vrijdag 6 december 2019

Albert Cossery - Grote dieven kleine dieven

Duorecensie door Truusje en Philipp van Ekeren
Uitgeverij Jurgen Maas



Dief van de toekomst

De Egyptische Albert Cossery (1913-2008) schreef zijn sluitstuk aan het einde van de negentiger jaren en het verscheen in 1999 onder de titel; Les Couleurs de l'infamie. Uitgeverij Jurgen Maas bracht het onlangs uit als Grote dieven kleine dieven.

Het decor van deze kleine roman is de stad waar de auteur zijn jeugd heeft doorgebracht; al-Kahira, het hedendaagse Cairo dat door een snelle expansie van het aantal inwoners, navenante toename van het verkeer en de bouw van luxe villa's en beleggingspanden onherroepelijk van karakter is veranderd.

'In de zwaar vergiftigde atmosfeer raasden auto's voorbij al stuurloze projectielen, zonder acht te slaan op de stoplichten, en veranderden zo voor de voetganger iedere wens om de straat over te steken in een zelfmoordpoging. Langs de door de reinigingsdienst verwaarloosde verkeerswegen spreidden gebouwen die gedoemd waren binnenkort in te storten (en waarvan de eigenaars al lang iedere bezitterstrots hadden laten varen) op de gammele balkons en terrassen de kleurige lompen van de armoede uit als overwinningsvlaggen.'

Te midden van deze chaos, waar hoertjes lonken naar hun klanten, kinderen in hun blootje - op zoek naar verkoeling - door het bedorven water uit gesprongen rioolbuizen banjeren en armelui in lompen gehuld het straatbeeld vormen van het oude centrum, waar menig gebouw op instorten staat door ondeugdelijke bouw, voltrekt zich een gebeurtenis die aan zo'n vijftig mensen het leven kost.

Dit alles wordt gadegeslagen door Oessama, een drieëntwintigjarige dromerige, flamboyante en in eersteklas kleding gehulde zakkenroller. Door zijn extravagante en zwierige stijl van kleden kan hij zich onopgemerkt bewegen tussen de rijkelui in de wijken die bevolkt worden door notabelen. Zo heeft de ervaring hem geleerd. Hij ziet zijn diefstallen als terugvordering van gewetenloze schurken die hun rijkdom vergaren over de ruggen van minderbedeelden. 'Zijn beroepsethiek verbood hem om zijn beroep uit te oefenen onder de armen'.
Hij besteelt de rijken met een schoon geweten, omdat hij het geld weer spendeert in de winkels van de armen, opdat deze niet aan een faillissement ten onder zullen gaan. Cossery lijkt hier een beeld te scheppen van zichzelf. Ook hij kleedde zich het liefst als een dandy en liep graag te lanterfanten door de stad of voegde zich in koffiehuizen bij existentialisten en surrealisten.

Wanneer Oessama een portefeuille rolt van de projectontwikkelaar Soelaiman, treft hij hierin een brief aan, waarin hij leest dat deze verantwoordelijk wordt gehouden voor de vijftig doden door het instorten van een gebouw met sociale huurwoningen. Het epistel maakt de geadresseerde duidelijk dat hij niet meer hoeft te rekenen op de steun van de briefschrijver, zijn partner in crime, wasgetekend de broer van de minister van Openbare Werken.

'Hij herlas de brief een paar keer met een meedogenloze voldoening tot hij begreep dat hij een bom in handen had maar niet wist hoe hij die tot ontploffing kon brengen.'

Oessama gaat te rade bij Nimr, zijn leermeester in het dievengilde. Tezamen dalen ze af naar een van de dodensteden, waar Nimr's vriend uit zijn gevangenistijd - de intellectuele Karamalla - zich heeft verschanst in een familiemausoleum en zich, vervuld van geluk, in de nabijheid voelt bij zijn overleden ouders.
Gedrieën beramen ze een plan en er volgt een nachtelijke ontmoeting met Soelaiman, die door het drietal stroop om de mond wordt gesmeerd. Maar de vastgoedman is er vanzelfsprekend op gebrand om de belastende brief terug te krijgen.

Cossery's warmhartige stijl is die van veel bijvoeglijke naamwoorden, bloemrijke beschrijvingen en met humor doorspekte zinnen die wisselen van tongue-in-cheek tot grimmig en spottend. De opzet van de roman is to-the-point en zonder oeverloze uitweidingen speelt hij het klaar om de lezer voldoende stof te geven voor een compleet verhaal. Het resultaat is een charmant, soms venijnig, maar zéér goed verhaal over de verdorvenheid van een corrupte maatschappij, van de auteur met een 'gezonde woede tegen de domheid van de wereld' en het leven zag als 'een rijke bron van verwondering en plezier'.

Zijn grootste (on)deugd was genieten van het nietsdoen, echter niet te verwarren met luiheid, zo zei hij zelf. Om een boek te voltooien had hij veel tijd nodig. Kieskeurig en veeleisend als hij met betrekking tot zijn schrijfwerk was, schreef hij soms lange tijd niet of slechts weinig, omdat hij lang zocht naar de juiste woorden en inspiratie kreeg door wat hij zag en hoorde op straat. Veel tijd kon hij besteden aan het observeren van de mens. De laatste zestig jaar van zijn leven bracht hij door in een Parijse hotelkamer, waar hem alle huishoudelijke beslommeringen uit handen werden genomen, precies zoals hij dat het liefste had.

Dat de eigenzinnige auteur een bescheiden oeuvre bij elkaar schreef - een verhalenbundel en zeven romans - verklaart de vertaler Mirjam de Veth in het informatieve nawoord, waarin Cossery weer tot leven komt.
Voor hem was het zo klaar als een klontje dat Grote dieven kleine dieven zijn laatste werk was. Hij was klaar en besloot dit werk met één woord; Einde.

Liefhebbers van Cossery´s kleurrijke proza kunnen uitkijken naar een volgend vertaald werk van zijn pen. Bij Jurgen Maas zal in mei 2020 De luiaards in de vruchtbare vallei verschijnen. Evenals Grote dieven kleine dieven zal deze verschijnen in de nieuwe aanbieding van Schwob.

