zaterdag 18 september 2021

Willem du Gardijn - Het einde van het lied

Recensie door Eric Waut
Uitgeverij Koppernik

Het einde van het lied

Er zijn zo van die leerkrachten geschiedenis die je nooit zal vergeten. Ze kunnen je meeslepen in het avontuur van de verbeelding. Ze dagen je uit op zoek te gaan naar wat meer achtergrond van bepaalde gebeurtenissen. Kantelmomenten in je schoolperiode. De saaie lessen wiskunde en andere leerstof is bij deze meesters van de vertelkunst even niet aan de orde. Willem du Gardijn kan volgens mij niet anders dan zo’n leraar zijn.

Het einde van het lied is een roman in drie delen. In het eerste deel maken we kennis met Aimé en Adriaan wier relatie zwaar op de proef wordt gesteld. Aimé worstelt blijkbaar met een gebeurtenis. Of is het haar onvruchtbaarheid? Ze gaat zich alsmaar vreemder gedragen en verliest alle controle.

'Ze droomde, was bang. Ze voelde zich naar, raar en duizelig. Nam een extra pil met wijn. Ze kreeg een vlaag van paranoia, liep midden in de nacht de tuin in om de mannen die haar wilden aanvallen zelf aan te vallen.'

Het gedrag van Aimé ontspoort. Je voelt de noodlottige afloop aankomen en vergeet het waarom te ontdekken. Er zijn weinig sporen in het verhaal hiervan. Af en toe een hint, maar zeker ben je niet. Toch is het toch nog even schrikken wanneer ze de finale beslissing neemt.

In het tweede deel vergezellen we Adriaan die, nadat hij zijn vrouw heeft verloren, in Italië vertoeft. Hij is op zoek naar het verhaal van de laatste levensdagen van de Romeinse keizer Hadrianus, je weet wel… die van de muur, van wie men bijna zeker is dat hij in 138 te Baiae is gestorven. Hij gaat op zoek naar het verhaal dat Marguerite Yourcenar in haar boek Memoires d’Hadrien niet heeft geschreven.

We volgen de wetenschapper tijdens zijn zoektocht naar de exacte plaats waar de keizer gestorven is. Een wat nutteloos onderzoek. Toch zijn er tal van andere wetenschapslui die hem helpen tijdens deze merkwaardige zoektocht. Je gaat echt mee op onderzoek. Allerlei kleine verhalen over de Romeinen komen aan bod. Heel onderhoudend. De geschiedenisleraar vertelt. Ondertussen observeert en ontdekt hij een ander Italië. Niet dat van musea en schoolreizen. Het is tijdens deze queeste en de confrontatie met dit andere land, dat hij een antwoord zoekt op de vragen die er zijn omtrent Aimé. Niet het antwoord waarom de doodzieke keizer toch nog de reis ondernam naar het afgelegen Baiae, maar de reden van Aimé haar beslissing.

In het derde deel is de keizer aan het woord. De laatste reis. Vereerd en gevreesd. Maar menselijk. Zijn einde nadert en dat weet hij maar al te goed.

'Zelfs het leven van een keizer was als een druppel die terugvloeide in de oceaan om daarin onnaspeurbaar op te lossen. Misschien dat mijn daden herinnerd zouden worden.'

Maar ook hier is de geschiedenisleraar aan het woord. Allerlei kleine verhalen over de keizer komen aan bod. Echt prachtig opgenomen in dit verhaal.

Het levenslied eindigt met de dood van de keizer. Waarom een leven eindigt is niet belangrijk, het zijn de herinneringen en wat we ons proberen voor te stellen. Wat de omgeving ervaart en nog kan terugvinden van deze persoon. Voor Adriaan zijn dit ook de nagelaten dagboeken van Aimé. Voor de geschiedkundigen zijn dit de geschriften, beeldhouwwerken, triomfbogen,… Wie op zoek gaat naar het verhaal krijgt daarom nog geen antwoord op de vele vragen, maar kan zich even laten opnemen in het verleden.

Dit is een zeer mooi geschreven boek. Een gids voor het aanvaarden van het onaanvaardbare.

We eindigen deze bespreking met een aan keizer Hadrianus toegeschreven gedicht.
(Vertaling Patrick Lateur)
 
'Mijn zieltje lief, mijn vlinderding,
gast en gezel van lijf en leden,
welk oord betreed je nu beneden?
Kleurloos en kaal, een kille kring,
je dartel spel wordt daar verleden.'


Willem du Gardijn (1964) debuteerde in 2008 met de roman Monografie van de mond, waarmee hij werd genomineerd voor de Academia Literatuur Prijs. In 2011 verscheen de verhalenbundel Negen raven en in 2016 de roman Bevrijding. Zijn verhalenbundel Het grote vakantiepark, die in 2018 verscheen, stond op de longlist van de BookSpot Literatuurprijs.
(Bron: boekomslag)

Titel: Het einde van het lied
Auteur: Willem du Gardijn
Pagina's: 229
ISBN: 9789083089836
Uitgeverij Koppernik
Verschenen: september 2021

maandag 13 september 2021

Lotte Dondorp - Zonder ons is er geen muziek

Recensie door Roosje 
Uitgeverij Atlas Contact

Zonder ons zijn er geen verhalen*

Altijd heb ik moeite met het beginnen in of aan een volgend boek. Met grote aandacht begin ik: situatie verkennen, personages leren kennen, de thema’s en het verloop van het verhaal opsporen; me vertrouwd gaan voelen in dat nieuwe boek. Dat kost me een tijdje en soms kost dat meer dan een tijdje en word ik ongeduldig: wanneer beginnen het verhaal, de personages, de situaties me te pakken en te boeien? In een verhalenbundel, zoals deze van Lotte Dondorp, Zonder ons is er geen muziek, is deze ‘wanneer-pakt-het-verhaal-me-situatie’ er constant. Net ben ik als lezer ingewijd of het verhaal is alweer afgelopen. Een verhaal - hoe korter des te dwingerder - moet je met grote aandacht lezen.

Deze bundel bevat achttien korte verhalen, tamelijk kort, in een totaal van 175 bladzijdes, dus nog geen 10 pagina’s per verhaal. Bij mij is ook altijd de vrees aanwezig dat ik de pointe van het verhaal niet snap, dat waar het in essentie omgaat. De meeste korte verhalen hebben een pointe, een min of meer plotselinge omslag aan het einde van het verhaal, waardoor het verhaal begrepen gaat worden. Soms word je als lezer op het verkeerde been gezet, zoals ik me herinner van veel verhalen van Roald Dahl. En evenzo ijverig zoek ik naar het gemeenschappelijk thema in die verhalen.

De personages van Dondorp zijn vrouwen en mannen - gek genoeg vond ik dat opvallend; blijkbaar ga ik ervanuit dat een vrouwelijk auteur vaak een over vrouwelijk hoofdpersonage schrijft; hmmm, nu val ik aardig door de mand; wat een vooroordeel! -. Soms zijn de figuren een ik-personage, soms een hij/zij, soms een volwassene en soms een kind. Soms krijgen ze een naam, maar niet altijd. Wat hen bindt in dit debuut, is hun zeer particuliere ongemakkelijkheid in het leven. De personages worden getroffen door een scheiding, of dood, of verlies, of ouder worden, of een existentiële crisis of iets dergelijks. Erg expliciet wordt hun situatie meestal niet - maar het snijdt hen in ieder geval wel af van hun omgeving - en dat is meteen het mooie van deze bundel: dat het allemaal niet te expliciet wordt. Ik merk dat ik dat ‘mooi’ vind en dat het me stoort als het soms wel een beetje explicieter wordt, zoals - naar mijn gevoel - in ‘De bruiloft’. (Zelf lezen dan maar, dan kom je er wel achter wat ik bedoel.)

Dondorp schrijft heel ‘sferisch’, de buitenwereld reflecteert vaak de situatie van het personage, zoals het roodborstje in de winter, in de sneeuw uit ‘En er is niets veranderd’. Houd het vogeltje in de gaten, dan krijg je een vermoeden wat er met het personage gebeurt. Van oudsher heet zo’n literaire vorm de ‘Natureingang’. Ik houd erg van de natuur, dus een dergelijke beschrijving is erg aan mij besteed. Maar evenzo heerst de Natureingang in ‘Van de aarde vallen’, dat zich afspeelt aan de uiterste westkust van Ierland, al ligt het hier misschien een beetje te veel voor de hand.

