donderdag 21 april 2022

Anne Weber - Annette, een heldinnenepos

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Orlando

Verzet is een eenmalig besluit

Annette, een heldinnenepos is het imposante verhaal van Annette Beaumanoir (1923-2022), geboren in Bretagne en opgegroeid in een gelukkig en sociaal nest. Op hoogbejaarde leeftijd ontmoet ze auteur Anne Weber aan wie ze haar leven uit de doeken doet. Deze heeft gekozen om het te verpakken in een verhalend prozagedicht, zonder rijm.

Een gevoel van onrechtvaardigheid is Annette met de paplepel ingegoten. Ze '[…] is pacifist tot ze op haar vijftiende liever terrorist wil worden' en kan dan niet bevroeden dat ze er niet ver naast zit.

Wanneer er in 1936 vrouwen uit het Spanje van Franco vluchten, kunnen ze rekenen op hulp van het gezin Beaumanoir.

Al op haar zeventiende, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, sluit ze zich aan bij het verzet en smokkelt ze haar eerste pakje. Ondertussen begint ze een studie medicijnen, 'terwijl ze ganshartig droomt van een lotsbestemming, van offers en heldendaden.' Tegen de regels van haar opdrachtgevers in weet ze toch twee Joodse kinderen te redden van een aangekondigde razzia. Het paradoxale hierbij is dat ze dezelfde dag haar eigen ongeboren kindje in handen geeft van een engeltjesmaakster.

Een ontmoeting met een trotskist voedt haar socialistische hart, wekt haar interesse voor het communisme en ze sluit zich hierbij aan.

'[…] alles staat op zijn kop in haar
nieuwe leven: wat vroeger slecht was – liegen,
spioneren, stelen – is nu goed, simpelweg
zolang het doel goed is waarvoor je het doet.'

Beaumanoir leeft in angst en euforie, met gevaar voor eigen leven streeft ze haar ideologie na en haar levensmissie om degenen die in nood zitten te helpen. Ze is een held – wordt na de oorlog door de Yad Vashem onderscheiden – maar blijft daar zelf vrij nuchter onder.

Tijdens een vakantie in 1954 naar Algerije ziet ze de gevolgen van de Franse overheersing en biedt ze haar hulp aan de onafhankelijkheidsbeweging FLN, door koffers geld te transporteren. Wanneer ze tijdens een van haar missies, verdacht van terrorisme wordt opgepakt en tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld, is ze zwanger. Ze mag haar bevalling thuis afwachten en weet te ontsnappen naar het soevereine buurland Tunesië, waar ze haar werkzaamheden voortzet als arts.

Op virtuoze wijze speelt Weber met de taal, gooit uitdrukkingen door elkaar, lardeert het geheel met citaten van Beaumanoir zelf. Ze is er met deze biografie in geslaagd haar eerbied voor de heldin te tonen, maar het niet onnodig sentimenteel of zwaarmoedig te maken, door met haar eigen emoties op afstand te blijven en onnodige opsmuk achterwege te laten; ondanks de overweldigende en ontroerende levenswandel van Beaumanoir weet ze het luchtig te houden door – wanneer het gepast is – humor te verweven door de tekst en richt ze zich meer dan eens tot de lezer of nuanceert ze wat ze heeft geschreven. Ze heeft weliswaar gekozen voor de vorm van een heroïsch epos, maar heeft zich niet krampachtig gehouden aan een vast ritme en gunde zichzelf voldoende vrijheden om de memoires van de vrijheidsstrijdster te vormen tot een prettig leesbaar 'heldinnendicht'.

Een indrukwekkend mens heeft een erepodium gekregen voor haar strijd tegen onrechtvaardigheid.

Titel: Annette, een heldinnenepos
Auteur: Anne Weber
Vertaling: Anne Folkertsma
Pagina's: 224
ISBN: 9789083146867
Uitgeverij Orlando
Verschenen: januari 2022

dinsdag 19 april 2022

Onbekende auteur - De val van de Taira

Recensie door Eric Waut
Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep

Een waanzinnig knappe vertaling met fenomenale toelichting
 

Wie altijd zekerheid wil, net als een jager of visser, en wie onbekend terrein vermijdt, zal nooit een veldslag winnen.”


Bij het lezen van dit verhaal over de strijd van twee machtige clans in Japan, de Taira en de Minamoto, wordt men ondergedompeld in een wereld die enerzijds gedreven is door meedogenloze razernij en anderzijds verfijnde beleving van religie en literatuur. Het is een oorlogsepos dat zich afspeelt in de tweede helft van de twaalfde eeuw. Op dat moment is de macht van Taira-clan, onder leiding van Taira Kiyomori, op zijn hoogtepunt. Hij heeft tal van familieleden en beschermelingen gepositioneerd op enkele belangrijke postjes en laat op gegeven moment een ander sterk figuur, voormalig keizer Go-Shirakawa, opsluiten.

Uiteindelijk komt het tot een confrontatie met de Minamoto-clan waarbij na enkele militaire nederlagen de Taira-clan langzaam zijn macht verliest. In deze kroniek is het niet zo dat de overwinnaar wordt geprezen. Neen, het lijkt eerder een beschrijving van een kantelmoment in de Japanse geschiedenis. Het is vooral een raamvertelling, naast de intriges en krijgsverrichtingen worden diverse andere verhalen en legenden, maar vooral een prachtige beschrijving van de maatschappij zelf op dat moment, weergegeven. De aandachtige lezer ontdekt met andere woorden heel wat meer dan deze strijd tussen de twee clans.

Historische figuren

De val van de Taira geeft dus het verhaal weer van de strijd tussen twee machtige clans. Er komen tal van historische figuren in voor zoals Go-Shirakawa (1127-1192). Hij is wel geen keizer meer op het moment dat het verhaal begint, doch is achter de schermen nog steeds een zeer belangrijk persoon. Hij kiest uiteindelijk partij voor de Minamoto-clan.

Verder is er het hoofd van de Taira-clan: Taira Kiyomori (1118-1181) die bij momenten onverbiddelijk is en uiteindelijk het slachtoffer is van zijn eigen hoogmoed.

De Minamoto-clan wordt bij de machtsovername geleid door Minamoto Yoritomo (1147-1199); intiteel was hij verbannen, doch kan dus later beginnen aan de succesvolle opstand. Hij is de stichter van het Kamakura-shogunaat.

Maar de meest boeiende figuur is toch wel Minamoto Yoshitsune (1159-1189), halfbroer van Minamoto Yoritomo. Hij behaalt de overwinningen op het slagveld, maar wordt slachtoffer van roddel en raakt in ongenade bij zijn halfbroer. Deze en nog andere figuren nodigen de lezer uit om verdere opzoekingen te doen over de geschiedenis van Japan.