Truusje




Vrolijkheid als overleven

Door de lovende beoordelingen in de Nederlandse pers werd mijn nieuwsgierigheid gewekt naar de novelle Grote dieven kleine dieven van de schrijver Albert Cossery. Ook omdat ik nog nooit een boek van een Egyptische schrijver had gelezen. Ik ben blij dat ik deze keuze heb gemaakt. 

Een klein verhaal, humoristisch, verfijnd en onderhoudend met een tijdloos thema: diefstal. Honderddertien pagina's smullen van werkelijk schitterende zinnen. Verpakt in poëtische en bloemrijke taal worden veel zaken razendscherp uit de doeken gedaan. Neem nu de beschrijving van de Notabelenclub in Caïro waar de zakkenroller zit te wachten om toe te slaan:

´Al meerdere malen was dit hol van de handelsaristocratie voor de jongeman een bron geweest van lucratieve individuele terugvorderingen

Of de beschrijving van een mausoleum waar één van de hoofdpersonen noodgedwongen in woont:

´[...] en hij was de architect dankbaar die dit grafmonument had ontworpen met de benepen fantasie van een politieambtenaar.´

Nog zo'n pareltje: ´Waar een oud gebouw stond dat nog enkele sporen bezat van zijn luisterrijke architectuur, zoals een door de jaren getekende courtisane bij wie ondanks de rimpels nog de povere resten van haar vervlogen schoonheid zichtbaar waren.´

Of: ´De domheid van zo nabij mee te maken is een wonderbare verrijking voor de geest.´

Ik kan wel eindeloos doorgaan. Deze  zinnen toveren steevast een glimlach op mijn gezicht. Wat mij in dit boek ook heeft bekoord is de samensmelting van de Franse en Egyptische wereld. In één pennenstreek worden personen tot leven gebracht terwijl de dialogen, geheel volgens cultuur, nooit uitgesproken en direct worden. Eerbied en respect naar de naasten tegenover verachting naar de corrupte machthebbers.

De kleine dief, Oessama, de hoofdpersoon van het verhaal ziet zichzelf niet als crimineel, neen, hij is er zelfs trots op dat hij zo goed is geworden, mede dankzij zijn eigen tactiek. Hij is dan wel het mannetje maar heeft toch wel een hart van goud. Daar komt de lezer achter door zijn gesprek met het jonge hoertje Safiera. Verder komen er maar drie anderen in beeld; zijn goedlachse leermeester Nimr, de journalist Karamalla, een Edward Snowden avant la lettre en Atif Soelaiman, de grote dief. Juist deze combinatie van persoonlijkheden, de eerste drie die alleen maar plezier hebben in het tarten van de corruptie en de elite tegenover de nietsontziende aannemer Soelaiman.

Het nawoord van de vertaalster Mirjam de Veth, over het leven van de schrijver, is erg verhelderend. Hieruit blijkt dat de prachtige zinnen in dit boek zijn ontstaan door noeste en langdurige arbeid. Dat dit werk van 'de Voltaire van de Nijl' door de Nederlandse vertaling niet aan kracht heeft ingeboet moet wel door de geweldige vertaling komen. Hiervoor verdient Mirjam de Veth zonder meer lof. Dit verhaal heeft recht op veel lezers. Ik kan het in ieder geval iedereen aanraden.

Philipp van Ekeren

Titel: Grote dieven kleine dieven
Auteur: Albert Cossery
Oosrpronkelijke titel: Les Couleurs de l'infamie
Vertaling: Mirjam de Veth
Pagina´s: 122
ISBN: 9789491921650
Uitgeverij Jurgen Maas
Verschenen: mei 2019

donderdag 5 december 2019

Chris Kraus - I love Dick

Recensie door Roosje
Uitgeverij Lebowski



Het post-moderne huwelijk: de Amerikaanse Liaisons dangereuses*

Bijschrift toevoegen
De eerste roman van de Amerikaanse Chris Kraus is een staaltje van Amerikaans post-modernisme, denk ik. Zo beschouw ik het tenminste. Dus ik zet meteen de toon: een roman die lastig in een hokje te plaatsen is. Een fictionele briefroman, zou je ook kunnen zeggen, of een autobiografische brievenroman met een grote nadruk op het genre ‘sleutelroman’ en met een sterk fictioneel karakter.

Wat is het verhaal? Op een dag begin december 1994 maakt Chris kennis met Dick Hebdige, een collega van haar veel oudere echtgenoot Sylvère Lotringer. Sylvère en Dick zijn intellectuelen en hoogleraar (al betekent dat in de USA heb ik het idee, iets anders dan bij ons) en kennen elkaar wel. Chris is een filmmaakster van experimentele films en een stuk minder intellectueel. Het echtpaar gaat met Dick mee naar huis in Antelope-woestijn in California en brengt er de nacht door. Tussen Chris en Dick ontstaat er een heftig oogcontact, dat te duiden is als een flirt. Er gebeurt echter niets. De volgende morgen is Dick verdwenen en Chris en Sylvère druipen een soort van af. Chris bekent haar man direct dat zij verliefd geworden is op Dick. Sylvère en zij hebben al geruime tijd geen seks meer. Het vuur is er een beetje uit. Wel hebben ze een goed contact, ook intellectueel, al is Chris een nieuweling op dat pad. Cultuur, kunst, filosofie en beschouwing over de cultuur, maatschappij, erotiek, en het individu, de vrouw, de man, het lichaam e.d. zijn hun gespreksonderwerpen.
De verliefdheid op Dick port het vuur echter weer op, dat geeft aan hun fysieke relatie een nieuwe impuls.

Aangezien ze geen seks meer hebben, onderhouden ze hun intimiteit door deconstructie, dat wil zeggen, door elkaar alles te vertellen.’ (2006, 17).

Maar Dick reageert niet op de brieven en faxen die Chris hem stuurt (o, nu weet ik door wie Nicolien Mizee geïnspireerd werd met betrekking tot haar faxen aan Ger, ;-)). Sylvère belt hem af en toe en krijgt hem niet vaak aan de lijn, zo af en toe. Omdat Dick niet reageert en wel zo ongeveer de belangrijkste partij is in deze marriage à trois, fungeert hij als het blauwe scherm van de film of het witte doek van een schilder. Op dit blanke scherm kan van alles geprojecteerd worden. Niet alleen schrijft Chris brieven, Sylvère doet dat evenzeer. En ook corrigeren ze elkaars brieven en praten erover.

