woensdag 23 december 2020

Jeroen Brouwers - Cliënt E. Busken

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Atlas Contact

Opgesloten in de wereld van Jheronimus Bosch

Vooral de beklemming en tirannie door kloosterlingen in het jongenspensionaat zijn mij bijgebleven uit de voorlaatste uitgave 'Het hout' van Brouwers. Ontroerend en mooi geschreven. Maar de nieuwste uitgave 'Cliënt E. Busken' is, naar mijn bescheiden mening, het magnum opus van Jeroen Brouwers. Zelden zo gelachen, zo genoten van sublieme en hilarische taalvirtuositeit. Zo enthousiast dat ik het boek opnieuw ben gaan lezen. Diep respect voor deze tachtigjarige Nederlandse schrijver.

De gehele roman speelt zich af in de gedachtewereld van een dementerende man tijdens zijn gedwongen verblijf in een psychiatrische inrichting. Of zoals hij het zelf noemt 'de gijzelaarsbewaarschool'. Daar is hij terecht gekomen omdat hij thuis is gevallen en hard met zijn hoofd op de stenen vloer terecht is gekomen. Nu zit hij vastgebonden in zijn rolstoel omdat hij niet meer kan lopen van de rugpijn, naast het feit dat hij zijn ledematen niet meer stil kan houden. Gevangen in zijn eigen lichaam. De hoofdpersoon, de heer E. Busken, heeft na een uitval tegen de 'zielenwringster' Carola 'de harpij van psychiatrie met haar soldatenkop', vanwege zijn gedwongen opname uit principe besloten niet meer te spreken. Dat beweert hij althans in deze innerlijke monoloog. Of dat de waarheid is wordt niet echt duidelijk. Hij reageert überhaupt niet op zijn omgeving. Alleen schrikt hij steeds als hij plots wordt aangeraakt.

Het enige wat hij kan doen is afreageren op zijn omgeving in zijn geest. 'Denken. Piekeren. Malen. Bedoelen.' Maar zijn geest is niet altijd scherp meer en het verhaal bestaat, naast het vilein fileren van alle medewerkers en cliënten, uit flarden jeugdherinneringen, neuroses en de meest bizarre fantasieën. Alle onderdrukte kwetsuren uit zijn jeugd komen aan de oppervlakte. En dat alles met een eloquentie die zijn weerga niet kent. Juweeltjes van zinnen. Zoals na het verschonen van de luier door aantrekkelijke verpleegster Moniek:

"Weer gearmd als bruidspaar, omdaverd door de orgelsymfonie van Saint-Saëns, schrijden wij, ik met mijn malse boterbloem, door de hoge hallen van mijn verbeelding…"

Jeroen Brouwers wordt niet voor niets aangeduid als een grootmeester van de Nederlandse letteren. Juist door de ongeremdheid van gedachten van deze sarcast is er veel te lachen. Het enige wat 'Cliënt E. Busken' nog kan doen is nauwgezet observeren en zijn gal spuwen met delicate precisie. In zijn denkwereld gebeurt heel veel in tegenstelling tot de buitenwereld. In het begin zoek je als lezer nog naar het beroep van deze erudiete patiënt maar al snel kom je er achter dat zijn fantasie onbegrensd is. Alle groten der aarde behoren tot zijn vriendenkring, van Beatrix, Harry Mulisch tot vijf generaties Pausen en in elke wetenschap heeft hij de hoogste haalbare bereikt. Hersenchirurg, componist, zwemkampioen tot paleogeneticus. Evenwel verantwoordelijk voor het succes van Calvé pindakaas:

"Ik leverde de te Delft gevestigde fabriek enige gouden suggesties tot duurzamere besmeuïng van het product, waar ze, naar weldra aantoonbaar werd, hun voordeel in rijke mate en met dik succes hebben gepuurd, maar mij een procentje gunnen van de erdoor toegenomen omzet, nog geen bedankbriefje viel mij ten deel."

Langzamerhand leer je de omgeving en zijn lotgenoten kennen. Niemand ontsnapt aan zijn kritiek: 'iedereen en alles is hier bespottelijk'. Zelfs de vrouw Mieneke Kalckbrander, die zich om hem bekommert, kan in zijn ogen niets goed doen terwijl zij hem tegenover iedereen verdedigt. Hulpeloos overgeleverd aan vreemden. En dat terwijl zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid hard achteruit gaan. De grip op de tijd volledig verloren. Het enige lichtpuntje is roken. Maar dat is inmiddels ook een tantaluskwelling.

En ontstaat er ook een beeld van zijn jeugd in Indië en zijn verdere leven. Daaruit is te filteren dat het geen hosanna is geweest. Autobiografische elementen uit Brouwers jeugd in ons Indië zijn hier waarschijnlijk in te vinden.

"Er kleeft verdriet in me, als drabbige stroop, de hele dag al, eigenlijk al jaren, eigenlijk al sedert mijn conceptie." 

Vooral zijn moeder heeft hier een groot aandeel in. Zij laat hem goed voelen dat hij ongewenst is. Zijn biologische vader kent hij niet. En hij wordt volledig genegeerd door zijn stiefvaders. Door de beschimpingen uit het verleden door zijn moeder, krijgt de lezer een indruk van zijn opvoeding. Geen enkele opleiding afgemaakt en geen enkel baantje gehad. Een leven omringd door boeken.

Ogenschijnlijk een belezen man, gezien zijn taal en woordgebruik. Door zijn houding en non-communicatie wordt hij als een onwillig kind behandeld. En dat is natuurlijk olie op het vuur. Wat alle anderen ook voor hem doen, vanuit de protagonist is echt alles negatief. Dat is soms wel wat teveel van het goede.

Het boek laat voelen wat het betekent om geheel afhankelijk te zijn, alleen nog je gepieker, je gedachten en je herinneringen hebt. Het wachten op de dood als verlossing sijpelt tussen de regels door. Dat geeft deze roman een rauw en bitter randje. Het zet je aan het denken over je eigen verscheiden. De angst om ook zo te eindigen. Dat het ervan afhangt of je nog open kunt staat, in communicatie staat met je omgeving, de mensen, de natuur... je eigen natuur... zodat er nog contact en uitwisseling mogelijk is. Het geval Busken leert ons vooral wat je niet moet doen...

Als een boek dat allemaal in zich heeft zal het niemand verbazen dat ik iedereen 'Cliënt E. Busken' van harte kan aanbevelen. Voor mij hét boek van 2020. Dit boek verdient een groot publiek. Voor eenieder die zich graag wil laten meevoeren in de geest van deze fantast. Literatuur om te lachen, te genieten en te verontrusten.

Titel: Cliënt E. Busken
Auteur: Jeroen Brouwers
Pagina's: 264
ISBN: 9789025455941
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: februari 2020

dinsdag 22 december 2020

David Grossman - Zie: liefde

Recensie door Dietske Geerlings
Uitgeverij Cossee

Een offer, te groot voor mensenhanden 

Hoe krijgt een mens vat op verschrikkingen die zijn voorstellingsvermogen te boven gaan? Een bizarre en indrukwekkende poging is Zie: liefde van David Grossman. Als veertien jaar na de Tweede Wereldoorlog de opa van de negenjarige Momik, Ansjel Wassermann, van wie iedereen dacht dat hij door ‘het nazibeest’ was gedood, ineens bevend en stamelend voor de deur staat, wil Momik weten wat dit nazibeest is. Hij wil hem vangen in de kelder en temmen, zodat zijn familie eindelijk ongestoord verder kan leven, want over wat ‘Daar’ gebeurd is, spreekt niemand, maar ondertussen hoort hij zijn ouders in hun slaap schreeuwen. Momik kan er alleen maar naar gissen. 

Voor Momik is opa Ansjel de sleutel naar ‘Daar’. Hij verstaat en begrijpt niet wat opa allemaal brabbelt, maar hij observeert hem onophoudelijk: 

Hij had heel sterk het gevoel dat zijn opa zo meteen helemaal open zou gaan, dat hij over zijn hele lengte precies in tweeën zou splijten, net als een boontje, en dat er dan een kuiken-opaatje naar buiten zou springen, een klein, lachend, goedhartig opaatje dat van kinderen hield. Dat gebeurde niet, maar plotseling voelde Momik zich op een vreemde manier verdrietig en bedroefd; hij stond op, liep naar zijn opa toe en omhelsde hem stevig, en hij voelde hoe warm hij was, als een kacheltje gewoon. Toen hield opa op met in zichzelf praten, een halve minuut lang zweeg hij en waren zijn handen en zijn gezicht stil. Het leek of hij luisterde naar allerlei dingen binnen in hem, maar zoals bekend mocht hij niet te veel tijd met zwijgen verdoen.' 

Momik loopt opa achterna en begint systematisch met ijzeren geduld opa’s gemummel in Hebreeuwse letters in zijn schrift te noteren. Na een paar dagen valt hem op dat opa geen onzin kletst, maar echt een verhaal aan het vertellen is. Hij is er inmiddels ook achter gekomen dat zijn opa vroeger kinderverhalen schreef over ‘De kinderen van het Hart’. Hoe langer hoe meer hij naar zijn opa kijkt, die op een oude profeet, Jesaja of Mozes lijkt, hoe zekerder hij is over wat hij wil worden. Een genie, maar vooral ook een schrijver. Hij hoort hoe zijn opa tijdens zijn gebrabbel wijst naar ene ‘Herneigel’, alsof die ook daadwerkelijk in de ruimte bij hen staat. Hoe langer hoe meer ziet Momik hoe zijn opa in zijn eigen verhaal opgesloten zit.

