donderdag 21 oktober 2021

Elif Shafak - Het eiland van de verdwenen bomen

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Nieuw Amsterdam 

Hoe een verdriet in de genen van de volgende generatie blijft zitten

De in Straatsburg, Frankrijk, geboren Elif Shafak (1971) is van Turkse afkomst en heeft een niet gering oeuvre op haar naam staan. Het eiland van de verdwenen bomen is inmiddels haar twaalfde roman en ze mag zichzelf in Turkije de best verkopende vrouwelijke auteur noemen. De uitspraak van een van de personages in haar boek De bastaard van Istanbul – dat de moorden, waar de Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog slachtoffer van werden, als genocide konden worden gezien – werd haar niet in dank afgenomen. Dit werd opgevat als het beledigen van de Turksheid en leidde er in 2006 toe dat ze werd vervolgd, doch later werd vrijgesproken. In haar nieuwe roman beschrijft ze de bloedige segregatie van de Turkse en Griekse eilandbewoners.

Na jaren van guerrilla, crises, een staatsgreep tegen president Makarios en een burgeroorlog met de nodige moorden en verdwijningen, vond in 1974 een tweedeling plaats van de voormalig Britse kroonkolonie Cyprus. De Turks-Cypriotische moslims bezetten het noorden van het eiland, de christelijke Grieks-Cyprioten werden naar het zuiden verdreven en de etnische segregatie op het eiland was hiermee een feit. Er is destijds letterlijk sprake geweest van gedwongen huizenruil. Het verboden niemandsland tussen de vijandelijkheden, met patrouillerende ‘soldaten […] op wacht met machinegeweren’, werd ‘De groene lijn’ genoemd.

'De tijd is een zangvogel, en net als elke andere zangvogel kan die worden gevangen. Hij kan worden opgesloten in een kooi, en wel veel langer dan je voor mogelijk zou houden. Maar de tijd kan niet voor eeuwig in bedwang worden gehouden.' 


In het Londen van 2010 rouwen Kostas Kazantzakis en zijn zestienjarige dochter Ada om de dood van hun vrouw c.q. moeder. Ada is vaak droevig en worstelt met haar gevoelens. Ze is als Britse opgevoed, spreekt de respectievelijke talen van haar ouders niet, er zijn geen familieleden in hun leven en haar ouders hebben nooit iets willen vertellen over hun verleden op Cyprus. Op school voelt ze zich een buitenbeentje en het gevoel niet begrepen te worden triggert haar angst, waardoor ze in de klas onbedwingbaar begint te schreeuwen en later niet kan verklaren wat de oorzaak was. De lezer echter zal al snel ontdekken dat er hier sprake is van overgeërfd verdriet.

Kostas ‘wist dat hij zijn moeder nooit zou kunnen vertellen dat hij verliefd was op een Turks moslimmeisje’. Ook Defne kan onmogelijk thuiskomen met deze boodschap. Ze ontmoeten elkaar regelmatig heimelijk in De Blije Vijg [sic], de taveerne van Yiorgos en Yusuf, maar wanneer de Turkse invasie het leven kost aan de vader en broer van Kostas, en Yusuf en Yiorgos plotseling verdwijnen, komt daar een abrupt einde aan. Uit angst om ook haar enig overgebleven zoon te verliezen stuurt Kostas’ moeder hem naar Londen. Zijn onbeantwoorde brieven aan Defne, die ook zo haar verliezen heeft te verwerken, betekenen het einde van hun relatie.

Wanneer hij in 2000 voor zijn werk terugkeert naar Cypres, treft hij Defne weer. Ze heeft zich aangesloten bij een commissie die zich inzet om (massa)graven te vinden. Lange dagen zoeken ze minutieus en haar persoonlijke missie is om eens de stoffelijke resten te vinden van Yusuf en Yiorgos.

'Menselijke resten… Wat betekent dat precies? Een paar botten? Kleren en accessoires? Dingen die massief en compact genoeg waren om in een doodskist te leggen? Of was het eerder het ontastbare, de woorden die we het hemelruim in sturen, de dromen die we voor onszelf houden, […] de leegtes die we proberen op te vullen en die we nooit goed onder woorden kunnen brengen; als alles was gezegd en gedaan, wat bleef er dan over van een heel leven, een mens… en kon dat echt uit de grond worden opgegraven?'


Een van de stijlmiddelen die Shafak gebruikt is de personificatie, waarbij ze een vijgenboom opvoert als getuige van de ontluikende liefde tussen Defne en Kostas, en die tussen Yiorgos en Yusuf. Ook de omineuze dreiging en misstanden op het eiland worden vanuit het perspectief van de boom uit de doeken gedaan. Het lijkt een overdreven magische en ontsierende keuze, maar gaandeweg blijkt dit wel degelijk functioneel en plausibel te zijn. De vogel- en vlindertrek gebruikt de auteur als tegenhanger voor de vrijheidsbeperkende tweedeling van het eiland en hoofdstad Nicosia.

'Ook wij bomen hadden te lijden, al sloeg niemand daar acht op. Het was het jaar waarin hele bossen in brand vlogen tijdens de jacht op rebellengroepen die zich schuilhielden in de bergen. Dennenbomen, ceders, coniferen… er restten enkel zwartgeblakerde stompjes van ze.'


De roman staat vol met tegenstellingen, zoals verschillen in etniciteit, feminisme en masculinisme, hetero- en homoliefde, progressivisme versus conservatisme. Grote onderwerpen die aan de orde komen zijn homofobie, xenofobie, religie, afkomst en de mystiek van het soefisme. Hierdoor worden er diepere lagen gecreëerd en pregnante thema’s aangestipt met een waarheidsgetrouw tijdbeeld. Het lieflijke en tot de verbeelding sprekende Mediterrane eiland kende vrolijkheid en plezier, maar een burgeroorlog liet diepe wonden achter. Met haar prachtige zinnen weet Shafak het vermorzelen van het incasseringsvermogen en het terugvinden van veerkracht op begeesterde wijze te verbeelden. Het eiland van de verdwenen bomen is een verhaal over een inktzwarte geschiedenis, waarmee Shafak laat zien dat ze niet zelf vonnist, maar een kritisch waarnemer is.

Eerder verschenen op Tzum

Titel: Het eiland van de verdwenen bomen
Auteur: Elif Shafak
Vertaling: Manon Smits
Pagina's: 368
ISBN: 9789046829134
Uitgeverij Nieuw Amsterdam
Verschenen: oktober 2021

dinsdag 12 oktober 2021

Philippe Claudel - Een Duitse fantasie

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij De Bezige Bij

Duitslands adem ruikt naar zwavel

Bij een bezoek aan een ruim gesorteerde boekhandel te Den Bosch zag ik op mijn weg naar de kassa dit boekje liggen. Op Twitter had ik deze uitgave al bij menig literatuurliefhebber langs zien komen. Vooral de titel – Een Duitse fantasie – en de illustratie op de omslag deden mij in de winkel terstond besluiten om deze laatste publicatie van Philipp Claudel aan te schaffen. Gelukkig maar, want zoals De Volkskrant op de achterzijde meldt is 'Claudel een meesterlijke verhalenverteller'. Na het boek gelezen te hebben ben ik het daar hartgrondig mee eens.

