Posts tonen met het label Nederlands. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederlands. Alle posts tonen

maandag 23 augustus 2021

Koen Caris - Stenen eten

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact


Schuld en boete

Ben woont in een dorp en doet dat jaar eindexamen. Hij zorgt ook voor zijn moeder, dat zij op tijd uit bed komt en naar haar werk gaat. Er is iets met die jongen. Er is iets met die moeder. Er is iets met dat huis. Het is een verdrietig huis.
 

‘Daaraan herken je een verdrietig huis: dat gaat achterlopen op de huizen eromheen. ’s Ochtends blijven de gordijnen langer dicht, en ’s avonds staat de televisie nog aan lang nadat de andere woonkamers donker zijn geworden. De kerstboom komt, als hij komt, een paar dagen voor kerst en blijft daarna staan tot eind januari, steeds kaler en bruiner. De kliko wordt minder vaak naar de hoek van de straat gerold en is, wanneer de vuilnismannen zijn langsgekomen, steevast de laatste die nog moet worden opgehaald, als het laatste kind op de opvang dat nog op zijn ouders wacht en ondertussen toekijkt hoe de begeleidster maar vast de lichten begint uit te doen.’ (2021: 35-36)


Hun zus en dochter is drie jaar daarvoor op het spoor gaan staan, ’s avonds. Hun vader en man heeft het nog proberen uit te houden, maar faalde daarin. Sindsdien zijn zoon en moeder alleen en houden zij elkaar vast en nauwelijks op de been (ja, ik weet het, dit is een zeugma, maar ik vind het hier passen).

En toen kwam Emma, een klasgenoot van Ben, die natuurlijk zijn zus, Kim, gekend had. In zo’n dorp kent iedereen elkaar. En Emma deed hetzelfde: spoor, aanstormende avondtrein, en weer een leven weg.

De rouw en het verdriet bij Ben en zijn moeder worden hierdoor extreem aangewakkerd. Het is niet zozeer dat zij hun verdriet extra gaan voelen, het zijn ook nog de schaamte en een zeer onbestemd gevoel van zich niet weten te gedragen en dus dan maar onzichtbaar willen zijn, dat hen nog verder terugwerpt op zichzelf. En na Emma volgen nog een paar kinderen.

Onderwijl volgen er eindexamenfeesten die zo niet genoemd worden, omdat er geen blijheid en opluchting gevierd worden maar iets van een ongerichte en zelfdestructieve rouw van die kinderen.

Toch is dat zelfs nog niet alles. Ben worstelt met zijn homoseksualiteit, en niet zo’n beetje ook.

De stijl en het verhaal zijn heel beeldend. Ik zie de film al voor me. Dit romandebuut lijkt een mengeling van The Virgin Suïcides van Sofia Coppola en de Netflix-serie 13 Reasons Why. Een high school-drama van Nederlandse bodem. Een coming-of-age-verhaal van een zich schuldig voelende jongen. Een medicijn wordt beproefd, natuurlijk, in drank en drugs, seks, en een obsessie met adrenaline.

Nu er meer slachtoffer van …, nu ja, van wat eigenlijk?, zijn weten Ben en zijn moeder helemaal niet meer hoe zich te gedragen. Ze willen wel aandacht en troost van anderen maar ook weer niet. De aandacht van anderen voor hen lijkt steeds net niet van de goede soort te zijn. Bovendien wordt de dode Kim alsmaar opgevolgd door nog meer suïcidale pubers. Ben denkt cynisch:

‘Het is moeilijk om lang geïnteresseerd te blijven in een dode, daarvoor blijven ze net te veel dood.’ (ib: 119)

‘In een dorp zo klein als dit leer je van jongs af aan dat je niet tegen de groep ingaat; als zij je niet meer moeten is er geen tweede.’ (ib.: 196)


Het is zaak behoedzaam en stiekem te handelen. Feesten, je te buiten gaan aan drank en drugs, is een afleidingsmanoeuvre of misschien zelfs wel een plengoffer.

Een vreemde lijst met afvinkthema’s doet de rondte en ook foto’s van Kim en Emma. Wat er precies op de lijst staat wordt Ben niet helemaal duidelijk. In ieder geval iets met een gele panty op het hoofd dragen, een vriendje hebben, vermoedelijk ook seks hebben, jezelf verstikken met je eigen handen, en lest best het gaan staan op de spoorbaan en de trein afwachten, zoals Kim had gedaan.

Het is niet het soort verhaal waarin al deze mysteries opgelost worden. Daar gaat het in dit verhaal niet om. Het gaat om Ben en eigenlijk nog niet eens zozeer om het feit dat hij een buitenstaander is, een nerd - want hij kan goed leren -, een homo - wat hij wel verbergt, maar het is niet zijn diepste geheim. Het gaat om Ben en om zijn schuld en boete. Hij draagt zijn schuld met de vastberadenheid van een groot kind, en hij doet boete met de wanhoop van een richtingloze puber.

De vreemde titel van deze roman Stenen eten is te verklaren uit het feit dat stenen een belangrijke rol spelen in dit verhaal - ja, duh..… Het zijn letterlijk de stenen van het spoor. Op het laatst wordt duidelijk hoe dat zit; dat kan ik niet verklappen. Overal liggen stapeltjes stenen, als een grafheuvel misschien voor de omgekomen kinderen. Als de stenen op een joods graf. Als de steenmannetjes in de bergen om de juiste weg te wijzen.

Maar ook de steen en de stenen die zwaar op je maag liggen, schuldgevoel, rouw, verdriet. Ben vertelt Kim op de bewuste avond het verhaal van de krokodil die stenen eet, moet eten, om zijn eten te kunnen verteren. Overigens doen heel veel vogels dat ook, zoals kippen en duiven (rdv). Ben doet dat omdat hij niet weet wat hij tegen Kim moet zeggen en hoe hij haar nog wat langer kan laten blijven.

Koen Caris (1988) is schrijver, schrijfdocent en vertaler. Hij studeerde in 2011 met lof af aan de opleiding Writing for Performance aan de HKU. Sindsdien schreef hij theaterstukken en hoorspelen voor onder andere BNNVARA, de VPRO, Bellevue Lunchtheater, De Hoorspelfabriek, Korthals Stuurman en Festival Over het IJ. Daarnaast was hij 8 jaar lang huisschrijver van het Utrechtse theatergezelschap Als de Beren Komen.

Zijn werk won prijzen op het Café Theater Festival (2012) en het Amsterdam Fringe Festival (2015), en werd genomineerd voor o.a. de ITs Playwriting Award (2011), de Zilveren Reissmicrofoon (2015) en de Prix Europa (2015, 2017). In 2017 ontving hij het TheaterTekstTalent Stipendium van het Prins Bernhard Cultuurfonds.

Koens werk kenmerkt zich door een combinatie van poëzie en geroep, van harde tekst en zachte bedoelingen. Hij schrijft verrassende well-made plays vol scherpe dialogen en licht-magische elementen. Talige maar toegankelijke tragikomedies over kleine mensen die zich maar net staande houden in een wereld die te groot voor ze is.

Koen werkt daarnaast als vertaler, redacteur en copywriter voor o.a. de Hogeschool van Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, HKU Lectoraat en de AHK. (Bron: https://www.koencaris.nl/)

Titel: Stenen eten
Auteur: Koen Caris
Pagina’s: 253
ISBN: 9789025454876
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: juli 2021

dinsdag 23 februari 2021

Ine Boermans - Een opsomming van tekortkomingen

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Orlando

Erfenis van een verscheurde jeugd 

Een opsomming van tekortkomingen trapt af met een scène waarin Lot een afspraak heeft bij de psycholoog. Ze heeft last van paniekaanvallen en associeert de basale dingen in haar leven met gruwelijkheden als Duitse concentratiekampen, vastgevroren sledehonden, beren met verbrande voetzolen of varkens die worden doodgeknuppeld.

'Waar zou het volgens jou vandaan kunnen komen?' vraagt hij.
'Ligt het niet altijd aan je jeugd?' antwoord ik.


Regelmatig krijgt Lot beelden op haar netvlies, gruwelijke beelden, waarbij ze in één oogopslag weet wat er speelt. Dit is precies wat Boermans ook met de lezer doet. Zonder iets letterlijk te benoemen, schetst ze de situatie waarin ze verkeert. Haar manier van schrijven zet je er meteen toe aan te visualiseren, ze zet de beelden als het ware rechtstreeks over op het netvlies van de lezer. 

De 'psych' denkt dat ze te empathisch is, 'maar ook weer niet dat je denkt: wow dat is veel'. Een eigenschap die ze overduidelijk niet van haar vader heeft geërfd.

In korte, soms ultra korte fragmenten springt het verhaal heen en weer tussen heden, verleden en de gesprekken bij de psych. Daartussen staan cursiefjes aan haar moeder, waarin Lot aangeeft dat ze haar mist, vertelt over dagelijkse beslommeringen en haar hart lucht over haar vader. Al deze lagen maken het verhaal van Lot steeds completer. Geen idee of de auteur deze naam bewust heeft gekozen, maar het zou zo maar eens als speaking name bedoeld kunnen zijn. Boermans grijpt je met haar lucide schrijfstijl en bondige, scherp geformuleerde zinnen bij je lurven, raakt je in je ziel, maar weet de treurige situaties met luchtigheid en een flinke portie sardonische (galgen-)humor te larderen. Zo grappig, maar tegelijkertijd zo schrijnend dat het haast gênant voelt om te lachen om haar geestige ondertoon. 

Als Lot vier jaar oud is scheiden haar ouders. Met haar moeder trekt ze 'van kutdorp naar kutdorp met een uitstapje naar haar eigen (niet zo erg kut-) dorp en een kleine kutstad', en op de dorpse scholen wordt ze gepest, omdat ze een vreemde eend in de bijt is. Haar overheersende, zelfingenomen vader is continu bezig een wig te drijven tussen haar en haar moeder. Hij prent haar in dat ze bij hem beter af is en dat ze op haar twaalfde voor hem zal kiezen. Alles wat er misgaat, plaatst hij buiten zichzelf, buiten zijn eigen schuld en projecteert het steevast op zijn dochter. Zijn explosieve boosheid en even onvoorspelbare toegeeflijkheid daarna verwarren haar. Zijn houding jegens zijn dochter is er een van aantrekken en afstoten. 