Ondertussen heeft hij van Bella, van de kruidenierszaak, gehoord dat het nazibeest uit elk beest kan voortkomen. Daarom heeft hij in de kelder allemaal dieren verzameld, zodat hij een nazibeest kan fokken, die hij vervolgens kan africhten, zodat hij de mensen niet meer langer zal kwellen. Momik is steeds opnieuw als de dood om de kelder in te gaan, waar de door hem ernstig verwaarloosde dieren hem steeds angstaanjagender voorkomen. Hij wil zichzelf harden, zodat hij op alles is voorbereid, want ‘Wie van Daar kwam was onkwetsbaar’.

Het tweede deel van het boek gaat over ‘Bruno’, de schrijver Bruno Schulz. In het nawoord vertelt Grossman dat ooit iemand over zijn werk zei dat het geïnspireerd was door het werk van de schrijver Bruno Schulz, terwijl Grossman op dat moment nog nooit van die schrijver had gehoord. Hij ging het boek ‘De kaneelwinkels’ van hem lezen en was er diep van onder de indruk. In Schulz’ werk heeft het verhaal nauwelijks een plot. Personages nemen mythische proporties aan. Zo verschrompelt een vader plotseling en verandert in een kakkerlak. In de epiloog las Grossman hoe Schulz aan zijn einde was gekomen. Hij was als jood een beschermeling van een SS’er. Diezelfde SS’er had een beschermeling van een andere SS’er doodgeschoten en daarom werd Schulz als wraak ook doodgeschoten. Door deze bizarre dood wilde Grossman Bruno Schulz in zijn boek opnemen, als literaire wraak. Na publicatie van ‘Zie: liefde’ werd, tot grote vreugde van Grossman, ook het werk van Schulz herdrukt. In dit tweede deel verandert Bruno in een zalm. Grossman legt uit dat hij de levensloop van een zalm symbolisch vindt voor de jood: de zalm die in een bepaalde beek geboren is, verliest nooit zijn instinct en zwemt naar zee. Zo zijn ook de joden eeuwig op reis. Die reis, daar gaat het om. De reis, dat is het leven. Grossman wilde geen boek schrijven over de Shoah, maar over het leven. Massamoord kan volgens hem alleen plaatsvinden ‘als het leven gezien wordt als iets monolitisch, niet als iets unieks, iets individueels.

In het derde deel, ‘Wassermann’, krijgt de lezer uiteindelijk het verhaal van opa Wassermann te horen, vanuit de verbeelding van Momik, het alter ego van David Grossman. ‘Herneigel’ is in dit deel de SS’er Herr Neigel geworden. Wassermann is met zijn vrouw en dochtertje in het concentratiekamp beland en Momik kijkt vanaf de zijlijn toe en wordt ook door zijn opa af en toe aangesproken. Terwijl zijn vrouw en dochtertje vermoord zijn door Neigel, is hij zelf op wonderbaarlijke wijze niet dood te krijgen. Hij wordt bij de SS’er gebracht, die het zelf ook nog even, maar vergeefs, probeert. Neigel komt erachter dat Wassermann de schrijver is van de verhalen die hij als kind met heel veel plezier las. Hij sluit daarom een overeenkomst met Wassermann, die zelf niets liever wil dan sterven: als Wassermann hem elke avond een verhaal vertelt, zal Neigel hem na elk verhaal opnieuw proberen te doden. Er ontstaat een bizarre relatie tussen de twee. Het is adembenemend hoe Wassermann Neigel probeert om te buigen, te laten voelen dat joden geen ‘eenheid’ vormen, maar stuk voor stuk unieke mensen zijn.

Het omvangrijke werk sluit af met ‘de complete encyclopedie van het leven van Kazik’. Het wordt als volgt ingeleid: ‘Op de volgende bladzijden treft de lezer een poging aan – de eerste in zijn soort – om een encyclopedie samen te stellen die de voornaamste gebeurtenissen omvat uit het leven van één mens.’ Via allerlei trefwoorden met omschrijving en verwijzingen naar andere trefwoorden, tuimelt de lezer uiteindelijk het boek uit en blijft verbijsterd achter.

Het grootse van dit werk zit niet alleen in de overtuiging, die tot in de details voelbaar is, dat elk uniek mensenleven ertoe doet, dat er om één mens te doden, bloed aan je handen kleeft van een heel mensenleven. Het zit ook in de overtuiging dat, als het erop aankomt, de mens ieder ander mens in de ogen zou kunnen kijken, ook als hij ervan overtuigd is dat die ander zijn grootste vijand is, namelijk degene die zijn dierbaren heeft gedood. In dat grootste offer, dat eigenlijk niet te bevatten is, misschien zelfs te groot is voor mensenhanden, in dit offer dat opa Wassermann brengt aan Neigel, wordt de essentie van een mensenleven voelbaar, tot in de kleinste cellen van je lijf.

Titel: Zie: liefde
Auteur: David Grossman
Vertaling: Hilde Pach
Pagina's: 560
ISBN: 9789059365940
Uitgeverij Cossee
Verschenen: januari 2014

vrijdag 18 december 2020

Esther Gerritsen - De terugkeer

Recensie door Roosje
Uitgeverij De Geus

All in the family


Het gezin van Gerrit en Johanna, veel jonger dan haar man, en hun kinderen Max, de oudste, en zijn jongere zus Jennie is geen modelgezin, al ziet de buitenwereld niet veel van hun leed. Zij hangen de vuile was niet buiten. De roman speelt zich af in een periode dat Gerrit al een jaar of twintig dood is, zelfmoord is er altijd gezegd. Johanna heeft een paar zorgeloze jaren op Ibiza doorgebracht. Haar nieuwe vriend brengt haar thuis in het dorp waar Max nog woont met zijn jonge gezin, maar dat Jennie ontvlucht is. Johanna lijdt aan alzheimer en haar vriend vindt dat haar kinderen maar voor haar moeten zorgen. Oom en zwager Ed, de jongere broer van Gerrit, komt het gezin verblijden met zijn zorg en aandacht, zoals hij vroeger ook deed toen Gerrit nog leefde.

Ed is een zorgzaam type. Hij neemt graag de zorg voor Johanna op zich. Max en Jennie vinden dat maar zozo. Max heeft na de dood van zijn vader altijd voor zijn moeder gezorgd zonder er ooit iets voor teruggevraagd te hebben. Er wordt gefluisterd dat Ed stiekem verliefd op Johanna is en dat ook altijd geweest is.

Wat is het geval? Gerrit was zeer depressief. Max kent hem niet beter dan dat hij op de bank ligt en als hij daar af moet, hij dat kruipend doet. Opstaan en lopen, dat kan hij niet opbrengen. Dat beeld vind ik erg treffend. Hij durft en/of wil ook geen hulp (te) vragen aan vrouw en kinderen. Zij voelen zich daarom ook door hem afgewezen. Feitelijk is de situatie onhoudbaar.

Gerritsen neemt zeer ruim de tijd om de verschillende gezinsleden - er zijn ook nog Max’ jonge vrouw Nora en hun dochtertje Elsie - te schilderen. Het grappige is dat Gerrit nog altijd aanwezig is - in de geest. Letterlijk: hij is als geest aanwezig terwijl hij natuurlijk al jaren in het hiernamaals vertoeft. Die vondst vind ik leuk: hij doet ook niet zo moeilijk meer, Gerrit, nu zijn zwaarmoedige lichamelijkheid hem ontnomen is. Gerritsen schildert de verschillende familieleden alsof zij uit hetzelfde hout gesneden zijn, of gebeiteld uit hetzelfde graniet. Daar zit voor mij een van de moeilijkheden in de roman: de personages lijken op deze wijze te eendimensionaal, zo in dat graniet. Geen greintje humor, geen greintje licht kan er schijnen in hun hoofd en hart, die beide al jaren potdicht zitten. Te zwaar, te afgesloten, te onthecht, te dissociatief, te veel dood, te veel alcohol, te diepe depressies en die ook weer te lang, te weinig zelfvertrouwen, geen openingen voor elkaar noch voor de lezer. Het is niet zo dat ik zwaarmoedigheid en navelstaarderij niet kan handelen, in tegendeel, maar ze zijn me hier te eendimensionaal. Niet uitgewerkt genoeg om er in mee te kunnen gaan of om absurd te zijn en er op die wijze om te kunnen lachen of te relativeren. Het verhaal schiet in het begin niet heel erg op, wat op zich niet erg is, maar de vrij karige stijl noch de uitwerking van het verhaal zorgen voor verdieping of voor geloofwaardigheid - en dan bedoel ik ‘literaire’ geloofwaardigheid -.

De stijl is afgemeten, daar is niets op tegen. Dialogen voeren de overhand. En daar hoeft evenmin iets tegen te zijn maar over het algemeen ben ik niet bijzonder dol op voornamelijk dialoog.
Psychologisch krijg je als lezer in het begin weinig grip op de zaak en op de mensen die het betreft. De steeds meer door alzheimer overvleugelde Johanna kan mijn sympathie nog het meest wegdragen, te meer omdat zij vermoedelijk ook schuilhoudt in deze psychische en lichamelijke sluimertoestand om het verleden en het heden te ontvluchten.

Er begint vaart  te komen in het verhaal op het moment dat Jennie, de dochter, haar vragen omtrent de dood van haar vader Gerrit, steeds luider gaat stellen: Was het wel zelfmoord? Dan begint het verhaal de vorm van een psychologische thriller te krijgen. Ik laat me nu verder niet uit over het genre van de thriller.
Alles komt in een stroomversnelling: gebeurtenissen en het emotioneel openbreken van de granieten personages. Eindelijk krijgen de personages ook andere kanten. Dat is een opluchting! Toch kan het laatste deel van het boek, een kwart denk ik, voor mij deze nieuwe roman van Gerritsen niet redden.

