Een droomverhaal
Geen enkel werk uit de Chinese literatuur is zo
beroemd als De droom van de rode kamer
(of: Het verhaal van de steen)
van auteur Cao Xueqin
(1710-1763). Deze zeden-, familie- en liefdesroman wordt beschouwd
als de belangrijkste van de vier grote klassiekers uit de Chinese
literatuurgeschiedenis (1). De roman is zo veelgelezen en zo immens
populair dat zelfs de Culturele Revolutie ten tijde van Mao Zedong
niet bij machte was hem uit de geschiedenisboeken weg te censureren,
terwijl hij toch gaat over een steenrijke familie in de feodale tijd,
een thema dat haaks staat op de communistische maatschappijvisie. Het
gerucht gaat dat Mao zelf van het werk hield, en misschien was dat
wel de redding ervan.
Robert
Van der Meiren
De
droom van de rode kamer zit vol leven.
Het verhaal valt geen seconde stil, het is onophoudelijk in beweging
en blijft van de allereerste tot de allerlaatste letter onderhoudend
tot-en-met. Die nooit aflatende levendigheid komt vooral van de
overvloed aan dialogen: het valt moeilijk te meten, maar stellen dat
driekwart van de roman door ‘gepraat’ in beslag wordt genomen is
wellicht een onderschatting.
Ondanks
zijn omvang (ruim tweeduizend pagina’s) zinkt de roman nooit in:
geen momenten van zwakte, nooit een saaie passage, geen dode
intermezzo’s, geen hiaten, geen langdradige beschrijvingen of
vervelende uiteenzettingen… De droom
van de rode kamer lezen is gewoonweg
een onvergelijkbaar boeiend en ontspannend avontuur, en dat terwijl
de inhoud bij momenten toch bijzonder tragisch kan zijn.
Het
verhaal wordt ons bovendien gebracht in een fris, hedendaags
Nederlands waaruit het kunstmatige van de achttiende-eeuwse
schrijftaal volledig is verdwenen. Het is goed te zien dat de drie
Nederlandse vertalers ruim twaalf jaar aan hun vertaling werkten,
maar daarover later meer.
De
droom van de rode kamer is een
emotierijke roman die het verdient om uitgebreid te worden besproken,
en dat ga ik hierna dan ook doen. Voor wie geen behoefte heeft aan
zoveel detaillering hoop ik oprecht dat dit voorwoord al overtuigend
genoeg is.
Inleiding
Voor ik aan De droom
van de rode kamer begon had ik, lang
geleden, één werk van Chinese origine gelezen: Wilde
zwanen: drie dochters van China, de
roman uit 1991 van schrijfster Jung Chang. Ik had daar goede
herinneringen aan, en de lovende kritieken die ik de laatste tijd
over De droom van de rode kamer
her en der tegenkwam wakkerden mijn interesse voor dit werk aan. Ik
aarzelde een tijdje, het leek mij immers geen hapklare brok te zijn ‒
het buitenmaatse volume, uit de 18de eeuw, én uit een wereld ‘ver
van ons bed’ ‒
maar uiteindelijk won de nieuwsgierigheid en heb ik het boek gelezen.
Na afloop wist ik meteen dat ik dit werk zeker nog een keer zal
lezen, en wie weet hoeveel keer daarna nog.
Want De droom van de
rode kamer is om te ontdekken en te
exploreren, één lezing volstaat niet om het te doorgronden, en twee
wellicht ook niet. Het is zoals met (bijvoorbeeld) The
Lord of the Rings van J.R.R. Tolkien,
De gebroeders Karamazow
van Fjodor Dostojevski, Ulysses
van James Joyce, Oorlog en vrede
van Leo Tolstoj, Die Buddenbrooks
van Thomas Mann of À la recherche du
temps perdu van Marcel Proust (2): hoe
vaak je die prachtwerken ook leest, je blijft er nieuwe dingen in
ontdekken.
De droom van de rode kamer gaat
over een invloedrijke, welgestelde familie en haar personeel.
Meesters, meesteressen, dienstmeisjes, knechten, geliefden,
concubines, hoofdvrouwen, bijvrouwen, vaders, moeders, kinderen,
kleinkinderen, tot en met familieleden van het zevende knoopsgat ‒
bij elkaar ruim drie- tot vierhonderd (hoofdzakelijk vrouwelijke)
personages ‒ wonen allemaal samen binnen
de muren van een enorm familiedomein vol luxueuze huizen en
paviljoenen, prachtige parken en idyllische prieeltjes. Ze vormen er
een bont gevarieerde gemeenschap die als het ware een doorslag is van
het keizerlijke China uit die tijd, maar met de nuance dat de vrouwen
in dit verhaal opvallend geëmancipeerder en lotsbepalender zijn dan
wellicht het geval was in het échte achttiende-eeuwse leven.
De
vergelijking met de Britse televisieseries ‘Downton Abbey’ en
‘Upstairs, Downstairs’ ligt voor de hand en wordt ook vaak
gemaakt. Zowel in die series als in de roman speelt de actie zich
immers af binnen de grenzen van een familiaal domein, is er weinig
interferentie met de wereld daarbuiten en vertegenwoordigen de
personages alle maatschappelijke lagen, van machtige meesters tot
eenvoudige manusjes-van-alles.