Hoe bespreek je dan een verhalenbundel? Lastig is dat. Tijdens het lezen probeer ik me zoveel mogelijk de verschillende verhalen in te prenten, maar ze allemaal gaan bespreken is natuurlijk gekkenwerk. Dan maar proberen de algemene noemer te bepalen. Iets heb ik er al over gezegd. Dondorp schrijft sferisch, en zuinig, geen overbodige woorden, weinig bespiegelingen, en het einde is wat je gerust kunt aanduiden met ‘een open einde’. Dat wordt niet door iedereen gewaardeerd. Je moet je als lezer gaan afvragen welke mogelijkheden er zijn, en omdat er veel niet benoemd wordt, moet je aanwijzingen gaan zoeken in de omstandigheden. Zoals het einde van ‘De zeemeermin’, misschien mijn favoriet uit de bundel. Er is sprake van wankelen vanuit een hoog punt - oei, dat is niet goed! - en daarna alleen maar de vlag aan de stok die ‘bleef bollen in de eindeloze kleuren van de zomer.’ (2021: 111)

Het overkomt mij herhaaldelijk dat ik nog eens terug moet lezen, want dan heb ik blijkbaar toch iets gemist. Of ik begin een verhaal overnieuw als ik het uit heb. Dat doen auteurs wel vaker, dat soort van ‘omgekeerd’ vertellen: het einde eerst, maar dat heb je als lezer niet meteen door, want jij begint voor je gevoel aan het begin. De auteur zet je op een verkeerd been - en hoeveel benen heeft een mens? -.

Heerlijk in ‘Met de wind mee’ is dat oma aan zee kwijt raakt; een omgekeerde situatie. Toen ik klein was lette mijn oma op mij en wist dat ik, totaal in beslag genomen door mijn spel met zand en water, met de wind in de rug langs het strand zou lopen. Daarom raakte ik niet kwijt.

De vrouw in ‘En er is niets veranderd’ spreekt tegen het roodborstje: ‘’We voelen een groot verdriet, we zijn iets verloren wat we helemaal niet hadden willen verliezen, maar we wachten gewoon tot het verdwijnt. Tot we vergeten hoe belangrijk we het vonden. Zonder dat er iets hoeft te gebeuren of te veranderen.’’ (ib.: 150).

Een erg sterk debuut zijn deze gebundelde verhalen van Dondorp. Ik ben blij verrast. Niet elke debuut levert een groot leesgenot.

* Ik kan het het niet laten om een beetje te spelen met de titel van mijn stukje. De titel van deze debuutbundel is Zonder ons is er geen muziek. Zo heet een van de verhalen: het gaat over een vader, een boswachter, die in het bos - weer een Natureingang trouwens - met zijn kinderen muziek maakt. Een familie-orkestje. Hun moeder, zijn vrouw, houdt het in het bos niet uit en gaat terug naar de stad. Weg is het fijne familie-orkestje. Zo ook gaat het met dit debuut: de lezers brengen de verhalen tot leven. Zonder lezers is er geen levend boek. En ik voel me een echte lezer; ik heb geen schrijversambitie. Dus de titel is een ode aan de lezers.

Lotte Dondorp (1987) studeerde literatuurwetenschap en filosofie. In 2019 rondde zij de vierjarige opleiding af aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Haar verhalen verschenen op Revisor.nl, in Hollands Maandblad en Tirade. De verhalenbundel Zonder ons is er geen muziek is haar debuut en verschijnt in augustus 2021. (Bron: https://www.atlascontact.nl/auteur/lotte-dondorp/)

Titel: Zonder ons is er geen muziek
Auteur: Lotte Dondorp
Pagina's: 175
ISBN: 9789025459598
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: augustus 2021

donderdag 9 september 2021

Niels Roelen - Zwarte vogel

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Volt 

De afgesneden randen van het tableau van onze vriendschap

Het zal niemand zijn ontgaan dat in Afghanistan de Taliban met veel geweld de ruimte inneemt die de VN en NAVO achter zich hebben gelaten. Niels Roelen heeft de Koninklijke Militaire Academie (KMA) doorlopen en werd destijds diverse keren als majoor in het Nederlandse leger naar deze brandhaard uitgezonden.

Het schrijven is Roelen niet vreemd; over de missie in Uruzgan hield hij voor defensie een weblog bij, werkte mee aan een aantal verhalenbundels en schreef artikelen voor diverse kranten en tijdschriften. Na vijfentwintig jaar gediend te hebben, is hij fulltime schrijver geworden. Daarnaast geeft hij trainingen en lezingen op het gebied van Leiderschap. Over zijn ervaringen schreef hij eerder Soldaat in Uruzgan en Leven na Uruzgan, waarin hij op rauwe en indringende wijze verslag doet van de trainingen, voorbereidingen en doelstelling van de missies, de lamgeslagen, desolate bevolking, het werken onder continue dreiging en extreme druk, en in het bijzonder over de psychische belasting van de militairen. Met zijn romandebuut Zwarte vogel slaat Roelen een andere 'schrijversweg' in, door de overstap te maken naar fictie.

Olav van Bergen en Immo van der Kammen leren elkaar kennen op de KMA, waar ze beiden fanatiek lid worden van de roeivereniging. Tot het moment dat ze allebei uitgezonden worden, trekken de vrienden dagelijks met elkaar op. Een zeer verschillende missie valt het hen ten deel. Olav is een jaar bezig met de voorbereiding op het vertrek van een VN-missie naar Cyprus.

'Mijn VN-toelage maakt die zes maanden vooral tot een riant betaalde vakantie. In feite zijn we kinderjuffen die voorkomen dat de Turken en de Grieken elkaar in de haren vliegen. In de weekenden barbecueën we met de Argentijnen en gaan de soldaten die geen dienst hebben naar het strand om te surfen of te zeilen. Een aantal haalt vandaag zelfs zijn duikbrevet.'


Wanneer de NAVO begin 1999 een luchtoffensief opent in Kosovo, staat de eenheid van Immo wekenlang in opperste paraatheid en wacht op het moment van uitzending. Zijn ervaringen aldaar zijn echter van een geheel andere orde, maar er is te weinig tijd om zijn hart te luchten en volgens de berichten vergaat het hem goed.

'Hij heeft het niet over de regelmatige afrekeningen onder de bevolking, over het besluit van de NAVO om vijf of minder mensen die in een gat bij elkaar liggen niet te zien als een massagraf, maar gewoon als doorsnee criminaliteit. Het zijn geen onderwerpen die je aankaart als je maximaal twee minuten per week naar huis mag bellen met een bakelieten telefoon achter in een oude varkensschuur.'


Bij thuiskomst blijken de verschillen tussen hen onverenigbaar groot te zijn. Olav heeft zijn zaakjes op orde, trouwt en krijgt een zoon, doch Immo blijft malen over die vermaledijde oorlog, blijkt niet bestand te zijn tegen de traumatische ervaringen. Sinds zijn terugkeer zit zijn hoofd vol 'met rook uit Kosovo. Die oorlogssmog vertroebelt zijn kijk op de wereld. Hij wil het er niet over hebben en toch komt het af en toe in gilles-de-la-touretteflarden naar buiten.' Zijn onvermogen om de gebeurtenissen te bolwerken leidt tot PTSS en psychoses. Desondanks mijdt hij ostentatief de geboden zorg, is niet medicatietrouw en vertoont ontremd gedrag. Uiteindelijk wordt hij opgenomen op een gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, om vervolgens weer te ontsnappen.

Een aantal gewelddadige voorvallen leiden ertoe dat hij met justitie te maken krijgt en ten langen leste een gevangenisstraf uit moet zitten. Hierdoor komt hun vriendschap behoorlijk op scherp te staan en wordt de afstand tussen hen letterlijk en figuurlijk groter. Beiden moeten werken aan hun eigen catharsis en elkaar hun kwetsbare wang toe te keren.

Het centrale thema is de vraag of een jarenlange, onvoorwaardelijke kameraadschap met wederzijds vertrouwen, bestand is tegen deze druk en of die nog wel hersteld kan worden. Met name Olav zit gevoelsmatig danig in een spagaat en zal vanuit die positie moeten onderzoeken of hij over zijn eigen schaduw heen kan springen. Hoe loyaal kan men aan de ander blijven in dergelijke ontwrichtende omstandigheden? Waar de vriendschap hen eerst in de weg zit, zou diezelfde vriendschap uiteindelijk ook de redding voor Immo kunnen zijn. 'De afgesneden randen van het tableau van onze vriendschap schuif ik ook nu vakkundig onder het tapijt.'

