen nog lang in de kampen moesten blijven, verwaarloosd werden en niets anders hadden dan hun gestreepte kleding en mondjesmaat voedsel, terwijl ze om hen heen zagen dat het de niet-Joden steeds beter verging. Hun huizen waren ingenomen, pogroms vingen weer aan en velen zijn door Stalin naar Siberië gedeporteerd.

Je zou zeggen dat Europa hiervan heeft geleerd, maar uit het verhaal van Polman blijkt het tegendeel.

'In 1972 [...] spoelden de eerste Haïtiaanse 'boat people' aan op de stranden van Florida. [...] Tussen 1972 en 1988 slaagden 40.000 tot 50.000 Haïtianen erin in bootjes Miami te bereiken. Minstens zoveel werden zodra ze Amerikaanse wateren bereikten, door de Amerikaanse kustwacht onderschept en terug naar Haïti gebracht.'

De oprichting van de EU bracht de vrees voor de open grenzen en voor de aanzuigende werking met zich mee. Van idee dat je vooral niet te vriendelijk moest zijn tegen vluchtelingen, waren ze sinds de Evian-conferentie ook nog niet verschoond.

Polman benoemt de zogenaamde 'veilige enclaves' die onder bescherming vallen van de VN-blauwhelmen. De UNHCR zorgt voor tenten, de WFP voor voedsel. Vluchtelingen worden op die manier 'netjes' in eigen land gehouden, maar zijn nog steeds omsingeld door oorlogsgeweld. De UNHCR is afhankelijk van donorlanden, maar wordt financieel aan banden gelegd. De vluchtelingen in een veilige enclave hebben echter geen recht op het aanvragen van een asielprocedure. Ze vallen niet onder het VN-vluchtelingenverdrag, omdat ze 'veilig' in eigen land verblijven.

'In januari 2017 verdronk een tweeëntwintigjarige Gambiaanse asielzoeker in het Canal Grande in Venetië terwijl omstanders en passagiers aan boord van een voorbijvarende rondvaartboot lachten en joelden en zijn sterven filmden met hun mobieltjes. Het was zelfmoord zeiden sommigen achteraf, maar niemand wist het zeker, want niemand kende hem persoonlijk.'

Verontrustend is de passage waarin Polman de houding beschrijft van de EU ten opzichte van landen waar vluchtelingen vandaan komen. Ze stelt dat de EU deals sluit met dergelijke landen en dat ze flink financieel gespekt worden als ze ervoor zorgdragen dat ze de vluchtelingenstroom richting Europa binnen de perken weten te houden. Hoogst dubieus is dat wel te noemen. En ondertussen zijn er in de meest riskante landen - denk aan Soedan, Libië, Marokko, Turkije - opvangkampen, zogenaamde 'verdwijngaten', te vinden waar vluchtelingen onder hoogst precaire en barbaarse omstandigheden verblijven, verwaarloosd, gemarteld, psychisch gebroken of vermoord worden.

'De route naar Europa is de dodelijkste van alle reizen die mensen moeten maken als ze niet de juiste stempels in hun paspoort hebben. In vergelijking is de weg voor vluchtelingen en migranten naar de VS kinderspel, met op de grens met Mexico 'slechts' 10.000 doden in dezelfde periode. Terecht concludeerde de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in 2018 over het Europese 'vluchtelingenmanagement' dat 'Europa een beleid heeft ontwikkeld dat impliciet of expliciet de dood accepteert als een effectief anti-immigratie-instrument'. Dat is een treurige constatering over een continent dat zich na de Tweede Wereldoorlog met 'nooit meer' voornam om een baken van beschaving voor de rest van de wereld te zijn.'

In een interview kreeg premier Rutte de vraag wat Europa moet doen met vluchtelingen vanuit het Libië van Khadaffi. Zijn antwoord was: opvang regelen in eigen land en wanneer ze alsnog op Europese bodem belanden vallen ze onder de verantwoordelijkheid van het land waar ze voet aan wal zetten. Op de opmerking dat het dan vrijwel zeker steeds Italië zou zijn die alle vluchtelingen op moest vangen, zei de premier: 'Tja, dat is gewoon pech voor hun. Landen hebben voor- en nadelen van hun ligging.'

