donderdag 25 februari 2021

Marcel Proust - In de schaduw van meisjes in bloei

Essay door Dietske Geerlings
Uitgeverij De Bezige Bij

Het verlangen naar de kus van de moeder voor het slapengaan

Over hoe Proust een wereld schept binnen het verlangen

Op het moment dat ik mij had voorgenomen A la recherche du temps perdu van Marcel Proust te gaan lezen, in de wetenschap dat ik daar waarschijnlijk maanden zoet mee zou zijn en dat ik mijn hersenen flink op de proef zou stellen, had ik nooit kunnen bevroeden dat ik al na een paar bladzijdes in zijn zoektocht naar het verleden, die nog maar net begonnen was, een stukje van mijzelf zou hervinden, en wel in de passage, waarin hij bladzijden lang beschrijft hoe hij als klein kind een diepgeworteld verlangen voelde naar de kus van zijn moeder voor het slapengaan.

Natuurlijk is lezen niet alleen maar kennisnemen van de grote wereld buiten onszelf, maar ook het spiegelen van onszelf in de nieuwe wereld die we voorgeschoteld krijgen in het boek. Wat is het nu precies dat ontroert tijdens het lezen? Is het de herkenning? Het verlangen is weliswaar een universeel verschijnsel, maar ik had het niet verwacht dat het mij zo diep zou raken. In deel 3, De kant van Guermantes doet Proust hierover zelf ook een uitspraak:

‘Mensen uit voorbije tijden lijken oneindig ver van ons af te staan. Wij verstouten ons niet bedoelingen bij hen te veronderstellen die dieper gaan dan dat waar zij zich strikt genomen over uitspreken; wij kijken ervan op bij een held van Homerus een gevoel tegen te komen ongeveer gelijk aan gevoelens die wij zelf ondergaan.’

Hiermee beschrijft hij precies mijn eigen ervaring tijdens het lezen van zijn werk, alsof je terloops door het raam bij iemand naar binnenkijkt, die zelf terloops door het raam bij iemand naar binnenkijkt.

Welnu, ik werd dus diep geraakt door het intense verlangen van het kind naar de goedenachtkus van zijn moeder, allereerst doordat ik het verlangen zelf herkende. Al lang voor het slapengaan komt de ik-persoon in een droevige stemming, omdat hij weet dat hij weer een nacht zal moeten doorbrengen, waarin hij niet in de directe nabijheid van zijn moeder zal zijn:

‘Mijn enige troost, als ik naar boven naar mijn slaapkamer ging, was dat mama mij een kus zou komen geven als ik in bed lag.’

Proust beschrijft minutieus hoe de ruimte om hem heen langzaamaan verandert, het licht, de stoffen, de meubels, alles in teken van dat nadere afscheid van zijn moeder.

Daar blijft het echter niet bij:

‘Maar dat goedenachtzeggen duurde zo kort, zij ging zo vlug weer naar beneden, dat het moment waarop ik haar naar boven hoorde komen en er daarna door de gang met de openslaande deuren het zachte ruisen kwam van haar blauwe mousselinen tuinjurk, waar koordjes van gevlochten stro aan hingen, een smartelijk moment voor me was.’

Met andere woorden, het verlangen naar de kus wordt haast ondraaglijk door het vooruitzicht dat het moment weer zo snel voorbij zal zijn. Dan sijpelt langzaam het besef bij de lezer binnen dat hetgeen hij leest veel verder strekt dan alleen dat specifieke verlangen, en dat er oneindig veel verlangens bestaan naar momenten, die weer voorbij zullen gaan. Dit besef wordt bevestigd door beschrijvingen, verderop in het verhaal, ook in de volgende delen, van nog veel meer andere verlangens: de schrijver Bergotte te zien, in contact te komen met het meisje Gilberte, een glimp op te vangen van mevrouw Swann, de uitvoering van ‘Phèdre’ te zien, enz.

De verteller is op zoek naar de verloren tijd en wat blijkt? Die verloren tijd bestaat voor een groot deel uit verlangen naar wat nog zou kunnen plaatsvinden. Dit is een van de parels die ik vond in dit prachtige werk: een voortdurende hang naar dat wat verloren is of nog niet heeft plaatsgevonden. Wat raakt, is de manier waarop de verteller laat zien hoe breed en hoe diep dat verlangen is, zozeer dat er een wereld ontstaat in dat gat, in de leegte van het ‘niet meer zijn’ of ‘er nog niet zijn’. De ik-persoon is zich diep bewust van de kortstondigheid van het moment waar hij naar verlangt en doet het volgende:

‘Ik was dan ook van plan om in de eetkamer al van tevoren, als de maaltijd was begonnen en ik het ogenblik voelde naderen, van die kus die zo kort en vluchtig zou zijn alles te maken wat ik er in mijn eentje van maken kon, alvast het plekje op de wang te kiezen dat ik zou kussen, mijn gedachten erop voor te bereiden, zodat ik dankzij die mentale aanloop tot een kus de hele minuut die mama mij zou gunnen kon wijden aan het voelen van haar wang tegen mijn lippen, zal een schilder die maar korte poseerzittingen kan krijgen zijn palet prepareert en al van tevoren uit zijn geheugen en aan de hand van zijn aantekeningen alles heeft gedaan waarvoor hij het desnoods zonder de aanwezigheid van zijn model kon stellen.’

De ik-persoon neemt dus als het ware plaats in dat verlangen en ‘schept’ invulling. Alles bevindt zich in zijn hoofd, maar alles is gericht, geconcentreerd op het moment dat gaat komen.

Het wonderlijke is dat het moment zelf niet of nauwelijks beschreven is, waardoor steeds duidelijker wordt dat het verlangen centraal staat en niet de vervulling ervan. In het geval van de kus is het zelfs wat schrijnend, want de betreffende avond is er bezoek aan tafel, waardoor de ik-persoon alleen naar zijn bed moet en zijn moeder bij de gast zal blijven. Zelfs boven op zijn kamer probeert hij zijn moeder door een briefje nog naar boven te krijgen, maar als ook dat niet werkt, zit er voor hem niets anders op dan wakker blijven tot zijn moeder gaat slapen. Zijn moeder is streng, want zij wil hem in zijn gevoeligheid niet te veel tegemoetkomen. Als zij hem ’s nachts huilend op de trap vindt, stuurt ze hem weg. Zijn vader neemt het onverwachts voor hem op en zegt tegen zijn vrouw dat ze voor deze nacht maar bij haar zoon op de kamer moet slapen, omdat hij zoveel verdriet heeft. Zijn moeder geeft onder protest toe, maar gek genoeg is de kleine jongen daar helemaal niet gelukkig mee, alsof er een wet is overtreden, waardoor hij alleen nog maar verdrietiger wordt.

Dat ‘niet bereiken’ terwijl alles erop gericht is het te bereiken, raakt keer op keer. Het blijft niet bij de kus van de moeder. Ook als hij verliefd wordt op Gilberte en Albertine, is dat verlangen eindeloos en vult hij bladzijden lang dat verlangen in met beelden, gedachten en gevoelens. Dat hij daarmee een wereld op zichzelf schept, beseft hij zelf ook, want op het moment dat de geliefde persoon hem nadert, herkent hij haar niet meer, zozeer heeft hij in zijn verlangen een eigen invulling van haar in zijn hoofd geschapen. Oog in oog met haar, moet hij zijn fantasie bijstellen, blijkt zij een vlekje bij haar oog te hebben, heeft haar huid een andere kleur. De beelden glijden over elkaar heen en op het moment dat hij eindelijk het meisje mag kussen, is hij in uiterste verwarring, omdat het moment in niets lijkt op de intens beleefde voorstelling ervan in zijn hoofd.

Hetzelfde gebeurt als hij in deel 2 In de schaduw van meisjes in bloei de ‘Phèdre’ van Racine, uitgevoerd door La Berma mag bijwonen. Hij heeft het stuk van tevoren eindeloos veel hardop gelezen, in allerlei verschillende intonaties, een intense beleving in vergelijking met zijn ervaring tijdens het optreden zelf:

‘Hoewel ik mijn ogen, mijn oren, mijn geest op La Berma richtte om geen greintje te missen van wat mijn bewondering kon opwekken, lukte het me niet ook maar iets daarvan op te vangen.... Om meer inzicht te krijgen, om te zien of ik kon ontdekken wat er mooi aan was, had ik het liefst iedere stembuiging van de kunstenares, iedere gezichtsuitdrukking willen stilzetten of bevriezen. Maar door al mijn mentale behendigheid in te zetten en vóór het begin van elke versregel mijn aandacht paraat en toegespitst te houden, probeerde ik op zijn minst geen enkel onderdeel van de duur van ieder woord, van ieder gebaar, aan loze voorbereidingen te verspillen, en zodoende dankzij een intense concentratie even diep in de woorden en gebaren door te dringen als ik tijdens een urenlange tekstanalyse had kunnen doen. Maar wat duurde het kort! Nauwelijks had mijn oor een klank opgevangen of er kwam een andere voor in de plaats.’

Proust laat hier zien dat het verlangen zoveel rijker is, dieper, intenser, dan de invulling ervan. In alle toonaarden komt dit besef terug, in alle variaties. Dat raakt, omdat het de kracht laat zien van de geest, die zegeviert boven de werkelijkheid, de waan van de dag. Het is haast een overwinning op de tijd, die verloren werd geacht. Dat vind ik troostrijk voor wie zich ziek voelt van verlangen. Het is de kunst van het verdiepen, van zingeving: levenskunst.