Roelen heeft het rustig opgebouwde verhaal diverse lagen gegeven; speelt creatief met de chronologie, waardoor het verhaal vanuit het heden en verschillende flashbacks wordt opgebouwd.
Vanuit het perspectief van Olav leidt de auteur de lezer door het verhaal; zijn gedachten, boosheid, verdriet en wanhoop. Een intens en zeer geloofwaardig verhaal waarin Roelen, zonder het te verknoeien met macho taalgebruik en alfagedrag, het gedrag en de misstappen van van een getraumatiseerd man met mededogen en empathie beschrijft. Toch houden de nuchtere toon en de humor het licht genoeg en, ondanks het navrante onderwerp, blijft sentimentaliteit gelukkig achterwege.

--

Eerder verschenen op Tzum

Titel: Zwarte vogel
Auteur: Niels Roelen
Pagina's: 240
ISBN: 9789021423746
Uitgeverij Volt
Verschenen: juni 2021

vrijdag 3 september 2021

Albert Cossery - De trotse bedelaars

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Jurgen Maas
Schwob zomeractie 2021

Daar waar niets is, woedt de storm tevergeefs

Bij een kennismaking in Amerika wordt al vrij snel gevraagd hoeveel men verdient. Als je daar zegt dat je niet werkt oogt dat mateloos respect. Het betekent dat je genoeg geld hebt vergaard om nooit meer te hoeven werken. Daar moest ik aan denken bij het lezen van De trotse bedelaars van Albert Cossery.

Drie van de vier hoofdpersonen werken niet en leven een rijk en aardig zorgeloos leven. Want als je niets hebt en geen wensen najaagt hoef je je ook nergens zorgen om te maken. En als je ook nog amper eet en slaapt is een minimale levensbehoefte ruim voldoende.

'Hij kende armoede geen enkele waarde toe, het bleef voor hem een abstract gegeven.'

Ook al staan deze bedelaars op een laag maatschappelijk niveau, hun eruditie daarentegen is hoog.

Cossery schildert in zijn roman de vier mannen zo sterk en genuanceerd dat de lezer een nauwgezet beeld krijgt van de verschillende personages. In al zijn romans neemt hij trouwens ruim de tijd om de hoofdpersonen tegen het licht aan te houden. Dit verhaal wordt gelardeerd met de gedachtes van de protagonisten. Hun denkwijze, levenshouding, visie op de wereld komen uitgebreid aan bod en worden inzichtelijk voor de lezer. En af en toe sijpelt er iets door uit het verleden.

Degene waar het allemaal om draait en waar het verhaal mee begint is Gohar, een voormalige docent op de Universiteit, die op gegeven ogenblik expliciet voor het bedelaarschap heeft gekozen. Hij weet zijn bestaan te bekostigen door het uitvoeren van een eenvoudige boekhouding voor een hoerenhuis en het schrijven van brieven voor ongeletterden. Daardoor kan hij zich een aftandse kamer veroorloven met daarin een enkele stoel en wat kranten op de vloer. Hij voelt zich rijk, gelukkig en is zeer tevreden. Door een kleine onbalans in zijn leven begaat hij iets verschrikkelijks. Deze rimpel wordt echter al snel weer rechtgetrokken.

De twee andere heren bedelaars horen bij zijn entourage. De eerste is een oerlelijke crimineel, een kleine hasjdealer, die nog steeds onder de juk van zijn dominante moeder zit. Doordat hij welbespraakt is weet hij vrijwel elke gesprek naar zijn hand te zetten. Of het nu wildvreemde vrouwen betreft of politieambtenaren. Duidelijk is dat Gohar zijn meester. Hij hangt aan zijn lippen en wil werkelijk alles voor hem doen.

'Hij had kunnen weten dat een aap in de ogen van zijn moeder de gratie heeft van een gazelle.'

De tweede is een anarchistische dromer met een baan op het ministerie waar hij geen bal uitvoert. Ook hij is welbespraakt en zijn obsessie betreft het redden van een tbc-hoertje. Ook hij legt een levensgroot respect aan de dag voor Gohar.

'De politie zou strijd moeten leveren met een levende vijand, en wel een van de ergste soort: een optimist.'

De laatste heer die ten tonele verschijnt is een rechercheur. Hij vertegenwoordigt de onderdrukkende klasse. Een wereld die haaks staat op die van de trotse bedelaars. Daar heeft de rechercheur steeds meer moeite mee. Ook omdat hij in zijn functie en privéleven aardig ongelukkig is. De bedelaars komen door hun mensenkennis snel achter een zijn geheim. Hierdoor is de rechercheur gelijk geen bedreiging meer. Zijn gesprekken met de ongrijpbare en onbereikbare bedelaars blijken verhelderend.

Cossery heeft een unieke manier van schrijven. Door de innerlijke stem door het verhaal te vlechten krijgen de spelers diepte, komen tot leven en worden hun motieven en beweegredenen voelbaar. Alle superieure zinnen staan als een huis. Alle woorden zijn secuur gewogen en gekozen. Geen woord is overbodig. Maar het is zeker geen droge kost. Naast sprankelende dialogen wisselen humor en cynisme elkaar af.

'Ze zwegen en zonder van hun plaats te komen luisterden ze met verbazing naar de kreten van genot die in de kamer naast hen weerklonken. Na enige tijd hoorden ze het gerinkel van een ijzeren voorwerp: het was de waskom die de vrouw van de man zonder armen en benen gebruikte om zich te wassen nadat ze de liefde hadden bedreven.'


Daardoor is dit proza een genot voor elke taalliefhebber. Ik ben niet in staat om dit boek in de originele Franse uitgave te lezen maar, omdat de Nederlandse vertaling qua taal zo geweldig overeind blijft, wil ik hier een groot compliment maken voor de vertaler Rosalie Siblesz. 

Het mooie van literatuur is dat je kennismaakt met andere werelden, met andere denkbeelden, met totaal andere levens. Juist in onze huidige hyperkapitalistische maatschappij waar, voor veel mensen, alles draait om bezit is en de afstandelijke manier waarop we met elkaar omgaan is De trotse bedelaars voor mij een vermakelijke verademing. Een spiegel die aan het denken zet, zoals ook de rechercheur in deze klucht.


Lees hier de recensie van Marjon Nooij

Titel: De trotse bedelaars
Auteur: Albert Cossery
Vertaling: Rosalie Siblesz
Pagina's: 284
ISBN: 9789491921872
Verschenen: april 2021

maandag 30 augustus 2021

Annie Ernaux - De jaren

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact

Je leven trekt als een film aan je voorbij, of toch niet?

Het duurde heel even voor ik doorhad wat die losse zinnen in het begin van Annie Ernaux’ boek, zonder hoofdletter en punt voorstelden: een opsomming van beelden, foto’s, krantenfoto’s, reclames op winkels en in kranten, filmjournaals, bioscoop en boeken in haar leven, het begin van haar leven.

‘… de werkelijke of gefantaseerde beelden, de beelden die je achtervolgen tot in je slaap. De beelden van een moment die baden in het licht dat alleen die beelden eigen is.

Ze zullen allemaal in één klap verdwijnen, zoals ook zijn verdwenen de miljoenen beelden achter de voorhoofden van grootouders die een halve eeuw geleden zijn overleden, van ouders die intussen ook dood zijn. Beelden waarop je als kleuter voorkwam naast andere mensen die al waren overleden voordat je geboren was, precies zoals in onze herinneringen onze jonge kinderen aanwezig zijn naast onze ouders en onze schoolvriendinnen. En eens zullen wij in de herinneringen van onze kinderen voorkomen te midden van kleinkinderen en van mensen die nog niet geboren zijn. Het geheugen stopt nooit, net zomin als de seksuele begeerte. In het geheugen vindt de koppeling plaats tussen de doden en de levenden, tussen werkelijke en gefantaseerde wezens, tussen droom en geschiedenis.’ (2021: 10-11)

Dit citaat kun je opvatten als de intentie van deze roman van Ernaux. Maar toch verduidelijkt dit citaat niet direct alles. Mijn eerste idee was dat dit boek gaat over het individu in de reeks van opeenvolgende generaties; de persoonlijke geschiedenis in relatie tot de algemene geschiedenis en de filosofische overdenkingen daarover. Een tweede gedachte was: doet Ernaux dit dan voor zichzelf; om aan het eind van haar leven een overzicht te geven en nog eenmaal langs de lijnen en beelden van haar leven te gaan, eventueel voor haar nageslacht? Ik verheugde me op beschouwingen over het verglijden van de tijd, van de ‘tijd’ als ‘ding an sich’, het ouder worden of zoiets, over de ontwikkeling in iemands leven. Maar zo’n boek is het niet geworden; het is geen heel persoonlijke autobiografie en toch is het dat in bepaalde delen wel. Dat het geen doorsnee autobiografie is geworden is natuurlijk helemaal niet erg; de lezer (en ik!, grapje, rdv) dient van tijd tot tijd op het verkeerde been gezet; dat is goed om de aandacht vast te houden en de eigen gedachten en meningen te scherpen. Het is wel een soort van autobiografische roman van Ernaux maar haar leven is onlosmakelijk verbonden met de wereldgeschiedenis en dit is de vorm waarin zij haar roman heeft gepresenteerd.