Dit boek kent maar vijf hoofdstukken, ogenschijnlijk losse verhalen. Toch zal elke lezer ongemerkt verbindingen gaan leggen door de naam Viktor, een Wehrmachtsoldaat, die in drie verhalen opduikt. Het thema van alle verhalen is de doorwerking van het nazisme na 1945. Niemand kan er van loskomen. Van vage herinneringen tot levenslange trauma's. Het getuigt van superieur schrijverschap om het bittere gif van deze inktzwarte periode, tot in de vezel van de hoofdpersonen, zo raak te beschrijven. Notabene geschreven door een fransman die deze periode zelf niet heeft meegemaakt. Het is geheel fictief of, zoals hij het zelf aanduidt in de titel, een fantasie. De kijk van de Duitse buren wordt mooi weergegeven in het voorwerk door het gedicht van Pierre Mac Orlan, een Franse romanschrijver met het gedicht 'Voorbij de Rijn…' en de regel 'Duitslands adem ruikt naar zwavel' van de Oostenrijkse romanschrijver en dichter Thomas Bernhard voorin het boek. De stemming wordt hierdoor gezet.

Uitgezonderd 'Gnadentod' zijn het allemaal persoonlijke verhalen van, in eerste instantie, gewone mensen. Prachtig en indringend geschreven. Met één terloopse opmerking kan Claudel je beeld over de hoofdpersoon drastisch veranderen.


'Ze hadden hem gevormd. Ze hadden een efficiënt werktuig van hem gemaakt. Ze gaven hem bevelen. Hij voerde ze uit.'

'Een stokoude zwart-witfoto met daarop een groep glimlachende soldaten met aangelijnde honden en wagons op de achtergrond.'


Ontreddering, afhankelijkheid, aftakeling en wreedheid. En waar de factor tijd cruciaal blijkt te zijn. Speelt het verhaal zich af tijdens of vlak na de Tweede Wereldoorlog of in het heden, het kan een levensgroot verschil maken tussen dader of slachtoffer van de hoofdpersonen.

'Gnadetod' is anders van opzet. Dit deel vertelt, is op bijna een documentaire-achtige wijze, het leven van een getalenteerde kunstenaar die ernstige gewond aan zijn hoofd is geraakt bij een granaatinslag in de Eerste Wereldoorlog. Hij is daarna helemaal de weg kwijt en niet meer in staat is om te tekenen of schilderen. Vervolgens belandt hij regelmatig in een psychiatrische inrichting en


'[…] mag (hij) na een lang leven vol lijden, profiteren van het programma dat op bevel van de Führer in het leven is geroepen om de zwaarste gehandicapten van wie de gezondheidstoestand helaas geen hoop op remissie toelaat, verlichting te bieden. Heil Hitler!'


Programma Aktion T4: eliminatie dus. Dit wordt verteld aan de hand van 'officiële' verklaringen van medische geneesheren tijdens de wereldoorlog, krantenartikelen met betrekking tot een veiling van zijn werk, een interview met een biograaf en dergelijke. Een treffende verzameling van de documenten in de periode tussen 1940 en 2004 die op een fijne manier geschiedenis proberen te schrijven. Van huiveringwekkend afstandelijke nazi-bureaucratie tot huichelarij, hypocrisie en geschiedvervalsing voor eigen gewin.

Het laatste verhaal over een joods meisje dat een massa-executie overleeft heeft mij het meest geraakt. Claudel weet als geen ander de ontreddering van het kind te beschrijven. Ik moest het halverwege het verhaal het boek even wegleggen om op adem te komen.


'[…] dekens en lakens zijn vervangen door mannen- en vrouwenlichamen overal om haar heen, onbeweeglijk, die haar niet verstikken, die lange tijd hun warmte aan haar afstaan terwijl de koude sneeuw uit de grijze hemel valt, [...]'


En het is zeker niet alleen kommer en kwel. In het tweede verhaal bijvoorbeeld domineert een herinnering aan een ontmaagding van een onschuldige jongen. Dit souvenir blijkt niet in de vergetelheid te zijn beland. De passie en het verlangen naar dat moment komen in alle hevigheid terug als de ouderdom toeslaat.

Dat is wat goede literatuur behoort te doen. Inleving en beleven. Dat je de vochtigheid voelt, de geur herkent, totale afhankelijkheid ondergaat, dat de kille Endlösung von Fremdkörper begrijpelijk wordt of… de hel van het overleven doormaakt. En dat doet Claudel met verve. In een schitterende, beeldende schrijfstijl. Het heeft mij dan ook niet verbaasd dat hij ook scenarioschrijver en filmregisseur is. Een boek dat een groot publiek verdient.

Titel: Een Duitse fantasie
Auteur: Philippe Claudel
Vertaling: Manik Sarkar
Pagina's: 160
ISBN: 9789403122519
Uitgeverij De Bezige Bij
Verschenen: augustus 2021

donderdag 7 oktober 2021

Fernando Pessoa - Boek der eenzaamheid

Recensie door Erik Waut
Uitgeverij de Arbeiderspers – Privé domein

Boek der rusteloosheid

Dit Boek der rusteloosheid (Livro do Dessassosego) is een verzameling en transcriptie van nagelaten geschriften die voor het grootste deel in vijf enveloppen werden aangetroffen in de beroemde ‘arca’. Het betreft de befaamde kist met duizenden papieren die de auteur Fernando Pessoa (1888-1935) had nagelaten en gelukkig niet werden weggesmeten.

Geduldig zijn deze samengesteld, reeds meermaals herzien, en hier in een vertaling van Harrie Lemmens aangeboden. Het is één van de beste boeken in de reeks Privé-domein. Het nawoord van de vertaler is de spreekwoordelijke kers op de taart.

Het is geschreven vanuit het personage van Bernardo Soares, hulpboekhouder te Lissabon. Hij zit voortdurende te denken en ondergaat de sombere gedachten die onbekend zijn voor zijn omgeving. Omgeving is een breed begrip, want meer dan zijn arbeidsomgeving lijkt hij niet te dulden in zijn sombere bestaan.

Voortdurend was ik bij het lezen van dit boek bezig met het optekenen van citaten. Treffende uitspraken die je toch de indruk moeten geven dat er enige samenhang is tussen de verzameling essays en mijmeringen. Nu ik de afgelopen weken bij momenten tot rust kwam, terwijl ik ondergedompeld werd in deze woordenstroom, is er de vraag wat het resultaat is van mijn leesavontuur. Kunnen we niet een reeks begrippen verzamelen? Deze zijn dan het voorwerp van zelfstudie van deze ervaring die bij herlezing van bepaalde fragmenten vermoedelijk nog nieuwe impressies zullen oproepen.

Eenzaamheid

Bij het lezen van Boek der rusteloosheid ontmoet je het verrijkend element om alleen te zijn met je gedachten. “Mijn verbeeldingswereld is voor mij altijd de enige echte wereld geweest.” Pessoa brengt hier een personage aan het woord die voortdurend zijn “instinct van van onbelangrijkheid”, om het met zijn woorden te omschrijven, naar voor schuift.

Iedereen kan af en toe een momentje gebruiken waarbij de eenzaamheid in zijn gepeins overheerst. Dit boek ontmoet je meestal in zo’n moment en bevestigt de keuze voor de eenzaamheid. Om die reden is dit werk ideaal voor de eenzame zielen. Tal van foto’s van Pessoa laten hem zien hoe hij alleen door de stad wandelt of geniet van een drankje in een bar. Hier lijkt hij deze levenswijze te verantwoorden.

Ik verafschuw nieuw leven en onbekende plaatsen.”

Ik stoot mij aan het leven en aan anderen.”


Wie schrijft die blijft

De titel van één van de beste boekenprogramma’s dat ooit te zien was op t.v.; van een tijdperk waar de gasten langer aan het woord waren dan de presentatoren.

Pessoa heeft tijdens zijn leven amper iets gepubliceerd. Het Boek der rusteloosheid werd af en toe aangekondigd in brieven en gepubliceerde fragmenten (waaronder het wonderbaarlijke stuk In het woud der vervreemding) doch hij heeft het nooit kunnen afwerken. Er waren zelfs periodes dat hij er niet aan heeft gewerkt. Vraag is trouwens, die vertaler Harrie Lemmens terecht stelt, wat er zou nagelaten zijn. Misschien zou Pessoa enkele waardevolle stukken hebben weggelaten.