Deel 01 van deze zevendelige reeks essays over Op zoek naar de verloren tijd is hier te lezen.

Titel: In de schaduw van meisjes in bloei
Auteur: Marcel Proust
Reeks: Op zoek naar de verloren tijd, deel II
Vertaling: Philippe Noble en Desiree Schyns
Pagina's: 480
ISBN: 9789403118901
Uitgeverij De Bezige Bij
Verschenen: november 2018

woensdag 24 februari 2021

Marcel Proust - In de schaduw van de meisjes in bloei, Besloten in een handdruk, een overpeinzing

Essay door Dietske Geerlings
Uitgeverij De Bezige Bij


Besloten in een handdruk

Over de rijkdom van het handen schudden naar aanleiding van ‘In de schaduw van meisjes in bloei’ van Marcel Proust 

Nu ons een vanzelfsprekende gewoonte in het sociale verkeer, namelijk het handen schudden, dringend wordt afgeraden, is het wellicht een mooi moment om even stil te staan bij de rijkdom van deze gewoonte. Marcel Proust heeft in A l’ombre des jeunes filles en fleurs (In de schaduw van meisjes in bloei), het tweede deel van zijn A la recherche du temps perdu, een prachtige verhandeling geschreven over wat er allemaal in deze handdruk te vinden is.

Bij Proust rol je haast onvoorbereid zo’n verhandeling in, want ineens is daar het moment dat de ik-persoon het ‘fretspel’ gaat doen met een aantal jonge meisjes met wie hij heeft kennisgemaakt, terwijl hij net nog langere tijd stil stond bij zijn ervaring van de verschillende stembuigingen van de meisjes, die voor hem steeds een nieuw licht werpen op de persoonlijkheid van de dames. Tijdens het fretspel bevinden zij zich in een klein bosje boven de kust. Het spel bestaat eruit dat een van de spelers (de ‘fret’) moet ontdekken wie van de tegenspelers de ring in zijn hand heeft. Hij moet dus proberen de ring te onderscheppen.

Alvorens Proust overgaat tot het beschrijven van het spel, staat hij even stil bij de verschillende handen van de meisjes. Hij verlangt ernaar de handen van Albertine aan te raken. Toch geeft hij aan dat haar handen niet per se de mooiste zijn die hij ooit heeft gezien. Die van een van de andere meisjes, Andrée, zijn bijvoorbeeld veel dunner en fijner van vorm, en leiden een eigen leven: 

´[…] een leven dat weliswaar aan het gezag van het meisje gehoorzaamde, maar zich onafhankelijk afspeelde: ze gingen dikwijls voor haar uit liggen als nobele windhonden, rekten zich loom, leken in gepeins verzonken maar strekten plots een kootje, reden waarom Elstir studies van haar handen had gemaakt.’

De handen van Albertine zijn molliger:

‘[…] gaven bij een handdruk eerst heel even mee en boden dan weerstand, wat een heel speciale sensatie gaf. Bij het drukken van Albertines hand ervoer je een sensuele zachtheid die als het ware in harmonie was met haar roze, naar lichtpaars neigende huidskleur. Het was alsof die druk je tot diep in het wezen en de zinnen van het meisje liet binnendringen, net als de klankkleur van haar lach, die even schaamteloos was als het koeren van duiven of een bepaald soort kreten. Ze was zo’n vrouw die je met zoveel plezier de hand drukt dat je de beschaving dankbaar bent dat het ‘shake hands’ tussen jongemannen en meisjes die elkaar aanspreken daardoor tot een toegestane handeling is gemaakt.’


Hier brengt hij de sensatie die hij ervaart, in verband met de regels van de beschaving. Ineens realiseert hij zich dat het net zo goed had kunnen zijn dat de willekeurige beleefdheidsregels deze handdruk hadden vervangen door een ander gebaar, waardoor hij dan iedere dag Albertines ongrijpbare handen had moeten bekijken ‘met net zoveel zin om hun aanraking te leren kennen als ik er nu naar snakte om de geur en smaak van haar wangen te proeven.’ Dat diezelfde regels van de beschaving ertoe kunnen leiden dat het vanwege gezondheidsredenen niet verstandig is elkaar de hand te schudden, had Proust, laat staan zijn personage, toen niet kunnen vermoeden. De ik-persoon mijmert nog een poos verder hoe graag hij in het spel de buurman van Albertine wil zijn, want

‘[…] hoeveel tot dusver uit verlegenheid verzwegen bekentenissen en liefdesverklaringen had ik niet kunnen toevertrouwen aan een handdruk! En hoe gemakkelijk had zij van haar kant door een tegendruk kunnen laten merken dat ze erop inging! Wat een gevoelsband tussen ons, wat een kans op genot! In de paar minuten die ik naast haar zou doorbrengen kon mijn liefde meer vooruitgang boeken dan sinds ik haar had leren kennen.’

Uiteindelijk houdt hij het niet meer uit, beseft dat het spel vast al bijna afgelopen is, en laat zich de ring afpakken, zodat hij als fret in de kring van de spelers mag staan en dan nauwlettend de buurman van Albertine in de gaten houdt, zodat hij hem de ring kan afnemen en diens plaats innemen. Ondertussen vermaken de meisjes zich om zijn onnozelheid: hoe is het mogelijk dat hij de ring nog niet weet te onderscheppen? De ‘ik’ wacht zijn kans af en op het moment dat de ring bij de buurman van Albertine is, slaat hij toe, en neemt zijn plaats in.

Wat blijkt? Hij is veel te verlegen om volop te kunnen genieten van zijn nieuwe plaats:

‘Een paar minuten eerder benijdde ik die jongeman als ik zijn handen over het touw zag glijden en elk ogenblik die van Albertine aanraken. Nu ik aan de beurt kwam bleek ik te verlegen om contact te zoeken en te opgewonden om het te ondergaan en was ik alleen nog maar in staat het harde, pijnlijke bonzen van mijn hart te voelen.’

Even later voelt hij de lichte druk van Albertines hand tegen de zijne, ‘een streling van haar vinger die onder mijn vinger gleed’, en heel even verkeert hij in de veronderstelling dat zij het spelletje gebruikt om hem te laten weten dat ze hem heel graag mag, maar helaas tuimelt hij direct van het toppunt van zijn vreugde als hij haar woedend hoort sissen dat ze al de hele tijd die ring aan hem probeert door te geven. Hij duizelt van verdriet, laat het touw los, moet zijn plek weer afstaan, en is het mikpunt van de spotlust van de meisjes.

Deze uitgebreide beschrijving van de overrompelende sensatie die de lichte aanraking van elkaars handen kan oproepen, kan de lezer, november 2020, in lichte weemoed achterlaten: wat moeten wij niet allemaal ontberen, nu onze onderlinge afstand minimaal anderhalve meter beslaat?

dinsdag 23 februari 2021

Ine Boermans - Een opsomming van tekortkomingen

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Orlando

Erfenis van een verscheurde jeugd 

Een opsomming van tekortkomingen trapt af met een scène waarin Lot een afspraak heeft bij de psycholoog. Ze heeft last van paniekaanvallen en associeert de basale dingen in haar leven met gruwelijkheden als Duitse concentratiekampen, vastgevroren sledehonden, beren met verbrande voetzolen of varkens die worden doodgeknuppeld.

'Waar zou het volgens jou vandaan kunnen komen?' vraagt hij.
'Ligt het niet altijd aan je jeugd?' antwoord ik.


Regelmatig krijgt Lot beelden op haar netvlies, gruwelijke beelden, waarbij ze in één oogopslag weet wat er speelt. Dit is precies wat Boermans ook met de lezer doet. Zonder iets letterlijk te benoemen, schetst ze de situatie waarin ze verkeert. Haar manier van schrijven zet je er meteen toe aan te visualiseren, ze zet de beelden als het ware rechtstreeks over op het netvlies van de lezer. 

De 'psych' denkt dat ze te empathisch is, 'maar ook weer niet dat je denkt: wow dat is veel'. Een eigenschap die ze overduidelijk niet van haar vader heeft geërfd.

In korte, soms ultra korte fragmenten springt het verhaal heen en weer tussen heden, verleden en de gesprekken bij de psych. Daartussen staan cursiefjes aan haar moeder, waarin Lot aangeeft dat ze haar mist, vertelt over dagelijkse beslommeringen en haar hart lucht over haar vader. Al deze lagen maken het verhaal van Lot steeds completer. Geen idee of de auteur deze naam bewust heeft gekozen, maar het zou zo maar eens als speaking name bedoeld kunnen zijn. Boermans grijpt je met haar lucide schrijfstijl en bondige, scherp geformuleerde zinnen bij je lurven, raakt je in je ziel, maar weet de treurige situaties met luchtigheid en een flinke portie sardonische (galgen-)humor te larderen. Zo grappig, maar tegelijkertijd zo schrijnend dat het haast gênant voelt om te lachen om haar geestige ondertoon. 