Het relaas van Polmans onderzoek is helder en uitstekend gedocumenteerd. De boodschap en analyse maken het geheel overzichtelijk en begrijpbaar. Een heel herdere uiteenzetting, maar ik als leek, zal de politieke beweegredenen hieromtrent waarschijnlijk nooit helemaal kunnen begrijpen. De uitkomst van haar onderzoek zouden kamervragen moeten oproepen, zodat er gezocht gaat worden naar oplossingen om de vaak mensonterende omstandigheden van de vluchtelingen drastisch te verbeteren. Polman zelf geeft die oplossingen niet, maar wellicht is dat ook niet haar bedoeling geweest.
Dit boek zou op middelbare scholen gelezen en besproken moeten worden, om zodoende dieper op de gevolgen het migratiebeleid in te gaan.

Auteur

Linda Polman (1960) is onderzoeksjournalist en schrijver van boeken over humanitaire hulp en interventie. Eerder schreef ze 'De crisiskaravaan', 'K zag twee beren', 'Bot pippel' en 'De varende stad.

Titel: Niemand wil ze hebben
Auteur: Linda Polman
Pagina's: 279
ISBN: 9789491921537
Uitgeverij Jurgen Maas
Verschenen: februari 2019

woensdag 17 april 2019

Rob van Essen-De goede zoon

Recensie door Tea van Lierop
Uitgever Atlas Contact



                                     Op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2019


Een roadtrip in tijd en ruimte…


De flaptekst belooft een roman waarin niet meer gewerkt hoeft te worden, iedereen krijgt een basissalaris. Dat klinkt als een utopie voor de optimisten, dit boek vertelt iets over de consequenties van zo’n bestaan. Parallel aan deze nieuwe maatschappelijke orde loopt het verhaal van de verteller, een schrijver. Een bijzonder openhartig verhaal waarbij schuld, boete, religie, kunst en gemiste kansen een rol spelen. 

Deze twee verhaallijnen vormen een dicht weefsel en noopt de lezer tot aandachtig lezen om maar niets te hoeven missen. Opgepikte kleine aanwijzingen zullen liefdevol omarmd worden wanneer de tijd rijp is. Dit soort boeken zorgt voor een  aangename spanning, je weet nog niet waar de focus op gericht moet zijn, dus alles is belangrijk. Die roadtrip kan overigens heel breed geïnterpreteerd worden.



Het reizen verbindt  het verhaal. Allereerst staat op de omslag een gele tram met als bestemming ‘Remise’. Zoiets zegt al iets over de afloop van een gebeurtenis, maar de vraag rijst: hoe dan? 

Een oud model, kwetsbaar nog, hoog op de wielen, dun blik, een grille van chroom, kleine zwarte auto in de regen, ik zie hem en mijn hart breekt, hij rijdt langzaam, alsof landschap en tijd zich om hem heen steeds een beetje uitrekken zodat hij nooit zal aankomen, kleine zwarte auto in de regen, het is een titel voor iets, niet voor een boek of verhaal, daar is het te sentimenteel voor, eerder een lied, voor weer een andere musical.’ (2018-155) 

Behalve de tram komen er meer voertuigen voor, zo is er de elektrische rolstoel van Guido en de zelfrijdende, sprekende auto waarmee de verteller een echte band mee op weet te bouwen.
Al dat reizen zorgt voor een constante beweging. Met een behoorlijke gang vat de verteller de lezer in de kraag, in het begin traag zoals wel vaker aan het begin van een reis, maar zodra de versnelling is ingezet is er geen houden meer aan.

Er zijn nogal wat plaatsen van handeling. Eén ervan is het Archief van Amsterdam waar de verteller een tijdje gewerkt heeft en waar hij Lennox en De Meester leerde kennen. Het Archief roept beelden op van Het Bureau J.J. Voskuil. Hoewel het niveau bij Het Archief wat lager is, doen de sfeer, de bureaucratie, het geneuzel onderling, de grappen en grollen denken aan het Meertens Instituut. De verteller heeft zijn eindexamen vwo niet gedaan en is daardoor in een werkomgeving terechtgekomen waarin hij zich niet thuis voelt.