Er zijn ook sporen van enig besef dat het nooit tot enige publicatie van een meesterwerk zal komen.

"Wanneer ik denk aan de rijke literaire productie, of ten minste de omvangrijke, afgeronde geschriften van zoveel mensen die ik ken of van wie ik gehoord heb, voel ik een vage afgunst, een minachtende bewondering, een onsamenhangende mengeling van gemengde gevoelens.”


Deze nalatenschap voor de literatuur is dan als het ware ook een oproep om toch maar te blijven proberen. Het neerschrijven helpt trouwens de sombere momenten in het leven verdrijven.
“Wie de kunst van het schrijven beheerst, kan zijn dromen helder en duidelijk zien (..)” Gelukkig bleef Pessoa al zijn beschouwingen noteren en heeft hij ze nagelaten. Wie schrijft die blijft.

De stad

De stad is een belangrijke thema in de literatuur. Denk maar aan het Dublin van James Joyce en Londen van Charles Dickens. Boek der rusteloosheid niet hebben gelezen alvorens op reis te gaan naar Lissabon zou een vergissing zijn.

Pessoa verbleef het grootste deel van zijn leven in Lissabon. Er zijn heel wat fragmenten waarbij het personage het drukke leven van de stad beschrijft. Je ontmoet Lissabon in dit werk. Het is echter een ontmoeting vanop een zekere afstand. Pessoa geniet vooral wanneer alles rustig verloopt.
 

Het ontwaken van een stad, met of zonder mist, ontroert mij altijd meer dan het ochtendgloren op het platteland.”


Liever kijkt hij van ver en komt beschouwend tot rust.

Boven mij hangen zwarte boomtakken en ik draag de slaap van de hele stad in mijn ontmoedigde hart. Lissabon in het maanlicht en mijn vermoeidheid van morgen!“


Je zou er zo een weekendje door boeken. Toch?

Over de auteur

Fernando Pessoa wordt in 1888 geboren te Lissabon. Zijn vader sterft aan tbc in 1893. Ruim twee jaar later hertrouwt zijn moeder met een militair die aangesteld wordt als consul te Durban, Zuid-Afrika. Fernando loopt er school. Later keert hij terug naar Lissabon. Hogere studies die hij had aangevat heeft hij niet afgerond. Hij kiest uiteindelijk voor een eenvoudige baan als klerk opdat hij zich in zijn vrije tijd volledig kan concentreren op zijn grote project: schrijven. Er is het beeld van Pessoa die mensenschuw zou geweest zijn. Dat is echter niet volledig juist. Hij was gekend in literaire kringen en heeft zelfs enkele pogingen gedaan om als uitgever aan de slag te gaan. Af en toe publiceerde hij wel iets maar het is pas na zijn dood in 1935 (en het aantreffen van de inmiddels beroemde ‘arca’) dat hij uitgroeide tot één van de bekendste schrijvers van de 20ste eeuw. Hij is vooral gekend, behalve onder zijn eigen naam, onder de naam van een reeks imaginaire schrijvers, heteroniemen.

Over de uitgave

Deze uitstekende uitgave in de reeks Privé-domein (het betreft een herziene versie die eerder in deze reeks verscheen) hoort in feite in iedere boekenkast. Voor het geval het daar al een tijdje ongelezen staat, bij deze een warme oproep om dit eindelijk te lezen.

Alle lof voor de vertaler en bezorger Harrie Lemmens die ons Pessoa laat ervaren. De bijgevoegde vertaling van een selectie brieven zijn zeer verrijkend.

Het is een boek dat ik nog dikwijls ter hand zal nemen in mijn zoektocht naar Pessoa en zijn ode aan de eenzaamheid.

Titel : Boek der rusteloosheid
Auteur: Fernando Pessoa
Vertaling: Harrie Lemmens
Pagina’s : 612
ISBN : 9789029539579/NUR321
Uitgeverij de Arbeiderspers (reeks Privé-domein)
Verschenen : 2005

dinsdag 28 september 2021

Maryse Condé - Tot het water stijgt

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Orlando


Het noodlot dat hem aankleeft

De roman Tot het water stijgt van Maryse Condé (Guadeloupe, 1937) heeft tien jaar op een Nederlandse vertaling liggen wachten. Dit voorjaar verscheen die van de hand van Martine Woudt. Condé, inmiddels 84 jaar oud, debuteerde in 1976 en schrijft hedendaagse verhalen die zich voornamelijk afspelen op de Caraïbische eilanden en in gekoloniseerde landen van Afrika. Ze heeft een behoorlijk oeuvre opgebouwd met Caraïbische literatuur en staat erom bekend, als zwarte auteur met een missie, pleitbezorger te zijn van het filosofische panafrikanisme. In 2018 kreeg ze de alternatieve Nobelprijs voor de Literatuur, toen de originele versie niet werd uitgereikt vanwege de strubbelingen in het Nobelcomité.

In deze roman geeft Condé haar personages een eigen stem, door ze de ruimte te geven om vanuit hun eigen perceptie het verhaal over hun verleden te vertellen. Door dit vertelperspectief maakt ze de lezer deelgenoot van hun achtergrond en de tragedies ze hebben meegemaakt. Hiermee heeft ze een raamvertelling geschreven, in de ruimste zin van het woord. Ook haar eigen stem richt zich meer dan eens tot de lezer, wanneer ze je meeneemt terug in de tijd. Dit maakt het een meerdimensionaal verhaal met verschillende, diepere lagen.

Babakar Traoré – een jonge, alleenstaande arts, geboren uit een Malinese vader en een moeder uit Guadeloupe – wordt door de Haïtiaanse Movar geroepen om te assisteren bij de bevalling van een alleenstaande Haïtiaanse vluchtelinge, die bij de geboorte van haar dochter het leven laat. Eerder heeft de arts zelf zijn vrouw en ongeboren kind bij een ongeluk verloren. Omdat niemand in de mogelijkheid verkeert om voor de pasgeboren Anaïs te zorgen, besluit hij – in de vaste overtuiging dat het lot dit heeft bepaald – haar te adopteren.

'Het is bekend, het leven begint met een bloedbad. Maar dit hier was uitzonderlijk bloederig geweest. Het leek wel alsof de gestorvene had gevochten met een vijand die veel sterker was dan zij.'

In veelvuldig terugkerende nachtmerries wordt hij geplaagd door herinneringen aan zijn jeugd in Mali. Zijn moeder Thecla werd daar niet geaccepteerd door de gemeenschap in de veronderstelling dat ze een heks was; ze werd namelijk geboren met blauwe ogen. Nadat ze jong is gestorven, verschijnt zij regelmatig in zijn dromen om hem van moederlijk advies te voorzien. Dit geeft de roman een metafysische, magische toets. Het postume contact met Thecla geeft hem rust en stelt hem in staat om zijn angst en twijfels, die zijn nachtmerries hem bezorgen, te structureren. Gaandeweg wordt haar stem spottend en neemt ze afscheid van zijn dromen, met de mededeling dat ze een andere manier gevonden heeft om hem bij te staan.

Ook Movar heeft te maken met demonen uit het verleden, waarvoor hij eerder uit Haïti is gevlucht. Hij vertelt Babakar dat de moeder van Anaïs hem op het hart heeft gedrukt om – mocht er iets met haar gebeuren – met haar baby naar Haïti te gaan en haar naar haar familie te brengen. In Haïti wacht de Libanese Fouad – vriend van Movar – hen op. De drie mannen hebben gemeen dat zij ontworteld zijn en er ontstaat een hechte vriendschap die hen via diverse ervaringen zal loodsen naar het doel van de reis.