Als Lot vier jaar oud is scheiden haar ouders. Met haar moeder trekt ze 'van kutdorp naar kutdorp met een uitstapje naar haar eigen (niet zo erg kut-) dorp en een kleine kutstad', en op de dorpse scholen wordt ze gepest, omdat ze een vreemde eend in de bijt is. Haar overheersende, zelfingenomen vader is continu bezig een wig te drijven tussen haar en haar moeder. Hij prent haar in dat ze bij hem beter af is en dat ze op haar twaalfde voor hem zal kiezen. Alles wat er misgaat, plaatst hij buiten zichzelf, buiten zijn eigen schuld en projecteert het steevast op zijn dochter. Zijn explosieve boosheid en even onvoorspelbare toegeeflijkheid daarna verwarren haar. Zijn houding jegens zijn dochter is er een van aantrekken en afstoten. 

Tegen de tijd dat haar twaalfde verjaardag nadert, plast ze ineens vaak in bed. Moeder maakt zich zorgen, vader kleineert haar. Toch krijgt hij het voor elkaar dat ze bij hem en haar stiefmoeder komt wonen. 

'Bij mijn vader ging het ondertussen niet erg goed. Opvoeden was een stuk minder gemakkelijk dan hij had gedacht. Daarbij viel ik nogal tegen.'


De fouten die haar moeder heeft gemaakt kan Lot haar vergeven - ze spiegelt zich aan haar moeder -, het eisende gedrag van haar vader verwart haar steeds meer. Hij blijft haar tergen tot op het bot en weet haar steeds meer tekortkomingen toe te dichten. Voor Lot is het niet meer te doen om haar huidige leven los te zien van de verscheurde jeugd die niet direct overliep van veel vaderlijke liefde.

''Ik ben toch wel blij dat je toegeeft dat ik gelijk had wat betreft het goed gebruiken van de kaasschaaf', zei mijn vader als ik mocht komen eten. 'Dat je inziet dat je dat altijd fout hebt gedaan en begrijpt waarom ik er zo boos over werd.'
Zelf had ik geen herinnering aan het wel of niet goed gebruiken van de kaasschaaf. Toch knikte ik schuld bewust.' 

Zo blijft het kind, ondanks alles, trouwhartig aan beide ouders. Totdat de laatste druppel de emmer doet overlopen, wanneer ze zelf een gezin heeft.

Rauw, schurend en pijnlijk, vol intens verdrietige humor. Een overtuigende debuutroman.

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Een opsomming van tekortkomingen
Auteur: Ine Boermans
Pagina: 176
ISBN: 9789493081864
Uitgeverij Orlando
Verschenen: januari 2021

maandag 22 februari 2021

Eugène Dabit - Hôtel du Nord

Recensie door Roosje
Uitgeverij Vleugels


Een heel klein beetje Maigret/Simenon

Rare titel, hè; ik zou dat misschien niet zo moeten doen, maar lezen betekent voor mij ook voortdurend en onbewust of half-bewust verbanden leggen met boeken die ik al gelezen heb. Het boekje van Eugène Dabit, Hôtel du Nord, is een heerlijke beschrijving van een wat armoedig hotel in het noorden van Parijs; de gasten en patrons zijn mensen aan de onderkant van de samenleving. Het leven heeft hun niet al te goed bedeeld en zij moeten al sappelend en hosselend in hun onderhoud voorzien. Ik kreeg op een gegeven moment de associatie met Simenons beroemde politiecommissaris Maigret, die meestal met moorden en misdaden geconfronteerd wordt in het milieu aan de onderkant van de samenleving. Maigret heeft sympathie voor deze mensen.

Het is juist de liefde van Dabit en Simenon voor mensen uit deze sociale laag die hun boeken aandoenlijk, wrang, weemoedig en ook liefdevol maken. Dabit was een communist, en kwam zelf uit een arbeidersgezin. De liefde voor de gewone man zet hem tot het schrijven van een sfeervolle roman. 

Het boek heeft geen plot; er is wel een duidelijk begin, wanneer de Lecouvreurs het hotel kopen en het einde van het boek is tevens het einde van het hotel: de moderne tijd en de kapitalisten hebben ultiem toegeslagen.

Ik schrijf hierboven wel dat de personages in het boek ‘aandoenlijk’ zijn, maar dat is denk ik een misleidend begrip. De personages zijn gewoon zichzelf met hun besognes, hun gedoe, hun drankzucht, hun amoureuze uitspattingen, hun vieze kleren, hun zware arbeid, hun het-er-zoveel-mogelijk-de-kantjes-vanaf-lopen, hun kwaadsprekerij, hun jaloezietjes, hun gulzigheid, het elkaar bedriegen, maar de patrons van het hotel zijn tegelijkertijd - ook zij moeten hard aanpoten - wel ruimdenkend, in ieder geval ruimdenkender dan de burgerij. Ze hebben niets tegen prostitutie, maar willen geen ‘uren-hotel’ en geen dienstmeisje dat haar gunsten verkoopt en ook geen opgedirkte straatmadelief in hun bedrijf. Zijn ze op de hoogte van de homoseksualiteit van een goed klant of vinden ze diens travestie alleen maar vermakelijk? Hun leven is vol energie en ook vol van de arbeidersfeesten op feestdagen.

Deze roman is een ode aan gewone mannen en vrouwen, van wie de vrouwen hoe dan ook aan het kortste eind trekken, meestal dan. De een is wat uitgekookter dan de ander. Als vrouw is het nog lastiger niet te verhongeren en te verzuipen in de grote stad. Het platteland, dat zij ontvlucht zijn biedt hun ook weinig. Dat is de tragiek.

Karaktertekeningen zijn treffend en effectief. Veel van de arbeiders zijn afkomstig van het platteland en komen hun geluk, gedwongen, in Parijs beproeven. In zekere zin is het dus ook een sociale roman, maar het ligt er niet dik bovenop.

Ik heb de roman vrijwel in een keer uitgelezen. Dat moet je eigenlijk niet doen. Langzaam savoureren is het devies.

In ieder hoofdstukje staat iemand centraal. Wat meer ruimte krijgt onder andere het dienstmeisje Renée, die door haar minnaar verlaten wordt, omdat ze zwanger is. De patronne raadt haar aan het kind op het platteland bij een min onder te brengen, zodat zij geld kan verdienen. Zo’n verhaal van een onschuldig plattelandsmeisje dat verleid en als een vod in een hoek geschopt wordt, is niet nieuw natuurlijk.

Dabit slaagt erin zijn personages volstrekt geloofwaardig te beschrijven, hun slechte kanten worden niet veronachtzaamd maar ook niet al te vet aangezet. In 1938 maakt regisseur Marcel Carné (dank Mirjam de Veth) er een film van. Dat ligt erg voor de hand. De mensen zijn uiterst beeldend beschreven: je ziet ze zitten kaarten en drinken; aan de toog hangen; uitgeput op hun bed vallen, hun maaltijd naar binnen schrokken of juist met weinig eetlust er lusteloos in rondprikken.

De Veth schrijft in haar nawoord dat Dabits ouders een dergelijk hotel hadden; Dabit zelf werkte er geregeld. In werkelijkheid werd het hotel niet gesloopt in de jaren twintig. Zijn ouders hadden hun hotel tot WOII en de gevel staat nog steeds overeind. (2020: 145-146)

Ik was bijzonder verrast door deze korte roman van Dabit en ik vind dat iedereen hem moet gaan lezen; zo simpel is het.

Auteur

Dabit werd in 1898 geboren in een Parijs arbeidersgezin. Na de lagere school werd hij leerling-sleutelmaker, later arbeider bij de metro. De Eerste Wereldoorlog drukt een onuitwisbaar stempel op zijn bestaan. In 1914 wordt zijn vader gemobiliseerd en blijft hij alleen met zijn moeder achter. Een paar jaar later moet hij zelf in het leger, van 1916 tot 1918 vecht hij als artillerist. Over deze periode schrijft hij de bildungsroman Petit Louis, die in 1930 verschijnt. Na de oorlog kan hij niet meer aarden in een geregeld burgermansleven en begint, financieel ondersteund door zijn ouders, te schilderen. Vanaf 1925 neemt de pen de plaats in van het penseel. Zijn literaire talent wordt al vroeg herkend door André Gide, die hem in contact brengt met Roger Martin du Gard, die Dabit intensief literair zou begeleiden. In 1929 verschijnt Dabits bekendste roman L’Hôtel du Nord.

Dabit is een betrokken mens die zich mengt in de discussie over de bevrijdende mogelijkheden van een nieuwe populistische of proletarische literatuur en hij is een militant antifascist. Maar hij is te vrijzinnig en individualistisch om zich ooit naar een partij te kunnen voegen. In 1935 neemt hij deel aan het Internationaal Schrijverscongres voor de verdediging van de cultuur in het Palais de la Mutualité in Parijs. Hij is inmiddels bevriend met Céline, met wie hij correspondeert. In 1936 reist hij met André Gide, Jef Last, Louis Guilloux en Jacques Schiffrin naar de Sovjet-Unie, waar hij moeite heeft met het streng opgelegde, door de communistische partij strak geregisseerde programma. Hij ziet met eigen ogen dat er in de sovjetheilstaat weinig terecht is gekomen van de socialistische idealen. Onder nooit precies opgehelderde omstandigheden sterft hij op 21 augustus 1936, alleen in een ziekenhuis in Sebastopol. André Gide draagt zijn spraakmakende Retour de lURSS, waarin hij openlijk van zijn communistische geloof afvalt, aan Dabit op.