Ik weet dat veel mensen deze roman erg waarderen, en ook de recensent van de NRC doet dat, en gelukkig maar voor alle betrokkenen, maar ik werd er niet blij van; mij overtuigde de roman niet. Gerritsens vorige boek De trooster deed dat wel.

Titel: De terugkeer
Auteur: Esther Gerritsen
Pagina's: 256
Uitgeverij De Geus
ISBN: 9789044542523
Uitgeverij De Geus
Verschenen: oktober 2020

donderdag 17 december 2020

Émile Zola - Thérèse Raquin

Recensie door Cies
Uitgeverij Van Holkema & Warendorf


Overspel, moord en zelfmoord
 

Thérèse Raquin
(1867) van Emile Zola (1840 – 1902) wordt algemeen beschouwd als de eerste naturalistische romans. In de jaren voorafgaande aan Thérèse Raquin had Zola al een aantal korte verhalen, toneelstukken, literaire kritieken en romans geschreven, zonder al veel indruk te maken. Met Thérèse Raquin kwam hier, al was het met horten en stoten, grote verandering in. Het boek werd  in eerste instantie in de (literaire) pers fel bekritiseerd voor het zo open en bloot beschrijven van overspel, moord en zelfmoord zonder daar met moreel misprijzen over te schrijven. Deze kritieken waren redenen voor Zola om bij de 2
e druk (zo veel succes had deze roman nog net wel) een voorwoord te schrijven. In dit voorwoord legt hij uit dat hij de gemoedstoestanden van zijn personages heeft willen bestuderen en niet hun morele karakter. Dit is veel meer dan een accentverschil met wat er in die jaren aan romans werd gepubliceerd. Zola stapt als eerste over van het beschrijven van aangeleerde sociale normen en waarden én het vellen van een moreel oordeel naar het beschrijven van aangeboren natuurlijke driften zonder daarover een moreel oordeel te geven.  Hij doet dit geïnspireerd door het werk van de Franse wetenschappers Auguste Comte, Hypolite Taine en Claude Bernard. Alle drie waren zij voorstander van empirische methoden van beschrijven en experimenteren. Alle drie gingen ze uit van een groot verschil tussen ‘nature’ (biologische factoren, aangeboren eigenschappen) en ‘nuture’ (sociale milieu waarin iemand opgroeit, wat hij/zij van huis uit mee krijgt) en de invloed die maatschappelijk aanvaarde normen en waarden op het menselijk gedrag hebben. 

Het verhaal in Thérèse Raquin is redelijk eenvoudig. Thérèse wordt op jonge leeftijd geadopteerd door haar tante en groeit samen op met haar neef Camille in een Frans provinciestadje. Camille heeft een zwakke gezondheid en zijn moeder is wel heel erg bezorgd om hem. Wanneer ze alle twee op gepaste leeftijd zijn, trouwen Camille en Thérèse met elkaar. Van (romantische) liefde is geen sprake. De zwakke Camille recht een keertje zijn rug, wanneer hij besluit om samen met echtgenote en moeder te verhuizen vanuit de provincie naar Parijs. Daar baten de twee vrouwen een armzalig textielwinkeltje uit en heeft Camille een kantoorbaantje. Op het moment dat Camille zijn collega en oud-dorpsgenoot Laurent mee naar huis neemt, verandert alles voor Thérèse. Ze krijgt een verhouding met Laurent. Het enige wat hun tempert in het dagelijks botvieren van de vleselijke lusten is de heersende huwelijksmoraal en dus Camille. Door Camille uit de weg te ruimen zou er alle ruimte moeten ontstaan voor Thérèse en Laurent om samen gelukkig te worden. Helaas zo werkt het niet. In prachtige hoofdstukken beschrijft Zola hoe Camille als het ware tussen Thérèse en Laurent in bed ligt. Ze worden er alle twee gek van en wanneer ze geen enkele uitkomst meer zien, stappen ze alle twee gelijktijdig uit het leven. 

De ophef over Thérèse Raquin zat dan ook niet zozeer in wat Zola beschreef, want overspel, moord, zelfmoord en huiselijk geweld kwamen wel vaker voor in romans, maar was het de criticasters te doen om hoe hij het beschreef. Zo schrijft Zola meerdere keren dat de overspeligen geen enkele morele wroeging voelen over wat ze hebben gedaan, maar ‘slechts’ fysieke walging voelen en vaak dat nog niet eens. Het is in deze eerste naturalistische roman voor Zola nog zoeken tussen aan de ene kant al te gedetailleerde en pseudo wetenschappelijke beschrijvingen van huiselijke interieurs, de gemoedstoestanden van zijn personages en aan de andere kant een heel goed leesbare en indringende roman. Dit lukt hem in latere romans als Het beest in de mens, Nana, De mijn en De kroeg nog beter. Hij heeft dan een nog beter ‘cadans’ gevonden om tempo van ontwikkelingen in het verhaal en tempo waarin het verhaal is geschreven op elkaar aan te laten sluiten.

Titel: Thérèse Raquin
Auteur: Émile Zola
Vertaling: George Pape
Pagina's: 166
ISBN: 9789031501014
Uitgeverij Van Holkema & Warendorf
Verschenen: september 2008

dinsdag 15 december 2020

Antonio Moresco - Het lichtje in de verte

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Oevers 

Het grensgebied tussen schemer en duister 

Antonio Moresco (1947) is een Italiaans auteur. Hij wordt gezien als een van de grondleggers van een nieuwe stijl in de Italiaanse literatuur na het postmodernisme en volgens Roberto Saviano behoort Moresco tot 'ons literaire erfgoed'. Het lichtje in de verte is zijn eerste werk dat is verschenen in het Nederlands. De soepel lezende vertaling van de novelle is van de hand van Nini Wielink. 

Een oude man heeft zijn intrek genomen in een vervallen huisje, zonder nutsvoorzieningen of enige luxe, in een compleet uitgestorven bergdorpje. Zoals hijzelf zegt is hij daar 'gekomen om te verdwijnen'. Een opmerkelijke uitspraak, want het is de vraag wat hij bedoelt met 'verdwijnen'. De dagen brengt hij door met het observeren van alles wat de flora en fauna in de omgeving hem biedt. Hij lijkt te praten met de zwaluwen die langs hem scheren en zit daarbij 'roerloos op een ijzeren stoel waarvan de poten steeds dieper in de grond wegzakken'. Al op de eerste bladzijde zijn het deze motieven die de sfeer bepalen en regelmatig zullen ze terugkeren in deze novelle.

Niet alleen praat hij tegen zwaluwen, glimwormen en vlinders, maar ook tegen bomen. Alles om hem heen lijkt zijn oneindige fascinatie op te roepen, waarover hij filosofeert en zichzelf existentiële levensvragen stelt. Door middel van stream of consciousness laat auteur hem vertellen over al zijn handelingen, zijn hersenspinsels en over de elementen van de seizoenen, waardoor het verhaal een zintuiglijk karakter krijgt. Alsof je als lezer meeloopt door de verlaten straatjes, de kou van de sneeuw voelt en de verwondering ervaart over het natuurschoon.

'Waar ben ik, vraag ik me af. Wat zie ik? Bestaat deze buitenwereldse plek die mijn ogen zien ook werkelijk? Ook al weet op de hele wereld niemand behalve ik dat die plek bestaat en dat er op dit moment een volstrekt eenzame man zijn lichaam voortbeweegt te midden van deze stenen overblijfsels waarover aldoor, dag en nacht, klimplanten voortwoekeren?'


Wanneer de duisternis ingevallen is, ziet de anonieme ik-verteller aan de andere kant van het dal ineens een lichtje aangaan. Steeds op dezelfde tijd, het intrigeert hem. Om boodschappen te doen bij de stinkende winkel in het dorp daalt hij de volgende dag van zijn berg af. Dat zijn de weinige momenten dat hij menselijk contact heeft. Hij bezoekt iemand die zich bezighoudt met bovennatuurlijk leven. Deze oppert dat het licht misschien te maken heeft met de breuklijn door het gebied, de bevingen van de aarde die daardoor soms ontstaan en de energie van de aardstraling die licht kan veroorzaken. Het lichtje blijft hem danig bezig houden en geleid door zijn nieuwsgierigheid gaat hij op onderzoek uit.

'Binnen, in een keuken, stond een jongetje in een korte broek met een geschoren hoofd. […] Sprakeloos keken we elkaar aan. Het jongetje had grote, ronde opengesperde ogen. In zijn openstaande mond was een afgebroken tand te zien.'


Ook het jongetje woont alleen in een verlaten dorpje in het bos. Regelmatig gaat de verteller bij hem langs. Hij blijft echter voor de openstaande deur staan en door hem hulp aan te bieden probeert het ijs te breken.
"Nee, dank u, ik ben gewend af te wassen', antwoordde hij vriendelijk.' De zelfstandigheid van het gereserveerde, ordelijke jongetje dat heel plichtsgetrouw zijn bezigheden heeft, is vertederend en fascineert hem steeds meer. Langzamerhand raken ze vertrouwd met elkaars aanwezigheid, mag hij binnenkomen en eten ze samen. Dan vertelt het jongetje hem dat hij elke avond beneden in het dorp naar school gaat. Nee, niet naar de dagschool, "Die is voor de andere kinderen', antwoordde hij.'