Onder de indruk van de abominabele levensstandaard in Haïti en besluit Babakar een weeshuis op te richten. Alleen wil het met de vrouwen in zijn leven niet zo vlotten en hij richt al zijn liefde op de baby.

'Babakars verdriet was grenzeloos. Estrella, de vrouw die hij maar één keer had gezien, één enkele keer maar, voegde zich in het pantheon der doden bij alle vrouwen die hij had liefgehad. Welk noodlot kleefde hem aan? Welk virus droeg hij in het geheim bij zich?'

Een groot thema is het klimaat, getuige de veelzeggende titel en de mogelijkheid dat de Caraïben ooit zullen worden verzwolgen door het wassende water. De verwoestende aardbeving en tsunami van 12 januari 2010 hebben een allesbepalende rol in het verhaal gekregen.

Stuk voor stuk zeulen de personages een rugzak vol verdriet en verlies met zich mee, doch verliezen ze nooit de moed om het beste uit het leven te halen. De auteur doet verslag van hun wel en wee, maar laat zich er niet toe verleiden om het sentiment dik aan te zetten; vlecht geestige woordspelingen door haar verhaal en dialogen, wat de toon lichthartig houdt. Het is een meeslepende zoektocht naar identiteit geworden die de gevolgen van ontworteling, armoede, vreemdelingenhaat en corruptie toont.

--

Eerder verschenen op Tzum

Titel: Tot het water stijgt
Auteur: Maryse Condé
Vertaling: Martine Woudt
Pagina's: 364
ISBN: 9789493081901
Uitgeverij Orlando
Verschenen: april 2021 

zaterdag 18 september 2021

Willem du Gardijn - Het einde van het lied

Recensie door Eric Waut
Uitgeverij Koppernik

Het einde van het lied

Er zijn zo van die leerkrachten geschiedenis die je nooit zal vergeten. Ze kunnen je meeslepen in het avontuur van de verbeelding. Ze dagen je uit op zoek te gaan naar wat meer achtergrond van bepaalde gebeurtenissen. Kantelmomenten in je schoolperiode. De saaie lessen wiskunde en andere leerstof is bij deze meesters van de vertelkunst even niet aan de orde. Willem du Gardijn kan volgens mij niet anders dan zo’n leraar zijn.

Het einde van het lied is een roman in drie delen. In het eerste deel maken we kennis met Aimé en Adriaan wier relatie zwaar op de proef wordt gesteld. Aimé worstelt blijkbaar met een gebeurtenis. Of is het haar onvruchtbaarheid? Ze gaat zich alsmaar vreemder gedragen en verliest alle controle.

'Ze droomde, was bang. Ze voelde zich naar, raar en duizelig. Nam een extra pil met wijn. Ze kreeg een vlaag van paranoia, liep midden in de nacht de tuin in om de mannen die haar wilden aanvallen zelf aan te vallen.'

Het gedrag van Aimé ontspoort. Je voelt de noodlottige afloop aankomen en vergeet het waarom te ontdekken. Er zijn weinig sporen in het verhaal hiervan. Af en toe een hint, maar zeker ben je niet. Toch is het toch nog even schrikken wanneer ze de finale beslissing neemt.

In het tweede deel vergezellen we Adriaan die, nadat hij zijn vrouw heeft verloren, in Italië vertoeft. Hij is op zoek naar het verhaal van de laatste levensdagen van de Romeinse keizer Hadrianus, je weet wel… die van de muur, van wie men bijna zeker is dat hij in 138 te Baiae is gestorven. Hij gaat op zoek naar het verhaal dat Marguerite Yourcenar in haar boek Memoires d’Hadrien niet heeft geschreven.

We volgen de wetenschapper tijdens zijn zoektocht naar de exacte plaats waar de keizer gestorven is. Een wat nutteloos onderzoek. Toch zijn er tal van andere wetenschapslui die hem helpen tijdens deze merkwaardige zoektocht. Je gaat echt mee op onderzoek. Allerlei kleine verhalen over de Romeinen komen aan bod. Heel onderhoudend. De geschiedenisleraar vertelt. Ondertussen observeert en ontdekt hij een ander Italië. Niet dat van musea en schoolreizen. Het is tijdens deze queeste en de confrontatie met dit andere land, dat hij een antwoord zoekt op de vragen die er zijn omtrent Aimé. Niet het antwoord waarom de doodzieke keizer toch nog de reis ondernam naar het afgelegen Baiae, maar de reden van Aimé haar beslissing.

In het derde deel is de keizer aan het woord. De laatste reis. Vereerd en gevreesd. Maar menselijk. Zijn einde nadert en dat weet hij maar al te goed.

'Zelfs het leven van een keizer was als een druppel die terugvloeide in de oceaan om daarin onnaspeurbaar op te lossen. Misschien dat mijn daden herinnerd zouden worden.'

Maar ook hier is de geschiedenisleraar aan het woord. Allerlei kleine verhalen over de keizer komen aan bod. Echt prachtig opgenomen in dit verhaal.

Het levenslied eindigt met de dood van de keizer. Waarom een leven eindigt is niet belangrijk, het zijn de herinneringen en wat we ons proberen voor te stellen. Wat de omgeving ervaart en nog kan terugvinden van deze persoon. Voor Adriaan zijn dit ook de nagelaten dagboeken van Aimé. Voor de geschiedkundigen zijn dit de geschriften, beeldhouwwerken, triomfbogen,… Wie op zoek gaat naar het verhaal krijgt daarom nog geen antwoord op de vele vragen, maar kan zich even laten opnemen in het verleden.

Dit is een zeer mooi geschreven boek. Een gids voor het aanvaarden van het onaanvaardbare.

We eindigen deze bespreking met een aan keizer Hadrianus toegeschreven gedicht.
(Vertaling Patrick Lateur)
 
'Mijn zieltje lief, mijn vlinderding,
gast en gezel van lijf en leden,
welk oord betreed je nu beneden?
Kleurloos en kaal, een kille kring,
je dartel spel wordt daar verleden.'


Willem du Gardijn (1964) debuteerde in 2008 met de roman Monografie van de mond, waarmee hij werd genomineerd voor de Academia Literatuur Prijs. In 2011 verscheen de verhalenbundel Negen raven en in 2016 de roman Bevrijding. Zijn verhalenbundel Het grote vakantiepark, die in 2018 verscheen, stond op de longlist van de BookSpot Literatuurprijs.
(Bron: boekomslag)

Titel: Het einde van het lied
Auteur: Willem du Gardijn
Pagina's: 229
ISBN: 9789083089836
Uitgeverij Koppernik
Verschenen: september 2021

maandag 13 september 2021

Lotte Dondorp - Zonder ons is er geen muziek

Recensie door Roosje 
Uitgeverij Atlas Contact

Zonder ons zijn er geen verhalen*

Altijd heb ik moeite met het beginnen in of aan een volgend boek. Met grote aandacht begin ik: situatie verkennen, personages leren kennen, de thema’s en het verloop van het verhaal opsporen; me vertrouwd gaan voelen in dat nieuwe boek. Dat kost me een tijdje en soms kost dat meer dan een tijdje en word ik ongeduldig: wanneer beginnen het verhaal, de personages, de situaties me te pakken en te boeien? In een verhalenbundel, zoals deze van Lotte Dondorp, Zonder ons is er geen muziek, is deze ‘wanneer-pakt-het-verhaal-me-situatie’ er constant. Net ben ik als lezer ingewijd of het verhaal is alweer afgelopen. Een verhaal - hoe korter des te dwingerder - moet je met grote aandacht lezen.