De titel De goede zoon wordt als verhaallijn sterk uitgewerkt, vooral de kwetsbaarheid van de 100-jarige moeder en de onzekerheid van de zoon geven de verhouding weer tussen die twee. Over de ouders van de protagonist, en het geloof in het bijzonder, valt veel te beschrijven:

Ja. Maar dat is maar een beeld. In werkelijkheid had ze altijd haast omdat ze wilde dat alles zo snel mogelijk voorbij was; behalve haar leven, want daarna kreeg je het laatste oordeel, met de kans dat je naar de hel ging.’(2018-327)

Er gebeuren vreemde dingen wanneer je ouders de kerk de rug toekeren om later weer terug te gaan naar de kerk. Voor kinderen is dat heel verwarrend, die zijn gebaat bij stabiliteit. De moeder was extreem bang voor de hel, branden en vuur is één van de motieven. In één van de mooiste passages van het boek komen de twee verhaallijnen in een apocalyptisch beeld samen en wanneer dit geen bijbels motief is…

Een roman die wat betreft de opbouw een scheppingsverhaal zou kunnen zijn, dat was m’n verwachting bij het zien van de indeling van de hoofdstukken. Er zijn zeven dagen waarin het leven van de verteller verteld wordt. Met dat idee in het achterhoofd ben ik het boek gaan lezen en wat is het dan treffend dat religie inderdaad een niet onbelangrijk thema is in het boek, motief is ook mogelijk, maar als thema krijgt het meer kracht.
De stijl is erg beeldend. Wanneer de verteller in de zelfrijdende auto zit en een reis maakt door een surrealistisch landschap moet je als lezer wel geraakt worden door dit soort beschrijvingen:

‘We rijden ernaartoe, we rijden het bos in. Hoge loofbomen, dik in het blad, overhuiven de weg. We rijden de schaduw binnen, langzaam, opeens is alles anders, koeler, beslotener, vochtiger, vruchtbaar. Tussen de oprijzende stammen liggen dikke plakkaten mos, donkergroen, bijna zwart, op plekken waar schuine balken zonlicht de bodem raken, gloeit het lichtgroen op.’ (2018-280)

Het hoe en waarom van de dystopische elementen in dit boek - zeer beklemmend, zo wil geen mens leven - en gebeurtenissen die deels berusten op waarheid mag iedereen zelf lezen en beoordelen, net als de prachtig gedetailleerde beschrijvingen van desolate gebieden aan de rand van een stad. Het is een roman met contrasten, hoogstaande technologie tegenover de queeste van een mens die zo graag de goede zoon wil zijn, en het eerder genoemde motief vuur tegenover water dat in al zijn verschijningsvormen zijn plaats opeist.
Deze roman is een aanrader voor een ieder die niet terugdeinst voor wat seks (soms karikaturaal en/of hilarisch), een verhaal dat luchtig omspringt met de tijd, en proza dat afwisselend poëtisch dan wel direct is. En of de zeven dagen een betekenis hebben als geheel laat ik graag over aan de interpretatie van de lezer, het zou jammer zijn hier iets over los te laten. Onbevangen en nieuwsgierig beginnen aan deze duizelingwekkende roadtrip is het devies!

De auteur

De romans en verhalen van Rob van Essen (1963) worden alom geprezen. Zijn werk stond op shortlists van verschillende prestigieuze prijzen, zijn laatste bundel 'Hier wonen ook mensen' werd bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs. Van Essen is zijn cultstatus ontgroeid en behoort tot de beste schrijvers van het Nederlands taalgebied. Hij is een meester in het verdraaien van de werkelijkheid met als gevolg dat we ons bestaan scherper waarnemen. Tzum schreef over hem ‘Er zijn schrijvers van wie je ongezien elk boek kunt kopen en Rob van Essen behoort tot die categorie auteurs’. In september 2018 verschijnt zijn nieuwste roman 'De goede zoon'. (Foto: Annaleen Louwes)


Auteur: Rob van Essen
Titel: De goede zoon
Uitgever: Atlas Contact
ISBN: 9789025453411
Pag.: 384
Genre: Roman
Verschenen: oktober 2018

dinsdag 16 april 2019

Adrian Stahlecker - De tovenaarszoon


Recensie door Truusje
Geldermalsen Publications

'Be faithful to that which exists within yourself'
- André Gide


Het bizarre leven van Klaus Mann

Vandaag, 16 april 2019, wordt op innitiatief van het Klaus Mann Initiative Berlin, het zeventigste sterfjaar van Klaus Mann herdacht in het Goethe Instituut met het stuk 'Überfällige Worte - Fiktives Gespräch zwischen Klaus und Thomas Mann'
In de dialoog op basis van nagelaten teksten, ook die van Thomas Mann, wordt de complexe vader-zoon relatie tot uitdrukking gebracht.
Een mooie gelegenheid om aandacht te schenken aan het boek 'De tovenaarszoon' van Adrian Stahlecker
Er is al veel geschreven over Klaus Mann, maar de mythe rond deze oudste zoon van Thomas Mann is nog altijd groot en interessant.