Het eerste deel van het boek vond ik, hoewel zeer afstandelijk, toch erg aantrekkelijk. Het was niet alleen Ernaux’ leven, maar ook dat van mij, al ben ik geen Française en heb ik in mijn bijna zestigste levensjaar geen dertig jaar jongere minnaar gehad.

Het tweede deel leek te opsommerig, qua gebeurtenissen en uitvindingen en qua boze en gefrustreerde gevoelens. Maar dat kan juist zo bedoeld zijn door de auteur: vorm en inhoud zijn congruent.

Het meest opmerkelijke van deze autobiografische roman is het verschijnsel dat Ernaux nergens het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’ gebruikt, maar ‘jij’ of ‘wij’ of ‘zij’ (enkelvoud). Dat doet vreemd aan. Ik denk dat in het Franse origineel het persoonlijk voornaamwoord ‘on’ veel gebruikt wordt. Dat heeft voor Fransen waarschijnlijk een andere emotionele lading dan ‘wij’ of ‘je’ in het Nederlands. In het Frans is het minder afstandelijk, denk ik.

Maar de Nederlandse vertaling doet afstandelijk aan, terwijl veel beelden juist uiterst persoonlijk zijn. Ik zou kunnen denken aan een dissociatieve persoonlijkheid (dissociatief als in het psychiatrisch ziektebeeld: jezelf opsplitsen in meerdere persoonlijkheden) - en helemaal uit te sluiten is dit niet: want blijven wij gedurende ons leven altijd dezelfde? - of is dit juist een vorm om het individu direct te koppelen aan de geschiedenis. En heeft het opgaan in de geschiedenis een troostende functie? Ik ben niet alleen op de wereld, ik ben deel daarvan. Ik ben aan het eind van mijn leven, maar de zingeving van mijn leven ligt in de samenleving. Ik leef niet alleen voor mezelf. Mijn leven is niet vergeefs geweest. Zijn het juist deze filosofische, sociologische, psychologische begrippen die Ernaux op deze wijze heeft vormgegeven? Wellicht.

Ernaux eindigt met: ‘Iets redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn?’ (ib.: 229) Oké denk ik dan: maar ja waarom dan? Om een boek te schrijven à la Proust? Om je leven een uiteindelijke zin te geven? Voor je kinderen en kleinkinderen? Voor je onsterfelijkheid? Of alles tegelijk?

Het eerste deel boeide me, ontroerde me en bracht me meer terug naar mijn eigen biografie. Deze roman is knap geschreven en heeft ongetwijfeld veel research gekost, maar ik heb er moeite mee die te waarderen. Ze is afstandelijk, en misschien op sommige stukken zo filosofisch dat ik er niet helemaal bij kan. Dat alles zorgt er in ieder geval voor dat het boek nog een hele tijd in mijn geheugen zal zitten.

Hier is een tweede recensie te lezen van De jaren

Titel: De jaren
Auteur: Annie Ernaux
Vertaling: Rokus Hofstede
Pagina's: 232
ISBN: 9789029540650
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: Oktober 2020

maandag 23 augustus 2021

Koen Caris - Stenen eten

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact


Schuld en boete

Ben woont in een dorp en doet dat jaar eindexamen. Hij zorgt ook voor zijn moeder, dat zij op tijd uit bed komt en naar haar werk gaat. Er is iets met die jongen. Er is iets met die moeder. Er is iets met dat huis. Het is een verdrietig huis.
 

Daaraan herken je een verdrietig huis: dat gaat achterlopen op de huizen eromheen. ’s Ochtends blijven de gordijnen langer dicht, en ’s avonds staat de televisie nog aan lang nadat de andere woonkamers donker zijn geworden. De kerstboom komt, als hij komt, een paar dagen voor kerst en blijft daarna staan tot eind januari, steeds kaler en bruiner. De kliko wordt minder vaak naar de hoek van de straat gerold en is, wanneer de vuilnismannen zijn langsgekomen, steevast de laatste die nog moet worden opgehaald, als het laatste kind op de opvang dat nog op zijn ouders wacht en ondertussen toekijkt hoe de begeleidster maar vast de lichten begint uit te doen.’ (2021: 35-36)


Hun zus en dochter is drie jaar daarvoor op het spoor gaan staan, ’s avonds. Hun vader en man heeft het nog proberen uit te houden, maar faalde daarin. Sindsdien zijn zoon en moeder alleen en houden zij elkaar vast en nauwelijks op de been (ja, ik weet het, dit is een zeugma, maar ik vind het hier passen).

En toen kwam Emma, een klasgenoot van Ben, die natuurlijk zijn zus, Kim, gekend had. In zo’n dorp kent iedereen elkaar. En Emma deed hetzelfde: spoor, aanstormende avondtrein, en weer een leven weg.

De rouw en het verdriet bij Ben en zijn moeder worden hierdoor extreem aangewakkerd. Het is niet zozeer dat zij hun verdriet extra gaan voelen, het zijn ook nog de schaamte en een zeer onbestemd gevoel van zich niet weten te gedragen en dus dan maar onzichtbaar willen zijn, dat hen nog verder terugwerpt op zichzelf. En na Emma volgen nog een paar kinderen.

Onderwijl volgen er eindexamenfeesten die zo niet genoemd worden, omdat er geen blijheid en opluchting gevierd worden maar iets van een ongerichte en zelfdestructieve rouw van die kinderen.

Toch is dat zelfs nog niet alles. Ben worstelt met zijn homoseksualiteit, en niet zo’n beetje ook.

De stijl en het verhaal zijn heel beeldend. Ik zie de film al voor me. Dit romandebuut lijkt een mengeling van The Virgin Suïcides van Sofia Coppola en de Netflix-serie 13 Reasons Why. Een high school-drama van Nederlandse bodem. Een coming-of-age-verhaal van een zich schuldig voelende jongen. Een medicijn wordt beproefd, natuurlijk, in drank en drugs, seks, en een obsessie met adrenaline.

Nu er meer slachtoffer van …, nu ja, van wat eigenlijk?, zijn weten Ben en zijn moeder helemaal niet meer hoe zich te gedragen. Ze willen wel aandacht en troost van anderen maar ook weer niet. De aandacht van anderen voor hen lijkt steeds net niet van de goede soort te zijn. Bovendien wordt de dode Kim alsmaar opgevolgd door nog meer suïcidale pubers. Ben denkt cynisch:

Het is moeilijk om lang geïnteresseerd te blijven in een dode, daarvoor blijven ze net te veel dood.’ (ib: 119)

In een dorp zo klein als dit leer je van jongs af aan dat je niet tegen de groep ingaat; als zij je niet meer moeten is er geen tweede.’ (ib.: 196)


Het is zaak behoedzaam en stiekem te handelen. Feesten, je te buiten gaan aan drank en drugs, is een afleidingsmanoeuvre of misschien zelfs wel een plengoffer.

Een vreemde lijst met afvinkthema’s doet de rondte en ook foto’s van Kim en Emma. Wat er precies op de lijst staat wordt Ben niet helemaal duidelijk. In ieder geval iets met een gele panty op het hoofd dragen, een vriendje hebben, vermoedelijk ook seks hebben, jezelf verstikken met je eigen handen, en lest best het gaan staan op de spoorbaan en de trein afwachten, zoals Kim had gedaan.

Het is niet het soort verhaal waarin al deze mysteries opgelost worden. Daar gaat het in dit verhaal niet om. Het gaat om Ben en eigenlijk nog niet eens zozeer om het feit dat hij een buitenstaander is, een nerd - want hij kan goed leren -, een homo - wat hij wel verbergt, maar het is niet zijn diepste geheim. Het gaat om Ben en om zijn schuld en boete. Hij draagt zijn schuld met de vastberadenheid van een groot kind, en hij doet boete met de wanhoop van een richtingloze puber.

De vreemde titel van deze roman Stenen eten is te verklaren uit het feit dat stenen een belangrijke rol spelen in dit verhaal - ja, duh..… Het zijn letterlijk de stenen van het spoor. Op het laatst wordt duidelijk hoe dat zit; dat kan ik niet verklappen. Overal liggen stapeltjes stenen, als een grafheuvel misschien voor de omgekomen kinderen. Als de stenen op een joods graf. Als de steenmannetjes in de bergen om de juiste weg te wijzen.

