Posts tonen met het label Uitgeverij De Geus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Uitgeverij De Geus. Alle posts tonen

dinsdag 18 januari 2022

Susan Abulhawa - Ochtend in Jenin

Recensie door Robert Van der Meiren
Uitgeverij De Geus


Palestijnen zijn dus óók mensen!


Het is fijn als je een boek met een bewonderend wauw-gevoel kunt dichtklappen. Een goed boek blijft dan een tijdje nazinderen, en verdwijnt daarna geruisloos naar de achtergrond, bijvoorbeeld omdat we alweer aan een volgend boek zijn begonnen. Maar heel af en toe krijgen we een boek in handen waar we zo van onder de indruk zijn dat het zich voor heel lang ‒ of zelfs voor altijd ‒ in ons geheugen vastzet. Voor mezelf noem ik bijvoorbeeld Dokter Zjivago van Boris Pasternak, The Lord of the Rings van J.R.R. Tolkien, Het achtste leven (voor Brilka)  van Nino Haratischwili, bijna alle (vertaalde) romans van Halldór Laxness, Oorlog en Vrede   van Lev Tolstoj, en ik kan hier nog wel even doorgaan...

In het begin van vorig jaar las ik Ochtend in Jenin  van de Palestijns-Amerikaanse schrijfster Susan Abulhawa, en ik weet nu al dit werk mij voor de rest van mijn leven zal bijblijven. De roman tekent een schokkend, onthullend, onthutsend, ontnuchterend en verbijsterend beeld van de Israëlisch-Palestijnse kwestie, en is voor mij dé ontdekking van 2021.

Het verhaal

Het is 1941, en in Palestina is alles peis en vree. De Palestijnse bevolking leeft vreedzaam samen met joodse en christelijke minderheden, er wordt onderling handel gedreven en van gemengde vriendschappen kijkt niemand op. De eerste hoofdstukken van Ochtend in Jenin zijn idyllisch, pastoraal, lieflijk, romantisch, bijna idealistisch zelfs.

Alles verandert echter als de Verenigde Naties in 1948 het Joodse volk toestaan om op Palestijns grondgebied de staat Israël te stichten. Vrijwel onmiddellijk nemen de nieuwe bezetters de wapens op om "hun" land te confisqueren. De Palestijnen worden massaal uit hun dorpen en steden verdreven naar vluchtelingenkampen in (bijvoorbeeld) Gaza of de Westoever.

Dat overkomt ook de familie Abulheja uit het kleine olijfboerendorp Ein Hod, als op een dag de hele dorpsgemeenschap door Israëlische soldaten gedwongen wordt te verhuizen naar een vluchtelingenkamp in Jenin. In de chaos van haar vlucht raakt de familie een van haar kinderen, Ismail, een baby nog, kwijt. Het jongetje wordt meegenomen door een Israëlische soldaat die het kind de Joodse naam David geeft, en het als Israëlische jood zal opvoeden.

De achtergrond

Dit dramatisch voorval (1) loopt als een dunne draad door het verhaal dat verteld wordt door vier opeenvolgende generaties moeders van de familie Abulheja. De oude maar moedige Basima, haar schoondochter Dalia die haar zoontje verliest en daarna apathisch en bijna woordeloos door het leven gaat, Dalia's dochter Amaal, de hoofdpersoon in de roman die erin slaagt naar de Verenigde Staten te emigreren maar toch nooit van Palestina loskomt, en Amaals dochter Sara staan symbool voor het getergde Palestijnse volk dat na decennia van terreur, arbitraire behandeling, vernedering, onderdrukking en bureaucratische en economische pesterijen vanwege de Israëlische machthebbers emotioneel en maatschappelijk totaal ontredderd en ontwricht is geraakt.

Israël, Palestina, Gaza, de Westelijke Jordaanoever, Jeruzalem… Bijna dagelijks hebben onze media er wel iets over te berichten. Israël komt doorgaans naar voren als de legitieme rechtsstaat, terwijl de Palestijnen dan de rol van opstandige terroristen toebedeeld krijgen. Kortom, het conflict tussen Israëli's en Palestijnen is er een tussen goed en kwaad, of zo tracht men ons toch te doen geloven. De Israëlische stem klinkt het luidst, en het is alsof de (westerse) wereld na de genocide door de nazi's een eeuwig lopende schuld heeft af te lossen bij het Joodse volk.

Van dat schuldgevoel blijft na het lezen van deze roman nog weinig over. Ochtend in Jenin confronteert ons met de keerzijde van de medaille, en die keerzijde is zonder meer afschuwelijk, maar ook moeilijk te begrijpen. Hoe kan het dat een volk, dat eeuwenlang werd vervolgd ‒ denk maar aan de pogroms tijdens de middeleeuwen, en later in Rusland ‒ en dat tijdens WO II ei zo na werd uitgeroeid, zich vandaag tegenover de Palestijnen net zo gedraagt als destijds de nazi's tegenover hen? Ochtend in Jenin geeft geen antwoord op die vraag, maar stelt wel uitdrukkelijk vast.

De roman vertelt over het leven van de Palestijnen dat door de Israëlische bezetters zo goed als onmogelijk wordt gemaakt. Ochtend in Jenin gaat over wraakroepende menselijke tragedies die zich nu al ruim zeventig jaar afspelen in een oorlog waar nooit een einde aan schijnt te kunnen komen. Op een indringende manier laat Susan Abulhawa ons kennismaken met háár volk, en dat volk is vandaag banger voor de liefde, dan voor de dood.

Hoewel de roman een verwoestend beeld ophangt van de Israëlische machthebbers, is Ochtend in Jenin toch géén antisemitisch pamflet. Het boek beschrijft en veroordeelt de wandaden en de onmenselijkheden, maar dat die begaan worden door Israëlische joden doet Abulhawa veeleer voorkomen als toeval.

De taal

Ochtend in Jenin is echter ook een prachtig geschreven en zeer leesbare roman. Susan Abulhawa's taalgebruik is om van te snoepen. Romans met een tragische thematiek als dit trappen gemakkelijk in de val van gratuite sentimentaliteit, maar daar meandert Abulhawa mooi omheen. Ze schrijft poëtisch en uitermate fijngevoelig, zonder ook maar één keer te vervallen in onnatuurlijke emotionaliteit of goedkope meligheid, zelfs niet als het hoofdpersonage Amaal op een dag meedogenloos wordt getroffen door cupido's liefdespijl!

Als ik Abulhawa's taalgebruik in één woord zou moeten kenschetsen dan is het dit: vriendelijk! In haar roman Het blauw tussen hemel en zee vond ik een passage waarmee ze zelf ‒ wellicht ongewild en onbewust ‒ haar manier van schrijven typeert. Ze schrijft:

"Verhalen zijn belangrijk. We bestaan uit onze verhalen. Het menselijk hart is gemaakt van de woorden die we erin stoppen. Als er ooit iemand iets gemeens tegen je zegt, laat die woorden dan niet in je hart terechtkomen en zorg ervoor dat je geen gemene woorden in het hart van de andere mensen stopt…"

Zo is Abulhawa's vertelstijl: in weerwil van de inhoudelijke gruwel wordt ze nooit polemisch en mijdt ze extreem taalgebruik voortdurend. Cassante uitspraken zijn zeldzaam, in alles wat ze schrijft zit een vriendelijke of begrijpende ondertoon, waardoor de afschuwelijke realiteit nog scherper uit de gitzwarte verf komt. Naar het einde toe toont het hoofdpersonage Amaal zich zelfs grootmoedig, haar goodwill is bewonderenswaardig, ze toont zich groots in haar machteloosheid, maar vooral overstijgt haar ethisch normbesef in sterke mate dat van de Israëlische onderdrukkers. Ze voedt haar dochter Sara op in het volle besef van al de onrechtvaardigheden die het Palestijnse volk moet ondergaan, maar leert haar tegelijk dat begrip en verzoening ten allen tijde de voorkeur moeten krijgen op wraakgevoelens en vijandigheid.

Die conciliërende toon wordt nog sterker benadrukt als Amaal en haar verloren gewaande broer weet krijgen van elkaars bestaan. Bij allebei groeit een sterk verlangen om de wereld van de ander te ontdekken en te begrijpen. Ismail of David, Palestijnse Jood of Joodse Palestijn, symboliseert de mens die de handen uitsteekt naar beide volksgemeenschappen en zo de deur opent naar een 'entente cordiale' die er ooit moet komen (3).

Met Ochtend in Jenin heeft Susan Abulhawa zonder meer een meesterwerk geschreven, een eenvoudig verhaal en tegelijk een literair juweel dat de lezer vanaf de eerste zinnen meesleept naar een wereld die hij niet of amper kent, de wereld van de Palestijnen, en naar mensen die hem diep en diep raken. Toch vrees ik dat haar uitzonderlijke verteltalent en haar literair vakmanschap Susan Abulhawa nooit een of andere belangrijke literaire prijs zullen opleveren, laat staan een nominatie voor de Nobelprijs (2). In de westerse wereld hebben we al lang geleden bepaald wie in dit verhaal de goeden zijn, en wie de slechten, en vanuit die optiek verdedigt Abulhawa helaas de verkeerde zaak.