Die
gelijkenis is ook de drie Nederlandse vertalers niet ontgaan. Volgens
Anne Sytske Keijser en Silvia Marijnissen zou een succesvolle
Netflix-serie heel goed mogelijk zijn (3), en Mark Leenhouts noemt De
droom van de rode kamer 'een
combinatie van een levensbeschouwelijke allegorie en een
soap-op-niveau' (4). Dat laatste mag onderstreept worden, want op
alle kenmerkende facetten van de romantische vertelling ‒
literair, dramatisch, psychologisch en filosofisch ‒
overstijgt De droom van de rode kamer
het populaire stramien van de klassieke soap. En er is nog een aspect
waarmee de roman zich van de tv-series onderscheidt: het
bovennatuurlijke speelt in De droom van
de rode kamer weliswaar geen
overheersende, maar toch een niet te minimaliseren rol.
Het is
een fascinerende wereld die de auteur ons voorzet, een wereld waarin
droom, werkelijkheid, schijn en waarheid behoedzaam door elkaar
worden geweven en een fijngevoelig spel met elkaar spelen. Al in het
eerste hoofdstuk (I, 17) (5) verbluft de auteur ons met een
enigmatische spreuk die gerust als hét thematische leitmotiv van
deze imposante roman mag gezien worden:
'Als
schijn de waarheid speelt, wordt waarheid schijn
Als niet-zijn
zijn verbeeldt, blijkt zijn niet-zijn te zijn.'
Het
verhaal
Het
zal niemand verbazen dat een monumentaal werk als De
droom van de rode kamer, met zijn
honderden gedetailleerd uitgetekende personages, onmogelijk beknopt
kan worden samengevat, noch kan de onuitputtelijke rijkdom ervan in
enkele alinea’s voldoende eer worden bewezen. De roman is als het
ware een mozaïek van vele miniaturen die allemaal samen een
coherente vertelling vormen. Hierna volgt een (poging tot) synopsis
van de voornaamste verhaallijn, maar ik benadruk nogmaals dat deze
‘main story’ veel vertakkingen heeft en doorkruist wordt door
talrijke andere verhaallijnen.
Maar
eerst een waarschuwing. Op het internet vond ik ontelbaar veel
recensies en samenvattingen van dit werk. Hierna vertel of verklap ik
niks dat daar al niet in te vinden is, maar wie het boek alsnog
zonder enige voorkennis wil lezen slaat het hiernavolgende resumé
best over. Hier gaan we…
De
onmetelijk rijke en invloedrijke Jia-clan (met ‘huize Ning’ en
‘huize Rong’ als familietakken) woont
met enkele honderden ondergeschikten op een riant familiedomein,
vermoedelijk in de omgeving van de Chinese stad Nanjing. De familie
behoort tot de hogere ambtenarenadel. Al in het tweede hoofdstuk komt
de lezer te weten dat haar rijkdom en macht tanen, maar de familie
zelf is zich daar op dat moment nog niet van bewust. Ze weet de
façade staande
te houden doordat ze kan bogen op haar goede historische banden met
de keizer, én omdat een van de familiedochters als concubine aan het
keizerlijk hof verblijft, een exclusief privilege dat aan enkele
familieleden belangrijke functies heeft opgeleverd.
Bovenaan
de familiale hiërarchie staat moeder Jia, de oude matriarch van de
clan. Haar leiderschap is niet altijd consequent en ze neemt weleens
ondoordachte beslissingen (met soms dramatische gevolgen), maar
vanwege haar leeftijd staat ze hoog in aanzien, durft men zelden
tegen haar in te gaan en blijft ze veel respect krijgen van familie
en personeel. Tweede in rang is moeder Jia’s schoondochter Wang
Xifeng. Ze is knap, gewiekst, humoristisch, zakelijk en koelbloedig
maar kan ook ronduit wreed en meedogenloos zijn, er zit 'geen
greintje buigzaamheid' in haar, ze is 'echt spijkerhard' (III, 506). Met vaste hand stuurt zij het leger bedienden aan, en
beheert aldus het huishoudelijke reilen en zeilen van de familie. Zij
heeft het in feite voor het zeggen, maar ze is
sluw genoeg om moeder Jia het uithangbord van de familiale macht te
laten zijn.
Onder
de vleugels van die twee vrouwen groeit moeder Jia’s kleinzoon Jia
Baoyu op, de voorbestemde erfgenaam van huize Rong. Dat hij werd
geboren met een magisch stukje jade (de steen uit de titel) in de
mond ziet zijn grootmoeder als een onmiskenbaar teken dat hem een
grootse toekomst wacht, en ze vertroetelt hem mateloos. De jongen
zelf ‒ hij is nog een kind als zijn
verhaal begint (6) ‒ is er echter niet
erg op gebrand om snel volwassen te worden. Hij gedraagt zich
uitgesproken meisjesachtig en voelt zich opperbest in het gezelschap
van zijn zussen, nichten en dienstmeisjes bij wie hij veel tijd
doorbrengt. Jia Zheng, Baoyu’s vader, is niet opgezet met de
excentrieke levenswandel van zijn zoon. Hij walgt van hem omwille van
zijn eclatante vrouwelijkheid, en verwijt hem zich onvoldoende voor
te bereiden op het officiële ambtenarenexamen dat hij ooit zal
moeten afleggen. Maar daar heeft Baoyu weinig zin in. 'Waarom
ben ik in deze hoge ambtenarenadel geboren' vraagt hij zich af, 'als ik ook was
geboren in een familie van arme geleerden of lage ambtenaren, dan zou
ik niet al die tijd voor niets hebben geleefd' (I,125).