Tegen de tijd dat haar twaalfde verjaardag nadert, plast ze ineens vaak in bed. Moeder maakt zich zorgen, vader kleineert haar. Toch krijgt hij het voor elkaar dat ze bij hem en haar stiefmoeder komt wonen. 

'Bij mijn vader ging het ondertussen niet erg goed. Opvoeden was een stuk minder gemakkelijk dan hij had gedacht. Daarbij viel ik nogal tegen.'


De fouten die haar moeder heeft gemaakt kan Lot haar vergeven - ze spiegelt zich aan haar moeder -, het eisende gedrag van haar vader verwart haar steeds meer. Hij blijft haar tergen tot op het bot en weet haar steeds meer tekortkomingen toe te dichten. Voor Lot is het niet meer te doen om haar huidige leven los te zien van de verscheurde jeugd die niet direct overliep van veel vaderlijke liefde.

''Ik ben toch wel blij dat je toegeeft dat ik gelijk had wat betreft het goed gebruiken van de kaasschaaf', zei mijn vader als ik mocht komen eten. 'Dat je inziet dat je dat altijd fout hebt gedaan en begrijpt waarom ik er zo boos over werd.'
Zelf had ik geen herinnering aan het wel of niet goed gebruiken van de kaasschaaf. Toch knikte ik schuld bewust.' 

Zo blijft het kind, ondanks alles, trouwhartig aan beide ouders. Totdat de laatste druppel de emmer doet overlopen, wanneer ze zelf een gezin heeft.

Rauw, schurend en pijnlijk, vol intens verdrietige humor. Een overtuigende debuutroman.

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Een opsomming van tekortkomingen
Auteur: Ine Boermans
Pagina: 176
ISBN: 9789493081864
Uitgeverij Orlando
Verschenen: januari 2021

zaterdag 13 februari 2021

Lize Spit - Ik ben er niet

Bespreking door Dietske Geerlings
Uitgeverij Das Mag
 

Een huis waarvan de constructie zichtbaar is 

Ooit las ik een boek dat ik niet weg wilde leggen, terwijl de net geplante kruidenbloemen met hun lange dunne stelen in mijn tuin echt water nodig hadden. Ik stond van mezelf te kijken, toen ik met het dikke boek in mijn ene hand en de tuinslang in de andere door de tuin liep. Het boek was Het smelt, het debuut van Lize Spit. Natuurlijk wilde ik weten wat er ging gebeuren met het blok ijs achter in de auto, maar veel liever nog wilde ik in het boek blijven en niet ophouden met lezen over het zusje van de hoofdpersoon dat alleen de kamer kon betreden als ze eerst allerlei dwanghandelingen had verricht en hoe aandoenlijk de hoofdpersoon het codesysteem van haar jongere zusje probeerde te kraken van de letters die het zusje op het toetsenbord intypte, zonder dat de computer aanstond. Het greep me naar de keel en ik heb beide hoofdpersonen in mijn hart gesloten. Ik vond het verschrikkelijk toen ik het uit had. Nu heeft Lize Spit een nieuwe roman geschreven, Ik ben er niet en toen ik voor het eerst de titel hoorde, dacht ik: dit moet een schrijver voelen als hij na een overweldigend debuut net een tweede roman heeft geschreven. Ik ben er even niet, jongens, want wat gaan ze straks allemaal van mijn tweede boek zeggen?

De constructie van het boek lijkt heel erg op dat van Het smelt, waarin twee verhaallijnen elkaar afwisselen. In een van de twee wordt afgeteld van 11 minuten, waarin de hoofdpersoon Leo, een jonge vrouw, net afgestudeerd aan de filmschool, naar een plek fietst waar haar vriend Simon, een grafisch vormgever, waarschijnlijk een groot onheil heeft aangericht. In de andere verhaallijn lees je de voorgeschiedenis van Leo en Simon, vanaf het moment dat Simon een opmerkelijke tatoeage heeft laten zetten achter zijn oor. Tot die tijd waren Leo en Simon elkaars steun en toeverlaat. Leo heeft haar moeder veel te vroeg verloren en Simon is altijd gepest om zijn flaporen.

Vanaf het moment dat Simon de tatoeage heeft gezet, gaat het mis in hun relatie. Simon is ervan overtuigd dat hij zijn eigen bedrijf moet beginnen met het ontwerpen van tatoeages met een bijzonder verhaal erachter. Hij zet het hele huis op de kop om een eigen kantoortje in te richten, hij gaat visitekaartjes maken en allerlei ander promotiemateriaal, die in het kleine kamertje worden opgestapeld. Hij doet mij wat denken aan Frans Laarmans die in Kaas van Elsschot een kaashandel wil opzetten, terwijl hij allesbehalve een handelaar is. Dagen is hij bezig met het inrichten van zijn kantoor. Je voelt al meteen dat dit niet goed kan gaan. Leo bekijkt alles met argusogen en herkent haar ‘Spruitje’ niet meer. Simon krijgt steeds meer last van paranoia en denkt dat iedereen eropuit is om hem onderuit te halen.

Omdat Spit in het eerste hoofdstuk al meteen een filmtechniek beschrijft waarbij het publiek op het puntje van zijn stoel zit, heeft de lezer direct door dat Spit zelf deze techniek toepast in haar eigen boek. Daardoor krijgt het boek iets als een huis waarin opzettelijk de constructie zichtbaar is gelaten. Dat geeft een huis een transparante, industriële, robuuste uitstraling. Werkt dat ook zo in een boek? Tijdens het lezen betrapte ik mijzelf erop dat ik steeds tegen mijzelf zei: het is de bedoeling dat de constructie zo hinderlijk aanwezig is. Dat is juist de schoonheid. Halverwege dacht ik: het kan niet de bedoeling zijn dat ik dit steeds tegen mezelf moet zeggen, alsof ik mijzelf hiervan moet overtuigen. Het bóek moet mij overtuigen.

Gek genoeg beïnvloedt dit tweede boek ook mijn kijk op het eerste. Ik herken de constructie, terwijl die mij toen niet zo was opgevallen. Het zet mij aan het denken: wat is nu eigenlijk beter? Als een schrijver je overdondert, zonder dat je in eerste instantie doorhebt, hoe hij dat voor mekaar heeft gekregen, of als hij dat openlijk doet? Ik weet er geen antwoord op. Misschien ben ik teveel beïnvloed door auteurs als Nijhoff die zeiden dat je aan het gedicht niet mag zien dat eraan gewerkt is. Het gedicht of de dichter moet niet huilen, de lézer moet huilen. We zijn nu een eeuw verder. Literatuur en literatuuropvattingen mogen veranderen. Het kan zijn dat ik nog met een been in die vorige eeuw sta en mij niet helemaal kan overgeven aan zo’n opzichtig geconstrueerd boek? Ik weet wel dat ik Het smelt schitterend vond, niet alleen vanwege dat prachtige beeld van het smeltende blok ijs, maar ook vanwege de overtuigingskracht van de personages. Dat mis ik in Ik ben er niet. In dat opzicht is de titel veelzeggend: alsof ook van de personages alleen de constructie te zien is en ze er niet echt zijn. Dat is vreemd, omdat je als lezer wel een paar honderd bladzijden lang de gedachten leest van Leo. Uiteindelijk blijkt dat Simon een bipolaire stoornis heeft, maar die wordt zo onwaarschijnlijk uitvergroot, dat hij eigenlijk geen mens van vlees en bloed meer is. Leo kan daar met al haar gedachten ook niet veel meer aan veranderen.

Dit brengt mij bij een essay van Hermans over antipathieke romanpersonages in zijn Sadistisch universum. Hij schrijft daar dat personages juist mythisch uitvergroot moeten worden, om de waarheid van het boek tot uitdrukking te brengen. Het grote publiek wil mensen van vlees en bloed, maar het gaat niet om die ‘journalistieke geloofwaardigheid’. Een schrijver heeft een andere missie. Tegelijkertijd verweet hij Reve in een brief dat Frits van Egters uit De avonden meer aan overtuigingskracht had kunnen winnen als Frits pogingen had gedaan aan zijn miserabele situatie te ontkomen, terwijl Frits van Egters mij nu bij uitstek een mythisch uitvergroot personage lijkt dat de waarheid van het boek ontegenzeggelijk tot uitdrukking brengt.

Goed, nu heb ik vier grote schrijvers genoemd, Elsschot, Nijhoff, Hermans, Reve. Lize Spit hoort bij een heel nieuwe generatie en ik wil niet krampachtig vasthouden aan alles wat geweest is. Daarom bekijk ik haar werk met grote belangstelling: wat gebeurt hier nu precies? Ook bij Elsschot en Hermans miste ik vaak iets tijdens het lezen, hoezeer ik ook onder de indruk was. Maar wat is dat precies? Zit ik er helemaal naast als ik het hartstocht noem, of liefde, die ik wel voelde bij Nescio, Elsschots tijdgenoot, en Wolkers, Hermans’ tijdgenoot? Toch heb ik die wel gevoeld in Het smelt, zij het beschadigd en vervreemdend.

Gelukkig ligt er nu een dikke laag sneeuw en hoef ik niet naar buiten. Dan weet ik ook niet of ik Ik ben er niet ook mee naar de tuin had genomen. Ik houd niet van wedstrijdjes, al helemaal niet waar het om boeken gaat, zeker in deze tijd waar de ene ranglijst de andere opvolgt en deze gekte bijna bepaalt wat we zouden moeten lezen. Ik heb deze tweede roman van Lize Spit met belangstelling gelezen en ook al griezel ik een beetje van de twee personages, het boek zet me wel aan het denken over de constructie in dit boek en constructies in het algemeen.