Het boek bestaat uit brieven, faxen, gesprekken tussen Sylvère en Chris, korte
beschouwingen, langere beschouwingen over allerlei onderwerpen en over dagelijkse toestanden.
Soms doet Chris dingen stiekem, of schrijft ze heimelijk, maar altijd komt Sylvère er weer achter en dat is natuurlijk reden om met elkaar in discussie te gaan. Ruzies tussen hen zijn er wel, maar hebben niet de overhand. Dick is hun postiljon d’amour.

Joan Hawkins die achterin het boek deze roman van een uitleiding heeft voorzien meent dat Sylvère eigenlijk heimelijk ook een crash had op Dick. Door opnieuw seks te hebben met zijn vrouw heeft hij dat ook met Dick. Sylvère zelf houdt vol dat het een ménage à deux is, maar hij ironiseert.
Hoewel ze beiden een afkeer van de psychoanalyse hebben - die van Freud; iemand als Lacan heeft ongetwijfeld wel een plaatsje in hun kring veroverd -, de persoonlijke, individuele complexen en trauma’s vliegen je om de oren. Beiden zijn joods. Sylvère’s moeder, die nog leeft, in Parijs, en hij hebben de Holocaust overleefd.
 
Omdat Dick zo distant blijft, verandert de inhoud van dit boek. Langzamerhand verandert het brievenboek in een soort dagboek, al krijgen overpeinzingen en later ook nog verhalen en anekdotes over anderen de overhand.

Voor een deel is dit ook een intellectueel boek. Vele filosofen komen voorbij, veel Franse: Roland Barthes, Baudrillard, Deleuze, Bataille, Julia Kristeva, etc. Maar ook mensen als Hannah Ahrend, Simone Weil, Habermas, de Franse antropologen Marcel Maus en Durckheim** zelfs, Marcel Proust en een hoop Amerikaanse schrijvers en moderne denkers, die ik niet ken. Zo is deze roman een heel erg Amerikaanse roman, voor een intellectueel Amerikaans publiek. Kierkegaard en de Ramones een New-Yorkse punkband).

Voor een deel is dit ook een boek waarin Chris zichzelf onderzoekt. Ze is op het moment dat zij Dick ontmoet, 39 jaar en begint zich oud te voelen. Vreemd is dat eigenlijk. Haar man is 56 jaar en heeft al een kunstheup, heeft last van impotentie (al staat het er niet zo, geloof ik). Waarom zou je je als vrouw dan op de drempel van de ouderdom voelen? Maar anderzijds bewonder je je haar eerlijkheid. Ze voelt zich vaak een ‘suffe kut’. Chris onderzoekt zichzelf als vrouw. Hier komt er een flinke dosis feminisme om de hoek kijken. Ze is niet het type vrouw waar mannen snel op vallen. Ze is niet mooi genoeg, niet rond genoeg (ze is nl. zelfs licht anorectisch), niet ‘femme’ genoeg. Volgens mij is zij ook licht biseksueel. Ze noemt in ieder geval vrouwen met wie zij een relatie gehad heeft maar ze wijdt er niet veel over uit. In deze roman is ze natuurlijk geobsedeerd en gefixeerd door de mannen in haar leven.
Dat feminisme van Kraus is niet heel erg fanatiek en activistisch. Dit boek, dat na de helft meer een dagboekvorm krijgt, gaat over haarzelf en haar reflecties over zichzelf.

‘’Wat er nu tussen vrouwen gebeurt is het meest interessante ter wereld, want het is het minst beschreven’’, schrijft Chris op het eind van het boek aan Dick (ib.: 213)

Op het eind voelt Chris zich door twee mannen afgewezen, een producent die haar films afwijst en Dick die haar seksueel afwijst, hoewel ze haar werk ‘dapper’ en ‘intelligent’ vinden. Een blauwkous dus, heette dat vroeger.

Intellect en lichamelijkheid zijn heel andere dingen, ze lijkt op zeker moment aan lezen de voorkeur te geven boven seks: ‘Lezen maakt een belofte waar die seks in de lucht houdt, maar bijna nooit kan waarmaken.’ (ib.: 202 Bij herlezing vind ik de geciteerde zin ambigue, maar uit de context van het boek begrijp ik dat lezen het primaat heeft.)
Alles in deze roman heeft vele kanten, de twee kanten van de medaille zijn niet eens genoeg. Chris realiseert zich ook dat Dicks niet reageren of misschien ook wel zijn afwijzing van haar, juist erotiseert en haar energie doet oplaaien.

Overigens was Dick in real life niet gecharmeerd van Kraus’ roman en hij heeft geprobeerd de publicatie tegen te houden. (Dom, denk ik, niet doen, daarmee vestig je alleen maar de aandacht op jezelf, en laat je zien wat een loser je in werkelijkheid bent, maar dat vind ik; ik heb geen reputatie te verliezen)

Geen makkelijk boek, geen lekkere roman waar je bij kunt wegdromen, is dit. Wel een voorbeeld van Amerikaans post-modernisme, denk ik. De hybride vorm wijst ook op post-modernistische trekken: is het boek een brievenroman, een autobiografie, een sleutelroman, een essay? Het is gewoon van alles wat.

De term post-modernisme is niet makkelijk te duiden. Een paar zaken wil ik noemen. Het ontkennen van de waarheid en van de werkelijkheid, of in ieder geval de erkenning dat er niet maar één waarheid en één werkelijkheid bestaat. Er bestaat alleen zoiets als een persoonlijke reactie op de werkelijkheid zoals die door een individu ervaren wordt. Ik zeg maar een beetje op zijn jan-boeren-fluitjes. Dat betekent dat er ook niet maar één vorm bestaat, voor een boek, een schilderij, welke kunstuiting dan ook. Voor de literatuur betekent dat onder andere een veelvuldig gebruik van ironie, van absurdisme, en vooral van intertekstualiteit (volgens mij komt de laatste opvatting vooral uit Franse hoek). En een ‘goede verstaander, ‘een goede lezer’ ziet direct overeenkomsten met de eigen literatuur, romans, kunst e.d.).
Een interessant fenomeen, het post-modernisme, dat alleen zo genoemd wordt omdat het het ‘modernisme’ opvolgt; het niet is zozeer een reactie op het modernisme.***

Een hartstochtelijke verwijzing naar I love Dick kwam ik tegen in de nieuwe roman van Siri Hustvedt, Herinneringen aan de toekomst, ook een autobiografische roman, waarin ze focust op haar eerste jaar in New York, dat in overweging neemt en haar verwachtingen en ervaringen back and forth in beschouwing neemt. Evenmin een lekker wegdroomboek. Later kwam ik de roman van Chris Kraus nogmaals tegen maar ik weet niet meer bij welke auteur. Het moet welhaast een vrouw geweest zijn.
Ik denk dat romancier Rachel Kushner ook wel beïnvloed is door Chris Kraus.