Deze bundel bevat achttien korte verhalen, tamelijk kort, in een totaal van 175 bladzijdes, dus nog geen 10 pagina’s per verhaal. Bij mij is ook altijd de vrees aanwezig dat ik de pointe van het verhaal niet snap, dat waar het in essentie omgaat. De meeste korte verhalen hebben een pointe, een min of meer plotselinge omslag aan het einde van het verhaal, waardoor het verhaal begrepen gaat worden. Soms word je als lezer op het verkeerde been gezet, zoals ik me herinner van veel verhalen van Roald Dahl. En evenzo ijverig zoek ik naar het gemeenschappelijk thema in die verhalen.

De personages van Dondorp zijn vrouwen en mannen - gek genoeg vond ik dat opvallend; blijkbaar ga ik ervanuit dat een vrouwelijk auteur vaak een over vrouwelijk hoofdpersonage schrijft; hmmm, nu val ik aardig door de mand; wat een vooroordeel! -. Soms zijn de figuren een ik-personage, soms een hij/zij, soms een volwassene en soms een kind. Soms krijgen ze een naam, maar niet altijd. Wat hen bindt in dit debuut, is hun zeer particuliere ongemakkelijkheid in het leven. De personages worden getroffen door een scheiding, of dood, of verlies, of ouder worden, of een existentiële crisis of iets dergelijks. Erg expliciet wordt hun situatie meestal niet - maar het snijdt hen in ieder geval wel af van hun omgeving - en dat is meteen het mooie van deze bundel: dat het allemaal niet te expliciet wordt. Ik merk dat ik dat ‘mooi’ vind en dat het me stoort als het soms wel een beetje explicieter wordt, zoals - naar mijn gevoel - in ‘De bruiloft’. (Zelf lezen dan maar, dan kom je er wel achter wat ik bedoel.)

Dondorp schrijft heel ‘sferisch’, de buitenwereld reflecteert vaak de situatie van het personage, zoals het roodborstje in de winter, in de sneeuw uit ‘En er is niets veranderd’. Houd het vogeltje in de gaten, dan krijg je een vermoeden wat er met het personage gebeurt. Van oudsher heet zo’n literaire vorm de ‘Natureingang’. Ik houd erg van de natuur, dus een dergelijke beschrijving is erg aan mij besteed. Maar evenzo heerst de Natureingang in ‘Van de aarde vallen’, dat zich afspeelt aan de uiterste westkust van Ierland, al ligt het hier misschien een beetje te veel voor de hand.

Hoe bespreek je dan een verhalenbundel? Lastig is dat. Tijdens het lezen probeer ik me zoveel mogelijk de verschillende verhalen in te prenten, maar ze allemaal gaan bespreken is natuurlijk gekkenwerk. Dan maar proberen de algemene noemer te bepalen. Iets heb ik er al over gezegd. Dondorp schrijft sferisch, en zuinig, geen overbodige woorden, weinig bespiegelingen, en het einde is wat je gerust kunt aanduiden met ‘een open einde’. Dat wordt niet door iedereen gewaardeerd. Je moet je als lezer gaan afvragen welke mogelijkheden er zijn, en omdat er veel niet benoemd wordt, moet je aanwijzingen gaan zoeken in de omstandigheden. Zoals het einde van ‘De zeemeermin’, misschien mijn favoriet uit de bundel. Er is sprake van wankelen vanuit een hoog punt - oei, dat is niet goed! - en daarna alleen maar de vlag aan de stok die ‘bleef bollen in de eindeloze kleuren van de zomer.’ (2021: 111)

Het overkomt mij herhaaldelijk dat ik nog eens terug moet lezen, want dan heb ik blijkbaar toch iets gemist. Of ik begin een verhaal overnieuw als ik het uit heb. Dat doen auteurs wel vaker, dat soort van ‘omgekeerd’ vertellen: het einde eerst, maar dat heb je als lezer niet meteen door, want jij begint voor je gevoel aan het begin. De auteur zet je op een verkeerd been - en hoeveel benen heeft een mens? -.

Heerlijk in ‘Met de wind mee’ is dat oma aan zee kwijt raakt; een omgekeerde situatie. Toen ik klein was lette mijn oma op mij en wist dat ik, totaal in beslag genomen door mijn spel met zand en water, met de wind in de rug langs het strand zou lopen. Daarom raakte ik niet kwijt.

De vrouw in ‘En er is niets veranderd’ spreekt tegen het roodborstje: ‘’We voelen een groot verdriet, we zijn iets verloren wat we helemaal niet hadden willen verliezen, maar we wachten gewoon tot het verdwijnt. Tot we vergeten hoe belangrijk we het vonden. Zonder dat er iets hoeft te gebeuren of te veranderen.’’ (ib.: 150).

Een erg sterk debuut zijn deze gebundelde verhalen van Dondorp. Ik ben blij verrast. Niet elke debuut levert een groot leesgenot.

* Ik kan het het niet laten om een beetje te spelen met de titel van mijn stukje. De titel van deze debuutbundel is Zonder ons is er geen muziek. Zo heet een van de verhalen: het gaat over een vader, een boswachter, die in het bos - weer een Natureingang trouwens - met zijn kinderen muziek maakt. Een familie-orkestje. Hun moeder, zijn vrouw, houdt het in het bos niet uit en gaat terug naar de stad. Weg is het fijne familie-orkestje. Zo ook gaat het met dit debuut: de lezers brengen de verhalen tot leven. Zonder lezers is er geen levend boek. En ik voel me een echte lezer; ik heb geen schrijversambitie. Dus de titel is een ode aan de lezers.

Lotte Dondorp (1987) studeerde literatuurwetenschap en filosofie. In 2019 rondde zij de vierjarige opleiding af aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Haar verhalen verschenen op Revisor.nl, in Hollands Maandblad en Tirade. De verhalenbundel Zonder ons is er geen muziek is haar debuut en verschijnt in augustus 2021. (Bron: https://www.atlascontact.nl/auteur/lotte-dondorp/)

Titel: Zonder ons is er geen muziek
Auteur: Lotte Dondorp
Pagina's: 175
ISBN: 9789025459598
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: augustus 2021

donderdag 9 september 2021

Niels Roelen - Zwarte vogel

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Volt 

De afgesneden randen van het tableau van onze vriendschap

Het zal niemand zijn ontgaan dat in Afghanistan de Taliban met veel geweld de ruimte inneemt die de VN en NAVO achter zich hebben gelaten. Niels Roelen heeft de Koninklijke Militaire Academie (KMA) doorlopen en werd destijds diverse keren als majoor in het Nederlandse leger naar deze brandhaard uitgezonden.

Het schrijven is Roelen niet vreemd; over de missie in Uruzgan hield hij voor defensie een weblog bij, werkte mee aan een aantal verhalenbundels en schreef artikelen voor diverse kranten en tijdschriften. Na vijfentwintig jaar gediend te hebben, is hij fulltime schrijver geworden. Daarnaast geeft hij trainingen en lezingen op het gebied van Leiderschap. Over zijn ervaringen schreef hij eerder Soldaat in Uruzgan en Leven na Uruzgan, waarin hij op rauwe en indringende wijze verslag doet van de trainingen, voorbereidingen en doelstelling van de missies, de lamgeslagen, desolate bevolking, het werken onder continue dreiging en extreme druk, en in het bijzonder over de psychische belasting van de militairen. Met zijn romandebuut Zwarte vogel slaat Roelen een andere 'schrijversweg' in, door de overstap te maken naar fictie.