Moresco bouwt het sprookjesachtige verhaal langzaam op. Gedoseerd geeft hij aanwijzingen weg en creëert een sfeer die steeds mysterieuzer wordt. Er wordt een spelletje met de lezer gespeeld, door het introduceren van magisch-realistische accenten. Deze zijn onlosmakelijk verbonden met de werkelijkheid zoals de verteller die ervaart. Het antwoord op de vraag of het knulletje een zinsbegoocheling is of niet, wordt gestaag duidelijker. Er lijkt sprake te zijn van twee naast elkaar bewegende universums, waarvan de grenzen elkaar af en toe raken en gaandeweg transparanter worden. Realiteit en metafysische elementen versmelten met elkaar en vormen dan een eenheid.

In 2018 werd Het lichtje in de verte genomineerd voor de International Dublin Literary Award en in datzelfde jaar verscheen ook de film met de titel La lucina. De auteur zelf vertolkte de rol van de oude man. 

De plot an sich is klein en minimalistisch te noemen, maar de thematiek, de symboliek en motieven zorgen voor een heel vol boek. Opvallend zijn de vele tegenstellingen, zoals onder andere: duister en licht, oud en jong, leven en dood, zon en sneeuw, zomer en winter, mens en dier. Ook het kalme, idyllische leven in afzondering staat haaks op het schrale, niet te stoppen proces van het verstrijken van de tijd, het leven en de seizoenen, met al hun elementen. De natuur neemt op onbarmhartige wijze bezit van de huisjes en ruïnes in het gehucht.

Waar de oude man vandaan komt, wat hij daar komt doen, waarom hij kiest te wonen in een gehuchtje met vergane glorie, we kunnen er alleen maar naar gissen. Hij laat merken gelukkig en tevreden te zijn, maar hij maakt zijn angsten en onzekerheden met betrekking tot de aardbevingen, wilde honden, de nietsontziende grillen van de natuur, ook duidelijk. Verrassend is de wisseling van perspectief aan het einde van het verhaal. Een einde dat in een onoplettend moment gemist zou kunnen worden, maar dan gaat de lezer een lichtje op en blijft hij achter met een beduusd gevoel.

'En op een dag zal daar vlakbij nog een ander lichtje aangaan…'

 

Eerder gepubliceerd op Tzum


De tweede druk is uitverkocht, maar de derde is al voor de Kerst beschikbaar.  Vanzelfsprekend is deze titel nu al online te reserveren.


Titel: Het lichtje in de verte
Auteur: Antonio Moresco
Vertaling: Nini Wielink
Pagina's: 168
ISBN: 9789492068422
Uitgeverij Oevers
Verschenen: augustus 2020

vrijdag 11 december 2020

Asmaa Azaizeh - Geloof me niet als ik vertel over de oorlog

Poëziebespreking door Dietske Geerlings
Uitgeverij Jurgen Maas


Wat zou ik dan geloven?

Als je poëzie leest, bevind je je in een landschap waar alles mogelijk is binnen de letters, de woorden, de zinnen en witregels die je krijgt aangeboden. Nog meer dan bij het lezen van verhalen, zoek je je houvast bij tekens die complexe betekenissen en sferen oproepen, omdat ze lang niet altijd verwijzen naar de werkelijkheid. Woorden hebben behalve een betekenis ook een klank, die meestal een belangrijke rol speelt in de woordkeuze van de dichter. Tijdens het lezen ontstaat er een unieke chemie tussen klank, rust, betekenis en raadsels, die kenmerkend zijn voor een bepaalde dichter. Wellicht hoort zelfs de lezer in dit rijtje thuis, omdat deze degene is die met de aangeboden stenen een bouwwerk tot stand brengt, die toch zeker ook afhankelijk is van de kennis en associaties van deze lezer. Dat betekent dat elk gedicht met elke nieuwe lezer een unieke ‘chemie’ aangaat.

Hoe zit dat eigenlijk bij vertaalde poëzie? Daar is de chemie problematisch, omdat er een vertaler tussen zit. Als je als lezer op zoek gaat naar de essentie van een vertaald gedicht, mis je allereerst de klanken, de letters, de tekens van het oorspronkelijke gedicht. Wat ben je dan nog aan het lezen? In feite de chemie die tussen de vertaler en het oorspronkelijke gedicht is ontstaan. Je bent een in nieuwe woorden gevatte lezing van een gedicht aan het lezen. Zie het als het kijken door een gebrandschilderd raam: de vage contouren van de figuur erachter zijn nog zichtbaar, maar je ziet vooral het raam. Als het raam mooi is, is het een genot om naar het raam zelf te kijken en vervolgens alleen naar die mysterieuze figuur erachter te raden. Ik las Geloof me niet als ik vertel over de oorlog van Asmaa Azaizeh, vertaald uit het Arabisch door Nisrine Mbarki en ik blijf wat vertwijfeld voor het raam staan, niet zeker van zijn schoonheid. Hoe komt dat?

De bundel begint met de volgende regels van het gedicht Psycho (verwijzing naar de gelijknamige film van Hitchcock): ‘Pas op, denk niet dat dit nu over mij gaat/het is maar een verzinsel en geen cent waard/een ondergrondse tunnel ben ik/de ladders van taal erheen zijn door vette muizen aangeknaagd/ze spinnen als gezaagde planken’. Een ‘ik’ of ‘mij’ in poëzie is altijd problematisch. Je mag deze niet gelijkstellen aan de dichter. Dat maakt de eerste regel nog problematischer en daardoor misschien ook wel humoristisch. Aan wie is deze boodschap gericht: aan een lezer die nog wel denkt dat ‘ik’ de dichter zelf is? Of is dit voor deze ‘ik’ vanzelfsprekend, en moeten we dus vooral niet denken dat dit gedicht zelfs niet over deze andere ‘ik’ gaat? Of verwijst ‘dit’ helemaal niet naar het gedicht, maar naar iets anders, wellicht naar de titel, Psycho? In deze film heeft de hoofdpersoon zelf niet door dat hij moorden pleegt, denkt dat zijn moeder dat heeft gedaan, omdat hij zelf in een psychose zit. Wat dat betreft is de toon meteen gezet: het perspectief is volkomen onbetrouwbaar, voor zover je in poëzie al echt kunt spreken van een perspectief. Het belooft weinig goeds, want verderop staat ‘poëzie giechelt in de tunnel/haar ogen puilen uit haar blauwe schedel zoals bij een schaap in een slachthuis’. De tweede regel van dit citaat is ook zo lang dat hij letterlijk ‘uitpuilt’ uit het gedicht. Het is een rauw begin van de bundel.

Wat volgt zijn talloze, overvolle gedichten, die uitpuilen van de beeldspraak, die niet altijd meer te herleiden is. Dat hoeft ook niet, maar het hoofd van de lezer raakt verstopt, de beelden stromen niet meer, maar blijven al over elkaar heen buitelend ergens halverwege steken. Neem:

‘Mijn hart groeit als een granaatappelboom in de put/telkens als een tak breekt klim ik langs een andere omhoog naar je toe/mijn geheel breekt en ik word een nest/de vogels kijken in het water en zien het lachende gezicht van een Bosnische,/ik kijk erin en zie je gezicht.’

Als je probeert de beeldspraak te herleiden, gaat het hopeloos mis. Wat zegt het over je hart als het groeit als een granaatappelboom in de put? Als een tak (een onderdeel van het hart dus) breekt, klimt de ‘ik’ omhoog naar de ‘je’ toe, maar in hoeverre staat het hart dan los van de ´ik´? Het kan natuurlijk dat de ´ik´ probeert in het hart te klimmen naar de ‘je’ toe, om bij de gevoelens voor de ‘je’ te komen, maar dan breekt ‘mijn geheel’: de hele granaatappelboom, dus het hart, of de hele ´ik´? Vervolgens wordt de ´ik´ een nest. In die gebroken granaatappelboom, of in de put? De vogels kijken in het water en zien het lachende gezicht van een Bosnische. Bevindt die zich ook in de put, of is die Bosnische dezelfde als de ´ik´? Ook de laatste regel is dan lastig: kijkt de ´ik´ naar het eigen gezicht of naar dat van een ander? Als je dan als lezer nog steeds die onbetrouwbare ´ik´ van het openingsgedicht in je achterhoofd hebt, begint hier het zweet toch wel op je voorhoofd te staan, want dit was nog maar een relatief kleine strofe in een overvol gedicht dat meer dan twee bladzijdes lang is en waarin nog veel meer beelden staan dan alleen die van de granaatappelboom.

Er is weinig om aan vast te houden. Soms denk je een strohalm te vinden, zoals in

´Ik ben geen wonder/ik kan niet op water lopen en ik kan mezelf niet genezen/van de kwalen van je liefde/maar ik leerde het water van mijn hart in asfalt veranderen/telkens als ik aan je dacht/ik leerde mezelf ontsnappen aan de lava die vloeide uit de bergen van je angst/en ik leerde niet te sterven’.