Gebruik en zeden

Hofcultuur blijkt zo belangrijk te zijn. Iemand die bepaalde regels niet respecteert loopt enorme risico’s. Zo is er het verhaal van Taira Tadomori, vader van Taira Kiyomori, die omwille van plannen van een aanslag die hij had vernomen voor alle zekerheid een dolk had meegenomen naar het paleis. Dit werd hem zeer kwalijk genomen toen één en ander werd ontdekt (zie Boek I, 2).

Of de beschrijving van het gebruik, bij de aristocratie (zowel mannen als vrouwen), hun tanden zwart te verven, niet alleen om esthetische redenen, doch ook om tandbederf tegen te gaan.

Architectuur

Het is een meerwaarde bij het lezen van dit boek dat men details leert over bepaalde gebouwen. Door verder op zoek te gaan via internet komt men al gauw een heel verhaal op het spoor. Zo komt zijdelings op gegeven moment het Imagumano-schrijn twee keer aan bod in dit boek. Dit was gebouwd in 1160 in opdracht van Go-Shirakawa. Nu blijkt dit nog steeds te bestaan. Meer nog, er zou een boom staan waarvan het verhaal gaat dat Go-Shirakawa, deze nog geplant heeft. (1)

Of, het Itsukushima-schrijn dat na een visioen die Taira Kiyomori had grondig werd herbouwd ingevolge zijn opdracht (Boek III,5). Het is nu vooral gekend voor de beroemde torii-poort. (2) Heel wat van deze tempels of andere gebouwen komen aan bod.

Maar de mooiste passage is de omschrijving van een tuin.

In de tuin tierden welig de jonge gewassen. Groene wilgentakken zwaaiden in de wind, en het eendenkroos op de vijver leek wel brokaat dat lag te drogen in de zon. Om de pijnbomen op het eilandje slingerden zich golven van blauweregen, en tussen het vele groen zag de late kers er nog heerlijker uit dan de eerste bloesems van het jaar. Op de oevers bloeiden tal van kerriarozen, en door de wolkenlagen weerklonk het lied van de kleine koekoek uit de bergen, die dolblij leek vanwege het hoge bezoek.”


Literatuur als alternatief voor het krijgsgeweld

Heike monogatori” is vooreerst het verhaal over de strijd tussen twee machtige clans. Er is af en toe wel wat wapengekletter en er zijn prachtige omschrijvingen van veld- en zeeslagen. Evenwel komen er mooie passages in voor die met oorlogsgeweld weinig te maken hebben. Afwisselend proza en poëzie. Zeer leuk om te lezen, met dikwijls heel wat toelichting vanwege de vertaler.

Zo is er een ontroerend mooie passage wanneer heer Taira Koremori afscheid neemt van zijn vrouw als de Taira vluchten uit de hoofdstad (Boek VII, 14).

Haar gelaat was zo fris als perzikbloesems onder de dauw; haar blozende witbepoederde wangen benadrukten de bekoorlijkheid van haar ogen; haar haren waren als wilgetakken in de lentebries – een grotere schoonheid kun je je niet indenken.” 


En... hij laat zich door haar overhalen zijn gezin toch mee te nemen. Dit gaat echter niet door wanneer zijn medestrijders dit ontdekken.

Eén van de mooiste passages van De val van de Taira is terug te vinden in het laatste deel: “Het boek der geïnitieerden”. Het is het verhaal van Kenreimon-in. Zij is een voormalig keizerin en heeft zich teruggetrokken in een klooster waar ze onder meer bezoek krijgt van de voormalige keizer Go-Shirakawa. Ze hoorde tot de Taira-clan en staat bij wijze van spreke symbool voor het einde van hun heerschappij.

Terwijl Kenreimon-in schreiend zat te mijmeren over het verleden en de toekomst, hoorde zij de roep van een kleine koekoek, waarop ze dichtte:

Vooruit dan,
kleine koekoek,
we vergelijken onze tranen, want
ook van mij hoor je hier slechts
een droeve klacht!“


Over de vertaling

Het betreft hier een vertaling van “Heike Monogatori”. Het werd in 1371 gedicteerd door Akashi Kakuïchi die afkomstig was uit een lange reeks van blinde barden, gespecialiseerd in voordrachten van dit verhaal. Het bestaat uit dertien boeken (tekstrollen) met meestal 10 à 20 hoofdstukken. Het is, zoals reeds eerder aangehaald, een raamvertelling, waarbij naast het verhaal hoofse romances, Chinese legenden en religieuze verhalen aan bod komen.

De vertaling werd verzorgd door Jos Vos (1960). Hij is gekend voor de vertaling van heel wat andere werken van de klassieke Japanse literatuur. Bekend zijn de reisdagboeken van Matsuo Bashõ (1644-1694) die verschenen in de bekende reeks privé-domein bij de Arbeiderspers. Verder ook nog de vertaling van Het verhaal van Genji van Murasaki Shikibu, Eeuwige reizigers (een bloemlezing van klassieke Japanse teksten) en nog veel meer (3). En eerlijk... dit is echt een waanzinnig knappe vertaling. Een kenner aan het woord. Regelmatig worden bepaalde gebeurtenissen of literaire uitstapjes van commentaar voorzien in een voetnoot. Ook de toelichting is fenomenaal. Je leert heel wat van de klassieke Japanse literatuur.

Uitgave

Dit werk is recent in harde kaft, mooi gebonden met prachtige omslag, uitgegeven door uitgeverij Atheneum-Polak & Van Gennep. Het is een echte klassieker, de naam meer dan waard. Ga niet op reis naar Japan alvorens je dit boek hebt gelezen!

Voetnoten

1) https://kyoto-universal.jp/en/universals/detail.php?lid=1161

2) https://www.worldhistory.org/Itsukushima_Shrine/

3) https://www.katernjapan.nl/jos-vos-vertaler-aangenaam/


Titel: De val van de Taira (Heike Monogatari)
Auteur: onbekend
Pagina’s: 672
ISBN: 9789025309848
Uitgeverij Atheneum-Polak & Van Gennep
Verschenen: maart 2022

Willa Cather - O pioniers

Recensie door Roosje de Vries
Uitgeverij Karmijn

Een roman over een sterke vrouw

Nebraska, circa 1880, een plaatsje met de naam Hanover, op een winderig plateau in de Divide - de waterscheiding in Zuid-Centraal-Nebraska. Sneeuwklokjes, een groepje lage gebouwen, een grijze prairie onder een grijze hemel. Dat is het decor voor O pioniers!, de debuutroman van Willa Cather uit 1913. Onthoud dat jaartal: 1913!

Willa Sibert Cather (1873–1947) was een Amerikaanse schrijfster. Ze beschreef onder meer de Great Plains in verschillende van haar romans, zoals O Pioneers!, My Ántonia en The Song of the Lark.