Titel: Ik ben er niet
Auteur: Lize Spit
Pagina's: 576
ISBN: 9789493168718
Uitgeverij Das Mag
Verschenen: december 2020

donderdag 11 februari 2021

Sara Kee - Patiënt Hero

Recensie door Roosje
Uitgeverij Van Maaskant Haun

Hoe zal de wereld vergaan?


Een paar jaar geleden raakte ik geïntrigeerd door een webpagina waarin een tig aantal mogelijkheden opgesomd werden hoe onze aarde fysiek zou vergaan. De kou sloeg om mijn hart maar ik kon nog wel denken dat het mijn tijd wellicht nog zou duren, hoewel…. een meteorietinslag kan bij wijze van spreken ieder moment gebeuren.

Sara Kee heeft in haar bundel zes verhalen geschreven waarin Oefeningen voor de apocalyps - zo luidt de titel - het thema zijn. De eerste vijf verhalen lijken qua sfeer, omgeving en omstandigheden wel wat op elkaar; het zesde is met zijn sprookjesachtigheid en dromerigheid heel anders. Of je dan zo’n verhaal moet opnemen in een bundel weet ik niet zo goed, maar aan de andere kant is er ook niets op tegen. Het is alleen dat je als lezer in een bepaalde leessfeer bent en een verhaal dat zo compleet anders is, een aanvankelijke wrevel bij je op kan roepen. Maar nou ja, daar is dan ook weer niets mis mee. Lekker verontrusten, die lezer.
En dat doet Sara Kee: verontrusten, een beetje ontregelen, je na laten denken over onze wereld en wat wellicht de gevaren zijn.

Sara Kee is altijd op zoek naar nieuwe ervaringen. Ze bevindt zich het liefst op de grens van het voorstellingsvermogen, of net iets daar overheen. Als ze ergens door gegrepen raakt, heeft Sara oneindige energie. Ze staat voor wat ze denkt, maar ze is bereid om van gedachte te veranderen. Ze gelooft in wonderen. Tegelijkertijd rekent ze nergens op. Soms voelt ze zich moedeloos over hoe gaat met de wereld en dat ze zelf op vele manieren aan de problemen bijdraagt. Ze heeft zich voorgenomen haar goede humeur daar niet meer onder te laten lijden. Sara denkt dat we verbeeldingskracht nodig hebben om de weg te vinden uit het zuigende moeras van de marktwerking en dat verhalen onze wegwijzers zijn.

Het eerste verhaal, Womanhood, gaat over AI - artificiële intelligentie - en over wat de wereldwijde IT-bedrijven met jouw data kunnen doen, ter hunner voordeel en jouw nadeel, maar dat doet er niet toe. Het is een intelligent verhaal - al Kees' verhalen zijn intelligent en fijnzinnig - en het einde brengt me een beetje van mijn stuk. Niet alleen vanwege de soort van somberheid - die je ook aantreft bij een serie als Black mirror - maar ook omdat ik nog eens goed moet nadenken over de figuur van de politicus-minnaar: wie is hij? En is hij een ‘hij’, een persoon? Heel goed gedaan. Dat zet me aan het nadenken.

Het tweede verhaal Varkens tellen niet over het diermisbruik of diergebruik - wat op hetzelfde neerkomt - doet in de verte denken aan Orwells Animal Farm. Voor mij een van de sterkere verhalen; ze zijn allemaal goed, hoor

Lieve allemaal is een modern Job-verhaal. Een meisje wordt gered, doordat zij haar identiteit gewisseld heeft met een ander, tenminste een sort of, je zou ook kunnen denken dat zij alles verloren heeft:

‘Ik weet nog dat ik me als zesjarige verbaasde over het einde van Jobs verhaal. Hij kreeg zijn rijkdommen terug, trouwde opnieuw en vele kinderen en kleinkinderen werden geboren, alsof die de doden konden vervangen. Nu snap ik het. Wie leeft, moet verder.’ (2020: 80)

Patiënt Hero is ook patiënt Zero: held en nul. Hij lijdt aan een nieuwe ziekte, die veroorzaakt lijkt te worden door het hebben van rijkdom en het piekeren over en de morele wens de wereld goed te doen. Hij lijkt een eigen therapie te hebben gevonden. Subtiel!

In Ejacunon wordt de voortplanting nu eindelijk op een vrouwvriendelijk wijze geregeld. Heel komisch.

Hoe stil het werd is een dromerig en sprookjesachtige vertelling. Prachtig.

In tijden van corona en narigheid moet je deze verhalen vooral lekker lezen: subtiel, grappig, verontrustend, sprookjesachtig en ze nopen je tot nadenken.

Titel:
Patiënt Hero
A
uteur: Sara Kee
Pagina's: 176
ISBN: 9789083007663
Uitgeverij Van Maaskant Haun
Verschenen: oktober 2020

woensdag 10 februari 2021

Marjolijn van Heemstra - En we noemen hem

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Das Mag

'De mythe is een ui en heeft geen hart'

In elke familie doen verhalen de ronde. Over gebeurtenissen, lotgevallen, avonturen en perikelen van bloedverwanten. Meestal zijn de onderwerpen zodanig beladen zodat er alleen tijdens familiaire samenkomsten openlijk over wordt gesproken. Legendes over trouw en onmogelijke liefdes. Maar het handelen van verre familieleden tijdens de bezetting voert de boventoon. Vooral als de alcohol de tongen losweekt. Meestal worden de mythes onderverdeeld in goed en fout. Nooit over het grijze gebied. De aangenomen waarheid over mythes blijkt vaak onbetrouwbaar. Het verschil tussen held en verrader is minimaal.

'Een held als blauwdruk voor mijn zoon'

Dit is het uitgangspunt van het boek van Marjolijn van Heemstra. Een vaag verhaal over een moedige bommenneef Frans Julius Johan van Heemstra, wordt al decennia doorgegeven in de familie. In december 1946 heeft deze neef een verrader in Den Haag laten ombrengen door een bomaanslag. Deze man zou in 1942 verantwoordelijk zijn voor de arrestatie van 12 Engelandvaarders op landgoed Ockenburgh. Frans is kinderloos overleden. Op 18-jarige leeftijd heeft de hoofdpersoon het enige aandenken aan hem, een ring met een blauwe steen, gekregen van haar grootmoeder met de opdracht om zijn naam te prolongeren middels een mannelijke erfgenaam. En nu is zij zwanger en weet al dat het een jongetje gaat worden. Zal zij haar kind vernoemen naar deze heldhaftige neef?

Enige twijfel hierover is gerezen. Niemand in de familie weet zeker wat er nu eigenlijk is gebeurd. Herinneringen zijn wazig en vanzelfsprekend nooit uit de eerste hand. Ze besluit op onderzoek te gaan om deze heldendaad te verifiëren. Want zij wil natuurlijk zeker weten dat haar zoon niet wordt vernoemd naar een misdadiger. Hier hangt het dus vanaf.

'Ik weet niet eens meer of dit verhaal nog wel over moed en rechtvaardigheid gaat, misschien gaat het inmiddels over spijt en chaos niks is zeker.'

De lezer wordt meegetrokken in haar enerverende speurtocht met een duidelijk tijdslimiet: haar bevalling. Haar mobiliteit neemt door haar toestand én haar bezorgde vriend D. zienderogen af. Vooral als de zwangerschap niet optimaal verloopt. En tevens gaan hormonen ook een rol spelen. De vervlechting van deze twee verhaallijnen geven het boek een dynamisch en spannend verloop. Bijna obsessief reist ze van hot naar her en praat met iedereen die haar mogelijk duidelijkheid kan geven. Zelfs met de familie van de slachtoffers. Allemaal tevergeefs. Ook duikt ze in de archieven en maakt daar kennis met de onbekende wereld van archief(be)zoekers.

Omdat het verhaal vanuit de eerste persoon wordt verteld, raakt de lezer snel betrokken bij de verwarring en twijfel. Het wordt persoonlijk. De vader, steevast aangeduid met D., geeft haar eerst de ruimte met haar zoektocht. Naderhand wil hij haar alleen nog afremmen wanneer haar zwangerschap te zwaar wordt. Dat lukt hem niet meer.

'We doen alsof we van alles willen leren en begrijpen van het verleden, maar uiteindelijk zitten we vooral naar onszelf te staren.'

De hoofdstuktitels maken er een count down van: het aantal weken voor de geboorte. Het grappige is dat dit heel goed werkt voor de spanning in het verhaal. Meer verkregen informatie geeft juist geen duidelijkheid. Een race tegen de klok. Marjolein van Heemstra beschrijft dit alles heel levendig. Het ongeduld en de deadline worden voelbaar. Maar ook de impact van een zwangerschap op een vrouw. En dat is een compliment.

De strijd tegen het element 'tijd' is een rode draad door deze uitgave. Van het aftellen naar de bevalling, het bezoek aan het Friese planetarium van Eise Eisinga die ‘de tijd meester wilde worden'. Zelfs de protagonist Billy Pilgrim uit de Magnus Opus 'Slachthuis 5' van Kurt Vonnegut komt langs omdat hij ‘de gave heeft om door de tijd te reizen’.

'… Alles beweegt in grote en kleine kringen, in zoveel manieren om de tijd op te delen.'

Jammer is dat de schrijfster aan het eind van het boek aan de lezer verklaart dat ze een aantal, niet ter zakendoende, feiten in het relaas heeft veranderd. Dan hebben we het over 'borrelnootjes' in plaats van taart, een 'draaideur' in plaats van een 'schuifdeur'. De meldingen van deze futiliteiten doen afbreuk. Zelfs haar wederhelft D. vraagt haar direct "of een verhaal per se moet kloppen?". De vraag is of we hier te maken hebben met een persoonlijk verslag van een zoektocht tijdens een zwangerschap, of dat we een fictieve roman lezen. Dat maakt voor het verhaal namelijk niets uit. Geen enkele schrijver is verantwoording schuldig wat mij betreft.