In zo’n stukje zou je als lezer de ´ik´ een beetje kunnen leren kennen: kennelijk is die ´ik´ een gewoon mens. Het is wel sympathiek dat deze ´ik´ zichzelf niet kan genezen van de kwalen van de liefde, dus nog steeds kan liefhebben, maar de ´ik´ heeft het water van het hart in asfalt leren veranderen. Daar kun je je wel wat bij voorstellen: de liefde die in het hart stroomt, is van asfalt geworden, hard en tot stilstand gekomen, wellicht door de oorlog? Maar welke oorlog dan precies? Lava is gevaarlijk heet. Die lava vloeide uit de bergen van je angst. De ´ik´ leerde ontsnappen aan die lava, wilde dus niet meegaan in die angst van de ander. En dan: ‘ik leerde niet te sterven’. Die zin is dubbelzinnig: de ´ik´ leerde niet ‘te sterven’, of de ´ik´ leerde ‘niet te sterven’? In het eerste geval lijkt het alsof de ´ik´ dat eigenlijk wel had moeten leren, en is sterven dus eigenlijk wenselijk. In het tweede geval heeft de ´ik´ geleerd om niet te sterven, om te overleven dus. Die tweede lezing ligt in een bundel over oorlog misschien voor de hand, ware het niet dat we ook niet moeten geloven wat de ´ik´ over de oorlog vertelt, volgens de titel. Er wringt iets. Soms kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de vertaler de taal niet helemaal machtig is en dat de vertaling extra problemen oproept, die er in het oorspronkelijke gedicht niet waren.

Hoe langer hoe meer raak je als lezer overspoeld door lange zinnen vol beelden, die steeds meer vragen oproepen, en er komt een moment dat je murw bent en niet eens meer probeert om de beelden te begrijpen, omdat het gewoonweg niet te doen is. Bij het slotgedicht denk je ineens het antwoord te vinden. Het heet Metafoor. Krijgt de lezer dan eindelijk antwoord op de vraag wat hij met al deze beeldspraak aan moet? Eerst moet hij zich nog door heel wat ‘onzinnen’ heen worstelen, want wat moet hij denken van ‘onze bedelende steden zullen teleurgesteld neervallen/als een geslacht lammetje/ons verkrachten met bezemstelen/de bossen staan op zichzelf’? Kan een geslacht lammetje nog iemand verkrachten met een bezemsteel? Het is volkomen absurd en ik vraag me af hoe dit alles in het Arabisch heeft geklonken. Kan het zijn dat de ziel van deze gedichten in de klank zat? Het is echt mogelijk om lezers met klinkende onzin te overtuigen. Die poëzie bestaat echt. Deze gedichten zijn echter – in vertaling – niet bijzonder van klank.

En dan staat er: 

toen ik het medelijden van de lezer voor mijn hart probeerde te winnen/liet ik hem indrogen als een kalebas en ik loog/ik liet hem fluiten als de blaadjes van het Oude Testament en ik loog/ik veranderde hem in kokend asfalt en ik loog’...

Zo gaat het nog even door. De lezer wordt dus flink bedrogen door de ´ik´. Inderdaad word je nogal opgefokt van deze poëzie, omdat zij alle kanten op schiet, je nergens houvast vindt en zelden iets moois. Je wordt vanzelf een beetje asfalt, het komt niet meer binnen. Dat je bedrogen zou worden, had je kunnen weten vanaf de eerste bladzijde. Sterker nog, vanaf de titel. Even verder staat: ‘toen ik mijn afspraken bij de psycholoog inruilde voor gratis gedichten/om te overleven//ik vulde ze met ideeën van hen die mij voorgingen/de leugens bloeiden machtig als pluimen in het bos//sorry/ben ik weer te ver gegaan?’ Dan komen we toch weer bij de psychotische ´ik´ uit het openingsgedicht. Er wordt ons een rad voor ogen gedraaid. Waarom? Is dit wellicht wat oorlog met de mens doet? Alle oorlogsbeelden zijn bizar, doelloos, zijn niet te verantwoorden. De mens wordt heen en weer geslingerd tussen leugens en walging, tot hij asfalt wordt, de liefde niet meer voelt stromen, zelf een leugenaar wordt. Is dat wat deze bundel laat voelen?

De bundel sluit af met: ‘hoe dan ook/het probleem is niet dat dichters leugenaars zijn/de tragedie is dat zij blind worden geloofd/..../..../als bloedbaden.’ Ben ik er met open ogen ingetuind? Heb ik vergeefs geprobeerd de ´ik´ te geloven, een glimp op te vangen van deze ´ik´? Maar wat wordt er nu precies met bloedbaden vergeleken? Zijn de dichters als bloedbaden? Of is de tragedie (dat zij worden geloofd) als bloedbaden? Ook hier kan het probleem in de vertaling liggen. Ik blijf in onzekerheid, maar vooral toch ook een beetje met lege handen, achter: wat heb ik nu precies gelezen? Deze gedichten overtuigen mij niet, maar misschien was dat juist de bedoeling, want ik moest ze ook niet geloven.

Titel: Geloof me niet als ik vertel over de oorlog
Auteur: Asmaa Azaizeh
Genre: Poëzie
Pagina´s: 60
ISBN: 9789491921674
Uitgeverij Jurgen Maas
Verschenen: oktober 2019

dinsdag 8 december 2020

Dirk Ayelt Kooiman - Het gebeurde

Door Roosje de Vries
Uitgeverij De Harmonie


De eenzame mens 

Hij had er altijd een hekel aan gehad terug te kijken naar het verleden. Personen van vroeger, of hij nu goede of slechte herinneringen aan hen bewaarde, ging hij uit de weg. Beladen plaatsen, van straten tot halve stadsdelen, meed hij. Bracht iemand ongevraagd zijn persoonlijke achtergrond naar voren, zijn naaste familie, zijn kinderjaren, dan werd zijn afkeer groter naarmate het relaas verder afdaalde in de tijd, Hijzelf was op dat vlak dermate terughoudend, dat hij de indruk kon wekken dat hij iets verborg, misschien wel een slecht geweten had. Hij bewaarde ook zelden iets. Zijn persoonlijke brieven gooide hij gewoonlijk in de prullenmand, bijna gretig, alsof hij de toekomst ervoor wilde vrijwaren, of hij stopte ze zo zorgvuldig weg, dat hij het bestaan ervan vergat.’ (2020: 7)

Dit uitgebreide citaat is nodig om de toon van de roman te kunnen voelen: inhoudelijk en qua stijl. Enerzijds komen stijl en inhoud overeen: een eenzelvige man, een kille man bijna, en een zeer afstandelijk maar zeer precieze stijl. Anderzijds duidt de afstandelijke stijl erop dat de hoofdpersoon, de ‘hij’, een naam krijgt hij niet, er alles aandoet om niet ‘bij zijn gevoel te komen’. Ik ben er niet helemaal zeker van of dit begrip nog veel gebruikt wordt. De ‘hij’ houdt zijn leven, zijn gevoel daarover zo ver mogelijk buiten schot. De lezer voelt aan zijn klompen aan dat de ‘hij’ niet zo’n koele kikker, zo’n afstandelijke eigenheimer is als waarvoor hij zich uitgeeft. Dat ‘schuurt’ zo lekker: de grote tegenstelling tussen die mega afstandelijke schrijfstijl en het grote verdriet dat je als lezer direct vermoedt bij deze eenzaat.

Even kort wat de ‘hij’ meemaakt. De ‘hij’ is een fotograaf, hij gaat verhuizen en moet derhalve zijn boeltje bij elkaar zoeken en tegelijk zijn dagen anders indelen; zijn arbeidzaam leven is eveneens voorbij. Zijn nieuwe slaapkamer lijkt op zijn jongenskamer van vroeger en instandly komt de stroom herinneringen aan vroeger als een sneeuwlawine zijn bewustzijn binnen denderen. Ik weet het, mijn metaforen zijn verre van origineel.

Eerst herinnert hij zich zijn afkeer van naar schoolgaan, behalve als hij verliefd was. En dan de hekel aan het verplichte kerkbezoek. Zijn weinig liefhebbende moeder; zijn afwezige vader, organist en dirigent; de kostgangerse die hem op haar schoot trok om verhalen uit de kinderbijbel te vertellen; de smiechtige ontrouw van zijn vader; zijn gebrek aan concentratie op school en in de kerk; zijn opgeknapte racefiets en zijn tochten in de omgeving; zijn unheimische gevoel over sensualiteit. Dat culmineert allemaal in de uithuiszetting van de ‘hij’ door zijn moeder, die hem nog eventjes fijntjes naroept dat zij hem helemaal niet wilde hebben, want zijn twee oudere broers waren haar genoeg. Hopla, down the drain met een mensenleven!

Hij gaat in de leer bij een fotograaf; eentje die technische foto’s maakt van objecten, voor reclamedoeleinden en zo. Tijdsaanduidingen zijn vaag, maar het moet zo jaren zestig zijn, vorige eeuw natuuriljk. Hij neemt niet meer de moeite om naar de kapper te gaan en vreest aangezien te worden voor ‘werkschuw tuig’. Tegelijk vindt hij dat ook niet erg.

Zijn angst voor meisjes neemt langzaam af, door allerlei ontmoetingen die hij met ze krijgt. Ik zeg het verkeerd, het niet de angst voor meisjes die afneemt, want die blijft eigenlijk bij voortduring, maar ontmoetingen, vluchtig of wat minder vluchtig nemen toe naarmate de tijd vordert. Hij kan de zaak overnemen van baas Henk van Studio Hank (ja, grapje), maar dat gebeurt net in een slechte tijd: oliecrisis en zo. Bovendien komt hij niet meer toe aan eigen, ‘kunstzinnig’ (mijn term, rdv) werk van het zorgvuldig technisch fotograferen van oude stoomgemalen. Zijn leven lijkt voortdurend te stagneren tot hij Saskia tegenkomt, een voormalige balletdanseres, die in een kraakpand woont en een kunstopleiding volgt. Hij raakt geobsedeerd door haar en zij gedraagt zich helemaal niet zoals hij zou willen. ‘Afgunst. Achterdocht.Jaloezie.’ (ib.: 179).