Een uitermate boeiend en diepgaand boek. Voor de liefhebber. En voor als je weer eens wat anders wil lezen. Van harte aanbevolen.


* Een roman van de Fransman Choderlos de Laclos, 1782; een erotische brievenroman. Niet zozeer seksueel als wel toegespitst op het liefdesverovering-spel.

** Franse cultureel antropologen waren altijd wat meer filosofisch en theoretisch ingesteld dan hun Amerikaanse collegae.

*** Postmodernisme is de overkoepelende naam voor een cultuurstroming die een reeks van filosofische standpunten en esthetische stijlen in de kunst sinds eind jaren 1950 betreft. In de filosofie ligt daaraan ten grondslag het geloof dat alle menselijke kennis limieten kent en cultureel bepaald is, zodat er geen meta-standpunt bestaat dat zonder filter toegang tot de zuivere waarheid biedt. In de kunsten gaat het om een principieel eclectische stroming die het onderscheid tussen lage en hoge cultuurproductie veronachtzaamt en zich bedient van ironische of anarchistische combinaties van elementen uit verschillende stijlperioden, stromingen, genres, media en technieken die voorheen onverenigbaar werden geacht.
Postmodernisme wordt gezien als een reactie op het modernisme, als een voortzetting in radicaliserende zin van het modernisme, en ook als een combinatie van beide, want het gaat zowel om een fase van de modernistische rebellie tegen traditionalisme als om een fragmentarische opvolger daarvan met een nieuwe boodschap. Chronologisch gezien sluit de postmoderne wereldbeschouwing niet aan op het modernisme, maar volgt op het existentialisme en absurdisme.[3][4]
Postmoderne kunst- en literaire werken kenmerken zich door de veelal ironische combinatie. Onder invloedrijke postmoderne denkers zijn Jean Baudrillard, Jacques Derrida, Michel Foucault, Martin Heidegger, Julia Kristeva, Jean-François Lyotard en Richard Rorty. (Wikipedia)

Bron

De auteur

Chris Kraus is experimenteel filmmaker, schrijver en de uitgever van de Native Agents-reeks van uitgeverij Semiotext(e). Naast essays, voornamelijk over kunstkritiek, schreef Kraus de romans Aliens & Anorexia, Torpor enSummer of Hate. I Love Dick heeft de laatste jaren een cultstatus gekregen onder critici en schrijvers, en wordt nu eindelijk ontdekt door het grote publiek.(bron)

Titel: I love Dick
Auteur: Chris Kraus
Vertalers: Evi Hoste, Anniek Kool
Uitgever: Lebowski
Jaar van uitgave: 1997, 2016
Aantal pp’s: 272
ISBN: 9789048833603

dinsdag 3 december 2019

Anton Valens - Chalet 152

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact

*wel een spoilertje hier en daar*

De hellevaart van Djoeke of de microkosmos van een loser

Motto 
‘Meester Si, Meester Yu, Meester Li en Meester Lai zaten met z’n vieren te praten, en ze zeiden tot elkaar: “Wie kan het niet-zijn beschouwen als zijn hoofd, het leven als zijn ruggengraat en de dood als zijn kont? Wie beseft dat dood en leven, het bewustzijn en het onbewuste één lichaam zijn? Die zal onze vriend zijn!”. De vier keken elkaar aan en barstten in lachen uit.’-Uit Zhuang Zi - De volledige geschriften, vertaald door Kristoffer Schipper (2019: 5)

Oei, dat lijkt wel een orakelprofetie van een gedrogeerde Pythia! De lezer zij gewaarschuwd: zij die dit verhaal binnengaan weten wellicht niet wat hun te wachten staat. Hellevaart of non-dualiteitservaring. Lees en huiver, of valt het toch nog wel mee? Lees en huiver én het valt mee.

Op zekere dag vraagt zijn oom aan zijn neef Djoeke van ’t Hull, een 32-jarige werkloze drop-out zonder woon- of verblijfplaats, of hij het chaletje van hem en tante wil bewonen, zolang de tante ziek is, omdat oom geen tijd heeft het te onderhouden. Djoeke heeft niets beters te doen en neemt het aanbod aan. In november vertrekt hij naar camping ’t Ezeltje, nabij een badplaats aan zee.

‘Een van de eigenaardigheden waarvoor de schilder van lantaarnpalen zich gesteld ziet is dat hij bij voortduring tegen het licht inkijkt. Ook als ze niet branden is dit het geval - want zelfs bij bewolkt weer staan ze betrekkelijk donker afgetekend tegen de hemel. En nog lange tijd na zijn verblijf op ’t Ezeltje, een vakantiepark, wordt Djoeke van ’t Hull aan deze wetmatigheid herinnerd: wanneer zijn ogen droog en vermoeid zijn verschijnt vanzelf het zinnebeeld van een matzilveren lantaarnpaal op zijn netvlies. Direct gevolgd door het veroverende gezicht van Audrey.’ (ib.: 7)

Audrey is de Pythia, in zekere zin; Djoeke is de lantaarnverver, niet te verwarren met de lantaarnopsteker uit een liedje van Boudewijn de Groot - want daar ligt mijn instant associatie - en de trooster van Audrey, in zekere zin. De lantaarns, het schilderen daarvan, nemen de plaats in van zijn eenzame masturbatieavonturen. Djoeke komt zijn chaletje uit, doet iets voor de medemens, leert mensen en park kennen en stalkt vooral Audrey. Nu ja, stalken is het niet helemaal maar Djoeke wil graag weten wat zij uitspookt.
Audrey en lantaarnpalen; een zekere fallische symboliek ontbreekt hier - vanzelfsprekend veronderstel ik - niet.