Besluit

Ochtend in Jenin is een echte eyeopener die mij trof als een slag van een zware moker! Ik heb er bewust voor gekozen geen al te gedetailleerde samenvatting van de roman te schrijven, in de hoop dat zoveel mogelijk lezers de stap zullen zetten om dit verhaal zelf te ontdekken. Maar iedereen die het boek leest zal zijn of haar mening over Joden en Palestijnen gegarandeerd bijstellen, of zelfs helemaal omgooien: die impact had het boek in elk geval op mij!

Om het boek enigszins te situeren in de mondiale literatuur: het mag worden gezien als de (Arabische) tegenhanger van bijvoorbeeld Exodus van Leon Uris (1958), of De bron van James A. Michener (1965).

Tenslotte nog dit: het is moeilijk niet te gaan haten na het lezen van dit boek. Maar misschien is dat wel de boodschap die Susan Abulhawa ons wil geven: dat haat niets oplost, dat haat nooit iets oplost.

De auteur

Susan Abulhawa is een Palestijns-Amerikaanse schrijfster en activiste voor de mensenrechten. Ze werd geboren op 3 juni 1970. Haar ouders, vluchtelingen na de Zesdaagse Oorlog (1967), scheidden kort na haar geboorte waarna Susan een turbulente kindertijd kende. Enkele jaren woonde ze in een weeshuis in Jeruzalem, maar werd op haar 13de door de Israëlische overheid uitgewezen. Ze week uit naar de Verenigde Staten, leefde er korte tijd bij haar vader maar kwam toch weer in het circuit van de pleeggezinnen terecht.

Ze studeerde biomedische wetenschappen, en had een succesvolle carrière als researcher in de farmaceutische industrie. Ze woont in Pennsylvania.

Haar debuutroman, The Scar of David (Het litteken van David) uit 2006 kende weinig succes, maar nadat ze de roman herwerkte en in 2010 opnieuw uitgaf als Mornings in Jenin (Ochtend in Jenin) kwam de wereldwijde appreciatie op gang. De roman werd in 27 talen vertaald.
Susan Abulhawa is initiatiefneemster en bezielster van "Playgrounds for Palestine", een project dat probeert speeltuinen te bouwen in oorlogsgebieden en vluchtelingenkampen.

Eindwoord

Ik wil eindigen met een recent citaat van de schrijfster, dat ik meegeef zonder er een oordeel over uit te spreken of zonder controverse te willen uitlokken, maar gewoon als iets om over na te denken. Dit twitterde ze op 24 december 2021:
"Israel is the moral filth of human consciousness."
Waarvan akte…

(1) In zijn novelle A'id lla Hayfa uit 1970 vertelt de Palestijnse activist en schrijver Ghassan Kanafani (1936-1972) over een Palestijns echtpaar dat op een nacht in april 1948 door Israëlische bezetters gewapenderhand uit zijn woning wordt verdreven. De vijf maanden oude baby van de vluchtende Palestijnse familie blijft in de woning achter. De nieuwe Israëlische bewoners nemen het jongetje in hun gezin op. Twintig jaar later ontdekken de Palestijnse ouders dat hun zoon nog leeft en soldaat is in het Israëlische leger. Dit waargebeurde faits divers inspireerde Susan Abulhawa tot het schrijven van Ochtend in Jenin.
(2) Vooral vanuit de Arabische wereld werd Susan Abulhawa meermaals onderscheiden, en in de Verenigde Staten, waar ze woont, kreeg ze ook enkele (minder bekende) literaire prijzen.

(3) Dat zo een 'hartelijke verstandhouding' ook echt mogelijk is bewijzen de Palestijn Bassam Aramin en de Israëliër Rami Elhanan die allebei een kind verloren in deze oorlog. Ze vonden elkaar in hun verdriet, en hun verhaal wordt schitterend verteld in Apeirogon, een prachtige roman en een bijzonder tijdsdocument geschreven door de Ierse auteur Colum McCann.

Oorspronkelijke titel: Mornings in Jenin, in 2010 verschenen bij Bloomsbury, USA, New York
Nederlandse titel: Ochtend in Jenin, in 2012 verschenen bij De Geus
Eerder bij De Geus verschenen onder de titel Het litteken van David (2007)
Auteur: Susan Abulhawa
Nederlandse vertaling: Marianne Gaasbeek en De Geus bv
Pagina’s: 348
Categorie: literaire roman
Genre: historische roman
ISBN: 9789044522273

maandag 19 april 2021

Olga Tokarczuk - Jaag je ploeg over de botten van de doden

Recensie door Roosje
Uitgeverij De Geus

Ode aan William Blake

Pas na een dertigtal pagina’s kom je erachter dat de hoofdpersoon van dit boek een vrouw is, en het duurt nog vele pagina’s daarna voordat haar naam bekend wordt: Janina Duszejko.
Dat vond ik heel opmerkelijk. Een oude ziekelijke vrouw, die alleen woont op een berg in de buurt van de grens met Tsjechië, is het zinderende middelpunt van deze roman. Ja, zinderend is een begrip dat best gebruikt mag worden. Hoe oud ze is, wordt niet duidelijk, maar dat is niet erg. Drie kwart van de roman getuigt van een heerlijk zelfbewustzijn en van een krachtige, maar ook duistere energie. De auteur is helemaal verstopt in Janina’s hoofd. In het begin zien we door haar ogen.

Ik ben van mening dat ieder van ons een ander mens op zijn eigen manier ziet…’ (2020: 28)

Want de beste gesprekken heb je met jezelf. Dan krijg je tenminste geen misverstanden.’ (ib.: 39)

Wanneer een Mens Woede voelt, lijkt alles soms voor de hand liggend en simpel. Woede zorgt voor orde, laat de wereld in een notendop zien; Woede herstelt ook de gave van de Heldere Blik, wat in andere toestanden zeldzaam is.’ (ib.: 40)

Heerlijke zinnen van dit soort nestelen zich in je hoofd; ik had de neiging zo’n beetje alles wat Tokarczuk in het begin aan ons openbaart, te willen noteren; gewoon alles overschrijven. Die zinnen alleen al hebben zoveel zeggingskracht dat het verhaal er, wat mij betreft, niet toe doet. Maar er is wel een verhaal. In de omgeving van Janina en haar buurman Eunjer worden lijken aangetroffen van mannen; mannen die niet deugen. Wat er in ieder geval niet aan hen deugt is dat zij jagen en wrede mensen zijn. Janina is ervan overtuigd, zo lijkt het, dat de dieren uit de omgeving, reeën, zwijnen e.d., het recht in “eigen hand” hebben genomen. Er kleeft iets vreemds aan Janina. Enerzijds wil zij dat de politie de moorden oplost, anderzijds weet zij dat de dieren zich hebben gewroken. Dus waarom zou ze de politie stad weer aanmanen de moordenaar(s) te vinden?

Niet alleen is deze roman zeer feministisch, vooral in die zin dat het volstrekt vanzelfsprekend is dat een oude, onproductieve en zieke vrouw de hoofdrol speelt, maar ook is het een roman waarin de Natuur evenzeer een voor de hand liggende taak heeft. Feminisme en eko-vanzelfsprekendheid komen samen in Janina.

Maar het verhaal, de gebeurtenissen die zich afspelen in het leven van de mensen op de berg of heuvel, ontwikkelt zich. En gek genoeg vind ik dat een beetje jammer. De immense natuurgodin, die ik in Janina zag, wordt een beetje te menselijk. Het verhaal krijgt een betrekkelijk duidelijk einde. De thrillerachtige motieven en elementen werden me een beetje te letterlijk. En dat vind ik jammer. Liever bleef ik vertoeven bij half hallucinerende bergvrouw met haar vreemde en beeldende dromen.

Een heel ander thema in deze roman is William Blake, de Engelse romantische en mystieke dichter. Ik vroeg me direct al af: waarom denkt Janina in hoofdletters, willekeurige hoofdletters. Ik probeerde een relatie te zien met de dichteres Emily Dickinson, die een vreemd, idiosyncratisch hoofdlettergebruik introduceerde in haar poëzie, tot ik steeds vaker las dat Janina samen met haar oud-leerling Dionizy, Dyzio (je zult je kind maar Dionysos noemen…) William Blake aan het vertalen was. Janina gaf Engels in het stadje lager op de berg of heuvel. Dyzio werkt als ‘informaticus’ bij de politie. Ze zegt dat ze weinig van Blake begrijpt met zijn ‘schitterende dramatische beelden’ (ib.: 81): ‘Waar gebeurt het en wanneer? Is het een sprookje of een mythe? Ik vroeg het Dyzio. ‘Het gebeurt altijd en overal’, zei Dyzio met een schittering in zijn ogen.’ (ib.: 81)

De titel van deze roman is ontleend aan een gedicht van Blake, ik weet alleen niet welk…. En dat is wel een beetje stom.