Baoyu
voelt zich bijzonder verbonden met twee van zijn nichten, Lin Daiyu
en Xue Baochai. Beide zijn bloedmooi en zeer onderlegd, maar op vele
vlakken elkaars tegenpolen. De dromerige Lin Daiyu heeft een frêle
lichaamsbouw en een zwakke gezondheid, is sentimenteel en romantisch,
maar ze heeft een kort lontje en wordt af en toe geplaagd door
aanvallen van gitzwarte jaloezie. De koele Xue Baochai daarentegen
is sterk en gezond, ambitieus, zelfbeheerst, evenwichtig en
realistisch, zij staat met beide voeten stevig op de grond en is niet
gauw van haar stuk te brengen. Alle drie hebben ze het emotioneel
moeilijk, ze lopen als het ware verloren in hun gevoelens van hun
onderlinge verbondenheid, vriendschap en liefde, maar die uiten lukt
hen niet.
Op een
dag verliest Baoyu de magische jadesteen, die hij al zijn hele leven
aan een halssnoer meedraagt. Baoyu zelf
maakt er zich niet veel zorgen om: 'Wat
een gezeur allemaal om niks! Ik wil dat ding helemaal niet meer, dus
maak er niet zo’n drukte om.' (IV, 63) roept hij, maar het verlies van de steen zorgt toch voor
veel onrust en spanningen bij de familie, en voor angstige paniek bij
het personeel. Iedereen is van slag, maar weet dan nog niet dat het
verlies van de steen een periode van veel rampspoed inluidt.
Daiyu
en Baoyu zijn op elkaar verliefd, maar té geremd om hun liefde onder
woorden te brengen. Dat ze zijn voorbestemd om met elkaar te huwen
staat voor hen ‒ én voor hun omgeving ‒
evenwel als een paal boven water. Het loopt echter helemaal anders…
Een
opeenhoping van misverstanden brengt moeder Jia, na overleg met
enkele familieleden, tot het besluit dat niet Lin Daiyu maar wel Xue
Baochai de beste partij voor haar kleinzoon is. Met Wang Xifeng
smeedt ze een plan om Baoyu op slinkse wijze in een huwelijk met
Baochai te manoeuvreren. Lin Daiyu, voor wie dit absoluut geheim
moest blijven, krijgt er toch lucht van en, wit van woede en verlamd
van verdriet tegelijk, keert ze zich uiteindelijk in zichzelf, kwijnt
weg en sterft op de dag van het huwelijk. Baoyu van zijn kant is zich
van geen kwaad bewust. Tijdens de huwelijksplechtigheid denkt hij nog
steeds dat de zwaar gesluierde vrouw naast hem zijn geliefde Daiyu
is. Pas als Baochai later, al gezeten op de rand van het bruidsbed,
haar sluier afneemt, ontdekt hij het bedrog. Hij kan het gewoon niet
geloven. Als Baochai hem bovendien vertelt dat Daiyu is overleden,
wordt ook hij ziek van verdriet en zinkt hij weg in doffe lethargie.
Baoyu
zakt verder weg. Hij heeft zelfmoordgedachten, weigert te eten, en
even wordt zelfs gevreesd voor zijn leven. Maar dan daagt plots een
monnik op, mét de verloren gewaande jadesteen, en Baoyu herleeft.
Hij beseft dat hij iets moet ondernemen om de reputatie van zijn
familie te herstellen. Hij begint opnieuw te studeren en legt alsnog
het ambtenarenexamen af. Hij slaagt met vlag en wimpel wat even voor
wat hoop op beterschap zorgt, maar de neerwaartse tendens is dan al
niet meer om te buigen en Baoyu vraagt zich steeds meer af of al die
macht en rijkdom en alles wat hij doet wel zinvol is.
De
familie krijgt intussen af te rekenen met een reeks tegenslagen die
haar rijkdom en aanzien ernstig aantasten. Een oom van Baoyu wordt
beschuldigd van financieel gesjoemel, verliest daardoor zijn status,
al zijn eigendommen én het vertrouwen van de keizer; ook Baoyu’s
vader is bij deze zaak betrokken. Moeder Jia sterft, de keizerlijke
concubine sterft, de familie verliest eigendommen waarna ook Wang
Xifeng overlijdt, enzovoort.