Het verhaal bestaat grotendeels uit een ayahuasca-sessie, trip of hoe je het ook noemen wilt. Het sjamanistische ritueel en de spirituele reis worden door Audrey opgezet. Zij is een kunstenaar en sjamaan, al blijkt dat laatste niet erg uit haar levenswandel. Dat wil zeggen: ik weet eigenlijk niet hoe een sjamaan zich hoort te gedragen; ik denk als een wijze. Zijn de vier Chinese wijzen uit het motto door Zhuang Zi ook werkelijk wijs? Is de raaskallende Pythia wijs? Nee, die laatste zeker niet. De Pythia geeft slecht door wat de goden haar influisteren. De goden leven in een andere wereld dan wij, dus dat wij hen niet verstaan lijkt heel voor de hand liggend.

Tijdens de ayahuasca-trip, die ook veel weg heeft van een hellevaart, een kijkje in de afgronden van je eigen ziel, van je eigen vooronderstellingen, je verleden, je angsten en noem maar op, vloeien voor Djoeke’s geestesoog verleden, heden, angsten en verlangens samen. De sjamaan gaat er voor het gemak vanuit dat alles wat er gebeurt jou inzicht verschaft in je leven en je uitkomsten biedt voor je toekomstige streven en je wegwijzers geeft voor het volgen van het juiste pad. Voor Audrey en Djoeke blijkt de uitkomst, het inzicht, iets anders te zijn dan wat ze ervan verwacht hebben. Nee, dat is niet helemaal juist, want het is niet zo duidelijk wat zij er van tevoren verwachtten. Zijn verwachtingen juist niet verwarrend en versluierend? Moet je juist niet als een blanco blad - in het geval van Audrey wellicht een leeg tekenpapier - het WERK - andere benaming voor ayahuasca-trip - ingaan?

Niet dat Anton Valens zich bezighoudt met deze bespiegelingen. Dat pleit zeer voor hem, trouwens. De kern van het verhaal wordt gevormd door deze trip en de veelsoortige belevenissen en ervaringen van Djoeke, die zonder twijfel het hoofdpersonage is en door zijn ogen beleven wij zijn verhaal. Aan het begin van het boek wordt duidelijk - niet direct aan mij, overigens, maar dat ligt vast aan mij - dat deze sjamanistische trip alweer een tijd geleden is, en dat die wellicht het einde van een depressieve periode aankondigde.

Djoeke is een loser, ongetwijfeld; een sympathieke loser? Mwah, nee; hij wordt geobsedeerd door de ranke, intense, boho Audrey. De twee krijgen een verhouding waarin zij de richting en de frequentie bepaalt; tenminste volgens Djoeke. Zij lijkt functioneel frigide waar het de erotiek en de geslachtsdaad betreft: het gefriemel tussen haar benen en het ‘gemanipuleer’ in haar ‘punani’ (dat woord is slang, ik dacht iets uit de Kama Soetra; dat verraadt direct iets over mij, haha). Overigens praat Djoeke niet in termen van frigiditeit, en het erotische gestuntel brengt hem in gedachten terug bij zijn ex-vriendin Roelien. Als lezer krijg je geen warme gevoelens bij Audrey, maar ik realiseerde me maar al te goed dat het Djoeke’s gevoelens en bedenkingen zijn over haar. Hij voelt zich sowieso de mindere van haar en snapt niet wat zij in hem, voormalig acné-lijder en pokdalige, in hem ziet. Hij heeft een groot minderwaardigheidsgevoel. Daarom kan het ook niet duidelijk worden wat Audrey in hem ziet; je denkt al (te?) snel: ze moet getroost worden, ze heeft een aanbidder nodig, ze doet het voor de blote aandacht.

Met de andere bewoners komt Djoeke wel in contact maar erg diep gaan zijn gevoelens ten opzichte van hen niet. Zijn gedachten worden gaandeweg volledig in beslag genomen door de Pythia (dat is overigens mijn aanduiding van Audrey, rdv; mijn manier van grappig zijn, denk ik). Zo is er bijvoorbeeld Aiden, de man die een speciaal soort fetisj heeft; hij geilt op rubberlaarzen die ‘rieken’ naar zweet van mannenvoeten. Dat is best grappig. Zijn fetisj brengt hem niet veel geluk. Hij verliest zijn lieve Newfoundlander Pericles; wie noemt zijn hond Pericles? Dat is een heel zielig en afschuwelijk verhaal. Aiden komt in de problemen met de Poolse paprikaplukkers (wat een schoonheid van een alliteratie).
Er is de Poolse mevrouw Beatric Koblitska met haar zoon Olek; de zoon die maar niet aan Poolse werknemers kan komen voor zijn aannemersbedrijf - als het dat is, een aannemersbedrijf -; wat een groot tragikomisch effect heeft.
Er zijn ook de invalide Jefferson en de gepensioneerde Patrick, die werkelijk in een bad trip lijkt te zijn  beland. Op de een of andere wijze zijn Audrey, Fiantelli en Carolina Monsanto (what’s in a name?) tot het inzicht gekomen dat een ayahuasca-sessie de zielepoten van het vakantiepark weer op de rit zou kunnen zetten, of er gloort een ander inzicht: namelijk dat het 100 euro de deelnemer opbrengt.

Zoals de gedachten van een meditatie-beoefenaar ongeordend zijn, zo zijn die van een ayahuasca-drinker dat evenzeer. Wat te denken dat Monsanto het drankje gebrouwen heeft? Gruwel?
Niet alleen trekt zijn verleden bij Djoeke langs, zijn inzichten en ontologische vragen doen dat evenzeer. Zo vraagt hij aan ‘zijn Ander die geen Ander is' (dualiteit waar niet-dualiteit heerst), zijn alter ego om het zo te zeggen: ‘Is de dood het einde van mijn bewustzijn? Stopt dan mijn tijd?’* (ib.: 80) Maak je niet druk, zegt ‘zijn Ander die geen Ander is’, er bestaat alleen het NU (mijn parafrase, rdv). En meer van zulke eureka’s: ‘Ik ben die ik zal zijn.**’ (ib.: 84).
Djoeke noemt het zelf zijn gesprek met God, terwijl hij zich realiseert dat joodse kabbalisten wel cijfers en letters hebben voor God maar dat zijn naam niet uitgesproken kan worden. ‘Het besef van het voortschrijden van de tijd kruipt onder zijn huid en doet hem huiveren.’ (ib.: 89)

Het is maar de vraag of de ayahuasca Djoeke blijvende inzichten heeft verschaft. Als we het motto van Zhuang Zi nogal letterlijk nemen, waarschijnlijk niet, of niet op de wijze als hij misschien gedacht had, of gehoopt. Het leven zelf lijkt een nog warriger Pythia dan hele Audrey en haar gedoe.

