dinsdag 13 april 2021

Lize Spit - Het smelt

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Das Mag

Onherstelbaar beschadigd


Mijn verwachting was hoog gespannen. Mijn nieuwsgierigheid groot. Simpelweg omdat er de afgelopen jaren veel positieve berichten over 'Het smelt' voorbij zijn gekomen op de sociale media. Enthousiast begon ik aan de 480 pagina's van deze jonge Belgische schrijfster. Vlaanderen heeft deze eeuw voor mij persoonlijk al veel mooie literatuur voortgebracht zoals 'Marcel' en 'Godenslaap' van Erwin Mortier of het fenomenale 'Wil' van Jeroen Olyslaegers om maar een paar hoogtepunten te noemen.

Het relaas van een opgroeiend meisje in een klein (fictief) dorpje in Vlaanderen. Duidelijk een 'coming of age' roman van een meisje in een zwaar instabiel gezin op het rurale platteland. Het verhaal is geschreven vanuit haar standpunt en beleving. De hoofdstukken springen heen-en-weer tussen het heden (bezoek aan een feest) en gebeurtenissen uit het verleden (2001 en 2002). De hoofdstuktitel geeft dit duidelijk aan. Hiermee ontrafelt Lize Spit de rode lijnen van het verhaal. Als eerste de vriendschap met haar twee leeftijdsgenoten en tevens hartsvrienden, de ontluikende seksualiteit van alle drie, de zelfdoding van een broer van één van haar vrienden en zijn herdenkingsfeest, de ontwikkelingsstoornis van haar zusje en de algehele toestand van haar familie.

Op zich sterke ingrediënten om een schitterend verhaal te schrijven. Maar dat is helaas niet het geval. Ten eerste omdat het verhaal doorspekt is met onnodige uitweidingen en beschrijvingen. Dit maakt het verhaal tamelijk uitgesponnen. Ten tweede omdat de hoofdpersoon en verteller Eva alles van een afstand bekijkt en beleeft. Je weet en voelt niet wat er écht in haar omgaat. Geen twijfel te bekennen. Alsof het leven haar overkomt. Een uitzondering hierop zijn haar zorgen over haar zusje Tesje. Dat wordt namelijk prachtig beschreven. Haar vermoedens dat het niet in orde is met haar zusje, meegaan in haar rituelen alleen maar om in contact met haar te blijven omdat de ouders al zijn afgehaakt. En uiteindelijk, samen met haar oudste broer, actie onderneemt om haar hulp voor haar te regelen. Aandoenlijk en intens. Vooral mooi weergegeven vanuit de visie van een jeugdige Eva. Dit is helaas de uitzondering. Als de relatie van Eva met haar zusje Tesje de leidraad zou zijn in het gehele verhaal had het verhaal wat mij betreft aan kracht gewonnen.

'Wat zou jij het ergste vinden? Vroeg ze. De hond was net even opgehouden met onrustig baantjes trekken, moeder bleef in de donkerte achter. 'De hond dood of papa dood?' Aan de manier waarop ze het vroeg, wist ik wat haar antwoord was.

De seksuele ontwikkeling van de twee jeugdvriendjes en Eva is in een kinderlijk spel gegoten waarbij een raadsel het hoofdingrediënt is om alle buurmeisjes uit de kleren te krijgen. Eva speelt hier eigenlijk de rol van onafhankelijke jurylid. Bij het laatste spelletje draaien de rollen om en gaat het dan ook helemaal mis. Tot het sadistische aan toe. Ik werd er zelfs misselijk van. Deze gebeurtenis heeft dan ook een enorme impact op Eva en betekent het einde van haar vriendschap met haar vrienden. En het leidt uiteindelijk ook tot de finale aan het einde van het boek. Dat laatste vind ik erg gezocht. Ik begrijp heel goed dat een heftige jeugd zonder enige warmte en genegenheid diepe sporen nalaat. Maar dit is echt ongeloofwaardig. Het komt gekunsteld over. Ook kan ik de laatste daad van Eva niet echt duiden. Is dit haar wraak? Iedereen genadeloos confronteren? Alle bekenden straffen? Temeer omdat zij zelf mededader was en alles wat haar is overkomen vrij gelaten beleeft en beschrijft. Misschien is de emotionele blokkade wel een natuurlijk bescherming om te overleven. Maar dat komt bij mij niet zo over. Ook al hunkert ze op eind naar een berichtje of teken van leven van haar ex-vrienden, broer of zusje. Ik kan er niet teveel over zeggen om de clou niet te verklappen.