Ik moest er langzaam inkomen, maar uiteindelijk heeft het boek mij wel weten te pakken. En het behandelt natuurlijk ook een universeel thema: verhalen versus feiten. Altijd boeiend. De omslag kan mij niet charmeren. Vallend tussen de sterren associeer ik niet met 'een zoektocht naar feiten?' Ook al is deze queeste oneindig gelijk het heelal. Maar dat kan beroepsdeformatie zijn.

Titel: En we noemen hem
Auteur: Marjolijn van Heemstra
Pagina's: 218
ISBN: 9789492478375
Uitgeverij Das Mag
Verschenen: mei 2017

donderdag 4 februari 2021

Bernke Klein Zandvoort - Veldwerk

Poëziebespreking door Dietske Geerling
Uitgeverij Querido

Dat je overblijft met je eigen kijken

Veldwerk is onderzoek doen naar iets in zijn natuurlijke omgeving. Dat ‘iets’ kan van alles zijn: een stukje natuur, de structuur van een gebied, maar ook het gedrag van mensen. Als je de bundel Veldwerk van Bernke Klein Zandvoort nog ongeopend in je handen hebt, dan wordt je nieuwsgierigheid meteen gewekt, alsof je als lezer zelf van het ene moment op het andere een veldwerker bent geworden. Wat zie je? Een stukje glas, een steen, een uitgebloeid gras, iets wat lijkt op een kiem van een of ander gewas, maagdelijk wit, een kapot stuk van een plastic zak met een knoop erin, maar de waarneming is niet betrouwbaar, want eigenlijk zou je het moeten voelen om zeker te weten of het wel plastic is en niet een of ander textiel. De afgebeelde voorwerpen hebben allemaal iets mysterieus, waarbij je je afvraagt of je het wel goed ziet of herkent. Daardoor krijgt de observatie iets intiems: je voelt je aangetrokken tot het onbekende dat lijkt op iets wat je kent. Bij veldwerk worden vaak de verzamelde monsters nader onderzocht en de gegevens uitgewerkt. Je kunt al wel constateren dat de omslag van de dichtbundel niet de natuurlijke omgeving is van deze kleine vondsten. Wat doet dat vermoeden over de inhoud van de bundel? Treffen we daar een laboratorium aan? 

Bij binnenkomst kom je allereerst twee motto’s tegen. De eerste is van Clarice Lispector:

‘Ik heb iets gezien. Echt iets. Het was tien uur ’s avonds en de taxi reed in volle vaart over het Prazja Tiradentes. Toen zag ik een straat die ik nooit meer zal vergeten. Ik ga die niet beschrijven: het is mijn straat. Het enige wat ik kan zeggen is dat hij leeg was en dat het tien uur ’s avonds was. Verder niets. Maar ik was ontloken.’

Het tweede is van Hongzhi Zhengjue: ‘Not knowing is most intimate’. In beide motto’s staan de waarneming en het effect daarvan centraal. In het eerste fragment ziet de ik de eigen straat alsof deze voor het eerst wordt gezien, terwijl deze toch herkend wordt. Het effect is dat deze ik was ‘ontloken’. De ik is ontvankelijk, opent zich voor het onbekende of juist bekende. In het tweede citaat staat dat het niet weten juist het meest intiem is. In beide gevallen is er sprake van een paradox: intiem zijn veronderstelt een vorm van bij elkaar zijn of ‘eigen’ zijn, wat staat tegenover het niet weten, het onbekende. Beide citaten sluiten naadloos aan bij de ervaring die de lezer net heeft gehad bij het bekijken van de omslag: een combinatie van vervreemding en intimiteit.

Niet eerder werd ik zo geroerd door een inhoudsopgave. Die van deze bundel bestaat niet uit een rijtje titels onder elkaar met daarachter een paginanummer, maar uit losse woorden, verspreid over twee bladzijden met daaronder een nummer, bij nader inzien het paginanummer. De losse woorden verwijzen naar stukjes ongeordende werkelijkheid, van kleine wonderlijke voorwerpen, lichaamsdelen, mensen, naar abstracte begrippen: oorschelp, kabel, seizoenen, bloed, oprispingen, enz. Het ziet er inderdaad naar uit dat je in een laboratorium bent beland, waar de vondsten zojuist, nog ongeordend, maar wel genummerd door elkaar liggen, klaar voor nader onderzoek. De auteur prikkelt de lezer tot het uiterste om op onderzoek uit te gaan.

In het eerste gedicht zit de ik op een gedenkbankje in een park en luistert naar vliegtuigen, waardoor de lucht dichtgetrokken wordt en de ik geïsoleerd lijkt in het geluid. Daarna staat:

‘astronomen, hoorde ik laatst, luisteren meer dan ze kijken/in een ster woont de geluidsopname van een leven dat niet meer bestaat’. Astronomen zijn ook veldwerkers, die de ruimte onderzoeken en daarbij kennelijk vooral goed hun oren gebruiken. In de volgende strofe verschuift de aandacht naar de ik als dichter: ‘soms ben ik bang dat metaforen de werkelijkheid verdunnen/banger ben ik dat er niets anders bestaat/dan dezelfde dingen uitgedrukt in elkaar’. Als je als dichter de werkelijkheid probeert te vangen, dan gebruik je vaak metaforen, maar daarmee vang je slechts een stukje van die werkelijkheid, waardoor die dunner wordt. In de tweede en derde regel lijkt de angst voor het tekortschieten van de taal verwoord: als er niets anders meer is dan dezelfde dingen uitgedrukt in elkaar, dan heb je niet genoeg woorden om de werkelijkheid te beschrijven. Dat is ook de ervaring die je hebt als je de voorwerpen op de omslag probeert te beschrijven: wat zie je nu eigenlijk? Je grijpt terug naar namen en woorden die je kent, om het onbekende te beschrijven. De volgende strofe geeft weer wat wij doen om antwoorden te vinden: ‘om antwoorden te vinden plaatsen we grote oorschelpen/naar de ruimte breken we stenen open graven graven op/slaan de aarde als een deken weg/noemen dat ont-dekking’. Dat de auteur geenszins woorden tekortkomt om te beschrijven hoe wij voortdurend onderzoeken, blijkt wel uit deze wonderschone strofe vol prachtige metaforen. Het beeld van een respectievelijk een grote oorschelp om alles op te vangen, het openbreken van stenen, het opgraven van graven, het wegslaan van de aarde als een deken, en dat vervolgens op morfologisch niveau van de taal ‘ont-dekking’ noemen, dat laat niets anders zien dan een groot vakmanschap van Bernke Klein Zandvoort. Dit eerste gedicht eindigt met:

'ik denk omdat we zelf in alle vroegte
onder de bewegende platen
van ons schedeldak raakten ingesloten

heeft er weleens iemand door het hoofd van een baby naar het heelal gekeken?'

Het is zeker niet eenvoudig wat de auteur de lezer hier voorlegt, maar die was voorbereid op stevig veldwerk. De inhoud geeft zich niet zo gauw gewonnen. Maar hoe treffend wordt hier het beeld van de mens als veldwerker geschetst: al vlak na zijn geboorte opgesloten in zijn eigen hoofd, waarvan de platen eerst nog konden bewegen. Hij moet het doen met deze gevangenschap in zichzelf. De slotvraag is ontroerend: de schedel van de baby is nog niet helemaal gesloten. Wat zegt het als wij door die nog halfgeopende schedel naar het heelal kijken? De baby staat aan het begin van een leven vol ontdekkingen en kijkt onbevangen naar de grote ruimte om zich heen. De enorme ruimte die gecreëerd wordt door het noemen van een babyhoofd en het heelal roept een zee van ruimte voor vragen op en vooral verwondering.

Vervreemdend zijn de titels van de gedichten die onderaan de pagina naast het paginanummer staan, verbonden door een liggend streepje, alsof de vondsten gelabeld zijn met kleine kaartjes aan een koordje. Steeds ondersteunt de opmaak de betekenis, want als een gedicht begint met ‘op mijn hurken/inzoom op een plant’, begint dit gedicht pas onder het midden van de pagina, waardoor het gedicht ook gehurkt lijkt. Dat de dichter voortdurend tegen zijn beperkingen aanloopt, blijkt uit pareltjes van zinnen als ‘stop ik dingen in woorden, te kleine tassen’. Dat het voor de lezer ook niet te doen is om deze ongeordende werkelijkheid te bevatten, blijkt uit:

‘onze hersenen rust gunnen, zoals komma’s/dobberend op de pagina, midden in een zin/een moment van donkerte invoegen/om de lezer tijd te geven/het voorgaande naar beelden te vertalen//doen we met onze ogen dan niets anders/dan het bijeenknipperen van een stromende werkelijkheid?'.

Hoe mooi dat – terwijl de auteur zelden komma’s gebruikt – in deze zin juist wel middenin een komma heeft toegevoegd, als concessie aan de lezer.

Het is hard werken, omdat elk woord, elke letter betekenis kan geven, maar als je je overgeeft aan dit onderzoek, dan kom je schitterende vondsten tegen, gedachten waar de wereld van op zijn kop gaat staan, zoals:

‘ik las dat denken eigenlijk je familie is, hun stemmen/hebben net zo lang de zinnen aan je voorgedaan/tot je ze hardop begon na te praten en er iemand naar je voorhoofd wees/dat je ze óók kon zeggen door je lippen op elkaar te houden/en de woorden voor te stellen onder het gehemelte van je hoofd’.

Soms bestaat een gedicht slechts uit een regel, waar je eindeloos over kunt blijven mijmeren: ‘een woord uitspreken is een omhelzing van het benoemde met je mond’. Soms loopt de typografie van een gedicht over, zoals bij het gedicht ‘de ander’, waarbij de regel ‘seconden duurden jaren’ zo uitgerekt is over de pagina, dat de ‘jaren’ op de andere pagina is terechtgekomen. Op die andere pagina staat dan ook alleen dat ene woord, afgezien van de titel en het bladzijdenummer onderaan de pagina. Daardoor wordt een enorme ruimte geschapen die de betekenis van ‘jaren’ ondersteunt.