Stahlecker heeft - met deze fraaie hardcoveruitgave van Geldermalsen Publications - een uitstekend gedocumenteerde biografie geschreven, waarbij hij zich niet alleen heeft gericht op Klaus, maar onlosmakelijk ook op de rest van de familie Mann. De bijzonder gespannen omstandigheden in het gezin, zijn homoseksualiteit en de afstandelijke houding van zijn vader zijn van grote invloed geweest. Niet alleen Klaus plukte hier de wrange vruchten van, maar ook de andere gezinsleden.

Klaus - Essie genoemd door zijn broers en zussen - wordt in München geboren op 18 november 1906 als tweede kind van de niet onbemiddelde Thomas Mann en Katia Mann-Pringsheim. Hij wordt niet alleen vernoemd naar de tweelingbroer van Katia, maar ook naar de protagonist uit Königliche Hoheit, de pas voltooide roman van Thomas.
Bij de geboorte van Erika, het oudste kind, is Thomas hevig teleurgesteld dat het een meisje is. In een brief aan zijn broer Heinrich Mann beklaagt hij zich hierover. Een zoon zou volgens hem poëtischer zijn, 'meer als een voortzetting en nieuw begin van mijzelf onder nieuwe bedingingen'. Deze wetenschap rust als een zware last op de schouders van Klaus, een last die hij zijn verdere leven mee moet torsen en een opgave zal blijken die hij niet waar kan maken. Met zijn moeder heeft hij een liefdevolle relatie, zij staat immers altijd en onvoorwaardelijk voor hem klaar. Vanaf het moment dat hij zijn eerste woordjes kan schrijven, schrijft hij schriften vol verhalen en houdt een dagboek bij. Zijn eerste werk Kindernovelle komt uit in 1923. Hij is dan amper zeventien jaar oud.

Wanneer Klaus in 1915 door een buikvliesontsteking en totale darmafsluiting ernstig ziek wordt, verkeert hij op het randje van de dood. Deze ervaring leidt tot een bijzondere fascinatie voor de dood en hij schrijft daar later over:

'Ik geloof dat het belangrijk voor mijn verdere leven was dat ik op die leeftijd zo dicht bij de dood was. De schaduw heeft me duidelijk getekend.'

Klaus en Erika Mann
Met Erika en zijn jongere broertje Golo heeft Klaus een sterke band, maar met Erika ontwikkelt hij een soort geheimtaal. De grote afwezigheid van hun vader en de voortdurende dreiging dat ze zich in huis vooral niet mogen laten horen, leidt ertoe dat de kinderen een eigen universum creëren. Voor Klaus staat al heel vroeg vast dat hij een grote drijfveer heeft om beroemd te worden.

De biseksuele Erika en Klaus - die geen geheim maakt van zijn homoseksuele geaardheid - vormen, tot grote zorg van hun ouders, een nogal recalcitrant duo. Erika en Klaus tonen zich ware pacifisten en zijn niet in toom te houden. Hierop worden ze naar een internaat gestuurd. Een zware psychische crisis voor zijn examen maakte zijn ouders radeloos.
Later staan Erika en Klaus samen op het toneel en reizen de wereld over om lezingen en interviews te geven. Tijdens een bezoek aan Marokko komt Klaus in aanraking met verdovende middelen. Dit leidt ertoe dat hij een te grote hoeveelheid gebruikt en in het ziekenhuis belandt. Hij zegt hier later over dat het 'de hel' was, maar hij zal zijn verdere leven drugsverslaafd blijven.
Met de liefde wil het ook niet echt lukken en hij zoekt zijn seksuele vertier in allerhande artistieke gelegenheden. De depressieve trekken ontwikkelen zich steeds heviger.

'Overal zal ik een vreemdeling blijven, een mens met mijn aard is steeds en overal volkomen eenzaam.'

Na vele omzwervingen door onder andere Europa en Amerika, het verblijf in ballingschap in Amerika tijdens WOII en verscheidene betrekkingen, belandt de flamboyante Klaus in Frankrijk, waar hij op 21 mei 1949 in Cannes een einde aan zijn leven maakt.

Deze interessante biografie, rijkelijk voorzien van schitterende fotos, is bijzonder uitgebreid gedocumenteerd en beschrijft alle zijtakken en omstandigheden die van invloed zijn geweest op de ontwikkeling en het leven van Klaus Mann, zijn relaties, ontmoetingen, worstelingen die hem gedurende zijn (te korte) leven ten deel zijn gevallen. De auteur heeft ervoor zorg gedragen dat het geen droge opsomming van feiten is geworden. Het is zeer prettig leesbaar en een magnifieke verslaglegging van deze ongekend extravagante man/Mann.
De stamboom van de familie én het persoonsregister achter in het boek zijn van een grote aanvullende waarde.