Wat mij wel van het hart moet is het feit dat ik als Amsterdammer aardig moeite had met de vele onbekende Vlaamse woorden en uitdrukkingen die worden gebruikt (zoals 'kramakkelige', 'schellen', 'rekker' of 'opgepompte jams').

Lize Spit kan wel schrijven. Met een toegankelijke en natuurlijke schrijfstijl weet zij haar hele jeugd goed te beschrijven. Maar dat is voor mij niet genoeg. Met name omdat haar jeugd verteld wordt vanuit de eerste persoon wil ik haar afwegingen, twijfels, overwegingen en aanhankelijkheid meemaken. Of in haar onmacht meetrokken worden. Dat voelde ik dus niet.

Titel: Het smelt
Auteur: Lize Spit
Pagina's: 488
ISBN: 9789082410617
Uitgeverij Das Mag
Verschenen: november 2015

maandag 12 april 2021

Maarten 't Hart - De nachtstemmer

Recensie door Dietske Geerlings
Uitgeverij De Arbeiderspers

‘Registers open en zie daar’

In
De nachtstemmer trekt Maarten ’t Hart meerdere registers open. Zo wordt de lezer niet alleen getrakteerd op een tragikomisch liefdesverhaal, maar ook op allerlei interessante weetjes over de kunst van het orgelstemmen, klassieke muziek, de bijbel en bijbelvertalingen. Het is een vermakelijk boek dat regelmatig een glimlach bij de lezer ontlokt, maar soms ook een kleine frons.

Het verhaal begint met een vrij droog motto: een fragment uit een werk van A.P. Oosterhof en A. Bouwman over orgelbouwkunde. Toch staan daar allerlei essentiële elementen in, die in het verhaal een belangrijke rol spelen:

Het stemmen van een pijporgel is een moeizaam werk, dat een scherp gehoord, omzichtigheid, spierbeheersing, logisch denken, zin voor praktisch handelen en bij dit alles geduld en uithoudingsvermogen van een stemmer vergt. Alleen in een ruimte waar het volkomen stil is en met een vaardige helper bij de klavieren kan hij zijn taak naar behoren verrichten en bij een groot orgel en gunstige klimaatomstandigheden ook voldoening hebben van zijn werk.

Het verhaal gaat over de orgelstemmer Gabriel Pottjewijd, die in een dorp dat niet bij name wordt genoemd, maar zeer waarschijnlijk Maassluis is, het Garrelsorgel van de Groote Kerk gaat stemmen. Daarvoor logeert hij in het Zeemanshuis. De eigenschappen die in het motto genoemd worden, zijn inderdaad allemaal eigenschappen waarover Gabriel beschikt. In het dorp ontmoet hij de dochter van de Braziliaanse Gracinha, het meisje Lanna, dat hem kan helpen met het indrukken van de toetsen. Men zegt dat zij geestelijk gehandicapt is, maar zij blijkt bij nader inzien ook over veel eigenschappen uit bovengenoemd motto te beschikken, waaruit Gabriel concludeert dat zij allesbehalve ‘debiel’ is. Vooral haar uithoudingsvermogen valt in eerste instantie op, omdat zij een middag lang alleen toetsen kan indrukken, zonder dat het haar verveelt. De broer van Gabriel is psychiater en oppert – als Gabriel hem aan de telefoon heeft – dat het meisje wel eens autistisch zou kunnen zijn, omdat ze uitblinkt in haar feilloze gehoor en eentonig werk kan doen, zonder verveeld te raken.