Op de stoep voor een sombere winkel zit een Zweeds jochie koukleumend te huilen. Hij heet Emil en is een van de hoofdpersonen van deze roman. Zijn kleine poesje is de top van een telegraafpaal in gevlucht. Zijn grote zus, Alexandra, doet, gekleed in mannenkleren, boodschappen. Zij vraagt haar vriend Carl Linstrum het poesje te redden. Dit zijn de drie mensen die een grote rol spelen in deze roman. Het is het land van voornamelijk Zweden, Bohemers en Fransen. De kleine Emil speelt met de kleine Marie.

Emil en Alexandra hebben twee broers, Lou en Oscar, die de oudste is. Hun vader, John Bergson, ligt op sterven. In deze barre omstandigheden - de hypotheek is nauwelijks afgelost - kan de vader niet gemist worden.

In elf lange jaren had John Bergson maar weinig indruk kunnen maken op het wilde land dat hij was komen temmen. Het was nog steeds een wild wezen dat zijn nare buien had, en niemand wist wanneer je die kon verwachten of waarom ze kwamen,’ (2022: 19)


Het leven van de pioniers is hard. Ik moest ook denken aan de romans van Annie Proulx en ook die van Steinbeck; het leven van pioniers is voor veel Amerikaanse auteurs inspiratie geweest voor romans en verhalen. Vrijwel de meesten van die pioniers waren in het oude land handwerkers geweest, geen boeren in ieder geval.

John bespreekt veel zaken met zijn dochter, meer dan met zijn zoons. Alexandra lijkt op haar intelligente en doortastende grootvader. Zij las de kranten en volgde de beursnoteringen. Op zijn sterfbed geeft hij zijn dochter de zeggenschap over het bedrijf en het land.

Vanaf het begin begin voel je dat er een zware dreiging hangt boven het gezin Bergson. Het land is zijn bewerkers niet bijzonder goed gezind. De verstandige Alexandra roept bij Lou en Oscar niet alleen maar dankbaarheid op. Een sterke vrouw is een bedreiging in een behoudende samenleving. Jaloezie, roddel, achterklap zijn Alexandra’s deel. Maar dat is ook niet het enige geluid dat klinkt. Alexandra is even zo goed een grote hulp in die plattelandssamenleving.

Cather vertelt subtiel en met grote nuance het verhaal van Alexandra en Emil en de bewoners van de Divide. Cather toont de schoonheid van het land, van de natuur, de bomen, de gewassen, de dieren en de mensen zonder daar (te) veel woorden voor nodig te hebben. Door de schoonheid en de zoetheid van die woorden en het succes van Alexandra’s ondernemingen lijkt de lezer enigszins in slaap te worden gewiegd als in een hangmat op een lome zomerse dag. En daarna slaat het noodlot meedogenloos toe. Veel woorden wil ik daaraan niet kwijt. Het is alsof de bliksem onvoorzien inslaat op een zonnige dag. Nou ja, een paar voortekenen zijn er al maar daar moet je wel oog voor hebben. En ik merkte al op dat je vanaf het begin die dreiging voelt. Het begin van de roman is een keiharde in medias res: winter, vrieskou, zielig klein poesje in de telegraafpaal en een vader die zich wentelt tussen de klamme doodslakens.

Cather heeft maar weinig woorden nodig - nogmaals - om situaties aan te duiden. En die woorden neigen naar poëzie. Bij gedichten gaat de lezer direct op zoek naar de achterliggende betekenis. Dat doe je in een roman minder snel. Daar laat je je leiden door de loop van het verhaal. Maar in deze roman hebben de woorden zeker een achterliggende betekenis.

Ongelooflijk is dat deze roman werd gepubliceerd in 1913. Dat geloof je echt niet. Zo modern, of misschien is beter: tijdloos - als in goede poëzie - doet deze roman aan. 
Dit is ook een roman om snel nog eens te lezen om de verborgen verbanden naar boven te halen. Er is maar weinig dat Cather uitlegt. Prachtig is dat. Over het algemeen houd ik er niet zo van als mij alles uitgelegd wordt door een auteur, behalve als die auteur Philip Roth heet of A.F.Th van der Heijden. De uitleg kan natuurlijk tot stijlfiguur gemaakt worden of zelfs tot thema, wat bij van der Heijden zeker het geval is.
Omdat Cather zo weinig uitlegt en zulke eenvoudige woorden gebruikt, lijkt het bijna alsof je te maken hebt met een simpele familieroman. En dat is niet het geval, of tenminste zeker niet alleen.

Zoek de verbanden. Proef de poëzie. Voel het drama en het noodlot, die groot zijn maar subtiel door de roman en de velden sluipen.

Titel: O pioniers!
Auteur: Willa Cather
Vertaling: Johannes Jonkers
Pagina's: 2016
ISBN: 9789492168320
Uitgeverij Karmijn
Verschenen: oorspronkelijk 1913; in Nederlandse vertaling maart 2022

woensdag 13 april 2022

Juan Carlos Onetti – De dood en het meisje

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Kievenaar

Het spleen van Onetti en een onopgelost mysterie 

Met de magnifieke novelle Afscheid van de Uruguayaanse auteur Juan Carlos Onetti (1909-1994) gaf Uitgeverij Kievenaar in 2021 het startsein voor het jaarlijks uitbrengen van een Onetti-vertaling en dit jaar is De dood en het meisje aan de beurt. Het indolente karakter van Onetti's bestaan – hij sleet zijn dagen het liefst op bed; whiskey en sigaretten binnen handbereik – heeft er waarschijnlijk toe geleid dat zijn werk, geheel onterecht, veel minder bekendheid heeft gekregen dan dat van andere Spaanstalige auteurs uit de twintigste eeuw.

De prettig leesbare vertaling en het illustratieve voorwoord van Maarten Steenmeijer zijn van grote meerwaarde om de novelle beter te duiden en te doorgronden.

In het fictieve Santa María – waar men de kunst niet lijkt te verstaan om dagelijks de slingers op te hangen - vindt een consult plaats van notaris Augusto Goerdel aan de arts Díaz Gray. Helga Hauser, de vrouw van de notaris, mag onder geen voorwaarde een tweede keer zwanger worden en Gray geeft hem op nogal onorthodoxe wijze raad hoe hij zijn vrouw kan behoeden voor een volgende zwangerschap. Wanneer Helga tóch zwanger raakt – 'zij weet, net als ik, dat elke voorzorgsmaatregel een doodzonde zou zijn' – en overlijdt, ontkent de flegmatische Goerdel dat hij aanwezig was tijdens de conceptie.

'Uit de beweging van de zon zou Díaz Gray misschien hebben opgemaakt dat hij meer dan een uur opgesloten zat in het gemijmer dat in de plaats kwam van de gemiste siësta en de gebruikelijke slechte spijsvertering. Hij dacht niet aan de moorddadige bezoeker en ook niet aan de toekomst die in diens onbewogen betekenis besloten lag. Hij dacht niet voor zichzelf, voor niemand, zelfs niet voor een onmogelijke landloper, die misschien op het nabije strand rondzwierf of sliep.'