Olav van Bergen en Immo van der Kammen leren elkaar kennen op de KMA, waar ze beiden fanatiek lid worden van de roeivereniging. Tot het moment dat ze allebei uitgezonden worden, trekken de vrienden dagelijks met elkaar op. Een zeer verschillende missie valt het hen ten deel. Olav is een jaar bezig met de voorbereiding op het vertrek van een VN-missie naar Cyprus.

'Mijn VN-toelage maakt die zes maanden vooral tot een riant betaalde vakantie. In feite zijn we kinderjuffen die voorkomen dat de Turken en de Grieken elkaar in de haren vliegen. In de weekenden barbecueën we met de Argentijnen en gaan de soldaten die geen dienst hebben naar het strand om te surfen of te zeilen. Een aantal haalt vandaag zelfs zijn duikbrevet.'


Wanneer de NAVO begin 1999 een luchtoffensief opent in Kosovo, staat de eenheid van Immo wekenlang in opperste paraatheid en wacht op het moment van uitzending. Zijn ervaringen aldaar zijn echter van een geheel andere orde, maar er is te weinig tijd om zijn hart te luchten en volgens de berichten vergaat het hem goed.

'Hij heeft het niet over de regelmatige afrekeningen onder de bevolking, over het besluit van de NAVO om vijf of minder mensen die in een gat bij elkaar liggen niet te zien als een massagraf, maar gewoon als doorsnee criminaliteit. Het zijn geen onderwerpen die je aankaart als je maximaal twee minuten per week naar huis mag bellen met een bakelieten telefoon achter in een oude varkensschuur.'


Bij thuiskomst blijken de verschillen tussen hen onverenigbaar groot te zijn. Olav heeft zijn zaakjes op orde, trouwt en krijgt een zoon, doch Immo blijft malen over die vermaledijde oorlog, blijkt niet bestand te zijn tegen de traumatische ervaringen. Sinds zijn terugkeer zit zijn hoofd vol 'met rook uit Kosovo. Die oorlogssmog vertroebelt zijn kijk op de wereld. Hij wil het er niet over hebben en toch komt het af en toe in gilles-de-la-touretteflarden naar buiten.' Zijn onvermogen om de gebeurtenissen te bolwerken leidt tot PTSS en psychoses. Desondanks mijdt hij ostentatief de geboden zorg, is niet medicatietrouw en vertoont ontremd gedrag. Uiteindelijk wordt hij opgenomen op een gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, om vervolgens weer te ontsnappen.

Een aantal gewelddadige voorvallen leiden ertoe dat hij met justitie te maken krijgt en ten langen leste een gevangenisstraf uit moet zitten. Hierdoor komt hun vriendschap behoorlijk op scherp te staan en wordt de afstand tussen hen letterlijk en figuurlijk groter. Beiden moeten werken aan hun eigen catharsis en elkaar hun kwetsbare wang toe te keren.

Het centrale thema is de vraag of een jarenlange, onvoorwaardelijke kameraadschap met wederzijds vertrouwen, bestand is tegen deze druk en of die nog wel hersteld kan worden. Met name Olav zit gevoelsmatig danig in een spagaat en zal vanuit die positie moeten onderzoeken of hij over zijn eigen schaduw heen kan springen. Hoe loyaal kan men aan de ander blijven in dergelijke ontwrichtende omstandigheden? Waar de vriendschap hen eerst in de weg zit, zou diezelfde vriendschap uiteindelijk ook de redding voor Immo kunnen zijn. 'De afgesneden randen van het tableau van onze vriendschap schuif ik ook nu vakkundig onder het tapijt.'

Roelen heeft het rustig opgebouwde verhaal diverse lagen gegeven; speelt creatief met de chronologie, waardoor het verhaal vanuit het heden en verschillende flashbacks wordt opgebouwd.
Vanuit het perspectief van Olav leidt de auteur de lezer door het verhaal; zijn gedachten, boosheid, verdriet en wanhoop. Een intens en zeer geloofwaardig verhaal waarin Roelen, zonder het te verknoeien met macho taalgebruik en alfagedrag, het gedrag en de misstappen van van een getraumatiseerd man met mededogen en empathie beschrijft. Toch houden de nuchtere toon en de humor het licht genoeg en, ondanks het navrante onderwerp, blijft sentimentaliteit gelukkig achterwege.

--

Eerder verschenen op Tzum

Titel: Zwarte vogel
Auteur: Niels Roelen
Pagina's: 240
ISBN: 9789021423746
Uitgeverij Volt
Verschenen: juni 2021

vrijdag 3 september 2021

Albert Cossery - De trotse bedelaars

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Jurgen Maas
Schwob zomeractie 2021

Daar waar niets is, woedt de storm tevergeefs

Bij een kennismaking in Amerika wordt al vrij snel gevraagd hoeveel men verdient. Als je daar zegt dat je niet werkt oogt dat mateloos respect. Het betekent dat je genoeg geld hebt vergaard om nooit meer te hoeven werken. Daar moest ik aan denken bij het lezen van De trotse bedelaars van Albert Cossery.

Drie van de vier hoofdpersonen werken niet en leven een rijk en aardig zorgeloos leven. Want als je niets hebt en geen wensen najaagt hoef je je ook nergens zorgen om te maken. En als je ook nog amper eet en slaapt is een minimale levensbehoefte ruim voldoende.

'Hij kende armoede geen enkele waarde toe, het bleef voor hem een abstract gegeven.'

Ook al staan deze bedelaars op een laag maatschappelijk niveau, hun eruditie daarentegen is hoog.

Cossery schildert in zijn roman de vier mannen zo sterk en genuanceerd dat de lezer een nauwgezet beeld krijgt van de verschillende personages. In al zijn romans neemt hij trouwens ruim de tijd om de hoofdpersonen tegen het licht aan te houden. Dit verhaal wordt gelardeerd met de gedachtes van de protagonisten. Hun denkwijze, levenshouding, visie op de wereld komen uitgebreid aan bod en worden inzichtelijk voor de lezer. En af en toe sijpelt er iets door uit het verleden.

Degene waar het allemaal om draait en waar het verhaal mee begint is Gohar, een voormalige docent op de Universiteit, die op gegeven ogenblik expliciet voor het bedelaarschap heeft gekozen. Hij weet zijn bestaan te bekostigen door het uitvoeren van een eenvoudige boekhouding voor een hoerenhuis en het schrijven van brieven voor ongeletterden. Daardoor kan hij zich een aftandse kamer veroorloven met daarin een enkele stoel en wat kranten op de vloer. Hij voelt zich rijk, gelukkig en is zeer tevreden. Door een kleine onbalans in zijn leven begaat hij iets verschrikkelijks. Deze rimpel wordt echter al snel weer rechtgetrokken.

De twee andere heren bedelaars horen bij zijn entourage. De eerste is een oerlelijke crimineel, een kleine hasjdealer, die nog steeds onder de juk van zijn dominante moeder zit. Doordat hij welbespraakt is weet hij vrijwel elke gesprek naar zijn hand te zetten. Of het nu wildvreemde vrouwen betreft of politieambtenaren. Duidelijk is dat Gohar zijn meester. Hij hangt aan zijn lippen en wil werkelijk alles voor hem doen.

'Hij had kunnen weten dat een aap in de ogen van zijn moeder de gratie heeft van een gazelle.'

De tweede is een anarchistische dromer met een baan op het ministerie waar hij geen bal uitvoert. Ook hij is welbespraakt en zijn obsessie betreft het redden van een tbc-hoertje. Ook hij legt een levensgroot respect aan de dag voor Gohar.

'De politie zou strijd moeten leveren met een levende vijand, en wel een van de ergste soort: een optimist.'