Als Gabriel de eerste avond in het Zeemanshuis doorbrengt, maakt hij kennis met een bijbelgroep, waarmee hij op een vermakelijke manier in gesprek raakt. Zij bespreken het bijbelverhaal van Bileam en de sprekende ezel. Geen van de aanwezigen heeft het over het feit dat het misschien wat vreemd is dat Bileam het vanzelfsprekend vindt dat de ezel kan praten. Door het gesprek tussen Gabriel en de leden van de bijbelgroep maakt de lezer meteen kennis met de scherpzinnigheid van Gabriel en zijn grote kennis van de bijbel. Verderop in het boek blijkt dat Gabriel de bijbel niet alleen van voor naar achteren kent, doordat hij met de bijbel is opgevoed, maar ook doordat hij de bijbel gebruikt om andere talen te leren. Omdat hij de tekst in het Nederlands zo goed kent, kan hij eenvoudig achterhalen wat er in de andere taal staat. Overigens kocht hij de vertalingen vooral om indruk te maken op een vrouw. Zo was zijn – inmiddels overleden – vrouw Lore een Duitse en om Duits te leren had hij dus een Duitse bijbelvertaling gekocht. Omdat Gabriel inmiddels zo veel vertalingen heeft gelezen, is hij erachter gekomen dat vertalingen lang niet altijd zo nauwkeurig zijn en vooral wat ‘aanrommelen’ op het gebied van gesteenten, dieren en muziekinstrumenten, alsof de vertalers niet de moeite hebben genomen zich in deze materie te verdiepen alvorens een goede vertaling te geven.

Als Gabriel samenwerkt met Lanna, worden zij altijd nauwlettend in de gaten gehouden door haar oogverblindende moeder Gracinha, weduwe van een kapitein. Gracinha gaat soms als een ‘Xantippe’ tegen hem tekeer, maar nodigt hem vervolgens wel uit voor een tosti en een lekkere soep, en later ook voor heerlijke andere maaltijden. De gesprekken tussen haar en Gabriel zijn aandoenlijk, soms ook hilarisch, vooral als hij haar er steeds op wijst dat ze het woordje ‘er’ moet gebruiken:

‘ “Nou, hier doen ze niks anders, zijn hele dag op uit je foppen en stangen, willen je altijd tussen nemen. Is lust in hun leven.” “Daar heb je ’t weer, zijn ér de hele dag op uit je te foppen, willen je ertussen nemen. Maar als ze er steeds op uit zijn je te foppen, dan fop je toch terug?” “Kan ik niet, ben te serieus, heb totaal niks gevoel voor humor, ik kan eigenlijk niks, alleen maar eten koken, ik ga er toetje maken.” “Nee, daar geen ‘er’, maar wel een lidwoord, ik ga hét toetje maken.” “Ja, weet ik wel, maar niet erg als je weglaat.” “Nee, maar dan hoor je wel meteen dat je geen Nederlandse bent (...)”

Gracinha is bijzonder gecharmeerd van Gabriel, niet omdat ze hem aantrekkelijk vindt, want zij vindt hem ‘saai’ en niet ‘sexy’, maar omdat hij haar dochter voor vol aanziet, in tegenstelling tot haar dorpsgenoten. Zij komt met het idee dat Lanna misschien van hem het vak kan leren. Gabriel heeft daar wel vertrouwen in, al is hij bang voor de reacties van buitenstaanders. Omdat Gracinha een alleenstaande, bloedmooie vrouw is, wordt Gabriels omgang met haar met argusogen bekeken door het mannelijk volk. Hij krijgt een dreigbrief en daarna allerlei geheimzinnige waarschuwingen. Omdat Gabriel allesbehalve een held is, maar ook een Einzelgänger, is het lastig om als lezer deze bedreigingen serieus te nemen. Het is net of de verteller je in het ootje neemt.

In het hele boek voel je het plezier van ’t Hart in het schrijven, maar ook zijn liefde voor de kunst, voor het orgel, klassieke muziek en de bijbel. In deze roman is de plot eigenlijk ondergeschikt aan dit plezier en deze liefde, alsof de auteur er en passant nog een leuk verhaal omheen heeft verzonnen waar het eigenlijk niet om draait. Dat verhaal wordt op een gegeven moment ook tamelijk bizar en ongeloofwaardig. Toch neem je dat als lezer voor lief, omdat het voelt als een knipoog.