Vele nachten brengt Gray door het spelen van patience met foto's van zijn dochter. Zij is op driejarige leeftijd uit zijn leven verdwenen – wat daar de reden van is blijft een mysterie – en tot die tijd heeft hij zelf foto's van haar gemaakt. De foto's van de jaren na haar verdwijning krijgt hij met een zekere regelmaat anoniem per post toegestuurd. De ontgoochelde Gray ziet haar alleen opgroeien in de beelden, wat zijn treurnis eindeloos maakt. Haar gezicht werd 'met elk volgend jaar minder begrijpelijk voor mij, steeds minder van mij, steeds verder weg van iets wat zonder twijfel belangrijker was dan zij of ik: mijn liefde voor een meisje van drie jaar.'

Waar Afscheid een veel toegankelijker verhaal is, maakt de auteur het de lezer met de raadselachtige novelle De dood en het meisje verre van gemakkelijk en speelt hij wederom een obscuur spelletje.

Het mysterie zit 'm niet in het feit dat er een moord opgelost moet worden of de vraag wie er verantwoordelijk is voor de zwangerschap en de dood van Helga Hauser en haar ongeboren kind, maar de verwarring die het verhaal oproept. We zouden kunnen gissen dat haar man de moord op zijn geweten heeft omdat dat hij de raad van zijn arts niet heeft kunnen opvolgen, vanwege zijn religieuze opleiding bij de Pater Bergner. Door middel van de 'kroniek van een aangekondigde dood', waar de novelle mee start, lijkt de godvruchtige Goerdel de aanstaande moord al te bekennen, maar het is ook heel goed mogelijk dat dit een hersenspinsel is van Gray.

Onetti maakt op magistrale wijze gebruik van de diverse personages die hij in zijn gehele oeuvre laat terugkomen. Zo voert hij in De dood en het meisje de duistere Juan Maria Brausen op – ook wel met Stichter of God aangeduid. Deze Stichter heeft in een eerdere roman het stadje Santa María en het personage Gray verzonnen.

'Brausen heeft mij misschien wel in Santa María ter wereld gebracht met een voor mij altijd onverklaarbaar verleden van dertig of veertig jaar.'


Het vernuftige opbouwen van de verhaallijnen zonder veel chronologie en het veelvuldig wisselen van het vertelperspectief, zetten de lezer meer dan eens op het verkeerde been – hoe de verhaallijnen zich tot elkaar verhouden blijft schimmig. Zelfs binnen een hoofdstuk kan het perspectief ineens verschuiven van de eerste naar de derde persoon en blijft het onduidelijk of er sprake is van een betrouwbare verteller en welk personage aan het woord is. Een herlezing zal er derhalve niet voor zorgen dat er duidelijkheid wordt geschapen – de lezer wordt hoogstens van het ene verkeerde been op het andere gezet.

De dood en het meisje is een mysterieuze en briljant gecomponeerde, droefgeestige novelle om te herlezen en nog eens heerlijk op te kauwen, want Onetti daagt je uit en geeft nergens een sluitend antwoord.

De recensie van Juan Carlos Onetti's Afscheid is hier te lezen.


Titel: De dood en het meisje
Auteur: Juan Carlos Onetti
Vertaling: Maarten Steenmeijer
Pagina's: 96
ISBN: 9789083046778
Uitgeverij Kievenaar
Verschenen: februari 2022

donderdag 31 maart 2022

Lydia Sandgren - Verzamelde werken

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Oevers


Freud zou graag zijn tanden gezet hebben in deze roman 

Op de vloer ligt de man tussen vijfentwintig jaar aan herinneringen in smoezelige aantekeningen; het onvoltooide verhaal van een bewogen leven. Martin Berg is een uitgebluste vijftiger die de troosteloosheid van zijn leven overloopt. Het succes van zijn kleine uitgeverij is nooddruftig, zijn zoon en dochter zijn inmiddels uitgevlogen en jaren daarvoor is ook zijn vrouw uit zijn leven verdwenen. Meer dan af en toe een kortdurende affaire heeft hij er al die jaren niet uit weten te peuteren en diep in zijn hart beseft dat hij er beter bij gedijt door als alleenstaande door het leven te gaan.

Met dit tafereel opent de Zweedse Lydia Sandgren (1987) haar prijswinnende debuutroman Verzamelde werkeneen bedrieglijke titel, want het is wel degelijk een roman – waar ze maar liefst tien jaar aan heeft gespendeerd; met als resultaat een ontzagwekkende saga van 784 bladzijden.

Wanneer Martin Berg en Gustav Becker bij elkaar in de klas komen, is dat het begin van een levenslange vriendschap. De gedreven Martin studeert filosofie, maar heeft al jong de ambitie om schrijver te worden. Gustav is meer het kunstenaarstype; schilder in hart en nieren, die zichzelf regelmatig verliest in het drinken van overmatige hoeveelheden alcohol. Toch blijkt er tussen hen een blijvende chemie te zijn. In hun beider leven verschijnt de mooie Cecilia Wikner, geboren en opgegroeid in Ethiopië doordat haar vader daar als arts was gestationeerd.

Vol ambitie vertrekken de mannen naar Parijs; elk met het plan om aan een persoonlijke droom te werken. Cecilia voegt zich later bij hen en wordt de muze en model van Gustav. Ze is behept met een sterke wil, maar worstelt met haar afkomst en verleden. Wanneer ze zwanger blijkt te zijn van Rakel, trouwen Martin en zij in Göteborg, waar een aantal jaar later ook hun zoon Elis wordt geboren. Steeds meer lijkt Cecilia zich terug te trekken van haar moederlijke verplichtingen; ze blijft dagen achtereen in haar bed liggen, toont openlijk haar onvermogen om lief te hebben en is niet te vermurwen om deel te nemen aan het gezinsleven.

'Dat mama hele dagen in de kamer boven doorbracht met de deur dicht leek iets te maken te hebben met de geboorte van Elis. [...] Als hij huilde droeg iemand – meestal papa – hem rond door het Atelier, de minst gebruikte en best geïsoleerde kamer van de benedenverdieping, en Rakel hoefde alleen maar naar de andere kant van het huis te gaan om in stilte te kunnen lezen.'


Cecilia is echter nog niet klaar met haar studie en met grote hartstocht stort ze zich op haar proefschrift. Haar vrije momenten vult ze haast dwangmatig met hardlopen, waardoor er steeds minder tijd vrijmaakt wordt voor haar gezin en huishouden. Martin weet de boel draaiende te houden, ondanks dat hij hierdoor zelf niet verder komt met zijn eigen plannen.