De winter begint vlak na Allerheiligen. […] Dan wordt alles zwart-wit: op de omploegde velden valt sneeuw. “Jaag je ploeg over de botten van de doden’, zei ik tegen mezelf in de woorden van Blake.’ (ib.: 249)

Blakes gedichten zijn zeer mystiek en bezitten een heel eigen mythologie en eigen symboliek, die niet altijd even duidelijk is. Zijn belangrijkste prozawerk, met gravures, The Marriage of Heaven and Hell ontstond in 1790. https://nl.wikipedia.org/wiki/William_Blake en https://en.wikipedia.org/wiki/William_Blake . Blake was ook schilder. Op het album Hoe sterk is de eenzame fietser van Boudewijn de Groot zijn twee liedjes opgenomen van Blake: ‘Kindermeids lied’ en ‘De kleine schoorsteenveger’.

Ik citeer uit de Engelse Wikipedia-pagina, die veel uitgebreider is dan de Nederlandse, om Blakes idiosyncratisch hoofdlettergebruik en zijn eigen mystiek te tonen:

In The Everlasting Gospel, Blake does not present Jesus as a philosopher or traditional messianic figure, but as a supremely creative being, above dogma, logic and even morality:

If he had been Antichrist Creeping Jesus,
He'd have done anything to please us:
Gone sneaking into Synagogues
And not us'd the Elders & Priests like Dogs,
But humble as a Lamb or Ass,
Obey'd himself to Caiaphas.
God wants not Man to Humble himself (55–61, E519–20)’

Zonder dat Janina het beseft leeft zij het leven van een - onder andere - door Blake geïnspireerde natuurmystiek. Ze weet het niet, ze leeft die intuïtie, met een grotere liefde voor de Natuur dan voor mensen.

Hoewel de afloop mij niet helemaal zint is dit beslist een boek om te lezen. Uitzonderlijk van stijl, een ode aan William Blake, en een stuk makkelijker te verteren dan Tolarczuks grote epos De Jacobsboeken. Zonder de Nobelprijs zou ik vermoedelijk niet van haar gehoord hebben en een prachtige auteur gemist hebben.

Auteur

Olga Nawoja Tokarczuk (Sulechów, 26 januari 1962) is een Poolse feministische schrijfster aan wie de Nobelprijs voor Literatuur voor het jaar 2018 werd toegekend.

Tokarczuk was oorspronkelijk psycholoog. Ze haalde haar diploma aan de Universiteit van Warschau in 1985 en opende een praktijk in Wrocław en daarna Wałbrzych. Haar eerste dichtbundel verscheen in 1989 en haar eerste roman in 1993 (beide niet in het Nederlands vertaald). Literair succes kwam na het verschijnen van de romans Oer en andere tijden, in 1996, en Huis voor de dag, huis voor de nacht, in 1998. Sinds 1998 woont ze in de kleine stad Nowa Ruda, waar ze sinds 2015 een jaarlijks literair festival organiseert, Festiwal Góry Literatury.

In 2018 brak ze internationaal door na het winnen van de Man Booker International Prize voor Flights, de Engelse vertaling van haar boek Bieguni uit 2007, dat in het Nederlands is vertaald als De rustelozen.

Haar werk en persoon worden door sommige Poolse nationalisten, onder wie Waldemar Bonkowski van de PiS, als on-Pools gezien. Tokarczuk is een zelfverklaard patriot en verwerpt de aanvallen als xenofobisch en racistisch.

In 2017 is haar roman Jaag je ploeg over de botten van de doden verfilmd door Agnieszka Holland als Pokot (internationale titel: Spoor).

Op 10 oktober 2019 werd bekendgemaakt dat aan haar de Nobelprijs voor Literatuur werd toegekend voor het jaar 2018 (het jaar dat de Nobelprijs wegens enkele schandalen niet was uitgereikt).

Titel: Jaag je ploeg over de botten van de doden
Auteur: Olga Tokarczuk
Vertaling: Charlotte Pothuizen, Dirk Zijlstra
Pagina’s: 304
ISBN: 9789044542806
Uitgeverij De Geus
Verschenen: april 2020

zondag 18 april 2021

Halldór Laxness - Het visconcert

Recensie door Robert Van der Meiren
Uitgeverij De Geus

Laxness … over Laxness

“Een wijs man heeft ooit gezegd dat behalve het verlies van een moeder er niets gezonder is voor een kind dan het verlies van zijn vader.”

Met deze verrassende stelling die de lezer meteen tot filosofisch nadenken aanzet, opent Halldór Laxness Het visconcert, een coming-of-ageroman over een jongen die moet opgroeien zonder moeder en vader. Hoewel dit een van zijn latere werken is – Laxness begon eraan in 1955, het jaar waarin hij de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg – is dit toch de eerste roman waarin hij eigen ervaringen en herinneringen uit zijn jeugd verwerkt. Door de roman in de ik-vorm (1) te schrijven, benadrukt de auteur het autobiografische karakter ervan. Prof. Dr. Alex Bolckmans noemde dit werk van Laxness ‘een gepoëtiseerde geschiedenis van zijn jeugd’ (2), een omschrijving die de lading heel goed dekt. Een opvallend intro- en retrospectieve Laxness blikt door de ogen van het hoofdpersonage Alfgrim – zijn alter ego − terug op zijn oogroei-jaren.

Het verhaal

“Het enige wat de vrouw mij heeft gegeven, behalve lichaam en ziel, was die naam: Alfgrim” vertelt de ik-figuur over de jonge vrouw – zijn moeder − die op een dag, berooid en opgejaagd, het erf van boerderij Hellinghut op loopt, daar een kind baart dat ze Alfgrim doopt, en er vervolgens weer vandoor gaat, alleen. Alfgrim wordt opgevangen door Björn van de Hellinghut en zijn vrouw. Hij noemt hen opa en oma, hoewel ze dat eigenlijk niet zijn.
Alfgrim is gelukkig op Hellinghut, “de armzaligste hut die er op IJsland te vinden is.” Zijn hele kinderwereld speelt zich af binnen de erfomheining, met daarin een draaihekje waardoor gasten komen en gaan, of soms komen en blijven, want de Hellinghut is een gastvrij oord waar iedereen die opvang zoekt, opvang vindt. Alfgrims leven is hier volmaakt, en het kind weet niet beter dan dat het nooit voorbij zal gaan (3). In zijn fantasie huist in de oude klok, die in de woonkamer van de Hellinghut staat, een merkwaardig dier dat Eeuwigheid heet, en in het trage tikken hoort hij “een tweelettergrepig woord met de nadruk op de eerste lettergreep: ééu-wig, ééu-wig.”
Alfgrim wil niets liever dan visser op grauwkwabaal worden, net als opa Björn. Maar als opa en oma van oordeel zijn dat hij slim genoeg is om naar de Latijnse school te gaan (stiekem hopend dat hij dominee zal worden) moet Alfgrim toch het draaihekje door en de geborgen leefwereld van Hellinghut een eerste keer verlaten. Die levenswending verdriet hem:

“Tot die dag was de wereld waarin ik leefde groot genoeg en ik verlangde niet naar een andere wereld. Ik had alles. Alles was op zijn eigen manier bij ons volmaakt in mijn ogen.”


Alfgrim gaat niet graag naar school, hij voelt zich onwennig tussen het rijkere volk. Alleen de muzieklessen boeien hem, want Alfgrim wil kunnen zingen zoals Gard Holm, de beroemde IJslandse operazanger, die tevens een verre verwant van oma is. Hij wil niet per se beroemd worden zoals Gard Holm, hij wil gewoon “de zuivere toon” vinden. Maar bestaat die wel?
Alfgrims geobsedeerde zoeken naar de zuivere toon, en zijn verlangen in de voetsporen te kunnen treden van Gard Holm, verdringen stilaan zijn kinderdroom om ooit grauwkwabaalvisser te worden. Opa en oma steunen hem voluit, en om de dure opleiding tot zanger in Denemarken te bekostigen verkoopt opa Björn zelfs de grond onder de Hellinghut, zichzelf en oma aldus verdoemend tot een leven in armoe.
Zo verlaat Alfgrim – noch grauwkwabaalvisser, noch dominee, noch beroemde zanger – definitief het paradijs van zijn jeugd en trekt hij “door het draaihekje van de Hellinghut dat twee werelden scheidde” waardig de nieuwe wereld in. Als hij van op het achterdek van de postboot naar Denemarken achteromkijkt, ziet hij opa en oma een laatste maal hand in hand naar huis toe lopen: “op weg naar ons draaihekje, thuis naar de Hellinghut, ons huis dat morgen met de grond gelijk zou worden gemaakt.”