Ruimtes zijn in De nachtstemmer vol betekenis. Het belang van de stilte die nodig is voor het orgelstemmen, waarnaar in het motto al wordt verwezen, komt regelmatig terug in het boek, ook op spannende momenten dat Gabriel alleen in een doodstille kerk denkt te zijn en toch iemand hoort ademhalen. Hij moet daarnaast zijn werk regelmatig onderbreken door het lawaai van allerlei werkzaamheden in de haven, zoals rinkelende ankerkettingen, klinkhamers en gierende pneumatische boren. Al die geluiden klinken niet voor niets mee in een verhaal dat voor een groot deel gaat over ‘afstemmen’.

Het is jammer dat ’t Hart af en toe de neiging heeft om mooie onderliggende patronen die een ervaren lezer zonder probleem meekrijgt, nog eens uit te leggen. Zo vergelijkt Gabriel diverse zaken uit het gewone leven met het orgelstemmen. Dan is het jammer als hij dominee Berenschot laat zeggen: ‘(...) maar ik vind het wel verhelderend dat u de geloofsafval vergelijkt met hangers in een kerkorgel. Ach ja, u ziet natuurlijk beroepshalve het hele leven via de omweg van het kerkorgel. Dat is mij de vorige keer reeds opgevallen. Mooie metafoor, geloofsafval is als het verval van een kerkorgel.’ Het is niet fijn om als lezer de metaforen die echt niet zo verstopt zaten, door een dominee uit het verhaal uitgelegd te krijgen.

Al met al is De nachtstemmer een vermakelijk boek met veel wetenswaardigheden. Ook werpt het een kritische blik op de samenleving, waarin de Einzelgänger meer oog voor zijn medemens lijkt te hebben dan de massa, die een waarschijnlijk autistisch meisje als geestelijk gehandicapt bestempelt. Of dat nog helemaal van deze tijd is, is de vraag.

Titel: De nachtstemmer
Auteur: Maarten ’t Hart
Pagina's: 315
ISBN: 9789029542548
Uitgeverij De Arbeiderspers
Verschenen: juli 2019

donderdag 8 april 2021

Irene Vallejo - Papyrus

Recensie door Koen de Jager
Uitgeverij Meulenhoff

Noodzakelijk boek over boeken


Papyrus
van de Spaanse schrijfster Irene Vallejo wordt aangeprezen als een ‘ontroerende en eigentijdse hommage aan het boek’ op de achterkant en de voorkant spreekt van ‘Een geschiedenis van de wereld in boeken’. Dat is nogal een breed begrip, maar als liefhebber van boeken over boeken kon ik dit maar moeilijk laten liggen. Het is een boek van ruim 500 pagina’s. Pure tekst, geen afbeeldingen, uw verbeelding moet het hem doen.

Dat was geen probleem. Het is een vlot geschreven boek, waarbij enige voorliefde en misschien kennis van de klassieke oudheid best handig is. Het boek is namelijk verdeeld in twee delen. Deel 1 heet Griekenland bedenkt de toekomst en deel 2 De wegen van Rome. Hebt u die kennis of voorliefde (nog) niet; niet getreurd, saai en stoffig wordt het nergens.

Dat heeft te maken met de vertelkunst van Vallejo. We sluiten in de eerste zin meteen aan bij een stel ruiters die in Griekenland op zoek zijn naar boeken in opdracht van Ptolemaeus, de farao van Egypte, die boeken nodig had voor de bibliotheek van Alexandrië. Niet minder dan alle boeken ter wereld (die gelukkig wat overzichtelijker was dan de onze) moesten daar terecht komen. Zo komen we dus in Alexandrië, gesticht door Alexander de Grote. De grote veroveraar die nooit ging slapen zonder een dolk en de Ilias van Homerus onder zijn kussen. Alexandrië, waar de legendarische bibliotheek onderdeel was van het Mouseion, of de Tempel der Muzen. Een centrum van geleerdheid en wetenschap van de toenmalige hellenistische wereld. Talloze boekrollen moeten er hebben gelegen, die wat anders ter hand werden genomen dan een boek in onze dagen;