Wanneer ze op een dag – met medeneming van slechts wat persoonlijke spullen en zonder achterlating van een afscheidsbrief – verdwijnt, dringt het tot de achterblijvers maar langzaam door dat ze niet meer van plan is om terug te keren.

'Cecilia’s moeder was ervan overtuigd dat het ‘gewoon weer een van haar grillen’ was. Vroeg of laat zou ze thuiskomen. Ze was altijd al egoïstisch geweest. [...] Ze had zich nooit iets aangetrokken van het effect dat haar daden op andere mensen hadden.'


De tweede laag verhaalt over het leven van Martin en zijn volwassen kinderen. Van haar vader krijgt Rakel het verzoek om een Duitse roman te vertalen. Tot haar grote verbazing leest ze allerlei aanwijzingen die haar aan haar moeder doen denken en ze besluit naar haar op zoek te gaan, in de hoop antwoord te krijgen op vele vragen. Op een overzichtstentoonstelling van Gustav ziet Rakel billboards met de beeltenis van haar moeder. Stukje bij beetje groeit de duidelijkheid wie Een jaar van liefde heeft geschreven en komen de losse draadjes bij elkaar.

Een interview met Martin, dat gefragmenteerd door het boek is verweven, zorgt voor een diepere laag. Hierin wordt het duidelijk wat zijn onzekerheden zijn, zijn fascinatie voor de auteur William Wallace en dat hij nooit de kans heeft aangegrepen om een succesvol auteur te worden. Hij wist wat hij wilde en hoe hij het wilde, maar hij heeft het nooit in daden kunnen omzetten.

De personages zijn psychologisch sterk en realistisch uitgewerkt. Sandgren heeft overduidelijk niet de drang gehad om ze sympathieker te maken. De behoefte om lief te hebben en liefde te ontvangen wordt niet vervuld. Ze draaien rond in hun eigen wereldje, vinden het moeilijk om relaties aan te gaan, te voeden of in stand te houden, en kunnen zich maar moeilijk naar buiten richten of invoelend communiceren met de ander.

De vraag of Cecilia een persoonlijkheidsstoornis heeft, of misschien een postnatale depressie, wordt niet beantwoord, maar Freud had er waarschijnlijk graag zijn tanden in willen zetten. Het feit dat de auteur psychologie heeft gestudeerd komt in ruime mate naar voren door het vakjargon en de existentiële thema's die ze in haar boek heeft verwerkt.

Doordat de auteur haast in extenso het leven van haar personages beschrijft en menig onderwerp over meerdere pagina's uitspint, is het een omvangrijke roman geworden. Sandgren is er evenwel in geslaagd om de aandacht van de lezer vast te houden. Verzamelde werken is een rijke en gelaagde ontwikkelingsroman over onvoorwaardelijke vriendschap, de zin van het bestaan, een levenslange zoektocht naar verloren liefde, en vol vingerwijzingen naar grote namen uit de psychologie en filosofie, literatuur, klassieke muziek en kunst, met gebruikmaking van veel metaforen en verwijzingen. De lichte schrijfstijl en ironische toetsen maken het een plezier om te lezen.

--

Eerder verschenen op Tzum

Titel: Verzamelde werken
Auteur: Lydia Sandgren
Vertaling: Eline Jongsma en Janny Middelbeek-Oortgiesen
Pagina's: 786
ISBN: 9789
492068859
Uitgeverij Oevers
Verschenen: september 2021

maandag 28 maart 2022

Douglas Stuart – Shuggie Bain

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Nieuw Amsterdam

Onvoorwaardelijke liefde

Ik zag er eigenlijk tegenop om mij weer door zo’n gruwelijk jeugdbeschrijving te moeten ploegen. Na Het smelt en De avond is ongemak had ik er een beetje genoeg van om constant te worden overladen door verwaarlozing, ontberingen en misbruik. Omdat de media al veel over Shuggie Bain had prijsgegeven werd mijn nieuwsgierigheid getemperd. Maar uiteindelijk moet ik concluderen dat in dit geval mijn vrees onterecht is gebleken. De reden dat dit verhaal mij wel aanspreekt, is dat in dit boek de onvoorwaardelijke liefde voelbaar blijft in alle ellende. De liefde van de hoofdpersoon voor zijn moeder tot het bittere einde, zonder klef of melodramatisch te worden. Hoe heftig dit boek ook is, deze warmte maakt het dragelijk om te lezen, vertedert en is invoelbaar. En, zoals de internationale pers al heeft verkondigd, is het op een schitterende manier geschreven. Deze warmte ontbreekt echter voor mij bij de bovenstaande Nederlandse debuten.

Het verhaal is simpel. Het beschrijft nauwgezet het leven van Agnes, een alcoholische moeder van drie kinderen in een achterstandswijk in Glasgow. Een tijdsbeeld van bittere armoede tijdens de regeringsperiode van Margaret Thatcher waar de economie instort en de werkeloosheid toeneemt tot drie miljoen Britten. Mede door sluitingen van de kolenmijnen. Shuggie, het jongste kind en oogappel van zijn moeder staat centraal en is van jongst af aan duidelijk anders dan andere jongens. Meisjesachtig. De reactie van de (buurt)kinderen en volwassenen op zijn ‘anders zijn’ is ijzingwekkend tot wreed aan toe. Zijn opa, oma, vader, zuster en broer haken, naarmate het verhaal vordert, af door de alcoholverslaving van Agnes. De blinde moederliefde en trouw van Shuggie is aboluut.

 

'Nee hoor,’ zei Shuggie trots. ‘Mijn moeder heeft nog geen dag in haar leven gewerkt. Daar is ze veel te mooi voor.'


De kracht waarmee Shuggie zich staande weet te houden en het overleeft maakt een diepe indruk. Daar begint en eindigt het verhaal dan ook mee in 1992. Dat zijn leven is begonnen na de dood van zijn moeder met een baantje en een eigen kamer. Met dit begin weet de lezer dat het uiteindelijk redelijk goed zal komen met deze arme jongen. Daartussen spelen de hoofdstukken zich af in 1982, 1983 en 1989.

De stijl van Douglas Stuart is beeldend. Je ziet het allemaal voor je. Zoals het wekelijkse kaartavondje waarbij alle vrouwen zich steevast een dilerium drinken om vervolgens hun mannen thuis te bespringen.

'Ze zouden zich tot op hun kapotte panty uitkleden en hun zwiepende borsen bevrijden.
Niets dan dronken opengesperde monden, warme tongen en zwaar, log vlees. Puur vrijdagavondgeluk.'