Maar ook de steen en de stenen die zwaar op je maag liggen, schuldgevoel, rouw, verdriet. Ben vertelt Kim op de bewuste avond het verhaal van de krokodil die stenen eet, moet eten, om zijn eten te kunnen verteren. Overigens doen heel veel vogels dat ook, zoals kippen en duiven (rdv). Ben doet dat omdat hij niet weet wat hij tegen Kim moet zeggen en hoe hij haar nog wat langer kan laten blijven.

Koen Caris (1988) is schrijver, schrijfdocent en vertaler. Hij studeerde in 2011 met lof af aan de opleiding Writing for Performance aan de HKU. Sindsdien schreef hij theaterstukken en hoorspelen voor onder andere BNNVARA, de VPRO, Bellevue Lunchtheater, De Hoorspelfabriek, Korthals Stuurman en Festival Over het IJ. Daarnaast was hij 8 jaar lang huisschrijver van het Utrechtse theatergezelschap Als de Beren Komen.

Zijn werk won prijzen op het Café Theater Festival (2012) en het Amsterdam Fringe Festival (2015), en werd genomineerd voor o.a. de ITs Playwriting Award (2011), de Zilveren Reissmicrofoon (2015) en de Prix Europa (2015, 2017). In 2017 ontving hij het TheaterTekstTalent Stipendium van het Prins Bernhard Cultuurfonds.

Koens werk kenmerkt zich door een combinatie van poëzie en geroep, van harde tekst en zachte bedoelingen. Hij schrijft verrassende well-made plays vol scherpe dialogen en licht-magische elementen. Talige maar toegankelijke tragikomedies over kleine mensen die zich maar net staande houden in een wereld die te groot voor ze is.

Koen werkt daarnaast als vertaler, redacteur en copywriter voor o.a. de Hogeschool van Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, HKU Lectoraat en de AHK. (Bron: https://www.koencaris.nl/)

Titel: Stenen eten
Auteur: Koen Caris
Pagina’s: 253
ISBN: 9789025454876
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: juli 2021

vrijdag 13 augustus 2021

Jac. P. Thijsse - Nu ga ik er eens op uit

Recensie door Eric Waut 
Uitgeverij Van Oorschot

De natuurliefhebber aan het werk

Wer dir, ja dir Natur, sein ganzes Sein ergeben,
Der fühlt das herbe Weh der armen Erde kaum;
Du lebst in ihm, er lebt in dir ein selges Leben,
Und diese Seligkeit ist mehr als flüchtiger Traum

Met deze strofe uit een gedicht van Ludwig Bechstein (1801-1860) An die Natur, opent Jac. P. Thijsse Nu ga ik er eens op uit; zijn natuurdagboeken.

Jacobus Pieter Thijsse werd geboren in 1865 te Middelburg. Zijn vader was beroepsmilitair en later als burger actief in militaire sfeer. Hij bracht zijn jeugd door in Grave, Woerden en Amsterdam. Thijsse volgde een opleiding als onderwijzer maar was vooral gefascineerd door de natuur. Hij had duidelijk ambitie om over zijn observaties in de natuur te gaan schrijven. Hij huwde in 1891 met Helena Christina Petronella Bosch. Het gezin heeft een tijdje gewoond te Texel alwaar hij hoofd van de Franse school was. Ze zijn echter teruggekeerd naar Amsterdam. Later is het gezin Thijsse gaan wonen te Bloemendaal. Thijsse raakte bevriend met een andere natuurliefhebber, Eli Heimans (1861-1914). Samen leverden ze een belangrijke bijdrage aan de popularisering van de natuurstudie en stonden ze aan de basis van de natuurbescherming in Nederland. In 1922 kreeg Thijsse een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam. Thijsse overleed in 1945.

Jac. P. Thijsse is ook bekend voor de zogenaamde Verkade-albums die verschenen vanaf het begin van de vorige eeuw. De koekjesfabrikant Verkade voegde plaatjes bij zijn producten. Deze konden worden verzameld en in speciaal daarvoor gemaakte albums worden ingeplakt. Hierbij beschreef Thijsse de Nederlandse flora en fauna op boeiende wijze. Bekend zijn de jaargetijdealbums (Lente, Zomer, Herfst en Winter) en albums over biotopen en natuurgebieden, zoals het Naardermeer. (1) Ze blijken tweedehands nog behoorlijk gezocht en van enige waarde. Daarnaast is Thijsse ook gekend voor een reeks andere uitgaven zoals: Het Vogeljaar en talloze artikelen voor De Levende Natuur

Het is momenteel een hype aan het worden. Terwijl er vrij onheilspellende berichten zijn hoe slecht het gesteld is met onze aarde komt een deel van de bevolking naar buiten. Wandelaars en hikers lopen elkaar voor de voeten.

Wandelen is stilaan ook een literair thema aan het worden. Uitgeverijen zullen dit ook reeds hebben opgemerkt. Natuurdagboeken van bepaalde auteurs worden (her)ontdekt. Het was dan toch wel even afwachten hoe het zou aflopen met de uitgave van deze dagboeken (I: periode 1884-1887 en II: periode 1894-1898) van Jac. P. Thijsse. Een eerste vaststelling is namelijk dat Thijsse in deze dagboeken weinig of geen persoonlijke beschouwingen prijsgeeft. Verder dan een: 'Geen dag is verloren die ons in aanraking brengt met het leven der natuur' komt hij niet. Zelfs als hij op stap is met de bekende auteur Frederik van Eeden (1860-1932) blijft hij de zakelijke bioloog die observeert en noteert. Het is hier zeker geen natuurdagboek zoals dat van Nescio. Thijsse was geen mysticus. Wat maakt dit boek dan zo bijzonder?

Vooreerst is het zo dat deze uitgave zeer rijk geïllustreerd is met Thijsses eigen tekeningen, en met het prachtige beeldmateriaal uit de Verkadealbums en andere boeken van Thijsse. Werkelijk fascinerend en verhalend. Zeker als Thijsse een beschrijving geeft van wat hij ziet. Een andere reden is toch wel de vaststelling dat iets meer dan honderd jaar geleden het echt beter gesteld was met de biodiversiteit. Zo nemen we kennis in een artikel uit 1897 van een observatie van heel wat grutto’s die komen aanvliegen. Zelf nooit gezien.

Thijsse was een natuuractivist die (soms) in actie schoot toen bepaalde prachtige stukken natuur een andere bestemming zouden krijgen. Toch is hij af en toe een pragmaticus. Hij zocht zijn 'kleine' overwinningen. Bekend, en mooi omschreven in dit boek, is zijn actie in verband met het Naardermeer. Dit gebied was omstreeks 1900 ontdekt als vogelrijk gebied. Er waren echter plannen om hiervan een vuilstortplaats te maken. Hiertegen kwam er protest waarbij Thijsse het voortouw nam. Een en ander resulteerde in de oprichting van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland.

Een andere reden is de selectie van artikelen van Thijsse die in deze uitgave zijn opgenomen. Hier zien we de natuurliefhebber aan het werk. Mooie omschrijvingen en zin voor detail. Zelfs een beetje avontuurlijk. Moeilijk wel om te volgen wanneer je geen bioloog van opleiding bent. Toch is er af en toe enige duiding en zijn al de vertalingen van de Latijnse namen keurig opgenomen in een register.

Het is wel even schrikken als we kennis nemen dat er af en toe in opdracht en om wetenschappelijke redenen een vogel en nestje diende te sneuvelen. Het is echter minder schrikken dan wat te lezen is in andere negentiende-eeuwse boeken op het gebied van de natuurlijke historie. Ik herinner mij het werk van Alfred Russel Wallace, Het Maleise eilandenrijk, in dat verband nog als een prachtig werk, met uitzondering van de passages waar de auteur beschrijft hoe hij op jacht gaat. Het zijn de tijden toen er nog geen camera’s konden meereizen met krachtige lenzen. Opgezette dieren in een museum waren het equivalent van de natuurdocumentaires van nu. Zo denk ik maar.

De echte meerwaarde van dit boek is de wijze hoe de samensteller, Marga Coesèl, is te werk gegaan. Mooie verzameling van beeldmateriaal, verklarende voetnoten en verduidelijkingen. Ogenschijnlijk de juiste keuzes gemaakt. Vakwerk! Marga Coesèl is biologe en als gastonderzoeker verbonden aan de Artis Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam en jarenlang actief in de Heimans en Thijsse Stichting. (2)

Deze prachtige uitgave van Van Oorschot hoort in de betere boekenverzameling.