Het is zonde als ik meer verklap. Elke lezer kan zijn eigen veldonderzoek doen in deze prachtige bundel en zal schatten vinden. Welk gereedschap neem je mee? Alleen jezelf en een portie verwondering zijn genoeg om hiertussen te dwalen en je merkt al gauw dat het onderzoek je niet loslaat. Je duikt er steeds opnieuw in en zelfs in het gedicht dat je letter voor letter hebt gespeld, ontdek je nieuwe gedachten en beelden. Veldwerk laat je niet los, nodigt steeds opnieuw uit voor nader onderzoek van de wereld om ons heen en in onszelf. 

Titel: Veldwerk
Auteur: Bernke Klein Zandvoort
Pagina's: 60
ISBN: 9789021415413
Uitgeverij Querido
Verschenen: december 2020

maandag 25 januari 2021

Lieke Marsman - In mijn mand

Poëziebespreking door Dietske Geerlings
Uitgeverij Pluim


‘Zolang het niets geen grenzen kent’

Laat ik vooropstellen, ik ken mijn plaats als lezer, in mijn mand. Wat ik ook aan moois ontdek in de bundel die ik in mijn handen heb, 
In mijn mand van Lieke Marsman, het zijn slechts mijn eigen gedachten die de schoonheid proberen te bevatten door haar van alle kanten te benaderen. Wat overeind blijft, zijn niet mijn gedachten, maar de poëzie, als rots in de branding. Poëzie spreekt voor zichzelf, waarom zou ik dan als lezer op deze plek nog hardop ‘voor’-lezen, zeker als zelfs de dichter mij bij voorbaat ter verantwoording roept, want niet mis te verstaan is

‘Wat als er tussen de regels door/ alleen een peilloze leegte ligt, een stilte/waarin ik probeerde een gedachte te formuleren/die dadelijk wordt volgeplempt/met hermeneutische tekstverklaring?’

Laat ik nu net ook van de stilte houden die ieder voor zich kan invullen, maar die niet per se gevuld hoeft te worden, maar wie zegt dat mijn beschouwing straks niet ook valt onder ‘de uiteenzettingen van critici/die mijn gedichten doorplozen als boedelbeschrijving’? De dichteres houdt mij bij voorbaat een spiegel voor, en juist daardoor voel ik mij gesterkt, want wie kritiek durft te geven, vindt de ander de moeite waard.

Heel lang bleef ik alleen maar kijken naar de voorkant van de bundel: berkenbomen met veel ruimte ertussen, sommige zo kenmerkend wit van kleur, andere in de schaduw, maar dan in elk geval kenmerkend van vorm. Onwillekeurig zocht ik naar de mand, maar een mand voelt veel meer ‘binnen’, in een kamer, dan dit buitentafereel. Toch vond ik een mand, en wat voor een, tussen de bomen, toch ook ‘omsloten’, zoals een mand in een kamer kan zijn, in dit geval door de bomen, namelijk een klein water, wellicht een ‘barmhartig vennetje’. Toen ik het eenmaal zag, ontroerde het mij hevig, omdat de diepte van deze bijzondere mand onpeilbaar is, en tegelijkertijd spiegelt aan het oppervlak, poëzie in essentie.

Daar stond ik dan, wat onzeker aan de rand van het spiegelende water, probeerde de diepte te peilen, van ‘Dit nieuwe leven’ en had toch wel iets wat lijkt op een universeel esthetische ervaring, juist omdat de ik op zoek gaat naar

‘het sublieme. Dat magische mooie/dat steeds tussen je vingers vandaan glipt/en waar een beetje geesteswetenschapper/een hele carrière op kan bouwen./Wat als het ongrijpbaar is omdat het niet bestaat?’

De zoektocht van de ik valt heel even samen met die van mij als lezer, want ik ben stiekem ook op zoek naar het sublieme in of tussen de regels, en ook mij glipt het tussen de vingers vandaan, want waarin schuilt toch de schoonheid van deze versregels? Eerst neemt de ik mij mee in een tram, ‘terwijl mijn eigenzinnigheid met me meereist/ in mijn linnen tasje, massaproduct voor een eenling’. Die observatie vind ik op zichzelf al heel mooi: hoe talloze producten voor de massa worden gemaakt, maar toch slechts gebruikt worden door een enkele persoon. Tussen die alledaagse handelingen komt dan ineens die zoektocht naar het sublieme, en die zoektocht vind ik ook heel mooi beschreven, vooral de angst dat het misschien niet eens bestaat, terwijl we er zo naar verlangen. Als lezer vraag ik me af: ligt het sublieme niet overal verscholen: zowel in de observatie van het kleine, als in die zoektocht naar het grotere? Voor mij als lezer dus wel, want de regels raken mij, voor even, want ik realiseer me heel goed dat het sublieme ook in andere regels, net als in die van andere dichters, of in de schoonheidsbeleving van de omslag, voorbijflitst en mij raakt.

Natuurlijk wil ik daar als lezer bescheiden in zijn. Wat mij raakt, hoeft een ander niet te raken en andersom. Wat ik lees, hoeft een ander niet te lezen, en andersom. Neem:

‘‘Wanneer ik me/in een ruimte vol glasscherven/naar het licht dans’ (een zin uit mijn eerste bundel)/werd door een zelfverzekerde interviewer eens/tot een religieus ontwaken gebombardeerd’.

Dat kan dus gebeuren, dat je iets leest, wat de ik uit het gedicht niet zo bedoeld heeft. De ik klinkt hier scherp en kritisch, misschien zelfs wat sarcastisch, maar hoe mooi is het dat in het volgende gedicht staat: ‘Het betekent dat als ik dat gedicht opnieuw kon schrijven,/ ik er een religieus ontwaken in zou leggen – God weet/hoezeer ik het nodig heb.’ Dit vind ik nu subliem, want het laat zien dat de observatie van een ander ertoe doet, dat het even tijd nodig heeft om te landen in de ik, maar dat het een kans krijgt, in overweging wordt genomen. De dichter laat hier perfect zien hoe belangrijk het gesprek is tussen mensen. We moeten nooit stoppen met elkaar te spreken. Anders is dat bij

‘Een ander schreef/dat ik beter helemaal met dichten kon stoppen/en ik ben ook wel eens pathetisch genoemd/door mannen met verstand van de canon. Kijk om je heen, door de hele geschiedenis heen/dat verdomde verdoemen en minachten van emoties... Geen wonder dat we zijn aanbeland/waar we zijn aangestrand.’

De ik legt hier de vinger exact op de plek waar het fout gaat: roepen dat een ander beter kan stoppen met dichten – dat wil zeggen met leven, want een mens leeft door keuzes te maken, in dit geval de keuze om te dichten – helpt de mensheid niet verder. Dat is veroordeling, dat is minachting van de ander. Die brengen ons in een samenleving waar we de ander geen plek gunnen. De dichter laat hier feilloos zien wat het verschil is tussen luisteren en kritische vragen stellen aan de ene kant, en veroordelen aan de andere kant. Met het een kun je verder, met het ander is je bestaan tot niets gereduceerd.

Toch is de ik zo krachtig om zelfs met deze laffe kritiek zichzelf een spiegel voor te houden: ‘Het is ook nooit goed met die pathetische dichters’. Het is een zucht, nadat de ik heeft duidelijk gemaakt hoe je in een kringetje kunt blijven draaien als je je leven zin wilt geven terwijl ‘de dokter morgen kan bellen/om te zeggen dat het klaar is’. Wat blijft er dan nog over om van je leven te maken: ‘Er is geen toekomst, alleen en lang/en stroperig hier en ik zijn. Het enige zwerven/door de tijd dat ik soms doe is terugblikken’? Zelfs als er bij mij geen enkele aanleiding is tot angst dat de dokter mij elk moment zou kunnen bellen met deze onheilspellende boodschap, zet het mij aan het denken. Elk mens is immers vergankelijk. Zoals de ik zich afvraagt of je met zo’n zwaard van Damokles boven je hoofd anders gaat leven, zo vraag ik mij dat omgekeerd ook af: waarom maak ik mijzelf wijs dat mijn leven vast nog wel een poos doorgaat? Wordt het leven daardoor niet minder waardevol? 

In ‘De onttovering van de wereld’ duikt de ik heel even in het verleden naar twintig jaar terug: ‘in mijn broekzak heb ik/mijn meest kostbare bezit/tot nu toe: een miniatuur Katrien Duck/die uit een roze doosje springt/zodra je het opent’. Ook hier vraag ik mij af: wat zijn mijn schatten en wat is het verschil met die van vroeger? Het kleine roze verrassingsdoosje met kleinood ziet er twintig jaar later wel wat anders uit:

‘twintig jaar later raak ik verstrikt/in de wachtwoorden/en patiëntnummers/die ik nodig heb/om toegang te krijgen tot mijzelf/en ik voel mij onttoverd/er is niets magisch aan dit leven/waarin een balie een schavot is/waarin de snelle achteruitgang/aan het eind een angst is/’Ze voelde zich goed. Toen was ze dood.’/als een nieuwe fleece trui die een keer gewassen werd’.

Het is ontroerend en schrijnend hoe het beeld van het kleine schatkistje langzaam schuift over het digitale patiëntendossier waarin het lot van de mens verscholen ligt. Nee, geen wonder dat de ik onttoverd is, want daar is inderdaad niets magisch aan. Het is frustrerend hoe je tegenwoordig met weet ik hoeveel gebruikersnamen en wachtwoorden soms nauwelijks nog toegang weet te krijgen tot de informatie waar eigenlijk alleen jijzelf over zou mogen beschikken. Het is huiveringwekkend hoe de gang naar de balie van het ziekenhuis hier is verbeeld als schavot. Het voelt alsof je je laatste stappen aan het zetten bent, hoe het in een keer afgelopen kan zijn. Het beeld van de fleece trui laat zien hoe ook dat moment onttoverd is: het veel te korte leven wordt vergeleken met een trui die maar een keer gewassen werd. Het roept meteen het gevoel van ‘zonde!’ op, en direct daarna een gevoel van armzaligheid, omdat het leven zoveel meer waard is dan die fleece trui. Toch voelt het als een schreeuw om de kleinoden van het leven te koesteren, vooral aan het slot:

‘zeg me dat de mensheid/haar geloof verliest en ik antwoord/we waren altijd al achterdochtig/we knepen alleen nog een oogje dicht/hadden in een ver verleden ergens gelezen:/het is beter met één oog/het eeuwige leven binnen te gaan/dan met twee ogen/in het eeuwige vuur te worden gegooid’.