De laatste heer die ten tonele verschijnt is een rechercheur. Hij vertegenwoordigt de onderdrukkende klasse. Een wereld die haaks staat op die van de trotse bedelaars. Daar heeft de rechercheur steeds meer moeite mee. Ook omdat hij in zijn functie en privéleven aardig ongelukkig is. De bedelaars komen door hun mensenkennis snel achter een zijn geheim. Hierdoor is de rechercheur gelijk geen bedreiging meer. Zijn gesprekken met de ongrijpbare en onbereikbare bedelaars blijken verhelderend.

Cossery heeft een unieke manier van schrijven. Door de innerlijke stem door het verhaal te vlechten krijgen de spelers diepte, komen tot leven en worden hun motieven en beweegredenen voelbaar. Alle superieure zinnen staan als een huis. Alle woorden zijn secuur gewogen en gekozen. Geen woord is overbodig. Maar het is zeker geen droge kost. Naast sprankelende dialogen wisselen humor en cynisme elkaar af.

'Ze zwegen en zonder van hun plaats te komen luisterden ze met verbazing naar de kreten van genot die in de kamer naast hen weerklonken. Na enige tijd hoorden ze het gerinkel van een ijzeren voorwerp: het was de waskom die de vrouw van de man zonder armen en benen gebruikte om zich te wassen nadat ze de liefde hadden bedreven.'


Daardoor is dit proza een genot voor elke taalliefhebber. Ik ben niet in staat om dit boek in de originele Franse uitgave te lezen maar, omdat de Nederlandse vertaling qua taal zo geweldig overeind blijft, wil ik hier een groot compliment maken voor de vertaler Rosalie Siblesz. 

Het mooie van literatuur is dat je kennismaakt met andere werelden, met andere denkbeelden, met totaal andere levens. Juist in onze huidige hyperkapitalistische maatschappij waar, voor veel mensen, alles draait om bezit is en de afstandelijke manier waarop we met elkaar omgaan is De trotse bedelaars voor mij een vermakelijke verademing. Een spiegel die aan het denken zet, zoals ook de rechercheur in deze klucht.


Lees hier de recensie van Marjon Nooij

Titel: De trotse bedelaars
Auteur: Albert Cossery
Vertaling: Rosalie Siblesz
Pagina's: 284
ISBN: 9789491921872
Verschenen: april 2021

maandag 30 augustus 2021

Annie Ernaux - De jaren

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact

Je leven trekt als een film aan je voorbij, of toch niet?

Het duurde heel even voor ik doorhad wat die losse zinnen in het begin van Annie Ernaux’ boek, zonder hoofdletter en punt voorstelden: een opsomming van beelden, foto’s, krantenfoto’s, reclames op winkels en in kranten, filmjournaals, bioscoop en boeken in haar leven, het begin van haar leven.

‘… de werkelijke of gefantaseerde beelden, de beelden die je achtervolgen tot in je slaap. De beelden van een moment die baden in het licht dat alleen die beelden eigen is.

Ze zullen allemaal in één klap verdwijnen, zoals ook zijn verdwenen de miljoenen beelden achter de voorhoofden van grootouders die een halve eeuw geleden zijn overleden, van ouders die intussen ook dood zijn. Beelden waarop je als kleuter voorkwam naast andere mensen die al waren overleden voordat je geboren was, precies zoals in onze herinneringen onze jonge kinderen aanwezig zijn naast onze ouders en onze schoolvriendinnen. En eens zullen wij in de herinneringen van onze kinderen voorkomen te midden van kleinkinderen en van mensen die nog niet geboren zijn. Het geheugen stopt nooit, net zomin als de seksuele begeerte. In het geheugen vindt de koppeling plaats tussen de doden en de levenden, tussen werkelijke en gefantaseerde wezens, tussen droom en geschiedenis.’ (2021: 10-11)

Dit citaat kun je opvatten als de intentie van deze roman van Ernaux. Maar toch verduidelijkt dit citaat niet direct alles. Mijn eerste idee was dat dit boek gaat over het individu in de reeks van opeenvolgende generaties; de persoonlijke geschiedenis in relatie tot de algemene geschiedenis en de filosofische overdenkingen daarover. Een tweede gedachte was: doet Ernaux dit dan voor zichzelf; om aan het eind van haar leven een overzicht te geven en nog eenmaal langs de lijnen en beelden van haar leven te gaan, eventueel voor haar nageslacht? Ik verheugde me op beschouwingen over het verglijden van de tijd, van de ‘tijd’ als ‘ding an sich’, het ouder worden of zoiets, over de ontwikkeling in iemands leven. Maar zo’n boek is het niet geworden; het is geen heel persoonlijke autobiografie en toch is het dat in bepaalde delen wel. Dat het geen doorsnee autobiografie is geworden is natuurlijk helemaal niet erg; de lezer (en ik!, grapje, rdv) dient van tijd tot tijd op het verkeerde been gezet; dat is goed om de aandacht vast te houden en de eigen gedachten en meningen te scherpen. Het is wel een soort van autobiografische roman van Ernaux maar haar leven is onlosmakelijk verbonden met de wereldgeschiedenis en dit is de vorm waarin zij haar roman heeft gepresenteerd.

Het eerste deel van het boek vond ik, hoewel zeer afstandelijk, toch erg aantrekkelijk. Het was niet alleen Ernaux’ leven, maar ook dat van mij, al ben ik geen Française en heb ik in mijn bijna zestigste levensjaar geen dertig jaar jongere minnaar gehad.

Het tweede deel leek te opsommerig, qua gebeurtenissen en uitvindingen en qua boze en gefrustreerde gevoelens. Maar dat kan juist zo bedoeld zijn door de auteur: vorm en inhoud zijn congruent.

Het meest opmerkelijke van deze autobiografische roman is het verschijnsel dat Ernaux nergens het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’ gebruikt, maar ‘jij’ of ‘wij’ of ‘zij’ (enkelvoud). Dat doet vreemd aan. Ik denk dat in het Franse origineel het persoonlijk voornaamwoord ‘on’ veel gebruikt wordt. Dat heeft voor Fransen waarschijnlijk een andere emotionele lading dan ‘wij’ of ‘je’ in het Nederlands. In het Frans is het minder afstandelijk, denk ik.

Maar de Nederlandse vertaling doet afstandelijk aan, terwijl veel beelden juist uiterst persoonlijk zijn. Ik zou kunnen denken aan een dissociatieve persoonlijkheid (dissociatief als in het psychiatrisch ziektebeeld: jezelf opsplitsen in meerdere persoonlijkheden) - en helemaal uit te sluiten is dit niet: want blijven wij gedurende ons leven altijd dezelfde? - of is dit juist een vorm om het individu direct te koppelen aan de geschiedenis. En heeft het opgaan in de geschiedenis een troostende functie? Ik ben niet alleen op de wereld, ik ben deel daarvan. Ik ben aan het eind van mijn leven, maar de zingeving van mijn leven ligt in de samenleving. Ik leef niet alleen voor mezelf. Mijn leven is niet vergeefs geweest. Zijn het juist deze filosofische, sociologische, psychologische begrippen die Ernaux op deze wijze heeft vormgegeven? Wellicht.

Ernaux eindigt met: ‘Iets redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn?’ (ib.: 229) Oké denk ik dan: maar ja waarom dan? Om een boek te schrijven à la Proust? Om je leven een uiteindelijke zin te geven? Voor je kinderen en kleinkinderen? Voor je onsterfelijkheid? Of alles tegelijk?

Het eerste deel boeide me, ontroerde me en bracht me meer terug naar mijn eigen biografie. Deze roman is knap geschreven en heeft ongetwijfeld veel research gekost, maar ik heb er moeite mee die te waarderen. Ze is afstandelijk, en misschien op sommige stukken zo filosofisch dat ik er niet helemaal bij kan. Dat alles zorgt er in ieder geval voor dat het boek nog een hele tijd in mijn geheugen zal zitten.