Jammer dan, net als het verhaal wat vaart begint te krijgen is het afgelopen. Kooiman overleed voordat hij de roman kon voltooien. Uitgever en erven hebben ervoor gekozen de roman in onvoltooide staat te publiceren. Je kunt als lezer alleen maar gissen wat er nog staat te gebeuren. Je kunt er je eigen draai aangeven.

Het begin, of misschien wel drie kwart van het verhaal doet wat stroperig en statisch aan. Ik heb dat boven al aangegeven: een heel precieze maar zeer afstandelijke, haast objectiverende stijl. Die dan enerzijds past bij de grote eenzaat die de ‘hij’ is of pretendeert te zijn, maar anderzijds moet verhullen dat de ‘hij’ een getraumatiseerd persoon is, die er alles aan doet niet geconfronteerd te worden met ‘vroeger’.

Nu ik dat zo opschrijf kun je denken dat dit een psychologische roman is, maar dat is niet zo. Kooiman hoorde met onder andere Nicolaas Matsier, Doeschka Meijsing en Frans Kellendonk, en in het begin geloof ik ook Oek de Jong tot de Revisor-oprichters slash-generatie, ook wel de ‘Academisten’ genoemd. Zij waren door de bank genomen tegen verhalende, realistische en anekdotische literatuur. Dat betekent dat de nadruk niet ligt op wat er gebeurt met de personages in het verhaal, op het navertellen van de realiteit. Daarom is het dan ook geen psychologische roman. De nadruk ligt op hoe het verhaal verteld wordt, verbeeld wordt. Op de stijl zou je ook kunnen zeggen. Door de stijl, door de verbinding van de motieven en thema’s en hoe dat gebeurt moet de essentie van de roman duidelijk worden; misschien nog beter: verbeeld worden. Ik denk dat dit streven het meest duidelijk wordt in het werk van Frans Kellendonk, het meest zichtbaar wellicht in zijn Mystiek lichaam. Stijl is belangrijk, de opbouw, de verdubbelingen en spiegelingen van thema’s en motieven zijn veel belangrijker dan het vertelde an sich.

Dat zie je in deze laatste roman van Kooiman ook. Ik heb er al wat over gezegd: die afstandelijkheid van stijl en de nauwgezetheid daarvan; die zie je weerspiegeld in de fotografie van de ‘hij’. Technisch perfect, zonder dat er mensen op staan. En als hij mensen fotografeert dan neemt hij zichzelf. In het begin neemt hij een tijdlang iedere morgen vrijwel hetzelfde portret van zichzelf. Zelfportret, dus, maar dat is wel erg veel ‘zelf’. Hij weet niet waarom hij het doet, al visualiseert hij zich zijn foto’s op een museale wand. Enerzijds lijken het allemaal dezelfde portretten en toch zijn ze dat niet. Technisch moeten ze gelijk zijn: qua houding, kleur, licht etc. De goede observator ziet de kleine verschillenen. Wil hij dat alles hetzelfde blijft? Ja, aan de ene kant wel. Hij wil ook zijn stempel op de wereld drukken of laten we bescheiden zijn en zeggen een eigen afdrukje op de wereld achterlaten - dat past mooi bij het fotografiemotief. Wie aan foto’s en donkere kamers denkt, denkt direct aan WF Hermans, De donkere kamer van Damokles, toch? Ik vermoed dat Kooiman die referentie bewust maakt. Fictie en werkelijkheid. Bestaat die werkelijkheid eigenlijk wel?

Verdubbelingen of spiegelingen - ik weet eigenlijk niet welke term ik het best kan gebruiken - zie je in de personages van de vader en leermeester Henk, en de half gehate boekhouder: tamelijk afwezig en ze poetsen ook heel snel de plaat, dwz gaan weg of gaan dood, maar dat ligt voor de hand bij een tamelijk afwezige persoon; het zomaar weggaan is een logisch gevolg van het afwezig zijn. Andere verdubbelingen: de moeder zonder liefde en de meisjes die hij bij voortduring oppikt tot er een verschijnt die hij wel wil maar zij hem niet, net zoals zijn moeder hem niet wilde.

Ik moest bij deze roman ook direct denken aan de personages bij Oek de Jong; die van Opwaaiende zomerjurken, Pier en Oceaan en Zwarte schuur staan me het meest voor ogen. Dat zijn ook van die stille jongens, die zich nergens thuis voelen en zich ook in het eigen gezin misplaatst voelen - letterlijk en figuurlijk -. Over Zwarte schuur was ik niet enthousiast. Ik zou willen zeggen: nee, lees dat deze onvoltooide roman van Kooiman! Die is veel beter! Echt! 

Auteur

Dirk Ayelt Kooiman (1946 2018) was met Thomas Graftdijk oprichter en redacteur van Soma (19681972). Hij geldt, met Doeschka Meijsing, Nicolaas Matsier en Frans Kellendonk, als een uitgesproken representant van het literair tijdschrift De Revisor, dat als opvolger van Soma door hem en Graftdijk in 1974 werd opgericht en waarvan hij tot 1994 redacteur was. Hij zette in De Revisor zijn opvattingen over literatuur uiteen, die onder meer inhielden dat de anekdote en het realisme niet in de literatuur thuishoorden, maar wel vorm, verbeelding en reflectie. Hij en zijn medestanders stonden een meer op verhaalanalyse gerichte, geconstrueerde schrijfwijze voor, die de Revisor-auteurs de door de criticus Aad Nuis bedachte bijnaam 'Academisten' opleverde. Door wisselingen in vertelperspectief, manipulaties met het tijdsverloop en geraffineerde spiegeleffecten met personages en verhaalmotieven vertelde Kooiman een verhaal op een zeer gestructureerde, analytische manier, die door lezers als gekunsteld kon worden ervaren, maar logisch voortkwam uit de literatuuropvatting die hij in essays had uitgedragen. (Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Dirk_Ayelt_Kooiman

Titel: Het gebeurde
Auteur: Dirk Ayelt Kooiman
Pagina's: 190
ISBN: 97899463360838
Uitgeverij De Harmonie
Verschenen: 2020

donderdag 3 december 2020

Lamia Makaddam - Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf

Poëziebespreking door Dietske Geerlings
Uitgeverij Jurgen Maas


Ik verloor mezelf in het leven en betrad een boek zonder titel

Is poëzie inderdaad zo eenvoudig dat ‘jij’ in elk woord dat ‘ik’ schrijft, deze ‘ik’ zal vinden? Misschien wel in de bundel Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf van Lamia Makaddam, vertaald door Abdelkader Benali. De lezer wordt in elk geval door de titel van de bundel alvast uitgenodigd deze ‘ik’ te gaan zoeken.

In deze zoektocht kom je er al vrij snel achter dat poëzie toch vooral een scheppingsdaad is en dat de dichter in elk gedicht een nieuwe ‘ik’ kan scheppen, waardoor gaandeweg de bundel de ‘ik’ tussen de regels door glipt en aan het eind nog net zo onvindbaar is als toen de bundel nog gesloten was, terwijl er ondertussen een spoor van vernielingen en schoonheid is achtergelaten in het hart. In Made by Eva is er een 'ik', die een man nodig had en er dus een maakte. De eerste Eva uit de geschiedenis werd wellicht geschapen uit de rib van een man. In dit gedicht is het Eva’s beurt om een man te scheppen. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig:

‘Waarom wist ik niet, misschien omdat ik de mens niet kende,/en niet op de hoogte was van zijn binnenste, maar het lukte me niet/de lichaamsdelen op de juiste plek te krijgen’. 

Halverwege het gedicht zou je je kunnen afvragen of de ‘ik’ niet door een stille woede of wraak gedreven wordt, want ‘Ik rolde zijn penis om zijn nek,/zijn hart ter grootte van een dorperwt [sic] legde ik op het puntje van zijn neus./Sommige organen plaatste ik buiten zijn lichaam./Rammelend liep hij rond.’ Dat de penis om de nek gerold kan worden, impliceert dat deze buitenproportioneel is van omvang en daarmee de man wellicht zelfs zou kunnen wurgen. Dat zijn hart zo klein is als een erwt en op de neus geplaatst wordt, kan ook van alles betekenen. Er zijn veel uitdrukkingen met ‘neus’. Je kunt je neus voor iets ophalen, iemand bij de neus nemen, een lange neus trekken naar iemand. Als dat de plek is waar het hart zich bevindt, is het niet best. Daarbij plaatst de ‘ik’ ook nog wat organen buiten zijn lichaam. Uiteindelijk wordt de man foeilelijk en zijn de mensen bang voor hem. Welke ‘ik’ heeft de lezer in dit gedicht gevonden? Het is nog niet zo eenvoudig hier antwoord op te geven. De ‘ik’ had een man nodig, maakt er een, maar het scheppingsproces loopt wat uit de hand. De vraag is of de ‘ik’ zomaar, of uit woede, gekwetstheid, wraak of nog een andere emoties, de man zo misvormt en wat dat dan vervolgens zegt over deze ik. Het laat haar onmacht zien, maar tegelijkertijd haar macht, en zo blijft de ‘ik’ ongrijpbaar.

In het gedicht Aan het einde moet er iets kapot staat een kleine variant op de titel van de bundel: Je zult me vinden in elk woord dat je schrijft. Wie is deze ‘je’? Ook die kun je als lezer naar believen invullen. Het lijkt erop dat ‘je’ de geliefde van de ‘ik’ is en dat de ‘ik’ een eindeloze reikwijdte heeft gekregen, want ‘Je zult me vinden in elk woord dat je schrijft,/in elke vrouw die je liefhebt,/alle bomen waar je huis op uitkijkt,/de plekken waar je nog gaat wonen.’ De ‘ik’ zal voor ‘je’ zingen en ook ‘van je weg en naar je toe reizen’. Hier klinkt een dubbel verlangen door van willen volgen en willen vluchten, waardoor opnieuw de ‘ik’ niet te vangen is en misschien zelfs breekt als je deze gevonden hebt, want ‘wanneer mijn vleugels breken/wees dan niet verdrietig./Iets moet immers breken aan het einde.’ Als je de ‘ik’ al gevonden hebt, dan ligt deze met gebroken vleugels in je handen.