Vertwijfeld
verlaat Baoyu uiteindelijk zijn familie en zijn zwangere echtgenote,
hij verdwijnt kort na het ambtenarenexamen. Heel toevallig ziet zijn
vader hem later nog één keer terug, ergens in de straten van
Nanjing. Zijn zoon, kaalgeschoren, blootvoets en armtierig gekleed,
brengt hem stilzwijgend de boeddhistische groet, aldus aangevend dat
hij heeft gekozen voor een ascetisch leven. Jia Zheng stelt hem een
vraag, maar voordat Baoyu kan antwoorden wordt hij weggeleid door een
boeddhistische monnik en een taoïst. Zheng zet de achtervolging in
maar kan het trio niet bijbenen. Hij verliest hen uit het oog, en
terwijl ze op mysterieuze wijze verdwijnen hoort hij nog hun
samenzang (IV, 463):
'Bij
de Blauwe Richel ging ik weg van huis en stee;
al
door de chaos en de leegte zwierf ik frank en vrij.
Wie
volgt mij op mijn laatste tocht, wie gaat er met mij mee?
T’rug
naar de verre bergen, naar de weidse woestenij!'
Zo
eindigt het verhaal van Baoyu, een wat melancholische maar ook
rebelse jongeling.'
Vrouwen
boven
In de
Chinese cultuur was de term ‘rode kamers’ doorgaans de aanduiding
voor de vrouwen- en meisjesvertrekken in de luxueuze villa’s van
weleer, en daar speelt dit verhaal zich grotendeels in af. De
droom van de rode kamer is dan ook
opvallend vrouwelijk georiënteerd, en dat is toch wel bijzonder voor
een werk uit de achttiende eeuw. Vandaag wordt Cao Xueqin in (vooral
westerse) studies gezien als een feminist avant la lettre die zijn 'vrouwelijke protagonisten veel talentrijker en beschaafder
had voorgesteld dan de mannelijke, die allen, op een paar
uitzonderingen na, afgeschilderd werden als wellustige schurken' (7).
Van de
honderden familieleden en bedienden die de voornaamste protagonisten
omringen kan een dertigtal als secundaire hoofdpersonen worden
beschouwd, en dat zijn bijna allemaal dienaressen. In theorie zijn ze
niks meer dan gehoorzaamheidsplichtige ondergeschikten, maar in
werkelijkheid vormen zij het kloppende hart van het dagelijkse leven
op het familiedomein. Ze zijn psychologisch vaardig, weten hun
ondergeschiktheid goed te gebruiken om dingen voor elkaar te krijgen
en hebben een aanzienlijke impact op de levensloop van hun meerderen
‒ die dit vaak
niet eens doorhebben. Dit haast burleske samenspel tussen gemakkelijk
te manipuleren meesters en gewiekste dienstmeisjes leidt soms tot
ronduit hilarische toestanden, en ik kan mij goed inbeelden hoe Cao
Xueqin zich kostelijk zat te amuseren tijdens het schrijven van deze
scènes.
De
vrouwen maken hier de dienst uit, veel meer dan de mannen van wie de
meeste een halfslachtige, onzekere, ongecultiveerde, onbeschofte,
brutale of gewoonweg domme indruk nalaten. Ze hebben moeite met het
bedwingen van hun seksuele driften, blazen hoog van de toren, slaan
wild om zich heen of gaan geheel onbesuisd tewerk, maar als puntje
bij paaltje komt draait hun wild geraas veelal uit op ‘wel erg hard
willen, maar toch net niet kunnen’.
Er
zijn zeldzame uitzonderingen, en de intelligente Baoyu is daar een
van. Met zijn 'opvallende uiterlijk,
zijn gouden diadeem en geborduurde kleding', en
zijn voorkeur voor 'mooie
dienstmeisjes en knappe knechten' (I,125) is hij echter niet bepaald het prototype van de dominante
mannetjesputter, maar veeleer een bindfiguur tussen de brute wereld
van de mannen en de zachtaardige van de vrouwen.
Het
zijn vaak fascinerende persoonlijkheden, deze vrouwen en meisjes. Cao
Xueqin sublimeert noch idealiseert hen, maar met veel zin voor
realisme portretteert hij ze stuk voor stuk met een adembenemende
levensechtheid (8).
Nog
meer ruimdenkendheid
Lijkt
zoveel positivisme ten overstaan van de vrouw haast anachronistisch
voor de achttiende eeuw, dan is de vrijmoedigheid waarmee Cao Xueqin
schrijft over heterofiele én homofiele liefde en erotiek dat
wellicht nog meer. Alleen al zijn keuze voor een niet al te
mannelijke man als protagonist moet voor die tijd gedurfd zijn
geweest, maar met zijn erg eerlijke kijk op liefde en erotiek
ontmijnt en ontwijkt hij de mogelijke controverse. Hij geeft toe dat
bepaalde uitingen 'eigenlijk niet betamelijk' zijn (zie fragment
verder in dit hoofdstuk), maar wat onbetamelijk is, is niet per se
verkeerd. Oprechte, respectvolle liefde is correcte liefde, ongeacht
geslacht of geaardheid. Excessieve of extreme uitingen zoals
losbandigheid of pornografie veroordeelt hij dan weer wel: als in een
tuin van het domein een pornografische afbeelding wordt gevonden
organiseert Baoyu’s moeder een ware klopjacht om uit te zoeken hoe
zoiets verwerpelijks het familiedomein is kunnen binnendringen (III,
235 e.v.).