Hier is een tweede recensie te lezen van De jaren

Titel: De jaren
Auteur: Annie Ernaux
Vertaling: Rokus Hofstede
Pagina's: 232
ISBN: 9789029540650
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: Oktober 2020

maandag 23 augustus 2021

Koen Caris - Stenen eten

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact


Schuld en boete

Ben woont in een dorp en doet dat jaar eindexamen. Hij zorgt ook voor zijn moeder, dat zij op tijd uit bed komt en naar haar werk gaat. Er is iets met die jongen. Er is iets met die moeder. Er is iets met dat huis. Het is een verdrietig huis.
 

Daaraan herken je een verdrietig huis: dat gaat achterlopen op de huizen eromheen. ’s Ochtends blijven de gordijnen langer dicht, en ’s avonds staat de televisie nog aan lang nadat de andere woonkamers donker zijn geworden. De kerstboom komt, als hij komt, een paar dagen voor kerst en blijft daarna staan tot eind januari, steeds kaler en bruiner. De kliko wordt minder vaak naar de hoek van de straat gerold en is, wanneer de vuilnismannen zijn langsgekomen, steevast de laatste die nog moet worden opgehaald, als het laatste kind op de opvang dat nog op zijn ouders wacht en ondertussen toekijkt hoe de begeleidster maar vast de lichten begint uit te doen.’ (2021: 35-36)


Hun zus en dochter is drie jaar daarvoor op het spoor gaan staan, ’s avonds. Hun vader en man heeft het nog proberen uit te houden, maar faalde daarin. Sindsdien zijn zoon en moeder alleen en houden zij elkaar vast en nauwelijks op de been (ja, ik weet het, dit is een zeugma, maar ik vind het hier passen).

En toen kwam Emma, een klasgenoot van Ben, die natuurlijk zijn zus, Kim, gekend had. In zo’n dorp kent iedereen elkaar. En Emma deed hetzelfde: spoor, aanstormende avondtrein, en weer een leven weg.

De rouw en het verdriet bij Ben en zijn moeder worden hierdoor extreem aangewakkerd. Het is niet zozeer dat zij hun verdriet extra gaan voelen, het zijn ook nog de schaamte en een zeer onbestemd gevoel van zich niet weten te gedragen en dus dan maar onzichtbaar willen zijn, dat hen nog verder terugwerpt op zichzelf. En na Emma volgen nog een paar kinderen.

Onderwijl volgen er eindexamenfeesten die zo niet genoemd worden, omdat er geen blijheid en opluchting gevierd worden maar iets van een ongerichte en zelfdestructieve rouw van die kinderen.

Toch is dat zelfs nog niet alles. Ben worstelt met zijn homoseksualiteit, en niet zo’n beetje ook.

De stijl en het verhaal zijn heel beeldend. Ik zie de film al voor me. Dit romandebuut lijkt een mengeling van The Virgin Suïcides van Sofia Coppola en de Netflix-serie 13 Reasons Why. Een high school-drama van Nederlandse bodem. Een coming-of-age-verhaal van een zich schuldig voelende jongen. Een medicijn wordt beproefd, natuurlijk, in drank en drugs, seks, en een obsessie met adrenaline.

Nu er meer slachtoffer van …, nu ja, van wat eigenlijk?, zijn weten Ben en zijn moeder helemaal niet meer hoe zich te gedragen. Ze willen wel aandacht en troost van anderen maar ook weer niet. De aandacht van anderen voor hen lijkt steeds net niet van de goede soort te zijn. Bovendien wordt de dode Kim alsmaar opgevolgd door nog meer suïcidale pubers. Ben denkt cynisch:

Het is moeilijk om lang geïnteresseerd te blijven in een dode, daarvoor blijven ze net te veel dood.’ (ib: 119)

In een dorp zo klein als dit leer je van jongs af aan dat je niet tegen de groep ingaat; als zij je niet meer moeten is er geen tweede.’ (ib.: 196)


Het is zaak behoedzaam en stiekem te handelen. Feesten, je te buiten gaan aan drank en drugs, is een afleidingsmanoeuvre of misschien zelfs wel een plengoffer.

Een vreemde lijst met afvinkthema’s doet de rondte en ook foto’s van Kim en Emma. Wat er precies op de lijst staat wordt Ben niet helemaal duidelijk. In ieder geval iets met een gele panty op het hoofd dragen, een vriendje hebben, vermoedelijk ook seks hebben, jezelf verstikken met je eigen handen, en lest best het gaan staan op de spoorbaan en de trein afwachten, zoals Kim had gedaan.

Het is niet het soort verhaal waarin al deze mysteries opgelost worden. Daar gaat het in dit verhaal niet om. Het gaat om Ben en eigenlijk nog niet eens zozeer om het feit dat hij een buitenstaander is, een nerd - want hij kan goed leren -, een homo - wat hij wel verbergt, maar het is niet zijn diepste geheim. Het gaat om Ben en om zijn schuld en boete. Hij draagt zijn schuld met de vastberadenheid van een groot kind, en hij doet boete met de wanhoop van een richtingloze puber.

De vreemde titel van deze roman Stenen eten is te verklaren uit het feit dat stenen een belangrijke rol spelen in dit verhaal - ja, duh..… Het zijn letterlijk de stenen van het spoor. Op het laatst wordt duidelijk hoe dat zit; dat kan ik niet verklappen. Overal liggen stapeltjes stenen, als een grafheuvel misschien voor de omgekomen kinderen. Als de stenen op een joods graf. Als de steenmannetjes in de bergen om de juiste weg te wijzen.

Maar ook de steen en de stenen die zwaar op je maag liggen, schuldgevoel, rouw, verdriet. Ben vertelt Kim op de bewuste avond het verhaal van de krokodil die stenen eet, moet eten, om zijn eten te kunnen verteren. Overigens doen heel veel vogels dat ook, zoals kippen en duiven (rdv). Ben doet dat omdat hij niet weet wat hij tegen Kim moet zeggen en hoe hij haar nog wat langer kan laten blijven.

Koen Caris (1988) is schrijver, schrijfdocent en vertaler. Hij studeerde in 2011 met lof af aan de opleiding Writing for Performance aan de HKU. Sindsdien schreef hij theaterstukken en hoorspelen voor onder andere BNNVARA, de VPRO, Bellevue Lunchtheater, De Hoorspelfabriek, Korthals Stuurman en Festival Over het IJ. Daarnaast was hij 8 jaar lang huisschrijver van het Utrechtse theatergezelschap Als de Beren Komen.

Zijn werk won prijzen op het Café Theater Festival (2012) en het Amsterdam Fringe Festival (2015), en werd genomineerd voor o.a. de ITs Playwriting Award (2011), de Zilveren Reissmicrofoon (2015) en de Prix Europa (2015, 2017). In 2017 ontving hij het TheaterTekstTalent Stipendium van het Prins Bernhard Cultuurfonds.

Koens werk kenmerkt zich door een combinatie van poëzie en geroep, van harde tekst en zachte bedoelingen. Hij schrijft verrassende well-made plays vol scherpe dialogen en licht-magische elementen. Talige maar toegankelijke tragikomedies over kleine mensen die zich maar net staande houden in een wereld die te groot voor ze is.

Koen werkt daarnaast als vertaler, redacteur en copywriter voor o.a. de Hogeschool van Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, HKU Lectoraat en de AHK. (Bron: https://www.koencaris.nl/)

Titel: Stenen eten
Auteur: Koen Caris
Pagina’s: 253
ISBN: 9789025454876
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: juli 2021