Voetnoten:

(2) https://www.heimansenthijssestichting.nl


Titel: Nu ga ik er eens op uit. Wandeldagboeken 1884-1898
Auteur: Jac. P. Thijsse (bezorgd door Marga Coesèl)
Pagina’s: 240
ISBN: 9789028220010
Uitgeverij Van Oorschot
Verschenen: juli 2021

maandag 9 augustus 2021

Annie Ernaux - De jaren

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Atlas Contact

Herinneringen zullen verdwijnen als we ze niet documenteren

Al in 2008 verscheen in Frankrijk Les Années van Annie Ernaux (1940). Een historiographie extraordinaire; een autosociobiografie, zoals ze het zelf noemt. Het duurde nog 12 jaar voor het in een sublieme vertaling van Rokus Hofstede in het Nederlands verscheen. Waarschijnlijk is er lang getwijfeld of de Nederlandse lezer er wel warm voor zou lopen, omdat de literaire vorm zo experimenteel is en een unieke stijl heeft. Dat De jaren hier uiteindelijk in coronatijd is verschenen is gedurfd, maar dit opmerkelijke boek is niet onopgemerkt gebleven.

Ernaux schreef met De jaren – dat wordt gezien als haar magnum opus – een chronologisch opgebouwde existentiële ontwikkelingsroman zonder plot, waarin ze de tijd als het ware opvoert als de protagonist. Ze neemt in een lange monologue intérieur de lezer mee door pakweg de eerste 65 jaar van haar leven; het collectieve geheugen waarin leeftijdsgenoten punten van herkenning zullen vinden, ondanks dat het politiek en cultureel gezien heel Frans is. Ze heeft als het ware allemaal kleine lapjes gebreid die ze tot een kleurrijke lappendeken heeft samengevoegd. Door middel van deze fragmentarische synthese brengt ze de gebeurtenissen van haar tijd tot leven; een geschiedenisles die als een film van foto's aan de lezer voorbij flitst. Dit doet ze zowel op micro (haar eigen leven) als op macro (landelijk) niveau.

Haar leven begint in Normandië, waar ze in een onbemiddeld milieu opgroeit, in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog, terwijl Frankrijk haar wonden likt. Haar familie is niet verschoond gebleven van wreedheden van de oorlog. Ernaux ontworstelt zich aan het milieu en gaat romanistiek studeren, waarna ze als docent werkt op een middelbare school. In 1983 verschijnt haar roman La place/De plek die haar in één klap beroemd maakt. Hierin portretteert ze op openhartige wijze haar overleden vader, zoals hij was en hoe hij zich van boerenknecht heeft opgewerkt tot kleine kruidenier, maar niet hoger op de maatschappelijke ladder wist te klimmen en er zijn hoop op had gevestigd dat het zijn dochter wel zou lukken.
 

'Je had tijd genoeg om naar dingen te verlangen, het plastic schooletui, schoenen met crêpezolen, het gouden horloge. Het bezit ervan was geen ontgoocheling. Je liet ze door anderen bewonderen. Het mysterie en de magie waarvan ze vervuld waren, raakten niet uitgeput als ze werden bekeken en betast. Wanneer je ze door je handen liet gaan, bleef je van die spullen iets ondefinieerbaars verwachten, ook nadat je ze had gekregen.'


Jarenlang heeft ze aantekeningen gemaakt en gedubd over de structuur van het boek dat ze voor ogen had. In het begin lijken haar herinneringen flarden, zonder interpunctie, maar gaandeweg verandert haar stijl, die – zonder metaforen en beeldspraak – toch enigszins kaal blijft. Ze beschrijft hoe de veranderingen in de loop der tijd van invloed zijn geweest op het leven, de kansen en het welbevinden van de vrouw in het algemeen. Ze vertelt haar verhalen '[…] door de lens van het geheugen, van tegenwoordige en herinnerde indrukken, culturele gewoonten, taal, foto’s, boeken, liedjes, radio, televisie, reclame en krantenkoppen.' Hierbij weet ze zo over foto's te vertellen en beelden op te roepen, dat visualiseren haast vanzelf gaat.

Ook haar eigen geschiedenis en studententijd passeren de revue, evenals de gebeurtenissen in de wereld: op het politieke vlak, de technologische sprongen vooruit, klassenverschillen en het onvermijdelijke botsen van generaties, 9/11, de emancipatie en seksuele revolutie, aids, het seksperimenteren en de angst voor ongewenste zwangerschap in zestiger jaren, waardoor de vrouwen steeds met de thermometers in de weer waren. Het biedt een herkenbaar tijdbeeld dat ze op subtiele wijze aan de hand van foto's beschrijft. Ze reflecteert, leidt je door de tijd en neemt geen blad voor de mond, maakt niets mooier dan het was. De foto's zijn echter niet in het boek afgedrukt, zodat de lezer onbevooroordeeld is en de ruimte krijgt om zelf beelden te vormen.

'[…] alle schemerige beelden uit de vroegste kinderjaren, met de plassen licht van een zomerzondag, de droombeelden waarin overleden verwanten uit de dood opstaan, waarin je over ondefinieerbare wegen loopt [...]'


Door zichzelf steevast in de derde persoon enkelvoud te zetten en gebruik te maken van de helikopterview, maakt ze haar eigen verhaal onpersoonlijker, anonimiseert en objectiveert ze zichzelf, houdt distantie. Ze schroomt niet zichzelf meedogenloos te beschrijven, zoals haar uiterlijk. Belangrijke thema's zijn het feminisme en haar linksgeoriënteerde gedachtegoed. Haar bewondering voor Simone de Beauvour steekt ze niet onder stoelen of banken en zegt dat de echte revolutie van de vrouw nog niet beslecht is.

Vanuit twee perspectieven beschrijft Ernaux de geschiedenis: de vertellende 'ik' – ze heeft alles immers al eens meegemaakt – en anderzijds de belevende 'ik', hoewel ze het woordje 'ik' geen enkele keer gebruikt. Hierbij heeft ze zichzelf een oulipiaanse beperking  opgelegd; die, net als het opsommen en de minutieuze beschrijvingen, één van de kenmerken is waaruit blijkt dat ze schatplichtig is aan Georges Perec. Ook komt na verloop van tijd Proust met zijn Verloren tijd in beeld, wordt haar vorm Proustiaans en klinkt urgentie door van het gevoel dat het eind der tijden nabij is.
 

'De zoektocht naar de verloren tijd liep via het web. Archiefdocumenten en allerlei dingen van vroeger die we nooit ofte nimmer hadden gedacht terug te zullen vinden, kwamen onverwijld tot ons. Het geheugen was onuitputtelijk geworden, maar de diepte van de tijd was weg – het gevoel dat je kreeg bij de geur van vergeeld papier, bij ezelsoren in boeken, bij een door een onbekende hand onderstreepte alinea. We bevonden ons in een eindeloos heden.'


De jaren is een magnifieke caleidoscopische collage waarmee Ernaux vanuit haar eigen gezichtspunt verscheidene historische gebeurtenissen en persoonlijke ervaringen op schrift heeft gesteld. Ze heeft haar eigen leven gedocumenteerd, waarbij ze aangeeft te beseffen dat haar geheugen niet onfeilbaar is. Het vlieten van de tijd, de vergankelijkheid, veranderingen in de mores van generatie op generatie en allerlei zintuiglijke ervaringen worden invoelbaar gemaakt, met een flinke dosis melancholie.

De plotloze, gefragmenteerde structuur die Ernaux hanteert is even wennen, maar de openhartige en soms zelfs intieme ontboezemingen grijpen je al snel bij de lurven en weten te ontroeren. Mooi komt naar voren dat Ernaux met het ouder worden, ook milder wordt.

Met dit rijke werk heeft Ernaux iets willen redden van de geschiedenis van het gewone leven en de tijd die nooit meer terug zal komen. Ondanks dat overduidelijk de Franse mores wordt beschreven, is het toch op veel punten herkenbaar voor de Nederlandse lezer. Het werkt als katalysator en laat laadjes in je herinnering openspringen.

--

Eerder verschenen op Tzum 


Titel: De jaren
Auteur: Annie Ernaux
Vertaling: Rokus Hofstede
Pagina's: 232
ISBN: 9789029540650
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: Oktober 2020

woensdag 4 augustus 2021

Józef Wittlin - Het zout der aarde

Recensie door Mireille Bregman
Uitgeverij Wereldbibliotheek 
Schwob winteractie 2020-2021

De Armee van de Dubbelmonarchie

'Een verwonderde baanwachter in het verre Hoetsoelse land sluit voortdurend de slagboom. Zó veel treinen deze nacht en allemaal naar Hongarije. "Wat is er aan de hand?" "Oorlog!"'