Titel: Hôtel du Nord
Auteur: Eugène Dabit
Vertaling: Mirjam de Veth; het nawoord is ook van haar
Pagina’s: 146
ISBN: 9789493186125
Uitgever: Uitgeverij Vleugels
Verschenen: oorspr. 1929; 2020 

vrijdag 19 februari 2021

Alex Halberstadt - De jonge helden van de Sovjet-Unie

Recensie door Mireille Bregman
Uitgeverij Pluim

Een confrontatie met het verleden 

‘De jonge helden van de Sovjet-Unie’: een schoolboek op Alex’ basisschool in de Sovjet-Unie. Daarin de verhalen van jonge kinderen die moedige daden voor het moederland hadden verricht (lees: daarbij ook gestorven waren), als voorbeeld voor de jeugd van de jaren ’70. “We zullen nooit samen pioniers zijn”, zei een schoolvriend tegen hem toen zijn moeder had besloten een uitreisvisum aan te vragen. Emigranten zijn landverraders, nog erger dan joden, zo werd hen ingepeperd in de Russische maatschappij.

Alex Halberstadt groeide het grootste deel van zijn jeugd op in New York, waar hij zich het liefst z.s.m. profileerde als Amerikaan. Na verloop van tijd is hij zijn opa van vaders kant in Vinnytsia (Oekraïne) gaan opzoeken, over wie het vage gerucht ging dat hij Stalins lijfwacht was. Hier zit zeker een verhaal achter.

Het boek is een mix van een halve autobiografie, een geschiedenisboek en familiegeschiedenis. Dit pakt mooi uit, want door de afwisseling van deze drie onderdelen krijg je een completer beeld van de invloeden van de oorlogsgebeurtenissen van de familie en een Russische jeugd op het verdere leven.

Een roman durf ik het dan ook niet te noemen. Eerst beschrijft hij namelijk de levens van zijn grootouders en gaat vandaaruit de familie aan beide kanten af. “De buffer tussen geschiedenis en levensgeschiedenis was flinterdun geworden”.

Het laatste deel van het boek las het vlotst, misschien omdat Alex hierin bij zichzelf blijft. Hij bewandelt meerdere zijpaden, zoals diverse verhalen uit de Litouwse joodse geschiedenis (de steden Kaunas, Vilnius), die er toch zeker ook toe doen. Juist die verhalen doen je beseffen dat zij de achtergrond vormen van het denken en doen van een familie; die levensgeschiedenis wordt intergenerationeel overgedragen. Je kunt nooit uitverteld zijn. Tegelijk met het familieverhaal komt het nationale Sovjetverhaal aan bod en is de vergelijking met New York niet ver weg. Ook in de nieuwe stad wordt Alex heimelijk gepest, alleen voor wat anders.

Alex Halberstadt heeft een geslaagde poging gedaan de trauma’s en oorsprong van zijn familie en zichzelf te onderzoeken. Ik ben blij dat vertalers Leen Van Den Broucke en Gretske de Haan zich aan deze klus gewaagd hebben en dat Pluim het uitgegeven heeft.

Titel: De jonge helden van de Sovjet-Unie
Auteur: Alex Halberstadt
Vertaling: Leen Van Den Broucke
Pagina's: 377
ISBN: 9789083073514
Uitgeverij Pluim
Verschenen: december 2020

woensdag 17 februari 2021

David Mitchell - Utopia Avenue

Recensie door Roosje
Uitgeverij Meulenhoff


De trip*

Mijn introverte januarimaand - niet april is ’the cruellest month’** in mijn idee maar januari, een sombere lege maand - bracht twee super dikke boeken met zich mee; een daarvan is David Mitchells Utopia Avenue, de ander een detective van Robert Galbraight. Beide dikke boeken liggen een behoorlijk eindje buiten mijn comfortzone; ik ben een beetje elitaire literatuurlezer- met een dikke L.

Utopia Avenue is een fictief verslag van een fictieve Britse popgroep, in de periode 1967-1969. De swinging poppy sixties. Deze groep bestaat uit drie mannen en een vrouw en hun manager.
Elf Holloway, de vrouwelijke keyboardist en lead singer; zij speelde voorheen folk met haar Australische (ex-)vriendje Bruce, die lekker vet afgeschilderd wordt als een vreemdganger en dief van Elfs ideeën. Middle class.
Jasper de Zoet, lead guitarist. Een Nederlandse vader en een Engelse moeder heeft hij; upperclass. Tussen haakjes, een van zijn voorvaderen Jacob de Zoet, speelt een rol in meer boeken van Mitchell. Dean Moss, bassist uit Gravesend. Working class, net als Peter "Griff" Griffin, jazz-drummer uit Yorkshire.
Levon Frankland, de manager van de band, die oorspronkelijk uit Toronto komt en via New York in Londen terechtkomt; een zachtaardige en eerlijke crypto-homo.

Alle personages staan om de beurt uitgebreid in het middelpunt. Via flashbacks leren we hen kennen en hun kwetsbaarheden. Misschien is het omdat het verhaal begint met Dean en hij een ultiem inzicht krijgt na een lsd-trip met Jerry Garcia van de groep The Grateful Dead - ik moet me voorzichtig uitdrukken -, maar ik vind hem echt de belangrijkste persoon. Nét even wat indringender dan de anderen, hoewel Jasper vanwege de spiritueel-fantastische passages ook zeer veel indruk maakt. Wat Dean overkomt, wordt je als lezer verscheidene malen subtiel voorgehouden maar in de vaart van het verhaal vergeet je dat weer, grotendeels. Dat gebeurt mij met films nu ook altijd. Door de vaart in het verhaal en de concentratie om bij te blijven vergeet je een beetje de clous die het verhaal je voorschotelen. Dan voel je je daarna een beetje dom of in de maling genomen, teleurgesteld of verdrietig dat het anders afloopt dan je gehoopt/verwacht had. Ondanks alles hou ik van een happy end - a guilty pleasure, maar dat mag tegenwoordig gelukkig weer -.

Het verhaal van de band wordt chronologisch verteld aan de hand van hun drie lp’s/epees - laten we gewoon zeggen: platen -, voorkant en een b-kant; zijnde zes hoofdstukken. Frankland brengt de verschillende leden van de groep samen; de band is een mengeling van Pink Floyd, Cream, Sandy Denny - en waarom wordt Fairport Convention niet genoemd? -, Jefferson Airplane e.d. De leden van Utopia Avenue komen vanuit verschillende muziekscones: Elf uit de folk, Griff uit de jazz, Dean uit een andere popgroep en Jasper is de enigmatische, introverte, geniale sologitarist. De leden komen ook uit verschillende sociale lagen, die elk hun eigen problematiek met zich meebrengt.

Het is niet zo eenvoudig een bespreking van deze roman te geven, ook niet om niet te veel te verklappen. Slechts op een enkel punt dacht ik: nu maar eens even opschieten met dat verhaal, Mitchell. Het is knap dat een zo dik boek geweldig blijft boeien.

De auteur is geboren in 1969 en heeft de periode waarover hij schrijft dus niet meegemaakt, maar zijn beschrijvingen van Soho, Londen, de muziekscene, de muziek zelf ook (!), de mode, het drugsgebruik, de feesten en later idem in Los Angeles en Laurel Canyon (mij bekend door de plaat van blueszanger John Mayall, die niet genoemd wordt). De roman is voor mensen die die periode hebben meegemaakt een feest van herkenning, van nostalgie en de herinnering aan een energieke periode waarin de wereld aan het veranderen was. Vooral ook omdat Mitchell een heleboel werkelijk bestaande popartiesten en kunstenaars laat opdraven; dat doet hij op een volstrekt organische wijze. Je hebt helemaal niet het gevoel dat hij aan name dropping doet: David Bowie, Jerry Garcia, Leonard Cohen, Syd Barrett, Jackson Browne, John Lennon, Allen Ginsberg, Francis Bacon, Joni Mitchell, Richard Thompson - waarom wordt Fairport Convention niet genoemd? -, Steve Winwood, Keith Moon, Sandy Denny and Marc Bolan; Jimi Hendrix, Janis Joplin, Ron "Pigpen" McKernan, Jim Morrison, and Brian Jones; de laatste vijf zijn lid van de 27 Club, dat is de beruchte groep van popartiesten die allen op 27-jarige leeftijd overleden.
Nergens had ik het gevoel dat Mitchell zich schuldig maakt aan anachronismen; daarvoor ook chapeau.

Indrukwekkend zijn allerlei (onderlinge) verwijzingen in het verhaal. De titel alleen al: Utopia Avenue: Utopia is natuurlijk nergens, een ideaal dat nooit bereikt zal worden en Avenue is heel fysiek hier en nu, en duidt ook op Amerika, waar de band zijn hoogtepunt beleeft. De titel is een oxymoron, schrijft Mitchell, een stijlfiguur waarin een nauwe verbinding gelegd wordt tussen twee tegenovergestelde begrippen. De naam van de band slaat natuurlijk ook op zijn amalgaamkarakter. Alle bandleden schrijven songs, sommige wat meer dan anderen. Daarom is hun sound nooit voorspelbaar, maar volgens sommigen is dat juist een gebrek aan samenhang en consistentie. Mitchell weeft veelkleurige tapijten.

Mitchells stijl is een heerlijke-doorlees-stijl, soepel zou ik het noemen, hoewel dat begrijp wel een beetje uitgesleten is, maar het is wel zo. Nergens in het boek vraag je je af in welke periode je je bevindt. Er zijn geen zinnen die je twee keer moet lezen. En de inhoud is best ingewikkeld, ook omdat hij verschillende verbanden legt en verschillende verhaallijnen uitzet; het een vloeit moeiteloos over in het ander.  