Cao
Xueqin benadert liefde en erotiek dus met een voor die tijd
bewonderenswaardige openheid van geest. Aan expliciete beschrijvingen
doet hij niet en vulgair wordt hij nooit, maar netjes afgeborstelde
omschrijvingen en spitsvondige dubbelzinnigheden gebruikt hij graag,
en die zijn vaak amusant. Een voorbeeld maakt dit duidelijker: het
volgende tafereel speelt zich af in de jongensschool van Baoyu en
zijn vriend Zhong, en gaat over de ontluikende amoureuze gevoelens
van enkele jongens voor elkaar. Voor een goed begrip van dit
fragment: Pan is een wat oudere leerling op de school, en tevens een
broer van Xue Baochai (I,150):
'Toevallig
zaten er twee zeer romantisch ingestelde leerlingen op de school. Tot
welke tak van de familie Jia ze behoorden was niet duidelijk en ook
hun echte naam was onbekend, want vanwege hun charmante en
bekoorlijke uiterlijk noemde de hele klas hen bij hun bijnamen:
Schatje en Liefje. Hoewel de meesten hen heimelijk bewonderden en
gevoelens voor hen koesterden die eigenlijk niet betamelijk waren,
durfden ze zich uit angst voor Pans invloed niet met hen in te laten.
Ook Baoyu en Zhong voelden zich, zodra ze op de school aankwamen,
haast onontkoombaar tot Schatje en Liefje aangetrokken, maar in de
wetenschap dat Pan zijn oog op het tweetal had laten vallen, waagden
ook zij geen enkele kans. Schatje en Liefje waren al net zo betoverd
door Baoyu en Zhong, en zo koesterden ze dus alle vier een sterke
genegenheid voor elkaar, zonder er openlijk voor uit te kunnen komen.
Vanuit hun verschillende schoolbankjes zochten hun ogen voortdurend
contact, en met bedekte toespelingen of dubbelzinnige opmerkingen
probeerden ze, op afstand, te laten merken wat er in hen omging,
zichzelf wijsmakend dat niemand om hen heen iets in de gaten had.
Toch kregen een paar lastpakken natuurlijk wel degelijk door wat er
aan de hand was; ze wierpen elkaar steeds snaakse blikken toe of
kuchten veelbetekenend.'
De
mooiste (en belangrijkste) verhaallijn betreft natuurlijk de
tragische liefdesgeschiedenis van Jia Baoyu en Lin Daiyu. Het is
werkelijk een van de prachtigste en pakkendste liefdesverhalen die
ooit werden geschreven. De tragische afloop ervan zal menigeen doen
denken aan dat andere beroemde liefdesdrama, met name Romeo
en Julia van William Shakespeare. In
beide verhalen zijn het de bemoeienissen en de druk vanuit de
omgeving van beide geliefden en een serie misverstanden die
uiteindelijk leiden tot de dood van een van hen. Cao Xueqin wordt
daarom weleens ‘de Chinese Shakespeare’ genoemd. Die gelijkenis
houdt mijns inziens maar steek voor zover het over de inhoud van deze
twee verhalen gaat, maar verder niet: er is vooreerst het
genreverschil (verhalend proza tegenover
drama), en er zijn de personages die in De
droom van de rode kamer een veel
realistischere uitstraling hebben dan in Romeo
en Julia. Ook
stilistisch liggen beide werken mijlenver uit elkaar, en laten we
tenslotte niet vergeten dat Cao Xueqin in
zijn hele leven één werk creëerde, terwijl het oeuvre van
Shakespeare wel eindeloos lijkt.
Misschien
trap ik een heilig huisje in, maar het tragische liefdesverhaal van
Baoyu en Daiyu ontroerde en raakte mij veel intenser en vond ik veel
beklijvender dan dat van de geliefden uit Verona… sorry, William!
Een gesloten
leefwereld
Het is
een microkosmos, daar binnen de muren van het Jia-domein, een
afspiegeling van de ‘grote’ maatschappij daarbuiten. De leden van
de familie leiden er 'een leventje van
poëzie en plezier' maar kunnen
evengoed dagenlang doorbrengen 'in
volmaakte ledigheid' (II, 96). Alle
middelen zijn evenwel goed om de verveling te verdrijven. Ze ‒
vooral Baoyu en de vrouwen ‒ wonen graag
opera’s bij, filosoferen veelvuldig en uitgebreid over de meest
uiteenlopende onderwerpen, doen raadselspelletjes, bespreken
gedichten of organiseren zelf dichtwedstrijden waarna ze elkaars
creaties op een vermakelijke manier analyseren en becommentariëren.
Als Daiyu een van haar dienstmeisjes het schrijven van gedichten wil
aanleren, zegt ze daarover dit (II, 285):
'Er
is niks moeilijks aan hoor, er valt weinig te leren. De structuur van
een normgedicht heeft een opening, een voortzetting, een wending en
een slot. De middelste twee regelparen, de voortzetting en de
wending, zijn parallel maar met contrast. Niet alleen de tonen van de
karakters contrasteren, ook moeten de meer concrete woorden
contrasteren met de meer abstracte, en andersom. Maar als je echt een
bijzondere zin maakt, geeft het niet als al die dingen niet helemaal
kloppen.'