Juli 1914. Józef Wittlin beschrijft in Het zout der aarde een bepalende gebeurtenis in de Eerste Wereldoorlog wanneer de keizer van Oostenrijk-Hongarije een oorlogsverklaring tekent aan Servië. Het uitgestrekte keizerrijk en koninkrijk mobiliseert haar troepen, dus de mannen komen uit alle windstreken naar kazernes toe om onder de geel-zwarte vaandels van de kaiserlich und königliche Armee te vechten. Vanuit Wenen, Galicië, Moravië, Bosnië, vanaf de rivieren Donau, Weichsel, Boeg, Memel worden mannen opgeroepen en in treinwagons gestopt. Heel Europa maakt zich op voor een kortdurende oorlog. De roman roept, juicht, stampt in de proloog. Daarna gaat het verhaal naar de simpele ziel Piotr Niewiadomski die door de oproep van zijn bovengeschikte eindelijk de begeerde kepie van de spoorwegen mag opzetten. Hij begrijpt als analfabeet lang niet alles, maar vanuit zijn baanwachtershuisje langs de lijn Lemberg- Czernowitz- Itzkány ziet hij wel dat de treinen vol officieren en soldaten uit verschillende delen van (nu) Polen, Oekraïne en Roemenië richting Boedapest gaan.

Dan wordt hij zelf ook opgeroepen, eerst voor keuring en pas weken later voor de militaire opleiding, Samen met de boeren, orthodox-christenen, Joden, katholieken, die 'vervloekte' Hongaren en wat al niet meer wordt hij in net zo'n trein gezet.
 

'Eentje van de keizer begrijpt een ander van de keizer altijd wel, al was het maar in het Duits. Deze gendarme was er een van de koning. Zie je wel, de Hongaren verdienen zelfs geen keizer.'


Kenmerkend aan de hele roman is dat Wittlin je een panorama biedt op alle oorlogsvoorbereidingen: 
van de oorlogseed ("linksom of rechtsom, je leven behoort de keizer toe"), de dood van de paus en orthodoxe gebruiken ga je naar het leven van de Stabsfeldwebel die het leger praktisch ademt. Altijd keer je terug naar Piotr.

De taal is in het begin bombastisch te noemen, dat zwakt af maar de auteur heeft een goed oog voor detail gehad. Zeker voor wat betreft de vele volkeren met hun talen die, als je niet oppast, elkaar de tent uit vechten, maar het achterwege laten omdat ze in hetzelfde kaiserlich und königliche Armee vechten. Daarom heb ik er tijdens het lezen een paar kaarten bij gezocht die de geografische indeling ten tijde van 1910 tonen.

Achterin is een extra hoofdstuk met uitleg van Madeleine Rietra, vicevoorzitter Internationale Joseph Roth Genootschap opgenomen. De Pool Wittlin was een vriend van Roth en moest ook zijn land ontvluchten voor WOII. Tijdens de vlucht gingen zijn manuscripten voor de twee vervolgdelen op Sól ziemi/Het zout der aarde verloren. De trilogie zou De geschiedenis van de geduldige infanterist moeten heten. Het lukte Wittlin later in zijn Amerikaanse leven niet meer het alsnog af te ronden. In 1937 kwam het boek voor het eerst in het Nederlands uit, in 2020 vertaalde Dirk Zijlstra het opnieuw, voortreffelijk. Het zout der aarde is een zeer passende titel in het licht van de trilogie en is een literair verhaal dat iedereen zou moeten lezen die zich onder meer verdiept in Zweig, Roth, Mann.

Titel: Het zout der aarde
Auteur: Józef Wittlin
Vertaling: Dirk Zijlstra
Pagina's: 320
ISBN: 9789028450875
Uitgeverij Wereldbibliotheek
Verschenen: oktober 2020

donderdag 29 juli 2021

Robert Jan Heyning - Harlekijn

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Oevers


Strak gecomponeerde Odyssee van een verwerkingsproces

Harlekijn is de debuutroman van Robert Jan Heyning (1957); ooit eigenaar van een verhuisbedrijf met bakfiets, thans speelt en schrijft hij toneel en is directeur van zijn eigen naamgevingsbureau.

Een naamloze ik-figuur is aanwezig geweest bij de euthanasie van zijn goede vriend Nils. Vertwijfeld komt hij tot de ontdekking dat hij de emoties rond de dood van zijn broer Adriaan – een paar maanden eerder – pas voelt, als hij zijn vriend uitgeteerd op bed ziet liggen. De dood van zijn vriend lijkt de katalysator te zijn voor het openrijten van oude wonden en het blootleggen van herinneringen. Hij besluit voor een paar weken af te zakken naar Luovo, Zuid Italië. Tijdens de reis probeert hij te achterhalen waar zijn schuldgevoel vandaan komt en zoekt naar het antwoord op de brandende vraag of hij wel voldoende oog heeft gehad voor zijn broer, die zijn eigen leven op zo'n bijzondere manier inkleurde. Is hij wel duidelijk geweest in de boodschap dat hij van Adriaan hield? 'Als je je niet bewust bent van liefde, kan er dan liefde zijn?' Wilde zijn broer überhaupt wel begrepen worden?

In gedachten gaat de protagonist terug in de tijd, reconstrueert het verleden, verwondert zich. Door het beschrijven van allerlei anekdotes uit zijn jeugd krijgt niet alleen de lezer langzamerhand een beeld van Adriaan, maar ook lukt het de verteller zelf steeds beter om de puzzelstukjes te ordenen en op de juiste plaats te leggen, waardoor hij dichter bij zijn gevoel kan komen om eindelijk zijn verdriet te onderkennen. Het is een reis die louterend zou moeten zijn en leiden naar acceptatie en oprecht rouwen. Vanuit het perspectief van de ik-figuur ontrolt het verhaal zich als één lange innerlijke monoloog. De dialogen die zich in zijn geheugen hebben genesteld zijn zonder interpunctie.

Het verhaal geeft in eerste instantie de indruk van de hak op de tak te springen: heen en weer in tijd, plaats, gebeurtenissen. De niet-chronologische opbouw houdt de spanningsboog hoog, met name door het gebruiken van voorafschaduwing, die verwijst naar gebeurtenissen die later zullen plaatsvinden. Het is even wennen aan de schijnbaar incoherente, scenische synthese, die een opmaat blijkt te zijn naar het overlijden van zijn jongere broer, die hij misschien teveel in bescherming wilde nemen.

 

'Terwijl de onroerendgoedpooier uit zijn stoel komt grijp ik met twee handen zijn nek en beuk hem met zijn gezicht een paar keer in rouleau van haas en konijn in peterseliejus en ruk hem achterover van zijn stoel. Op het tafellaken en het fijne bloesje van zijn veel te jonge vriendin zitten spetters bloed en jus. De vrouw begint te gillen en ligt een seconde later als een lappenpop met het servetje nog in haar hand in het tochtgordijn bij de deur. Mijn broer trekt me naar buiten. Wegwezen, giechelt hij.'


Wanneer ze begin twintig zijn, vertelt Adriaan langs zijn neus weg dat hij kanker heeft – melanomen en naar alle waarschijnlijkheid ook botkanker en leukemie – om vervolgens op luchtige wijze over te gaan tot de orde van de dag. Op een later moment voegt hij daar nog aan toe dat hij tot de ontdekking is gekomen dat hij homoseksueel is; een bekentenis die hem beduidend minder gemakkelijk afgaat.

 

'[…] in hem schuilde een groot en vernietigend geweld. Groter zelfs dan het mijne. Hij wist dat. Mijn broer begreep dingen die niemand anders kon begrijpen. Ik evenmin.
Adriaan kende zichzelf.'


Dat hij zich ergerde aan het feit dat Adriaan leek te koketteren met zijn ziekte en die geraffineerd wist in te zetten, maakt hem onzeker: 'als een loper waarmee hij elke deur kon openen die anders misschien gesloten bleef, zonder zich ooit echt te interesseren voor wat er al in die kamers leefde. Maar nooit heb ik me afgevraagd of er misschien iets onder die leugens verscholen zat, gekneveld op een donker plekje, hunkerend naar ruimte, warmte licht en lucht. Misschien waren het geen leugens en was ik het, die zich misleiden liet door de vorm.'

Omdat het toneelwerk spijtig genoeg te weinig in het laatje brengt, ontstaat er een ander idee. 'Woordbedenker word ik. Ik bedenk namen voor nieuwe producten en bedrijven. InWoording, heet de onderneming.' en samen met Adriaan zet hij het bedrijf op. Hun verschillende eigenschappen zorgen ervoor dat ze elkaar als partners goed aanvullen en werken als communicerende vaten.

'Adriaan hoorde en zag en voelde dingen die hij alleen kon horen, zien en voelen.'