Ik ben niet in staat onder woorden te brengen waarom dit een heerlijk boek is. Mijn woorden blijven een beetje bloedeloos en dat kan van dit boek op geen enkele manier gezegd worden. Ik ga niet zo ver als de criticus van de Volkskrant die deze roman vijf sterren geeft, maar ik ga een heel eind mee.

Deze roman heeft mij nieuwsgierig gemaakt naar andere boeken van Mitchell.

* Ook de titel van een boek van Ken Kesey, die ook One Flew Over the Cuckoo’s Nest schreef. Een fysieke en spirituele reis. Op de een of andere manier dragen mijn stukjes over gelezen boeken vaak een associatieve titel, hoewel in dit geval de vlag ook de lading dekt.
** T.S. Eliot, The Waste Land

Titel: Utopia Avenue
Auteur: David Mitchell
Vertaling: Harm Damsma en Niek Miedema
Pagina's: 650
ISBN: 978909092968
Uitgeverij Meulenhoff
Verschenen : september 2020

zaterdag 13 februari 2021

Lize Spit - Ik ben er niet

Bespreking door Dietske Geerlings
Uitgeverij Das Mag
 

Een huis waarvan de constructie zichtbaar is 

Ooit las ik een boek dat ik niet weg wilde leggen, terwijl de net geplante kruidenbloemen met hun lange dunne stelen in mijn tuin echt water nodig hadden. Ik stond van mezelf te kijken, toen ik met het dikke boek in mijn ene hand en de tuinslang in de andere door de tuin liep. Het boek was Het smelt, het debuut van Lize Spit. Natuurlijk wilde ik weten wat er ging gebeuren met het blok ijs achter in de auto, maar veel liever nog wilde ik in het boek blijven en niet ophouden met lezen over het zusje van de hoofdpersoon dat alleen de kamer kon betreden als ze eerst allerlei dwanghandelingen had verricht en hoe aandoenlijk de hoofdpersoon het codesysteem van haar jongere zusje probeerde te kraken van de letters die het zusje op het toetsenbord intypte, zonder dat de computer aanstond. Het greep me naar de keel en ik heb beide hoofdpersonen in mijn hart gesloten. Ik vond het verschrikkelijk toen ik het uit had. Nu heeft Lize Spit een nieuwe roman geschreven, Ik ben er niet en toen ik voor het eerst de titel hoorde, dacht ik: dit moet een schrijver voelen als hij na een overweldigend debuut net een tweede roman heeft geschreven. Ik ben er even niet, jongens, want wat gaan ze straks allemaal van mijn tweede boek zeggen?

De constructie van het boek lijkt heel erg op dat van Het smelt, waarin twee verhaallijnen elkaar afwisselen. In een van de twee wordt afgeteld van 11 minuten, waarin de hoofdpersoon Leo, een jonge vrouw, net afgestudeerd aan de filmschool, naar een plek fietst waar haar vriend Simon, een grafisch vormgever, waarschijnlijk een groot onheil heeft aangericht. In de andere verhaallijn lees je de voorgeschiedenis van Leo en Simon, vanaf het moment dat Simon een opmerkelijke tatoeage heeft laten zetten achter zijn oor. Tot die tijd waren Leo en Simon elkaars steun en toeverlaat. Leo heeft haar moeder veel te vroeg verloren en Simon is altijd gepest om zijn flaporen.

Vanaf het moment dat Simon de tatoeage heeft gezet, gaat het mis in hun relatie. Simon is ervan overtuigd dat hij zijn eigen bedrijf moet beginnen met het ontwerpen van tatoeages met een bijzonder verhaal erachter. Hij zet het hele huis op de kop om een eigen kantoortje in te richten, hij gaat visitekaartjes maken en allerlei ander promotiemateriaal, die in het kleine kamertje worden opgestapeld. Hij doet mij wat denken aan Frans Laarmans die in Kaas van Elsschot een kaashandel wil opzetten, terwijl hij allesbehalve een handelaar is. Dagen is hij bezig met het inrichten van zijn kantoor. Je voelt al meteen dat dit niet goed kan gaan. Leo bekijkt alles met argusogen en herkent haar ‘Spruitje’ niet meer. Simon krijgt steeds meer last van paranoia en denkt dat iedereen eropuit is om hem onderuit te halen.

Omdat Spit in het eerste hoofdstuk al meteen een filmtechniek beschrijft waarbij het publiek op het puntje van zijn stoel zit, heeft de lezer direct door dat Spit zelf deze techniek toepast in haar eigen boek. Daardoor krijgt het boek iets als een huis waarin opzettelijk de constructie zichtbaar is gelaten. Dat geeft een huis een transparante, industriële, robuuste uitstraling. Werkt dat ook zo in een boek? Tijdens het lezen betrapte ik mijzelf erop dat ik steeds tegen mijzelf zei: het is de bedoeling dat de constructie zo hinderlijk aanwezig is. Dat is juist de schoonheid. Halverwege dacht ik: het kan niet de bedoeling zijn dat ik dit steeds tegen mezelf moet zeggen, alsof ik mijzelf hiervan moet overtuigen. Het bóek moet mij overtuigen.

Gek genoeg beïnvloedt dit tweede boek ook mijn kijk op het eerste. Ik herken de constructie, terwijl die mij toen niet zo was opgevallen. Het zet mij aan het denken: wat is nu eigenlijk beter? Als een schrijver je overdondert, zonder dat je in eerste instantie doorhebt, hoe hij dat voor mekaar heeft gekregen, of als hij dat openlijk doet? Ik weet er geen antwoord op. Misschien ben ik teveel beïnvloed door auteurs als Nijhoff die zeiden dat je aan het gedicht niet mag zien dat eraan gewerkt is. Het gedicht of de dichter moet niet huilen, de lézer moet huilen. We zijn nu een eeuw verder. Literatuur en literatuuropvattingen mogen veranderen. Het kan zijn dat ik nog met een been in die vorige eeuw sta en mij niet helemaal kan overgeven aan zo’n opzichtig geconstrueerd boek? Ik weet wel dat ik Het smelt schitterend vond, niet alleen vanwege dat prachtige beeld van het smeltende blok ijs, maar ook vanwege de overtuigingskracht van de personages. Dat mis ik in Ik ben er niet. In dat opzicht is de titel veelzeggend: alsof ook van de personages alleen de constructie te zien is en ze er niet echt zijn. Dat is vreemd, omdat je als lezer wel een paar honderd bladzijden lang de gedachten leest van Leo. Uiteindelijk blijkt dat Simon een bipolaire stoornis heeft, maar die wordt zo onwaarschijnlijk uitvergroot, dat hij eigenlijk geen mens van vlees en bloed meer is. Leo kan daar met al haar gedachten ook niet veel meer aan veranderen.

Dit brengt mij bij een essay van Hermans over antipathieke romanpersonages in zijn Sadistisch universum. Hij schrijft daar dat personages juist mythisch uitvergroot moeten worden, om de waarheid van het boek tot uitdrukking te brengen. Het grote publiek wil mensen van vlees en bloed, maar het gaat niet om die ‘journalistieke geloofwaardigheid’. Een schrijver heeft een andere missie. Tegelijkertijd verweet hij Reve in een brief dat Frits van Egters uit De avonden meer aan overtuigingskracht had kunnen winnen als Frits pogingen had gedaan aan zijn miserabele situatie te ontkomen, terwijl Frits van Egters mij nu bij uitstek een mythisch uitvergroot personage lijkt dat de waarheid van het boek ontegenzeggelijk tot uitdrukking brengt.

Goed, nu heb ik vier grote schrijvers genoemd, Elsschot, Nijhoff, Hermans, Reve. Lize Spit hoort bij een heel nieuwe generatie en ik wil niet krampachtig vasthouden aan alles wat geweest is. Daarom bekijk ik haar werk met grote belangstelling: wat gebeurt hier nu precies? Ook bij Elsschot en Hermans miste ik vaak iets tijdens het lezen, hoezeer ik ook onder de indruk was. Maar wat is dat precies? Zit ik er helemaal naast als ik het hartstocht noem, of liefde, die ik wel voelde bij Nescio, Elsschots tijdgenoot, en Wolkers, Hermans’ tijdgenoot? Toch heb ik die wel gevoeld in Het smelt, zij het beschadigd en vervreemdend.

Gelukkig ligt er nu een dikke laag sneeuw en hoef ik niet naar buiten. Dan weet ik ook niet of ik Ik ben er niet ook mee naar de tuin had genomen. Ik houd niet van wedstrijdjes, al helemaal niet waar het om boeken gaat, zeker in deze tijd waar de ene ranglijst de andere opvolgt en deze gekte bijna bepaalt wat we zouden moeten lezen. Ik heb deze tweede roman van Lize Spit met belangstelling gelezen en ook al griezel ik een beetje van de twee personages, het boek zet me wel aan het denken over de constructie in dit boek en constructies in het algemeen.

Titel: Ik ben er niet
Auteur: Lize Spit
Pagina's: 576
ISBN: 9789493168718
Uitgeverij Das Mag
Verschenen: december 2020

donderdag 11 februari 2021

Sara Kee - Patiënt Hero

Recensie door Roosje
Uitgeverij Van Maaskant Haun

Hoe zal de wereld vergaan?