Eindeloze symboliek

Laxness schrijft met liefde over Alfgrims ‒ in feite zijn eigen ‒ kindertijd. Het eerste deel van het boek is een en al vertedering en weemoed. De auteur idealiseert volop, het is duidelijk dat hij oprecht en intens van zijn kindertijd hield: binnen de omheining die zijn jonge leefwereld afbakende was alles veilig, een stabiele omgeving waarin geen ideologische keuzes hoefden te worden gemaakt, waarin alleen maar liefde en goedheid heerste. Kortom, dit was de ideale leefwereld, het absolute geluk, de hemel op aarde die “eeu-wig” had mogen blijven bestaan.

Ook de mensen met wie hij in deze wereld omgaat, geven alleen maar kleur aan Alfgrims leven. Er is bijvoorbeeld opa Björn, een zwijgzame visser die op alles sussend “nou nou, zo zo” zegt, en zijn vis altijd voor dezelfde prijs verkoopt, ongeacht de wet van vraag en aanbod. Hij is, zonder twijfel, de belangrijkste persoon in Alfgrims jonge leven. Hij bejegent zijn pleegzoon eerlijk en met liefhebbende onverbiddelijkheid. Oma is een gezellige en bijzonder intelligente vrouw met "een zee van kennis" die graag oude volksliedjes zingt, IJslandse sagen vertelt en gul bizarre levenswijsheden rondstrooit, die soms zo dubbelzinnig, scheefgetrokken, absurd of zelfs totaal van de pot gerukt zijn, dat de lezer zich vertwijfeld afvraagt: moet ik hier nu ernstig over nadenken, of word ik bij de neus genomen? Ja, ook dát is Laxness!

De lieflijke, haast pastorale toon verandert echter ten kwade eens Alfgrim door het draaihekje de moderne, snel evoluerende wereld betreedt. Over deze wereld – de échte, zeg maar – is Laxness heel wat minder enthousiast. Maar waar hij in zijn andere werken erg kritisch is tegenover de maatschappij waarin hij (noodgedwongen?) moet leven, is hij ditmaal kritisch over zijn eigen leven. Eens voorbij het draaihekje wordt Het visconcert meer een klacht over het zelfbepaalde leven, dan een aanklacht tegen het leven dat hem vanuit de omgeving wordt opgedrongen.

In deze nieuwe wereld, de wereld buiten het draaihekje, duikt Gard Holm op, als het ware de volwassen afspiegeling van Alfgrim zelf. Laxness laat hier geen twijfel over bestaan: tot tweemaal toe laat hij Gard Holm denken zichzelf te zien als hij Alfgrim ontmoet. Gard Holm is in feite een intrieste, ongelukkige man met een larmoyante persoonlijkheid. Een beroemde zanger, zo wordt gezegd, maar uit de entourage van de jonge Alfgrim heeft niemand hem ooit horen zingen. Hij belooft meermaals een optreden, maar vindt altijd wel een reden om het nooit zover te laten komen. Toch klampt Alfgrim zich in zijn zoektocht naar de zuivere toon aan hem vast als aan een reddingboei.

Met het zoeken naar de zuivere toon alludeert Laxness ongetwijfeld op zijn eigen filosofische levensqueeste (4), die vaak ook de onderstroom in zijn andere boeken is. Zijn leven lang werd hij religieus en ideologisch heen en weer geslingerd tussen katholicisme, taoïsme, het Mormoonse geloof, socialisme en communisme. Nergens vond hij de definitieve rust, maar dat dé ideale levensvisie – dé zuivere toon − wel moet bestaan, daar twijfelde hij niet aan, zoals blijkt uit dit gesprekje tussen ik-figuur Alfgrim en Gard Holm:

‒ ‘Is het waar’, vroeg ik, ‘dat er maar één enkele zuivere toon bestaat?’
– ‘Dat is zeker waar’, zei de zanger. ‘Jammer genoeg, zou ik haast zeggen.’


Dat Alfgrim, nu een jongeman, uiteindelijk zijn zoektocht buiten IJsland verder wil zetten, is gewoon een kopie van wat Laxness zelf ook deed: hij was nog geen achttien toen hij de wereld introk, eerst naar Europa, later naar de Verenigde Staten en Canada.

Het draaihekje als scheiding tussen een geïdealiseerde en de reële wereld, de klok als zinnebeeld van onbereikbare eeuwigheid, de juiste toon als metafoor voor de perfecte levensvisie… De symboliek in Het visconcert mag dan overweldigend zijn, ze is tegelijk ook gemakkelijk te doorzien en dat maakt deze roman erg toegankelijk. Doorgaans wordt Onafhankelijke mensen beschouwd als Laxness’ topwerk, maar Het visconcert mag er zonder schaamte naast staan. De eenenveertig vrij korte hoofdstukken lijken allemaal opzichzelfstaande verhaaltjes, maar vormen uiteindelijk toch één coherente vertelling. Laxness’ poëtische taalgebruik is prachtig, zoals steeds, maar tegelijk ook eenvoudig en aansluitend bij de spreektaal: zijn leven lang ijverde Laxness ervoor de literatuur dichter bij het volk te brengen. Dat ook wij, de Nederlandstalige lezers, van die verfijnde volkstaal kunnen genieten is uiteraard geheel te danken aan het sublieme vertaalwerk van Marcel Otten.

Liefde voor land en volk

Laxness' hele oeuvre is doordrenkt van een diepe liefde, respect en bewondering voor de IJslanders, hun geschiedenis en hun cultuur. Zijn vaak voorkomende en soms erg scherpe maatschappijkritiek heeft altijd een constructieve ondertoon. Er is hem veel gelegen aan het behoud van de IJslandse traditionele eigenheid, die voor hem niet alleen erg waardevol is, maar vooral ook uniek: geen enkel volk ter wereld staat in het leven zoals de IJslanders dat doen. Op naturalistische wijze omschrijft hij de IJslanders als vechters voor een beter leven, voor een betere toekomst. Ze putten kracht uit een schier onuitputtelijke reeks van wel heel unieke ‒ soms ernstige, soms bizarre, maar veelal komische ‒ levenswijsheden waarmee ze de ergste tegenslagen te lijf gaan, én overwinnen. Ook Het visconcert ontkomt hier niet aan, de volkswijsheden worden kwistig rondgestrooid zoals bijvoorbeeld in volgend fragment. Ik geef toe, je kunt het wellicht afdoen als barkrukkenfilosofie, maar hier spreekt het eerlijke, volkse hart van de IJslander. Aan het woord is Alfgrim en let op de licht fatalistische ondertoon, ook typisch Laxness trouwens: 
 

“Daarentegen herinner ik me dat mijn opa op medelevende toon werd gevraagd hoe het de mensen in Akugaard verging die het afgelopen jaar hun kostwinners op zee hadden verloren en dat hij onmiddellijk antwoordde: 'Die hebben genoeg verse vis te eten.' Evenzo was bij ons het gebruikelijke antwoord als er werd gevraagd hoe het met iemand ging: 'Pff, die is dik zat' en dat betekende dat het hem goed ging, of zoals men in Denemarken zegt dat 'hij gelukkig was'. Als het slecht met iemand ging, dan werd iets gezegd in de trant van: 'Tja, het is hem af te zien' en als degene over wie werd gepraat meer dood dan levend was, werd gezegd: 'Ach ja, hij krijgt de boter niet meer zacht.' Van iemand die op zijn sterfbed lag werd gezegd: 'Ja, die heeft nu geen proviand meer nodig, de arme ziel.' Van een jongeling die op sterven lag werd gezegd: 'Het ziet er niet naar uit dat-ie ooit z'n grijze haren hoeft te kammen.' Een echtscheiding werd met deze woorden afgedaan: 'Ja, dat is me daar een rare toestand, volgens mij.' Op de Hellinghut was ieder woord kostbaar, ook de kleine woorden”.


Conclusie

Er valt veel te ontdekken in deze roman. Het boek deed mij, wat dat betreft, denken aan The Lord of the Rings van J.R.R. Tolkien (5), een boek waarin de lezer steeds nieuwe dingen ontdekt, hoe vaak hij het ook herleest. Wellicht moet Het visconcert ook een keer meer gelezen worden om alle verborgen allusies te ontdekken, om alle omfloerste fijnzinnigheden te ontrafelen en om alle verdoken toespelingen te doorzien. Maar de belangrijkste conclusie kan evenwel niet anders zijn dan deze: Het visconcert is een prachtige en (alweer) verrassende roman van een van de grootste schrijvers van de vorige eeuw.

De auteur (6)

De IJslandse auteur Halldór Kiljan Laxness ‒ eigenlijk Halldór Gudjónsson ‒ werd op 23 april 1902 in Reykjavik geboren als zoon van een arbeider die later boer werd. Hij was voorbestemd voor het priesterschap, studeerde theologie en literatuur en verbleef in 1922-23 in het Benedictijnerklooster van Clervaux in Luxemburg. Tussen 1927 en 1929 reisde hij door Noord-Amerika, keerde zich daarop van het katholicisme af en omarmde het socialisme. Toch zou hij zijn leven lang geplaagd worden door ideologische en religieuze twijfels, die niet zelden hun weerspiegeling vinden in zijn werk.