De titel Harlekijn is een intertekstuele echo van
Harlekinade, de autobiografische roman van Nabokov, en Arlecchino, de tragische paljas uit de Commedia dell'Arte, die zijn gezicht maar deels laat zien. Een in het Italië van de zeventiende eeuw populaire en improviserende wijze van toneelspelen, met een combinatie van serieuze en komische aspecten. 'Bedenk de wereld! Bedenk de werkelijkheid!' hadden de gevleugelde woorden van Adriaan kunnen zijn.

Heyning toont in deze diep gelaagde, compacte, doch zeer rijke roman, zijn brille door geen woord teveel te schrijven en de lezer de ruimte te geven om zelf beelden te vormen. In ontroerende scènes toont hij zijn kwetsbaarheid, een broos gevoel van onzekerheid, waardoor de lezer dicht op zijn huid blijft zitten. Maar de humor houdt het licht en hilarische taferelen nodigen regelmatig uit tot hardop lachen. Geestig zijn de zelfbedachte woorden – hij heeft niet voor niets een naamgevingsbureau –, zoals 'ratelpraten' en 'bekapstokt'. Met veel zwier speelt hij met taal, nu eens geestig, dan weer vertederend of aangrijpend proza. Door gebruik te maken van humoristische overdrijvingen, krijgen de treurige en beladen scènes voldoende lucht en trapt de auteur niet in de val sentimenteel te worden. Een retegoed debuut dat hij herlezing weer een aantal nieuwe aanwijzingen blootgeeft.

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Harlekijn
Auteur: Robert Jan Heyning
Pagina's: 184
ISBN: 9789492068538
Uitgeverij Oevers
Verschenen: maart 2021

maandag 12 juli 2021

Albert Cossery - De trotse bedelaars

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Jurgen Maas
Schwob zomeractie 2021

Te trots om elkaar te verraden

In De trotse bedelaars uit 1955 voert Albert Cossery hoerenlopers, beroepspeukenrapers en dito bedelaars op. Een belangrijk thema dat aangesneden wordt is de vraag of een mens gelukkiger wordt van een succesvol leven en de meest luxe spullen om zich heen. De charmante Gohar denkt van niet. Hij brengt zijn nachten door op kranten in plaats van op een matras en leeft 'met een strikt minimum aan materiële middelen. Ieder besef van zelfs de meest elementaire vormen van comfort had hij allang uit zijn geheugen gebannen.' Zijn bestaan als universitair docent filosofie heeft hij opgegeven en zich uit vrije wil tot het gilde der bedelstaf bekeerd. In weerwil van zijn grote droom om ooit de trein naar Syrië te pakken, is hij volmaakt happy met zijn bestaan, behalve dan op momenten dat hij zonder zijn vaste dosis hasj zit en hij op zoek moet naar de onooglijke Yéghen; zijn vertrouwde dealer, zonder vaste verblijfplaats en steevast zonder een cent op zak.
 

'Het was een droom die hij sinds lang koesterde, de enige die hij zichzelf toestond en wel omdat hij direct verband hield met de bron van zijn gelukzaligheid. In Syrië gold geen enkel verbod op verdovende middelen. Hasjiesj groeide er open en bloot in de velden, als ordinaire klaver, en je kon het zelf verbouwen als je wilde.'


Tijdens zijn zoektocht doet Gohar het plaatselijke bordeel aan, in de ijdele hoop Yéghen daar aan te treffen. Hij verleent de analfabete dames regelmatig een gunst door administratieve klusjes te doen, maar komt er nooit als klant. Deze keer echter verliest hij zichzelf in zijn verlangen naar drugs en – nee, dit is géén spoiler – hij wurgt in een vlaag van verstandsverbijstering het jonge hoertje Arnaba vanwege haar 'gouden' sieraden.

'Hij was nu heel rustig, volkomen ontnuchterd door de schokkende ontdekking dat hij zich had vergist. Hij liet het lijk van het meisje voor wat het was, pakte zijn fez die op het bed was gerold, […] en begaf zich naar de deur. De wachtkamer was nog steeds donker en verlaten. Zo te zien was er in de tussentijd niemand geweest. Gohar liep langzaam de trap af, sloeg zonder enige vrees de steeg in en groette een voorbijganger die hij niet kende, alsof er niets gebeurd was, uit pure beleefdheid.'


Zonder de minste gewetenswroeging zoekt hij verder naar Yéghen en komt onderweg een goede bekende tegen; El Kordi – werkzaam als incapabele klerk op het ministerie. Deze vertelt hem dat hij zichzelf de opdracht heeft gegeven om een aan tbc lijdend hoertje te bevrijden uit de klauwen van de hoerenmadam.

Wanneer de moord op Arnaba wordt ontdekt, wordt de despotische rechercheur Nour El Dine – een antiheld – tegen zijn zin belast met het onderzoek en ontwikkelt zich een wanordelijke intrige tussen hem, Gohar, Yéghen en El Kordi – die als karakters complementair zijn aan elkaar. Er komt aan het licht dat Nour El Dine graag zijn tanden zet in jong mannenvlees, wat weliswaar nog niet op een succes lijkt uit te lopen. Omdat het dode hoertje niet verkracht of bestolen blijkt te zijn, richt hij zijn pijlen niet op de arme sloebers – die zouden zeker bijkomende motieven gehad hebben – , maar zoekt naar de dader in de meer intellectuele kringen. Tegelijkertijd blijft hij zich verbazen over de blijmoedigheid van het drietal, ondanks dat ook zij te maken hebben met fikse tegenslagen. De tevredenheid van de heren verwart de rechercheur in eerste instantie, waardoor hij zijn vinger heel lang niet op de zere plek krijgt, maar uiteindelijk begint het hem te dagen.

Albert Cossery (1913 – 2008) – geboren in Caïro – voelde het schrijversbloed al op tienjarige leeftijd door de aderen borrelen. In 1945 blies hij de aftocht vanuit Egypte en vestigde zich in Parijs op een hotelkamer waar hij, tot zijn dood, vijfenzestig jaar heeft gewoond. Zijn dagen sleet hij het liefst in ledigheid – een boek schrijven kostte hem gemiddeld tien jaar –, had een broertje dood aan werken, stortte zich met veel plezier in het nachtleven met de intellectuele, surrealistische, literaire elite, of flaneerde door de stad om uren door te brengen op een terras en mensen te bestuderen. Dit flegmatische trekje en zijn dandyisme zijn een terugkerend motief in zijn romans, evenals cynisme, vileine ironie, de lofzang op luiheid en armlastige schobbejakken die soms wat opportunistische trekjes vertonen, maar steeds weer de sympathie van de lezer weten te vangen. Vanwege de herkenbare motieven – ook te vinden in Grote dieven, kleine dieven en De luiaards in de vruchtbare vallei kan zijn schrijfstijl met een gerust hart cosseryaans genoemd worden. Bovendien laat hij zijn protagonisten bij voorkeur lanterfanten in de schimmige straten van de volksbuurten van Caïro. Zelf was Cossery zich er terdege van bewust dat zijn romans veel overeenkomsten hebben en hij schertste eens dat hij elke keer hetzelfde boek schreef. 

Dat de auteur een groot liefhebber was van de leer der esthetiek, getuigen de gedetailleerde beschrijvingen van de kleurrijke personages en de karakteristieke omgeving waarin zij zich bewegen. Het zintuiglijke van zijn teksten komt de lezer bijna letterlijk vanaf de bladzijden tegemoet waaien wanneer de geuren van de etenswaren, hasj en de smerige straten worden beschreven, evenals de eeuwige rumoerigheid overal. Maar wees gewaarschuwd: wie eenmaal een Cossery heeft gelezen, is voor altijd verkocht.

Ondanks dat de vertaling van de hand van Rosalie Siblesz dateert uit 1987 doet dit niets af aan de frisheid van dit heerlijke verhaal. De verdieping in de gelaagdheid zit hem in het wisselende perspectief, dat steeds een ander personage belicht. De bijrollen zijn weggelegd voor een aantal markante karikaturen, zoals een buurman zonder ledematen die elke dag door zijn potige vrouw op de schouder wordt genomen en op straat wordt gezet om te bedelen. Bij thuiskomst moet de arme man zich zelfs tegenover zijn jaloerse echtgenote verantwoorden dat hij niet vreemd is gegaan.

De trotse bedelaars zit vol vermakelijke, stoïcijnse dialogen en speels sarcasme, maar toch gloort er regelmatig een sprankje medemenselijkheid tussen de armoedzaaiers van de straat, die elkaar nóóit zullen verraden.

Auteur: Albert Cossery
Vertaling: Rosalie Siblesz
Pagina's: 284
ISBN: 9789491921872
Verschenen: april 2021