De reikwijdte van ‘ik’ gaat nog veel verder in ‘Ik herinner en vergeet, ik hou van je en huil’: ‘Na een tijdje kom ik terug in de gedaante van een hemellichaam/dat niet meer verder draait, of een zee die niet meer stormt/en dan valt deze huid van me af en slepen mieren hem naar hun geheime bewaarplaatsen.’ Is ‘ik’ op deze manier nog wel te vinden? In eerste instantie lijkt het erop dat ‘ik’ vooralsnog alleen zichzelf vindt, in ontbinding: ‘Na een tijdje/als ik helemaal vergeten ben dat ik in deze tijd leefde/zal ik mijn hand op mijn gezicht leggen/raak ik mijn ogen en hals aan/en zal het mij herinneren/zonder onderbreking,/wanneer mijn armen ontbonden zijn/en de vos jongen werpt op mijn graf,/de woorden gestorven zijn en hun botten/verspreid zijn door de valleien.’ Het is de liefde die ‘ik’ zo heen en weer slingert tussen uitersten, die ‘ik’ zelfs buiten de tijd, buiten de taal en buiten zichzelf laat treden: ‘en ik zal van je blijven houden/en ik zal vergeten/en ik zal onthouden/en ik betreed en verlaat de tijden/en ik betreed en verlaat de taal/en ik betreed en verlaat mezelf.’

De liefde vermag meer dan dat, ‘De liefde maakt van de vrouw een man en van de man een vrouw’, in weer een ander gedicht, en ‘Op deze twee knieën heb ik twee kinderen opgevoed:/liefde en geluk.’ En ‘ik’ wist vanaf het begin ‘dat deze twee kinderen/mijn graf zouden graven/met hun zachte handen./Ze leggen de ribben naast elkaar/en het hart op de juiste plek/en dat had ik niet verwacht.’ Zo slingert de lezer met ‘ik’ mee in de liefde, die ons graf graaft, maar wel met zachte handen, en ook ons hart op de goede plek legt. Dat is boven alle verwachting. Het is de liefde die in De tuin wordt verbeeld als: ‘De roos die in de/winter bloeit in plaats van in de zomer, verspreidt een geur van dode lichamen,/straalt van vreugde en vreet onze longen aan.’ Maar in Het is liefde staat: ‘Maar het is liefde./Elke keer als ik hem een lichaamsdeel geef/schiet dat wortel in een ander lichaamsdeel.’ Als je ‘ik’ in de liefde wilt vinden, dan tref je de bloei aan, maar ook het graf, want ‘ik’ lijkt in diverse gedichten ook door ‘hem’ geschonden, zoals in Het lijk:

'Zijn lichaamsdelen zijn nog intact./Zijn schone borst ruikt naar mij./Zijn nagels zijn geknipt/zodat jullie mijn huid niet hoeven te ruiken./Ik brak in zijn ogen de glans van verlangen/en uit zijn mond distilleerde ik een fluistering./En als ik meer had kunnen doen had ik meer gedaan:/dan zou ik hem terugsturen, in stukken./Begraaf hem goed, zodat hij niet nog een keer van jullie vlucht.’


Die gekwetstheid kom je vaker tegen, ook in Ik weet niet hoe ik mijn hoofd moet buigen: 'Als mijn nek in jouw hand zou breken,/dan wil hij in een fluit veranderen/waar jij liedjes en herinneringen in kan laten klinken.’ Als ‘ik’ in een ander gedicht het huis schoonmaakt, durft ‘ik’ de lege bedden niet aan te raken, ‘omdat er kleine, kwetsbare/bloemetjes op zweven./Hun takjes steken onder de lakens uit als bloemknoppen.’ Deze duisternis brengt kennelijk de poëzie voort: ‘En als het gemis in je hart woont,/dan weet je dat tenminste iets het vult./Schrijf vanuit die duisternis/die het leven minder wreed maakt.’ Toch laat die wreedheid ook de lezer niet los. In Profetie staat: ‘Op een dag zal mijn geliefde mij doden./Vind je mijn lichaam niet/zoek dan in zijn gedichten.’ Er is dus ook een geliefde die schrijft, en wel zo dat hij daarmee de ‘ik’ zal doden. Is dat wat poëzie vermag?

‘Ik’ is strijdlustig en niet zomaar te vangen: ‘Ik kan niet tegen kooien./Om ze gehoorzaam te betreden/moet je over de uitzonderlijke kwaliteiten/van leeuwentemmers beschikken.’ Misschien is dit ook het lot van de lezer die nog steeds op zoek is naar ‘ik’: ‘Het geluid van kettingen moet harder zijn/dan de schreeuw in mij./Het stampen van je voeten moet luider zijn/dan het stof in mijn binnenste.’ De lezer heeft allang de illusie niet meer dat hij de ‘ik’ zal vinden, laat staan in een kooi zou kunnen vangen.

Steeds opnieuw schept de dichter een ‘ik’ en een ‘jij’ en steeds opnieuw worden werelden opgeroepen: ‘De hele wereld strekt zich uit/richting alle tijden/als een tent gemaakt van jouw pure huid.’ Je voelt hoe het klopt dat relaties tussen mensen zo groots uit kunnen pakken, maar steeds opnieuw is daar ook de dreiging, die zeker niet alleen vanuit de ‘jij’ komt, ook vanuit ‘ik’: ‘De pilaren zijn gemaakt van jouw botten/en de plunderende honden/zijn gemaakt van mijn verlangens.’ En ineens is daar het kind Miriam dat ter wereld kwam ‘na twee schoppen van een geamputeerd been,/dat in het vuur werd gegooid.’  Het meisje wilde niet huilen, hoe ze haar ook schudden, het was gestorven en ze groeven haar graf: ‘Op dat moment sprong Miriam op de schouder van een ster,/stil als een mummie./Om met haar te kunnen praten slaan we onze handen/en onze hoofden tegen de muren’. Toch brengt het dode kind iets moois: ‘Een zachte, kleine hand streelt over het gezicht/en maakt ons zijn, dat van nature wreed is,/zacht,/een kwetsbaar voetje dat de eerste stap zet/en valt, alsof het tegen die haar met open armen opwacht/wil zeggen: ‘Kijk, ik kom nooit aan.’ ’. Verderop in het gedicht wordt duidelijk dat de verbeelding het leven van het kind overneemt, omdat je het denkbeeldige leven zo kunt invullen als je zou willen: ‘Miriam is geboren uit het dichtersbloed van chrysanten./Ze zal zeventig jaar leven/en dan gedood worden door een dief/in een van de nauwe straatjes van Rome, beroofd van haar ring.’ De dichter in deze bundel is schepper van leven en dood.

Op zoek naar ‘ik’ leidt Makaddam de lezer langs prachtige regels, zoals: ‘Ik was gewend om naar beneden te kijken/zodat ik kan zien hoe het lichaam zich aan de aarde hecht.’, en: ‘ik kroop op mijn hart want dat lot is weggelegd voor/wie fouten maakt.’ Zo is het, zo kan het voelen als je fouten maakt: het schuurt langs het hart. Ook gebruikt zij vaak het beeld van bomen, die wellicht staan voor het leven, met alles erop en eraan, als takken.

Het een na laatste gedicht laat zien hoe ‘ik’ de wereld om zich heen schept, waarin ‘ik’ de liefde achter zich op tafel laat en achter de gedichten aan rent, zichzelf verliest in het leven en een boek betreedt zonder titel. Hoe we ook zullen zoeken naar ‘ik’, deze zal ons ontglippen, elk gedicht opnieuw, omdat ‘ik’ gemaakt is uit taal, uit zuivere poëzie.

'Het onkruid in onze borst

De boom waarin ik de wind dacht te horen waaien
hakte ik omver.
Voor de maan die me liet weten dat het nacht was
sloot ik mijn ogen.
Ik liet de liefde achter op tafel en rende achter de gedichten aan.
Ik verloor mezelf in het leven en betrad een boek zonder titel.
Sinds vanochtend zit ik in een tuin die ik met de hand heb getekend
en spreek ik een man toe die ik gemaakt heb uit tuinafval.
Ik vertelde hem over het leven dat na de dood begint
over het dode onkruid dat wij in onze borst dragen
niet omdat het van goud is, maar omdat wat uit de boom valt
onze doden zijn.
En de takken die breken, dat is onze tijd.'

Titel: Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf
Auteur: Lamia Makaddam
Vertaling: Abdelkader Benali
Pagina's: 68
ISBN: 9789491921759
Uitgeverij Jurgen Maas
Verschenen: juni 2020

woensdag 2 december 2020

Paustovski – Verhaal van een leven deel I

Recensie door Cies
Uitgeverij Van Oorschot


Paustovski – Verhaal van een leven deel I


Konstantin Paustovski (1892 – 1968) is buiten het Russisch taalgebied vooral populair in Nederland en Vlaanderen. Deze populariteit is voor een groot deel te danken aan vertaler Wim Hartog en uitgeverijen De Arbeiderspers en Van Oorschot. In het laatste kwart van de vorige eeuw heeft De Arbeiderspers Verhaal van een leven, de zesdelige autobiografie van Paustovski (toen nog geschreven als Paustovskij), in vertaling van Hartog al eens uitgegeven. In 2019 kwam Van Oorschot met een volledig nieuwe vertaling van Hartog, inclusief enkele hoofdstukken die om verschillende redenen (van Stalinistische censuur tot simpelweg kwijtgeraakt) de vorige editie niet hadden gehaald, op de markt.