Een paar jaar geleden raakte ik geïntrigeerd door een webpagina waarin een tig aantal mogelijkheden opgesomd werden hoe onze aarde fysiek zou vergaan. De kou sloeg om mijn hart maar ik kon nog wel denken dat het mijn tijd wellicht nog zou duren, hoewel…. een meteorietinslag kan bij wijze van spreken ieder moment gebeuren.

Sara Kee heeft in haar bundel zes verhalen geschreven waarin Oefeningen voor de apocalyps - zo luidt de titel - het thema zijn. De eerste vijf verhalen lijken qua sfeer, omgeving en omstandigheden wel wat op elkaar; het zesde is met zijn sprookjesachtigheid en dromerigheid heel anders. Of je dan zo’n verhaal moet opnemen in een bundel weet ik niet zo goed, maar aan de andere kant is er ook niets op tegen. Het is alleen dat je als lezer in een bepaalde leessfeer bent en een verhaal dat zo compleet anders is, een aanvankelijke wrevel bij je op kan roepen. Maar nou ja, daar is dan ook weer niets mis mee. Lekker verontrusten, die lezer.
En dat doet Sara Kee: verontrusten, een beetje ontregelen, je na laten denken over onze wereld en wat wellicht de gevaren zijn.

Sara Kee is altijd op zoek naar nieuwe ervaringen. Ze bevindt zich het liefst op de grens van het voorstellingsvermogen, of net iets daar overheen. Als ze ergens door gegrepen raakt, heeft Sara oneindige energie. Ze staat voor wat ze denkt, maar ze is bereid om van gedachte te veranderen. Ze gelooft in wonderen. Tegelijkertijd rekent ze nergens op. Soms voelt ze zich moedeloos over hoe gaat met de wereld en dat ze zelf op vele manieren aan de problemen bijdraagt. Ze heeft zich voorgenomen haar goede humeur daar niet meer onder te laten lijden. Sara denkt dat we verbeeldingskracht nodig hebben om de weg te vinden uit het zuigende moeras van de marktwerking en dat verhalen onze wegwijzers zijn.

Het eerste verhaal, Womanhood, gaat over AI - artificiële intelligentie - en over wat de wereldwijde IT-bedrijven met jouw data kunnen doen, ter hunner voordeel en jouw nadeel, maar dat doet er niet toe. Het is een intelligent verhaal - al Kees' verhalen zijn intelligent en fijnzinnig - en het einde brengt me een beetje van mijn stuk. Niet alleen vanwege de soort van somberheid - die je ook aantreft bij een serie als Black mirror - maar ook omdat ik nog eens goed moet nadenken over de figuur van de politicus-minnaar: wie is hij? En is hij een ‘hij’, een persoon? Heel goed gedaan. Dat zet me aan het nadenken.

Het tweede verhaal Varkens tellen niet over het diermisbruik of diergebruik - wat op hetzelfde neerkomt - doet in de verte denken aan Orwells Animal Farm. Voor mij een van de sterkere verhalen; ze zijn allemaal goed, hoor

Lieve allemaal is een modern Job-verhaal. Een meisje wordt gered, doordat zij haar identiteit gewisseld heeft met een ander, tenminste een sort of, je zou ook kunnen denken dat zij alles verloren heeft:

Ik weet nog dat ik me als zesjarige verbaasde over het einde van Jobs verhaal. Hij kreeg zijn rijkdommen terug, trouwde opnieuw en vele kinderen en kleinkinderen werden geboren, alsof die de doden konden vervangen. Nu snap ik het. Wie leeft, moet verder.’ (2020: 80)

Patiënt Hero is ook patiënt Zero: held en nul. Hij lijdt aan een nieuwe ziekte, die veroorzaakt lijkt te worden door het hebben van rijkdom en het piekeren over en de morele wens de wereld goed te doen. Hij lijkt een eigen therapie te hebben gevonden. Subtiel!

In Ejacunon wordt de voortplanting nu eindelijk op een vrouwvriendelijk wijze geregeld. Heel komisch.

Hoe stil het werd is een dromerig en sprookjesachtige vertelling. Prachtig.

In tijden van corona en narigheid moet je deze verhalen vooral lekker lezen: subtiel, grappig, verontrustend, sprookjesachtig en ze nopen je tot nadenken.

Titel:
Patiënt Hero
A
uteur: Sara Kee
Pagina's: 176
ISBN: 9789083007663
Uitgeverij Van Maaskant Haun
Verschenen: oktober 2020

woensdag 10 februari 2021

Marjolijn van Heemstra - En we noemen hem

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Das Mag

'De mythe is een ui en heeft geen hart'

In elke familie doen verhalen de ronde. Over gebeurtenissen, lotgevallen, avonturen en perikelen van bloedverwanten. Meestal zijn de onderwerpen zodanig beladen zodat er alleen tijdens familiaire samenkomsten openlijk over wordt gesproken. Legendes over trouw en onmogelijke liefdes. Maar het handelen van verre familieleden tijdens de bezetting voert de boventoon. Vooral als de alcohol de tongen losweekt. Meestal worden de mythes onderverdeeld in goed en fout. Nooit over het grijze gebied. De aangenomen waarheid over mythes blijkt vaak onbetrouwbaar. Het verschil tussen held en verrader is minimaal.

'Een held als blauwdruk voor mijn zoon'

Dit is het uitgangspunt van het boek van Marjolijn van Heemstra. Een vaag verhaal over een moedige bommenneef Frans Julius Johan van Heemstra, wordt al decennia doorgegeven in de familie. In december 1946 heeft deze neef een verrader in Den Haag laten ombrengen door een bomaanslag. Deze man zou in 1942 verantwoordelijk zijn voor de arrestatie van 12 Engelandvaarders op landgoed Ockenburgh. Frans is kinderloos overleden. Op 18-jarige leeftijd heeft de hoofdpersoon het enige aandenken aan hem, een ring met een blauwe steen, gekregen van haar grootmoeder met de opdracht om zijn naam te prolongeren middels een mannelijke erfgenaam. En nu is zij zwanger en weet al dat het een jongetje gaat worden. Zal zij haar kind vernoemen naar deze heldhaftige neef?

Enige twijfel hierover is gerezen. Niemand in de familie weet zeker wat er nu eigenlijk is gebeurd. Herinneringen zijn wazig en vanzelfsprekend nooit uit de eerste hand. Ze besluit op onderzoek te gaan om deze heldendaad te verifiëren. Want zij wil natuurlijk zeker weten dat haar zoon niet wordt vernoemd naar een misdadiger. Hier hangt het dus vanaf.

'Ik weet niet eens meer of dit verhaal nog wel over moed en rechtvaardigheid gaat, misschien gaat het inmiddels over spijt en chaos niks is zeker.'

De lezer wordt meegetrokken in haar enerverende speurtocht met een duidelijk tijdslimiet: haar bevalling. Haar mobiliteit neemt door haar toestand én haar bezorgde vriend D. zienderogen af. Vooral als de zwangerschap niet optimaal verloopt. En tevens gaan hormonen ook een rol spelen. De vervlechting van deze twee verhaallijnen geven het boek een dynamisch en spannend verloop. Bijna obsessief reist ze van hot naar her en praat met iedereen die haar mogelijk duidelijkheid kan geven. Zelfs met de familie van de slachtoffers. Allemaal tevergeefs. Ook duikt ze in de archieven en maakt daar kennis met de onbekende wereld van archief(be)zoekers.

Omdat het verhaal vanuit de eerste persoon wordt verteld, raakt de lezer snel betrokken bij de verwarring en twijfel. Het wordt persoonlijk. De vader, steevast aangeduid met D., geeft haar eerst de ruimte met haar zoektocht. Naderhand wil hij haar alleen nog afremmen wanneer haar zwangerschap te zwaar wordt. Dat lukt hem niet meer.

'We doen alsof we van alles willen leren en begrijpen van het verleden, maar uiteindelijk zitten we vooral naar onszelf te staren.'

De hoofdstuktitels maken er een count down van: het aantal weken voor de geboorte. Het grappige is dat dit heel goed werkt voor de spanning in het verhaal. Meer verkregen informatie geeft juist geen duidelijkheid. Een race tegen de klok. Marjolein van Heemstra beschrijft dit alles heel levendig. Het ongeduld en de deadline worden voelbaar. Maar ook de impact van een zwangerschap op een vrouw. En dat is een compliment.

De strijd tegen het element 'tijd' is een rode draad door deze uitgave. Van het aftellen naar de bevalling, het bezoek aan het Friese planetarium van Eise Eisinga die ‘de tijd meester wilde worden'. Zelfs de protagonist Billy Pilgrim uit de Magnus Opus 'Slachthuis 5' van Kurt Vonnegut komt langs omdat hij ‘de gave heeft om door de tijd te reizen’.

'… Alles beweegt in grote en kleine kringen, in zoveel manieren om de tijd op te delen.'

Jammer is dat de schrijfster aan het eind van het boek aan de lezer verklaart dat ze een aantal, niet ter zakendoende, feiten in het relaas heeft veranderd. Dan hebben we het over 'borrelnootjes' in plaats van taart, een 'draaideur' in plaats van een 'schuifdeur'. De meldingen van deze futiliteiten doen afbreuk. Zelfs haar wederhelft D. vraagt haar direct "of een verhaal per se moet kloppen?". De vraag is of we hier te maken hebben met een persoonlijk verslag van een zoektocht tijdens een zwangerschap, of dat we een fictieve roman lezen. Dat maakt voor het verhaal namelijk niets uit. Geen enkele schrijver is verantwoording schuldig wat mij betreft.