Maar ook zitten er hele leuke scenes in zoals het moment dat de familie noodgedwongen naar een aftandse mijnwerkersbuurt moeten verhuizen. Shuggie die toch al vroegwijs is en bij aankomst in het bijzijn van de hele buurt tegen zijn moeder zegt:

'Wij moeten even praten. Ik denk niet dat ik hier kan wonen. Het stinkt naar groene kool en batterijen. Het is gewoonweg ondoenlijk.' […] Alle toehoorders draaien zich vol ongeloof naar elkaar toe. … 'Krijg nou wat. Liberace komt hier wonen' riep een van de vrouwen. […] 'O hemeltje! Ik hoop maar dat de vleugel in de salon past!'


Of als Agnes een tijdlang van de drank is en een relatie heeft met Eugene. De broer van haar abjecte overbuurvrouw met de volgende reactie:

Rot toch op! Ik kreeg zowat ’n hartverzakking toen onze Eugene doodleuk kwam vertellen dat-ie ’t had aangelegd met die hoer in d’r paarse jas! En m’n arme ma zich daarboven in de hemel maar zitten verbijten as ze jullie hier beneeën zag krikken.’
Agnes schudde haar hoofd. ‘Dan had ze wel een heel sterke verrekijker.’


Uiteindelijk moet ook Shuggie erkennen dat zijn moeder niet meer te redden is. Zijn oudere zus Catherine is zo snel mogelijk gevlucht in een huwelijk en geëmigreerd naar Zuid-Afrika. Zijn broer Leek blijft zo lang mogelijk thuis tot het ook voor hem niet meer te harden is. Shuggie blijft eenzaam en alleen achter met zijn moeder tot het bittere einde.

Pas op het eind van het verhaal sluit Shuggie vriendschap met Leanne, een deelgenoot wiens moeder ook alcoholiste is. Dat schept een band. Hij herkent namelijk de aftakeling van een alcoholistische moeder als geen ander. Dus ook Leanne’s trouw, zorg en liefde.

Shuggie Bain is een mooi geschreven autobiografie van Stuart. En het brengt alle misère van een verslaving naar boven vanuit een kinderperspectief. En vooral de machteloosheid, de verwaarlozing en het leed van kinderen. Maar heeft dit indrukwekkende overlevingsverhaal van een jongen uit Glasgow eind vorige eeuw genoeg terecht de Booker Prize gekregen? Dezelfde vraag stelde ik mij trouwens ook bij De avond is ongemak van Rijneveld. We hebben het toch hier over een van de grootste literaire prijzen?

Het debuut dat leest als een meesterwerk” schreef de Washington Post staat er prominent op de omslag van het boek. Maar ís het een meesterwerk? “Een verhaal zo uniek dat er niet aan te ontkomen valt” schrijft The New York Times. Zonder meer fantastisch geschreven, maar ik vind het onderwerp niet echt onderscheidend en uniek. Daarbij denk ik aan bijvoorbeeld Wees onzichtbaar van Murat Isik uit 2017 of het indrukwekkende debuut Dorsvloer vol confetti van Franca Treur uit 2009.

Het is in ieder geval een boek dat ik niet snel zal vergeten. Het heeft indruk gemaakt. Het heeft mij beroerd. En dat criterium maakt het voor mij een goed boek.

--

Eerder verschenen op De Leesclub van Alles

Titel: Shuggie Bain
Auteur: Douglas Stuart
Vertaling: Inger Limburg en Lucie van Rooijen
Pagina's: 448
ISBN: 9789046827574
Uitgeverij Nieuw Amsterdam
Verschenen: 2021

vrijdag 25 maart 2022

Chrétien Breukers - Praag aan zee

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Vleugels


'Al wie behouden wil blijven, heeft vóór alles het geloof nodig. Daaraan moet hij zich vasthouden.'


In Praag aan zee voert Chrétien Breukers (1965) de lezer mee in de lotgevallen van de getormenteerde Thomas Meerman, 'een personage dat alleen is en alleen achterblijft'. Eerder al, in En in de nacht een riem uit 2019, kwamen we dezelfde protagonist tegen die raakvlakken blijkt te hebben met de auteur. 'Het personage Thomas Meerman, dat ben ik.'

Vanuit het Ik-perspectief kruipt de lezer in zijn hoofd en wordt deelgenoot gemaakt van zijn hersenspinsels. De vijfenvijftigjarige Meerman is, na een gesprek over En in de nacht een riem bij een VPRO Boeken – Breukers doelt hier met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op zijn eigen optreden van medio december 2019 –, weer op weg naar Praag waar hij woont. Zijn huwelijk met Leonie is op de klippen gelopen, omdat hij haar vertrouwen heeft beschaamd 'en hoewel ik nooit volledig trouw was geweest, bleek de status van vrijgezel me een scala aan mogelijkheden te bieden. Dit was ongekend. Dit was werken in een snoepwinkel.' Zijn twee dochters houdt ze zoveel mogelijk bij hem vandaan.

In Praag wacht Vera; wel sex, geen verbintenis. Een relatie die is gestoeld op een vriendschappelijk houden-van, maar Vera blijft niet verschoond van een precaire vorm van jaloezie. Toch blijft ze zijn overhemden strijken. 'iets wat me elke keer verlegen maakt '.

Net als in En in de nacht een riem staat Thomas Meerman ook nu weer garant voor broeierige scènes en is hij niet echt een innemend personage. Hij houdt van seksuele machtsspelletjes. Zijn (on)lusten kan hij botvieren op Lena, die hij met enige regelmaat 'bestelt' voor betaalde seks. Ze laat zich door hem aftuigen en verlaat hem steevast met rode striemen op haar achterste. 'Bye. Yes, see you next time. No more hard sex, not that hard.’ […] 'Ik moffel een fooi in haar tasje. Ze bedankt er niet voor. Ze heeft er hard genoeg voor gewerkt.'

De vrouwen lijken complementair als de heilige drie-eenheid; maagd, moeder en vrouw. De drie-eenheid die tevens terugkomt in zijn ex en twee dochters. Dit wordt nog eens versterkt wanneer Breukers het religieuze aspect naar voren brengt.

'Waarin geloof ik? Kan ik, zonder ironie, zeggen dat ik geloof? Durf ik dat zonder ironie te zeggen?'

De ironisch, spottende manier van schrijven houdt het verhaal voor een deel luchtig, waardoor er af en toe wat mededogen voor Meerman aan de horizon gloort. Met name in de delen waarin zijn dochters ten tonele worden gebracht, komt zijn onvoorwaardelijke liefde naar voren.

Niet alleen 'zijn' vrouwen hebben een rol gekregen. Ook het vader-zijn neemt een belangrijke plaats in, wanneer zijn eigen vader komt te overlijden. 'Ik ben, sinds hij dood is, verlamd.'

'De herinneringen aan mijn vader lijken op een heelal.' […] 'Een heelal dat straks, nog steeds zonder geluid, zal imploderen en verdwijnen, tot een zwart gat zal samenklonteren. Van zwarte gaten heb ik geen verstand. Misschien omdat ik er al in zit. Of er een ben.'