'Een boekrol werkte heel anders dan een boek met bladzijden. Bij het openen van een rol papyrus trof je een lange rij tekstkolommen aan, die van links naar rechts liepen. Al lezend rolde de lezer met zijn rechterhand de rol af en met zijn linkerhand rolde hij op wat hij net gelezen had. Een kalme, ritmische, verinnerlijkte beweging; een trage dans.'

Die boekrollen werden gemaakt van papyrus en er wordt uitgebreid stilgestaan bij het belang hiervan én de verschillen ten opzichte van het perkament. Dat werd namelijk belangrijk toen er een boycot kwam van papyrus en men in het (nu) Turkse Pergamon een oude oosterse techniek perfectioneerde om op dierenhuid te schrijven.

In dit deel van het boek staat Vallejo uitgebreid stil bij het belang van de Ilias en Odyssee van Homerus. Wat erg aangenaam is dat ze moeiteloos verbanden legt met het heden. Zo stond de wereld op zijn kop toen Bob Dylan de Nobelprijs voor Literatuur toebedeeld kreeg, maar Vallejo geeft subtiel aan dat de oude barden een goed deel van de klassieke literatuur uit hun hoofd kenden en in die liederen uitlegden wat er in de wereld aan de hand is. Zo is die Nobelprijs ineens niet zo vreemd meer. In haar woorden;

'Een Nobelprijs voor Oraliteit. Hou oud kan de toekomst zijn.'

Die verbinding met het heden zoekt Vallejo vaker en dat maakt het een levendig boek. In de dystopische roman Fahrenheit 451 van Ray Bradbury worden alle boeken verbrand. Zo dystopisch was dat echter niet, want in het jaar 213 voor Christus beval de Chinese keizer Qin Shi Huangli precies hetzelfde. Alle boeken moesten weg, de geschiedenis diende bij hem te beginnen. Ik houd erg van dit soort weetjes. Nog mooier is het verhaal van de ‘schildsmijter’ Archilochus. Je schild wegsmijten en wegrennen was de grootste schande die een Griekse krijger kon overkomen, maar hij deed het en stond zich er op voor. Hij vond het grappig zich te presenteren als anti-held, hoewel hij wel degelijk moedig was;

‘Het schild dat ik tot mijn spijt in een struik gooide, een uitstekend ding, daar zwaait nu een Thraciër mee. Maar ik heb mijn huid gered. Wat kan me dat schild schelen? Weg ermee. Ik koop wel weer een nieuw, dat net zo goed is.’

Maakt u zich geen zorgen, hij stierf volgens goede gewoonte keurig op het slagveld.

Maar er staat zo veel meer in dit boek. In het deel De wegen van Rome wordt uitgebreid stilgestaan bij de boekhandelaars uit het verleden en het heden, het begrip ‘klassieker’ en vrouwenstemmen uit heden en verleden. Ook de toekomst van het boek krijgt aandacht. Vallejo ziet het, bij monde van professor Victor Lapuente Giné, niet zo somber in;

'Als we iets ouds met iets nieuws vergelijken – zoals een boek met een tablet, of een non die in de metro naast een chattende puber zit – , denken we dat het nieuwe meer toekomst heeft. In feite is het precies omgekeerd. Hoe langer een voorwerp of een gewoonte onder ons is, hoe meer toekomst dat voorwerp of die gewoonte heeft… Het is waarschijnlijker dat er in de 22e eeuw nog nonnen en boeken zijn dan Whatsapp en tablets.'

Van die nonnen ben ik niet zeker, maar ze heeft een punt, sommigen zaken kunnen moeilijk verbeterd worden (boek, stoel, wiel, u kent ze wel). Daarom hoop ik dat er nog lang boeken verschijnen en dit soort boeken over boeken; ze zijn beiden zeer noodzakelijk.