In meerdere opzichten vind ik dit een verwarrend boek. Natuurlijk is het verwarrend omdat het gaat over een trip; daar is qua momentane ervaringen natuurlijk geen kaas van te maken, hoewel de auteur de lezer altijd stuurt. Verwarring blijft ook over hoe dit boek te lezen. Ik ben er ook nog niet helemaal uit en op de een of andere wijze heeft de auteur mijn sympathie, al ligt zijn boek Ont al veel te lang ongelezen in mijn kast. Zijn observaties, overdenkingen en humor zijn behoorlijk subtiel en subliem. Het zijn de glimlichtjes op de nachtelijke golven, de flonkerende sterretjes aan de donkerblauwe hemel. Het verhaal is gewoon een beetje saai. Ik noteerde in mijn schriftje: ik ben nu op blz 45 en ik zit nog steeds niet in het verhaal. Dat is ook weer een les voor mij. Meestal beweer ik dat ik het verhaal niet zo belangrijk vind, dat de wijze waarop een roman geschreven is voor mij belangrijker is. Maar dit boek logenstraft mijn opvatting, denk ik. Of het moet zijn dat er een behoorlijke congruentie bestaat tussen de best wel saaie hoofdpersoon en het redelijk saaie verhaal. Stille wateren hebben diepe gronden. Ik geloof dat ze dat vroeger ook over mij zeiden.

Toch raad ik een ieder aan deze roman van Valens te lezen en zijn eigen oordeel te vellen.

* Onlangs las ik dat Anton Valens uitgezaaide nierkanker heeft, en dan zijn zulke uitspraken des te navranter en huiveringwekkender. Dit is dan misschien ook wel Valens’ laatste roman.

** Een uitspraak die ook in de Bijbel staat, en natuurlijk tegenwoordig gebezigd wordt door allerlei spirituele types. Ik vermoed dat de oude Chinese tao-meesters van hierboven er zeer smakelijk om zouden lachen.

Auteur

Anton Valens (Paterswolde, 1964) is een Nederlands kunstschilder en schrijver.
Hij kreeg zijn schilderopleiding aan de Gerrit Rietveld Academie en Rijksacademie en was daarnaast werkzaam in de thuiszorg. Hij brak in 2004 als schrijver door met Meester in de hygiëne.

Boektitels
mei 2004: Meester in de hygiëne (uitgeverij Augustus)
maart 2008: Dweiloorlog (uitgeverij Augustus)
juni 2008: Ik wilde naar de rand van Beijing (uitgeverij Augustus)
mei 2009: Vis (uitgeverij Augustus)
februari 2012: Het boek Ont (uitgeverij Augustus)

Titel: Chalet 152
Auteur: Anton Valens
Pagina's: 187
ISBN: 9789025457839
Uitgeverij: Atlas-Contact
Verschenen: oktober 2019

maandag 2 december 2019

Nathanael West – De dag van de sprinkhaan

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Van Maaskant Haun





‘Want niets stemt zo triest als iets wat echt gruwelijk lelijk is’ *

Een filmische ervaring, zo is dit boek te beschouwen. In 27 hoofdstukken vertoont Nathanael West het ware gezicht van Hollywood op een enorm scherm en van alle kanten belicht. Reusachtige decors, acteurs als personages, schitterende dialogen en messcherpe observaties zetten de toon en laten de toeschouwer een wereld zien die de spelers maakt tot alles behalve redelijk denkende mensen. Een wereld waarin ruimte is voor maniakaal gedrag, waarin kunst een uiting is van dwanggedachtes en waarin vernietiging het antwoord is op alles wat niet oprecht is. Het verhaal speelt zich af in 1930, net na de beurskrach van 1929.

Het boek zit enorm knap in elkaar, je wordt als lezer direct het verhaal ingetrokken. Het zijn de wonderlijke beschrijvingen van de personages die kleurrijk en met hun eigen bizarre rol ten tonele verschijnen die het zo filmisch maken. De afbeelding van de omslag spreekt ook al tot de verbeelding, het is allemaal illusie en toch word je het beeld ingezogen en wil je weten wat zich er allemaal afspeelt. Net als in een film zijn er spelers en toeschouwers, twee groepen, de een kan niet zonder de ander. Met dit thema speelt West een prachtig, riskant spel waarvan de afloop zich laat raden, maar het hele spel moet gespeeld worden om aan het eind de aanwijzingen uit het begin ten volle te genieten, hoe wreed die afloop ook is. De titel ‘De dag van de sprinkhaan’ doet meteen denken aan één van de plagen die Egypte troffen toen de farao weigerde het volk Israël vrij te laten.

‘Toen gingen Mozes en Aäron weer naar de farao. Ze zeiden tegen hem: "Dit zegt de Heer, de God van de Hebreeën: hoelang zult u blijven weigeren om Mij te gehoorzamen? Laat mijn volk vertrekken, zodat ze Mij kunnen aanbidden. Als u mijn volk niet laat gaan, zal Ik morgen sprinkhanen in uw land laten komen. Ze zullen het hele land bedekken. Zelfs de grond zal niet meer te zien zijn. Ze zullen alles opeten wat er na de hagelbuien nog is overgebleven van de oogst en de bomen. En alle huizen in Egypte zullen vol met sprinkhanen zitten. Nog nooit eerder is zoiets gebeurd in de geschiedenis van Egypte." Toen draaide Mozes zich om en vertrok.’(bron)


Met zo’n vooruitzicht is alle hoop bij voorbaat al vervlogen en dat merk je al lezend; zoals gezegd is in het eerste hoofdstuk de aankondiging al gedaan en het gaat natuurlijk om de grandioze uitwerking van de karakters, welke zijn de destructieve krachten die leiden tot de totale vernietiging?