Het is bewonderingswaardig en ook troostend hoe Marsman, die voortdurend de klok door hoort tikken, de strijd aangaat tegen wantoestanden in de samenleving, zoals in ‘Verlate kamervragen’:

‘het verschil/tussen lichamen/en kadavers/is het verschil/tussen uw opoe Lambertus/in huize Zonnerust/en de Bengalese kleermaker/die geen polyester badpakken/meer hoeft te naaien/bedankt voor uw diensten/maar de zomer/is al even verloren/als het culturele seizoen/in Moria sterft/een meisje/een klapperend tentdoek/als ventilator/terwijl ons beloofd was/dat de kinderen niet/zouden sterven/dit keer/de moraliteit, zeg je/is weer eens/ribbedebie/dankzij de realiteit van mondkapjes 9 euro/per stuk/booking.com/was er snel bij/KLM koppelde bonus/aan staatssteun/nog even/en op Airbnb/verschijnen/de eerste schuilkelders/terwijl het ene/na het andere theater/omvalt’.

De poëzie roept op tot verzet tegen deze wantoestanden, ook al zou vandaag je laatste dag zijn, en je niet meer deel uitmaken van een betere wereld in de toekomst. Het streven naar het sublieme is noodzakelijk om het leven zin te geven in een samenleving waar de ander er ook toe doet. Hier voel ik de bodem van de kleine mand van het nu zakken tot een onpeilbare diepte, waarin het niet de tijd is, die ertoe doet, maar onze verantwoordelijkheid en onze keuzes.

Lieke Marsman gebruikt prachtige beelden om het menselijk bestaan in te vangen: ‘in mijn herinnering ben ik nevel/slijt mijn dagen als een moerasmist/die overal (op halve dichtheid) is//niet een vrouw alleen aan het water/maar de afgemeten kade zelf ben ik/het resultaat van de rotsen en hard’. Het geeft weer hoe de ik voortdurend van positie verandert: van nevel, via moerasmist, naar de afgemeten kade zelf. Ik denk aan de dunne lijn tussen leven en dood waarop de ik balanceert, maar ‘hier altijd al geweest en ieder voorjaar/aan gedacht door mensen mijlenver verwijderd:/weet je nog, jaren geleden, wij aan die kade//niet een vrouw alleen aan het water/maar een hele vriendengroep in de zon/te koud om te zwemmen, dus we zwommen?’ Zo verschuift de eenzaamheid van de ik, gevangen in het onzekere bestaan, op dezelfde plek, deze zelfde kade, naar een gelukkig, onverschrokken, samenzijn met vrienden, ergens in het verleden, en in de herinnering dus ook nu.

‘Dit is allemaal uit één stip gesprongen,/deze zich langzaam uitrollende atoomwolk/die zijn ploegmessen stukslaat/op de zwerfkeien van de afstand//die op elke afstand volgt.’ Verwijst ‘Dit’ naar het leven, of misschien ook naar het gedicht zelf, als een soort uitdijend heelal? Het werpt een troostrijke gedachte op het nu dat eindeloos uitdijt: ‘Gelukkig is verdwijnen onmogelijk/zolang het niets geen grenzen kent:/in wat alles omvat geen plek voor residu.’ God zij dank dat Lieke Marsman nu onze Dichter des Vaderlands is en dat zojuist deze prachtige bundel is verschenen waarin zij nooit zal stoppen met dichten, en het voor altijd mogelijk is de tijd te verliezen.

Titel: In mijn mand
Auteur: Lieke Marsman
Pagina's: 34
ISBN: 9789083095363
Uitgeverij Pluim
Verschenen: januari 2021

donderdag 21 januari 2021

De opgang - Stefan Hertmans

Recensie door Dietske Geerlings
Uitgeverij De Bezige Bij

Opgang door een leven vol insijpeling en rotting 

Wat houdt de nieuwe roman van Stefan Hertmans, De opgang, bij elkaar, behalve de prachtige omslag waarop een raam met open luiken staat afgebeeld, enigszins verscholen achter een blauweregen? Zowel zon als schaduw maken deel uit van de afbeelding, en wie gedacht had dat hij wel even door het raam naar binnen kon kijken om iets op te vangen van wat zich binnenskamers afspeelt, komt bedrogen uit, omdat niet alleen het hekwerk van het balkon, de brede raamlijsten en het fragiele gordijn het zicht naar binnen belemmeren, maar ook het perspectief waarvoor gekozen is, want je kijkt wat van onderen op tegen het raam. Evenzo vergaat het de lezer die op zoek is naar de kern van dit complexe werk, maar geloof mij, ook al is het maar de vraag of de lezer kan doordringen tot die kern, de zoektocht is het meer dan waard.

De opgang houdt het midden tussen geschiedenis en verbeelding. Aanleiding voor het schrijven van de roman was dat Hertmans in het werk Zoon van een foute Vlaming van de historicus Adriaan Verhulst zijn eigen naam tegenkwam als nieuwe bewoner van het huis in een straatje genaamd Drongenhof, een deel van het Gentse Patershol. Pas op dat moment drong tot hem door dat hij twintig jaar had gewoond in het voormalige huis van een Vlaamse SS’er, namelijk Willem Verhulst, vader van bovengenoemde historicus. In De opgang reconstrueert hij de geschiedenis van het huis, maar vooral ook de geschiedenis van Willem, zijn tweede vrouw Mientje en hun drie kinderen. 

Willem Verhulst is een wat grillige persoon, aan één oog blind, die als kind regelmatig overhoopligt met zijn Franstalige leeftijdsgenoten. Hij groeit uit tot een wat anarchistische figuur, die zich steeds weer door nieuwe ideeën laat beïnvloeden, romantisch-christelijke, communistische, maar uiteindelijk toch die van de nazi’s die Vlaanderen als onderdeel van het grote Germaanse rijk zien. Verhulst wordt hoofd van de Gentse Radiodistributie, is lid van de Vlaamse Waffen-SS en is uiteindelijk verantwoordelijk voor het maken van lijsten van verzetslieden, werkweigeraars, ondergedoken Joden en politieke tegenstanders. Zijn tweede vrouw Mientje daarentegen is een diepgelovige vrouw die niets moet weten van de collaboratie van haar man. Thuis moet zijn uniform uit, ze slaat het gipsen beeld van Hitler stuk en protesteert openlijk tegen alles wat met zijn ideologieën te maken heeft. Uiteindelijk blijkt het huis het middelpunt geweest te zijn van een aangrijpend huwelijksdrama. 

Toch is de roman veel meer dan alleen deze geschiedenis, al had ik aanvankelijk wat moeite met de term ‘roman’, die toch wel degelijk op de voorkant staat. De auteur zelf speelt namelijk een belangrijke rol in het boek als verteller. Normaalgesproken is het niet de bedoeling dat je auteur en verteller door elkaar haalt, maar bij deze roman kun je ze onmogelijk los zien, omdat de verteller samenvalt met degene die in 1979 het huis in het Drongershof heeft gekocht en daarmee dus ook zelf deel uitmaakt van de geschiedenis die hij aan het vertellen is. Hij blijft als verteller niet op de achtergrond, maar is als onderzoeker prominent aanwezig. Een van de verhaallijnen is zelfs die van hem waarin hij samen met notaris De Potter het huis doorloopt zonder op dat moment te beseffen dat dit het huis is geweest van een Vlaamse SS’er. 

Paradoxaal genoeg is het juist deze verhaallijn die ervoor zorgt dat het boek toch een ‘roman’ is te noemen, omdat deze ‘opgang’ (met De Potter loopt hij van beneden naar boven door het huis, met uitzondering van de zolderverdieping die hij alleen moet betreden) voor een symbolische, diepere lading zorgt. Hertmans verwijst in zijn motto van het eerste deel niet voor niets naar Dante. Het lijkt erop dat de verteller samen met De Potter de kamers van de hel bewandelt, richting het hoger gelegen paradijs, al is het nog maar de vraag of hij dit paradijs ooit zal bereiken. Daarbij is niet alleen de geschiedenis die zich hier heeft afgespeeld, een hel, maar ook de erbarmelijke staat van het huis zelf. 

'We liepen over het nauwe, zonloze koertje naar het achterhuis, dat zich aan de linkerkant bevond. Dat kale bouwsel was er het ergst aan toe. De ramen waren ondoorzichtig door het stof, de muren leken doorweekt, het platte dak stond op instorten. De bitumen dakbanen, door de notaris terre-papier genoemd, een Gents-Franse verbastering van ‘geteerd papier’, waren zo lek als een zeef, de zoldering was aangetast door insijpeling en verrotting, enkele balken waren gebroken en staken door het gips, dat nog vermengd was, zoals men dat vroeger deed, met strengen paardenhaar.’ 

De mankementen krijgen vooral een symbolische lading doordat de verhaallijnen ingenieus in elkaar geweven zijn, want tijdens de ‘opgang’ met De Potter heeft de verteller weliswaar zelf nog geen vermoeden van het gruwelijke verleden dat zich hier heeft afgespeeld, maar deze verhaallijn wordt steeds onderbroken door de geschiedenis van Willem Verhulst en zijn gezin, waardoor de lezer de ruimte heel anders ervaart dan de nog nietsvermoedende verteller. Het langzaam doordringen van het nazisme in het huis voelt als ‘insijpeling’ en ‘verrotting’, zoals het huwelijk dat net als het platte dak op instorten staat en zo lek is als een zeef. Dit laatste niet alleen door het nazisme, maar ook door Willems relatie met zijn minnares Griet. 