Kortom: een absolute must read voor de Mann-liefhebber!

Auteur

Adrianus Johannes Petrus Stahlecker (Den Haag, 23 juli 1937) is een Nederlands kunstschilder en schrijver.
Stahlecker studeerde in Den Haag aan de Vrije Academie en kreeg privélessen van Hessel de Boer. In 1961 debuteerde hij in Kunstzaal Plaats in Den Haag en kort daarna verhuisde hij naar Barcelona waar hij tot 1973 woonde.

In Spanje deed Stahlecker mee aan de Salon de Mayo en de Salon de Hospitalet, had solotentoonstellingen in Madrid en Barcelona, maar ook in Londen, Berlijn en Parijs. In Madrid exposeerde hij een paar keer onder auspiciën van de Nederlandse Ambassade. Op 2 oktober 1964 werd in Galerie Grifé y Escoda in Madrid door prinses Irene en haar toenmalige echtgenoot Carel Hugo van Bourbon-Parma een van zijn tentoonstellingen geopend.

Naast bloemen en stillevens schildert Stahlecker ook portretten, waaronder veel bekende Nederlanders. Daarnaast kreeg hij bekendheid door zijn schilderijen van Mathilde Willink en leden van het Koninklijk Huis; en was eigenaar van de bekende Galerie Stahlecker in de Haagse Javastraat, die decennialang het trefpunt was van veel bekende kunstenaars en schrijvers.

Rond 2000 begon Stahlecker ook met schrijven. Hij schreef boeken als Filmkunst in Ballingschap (over Duitse acteurs en actrices die moesten vluchten voor het naziregime in de periode 1933-1945); Hildegard Knef,een ster en een tijdperk; Goebbels Droomfabriek; Een liefde tussen oorlog en vrede (over de stormachtige liefde tussen Marlène Dietrich en Jean Gabin); Schilderswijk en Society en de biografie over oud-ballerina en actrice Ine Veen.

Titel: De tovenaarszoon
Auteur: Adrian Stahlecker
Pagina's: 240
ISBN: 9789072370129
Geldermalsen Publications
Verschenen: mei 2018

maandag 15 april 2019

Chloe Benjamin-De onsterfelijken

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Meulenhoff




‘‘Niemand kíést zijn leven. Ik heb dat zeker niet gedaan.’ Gertie lacht bitter. ‘Dit is hoe het gaat: je maakt keuzes en vervolgens maken die ook weer keuzes. Je keuzes maken keuzes. Je gaat studeren, wat heet, om te beginnen doe je eindexamen, dat is alvast één manier om je kansen te vergroten. Wat jij nu doet… ik heb echt geen flauw idee hoe het verder met je moet. Jij ook niet.’’


Lotsbestemming of vrije wil?
 

Het thema van het boek lijkt eenvoudig. In de proloog krijgen vier kinderen bij een waarzegster hun sterfdatum te horen. De rest van de roman wordt verdeeld in vier hoofdstukken waarin elke keer één kind centraal staat. Het boek is als een film, er gebeurt zo ontzettend veel in relatief korte tijd dat je als lezer amper kunt bijhouden wat er allemaal gebeurt. ‘Lees dan langzamer’, zou het advies kunnen zijn, dat lukte mij niet, het is een pageturner. Iedereen kent in zijn leven belangrijke gebeurtenissen die het leven markeren, het moment voor deze kinderen was hun bezoek aan de waarzegster. Er werd nadien niet zoveel over gesproken, maar dat ze allemaal flink aangeslagen zijn is duidelijk.

De vier groeien op in een Joods gezin waarin vader Saul Gold een redelijk succesvol kleermaker is met een eigen zaak en moeder Gertie haar studie afbrak om met Saul te trouwen. Het joods zijn is niet het belangrijkste thema, maar speelt wel een grote rol, vooral Saul is erg religieus. Klara, een van de dochters, gelooft liever in de christelijke hemel, de joodse is haar te somber. Klara is een kleurrijke jonge vrouw met ambitie. Vrijgevochten en fervent liefhebber van goochelen wil ze haar vleugels uitslaan. Jarenlang kreeg ze les van een oudere variétéartiest en erfde van hem de kostbare zwartgelakte houten kist, die je kunt uitklappen tot een tafel, waarop je de trucs uit kunt voeren. Deze kist en meer bagage nemen Klara en de nog minderjarige Simon mee naar San Francisco, hij wordt overgehaald door Klara die al van plan was weg te gaan.