Het eerste personage waarmee we kennismaken is Tod, een jonge getalenteerde kunstenaar, die plannen heeft een schilderij te maken met de titel The Burning of Los Angeles, door dit meteen in het eerste hoofdstuk aan te kondigen wordt de richting bepaald, de dreiging spat ervan af en blijft het hele boek een thema. Een sterk thema dat in scherp contrast staat met wat de mensen willen en hoe ze zich gedragen. Vernietiging wordt niet bewust gekozen, maar is het resultaat van de zelfgecreëerde illusoire filmwereld. Tod - zijn naam past hem als gegoten - is geobsedeerd door actrice Faye Greener. Deze vrouw met de fee-achtige naam houdt de gemoederen flink bezig. Zij maakt bij Tod gevoelens los die de normale seksuele begeerte ver overstijgen, sterker nog, zij maakt hem tot allesvernietigend monster. Hij laat zich helemaal leiden door haar, pakt elke gelegenheid aan om bij haar in de buurt te zijn. Tod kijkt naar een signeerde foto van de actrice en mijmert over haar

‘Maar zij wilde zijn vriendin niet worden, of liever gezegd, ze wilde het niet persoonlijk laten worden. En ze had hem ook gezegd waarom. Hij had haar niets te bieden, geen geld en hij was ook niet knap, en ze kon alleen van knappe mannen houden en alleen een rijke man mocht van háár houden. Tod was weliswaar een ‘aardige man’ en zij mocht ‘aardige mannen’ graag, maar alleen als vriend.’

Door de interne monologen is het mogelijk helemaal mee te leven met de personages, soms is er een droom die als boodschapper fungeert. De droom in De Amerikaanse droom, de droom in het eerdere werk van Nathanael West Het droomleven van Balso Snell en in iets mindere mate Miss Lonelyhearts laten zien dat West de droom gebruikt om het onmogelijke mogelijk te maken, tevens is het een uitstekend middel om satire te verpakken. Ook in deze roman laat hij de personages dromen om te laten zien wat er zich af kan spelen in het zich onbespied wanend brein van de mens, wensen, demonen en angsten krijgen vrij spel zich te manifesteren en dit geeft hilarische, absurde en soms ook heel tragische inzichten in de personages. In het verlengde hiervan staan de, al even absurde, tragische brainstormsessies over de te maken filmscripts. De personages zijn met zorg uitgekozen, helaas zag ik de serie The Simpsons nooit, maar er gaan stemmen dat een van de personages Homer Simpson uit de animatieserie uit 1989 gemodelleerd is naar de Homer Simpson uit De dag van de sprinkhaan. Er zijn meer bijzondere personages zo krijgt Abe Kusich, een lilliputter, een geweldige introductie. Tod dacht hij te doen had met een stapel wasgoed of een hond in een deken, maar het was Abe die gehuld in een badjas lag te slapen.

Eerder las ik van deze auteur Het droomleven van Balso Snell en Miss Lonelyhearts, dit waren vroegere werken van West. De dag van de sprinkhaan heeft me veel meer beziggehouden en geboeid dan de andere twee boeken. De verhoudingen tussen de personages en hun berekenende gedrag vormen meer dan een interessant inkijkje in de diepste krochten van het menselijk wezen, je wordt bijna één met het schilderij dat Tod wil schilderen en vervolgens rijst de vraag of je als toeschouwer blijft kijken of dat je ook het ‘toneel’ op wilt. Het voorwoord van Désanne van Brederode is ook in dit boek een aanbeveling.

Het boek is geschreven in 1939 en toen al zette West de schijnwerper op een aantal zaken die nu erg actueel zijn, zo beschrijft hij over seks uit een automaat waarbij de gedachte aan robotisering niet ver weg is. Het boek staat op plaats 73 in Modern Library 100 Best Novels, een indrukwekkende lijst waarin De dag van de sprinkhaan zeker een plaats verdient.

*citaat uit het eerste hoofdstuk



De auteur

Nathanael West, pseudoniem voor Nathan von Wallenstein Weinstein (New York City, 17 oktober 1903 – El Centro, 22 december 1940) was een Amerikaans schrijver.
West was de zoon van Duitstalige Joodse ouders, die geïmmigreerd waren uit Litouwen. Reeds in zijn jeugd was hij bezeten van literatuur. Na zijn studie aan de Brown-universiteit verbleef hij twee jaar in Parijs, waar hij kennismaakte met het surrealisme. Na zijn terugkeer in de Verenigde Staten werkte hij als nachtreceptionist in New Yorkse hotels en schreef intussen zijn eerste romans, The Dream Life of Balso Snell (1931) en Miss Lonelyhearts (1933). Vanaf 1933 werkte hij als scriptwriter in Hollywood, de plaats van handeling van zijn laatste roman, The Day of the Locust (1939).

Titel: De dag van de sprinkhaan
Titel oorspronkelijk: The Day of the Locust
Auteur: Nathanael West
Uitgever: Uitgeverij Van Maaskant Haun
ISBN: 9789081786164
Vertaling: Meta Gemert en Henk van Bakel
Pag.: 171
Genre: Fictie 
Verschenen: deze editie 2018


donderdag 28 november 2019

Thornton Wilder - De brug van San Luis Rey

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Van Oorschot


Verbonden in het noodlot

Een fictief ongeluk van vijf mensen in de achttiende eeuw is voor een monnik de aanleiding om onderzoek te doen naar het handelen van God. Zijn onderzoeksresultaten naar de slachtoffers vormen de basis voor deze roman. In drie hoofdstukken worden de uiteenlopende hoofdpersonen gevolgd en steeds meer komen hun connecties aan het licht. Naast een schitterende beschrijving van het leven in die tijd in Lima (Zuid-Amerika) worden de persoonlijkheden verfijnd beschreven. Maar ook met humor zoals de volgende zin illustreert:

"Menige morgen betrad oom Pio het paleis via gangen waar men niemand anders tegenkwam dan een biechtvader of een vertrouwde souteneur en zat met de onderkoning aan de ochtendchocola.".