Op
elkaars lippen leven veroorzaakt natuurlijk ook spanningen. De
bewoners kibbelen veel, vaak over de grootste onbenulligheden,
waarbij gelijk en ongelijk over en weer gaan tussen de partijen. Ze
zijn vaak lichtgeraakt, en rancuneus, en in liefde, vriendschap of
haat proberen ze elkaar voortdurend de loef af te steken.
Kibbelpartijen tussen familieleden zijn niet van de lucht, en als die
er niet zelf uit geraken, dan zijn er nog altijd de dienstmeisjes om
al het gedoe op af te wentelen, en dit is best wel grappig.
Bijvoorbeeld: als de ordinaire Jia Lian en zijn machtige echtgenote
Wang Xifeng ruziën – en dat gebeurt nogal eens ‒
is het meestal hun hoofddienstmeisje Harmonie dat het uiteindelijk
moet ontgelden.
Doorgaans
gaat het er allemaal wel vrij beschaafd aan toe, maar heel soms ‒
en zeker als er mannen bij te pas komen ‒ loopt een discussie toch
uit op een eindeloze scheldpartij, een regelrechte vechtpartij of een
fysieke afstraffing: als Jia Zheng vermoedt dat zijn zoon Baoyu zich
weer eens te schande heeft gemaakt gaat hij hem zo brutaal met
stokslagen te lijf dat de jongen wekenlang het bed moet houden.
Toch
wordt evenwicht voortdurend nagestreefd, de mini-maatschappij moet
immers leefbaar worden gehouden, en daar is diplomatie een goed
middel toe. Gebeurt er iets dat de vrede kan verstoren ‒ een
diefstal bijvoorbeeld, of een geval van ontucht ‒ dan wordt
vervolgens eindeloos afgewogen wie er baat bij heeft de waarheid te
kennen, en wie er beter in het ongewisse wordt gehouden. En als alle
voors en tegens uitentreuren werden bekeken en er toch geen handig
compromis is gevonden, wordt de zaak gewoon in de doofpot gestopt, en
dat blijkt in sommige gevallen zelfs de beste oplossing te zijn.
Reputatie staat immers boven alles, en ‘niemand kwetsen of niemand
benadelen’ is de perfecte instelling om de rust te bewaren.
Constructie
van de roman
De
Droom van de rode kamer
telt 120 hoofdstukken. Ze hebben geen titel, maar elk hoofdstuk
begint met een hoofding van twee korte tekstlijntjes die de lezer op
een ietwat mysterieuze ‒
en dus nieuwsgierig makende ‒
manier een hint geven over wat er in het hoofdstuk staat te gebeuren.
Anderzijds eindigt elk hoofdstuk (behalve het laatste), met een
uitnodiging of een aanmoediging om maar meteen het volgende hoofdstuk
te lezen. Enkele (willekeurig gekozen) voorbeelden ter illustratie:
1. De
hoofding boven hoofdstuk 10 gaat als volgt (I, 159):
'Belust
op voordeel delft weduwe Jin het onderspit
Gedreven
door kennis duidt dokter Zhang een ziektegeval.'
2.
en dit is de laatste zin van datzelfde hoofdstuk (I, 170):
'Of
de situatie van Keping door deze medicijnen verbeterde, hoort u in
het volgende hoofdstuk.'
3.
Hoofdstuk 67 wordt als volgt ingeleid (III, 121):
'Bij
het terugzien van een plaatselijk product krijgt Brauwtje heimwee
Na het
vernemen van een groot geheim houdt Xifeng een verhoor'
4.
en het wordt met dit ‘lokaas’ afgesloten (III, 139):
'Wat
Xifeng van plan was, wordt duidelijk in het volgende hoofdstuk.'
Bijzonder
is ook dat de auteur geregeld een vertelling onderbreekt om er later
op terug te komen, of dat hij een bepaald relaas abrupt en definitief
afbreekt, wellicht omdat het vervolg ervan niet relevant is voor het
grotere verhaal. De lezer blijft echter niet in de kou staan, want
met afsluitende zinnetjes als …'het is
niet nodig daar uitgebreid op in te gaan'
(I, 181), Daar laten we het hier bij
(II, 188), 'Daarover hebben wij het
verder niet' (III, 416), of 'Dat
bewaren wij dan ook voor later' (IV,
137) maakt de auteur duidelijk of de lezer over dat bepaalde
onderwerp nog iets mag verwachten, of juist niet.