Halldór Laxness heeft een indrukwekkend oeuvre aan romans, gedichten, toneelstukken, reisverhalen, kortverhalen en essays bij elkaar geschreven. Zijn romans zijn meestal episch, en sluiten vaak aan bij de Oudijslandse heldensagen en de Oudnoorse saga's. Overweldigende natuurbeschrijvingen, diepgaande psychologische analyse, bijtende satire en onverholen maatschappijkritiek kenmerken zijn werk, evenals een opvallend luchtige en vaak komische toon. Halldór Laxness kreeg in 1955 de Nobelprijs voor de Literatuur "voor zijn levendige epische kracht die de grote narratieve kunst van IJsland heeft vernieuwd." Hij overleed op 8 februari 1998 in Mosfellsbær.

Uit Laxness' indrukwekkende oeuvre heeft Marcel Otten deze zeven werken vertaald: Salka Valka (Salka Valka, 1931-32), Onafhankelijke mensen (Sjálfstæt fólk, 1934-35), De klok van IJsland (Íslandsklukkan, 1943-46), De gelukkige krijgers (Gerpla, 1952), Het visconcert (Brekkukotsannál, 1957), Het herwonnen paradijs (Paradísarheimt, 1960) en Aan de voet van de gletsjer (Kristnihald undir jókli, 1968).
Het licht der wereld (Ljós heimsins, 1937) is een vertaling door Annie Posthumus van het eerste deel van de tetralogie Ólafur Kárason.
Atoomstation (Atómstöðin, 1948) is een vertaling door Elsa Collet, op basis van de Duitse vertaling.

(1) Mijn kennis van Laxness’ werk reikt niet verder dan de vertaalde boeken. Voor zover ik heb kunnen uitzoeken, is Het visconcert de enige roman die Laxness in de ik-vorm schreef. Ik legde de vraag voor aan vertaler en Laxness-kenner Marcel Otten, en hij bevestigde mijn vermoeden.
(2) Zie Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur, Uitgeverij E. Story-Scientia, 1968, Vol. V, p. 18. Prof. Dr. Alex Bolckmans (1923-1990) was professor aan de Rijksuniversiteit Gent waar hij de Scandinavistiek uitbouwde tot een volwaardige studierichting. Ik had het geluk bij hem de cursus Wereldliteratuur te mogen volgen.
(3) Toegegeven: dit zinnetje heb ik van Wim Sonneveld geleend.
(4) Aldus vertaler Marcel Otten in zijn nawoord bij Het herwonnen paradijs.
(5) Voor het overige hebben beide werken niks met elkaar gemeen, stilistisch noch inhoudelijk, en ik schrok zelf een beetje van de vergelijking.
(6) Deze biografie lijkt sterk op deze die op www.hebban.nl staat. Geen plagiaat echter: de versie op Hebban is ook van mijn hand.

Nederlandse titel: Het visconcert
Oorspronkelijke IJslandse titel: Brekkukotsannál
Auteur: Halldór Laxness
Vertaling: Marcel Otten
Genre: naturalistische roman
Pagina's: 318
ISBN: 9789044503395
Uitgeverij De Geus
Verschenen: januari 2003

vrijdag 22 januari 2021

Olga Tokarczuk - De Jacobsboeken

Essay door Robert Van der Meiren
Uitgeverij De Geus

Wat is het leven anders
dan een dans op de graven 

We zijn allemaal vormen die het licht aanneemt
op het moment dat het langs materie strijkt

Over religies en sektes

‘You can check out any time you like, but you can never leave’ zong de Amerikaanse band The Eagles in 1977 over Hotel California: je kunt er uitchecken, maar je kunt het nooit verlaten. Dit geeft perfect mijn emoties weer tijdens het lezen van De Jacobsboeken. Meer dan eens bekroop mij de lust om ‘uit te checken’, om het verhaal te verlaten, het te ontvluchten … maar ik kwam er nooit van los, het boek hield mij vast, het fascineerde en stootte af tegelijk. De momenten dat ik het boek daadwerkelijk wilde dichtslaan werd ik meteen overvallen door het tergende schuldgevoel dat ik een grootse creatie ten onrechte de rug toekeerde, dat ik iets uitzonderlijk belangrijks en waardevols dreigde te ontlopen. En dus bleef ik lezen, de fascinatie was té sterk. Meer nog, de voortdurende angst om ook maar één pietluttig detail van deze wonderbaarlijk waanzinnige vertelling over het hoofd te zien, maakte dat ik nog nooit een (niet-wetenschappelijk) boek in handen heb gehad dat zo een intense concentratie van mij vereiste, als dit (1). 

Het wonderbaarlijke of het waanzinnige, ik laat de keuze graag open begint al bij de titel, voluit De Jacobsboeken, oftewel een grote reis over zeven grenzen, door vijf talen en drie grote religies, de kleine niet meegerekend. Daaronder valt de mededeling van schrijfster Olga Tokarczuk op dat het verhaal wordt verteld “door de doden” maar dat zij het heeft aangevuld “met behulp van conjunctuur, uit vele uiteenlopende boeken geput, alsmede geholpen door de imaginatie, die de grootste natuurlijke gave is van de mens.” Ze voegt eraan toe dat ze het werk heeft geschreven “voor de wijzen pro memorie, voor mijn landgenoten ter reflectie, voor de leken tot lering, voor de melancholici evenwel tot vermaak”. En om de verwondering nog een extra prikkel te geven: het boek begint op pagina 914 en eindigt op pagina 1, waarmee de schrijfster wellicht alludeert op de Talmoed en andere Hebreeuwse boeken die, naar onze maatstaven, ‘omgekeerd’ worden gelezen.

De Jacobsboeken gaat over Jacob Frank (1726-1791), een in Podolië (nu Oekraïne) geboren Turkse jood ‒ zijn geboortenaam was Jacob Lejbowicz ‒ die in de tweede helft van de achttiende eeuw naar Polen trok om daar, als de door joden langverwachte messias, een nieuw geloof te verkondigen. Het frankisme, een multidisciplinaire maar ook sektarische religie met elementen uit de christelijke, joodse en islamitische leringen, trok onder Franks leiding zo’n vijftienduizend, voornamelijk joodse, volgelingen aan.

Jacob Frank was geen unicum. In de zeventiende en achttiende eeuw gebeurde het wel vaker dat opportunisten opstonden als de langverwachte joodse messias (6). Dat was in die tijd binnen de grote joodse geloofsgemeenschap in Polen niet anders. De bekendste was wellicht rabbijn Sjabtai Tsvi (1626-1676); een groot deel van de Europese joden geloofde dat hij inderdaad hun messias was, tot hij uiteindelijk door de mand viel en zich tot de islam bekeerde om zijn hachje te redden. Niettemin was hij de voorloper, de inspiratiebron en de leermeester van Jacob Frank die, net als Sjabtai Tsvi, een brug probeerde te slaan tussen de joodse, christelijke en mohammedaanse religies.

Olga Tokarczuk reisde in de voetsporen van Jacob Frank heel centraal Europa door of tenminste toch “over zeven grenzen”. Jarenlang verrichtte ze intensief onderzoek om het leven van de mysterieuze sekteleider te kunnen reconstrueren. Het was aanvankelijk haar bedoeling een essay te schrijven, maar er bleek teleurstellend weinig historisch materiaal over de man te bestaan, en geregeld stuitte ze op bronnen die elkaar regelrecht tegenspraken (2). Het bleek uiteindelijk ondoenbaar een historisch correct en objectief beeld van Jacob Frank samen te stellen, en ze besloot daarom zijn levensverhaal in een historische roman te gieten.

Tokarczuk heeft niet geprobeerd die verwarrende tegenstrijdigheden op te lossen of weg te werken, maar heeft ze in haar vertelling juist meegenomen omdat “een goed boek laat zien dat de realiteit vanuit verschillende oogpunten gezien kan worden, wat aantoont dat de werkelijkheid gecompliceerd is” (3). Kiezen voor de historische roman gaf haar bovendien de kans om de grote gaten in het beschikbare feitenmateriaal op te vullen vanuit de eigen verbeelding. Het resultaat is een imposant werk, en niet alleen vanwege zijn omvang.

Niet samen te vatten

Vooraleer aan De Jacobsboeken te beginnen las ik een aantal recensies en commentaren, en het viel mij op hoe sterk die van elkaar verschilden, in die mate dat ik mij soms ‒ enigszins monkelend natuurlijk ‒ afvroeg of ik wel over hetzelfde boek aan het lezen was. Nu ik het heb gelezen, begrijp ik waarom: een schier eindeloze reeks verhaallijnen met daarin een ontelbaar aantal personages van wie een deel halverwege het boek bovendien een andere naam krijgt maakt het gewoon onmogelijk om dit werk in zijn totaliteit samen te vatten (4). Er zitten in dit boek té veel verhalen, té veel personages en té veel wendingen om in één bespreking mee te kunnen nemen.