De introductie begint in hoofdstuk 2 met Doña Maria, de Marquesa de Montemayor, een steenrijke excentrieke vrouw. Eenzaam hunkert zij naar de liefde van haar dochter die naar Spanje is gevlucht. Obsessief is zij bezig voor haar kind het lot af te weren middels advies per brief én de vlucht in bijgeloof. Als, onder druk van hogerhand, de actrice Camila Perichole na een schandalig optreden haar excuses moet komen aanbieden ontgaat dit Doña Maria volkomen.

Het volgende hoofstuk begint met Madre María del Pilar, het hoofd van het klooster waar de tweeling Manuel en Esteban te vondeling worden gelegd. De broers ontwikkelen zich maar blijven altijd samen. Ze hebben alleen elkaar. In hun puberteit wordt Manuel verliefd op de actrice Camila Perichole, voor wie hij brieven moet schrijven naar haar 'connecties'. Dit gaat ten koste van de relatie tussen de broers. En ook hier spaart het lot hen niet.

Als laatste komt de impresario van de actrice, oom Pio, ten tonele. Hij voedt haar op, brengt haar alle kennis en kundigheid bij en is haar eeuwig trouw. Naar mate de actrice in hogere kringen verkeert neemt zij afstand van haar mecenas. De liefde van oom Pio is blind en daarom blijft hij tot het bittere einde aanhouden. En dat alles heeft een connectie met de brug uit de titel. Afijn, meer ga ik niet weggeven want dat zou het leesplezier van toekomstige lezers alleen maar verminderen. 

De kracht van Thornton Wilder is dat hij de personen tot leven laat komen. Neem nou als voorbeeld de volgende zin:

"Er was iets in Lima wat in meters paars satijn was gehuld waaruit een reusachtig opgezwollen hoofd en twee dikke beparelde handen staken; en dat was de aartsbisschop."

Geen succesverhalen maar rauwe werkelijkheid. De armoede van de puissant rijke elite tegenover de bittere miserie van het gewone volk. Wat macht en liefde met mensen doet. Dat maakt deze roman zo mooi. Het laat tevens zien dat er in pakweg negentig jaar niet veel is veranderd in de wereld. Wat wel opvalt zijn de stijlvolle omgangsvormen die, naar mijn persoonlijke mening, in de huidige maatschappij aan erosie onderhevig zijn. Dat Thornton Wilder ook toneelstukken heeft geschreven verbaast mij niet. Dit verhaal is duidelijk opgebouwd uit vijf aktes. Zonder veel moeite zie ik het verhaal al voor me op de bühne.

Veel thema's zitten in deze roman verweven. Dat maakt het voor mij een interessant boek. Het geeft een scherpe kijk van het tijdloos menselijk handelen. Daarom is dit zeker een aanrader.

In mijn keuze om dit boek te gaan lezen was, na de synopsis, ook de omslag hier debet aan. Prachtig in zijn eenvoud en daardoor intrigerend en sterk. Complimenten voor de ontwerper Christoph Noordzij en de nieuwe vertaling door Peter Bergsma. En tevens dank voor het Schwobfonds dat deze uitgave mogelijk heeft gemaakt.

Auteur

Thornton Niven Wilder (Madison (Wisconsin) 17 april 1897 - Hamden (Connecticut), 7 december 1975) was een Amerikaans schrijver van romans en toneelstukken.

Tot 1938
Wilder bracht een deel van zijn jeugd door in Sjanghai, waar zijn vader consul-generaal was. Op school was hij vaak een buitenbeentje, met hoogbegaafde trekjes. Hij studeerde aan de Universiteit van Yale te New Haven, begin jaren twintig aan de American Academy in Rome (archeologie) en vervolgens te Princeton (Franse taal en letterkunde). Eind jaren twintig doceerde hij Frans aan een jongensschool te New Jersey en van 1930 tot 1937 was hij hoogleraar literatuur (toneel en klassieken) aan de Universiteit van Chicago.

Tussen deze activiteiten door had Wilder inmiddels naam gemaakt als romanschrijver, met name met The Bridge of San Luis Rey (1927), een reeks aaneengeschakelde karakterstudies die zich ontwikkelen naar een bedoeling achter de ogenschijnlijk willekeurige dood van vijf mensen na de ineenstorting van een hangbrug in Lima, Peru, 1714. Wilder ontving hiervoor de Pulitzerprijs. In 1930 had hij veel succes met het toneelstuk The Woman of Andros (zich afspelend in het decadente Griekenland, kort voor de christelijke jaartelling) en in 1935 behaalde zijn satirische roman Heaven's My Destination grote oplagen. Vervolgens bleef het in literair opzicht een paar jaar stil rondom zijn persoon.

Vanaf 1938
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Wilder inlichtingenofficier bij de luchtmacht in Noord-Afrika en Italië. Vanaf 1938 was hij inmiddels weer druk bezig met schrijven en maakte vooral naam met zijn toentertijd als vernieuwend te boek staand toneelwerk, met een ‘brechtiaanse’ vervreemdende, anti-realistische benadrukking van het toneelelement en acteurs die uit hun rol stappen. Bekende voorbeelden zijn Our Town (1938, waarin hij zoekt naar een transcendente waarde in het dagelijks leven van een archetypisch Amerikaans stadje), The Skin of Our Teeth (1942, een satire met veel symboliek en loodzware humor over de familie Antrobus) en The Matchmaker (1954), welke laatste in 1964 weer het uitgangspunt vormde voor de bekende musical ‘Hello Dolly’. Voor The Skin of Our Teeth en The Matchmaker ontving Wilder zijn tweede en derde Pulitzerprijs (voor toneel). Ook ontving hij onder andere de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel in 1957 en de National Book Award in 1968 (voor zijn populaire lange roman The eight day).

Wilder bleef ook na de oorlog doceren aan diverse scholen en Universiteiten, onder andere van 1950 tot 1951 poëzie te Harvard. Hij trad nooit in het huwelijk en stierf in 1975 in Hamden (Connecticut). Aldaar werd hij begraven op de Mount Carmel Cemetery.

Titel: De brug van San Luis Rey
Auteur: Thornton Wilder
Vertaling: Peter Bergsma
Pagina's: 141
ISBN: 9789028261143
Uitgeverij Van Oorschot
Verschenen: oktober 2015