Niet alleen de mankementen krijgen een symbolische lading, ook de prachtige blauweregen, die niet alleen op de omslag prijkt, maar ook in het verhaal steeds opnieuw terugkomt. Mientje heeft de plant ooit in de grond gezet, haast als teken van hoop. Een blauweregen is enorm krachtig, een heuse woekeraar, en daarmee in deze roman symbool voor Mientjes kracht, die ondanks alles, aan de liefde blijft vasthouden. Dat deze plant giftig is, moeten we dan misschien maar zien als een noodzakelijk tegengif tegen alles wat deze liefde probeert aan te tasten. 

Er is nog een andere verhaallijn en dat is die van de reflecterende onderzoeker, die commentaar levert op het eigen onderzoek, vragen stelt bij verschillende bronnen, maar ook reflecteert op wie nu eigenlijk Willem Verhulst was. Het is mooi dat er geen pasklaar antwoord komt. Verhulst komt in allerlei facetten naar voren. Natuurlijk kun je je afvragen of dat niet iets te veel eer is voor een forse collaborateur. Toch vind ik dat juist de kracht van de roman. Hoezeer wij met elkaar ook de collaboratie afkeuren, het is de kunst om de mens die zich er schuldig aan heeft gemaakt, toch als mens te blijven zien, om niet aan de verleiding toe te geven mens te laten samenvallen met zijn daden. Hertmans dwingt de lezer in de opgang door het huis, waarin de geschiedenis rottend en misselijkmakend naar binnen sijpelt, maar laat juist door de krachtige Mientje zien hoe je die twee moet loskoppelen, want het is wonderbaarlijk hoe zij het voor elkaar krijgt de mens in hem lief te hebben en het monster steevast af te keuren, terwijl ze zelf ondanks alle twijfels en het verdriet overeind blijft. Ook daarmee stijgt het boek uit boven een willekeurige geschiedenis. Het laat zien dat het mogelijk is, zelfs binnen de muren van een huis. Dat het niet eenvoudig is, laten de barsten en de rotting zien. Overigens laat niet alleen Mientje deze strijd zien, maar ook de kinderen. Zij balanceren voortdurend tussen afkeuring en poging tot begrip. Niet in de laatste plaats is het ook de onderzoeker zelf die zijn plaats zoekt, woonachtig geweest in een pand waarin zoveel onheil is geschied. Ook hij probeert voortdurend een houding aan te nemen tegenover Verhulst, maar wordt heen en weer geslingerd door tegengestelde krachten. Als wij de zolderverdieping al als paradijs zouden zien, dan is het er een waarin geen duidelijke antwoorden zijn. De mens blijkt meer dan een verzameling feiten en blijkt in wezen ongrijpbaar. Een schrale troost is het te zien hoe Verhulst uiteindelijk wel in de gevangenis voor zijn daden moet boeten. 

Niet alleen in deze ingenieuze constructie van verschillende verhaallijnen laat Hertmans zijn vakmanschap zien, want daarnaast is hij een taalvirtuoos. Hij wisselt diverse taalregisters af, afhankelijk van de verschillende verhaallijnen en personages: Vlaams, dialect, Duits, maar ook afwisselend ‘officiële’ taal en een wat huiselijker variant. Hij baseert zich op dagboekfragmenten van Mientje, maar ook op gesprekken met nabestaanden en diverse andere bronnen. Wat voor mij afdoet aan de romanwerkelijkheid, zijn de afbeeldingen die in het boek staan: foto’s van personen, maar ook van voorwerpen. Hierdoor verliezen de voorwerpen aan symbolische kracht, omdat ze niets aan de verbeelding van de lezer overlaten. Die verbeelding is wat mij betreft nu juist nodig om het boek als roman te ervaren, al zullen er ongetwijfeld ook lezers zijn bij wie de voorwerpen juist tot de verbeelding spreken. 

De kracht van De opgang zit in een combinatie van het ingenieuze weefsel van de verhaallijnen, de virtuoze stijl en de betekenisvolle details die de menselijke en monsterlijke misère laten zien van een leven dat aangetast is door lekkages en rotting. De roman is na Oorlog en terpentijn en De bekeerlinge de derde in de reeks van ‘literaire reconstructies van een geschiedenis’, die Hertmans inmiddels heeft gepubliceerd. Hij toont zich meester in dit bijzondere genre, dat hij in zijn eigenzinnigheid – al schrijvend – zelf voor een belangrijk deel heeft vormgegeven. Ik ben benieuwd of er nog meer gaan volgen, maar met dit vakmanschap zijn ook andere literaire vormen bij hem in goede handen.

Titel: De opgang
Auteur: Stefan Hertmans
Pagina's: 352
ISBN: 9789403101316
Uitgeverij De Bezige Bij
Verschenen: oktober 2020

maandag 18 januari 2021

Dean Bowen - Ik vond geen spoken in Achtmaal

Poëziebespreking door Dietske Geerlings
Uitgeverij Jurgen Maas

Verbinding en respect in een wonderlijke ontmoeting

‘Het is onmogelijk jezelf in een dode geschiedenis in te schrijven. Ik wantrouw het mannelijke in mij & oktober nestelt zich in mijn borstkas. Ik werd aangeplant voor tijdelijke voeding in de bodem van De Oude Buisse Heide maar weet deze wortels niet bestand tegen exotisme.’

Zo begint de stadsdichter van Rotterdam zijn kleine bundel Ik vond geen spoken in Achtmaal, die hij schreef op het landgoed De Oude Buisse Heide, op zoek naar de geest van Henriette Roland Holst. Daarmee zet hij op poëtische wijze de toon, van een bundel die een wonderlijke ontmoeting beschrijft tussen de twee dichters.

Het is hem kennelijk niet te doen om daadwerkelijk de geschiedenis van deze socialistische dichteres uit het begin van de twintigste eeuw in te duiken en hij weet bij voorbaat al dat hij op deze plek niet geworteld zal zijn. Het is geraffineerd hoe hij hier alle hoge verwachtingen die de lezer zou kunnen koesteren van de bijzondere ontmoeting tussen de moderne, stadse dichter en de overleden, welgestelde, van het platteland afkomstige dichteres, vakkundig om zeep helpt. Wat overblijft is een ongekende vrijheid, want zonder verwachtingen kan het nog alle kanten opgaan.

Niet alleen wat betreft zijn verhouding tot de dichteres zet hij de toon, ook in stilistisch opzicht. De eerste keer dat ik de bundel las, voelde ik wat weerstand tegen de ongecontroleerde zinsbouw en het merkwaardige gebruik van het &-teken, de tweede keer had ik de wonderlijke ervaring dat ik de poëzie in mijn hoofd begon te ‘horen’, heel logisch eigenlijk, want Bowen is een performer, een man van ‘spoken word’. Dan krijgt ook het opsommingsteken een andere betekenis. Normaalgesproken wordt het gebruikt tussen twee zelfstandige naamwoorden die aan elkaar gekoppeld worden, maar hij gebruikt het tussen zinnen, waardoor in eerste instantie een zekere vervreemding ontstaat, maar na verloop van tijd krijgen de zinnen een bepaald ritme, een beat, zou ik het haast noemen. Bij ‘mij & oktober’ denk ik onwillekeurig ‘mei & oktober’, zozeer ben ik gewend aan het koppelen van twee gelijkwaardige zelfstandige naamwoorden. Door die associatie komt er een wonderlijke laag bij, want ‘mei’ is de maand van de lente, het nieuwe leven, oktober die van het najaar, het begin van het sterven, waardoor ook de relatie tussen moderne dichter en overleden dichteres in een bijzonder daglicht wordt geplaatst. Verderop zegt hij ook ‘ik hoop op lente/voor de bloei’. Mijn associatie gaat nog verder, namelijk naar Mei van Gorter, een tijdgenoot van Roland Holst, een klassieker uit de Nederlandse literatuur. Ook die associatie is betekenisvol, omdat hij verderop zegt ‘ik bouw mijzelf op een breuklijn’, met andere woorden, hij zoekt weliswaar de verbinding, maar realiseert zich dat zijn ‘mij’ een andere is dan die van haar en dat tussen die twee altijd een breuk zal zijn, omdat deze tijd niet strookt met die van haar. Hij komt uit een andere wereld. Gorters Mei begint met de gevleugelde regel ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’.

Die breuklijn is in de hele bundel voelbaar, want zijn overrompelende poëzie vol breuken, rafels, en opeenstapeling van klank en beeld is totaal anders dan de klassieke sonnetten van haar. Haast elke poging tot toenadering mislukt. Zo vinden we een brief van Dean aan Henriette, waarvan alle tekst, inclusief ondertekening is doorgestreept, behalve haar naam. De dichter probeert zich weg te cijferen voor haar, benadert haar respectvol, maar schept geen valse verwachtingen: ‘ik heb een zwaar hart uit mijzelf gesneden/om het aan je voeten te leggen’. Hij doet een offer, want:

‘Er is iets traags buiten het bereik van het stadse crescendo. Er zijn machines nodig om mij hier te brengen & en weer vandaan te krijgen. Ik bezit geen van deze machines & voel mij klemgezet. Er ontbreekt een ziel. Er ontbreekt theater. Een koninkrijk voor het klein verzet. De arme man.’

Steeds opnieuw botst hij tegen haar wereld op: ‘Ik heb op iedere hoek haar naam gefluisterd, maar ik vond geen spoken in Achtmaal.’ Speelt de dichter hier ook met ‘spoken’ in de Engelse betekenis van ‘gesproken’, want Roland Holst spreekt inderdaad niet meer, het gesproken woord is op haar landgoed en ook in haar poëzie nergens te vinden.