Wie iets inhoudelijks over De Jacobsboeken wil vertellen moet dus selecteren, en zal het vanzelfsprekend hebben over wie of wat het sterkst aansprak. Dat verschilt van lezer tot lezer: ‘It’s all in the eye of the beholder’ weet je wel, en helaas ontsnap ook ik daar niet aan.

Katarzyna Kossakowska, de slotvoogdes van Kamieniec, is bijvoorbeeld een personage dat mij is bijgebleven omdat haar theatrale gedrag mij zo bekoorde, en ook de zuur gestemde edelachtbare heer Antoni Moliwda, de polyglot die weleens optreedt als tolk tussen anderstaligen maar het niet te nauw neemt met waarheidsgetrouwe weergave. Daarnaast ook pater Gaudenty Pikulski, de bernardijn die probeert te achterhalen waarom zoveel joodse volgelingen van Jacob Frank zich plots tot het katholicisme bekeren, en bisschop Dembowski die zich (tijdens het scheren) afvraagt waarin christenen en joden nu precies van elkaar verschillen maar zich wijselijk onthoudt van inmenging in dit dispuut: daar acht hij zichzelf te belangrijk voor en bovendien wil hij graag aartsbisschop worden. Bijzonder amusant vond ik de hoogeerwaarde heer Benedykt Chmielowski, zielzorger en deken, en edeldame Elżbieta Drużbacka, beschermvrouwe van joden, die een intense, ontroerend mooie ‒ en bij momenten ronduit komische ‒ briefwisseling met elkaar voeren, waarin de stijl zo anders is dat het wel lijkt alsof Olga Tokarczuk die brieven echt door iemand anders heeft laten schrijven. Opvallend waren ook de vele vrouwen die in dit verhaal voorbijkomen, en vooral lijden: ‘de vrouwen die het kraambed niet overleven zijn talrijk’ (5).

Het zijn slechts enkele figuren van de zeer vele, maar over de drie personages die naar mijn mening ‒ en naar ik aanneem ook volgens vele lezers (6) ‒ het zwaarst op dit verhaal wegen, vertel ik hierna wat meer…

Jacob Frank, de bezieler

'Hij (i.e. Jacob) was heel ziek geworden en het had niet veel gescheeld of hij had het niet overleefd, en toen hij van zijn koortsaanval was bijgekomen had hij gezegd dat hij had gedroomd. En in  die droom had een man met een witte baard tegen hem gezegd: ‘Jij reist naar het noorden en daar ga jij velen naar een nieuw geloof brengen.’

Met die ‘goddelijke’ opdracht vertrekt Jacob Frank naar Polen, aanvankelijk vertwijfeld want hij kent niet eens de taal en moet bovendien vrouw en kind achterlaten, maar wel vast gelovend in de heilige missie die hem is toebedeeld. Het “nieuwe geloof” dat hij vol enthousiasme begint te verkondigen bij de Poolse joden is een distillaat van de drie grote religies, het christendom, het jodendom en de islam. Hij wil de drie religies samenbrengen in één universeel geloof, de religie van de Drie-eenheid.

Met zijn charisma slaagt hij er vrij gemakkelijk in hele dorpen en enkele kleinere steden te bekeren tot het nieuwe geloof. De plattelandsbevolking sluit hem in de armen, hij spreekt hun taal, hij praat “als een simpele Jood, als een melkman uit Czerniowce, als een zadelmaker uit Kamieniec”. Mensen komen met hun zieke kinderen tot hem voor handoplegging, ze willen hem allemaal zien, hem aanraken, hem horen. Ze hangen aan zijn lippen en geloven alles wat hij zegt. Ze sloven zich uit om te voldoen aan al zijn wensen die, heel geleidelijk, grilliger en dubieuzer worden.

Jacob is echter ook arrogant, en met die attitude is hij in de grote steden minder welkom. Hij acht zichzelf onfeilbaar. Als tijdens een van zijn voordrachten iemand uit het publiek “en waarom kun jij je niet vergissen, Jacob?” roept, antwoordt hij, laconiek glimlachend, “omdat God in mij is”. Het wordt niet geapprecieerd door de rijke en behoudsgezinde bevolking van de grote steden, zoals bijvoorbeeld in Lwów: 

'De Lwówse Joden zijn rijk, laaghartig en verwend. Lwów is Jacob niet zo welgezind als de  arme stadjes en dorpen. Rijke en tevreden mensen hebben niet zo’n haast om de Messias te ontmoeten; de Messias is immers degene op wie eeuwig wordt gewacht. Elke Messias die is gekomen bleek een valse. De Messias is dus iemand die nooit komt. Daar komt het op neer. Ze proberen Jacob te overstemmen als hij in een Lwówse synagoge begint te spreken. Uiteindelijk trekt hij de lessenaar los en werpt die in de menigte, hij moet de benen nemen, want ze vallen hem woedend en opgehitst aan.' 

Toch groeit zijn aanhang gestaag. Hij vist zijn volgelingen voornamelijk op uit de opdrogende vijver die door Sjabtai Tsvi is achtergelaten. Hij dringt door tot de hoogste kringen van de Poolse adel. Zijn groeiend succes voedt zijn minder fraaie kanten: hij kende vroeger geen welstand maar raakt nu meer en meer gesteld op luxe en rijkdom. Hij is openlijk voorstander van de vrije liefde, houdt erotisch getinte sekterituelen en ware orgieën, en is zelf niet schuw van een homoseksuele escapade af en toe. Ook ideologisch schippert hij, naargelang het hem uitkomt. Hij verwerpt de Talmoed en de Thora, lijkt naar de islam over te hellen, maar bekeert zich met zijn volgelingen tot het katholicisme om het voortbestaan van de sekte te garanderen. Ondanks die bekering blijft hij vasthouden aan zondige sekterituelen en vrije liefde: de overstap naar het katholicisme is immers maar ‘tijdelijk’ en ‘doen alsof’.

Hij wordt hooghartig en ijdel. Om hem te dienen houdt hij er een koninklijke hofhouding op na, en gedraagt zich als een autoritaire sekteleider met tirannieke trekken: “wee je gebeente als jullie zouden vergeten wie ik ben en wie jullie zijn” waarschuwt hij zijn volgelingen, die bang van hem worden, en dat vindt Jacob juist goed, want “wie bang is die heeft achting, zo is het nu eenmaal”.

Dat hij op steeds minder plaatsen welkom is leidt tot ongeplande omzwervingen. In Warschau moet hij voor de consistoriale rechtbank verschijnen, en wordt veroordeeld tot 13 jaar opsluiting in het klooster van Czẹstochowa, maar zelfs daar weet hij een vrij comfortabele levensstijl aan te houden, inclusief vrouwelijk gezelschap als hij dat verlangt. Na zijn bevrijding vindt hij een onderkomen aan het hof van de Oostenrijkse keizer Jozef II, valt ook daar in ongenade, wijkt uit naar Duitsland, koopt zich de titel van Baron van Offenbach, en slijt zijn laatste levensjaren in decadente weelde, met dank aan zijn gulle volgelingen.

Al bij al was Jacob Frank een schelm in de breedste zin, een gewiekste manipulator, een doortrapte bedrieger en een tirannieke egoïst.

Pjotr Jakubowski, die voor zijn bekering tot het katholieke geloof Nachman Ben Lewi heette, zit aan Jacobs sterfbed. Hij noteert Jacobs laatste woorden, of beter: hij noteert wat hij graag als Jacobs laatste woorden had willen horen:

'Christus zei dat hij kwam om de wereld uit duivelse handen te verlossen. Maar ik ben gekomen om haar te bevrijden uit alle soorten wetten en verordeningen die tot nu toe hebben gegolden. Dat moet allemaal worden vernietigd en dan zal de Goede God worden ontdekt.'

Nachman Ben Lewi, de chroniqueur

Hij is de voornaamste verteller van dit verhaal, en het is via hem dat we voor het eerst kennismaken met Jacob Frank. Nachman is een van zijn eerste volgelingen. Hij wordt vrijwel nooit gezien zonder een koffertje met daarin zijn schrijfmateriaal, want Nachman schrijft alles op wat van ver of dicht met Jacob te maken heeft. Dat moet veelal in het geniep gebeuren, want Jacob houdt niet van Nachmans aandacht voor ‘het woord’, en waarschuwt hem:

'Hebben onze voorvaderen al niet genoeg gesproken, boven hun geschriften zitten broeden? Wat heeft hun dat kletsen gebracht en wat is eruit voortgekomen? Je kunt beter met je ogen zien dan met woorden spreken. Wij hebben geen behoefte aan slimmeriken. Als ik zie dat je schrijft, sla ik op je gezicht om je weer nuchter te krijgen.'

Maar dat is precies wat Nachman is: een slimmerik, een geleerde. Zijn hoofdwerk is Het leven van de allerheiligste Sjabtai Tsvi, maar wat hij over Jacob noteert bewaart hij in een geheim vakje in zijn koffertje. Nachman “spreekt geleerd en correct, [...] het is moeilijk hem in de hoek te praten, hij heeft bewijzen voor alles.”