Zo
creëert de auteur een speelse sfeer en weet hij de interesse van de
lezer vast te houden. Maar vooral zorgt hij aldus voor duidelijkheid,
en daar lijkt de auteur bijna obsessief om bekommerd te zijn, alsof
hij doorlopend bang is om mis- of onbegrepen te worden. Zijn
beschrijvingen ‒
van bijvoorbeeld kledij, recepten, architectuur, rituelen ‒
zijn dan ook minutieus gedetailleerd. Dit haast maniakale streven
naar duidelijkheid en volledigheid neemt niet weg dat de lezer zich
onderweg af en toe vragen stelt. Die worden echter vroeg of laat
allemaal beantwoord, en als de laatste pagina is omgeslagen zijn alle
losse eindjes aan elkaar geknoopt en heeft de lezer geen
onbeantwoorde vragen meer. Wel kunnen de (zeer aandachtige) lezer
enkele inconsequenties opvallen: volgens de vertalers 'het gevolg
van het feit dat het boek altijd als onvolledig manuscript (en in
meerdere versies) heeft gecirculeerd' (IV, 47, voetnoot).
Ieder
deel bevat een lijst met woord- en naamverklaringen, een overzicht
van de Chinese keizerlijke dynastieën, een uitgebreide lijst van
personages, en de familiestambomen. Het vierde deel wordt bovendien
afgesloten met een zeer interessant nawoord van de vertalers (IV,
511-534).
Tenslotte nog dit: De
droom van de rode kamer is géén
tetralogie, de uitgever heeft deze kolossale roman over vier boeken
verdeeld omwille van de manipuleerbaarheid.
De vertalers
Met een diepe buiging neem ik mijn hoed af voor Anne Sytske Keijser,
Mark Leenhouts en Silvia Marijnissen, de Nederlandse sinologen die
deze imposante roman hebben vertaald, en hoe! Meer dan twaalf jaar
hebben ze eraan gewerkt, en ik zal nooit genoeg superlatieven kunnen
bedenken om hun titanenklus te loven. Een groots literair meesterwerk
in het Chinees is onder hun handen een groots literair meesterwerk in
het Nederlands geworden.
De Stichting Filter kende
in 2022 haar Filter Vertaalprijs toe aan dit trio, en ik kan de
verantwoording van de jury niet verbeteren: 'Deze roman is grote
literatuur en ontstijgt zijn tijd. Dat geldt ook voor de vertaling.
Je merkt aan alles dat de vertalers een goed gevoel voor de toon
hebben ontwikkeld – en voor de wisselingen van die toon. […] Het
drietal maakte allerlei weloverwogen keuzes om de afstand in cultuur
en tijd te overbruggen zonder het verhaal te vernederlandsen. De
tweeduizend pagina’s zijn een monument voor de samenwerking van
vertalers. Lang niet altijd werkt een vertaler in zijn eentje; soms
is het teamsport. De drie vertalers hebben er vele jaren met elkaar
aan gewerkt.'
Cao Xueqin
Cao Xueqin werd geboren
in 1715, de precieze datum is niet bekend. Er is over de familie van
de auteur trouwens meer geweten dan over de auteur zelf. Zijn
overgrootvader, grootvader en vader bekleedden vanaf het begin van de
Mantsjoe- of Qingdynastie (1644-1912) verschillende hoge functies,
met name het directoraat van de keizerlijke textielfabriek in
Nanjing. Cao Xueqin groeit dus op in een zeer welstellend, machtig en
gecultiveerd milieu. Maar als de familie in 1728 na een keizerswissel
in ongenade valt en haar vermogen geconfisqueerd wordt, vervalt de
jonge Cao Xueqin ‒ hij is dan dertien ‒ tot een armoedig bestaan
(8), en uit dat dal zal hij nooit meer kunnen opklimmen. Hij sterft
op 12 februari 1763, 48 jaar oud; zijn vroegtijdig heengaan werd
waarschijnlijk bespoedigd door de voortijdige dood van zijn enige
zoon enkele maanden eerder (7). De publicatie van De droom van de
rode kamer, zijn enige levenswerk, heeft hij niet mogen meemaken.
Cao
Xueqin moet een brede kennis van de literaire geschiedenis, de
cultuur en de legendes van China hebben gehad, daarvan getuigen de
vele citaten en verwijzingen die hij in zijn roman heeft verwerkt.
Die zouden aan de meesten van ons betekenisloos of onbegrepen
voorbijgaan, ware het niet dat de vertalers voortdurend te hulp
schieten met talrijke verklarende voetnoten.
In hun nawoord hebben de
vertalers alle huidige biografische kennis over Cao Xueqin
bijeengebracht; wie graag meer wil weten over leven van deze auteur
verwijs ik naar dat nawoord (IV, 511-534).
Is De droom van de
rode kamer een autobiografisch werk? Volgens vertaler Mark
Leenhouts zijn er elementen die erop wijzen dat de auteur veel eigen
ervaringen in zijn roman heeft verwerkt: “Aan het begin van het
boek is de auteur, Cao Xueqin, zelf aan het woord. Hij vertelt over
zijn leven en de vele vrouwen die daarin een rol speelden” (I, 9):
'Nu ik volkomen aan de
grond zit en werkelijk niets van mijn leven heb gemaakt, denk ik
onwillekeurig terug aan de vrouwen die ik vroeger heb gekend. Als ik
hen allemaal onder de loep neem en met mezelf vergelijk, kom ik tot
de conclusie dat ze in levenswandel en levenswijsheid stuk voor stuk
mijn meerdere zijn.'