Hij bekent dat hij zich niet grondig heeft verdiept in haar leven en in haar poëzie, maar wat hij wel heeft ontdekt is dat zij misschien toch raakvlakken hebben:

‘Ik schrijf wezenlijk anders dan jij deed, maar het gevoel bekruipt me dat ook jij wellicht slachtoffer geweest bent van een vergelijkbaar onbegrip. Wat te doen, als de receptie van je werk gepaard gaat met een fundamentele misvatting van de intentie die het werk ondersteunt.'

Deze zin komt uit de doorgestreepte brief van Dean aan Henriette. Juist in deze brief lijkt hij haar dicht op de huid te zitten. Veelbetekenend is het dat de brief vervolgens is doorgestreept.

Er is een bladzijde in de bundel waarop alleen de woorden ‘Ik Verwyt je niks’ staan. Ook hier klinkt door dat hij haar respecteert, maar dat zij elkaar nooit heel dicht zullen naderen. Het staat er niet, maar je denkt na deze uitspraak meteen ‘... maar...’. Bijzonder vind ik ook hier de spelling. Het lijkt of hij haar in de ouderwetse spelling probeert te naderen, door van de gewone ‘ij’ een ‘y’ te maken, maar waarom gebruikt hij de hoofdletter? Hierdoor denk ik onwillekeurig aan een andere tijdgenoot van Roland Holst, namelijk Albert Verwey. Ik kan mij niet onttrekken aan de indruk dat Bowen hier toch de spoken uit haar wereld probeert op te roepen: Gorter, Verwey, Roland Holst zelf.

Na deze bladzijde komt een poëtische explosie, waarvan ik de eerste twee strofen citeer:

ik stem jij vers terzinen woelt
poëzie tot niets accentrijk nood
spreek waar de tijd of medestem
die kader noemt als exponent
gebreken niet afwijking zijn
moment gezien wie zoeken naar
een frisse norm en aangezien
zichzelf daarmee goed heersen duidt. 

royaal ik jou het woordgeslacht
door iedereen verschuiven kan
ontdek wie revolutie geest
alleen naar voren dienstbaar is
want politiek werd echter zwaar
de studie van het Kapital
opwek de ziel op eerst’n mei
vertaal zij socialistisch zijn


Hier komt de taal in een wervelwind terecht, woorden verschuiven en er ontstaat een ware revolutie in de taal, waardoor de betekenis wel erg lastig te achterhalen is. Ook hier wordt ‘mei’ genoemd, maar dan de eerste mei, namelijk de dag van de arbeid. Hoe mooi is het ‘ik stem jij vers terzinen woelt’ als samensmelting van Bowen en Roland Holst, want hij is de stem en zij schreef ‘verzen’ en ‘terzinen’; ‘woelt’ is waarschijnlijk weer Bowen die alles overhoophaalt. Hij laat zien hoe zij vertegenwoordigster was, ‘exponent’, van de socialistische beweging, maar vervolgens verwordt deze beweging tot bekende kreten en symbolen.

Aan het slot keert hij terug tot naar ‘waar we eerder waren’ en probeert weer te beseffen waarom hij daar kwam: ‘er is een bijeenkomst in het bos/littekens als bewijs/ontrafel ze tot kronkelpaden’. Zie hier de bundel waar Dean Bowen en Henriette Roland Holst voor even samenkwamen in een, laat ik het ‘ontsporing’ noemen. Hij heeft zich voor haar ingehouden: ‘ik herinner haar aan/een afgewende mannelijkheid’, want ook al aan het begin wantrouwde hij ‘het mannelijke in mij’. Heel even lijkt het of er toch nog wat rondspookt: ‘er is iets wat bromt/& er is iets wat opdoemt.’ Misschien kan het bundeltje leiden tot herlezing van Roland Holst: ‘Henriette wordt herontdekt.’ Tenslotte wandelt de ik weg uit de bundel, terwijl hij zich verwondert. Het is een bundeltje dat zich leent om steeds weer even te pakken en er nieuwe schatten in te vinden, het bevat een wonderlijke, wat willekeurige ontmoeting tussen twee totaal verschillende dichters, die daardoor juist ‘verbinding’ en ‘respect’ oproept, en dat zijn zeker geen spoken.

Titel: Ik vond geen spoken in Achtmaal
Auteur: Dean Bowen
Pagina's: 47
ISBN: 9789491921834
Uitgeverij Jurgen Maas
Verschenen: september 2020

woensdag 13 januari 2021

Roxane van Iperen - 't Hooge nest

Recensie door Philipp van Ekeren
Lebowski Publishers

'Mensch, tracht te overleven…'

Moed, opoffering, wanhoop en verbondenheid tijdens de bezetting

In mijn boekenkast liggen stapels ongelezen boeken te wachten. En slinken doen ze al jaren niet meer ondanks mijn leeshonger. Integendeel. Maar aan één titel word ik sinds 2019 steeds herinnerd. Regelmatig wordt er aandacht besteed in de media over dit boek of de schrijfster. Het verhaal heeft klaarblijkelijk heel wat losgemaakt. Centraal in het verhaal staat de onderduik door twee zussen en hun familie in een vrijstaand huis in de bossen van Naarden: ’t Hooge Nest.  

Een half jaar geleden las ik het boek ‘Oorlogszoon’ uit 2018 van Ivo Weyel, die op een indringende wijze de onderduik van zijn ouders en grootouders heeft vastgelegd. Goede literatuur in een periode waar veel burgers in 2020 zich beklagen over het feit dat hun vrijheid wordt afgenomen. Uit nieuwsgierigheid eindelijk ’t Hooge Nest ter hand genomen.

Buiten het verzameld werk van G.L. Durlacher heb ik tijdens het lezen zelden zo’n spanning ervaren als in dit boek. Heftig en af en toe zo hartverscheurend dat ik het even moest wegleggen. Soms vechten tegen de tranen.

Het begint als de schrijfster Roxane van Iperen ’t Hooge Nest betrekt en diverse schuilplaatsen in het pand ontdekt. Dit is de start van een diepgravend onderzoek naar de beladen geschiedenis van de hechte Joodse familie Brilleslijper uit Amsterdam. Het verhaal begint in 1907 met het bekende levenslied 'Mensch, durf te leven' van muzikaal wonderkind Dirk Witte totdat deze inmiddels succesvolle componist de bovengenoemde villa laat bouwen in 1920. Het verhaal wordt aangevuld met de sociale en politieke geschiedenis van Nederland van het begin van de 20ste eeuw tot de bevrijding. Deze duiding geeft het verhaal extra inzicht. Hoe deze Amsterdammers de neutraliteit van Nederland in de eerste wereldoorlog beleven. De naïviteit en onwetendheid van de joodse Nederlanders in het interbellum onder het adagio 'het zal niet zo vaart lopen' en 'erger kan het niet worden'. De talrijke vluchtelingen uit Duitsland die door de regering als ‘ongewenste elementen’ worden bestempeld.

'De Regeering is van oordeel dat in beginsel ons beperkt territoir voor de eigen bevolking moet blijven gereserveerd,’

Vervolgens de bezetting van Nederland, met de hoogtijdagen van de WA'ers, NSB'ers en SD'ers. De communisten die gelijk worden opgepakt. De Endlösung der Judenfrage wordt ingezet door de razzia's op de joden. De beklemming en radeloosheid in de familie en kennissenkring is voelbaar. Koortsachtig wordt gezocht naar onderduikadressen. De constante angst om ontdekt te worden door verbeten Jodenjagers, of het op de loer liggende verraad. Het verhaal eindigt met de ongelooflijke overlevingsdrang van de hoofdrolspelers onder de meest gruwelijke omstandigheden in concentratiekamp Auschwitz en Bergen-Belsen, de bevrijding en thuiskomst van de enkeling.

Gelaten ziet het volk alles aan. Hartvochtig en afstandelijk wordt de uitsluiting bekeken door de burgerij, de overheid en de daders. De lezer krijgt een goed beeld van de doortastende inzet van de Nederlandse overheid om, in dienst van de Duitse bezettingsmacht, zich te ontdoen van de joodse medeburgers. Van de hoge raad, ambtenarij, de Nederlandse spoorwegen tot politie (daarbij is nog wel op te merken dat zonder een tekende Ariërverklaring iedereen zijn baan verliest). Godzijdank uitzonderingen daargelaten. Zoals solidariteit en hulp uit onverwachte hoek. Stakingen en het ondergronds verzet. Juist door dit familiedrama te beschrijven binnen de geschiedschrijving van de bezetting geeft het boek een extra dimensie. Dat maakt dit boek ijzersterk.

'De aarzeling die de niet-joodse Nederlandse bevolking de eerste twee bezettingsjaren toonde om afstand te nemen van haar joodse medeburgers, is bij de meeste omgeslagen naar acceptatie van hun lot.'

Het is een verslag van moed, opoffering, wanhoop en verbondenheid. Het geraffineerde beleid van de bezetter door de inzet van de Joodse raad en de steeds stringentere beperkingen worden voelbaar in het ‘gewone’ leven van de hoofdrolspelers. Een herkenbare doodgewone Amsterdamse familie met een uitzondering dat zij een ‘J’ in hun identiteitskaart hebben gekregen. Stap voor stap beleven we als lezer hoe het net van de vervolging steeds meer wordt aangetrokken. Elke dag in angst en onzekerheid wat de toekomst zal brengen. De enige kanttekening die ik kan maken zijn de hoeveelheid namen en personen die worden opgevoerd. Die zijn enigszins verwarrend.

Van Iperen heeft een geweldig boek geschreven dat ons een betrouwbaar inzicht geeft in deze inktzwarte periode. Helaas nog actueel gezien de vluchtelingencrisis waar de wereld zich momenteel in bevindt. Verplichte literatuur voor alle leerlingen en studenten. Een aanrader voor iedereen. Lees dit boek! Lees dit boek! Lees dit boek!

Titel: 't Hooge nest
Auteur: Roxane van Iperen
Pagina's: 348
ISBN: 9789048841783
Lebowski Publishers
Verschenen: november 2018