Nachman kijkt op naar Jacob, hij bewondert hem, hij volgt hem trouw en onderdanig, hij houdt werkelijk van hem. Anderzijds is hij intelligent genoeg om sommige daden en woorden van Jacob met enige scepsis te benaderen. Hij is kritisch, en “sommige van Jacobs daden brengen hem behoorlijk in verlegenheid, sommige kan hij niet accepteren.”

Nachman is dus als het ware Jacobs persoonlijke biograaf, maar is alles wat hij opschrijft wel waarheid? Op pagina 666 schudt Tokarczuk de lezer wakker:

'Je zou niet alles moeten geloven wat Nachman zegt en al helemaal niet wat hij schrijft. Hij heeft een neiging tot overdrijven en excitatie. Overal vermoedt hij tekens, overal ziet hij verbanden. Voor hem is er altijd te weinig van wat er gebeurt, hij zou willen dat wat er gebeurt een hemelse en ultieme betekenis had. Dat het consequenties inhield voor de toekomst, dat zelfs een kleine oorzaak een groot gevolg kon hebben. Daarom vervalt hij vaak in melancholie.'

Jenta, de observator

Al in de proloog maken we kennis met Jenta, naast Jacob Frank misschien wel het belangrijkste, maar ook het meest ongrijpbare en daardoor het meest fascinerende personage in dit boek. Jenta is de oude grootmoeder van Jacob die vroeg in het verhaal sterft. Maar helemaal dood is ze niet, haar bewustzijn zweeft ergens in de ‘twilight zone’ en kan door tijd en ruimte reizen.

'Jenta ligt in de schuur en gaat niet dood en wordt niet wakker. Izrael nu, haar kleinzoon, loopt door het dorp en vertelt met angst en beven, die alleen met wodka kunnen gedwongen worden, over dit mirakel. Hij presenteert zich altijd als een goede kleinzoon die hele dagen aan zijn oma wijdt en daardoor geen tijd heeft om te werken. [...] Maar in werkelijkheid zijn het Pesele en Frejna, zijn dochters, die zich over Jenta bekommeren. [...] Pesele, die aandachtig het leven van de overledene observeert, als je dat zo mag omschrijven, ziet bepaalde, zeer subtiele veranderingen. Zo houdt ze bijvoorbeeld vol, als ze dit aan haar vader vertelt, dat Jenta kleiner wordt.'

Als een deus-ex-machina onderbreekt de ondode Jenta af en toe het verhaal om te overschouwen wat in de wereld van de levenden gaande is. Jenta is “zij die altijd aanwezig is en alles ziet”, Jenta is “zij die nieuws verspreidt en die anderen onderricht”, Jenta “ziet de wereld van bovenaf” en vertelt wat ze ziet.

Met Jenta begint en eindigt het boek. “Zonder Jenta had ik het verhaal niet kunnen vertellen” zegt Olga Tokarczuk over haar, “ik ben haar veel verschuldigd, ook al is ze een door mijzelf bedacht karakter. Jenta weet alles van iedereen, kan de gedachten van de andere karakters lezen. Ze was een grote hulp bij het schrijven.” (3)

Hoewel ze maar zelden opduikt ‒ Tokarczuk is zuinig op haar ‒ is Jenta’s verhelderend effect van onschatbaar belang. Jenta laat de schrijfster toe geregeld afstand te nemen, ze kan Jenta dingen laten denken, zien of zeggen die ze geen van haar andere personages kan laten denken, zien of zeggen. Jenta verschijnt als ergens verduidelijking nodig is die door geen van de personages kan worden gegeven.

Jenta waart als een geest door het verhaal, ze is het enige niet-tastbare personage, ze verpersoonlijkt het magisch-realistische aspect van deze roman, en toch is ze, naar mijn gevoel, uitermate geloofwaardig en echt. Over Jenta valt niet te twijfelen, wat Jenta zegt is onbediscussieerbaar. Jenta is van iedereen en van alle tijden, maar bovenal is ze een geniale vondst van de auteur.

Een roman?

De Jacobsboeken is geen hapklare brok ‒ ‘complex’ is in dit geval een eufemisme ‒ en valt moeilijk in te passen in de gangbare theorieën die het begrip ‘roman’ omschrijven. Al lezend maakte ik de bedenking dat voor dit boek misschien wel een andere term dan ‘historische roman’ moet worden uitgevonden, iets als ‘gebeurtenissenroman’ bijvoorbeeld, of ‘figurenroman’. Het boek is immers één lange aaneenschakeling van ontelbare gebeurtenissen die vaak los van elkaar lijken te staan, die zich bovendien op een wirwar van plaatsen afspelen en waarin dan ook nog eens vele honderden personages figureren. In de beginfase ontstaat de indruk dat dit boek een ondoordringbare, onoverzichtelijke chaos zal worden; heel toepasselijk is “Het boek van de mist” de titel van het eerste van de zeven boeken waarin deze roman is opgedeeld. Wie is wie, vraag je je af, wie of wat is belangrijk en wie of wat niet, wie moet ik volgen, en wie niet? Maar … de volhouder wordt beloond, de mist trekt op als Tokarczuk al die gebeurtenissen, plaatsen en personages als mozaïeksteentjes op hun plaats legt tot uiteindelijk een herkenbaar totaalbeeld ontstaat van een complexe, wisselvallige, charismatische en mysterieuze persoonlijkheid: Jacob Frank.

Ik had het hier eerder al vluchtig over hoe moeilijk het is om voor De Jacobsboeken de aansluiting met de klassieke kenmerken van de romanliteratuur te maken, en dat is logisch: het boek hééft die kenmerken niet, het is ‘anders’. Er is amper sprake van een dominante plot, er wordt niet opgebouwd naar een of andere ultieme, alles afsluitende climax en, behalve wanneer het gaat over religieuze of filosofische aangelegenheden (die trouwens veelvuldig aan bod komen), voltrekt er zich ook geen verinnerlijkingsproces: alles blijft gericht op de weergave van het uiterlijke gebeuren. Tokarczuk houdt die techniek van de eerste tot de laatste bladzijde aan: de inhoud, het levensverhaal van Jacob Frank, is in De Jacobsboeken een vlakke vertelling geworden, vlak als een ‒ weliswaar veelkleurige ‒ mozaïekvloer.

Diezelfde observerende vlakheid is ook bij de personages te zien. Wel wordt de levensloop van een aanzienlijk aantal gedetailleerd beschreven, maar diepgaande psychologische karakterisering blijft achterwege. Tussen de lijnen vernemen we wel een en ander over hun existentiële of religieuze twijfels en bekommernissen, maar Tokarczuk graaft nooit erg diep, ze beroert de zielen van haar personages slechts aan de oppervlakte. Alweer krijgen het uiterlijke en het zichtbare de voorkeur, ten koste van innerlijkheid en emotionaliteit. Tokarczuk kijkt niet ín de mensen die dit boek bevolken, ze schrijft óver hen: de titel van de meeste hoofdstukken begint trouwens met het woord “Over”. Die nuchtere, haast functionele manier waarop de personages worden neergezet bemoeilijkt echter de emotionele binding. Behalve met Jenta kon ik mij nooit gevoelsmatig verbinden noch identificeren met een personage.

Tokarczuk boetseert de figuur van Jacob Frank met tastbare klei: enerzijds de gebeurtenissen die zijn levenssfeer afbakenen, zijn verwezenlijkingen, zijn ‘mirakels’, zijn handelingen, zijn uitlatingen en parabels, en anderzijds de mensen die allemaal wel iets over hem te zeggen hebben. Kortom, De Jacobsboeken vertelt het leven van Jacob Frank zoals het Nieuwe Testament dat van Jezus: aan de hand van zichtbare en waarneembare handelingen, maar zonder psychologische typeringen of penetrante psychoanalyse. Door het verhaal zo aan feiten gebonden te houden (zelfs al zijn die ontsproten aan de fantasie van de schrijfster) en zich amper op het gladde ijs van de psychologische speculatie te begeven, heeft Tokarczuk De Jacobsboeken bijzonder realistisch en geloofwaardig kunnen maken. Dit is didactische geschiedenis, dit is het leven van Jacob Frank zoals het écht had kunnen zijn.

Olga Tokarczuk, de verteller

Als ik de schrijfstijl van Olga Tokarczuk met één woord moet kenmerken, dan is het ontegenzeglijk dit: helderheid! Ze gaat soms erg ver in de detaillering van haar beschrijvingen, maar nooit roept ze bij de lezer vragen op, nooit creëert ze verwarring, nergens kan ze op vaagheid worden betrapt: alles is altijd en overal klaar, duidelijk, afgelijnd, af. Ik weet dat het wat vergezocht is, maar ik maak graag vergelijkingen met andere kunstvormen. Welnu, Tokarczuks schrijfstijl is als de klare lijn van Hergé, of als het tot de essentie teruggedreven kubisme van Mondriaan: puur, zuiver, en toch kleurrijk.