Ik moest er langzaam inkomen, maar uiteindelijk heeft het boek mij wel weten te pakken. En het behandelt natuurlijk ook een universeel thema: verhalen versus feiten. Altijd boeiend. De omslag kan mij niet charmeren. Vallend tussen de sterren associeer ik niet met 'een zoektocht naar feiten?' Ook al is deze queeste oneindig gelijk het heelal. Maar dat kan beroepsdeformatie zijn.

Titel: En we noemen hem
Auteur: Marjolijn van Heemstra
Pagina's: 218
ISBN: 9789492478375
Uitgeverij Das Mag
Verschenen: mei 2017

dinsdag 9 februari 2021

Juan Carlos Onetti - Afscheid

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Kievenaar

Hoe Onetti een spel speelt met zijn lezer

Een fictief Argentijns dorpje, onder de rook van Buenos Aires, draait op het nabijgelegen sanatorium en hotel Royal. De anonieme ik-verteller exploiteert er sinds vijftien jaar - hij is er blijven plakken nadat hij zelf is genezen van een longziekte - een etablissement dat dienst doet als plaatselijk café/winkel/postagentschap. Bijna dagelijks komt er een aantal vaste gasten voor wat aanspraak en om er iets te drinken. Al direct popt het gevoel op van een mix van De Toverberg van Thomas Mann en De Hills van Matias Faldbakken, en dat, in het geval van een boekverfilming, Anthony Hopkins daar volkomen op zijn plek zou zijn als de uitbater. 

De komst van een magere man met 'lodderige vissenogen' brengt de gemoederen in beweging. Alleen al de blik die de uitbater werpt op de handen met de verstijfde vingers is 'genoeg […] om te weten dat hij niet meer beter zou worden, dat hij geen idee had waar hij de wilskracht vandaan moest halen om weer beter te worden.' De man blijkt een getalenteerd basketbalspeler te zijn - hij moet behandeld moet worden voor tuberculose - die zijn intrek neemt in een kamer van het Royal, omdat hij weigert zich op te laten nemen in het sanatorium. Ondanks dat hij de artsen bezoekt, stelt de veertigjarige patiënt zich niet echt medewerkzaam op om zijn genezing te bevorderen. Hij neemt overduidelijk zelf de regie en verantwoordelijkheid voor zijn beslissingen. Door niemand laat hij zich zijn vrijheid van handelen afnemen, volgt zijn eigen deprimerende weg naar de ondergang. Zijn eenzaamheid is existentieel, net bij als de ik-verteller die de lezer een ontboezeming doet: 

'[…] ik ontdekte de voortdurende ellende van mijn vijftien jaren in het dorp, de spijt over de prijs die ik hiervoor had betaald: mijn eenzaamheid, de winkel, dit volkomen niets-zijn. Ik was nietig, onbetekenend, dood.' 

Nauwgezet worden de handel en wandel van de man in de gaten gehouden door het kamermeisje, de verpleger en de uitbater, maar het directe contact met de ontoegankelijke basketbalspeler is minimaal. Groot is de verbazing wanneer blijkt dat de man voldoende in zijn slappe was zit om een hotelkamer te bekostigen. Wanneer hij ook nog een chalet in de bergen huurt en daar de middagen verblijft, is dit ruim voldoende voer voor het roddelcircuit. De uitbater observeert, combineert en trekt zijn conclusies:
 

'[…] ik kan me niet herinneren dat ik me ooit heb vergist; ik heb mijn voorspellingen altijd gedaan voordat ik wist wat Castro of Gunz, de artsen die in het dorp wonen, ervan vonden, meer informatie had ik niet nodig, ik hoefde ze alleen maar de winkel binnen te zien komen, met hun koffers, met hun uiteenlopende porties schaamte en hoop, hun steelse en uitdagende blikken.'  


Tegen dit decor bouwt Juan Carlos Onetti (Montevideo, Uruguay, 1 juli 1909) zijn compacte en ogenschijnlijk eenvoudige plot zorgvuldig op. Onetti, die zijn boterham verdiende als journalist, schreef in 1939 zijn eerste werk. Zijn novelle Afscheid - die door Mario Vargas Llosa geroemd wordt als één van de beste Spaanstalige novellen - verscheen in 1954. Nadat hij in 1973 door de dictatuur drie maanden in detentie werd gezet, besloot hij naar Spanje te vluchten, waar hij in 1980 werd onderscheiden met de Cervantesprijs. In 1985 ontving hij ook in zijn thuisland een literatuurprijs, maar ondanks dat er een democratische burgerregering in het zadel was geholpen, weigerde hij terug te keren naar zijn geboortegrond en bleef in Spanje waar hij op 30 mei 1994 op bijna 95-jarige leeftijd overleed.

Regelmatig onderneemt de basketbalspeler de busreis van een uur naar de stad, naar verluidt om er twee brieven te posten. Maar de brieven die aan hém geadresseerd zijn, komen wel aan in de winkel. Elke keer twee enveloppen; de een met een blauw, rond handschrift en de ander met een getypte adressering.

'Misschien dacht de man dat ik geïnteresseerd genoeg was in mensen en hun omstandigheden om de enveloppen open te maken en te snuffelen in de verschillende manieren waarop mensen de plank misslaan bij het beweren van dezelfde dingen. Misschien was dat ook de reden dat hij zijn brieven in de stad verstuurde, en misschien was het niet alleen uit ongeduld dat hij na een paar weken rond het middaguur naar de winkel begon te komen, kort na het moment waarop de chauffeur van de bus met de platte, verkreukelde zak met post toewierp.' 


Wanneer de man bezoek krijgt van beurtelings een meisje en een vrouw met een jongetje, worden de roddels onder de andere gasten vileiner. Met het meisje gaat hij steeds naar het hotel en de vrouw met het kind neemt hij mee naar het chalet. De gedachten en beweegredenen van de man, worden niet duidelijk. En terwijl hij als een schim van zichzelf door het verhaal laveert, zit de lezer middenin de gesprekken tussen de uitbater en de bezoekers van het café, en kan niet anders dan gissen naar wat er zich afspeelt en hoe de vrouwen zich nu werkelijk tot de basketbalspeler verhouden. Is er sprake van een obscure driehoeksverhouding? En hoe zit het met het kind? Wie is de vader?

De kracht van deze novelle is dat de auteur zijn centrale personage niet de rol van protagonist heeft toebedeeld. Hierdoor kruipt hij niet onder de huid van de basketballer en geeft dus ook de lezer niet die gelegenheid. Alles wat we te weten komen over de man en de twee vrouwen, ontspruit aan de observaties, hersenspinsels van de anderen en hoe ze verbanden leggen. Onetti's schrijfstijl is er een van meervoudig samengestelde zinnen die zich krullen over de bladzijden, je dwingen om zorgvuldig te lezen, langzaam te savoureren.  Arie van der Wal heeft gezorgd voor de fijne vertaling.

De plot is ogenschijnlijk heel eenvoudig, maar de auteur plaatst je middenin een entourage waarin hij een vernuftig spelletje speelt en je meevoert van de ene aanname naar de andere. Zodoende legt hij een sluier van verwarring over het geheel, weet zijn novelle spannend te houden tot het einde. Dan sta je plotsklaps voor de spiegel die Onetti allang voor zijn lezers klaar heeft gezet, je blijft achter met het gevoel dat je medeschuldig bent aan het verzinnen en interpreteren, en Onetti je in zijn val heeft laten lopen. Pas bij een tweede lezing krijgt de zieke basketbalspeler het mededogen dat hij verdient.

Uitgeverij Kievenaar, die nog niet zo lang geleden als 'stiefkinderen van Coppens & Frenks' het levenslicht zag, wil 'boeken uitgeven van vreemde vogels van onvaste bodem, van dames- en herenschrijvers die eigen werelden hebben geschapen omdat die juist iets draaglijker zijn dan de al bestaande'. Afscheid is de eerste van zeven novellen van deze aartsvader van de Zuid-Amerikaanse literatuur, van wie er jaarlijks een zal worden uitgegeven.

Titel: Afscheid
Auteur: Juan Carlos Onetti
Vertaling: Arie van der Wal
Pagina's: 96
ISBN: 9789083046723
Uitgeverij Kievenaar
Verschenen: januari 2021

donderdag 4 februari 2021

Bernke Klein Zandvoort - Veldwerk

Poëziebespreking door Dietske Geerling
Uitgeverij Querido

Dat je overblijft met je eigen kijken

Veldwerk is onderzoek doen naar iets in zijn natuurlijke omgeving. Dat ‘iets’ kan van alles zijn: een stukje natuur, de structuur van een gebied, maar ook het gedrag van mensen. Als je de bundel Veldwerk van Bernke Klein Zandvoort nog ongeopend in je handen hebt, dan wordt je nieuwsgierigheid meteen gewekt, alsof je als lezer zelf van het ene moment op het andere een veldwerker bent geworden. Wat zie je? Een stukje glas, een steen, een uitgebloeid gras, iets wat lijkt op een kiem van een of ander gewas, maagdelijk wit, een kapot stuk van een plastic zak met een knoop erin, maar de waarneming is niet betrouwbaar, want eigenlijk zou je het moeten voelen om zeker te weten of het wel plastic is en niet een of ander textiel. De afgebeelde voorwerpen hebben allemaal iets mysterieus, waarbij je je afvraagt of je het wel goed ziet of herkent. Daardoor krijgt de observatie iets intiems: je voelt je aangetrokken tot het onbekende dat lijkt op iets wat je kent. Bij veldwerk worden vaak de verzamelde monsters nader onderzocht en de gegevens uitgewerkt. Je kunt al wel constateren dat de omslag van de dichtbundel niet de natuurlijke omgeving is van deze kleine vondsten. Wat doet dat vermoeden over de inhoud van de bundel? Treffen we daar een laboratorium aan? 