Vol gas gaat hij zijn leven tegemoet, onverschrokken zoekt en overschrijdt hij grenzen, de enorme vaart waarmee dit stuk geschreven is neemt je onder andere mee naar de homoscene in duistere bars. Simon grijpt alle kansen die hij krijgt. Buiten het ontdekken van het nieuwe leven zijn er ook zorgen, tenslotte is het thuisfront in de steek gelaten en de achterblijvers zijn op zijn zachtst gezegd not amused. Simon was voorbestemd de zaak van vader over te nemen, maar hij wil niet en neemt zijn eigen beslissingen. Een van de thema’s is schuld. Door het focussen op één persoon en de alwetende verteller komen we op de zwakkere momenten te weten dat er wel degelijk schuldgevoelens zijn bij de kinderen en jong volwassenen. Door iets te doen of te laten kan een ander schade oplopen, de familie is dan al uiteen gevallen door het plotselinge overlijden van Saul.


Proteus (bron)


Mijn absoluut favoriete personage is Klara. De auteur schroomt niet haar kennis van de Griekse oudheid te delen, het boek leent zich er uitstekend voor. Het hoofdstuk over Klara heeft als titel Proteus, een zeegod uit de Griekse mythologie die van gedaante kan veranderen. Alle thema’s en motieven zou je op haar kunnen toepassen. Als goochelaar is zij de grote illusionist en weet als geen ander wat het inhoudt te transformeren. Met haar gave kan zij invulling geven aan haar bestaan en haar lot onder ogen zien. Haar verhaal is zeker niet vrolijk, maar de intensiteit waarmee ze leeft en haar grenzen opzoekt is meesterlijk beschreven. Ook zij gaat gebukt onder schuldgevoelens ten opzichte van haar familie, ik houd het met opzet wat algemeen om zo weinig mogelijk weg te geven van het verhaal. Ik zei het al, de beelden zijn filmisch, vooral de excentrieke kringen waarin de vier zich begeven zorgen voor een kleurrijke leesbeleving.


‘‘Je karakter. Weleens van Heraclitus gehoord?’ Varya schudt van nee. ‘Een Griekse filosoof. Iemands karakter is zijn lot, heeft hij gezegd. Die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, als broer en zus. Wil je weten hoe de toekomst eruitziet?’ Ze wijst met haar vrije hand naar Varya. ‘Kijk maar in de spiegel.’
‘En als ik verander?’ Varya kan moeilijk geloven dat haar toekomst al in haar zit, als een actrice die tientallen jaren in de coulissen staat te wachten tot ze eindelijk het toneel op mag.
‘Dan zou je bijzonder zijn. De meeste mensen veranderen niet.’
De rishika draait Varya’s hand om en legt hem op tafel.
‘21 januari 2044.’ Haar stem klinkt nuchter, alsof ze zegt hoeveel graden het is of wie de wedstrijd heeft gewonnen. ‘Je hebt ruim de tijd.’’

De structuur van het boek is bijzonder. Door elk van de vier een eigen hoofdstuk te geven zijn ze bijna afzonderlijk te lezen, maar door de familieverbanden worden de verhalen enorm verrijkt en krijgen ook de frustraties, de spijt en de schuldgevoelens een plek. Hoewel er gedurende het boek zaken opgehelderd worden, komen er ook nieuwe verhaallijnen bij en wordt het af en toe zelfs mysterieus en thrillerachtig. 

Tenslotte wil ik nog kwijt dat de omslag enige aandacht verdient, de zwarte ondergrond met de boom symboliseert de vier kinderen, neem ik aan. De goudkleurige accentjes passen goed bij de familienaam Gold, een mooie aantrekkelijke cover van een boeiend boek. Het boek doet veel stof opwaaien en stemt tot nadenken. De keuzes die de vier personages maken kunnen natuurlijk niet los gezien worden van de voorspellingen, wanneer je je sterfdatum weet zal je hoe dan ook je gedrag gaan aanpassen. Aan de lezer om een oordeel te vellen en stiekem na te denken wat je zelf zou doen...

bron

De auteur

Chloe Benjamin groeide op in San Francisco en studeerde aan Vassar College en de University of Wisconsin. Haar debuutroman The Anatomy of Dreams won de Edna Ferber Fiction Book Award en was genomineerd voor de Center for First Fiction Novel Prize. Haar verhalen verschijnen in verschillende tijdschriften en haar werk wordt in meer dan dertig landen vertaald. (bron)