Met deze bekentenis,
helemaal in het begin van het boek, zet de auteur meteen de toon voor
een verhaal waarin vrouwen de hoofdrol spelen. 'Het is ook
opvallend', aldus Mark Leenhouts, 'hoe Baoyu beweegt in die
wereld, hij gaat liever met meisjes om dan met jongens' (3).
Daarnaast is het niet moeilijk een parallel te trekken tussen het
verval van de familie Jia enerzijds, en wat anderzijds Cao Xueqins
familie overkwam.
Kenners waren er lange
tijd unaniem van overtuigd dat alleen de eerste tachtig hoofdstukken
door Cao Xueqin werden geschreven, en dat de laatste veertig het werk
zijn van Gao E (1738-1815), de eerste publicist van deze roman.
Recenter onderzoek brengt deze stelling echter steeds nadrukkelijker
aan het wankelen, en vandaag denkt de meerderheid van de kenners dat
Cao Xueqin wel degelijk de auteur is van alle honderdtwintig
hoofdstukken; absolute zekerheid is er hier (nog) niet over. Wel
zeker is dat de eerste (handgeschreven) publicatie slechts tachtig
hoofdstukken bevatte; de overige veertig zouden pas later zijn
ontdekt en dan door Gao E geredigeerd.
Conclusie
We
dromen allemaal, zo vertelt de wetenschap ons, we dromen zelfs iedere
nacht, maar alleen als we ontwaken tijdens de remslaap kunnen we onze
dromen ook navertellen. Nu ik De droom
van de Rode Kamer heb gelezen, heb ik
het gevoel te zijn ontwaakt uit een hele diepe remslaap, met daarin
de prachtigste droom ooit.
De
roman heeft iets magisch, iets betoverends. Ik heb hem nu enkele
maanden uit, en ik kan er nog steeds niet aan weerstaan om af en toe
een boekdeel uit de mooie box te trekken, het op een willekeurige
bladzijde open te slaan, en een stukje te lezen, zomaar. Het is alsof
ik maar niet genoeg kan krijgen van dit wonderbaarlijke verhaal, en
waarschijnlijk is dat ook zo. Toen ik de laatste pagina omdraaide, had
ik spijt dat er niet nog eens tweeduizend volgden. Ik moet mij zelfs
inhouden om het niet nu al op nieuw te gaan lezen.
Het is
mij in mijn lange leesleven nog nooit overkomen, maar ik kan voor De
droom van de rode kamer niet één
woord van kritiek bedenken. Niet op het verhaal, niet op de opbouw,
niet op het taalgebruik, niet op de verhaaltechniek … niks,
helemaal niks. De droom van de rode
kamer is zo meeslepend verteld en zo
ongemeen boeiend dat ik mij niet kan inbeelden dat iemand níét
van dit werk zou kunnen houden. De droom
van de rode kamer is voorwaar een boek
voor iedereen, een voornaam, elegant, uniek en bijzonder werk.
De overige drie
klassiekers zijn: De geschiedenis van
de drie rijken, een historische roman
uit de 14de eeuw van Luo Guanzhong, de avonturen- en schelmenroman
Het verhaal van de wateroever uit
de 14de eeuw, toegeschreven aan Luo Guanzhong of Shi Naian, en Het
verhaal van de reis naar het westen,
een zgn. wonderverhaal uit de 16de eeuw van Wu Cheng’en.
The Lord of
the Rings las ik in mijn jeugdjaren
vier of vijf keer, Karamazow
drie keer (gespreid over vijftig jaar) in de vertalingen van Marco
Fondse en Arthur Langeveld, Ulysses,
Oorlog en vrede en Die
Buddenbrooks twee keer, en de zeven
delen van À la recherche du temps
perdu één keer.
Interview met
de vertalers van 6 februari 2022 door Gijs Moes voor het magazine
Trouw
Het Parool van
13 november 2021.
Mijn annotaties
lees je als volgt: ‘I, 17’ betekent ‘deel I, pagina 17’
Baoyu’s
leeftijd kan niet met absolute zekerheid uit de teksten worden
afgeleid; sommige studies schatten hem acht als het verhaal begint,
andere eerder elf of twaalf, wat mij acceptabeler toeschijnt. In elk
geval stuit de zoektocht naar Baoyu’s exacte leeftijd op enkele
chronologische inconsequenties.
Arnaud de Schaetzen G.H.M (2002),
De droom van de rode kamer: liefde zonder lust?, Katholieke
Universiteit Leuven.
Jonker D.R.,
Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur (MEW), deel 8, p. 527.

Oorspronkelijke
titel: Hongloumeng (Shitouju)
Nederlandse titel:
Het verhaal van de rode kamer, of: het verhaal van de steen
Auteur: Cao Xueqin
(1715-1763)
Uit het Chinees
vertaald door: Anne Sytske Keijser, Mark Leenhouts en Silvia
Marijnissen
Uitgeverij Athenaeum—Polak & Van
Gennep, 2021
Uitgave: box met vier boekdelen, totaal
2147 pagina’s.
Genre: familie-, zeden- en
liefdesroman, maar vooral toch een liefdesroman met klasse
ISBN: 978 90 253 0088 3 /NUR 302