Breukers toont zich in zijn aforistische roman geen auteur die metaforen gebruikt, eerder zet hij motieven in, zoals bijvoorbeeld zijn gestreken overhemden en de vader-zoonrol.

Zoals het motto aangeeft; 'Fragments... pieces... of a man', is Praag aan zee fragmentarisch opgebouwd en deels voorzien van cursieve druk, waarin Meerman zich richt op de flarden van zijn gedachten en herinneringen. Als tegenhanger van de harde scènes weet Breukers, die bekend staat als snedig en scherp, ook ontroerend uit de hoek te komen wanneer hij, met zijn lyrische taalgebruik, zijn eigen rol als vader tegen het licht houdt en zelfs even surrealistische toetsen beroert.

De roman nodigt uit tot herlezen en herkauwen, om te trachten steeds een beetje meer begrijpen van wat de complexe Meerman drijft.

Titel: Praag aan zee
Auteur: Chrétien Breukers
Pagina's: 128
ISBN: 97899493186538
Uitgeverij Vleugels
Verschenen: maart 2022

zondag 20 februari 2022

Otto de Kat - Het uur van de olifant

Recensie door Eric Waut
Uitgeverij Van Oorschot


De gruwelen van het herbeleven van een oorlog 

'Eindelijk hoorde hij schieten. Het was begonnen, ze zouden overlopen worden. Thuis sliepen zijn moeder en broer nu waarschijnlijk.'


Een oorlog begint, maar eindigt nooit. Nadat de wapens zwijgen en de puinhopen liggen te smeulen, moet de geschiedenis worden opgetekend of dient deze te worden herschreven. Het verwerkingsproces begint voor de soldaten en de bevolking. Niet iedereen slaagt erin de ellende te vergeten. Posttraumatische stress is nu algemeen aanvaard, al blijven de gevolgen voor de persoon in kwestie en zijn omgeving vrij ernstig.

In de roman Het uur van de olifant wordt het verhaal verteld van zo’n verwerkingsproces. Maximiliaan Christiaan 'Max' Van Oldenborgh en Wilhelmus Arnoldus 'W.A.' van Oorschot zijn twee oud-officieren die hebben gediend bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Dit was het Nederlands koloniale leger in Nederlands-Indië, het huidige Indonesië. Ze dienden er tijdens de zogenaamde Atjeh-oorlog (1873-1914); een koloniale oorlog die het Koninkrijk der Nederlanden voerde met het aanvankelijke oogmerk om de zeevaart door de Straat van Malakka te beveiligen tegen zeerovers. Later was het doel het Sultanaat Atjeh onder Nederlands koloniaal gezag te brengen en te houden. (*)

Na hun terugkeer van de oorlog hebben beiden ogenschijnlijk zo hun manier gevonden om het verleden een plaats te geven. Max, die gewond terugkeert, wordt burgemeester van een dorp op het eiland Texel. Ver van het oorlogsgeweld gaat hij op in de dagdagelijkse ambtelijke beslommeringen en heeft ogenschijnlijk een zorgeloos leven met zijn gezin. Zijn vrouw, Johanna 'Roy' ’t Hooft, is duidelijk zijn steun en toeverlaat. W.A. daarentegen lijkt in opstand te komen tegen het optreden van Nederland in Atjeh. Onder het pseudoniem 'Wekker' heeft hij een reeks vernietigende artikelen gepubliceerd in een krant, waarbij het optreden van het leger tegen de lokale bevolking aan de kaak werd gesteld. Deze pamfletten zorgden uiteraard voor grote opschudding. Tot in de Tweede Kamer. Het stilzwijgen over het optreden van het leger werd hiermee doorbroken. Doet een beetje denken aan Multatuli.

In de zomer van 1909 ontmoeten deze vrienden elkaar opnieuw op het eiland Texel. Tijdens dit bezoek bespreekt Roy haar ongerustheid met W.A. Zeer openhartige gesprekken die een langzame opbouw krijgen wanneer ze ook over haar eigen jeugd begint te vertellen. Het verhaal van de liefde voor haar broers die zo mooi is doorgegroeid naar haar man. Haar noodkreet is dan ook zeer aangrijpend.

'Soms maak ik me grote zorgen om hem. In zo’n nacht waarin hij versteend wakker ligt nadat hij die droom heeft gehad, altijd diezelfde droom.'


En zo komen er dan gesprekken tussen de twee vrienden over de oorlog. Max moet daarbij bekennen dat hij met twijfels zit over iets wat zou zijn gebeurd aan het front, iets ergs waaraan hij heeft deelgenomen. Evenwel kan hij zich dat niet meer exact herinneren. Het lijkt allemaal te gruwelen ver van hem af. Op aansturen van zijn vriend en Roy neemt hij de moedige beslissing een zogenaamde 'zenuwarts' te gaan opzoeken bij wie hij als het ware in therapie gaat. Zeer uitzonderlijk voor die tijd. Zo ontdekt hij wat hem al jaren ’s nachts achtervolgt. Het echte verwerkingsproces kan alzo eindelijk beginnen. Dit heeft tijd, onderzoek en waarheid nodig. Net als een natie haar verleden dient te onderzoeken en aanvaarden.

Voor W.A. verloopt het herstel van de oorlog anders. De woede die hem beproeft, heeft hij voor een deel van zich kunnen afschrijven. Maar het is echter geen gewonnen strijd. Verder herstel lijkt hij te willen bekomen door een definitieve terugkeer.

Dit is een boek dat handelt over het omgaan met het verwerken van het oorlogsverleden. Als individu en als natie. Het is weliswaar een blik op een koloniale oorlog die momenteel in de literatuur de nodige aandacht heeft gekregen, maar kan even goed over eender welke oorlog gaan. Het vormt tevens een aansporing om met open vizier naar het verleden te kijken. Oorlog is gruwelijk en brengt het slechtste in de mens naar boven. En niet alleen voor de soldaten aan het front, maar ook voor de familie die achterblijft of net als Roy getuige zijn van het herbeleven door hun geliefden van de gruwel aan het front. Het lijkt alsof Max dit beseft wanneer hij bij de herdenking van reddingsoperaties van gestrande schepen als burgemeester – zoals het een leider past om bij herdenkingsmomenten zijn toehoorders tot bezinning aan te zetten – deze mooie woorden weet te vinden.

'Achterblijven met angst is ook dapper.'


Het personage W.A. van Oorschot, alias ‘Wekker’, heeft blijkbaar echt bestaan. Maar er is niet veel over hem bekend. Met dit boek wordt deze klokkenluider als het ware in ere hersteld. Voor Max Van Oldenborgh stond de grootvader van de auteur model. Ook sommige andere personages hebben echt bestaan.