Titel: De onsterfelijken
Titel oorspronkelijk: The Immortalists
Auteur: Chloe Benjamin
Uitgever: Meulenhoff
ISBN: 9789029092739
Vertaling: Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap
Pag.: 368
Genre: fictie
Verschenen: januari 2019

vrijdag 12 april 2019

Marente de Moor - Foon


Recensie door Roosje
Uitgeverij Querido



Het knarsen der tijden

Ik hoor niets, maar het begint al licht te worden. Voor mij tekent zich het behang af met de kegeltjes en driehoekjes, achter mij de kamer. Met de half verduisterde ramen en de gebroken vensterbanken. Met het fluwelen stoeltje waarop mijn overgooier hangt alsof ik er nog in zit. [...] De voordeur is goed dicht. Toch glijdt tussen deur en en drempel het ijs van de veranda naar binnen en duwt tegen die veranda de tuin, waarop nog zo’n dertig centimeter sneeuw ligt.’
(2018: 5)

Lev en Nadja, twee zoölogen, wonen in een zeer afgelegen gebied in West-Rusland. De plaats van het oerbos, waar de dieren sprookjesachtige kenmerken bezitten en mensen veranderen in heksen en tovenaars. Geheimzinnig is het er. Vreemde verschijnselen, een pratende raaf, een intens blatend, babbelende bok, een trouwe hond, zoete herinneringen aan de beertjes. En er is iets als een kwade kracht, die heel af en toe de kop op steekt en die uit alle macht onder het deksel gehouden wordt.

Oud zijn ze, Lev en Nadja. Hij is dementerend en zij is vreemd, een heks noemen ze haar, ze drinkt te veel. Alleen de zoon, in beslag genomen door zijn eigen besognes komt nu en dan op bezoek met zijn smartphone en zijn ufo-fascinatie. En de pope, die geen pope is, maar een drank-beluste weirdo, komt langs om zijn buik te vullen en aanspraak te halen. 

Bladzijde na bladzijde vullen Nadja's gedachten onze gedachten. Aanvankelijk is er geen touw aan vast te knopen, maar ongelooflijk boeiend zijn haar innerlijk geraaskal, haar verwarrende hallucinaties en haar angstig gemompel. De Moor is hier een fantastisch schrijver, ze overtreft zichzelf met dit boek. 

De verschillende perioden uit Nadja’s leven schuiven over elkaar heen, buitelen over elkaar heen. Heel langzaamaan beginnen zich duidelijker lijnen van Nadja’s leven af te tekenen. Haar relatie en huwelijk met Lev, haar kinderen, zoon Dimka en dochter - en lieveling - Vera. Hun werk in de Russische rimboe, hun zoölogisch onderzoek, de wijze waarop zij hun inkomen verdienden; de relaties met hun medewerkers, de Nederlandse Esther, over wie Dimka vertelt dat zij weer terugkomt, en waarvan Nadja enorm schrikt, maar dat is ook een periode in het verleden; je weet eigenlijk meestal niet over welke periode Nadja het heeft; over Vera in Sint-Petersburg; over de dieren, de beren, de beertjes waarmee het noodlot over hen werd afgeroepen. 

Omdat we zo autarkisch leefden, duurde het even voordat de misère ons bereikte. De crisis begrepen we pas toen we de nullen telden op de rekeningen van water en elektriciteit. De doffe ellende bereikte een dieptepunt. De mensen waren verziekt door armoede, dronken wat ze konden vinden tot alles zwart werd, van de tenen aan hun ontstoken voeten tot het licht in hun ogen. Vanachter onze ramen zagen we hoe ze de tulpen afsneden in ons tuintje en we zeiden er niets van, omdat dit al geen mensen meer waren die zich lieten aanspreken. Toen ons erf leeg was, kwamen ze bij het laboratorium in het bos. Alles werd ontmanteld. Ze staken de onzinnigste zaken bij zich, een weegschaal, pipetjes, glasplaatjes, delen van onze droom die in dit nieuwe land allang geen waarde meer hadden.’ (ibidem: 96)

Lev maakt zich zorgen over de watervoorziening die naar zijn idee alsmaar minder wordt. Beiden horen zij het Geluid, de foon, die overal en altijd aanwezig is. Maar voor beiden klinkt het toch anders. Horen zij het omdat het zo stil is in het bos, horen zij het omdat ze te veel drinken en steeds meer in de war raken en angst hen aan het overmeesteren is? Is het God die de meubels verschuift, in Nadja's visioenen? Is het het kreunen van de Aarde zelf? Of het over elkaar heen schuiven van de aardkorsten, het primordiale van de aardse oerkrachten? Het altijd aanwezig achtergrondgeluid klinkt soms als het apokalyptische klaroengeschal, de trompetten van de aankondigende engelen. De pope probeert haar tot het geloof te brengen.
Zelf ziet Nadja de Schepper in de Grote Machinist op de Locomotief van het Leven, die zij alsmaar aanroept en tot haar praatpaal en biechtvader aanroept. Er zou ooit een treinverbinding aangelegd worden of die is er ooit in het verleden geweest. 