Bij binnenkomst kom je allereerst twee motto’s tegen. De eerste is van Clarice Lispector:

Ik heb iets gezien. Echt iets. Het was tien uur ’s avonds en de taxi reed in volle vaart over het Prazja Tiradentes. Toen zag ik een straat die ik nooit meer zal vergeten. Ik ga die niet beschrijven: het is mijn straat. Het enige wat ik kan zeggen is dat hij leeg was en dat het tien uur ’s avonds was. Verder niets. Maar ik was ontloken.

Het tweede is van Hongzhi Zhengjue: ‘Not knowing is most intimate’. In beide motto’s staan de waarneming en het effect daarvan centraal. In het eerste fragment ziet de ik de eigen straat alsof deze voor het eerst wordt gezien, terwijl deze toch herkend wordt. Het effect is dat deze ik was ‘ontloken’. De ik is ontvankelijk, opent zich voor het onbekende of juist bekende. In het tweede citaat staat dat het niet weten juist het meest intiem is. In beide gevallen is er sprake van een paradox: intiem zijn veronderstelt een vorm van bij elkaar zijn of ‘eigen’ zijn, wat staat tegenover het niet weten, het onbekende. Beide citaten sluiten naadloos aan bij de ervaring die de lezer net heeft gehad bij het bekijken van de omslag: een combinatie van vervreemding en intimiteit.

Niet eerder werd ik zo geroerd door een inhoudsopgave. Die van deze bundel bestaat niet uit een rijtje titels onder elkaar met daarachter een paginanummer, maar uit losse woorden, verspreid over twee bladzijden met daaronder een nummer, bij nader inzien het paginanummer. De losse woorden verwijzen naar stukjes ongeordende werkelijkheid, van kleine wonderlijke voorwerpen, lichaamsdelen, mensen, naar abstracte begrippen: oorschelp, kabel, seizoenen, bloed, oprispingen, enz. Het ziet er inderdaad naar uit dat je in een laboratorium bent beland, waar de vondsten zojuist, nog ongeordend, maar wel genummerd door elkaar liggen, klaar voor nader onderzoek. De auteur prikkelt de lezer tot het uiterste om op onderzoek uit te gaan.

In het eerste gedicht zit de ik op een gedenkbankje in een park en luistert naar vliegtuigen, waardoor de lucht dichtgetrokken wordt en de ik geïsoleerd lijkt in het geluid. Daarna staat:

astronomen, hoorde ik laatst, luisteren meer dan ze kijken/in een ster woont de geluidsopname van een leven dat niet meer bestaat’. Astronomen zijn ook veldwerkers, die de ruimte onderzoeken en daarbij kennelijk vooral goed hun oren gebruiken. In de volgende strofe verschuift de aandacht naar de ik als dichter: ‘soms ben ik bang dat metaforen de werkelijkheid verdunnen/banger ben ik dat er niets anders bestaat/dan dezelfde dingen uitgedrukt in elkaar’. Als je als dichter de werkelijkheid probeert te vangen, dan gebruik je vaak metaforen, maar daarmee vang je slechts een stukje van die werkelijkheid, waardoor die dunner wordt. In de tweede en derde regel lijkt de angst voor het tekortschieten van de taal verwoord: als er niets anders meer is dan dezelfde dingen uitgedrukt in elkaar, dan heb je niet genoeg woorden om de werkelijkheid te beschrijven. Dat is ook de ervaring die je hebt als je de voorwerpen op de omslag probeert te beschrijven: wat zie je nu eigenlijk? Je grijpt terug naar namen en woorden die je kent, om het onbekende te beschrijven. De volgende strofe geeft weer wat wij doen om antwoorden te vinden: ‘om antwoorden te vinden plaatsen we grote oorschelpen/naar de ruimte breken we stenen open graven graven op/slaan de aarde als een deken weg/noemen dat ont-dekking’. Dat de auteur geenszins woorden tekortkomt om te beschrijven hoe wij voortdurend onderzoeken, blijkt wel uit deze wonderschone strofe vol prachtige metaforen. Het beeld van een respectievelijk een grote oorschelp om alles op te vangen, het openbreken van stenen, het opgraven van graven, het wegslaan van de aarde als een deken, en dat vervolgens op morfologisch niveau van de taal ‘ont-dekking’ noemen, dat laat niets anders zien dan een groot vakmanschap van Bernke Klein Zandvoort. Dit eerste gedicht eindigt met:

'ik denk omdat we zelf in alle vroegte
onder de bewegende platen
van ons schedeldak raakten ingesloten

heeft er weleens iemand door het hoofd van een baby naar het heelal gekeken?'

Het is zeker niet eenvoudig wat de auteur de lezer hier voorlegt, maar die was voorbereid op stevig veldwerk. De inhoud geeft zich niet zo gauw gewonnen. Maar hoe treffend wordt hier het beeld van de mens als veldwerker geschetst: al vlak na zijn geboorte opgesloten in zijn eigen hoofd, waarvan de platen eerst nog konden bewegen. Hij moet het doen met deze gevangenschap in zichzelf. De slotvraag is ontroerend: de schedel van de baby is nog niet helemaal gesloten. Wat zegt het als wij door die nog halfgeopende schedel naar het heelal kijken? De baby staat aan het begin van een leven vol ontdekkingen en kijkt onbevangen naar de grote ruimte om zich heen. De enorme ruimte die gecreëerd wordt door het noemen van een babyhoofd en het heelal roept een zee van ruimte voor vragen op en vooral verwondering.

Vervreemdend zijn de titels van de gedichten die onderaan de pagina naast het paginanummer staan, verbonden door een liggend streepje, alsof de vondsten gelabeld zijn met kleine kaartjes aan een koordje. Steeds ondersteunt de opmaak de betekenis, want als een gedicht begint met ‘op mijn hurken/inzoom op een plant’, begint dit gedicht pas onder het midden van de pagina, waardoor het gedicht ook gehurkt lijkt. Dat de dichter voortdurend tegen zijn beperkingen aanloopt, blijkt uit pareltjes van zinnen als ‘stop ik dingen in woorden, te kleine tassen’. Dat het voor de lezer ook niet te doen is om deze ongeordende werkelijkheid te bevatten, blijkt uit:

onze hersenen rust gunnen, zoals komma’s/dobberend op de pagina, midden in een zin/een moment van donkerte invoegen/om de lezer tijd te geven/het voorgaande naar beelden te vertalen//doen we met onze ogen dan niets anders/dan het bijeenknipperen van een stromende werkelijkheid?'.

Hoe mooi dat – terwijl de auteur zelden komma’s gebruikt – in deze zin juist wel middenin een komma heeft toegevoegd, als concessie aan de lezer.

Het is hard werken, omdat elk woord, elke letter betekenis kan geven, maar als je je overgeeft aan dit onderzoek, dan kom je schitterende vondsten tegen, gedachten waar de wereld van op zijn kop gaat staan, zoals:

ik las dat denken eigenlijk je familie is, hun stemmen/hebben net zo lang de zinnen aan je voorgedaan/tot je ze hardop begon na te praten en er iemand naar je voorhoofd wees/dat je ze óók kon zeggen door je lippen op elkaar te houden/en de woorden voor te stellen onder het gehemelte van je hoofd’.

Soms bestaat een gedicht slechts uit een regel, waar je eindeloos over kunt blijven mijmeren: ‘een woord uitspreken is een omhelzing van het benoemde met je mond’. Soms loopt de typografie van een gedicht over, zoals bij het gedicht ‘de ander’, waarbij de regel ‘seconden duurden jaren’ zo uitgerekt is over de pagina, dat de ‘jaren’ op de andere pagina is terechtgekomen. Op die andere pagina staat dan ook alleen dat ene woord, afgezien van de titel en het bladzijdenummer onderaan de pagina. Daardoor wordt een enorme ruimte geschapen die de betekenis van ‘jaren’ ondersteunt.

Het is zonde als ik meer verklap. Elke lezer kan zijn eigen veldonderzoek doen in deze prachtige bundel en zal schatten vinden. Welk gereedschap neem je mee? Alleen jezelf en een portie verwondering zijn genoeg om hiertussen te dwalen en je merkt al gauw dat het onderzoek je niet loslaat. Je duikt er steeds opnieuw in en zelfs in het gedicht dat je letter voor letter hebt gespeld, ontdek je nieuwe gedachten en beelden. Veldwerk laat je niet los, nodigt steeds opnieuw uit voor nader onderzoek van de wereld om ons heen en in onszelf. 

Titel: Veldwerk
Auteur: Bernke Klein Zandvoort
Pagina's: 60
ISBN: 9789021415413
Uitgeverij Querido
Verschenen: december 2020