Een zeer degelijk geschreven roman. Een onderwerp dat mij tot op heden weinig bekend was.

Geraadpleegde bron

(*) https://www.nederlandsekrijgsmacht.nl/index.php/militaire-zaken/143-onderdelen-nederlandse-leger/koninklijk-nederlandsch-indisch-leger/expedities-van-het-knil/knl-expedities-tussen-1873-en-1950/277-atjeh

Over de auteur

Otto de Kat (1946), pseudoniem voor Jan Geurt Gaarlandt, is een Nederlandse auteur. Hij was directeur van uitgeverij Balans en voorheen literair criticus. Zijn eerdere romans zijn vertaald in het Duits, Engels, Frans, Italiaans en Zweeds.

Titel: Het uur van de olifant
Auteur: Otto de Kat
Pagina’s: 224
ISBN: 9789028213043
Uitgeverij Van Oorschot
Verschenen: januari 2022

vrijdag 11 februari 2022

Daan Cartens - Mijn vriend herinnering

Recensie door Dietske Geerlings
Uitgeverij Kievenaar


'Blijf dan ridderen in mijn hoofd, liefste’

‘Voordat je de wereld verlaat, sta dan op en verlaat nog eenmaal het bed, ga van kamer tot kamer en werp je blik in elke kamer op de deuren en ramen, de tafels en hoeken, de kalk op de muren en ga dan weer liggen. Jouw plek zal blijven.’ 


Dit is, in vrije vertaling uit het Duits, het motto van Joachim Sartorius, waarmee de bundel Mijn vriend herinnering van Daan Cartens begint. Het is de stap voor het verdwijnen, die uitgerekt wordt, die maakt dat je blijft. Het proces van herinneren heeft baat bij herhaling. Het wonderlijke in het motto is echter dat niet degene die de herinnering koestert, nog eenmaal door het huis gaat, maar degene die straks herinnerd zal worden, alsof je bij het heengaan de herinnering voor de ander alvast kunt vastleggen, door heel nadrukkelijk nog even alles langs te gaan.

De eerste afdeling van de bundel heeft dezelfde titel als de hele bundel en bevat achttien gedichten die stuk voor stuk de grenzen van de herinnering aan een overleden geliefde aftasten. De steen waaronder de geliefde ligt, is hard en definitief, maar het hart van de geliefde lijkt nog te kloppen in de ik. Doof voor de woorden van anderen, luistert hij alleen nog naar de stem van de herinnering die hem elke nacht aanroept. De stenen komen steeds weer terug: ‘Bij stenen leef ik, allerwegen / het pad des doods’. De ondoordringbaarheid van de steen, de hardheid ervan staat in contrast met de herinnering die nog leeft, hart heeft en stem: ‘Bij de liefste blijven hart en / gebeente en stemmen, altijd / stemmen rondom je steen’.

Verder leven is een voortdurende slingerbeweging tussen het verlangen de dode geliefde zo dicht mogelijk te naderen, en kiezen voor het leven, tussen de schuif van een schop in de aarde, of de bloei en bloesem:

'Dat ik, zoals jij, dood
en begraven, diep gekelderd
ben, het zal me behagen,
want dichter bij jou, maar
hoe diep is dit naderen,
de schuif van een schop, van
aarde voor bloei en bloesem,
het zachte van stemmen, je stem –'


In die worsteling is er troost te zoeken bij lotgenoten, zelfs uit het verre verleden, zoals de auteur van het Egidiuslied, in ‘Jij die de zomer koos / om mij het leven te laten’, maar misschien zelfs de mystica Hadewijch, die met haar beroemde Natureingang in diverse gedichten haar ellendige situatie spiegelde aan de natuur. In eenzaamheid verlangde zij naar eenwording met de onbereikbare. Ook in Cartens’ poëzie is de kou uit de winter voelbaar in het dode lichaam van de geliefde, want als ‘de winter is gekomen / ben jij van koude grond / en keldergruis, van bloedarme / verstijving.’ Wat kan de ik hier anders tegenoverstellen dan de geliefde bedekken ‘met veren van het dunste schrift?' Het verdriet van de ik ligt verankerd in het diepste lijden dat in het christendom gesymboliseerd wordt door het kruis op Golgotha: hij wil de steen wegrollen, maar ‘niet op Stille Zaterdagen’, hij wil de rots splijten, en ‘de blik zet zich vast op de muren van dit Golgotha.’ De poëzie schrijnt en ontroert in elke regel.

Cartens poëzie is muzikaal. In ‘Mantra’ zorgt de herhaling van ‘lumen de lumine’ voor een meeslepende cadans, waarin het verlangen naar het licht voelbaar is, alsof de dichter de dood aan het bezweren is en ritmisch zijn geliefde nadert. Ook ‘Dansante’ is een sterk ritmisch gedicht waarin onwankelbare vrouwen in het zwart achter de baar gaan. Als de dichter met de beelden en het ritme niet al overrompelt, dan wel met woorden als kazuifel, hartwindsel, keldergruis, nachtasiel, dodentred, en pauwenkussens.

Na de eerste afdeling volgen nog vier kleinere: ‘Radslag tijd’, ‘Ach Berlijn’, ‘Tijdgenoten’ en ‘Envoi’. ‘Radslag tijd’ begint en eindigt met een dialoog, die de ervaring van een déjà vu oproept. Soms kun je een gesprek voeren dat lijkt op een gesprek dat je eerder hebt gevoerd. Je weet misschien niet meer met wie, en waar. De tijd heeft een radslag gemaakt. In ‘Ach Berlijn’ komen diverse Berlijnse plekken langs, zoals de dierentuin, het Holocaust Monument en de Muur.

De bundel staat vol juwelen van regels, die je vast zou willen houden, en die daarom uitnodigen om de bundel te herlezen: ‘de hand maar zoeken blijft / naar pen, brillen en hart - / de tikkende specht elk uur / in wikkende stilte hapert.’

Het mooist blijft de eerste afdeling, waarin de slingerbeweging tussen verlangen en berusten het ene moment hoogdravend, het andere moment eenvoudig ontroert in ritme en klank:

 

'Als je –
als je er dan toch niet meer
bent, blijf dan ridderen
in mijn hoofd, liefste,
het dagelijks gekletter te lijf,
dat is je toevertrouwd, als je,
als je er dan toch weer bent,
neem mee wat me bevreemdt,
spuugsel waar ik omheen
moet stappen, houten afbraak,
gebroken deernis. En, als je
toch bezig bent, ruim het pad,
de tuin, de kamers leeg, veeg
wat hondenhaar van treden,
maar laat ons, laat ons hart
onverlet.' 


Eerder verschenen op Tzum

Titel: Mijn vriend herinnering
Auteur: Daan Cartens
Pagina's: 64
Uitgeverij Kievenaar
ISBN: 9789083046747
Verschenen: oktober 2021