Als Lev op zekere dag verdwijnt, nadat Nadja een astronomisch hoge rekening voor het gebruik van gas en licht heeft ontvangen - hoe verwart zij inmiddels? Ze probeert zelfs niet eens zoon Dimka te bereiken. De telefoon heeft ze verstopt, angstig voor het geluid, angstig voor het contact met de buitenwereld. Die verbinding is vanzelfsprekend sowieso slecht. Dat is logisch voor een zo afgelegen gebied waar volgens officiële bronnen niemand meer woont. Misschien woont er ook wel niemand. Misschien is Nadja de middagheks geworden. Misschien is haar wanordelijk innerlijk gebrabbel nog maar een relict van de vrouw, de wetenschappelijk onderzoeker, die zij vroeger was. 

Geleidelijk en toch ook weer plots, als met een schok als van een niet geregistreerde aardbeving, maakt De Moor ons lotgenoot van dé gebeurtenissen. Ineens vallen de stukjes netjes op hun plaats. De Moor heeft dat heel kundig gedaan; zij beweegt geleidelijk de stukjes naar elkaar toe, bijna zonder dat je er als lezer erg in hebt. Je bent namelijk zo in beslag genomen door de sprookjesachtig hallucinerende gedachten en bezweringen van Nadja, dat je daar helemaal in opgaat. 

Voor mij had het verhaal geen duidelijke afronding nodig, maar fraai is het wel. 

Het moderne Rusland, van na het communisme, komt aan de orde. De Moor is slaviste en dat is te merken aan het gemak waarmee ze zich beweegt in dat land, dat werelddeel en zijn geschiedenis, zijn sprookjes en volksverhalen. 

Dit is het tweede boek dat ik van haar lees. Over De Nederlandse maagd was ik niet heel enthousiast, te geforceerd, meen ik. Maar deze roman is fenomenaal, intrigerend, hallucinerend. Ik snap niet zo goed waarom deze roman niet op de shortlist van Libris Literatuurprijs staat. Vermoedelijk omdat deze roman een groter publiek minder aanspreekt, denk ik met mijn misschien wat elitaire smaak. 

Auteur

Marente de Moor (Den Haag, 1972) is een Nederlandse schrijfster en columniste. Ze won de AKO Literatuurprijs (2011) en de European Prize for Literature (2014) voor haar roman De Nederlandse maagd (2010). Zij had enkele jaren een vaste column in Vrij Nederland. Haar werk is in tien talen vertaald. 
Zij groeide op in Bussum en had in haar jeugd al een fascinatie voor Rusland. Op haar achttiende bezocht ze een communistisch jeugdkamp in de Sovjet-Unie. De Moor studeerde Slavische taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Tussen 1991 en 2001 woonde ze acht jaar in Rusland waar ze aan de theaterschool studeerde en als verslaggever werkte voor een misdaadprogramma op de Peterburgse televisie. Ze schreef columns voor De Groene Amsterdammer die in 1999 gebundeld werden uitgegeven als Peterburgse vertellingen. Bij terugkeer in Nederland werkte ze als redacteur voor Elsevier en HP/De Tijd. 
In 2007 verscheen haar debuutroman De overtreder die in 2010 in door Suhrkamp Verlag werd uitgegeven als Amsterdam und zurück. Haar tweede roman, het in 2010 verschenen De Nederlandse maagd (Die Niederländische Jungfrau, 2011) werd in 2011 bekroond met de AKO Literatuurprijs en in 2014 met de European Union Prize for Literature. Haar derde roman, Roundhay, tuinscène kwam in 2014 op de shortlist van de Libris Literatuurprijs. Haar verhalenbundel Gezellige verhalen werd bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs.

Titel: Foon
Auteur: Marente de Moor
Pagina's: 320
ISBN: 9789021412009
Uitgeverij  Querido
Verschenen: oktober 2018