Dat die helderheid ook tot de Nederlandse vertaling is doorgedrongen hebben we uiteraard te danken aan vertaler Karol Lesman (7), die met deze vertaling eens te meer bewijst dat hij de vele binnenlandse én Poolse prijzen die hij tijdens zijn carrière mocht ontvangen, absoluut verdient. Voor zijn vertaling van een complex werk als De Jacobsboeken mag hij terecht een prachtige pauwenveer op zijn hoed steken. Lesmans Nederlands is een ode aan de taalkunst en een streling voor de literatuurbeminnende geest.

De vele verhaallijnen, en de vele personages met hun unieke meningen zorgen voor een enorme variatie. Tokarczuk laat een ware rollercoaster aan verhalen en mensen op de lezer los, maar haar vertelritme zit precies goed: nooit te snel om de lezer kwijt te spelen, en zelden te traag om te gaan vervelen. Uitzondering ‒ vandaar het woord ‘zelden’ ‒ zijn de soms lange uiteenzettingen die ons de leer van Jacob Frank moeten bijbrengen; deze hadden korter gekund en gemogen, maar anderzijds, laten we niet vergeten dat Tokarczuk dit boek heeft geschreven “voor mijn landgenoten ter reflectie”: voor haar Poolse lezers is dit alles wellicht bijzonder interessant.

Wie dit boek uitleest zal niet anders achterblijven dan met bewondering voor de schrijfster. Het moet een helse opdracht zijn geweest om de talrijke verhaallijnen tot een samenhangend geheel te kneden, en om de relaties tussen de ontelbare personages consequent en foutloos in het oog te houden: een ‘huzarenstuk’ is een understatement. Tokarczuk geeft blijk van een verbluffende intelligentie, die ook het Nobelprijscomité moet zijn opgevallen toen het haar de Nobelprijs voor Literatuur voor 2018 toekende “voor een vertelkunst die met encyclopedische passie grensoverschrijding als levensvorm vormgeeft” (8). En nu het woord toch is gevallen: encyclopedisch is De Jacobsboeken zeker!

Enkele kritische opmerkingen

De originele Poolse editie van De Jacobsboeken bevat een uitgebreide bibliografie die het historisch zoekwerk van Olga Tokarczuk weerspiegelt. In onze Nederlandstalige editie is die bibliografie niet opgenomen. Enerzijds is dat enigszins te begrijpen omdat het merendeel van haar bronnen uitsluitend in het Pools zijn, en daarom voor ons onbegrijpelijk, oninteressant of irrelevant. Toch is het ook een beetje jammer, een selectie van bronvermeldingen had wat extra authenticiteit aan het werk kunnen verlenen. Bijvoorbeeld is “Het verhaal van Jacob over de ring”, de parabel die Jacob vertelt aan enkele reisgenoten (pagina 707), overgenomen uit het toneelstuk Nathan der Weise van de Duitse dichter en dramaturg Gotthold Efraim Lessing (1729-1781). Tokarczuk mag natuurlijk citeren uit andermans werk, en in de Poolse editie zullen haar bronnen wel netjes vermeld staan, maar voor ons lijkt deze parabel ‒ en wie weet hoeveel andere fragmenten ‒ ontsproten te zijn aan de fantasie van de schrijfster, en dat is niet zo. Het klinkt misschien wat muggenzifterig, maar ik vind dit storend, het doet afbreuk aan de geloofwaardigheid.

Een tweede opmerking betreft het veelvuldig gebruik van vreemde woorden, voornamelijk Poolse en Jiddische. Achter in het boek zit (gelukkig) een uitgebreide verklarende woordenlijst (negen pagina’s), maar voortdurend naar achteren moeten bladeren (soms meermaals per pagina) verstoort danig de leesvreugde. Het is een tendens die we de laatste jaren wel vaker zien: de verklaringen van verwijzingen worden gebundeld in één lijst achteraan, terwijl voetnoten op de pagina zelf het de lezer een stuk aangenamer en gemakkelijker zouden maken.

En tenslotte: ik heb herhaaldelijk gewezen op het grote aantal personages in dit boek, maar helaas is er géén namenlijst voorhanden! Die had nochtans nuttig kunnen zijn, niet alleen omwille van de massa namen, maar ook om de gefingeerde personages snel te kunnen onderscheiden van de historische (9), en vooral omdat heel wat figuren halverwege het boek een andere naam aannemen. Nu zit er voor de lezer echt niets anders op dan zelf een lijst aan te leggen.

Conclusie

Dat De Jacobsboeken het doorzettingsvermogen van de lezer frontaal aanvalt, zal intussen wel duidelijk zijn. Wie het boek wil lezen mag niet bang zijn van een ferme uitdaging. Ik reken mezelf tot die categorie, maar op de vraag of ik nu echt ‘plezier’ heb beleefd aan dit boek moet ik, in alle eerlijkheid, toch ‘neen’ antwoorden. Let wel: plezier is niet hetzelfde als fascinatie, want gefascineerd was ik wel, met name door de onvergelijkbare schrijfstijl van Olga Tokarczuk, door de gevarieerdheid en het aangename vertelritme. Maar niettemin: De Jacobsboeken lezen, dat is in de eerste plaats werken geblazen, toch als je het verhaal in alle volheid wilt meekrijgen (9).

Het boek is meer geschiedenis dan roman. Wellicht heeft Tokarczuk willen aantonen dat de Poolse geschiedenis voor een deel ook de Joodse geschiedenis is. Het is allemaal ver van ons bed, en afgaand op wat ik over het boek las, is Jacob Frank zelfs voor veel Polen een onbekende. Je moet als Nederlandse of Vlaamse lezer dus bereid zijn bijna duizend bladzijden te lezen over een voetnoot uit de Poolse geschiedenis. Wie echter geïnteresseerd is in de manier waarop religies om elkaar heen draaien in hun onderlinge strijd om zieltjes te winnen, of wie graag meer verneemt over de machinaties die charismatische opportunisten hanteren om uiteindelijk een massa volgelingen aan zich te binden, zal allerminst op zijn honger blijven zitten.

Oh ja, ik wil ook nog vermelden dat het boek rijkelijk geïllustreerd is, al was de link tussen tekst en illustratie mij niet altijd duidelijk… maar illustraties zijn natuurlijk aangenaam op zich.

De auteur

Olga Nawoja Tokarczuk werd op 26 januari 1962 geboren in Sulechów, Polen. Ze studeerde psychologie aan de universiteit van Warschau, en had gedurende enkele jaren een eigen praktijk. In 1989 debuteerde ze met een dichtbundel, waarna ze enkele romans publiceerde.

In 2018 brak ze internationaal door nadat haar de Man Booker International Prize was toegekend voor haar roman De rustelozen. Ze kreeg ook de Nobelprijs voor Literatuur voor 2018 (haar toegekend in 2019).

Olga Tokarczuk woont nu in het kleine stadje Nowa Ruda, waar ze sinds 2015 ieder jaar een literair festival organiseert.

(1)   Het is alleen voor mezelf relevant, maar ik vermeld het toch maar voor de grap: op mijn lijst met ‘Moeilijke Turven’ heeft De Jacobsboeken nu Leven & Lot van Vasili Grossman van de koppositie verdrongen.

(2)   Alleen al over Franks voorkomen bijvoorbeeld: van een kleine, lelijke, dikke papzak in de ene bron, tot een grote, atletisch gebouwde adonis in een andere.

(3)   Ingrid van der Graaf, Een boek dat ik hoe dan ook moest schrijven, interview met Olga Tokarczuk voor Literair Nederland, 25 april 2019.

(4)   Zie ook: Recensie van Ellen IJzerman (prowisorio) over De Jacobsboeken | Hebban.nl

(5)   Reinier van Houwelingen, Het sektarisch genootschap van Jacob Frank, Literair Nederland, 18 juni 2019.

(6)   Ik kan mij goed voorstellen dat er heel wat lezers Benedykt Chmielowski bij de drie belangrijkste figuren zullen zetten: ik heb zelf ook getwijfeld. Zijn rol is inderdaad cruciaal, maar zo gaat het nu eenmaal met dit boek: het lezen ervan is een allerindividueelste ervaring.

(7)   Karol Lesman vertaalde o.a. vier boeken van Olga Tokarczuk, en ook de negentiende-eeuwse klassieker De pop van Bolesław Prus.

(8)   In het jaar 2018 werd geen Nobelprijs toegekend vanwege een schandaal rond seksueel misbruik en financieel gesjoemel binnen de Zweedse Academie; de Nobelprijs voor dat jaar werd in feite pas in 2019 bekendgemaakt en uitgereikt.

(9)   Ik heb dit boek gelezen met mijn tablet naast mij en Google permanent geopend.

Nederlandse titel: De Jacobsboeken
Oorspronkelijke Poolse titel: Ksiẹgi Jakubowe
Auteur: Olga Tokarczuk
Vertaling: Karol Lesman
Pagina's: 920
Categorie: literaire roman
Genre: historische roman
ISBN: 978904453797 0
Uitgeverij De Geus
Verschenen: maart 2019