Verhaal van een leven I bevat de eerste twee delen, Verre jaren (1946) en Onrustige jeugd (1956), en gaat van zijn vroege kinderjaren in de Oekraïne (toen deel van Tsaristisch Rusland) tot aan het begin van de Russische Revolutie wanneer Paustovski half de twintig is. In relatief korte chronologisch geordende (behalve het allereerste) hoofdstukken beschrijft Paustovski gebeurtenissen uit zijn leven. Per hoofdstuk één gebeurtenis waarbij hij in (bijna) ieder hoofdstuk aandacht heeft voor iets wat hem is opgevallen in de natuur. Keer op keer weet hij hierdoor op inventieve wijze de sfeer neer te zetten passend bij de gebeurtenis in desbetreffend hoofdstuk. Zijn liefde en aandacht voor wat er in de natuur om hem heen te zien is, gaat heel ver. Zelfs wanneer hij tijdens de Eerste Wereldoorlog werkend als hospitaalsoldaat kort achter het front een dode vrouw aan de kant van de weg vindt dan nog heeft hij aandacht voor de bij die in het haar van de vrouw verward is geraakt.

Op gelijke voet met zijn passie voor de natuur staat zijn passie voor de Russische literatuur. Er gaat bijna geen hoofdstuk voorbij of Paustovski noemt wel een aantal (on)bekende Russische schrijvers of hij citeert een aantal regels uit een Russisch gedicht. Zijn grote liefde voor en uitgebreide kennis van de Russische literaire traditie vinden we ook terug in de vorm van zijn autobiografie. De al eerder genoemde korte en bondige hoofdstukken lezen (bijna) als losstaande korte verhalen en zijn overduidelijk geïnspireerd door de Russische korte verhalen traditie, met name Tsjechov. Bijna losstaande korte verhalen, omdat om ieder hoofdstuk te kunnen begrijpen je enige voorkennis uit voorgaande hoofdstukken nodig hebt.

In zijn schrijven combineert Paustovski de vormtechnische aspecten van het korte verhaal met zijn kwaliteiten als schrijvend journalist. Dit zorgt voor mooie heldere zinnen en een gedegen focus op de gebeurtenis die per hoofdstuk wordt beschreven waardoor je als lezer een goed beeld krijgt van het leven in het westelijk deel van Tsaristisch Rusland aan het begin van de twintigste eeuw. Het zorgt er, helaas, ook voor dat de schrijvende journalist Paustovski te veel afstand neemt van zijn hoofdonderwerp; zijn eigen leven. Er is weinig tot geen (zelf) reflectie van de ‘oude’ Paustovski op het doen en laten van de ‘jonge’ Paustovski, laat staan dat er sprake is van zelfkritiek. De journalistieke schrijver Paustovski houdt veel voor ons achter. Zo is er bijvoorbeeld ‘slechts’ sprake van kalver-, hoofse- en platonische liefde, maar schrijft hij nergens over ontluikende seksualiteit, puberale lusten en andere innerlijke zoektochten waar iedereen tijdens het volwassen worden mee te maken heeft. Dit is een jammerlijk gemis, zeker in een autobiografie.

Vooral in het deel Onrustige jeugd lukt het de journalistieke literator Paustovski niet om zich te houden aan het literaire principe ‘show, don’t tell’. Zo vertelt hij op pagina 385 (hoofdstuk 6 in Onrustige jeugd) hoe hij een volwassen man werd. En op pagina 397 (hoofdstuk 8 in Onrustige jeugd) schrijft Paustovski dat hij zich voor het eerst Russisch in hart en nieren voelt. Hoe deze significante veranderingen in zijn gemoedstoestand zijn verdere doen en laten beïnvloeden wordt niet duidelijk. Er is bar weinig ontwikkeling en daardoor weinig verschil te bespeuren tussen de vijfjarige in zichzelf gekeerde, zich eenzaam en verlaten voelende Paustovski en de vijfentwintigjarige nog steeds in zichzelf gekeerde, zich eenzaam en verlaten voelende Paustovski aan de vooravond van de Russische Revolutie. Voor de schrijver Paustovski is de ‘jonge’ Paustovski de enige onveranderlijke en daardoor stabiele factor in een verder snel veranderende wereld om hem heen.

Doordat Paustovski er voor gekozen heeft om zijn onderwerp (zichzelf) met journalistieke afstand te beschrijven is er geen plaats voor veel zelfkritische reflectie en ontwikkeling bij de ‘jonge’ Paustovski. De ‘jonge’ Paustovski wordt hierdoor deels ongeloofwaardig waardoor de zeggingskracht van Verhaal van een leven I als autobiografie beperkt is. Het boek blijft steken bij de ‘jonge’ Paustovski als (metaforisch) kalm stromend beekje en de schrijver-journalist Paustovski die ons een mooie beschrijving geeft van de vogels in de rietkraag van datzelfde beekje. Dat dan weer wel. 

Titel: Verhaal van een leven deel 1: Verre jaren / Onrustige jeugd
Auteur: Konstantin Paustovski
Reeks: Russische bibliotheek
Pagina's: 645
ISBN: 9789028261501
Uitgeverij Van Oorschot
Verschenen: februari 2016

dinsdag 1 december 2020

Rob van Essen - Een man met goede schoenen

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Atlas Contact


Dromen als ik te zwaar getafeld heb… 


De goede zoon was mijn eerste kennismaking met het werk van Rob van Essen. Niet zozeer zijn toegankelijke schrijfstijl maar door het uitzinnige verhaal sprak mij gelijk aan. Deze laatste uitgave van Van Essen kreeg ik cadeau. Alhoewel ik een enorme fan ben van A.L. Snijders met zijn ZKV's (zeer korte verhalen) moet ik eerlijk bekennen dat ik niet snel een verhalenbundel zal kopen. Simpelweg omdat ik meegenomen wil worden in een lang verhaal en niet steeds 'opnieuw' wil beginnen.

Dit is niet van toepassing op deze twintig verhalen. Het zijn namelijk geen verhalen maar de beschrijving van opmerkelijke episodes. Geen begin en geen einde. Gelijk vanaf de eerste alinea wordt de toon gezet zonder dat de lezer én de hoofdpersoon enige weet hebben van wat hun te wachten staat. Je wordt instant deelgenoot van de onzekerheid.

"Nooit eerder is Walter met een klant meegegaan naar huis." of "Pas toen ik in de intercity naar T. zat, dacht ik: ik ben niet uitgenodigd, ze heeft me ontboden."

Van Essen is een scherp observator. De hoofdstukken beginnen vaak vanuit de eerste persoon in een doorsnee situatie tussen bekende of onbekende personen. In veel gevallen is de protagonist 'een schrijver' die na het werken even een frisse neus haalt, buiten de deur een kop koffie gaat drinken of boodschappen doet. Vervolgens laat Van Essen zijn ongebreidelde fantasie los. Synchroniteit, een uitzinnig therapeutische experiment, een kasteeltje uit roerhoutjes, bewoond door witte muizen in een kamer van het koninklijk paleis, ongeboren nageslacht bezoekt ouders, reïncarnatie, obsessieve fascinatie voor een onderbuurman met een tattoo van een oog op zijn hoofd, een wereld waar buiten als binnen wordt beleefd tot het verstoren van een vrijgezellenuitje. Een selectie uit de uiteenlopende onderwerpen. Altijd met menselijk handelen als uitgangspunt. Hoofdpersonen met rituelen, twijfels, onzekerheden, enige gelatenheid, soms paranoïde of nieuwsgierig. Doodgewoon en alledaags. En zo toegankelijk en goed geschreven dat je het idee krijgt dat het jou ook zou kunnen overkomen. Soms komen personages terug in een ander verhaal.

Het resultaat is een bijzondere lezerservaring met bizarre wendingen, vervreemding, zeg maar een unheimisch gevoel. Van Essen blijft je op een verrassende manier te boeien. Het overkomt de hoofdpersoon. Je beleeft het mee. Alledaagse gebeurtenissen leiden tot een volslagen merkwaardige en beklemmende situaties. Maar het knappe is dat het niet onwerkelijk overkomt. En er is ook veel te lachen. Hilarische taferelen en bizarre gebeurtenissen. Qua sfeer doet het gelijk denken aan de films van de Zweedse regisseur Roy Andersson. Gewone mensen in ongewone omstandigheden. Vervreemdend en tegelijkertijd betoverend. Meer over de verhalen wil ik niet prijsgeven. Toekomstige lezers moeten net zo onbevangen kunnen genieten als ondergetekende.

Het behoeft geen verbazing te wekken dat ik na elk verhaal even moest ik bijkomen. Ik kan mij niet herinneren dat ik eerder een schrijver heb gelezen met zo'n eigenzinnig genre. In deze wereld is niets onmogelijk. Verleden, toekomst blijken tijdloos in het heden. Een man met goede schoenen is een aanrader voor iedereen die verrast wil worden, die eens iets anders lezen wil. Die open staat voor deze frisse wind in de Nederlandse literatuur. Vervelen is er niet bij. Dat garandeer ik u.

Titel: Een man met goede schoenen
Auteur: Rob van Essen
Pagina's: 224
ISBN: 9789025464127
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: oktober 2020