Titel: Papyrus
Auteur: Irene Vallejo
Vertaling: Adri Boon
Pagina's: 536
ISBN: 9789029094207
Uitgeverij Meulenhoff
Verschenen: maart 2021

zondag 4 april 2021

Simone Atangana Bekono - Confrontaties

Recensie door Dietske Geerlings
Uitgeverij Lebowski 


‘Salomé Henriette Constance Atabong. Dat ben ik’

Het debuut van Simone Atangana Bekono, Confrontaties, begint met een confrontatie op het veldje dat de gymzaal van groep zeven of acht scheidt van het asielzoekerscentrum. Een paar jongens gooien muntjes naar een zwarte man achter het hek en roepen ‘Pak dan, pak dan’. Een meisje vraagt waarom ze dat doen. De jongens zeggen lachend dat hij toch geld nodig heeft. De ik-persoon, Salomé Atabong, kijkt toe en hoopt dat de man de muntjes niet opraapt. Terwijl de rest al lachend achter de juf naar school loopt, blijft zij nog even staan en kijkt de man aan. Hij draait zich om en loopt, zonder de muntjes op te rapen, weg. Met deze eerste confrontatie is meteen duidelijk hoe dun de scheiding is tussen racisme, pesten en eventueel goede bedoelingen, maar vooral ook hoe makkelijk mensen zich kunnen verschuilen achter die goede bedoelingen en daarmee vrijuit lijken te gaan, en hoe dit gemak zich al op jonge leeftijd manifesteert. Als je, net als Salomé Atabong, zelf aanhoudend op deze scheidslijn balanceert, omdat je huid donker is en je een afrokapsel hebt, is het leven een keten van confrontaties, die uiteindelijk kunnen leiden tot een explosie. Simone Atangana Bekono laat op een indringende manier zien hoe zich stukje bij beetje een drama voltrekt in het leven van de zestienjarig Salomé.

Salomé zit vast in een jeugddetentiecentrum, omdat ze op een middag twee schoolgenoten ernstig heeft mishandeld. Tot overmaat van ramp herkent ze haar psycholoog, Frits, van een tv-programma waarbij Nederlanders in Afrika proberen te leven als de lokale bevolking, wat erop neerkomt dat ze deze mensen vooral belachelijk aan het maken zijn. Salomé krijgt diverse woedeaanvallen, omdat het voor haar onmogelijk is met deze man haar problemen te bespreken. Dat Frits, met deze televisieachtergrond, psycholoog is in een jeugddetentiecentrum is misschien niet helemaal geloofwaardig, maar als je bedenkt hoeveel kijkers zulke programma’s trekken en hoeveel mensen zonder gewetensnood daarom kunnen lachen, is het wel duidelijk hoe ‘normaal’ dit gedrag in onze samenleving gevonden wordt, net als bij de confrontatie van de schoolklas met de asielzoeker, en hoe onbegrepen een meisje als Salomé zich dan moet voelen bij een witte man van wie het volstrekt onduidelijk is of hij wel betrouwbaar is, terwijl zij zich hier juist veilig zou moeten voelen.

Terwijl de dagen in het centrum voorbijkruipen, probeert Salomé zich in te houden bij de verschillende ruzies tussen de andere jongeren en begeleiders, zodat ze wel vooruitgang boekt en er kans op ‘rehabilitatie’ is. Deze term wordt overigens vlijmscherp bekritiseerd, want letterlijk betekent het dat je weer teruggaat naar waar je vandaan komt, en dat is onmogelijk als je iets vreselijks hebt gedaan, want je kunt dat nooit meer ongedaan maken en je zult dat dus altijd bij je dragen en nooit meer terug kunnen naar de situatie van daarvoor.

Je krijgt ook niet alleen het leven in het centrum mee, maar ook diverse terugblikken naar vroeger, haar gezin met vader, moeder en zus, met wie ze via de telefoon of tijdens bezoekuren nog wel contact heeft, de reis naar Kameroen naar haar tante Céleste en oom Honoré. Salomé blijkt een verlegen en gevoelig meisje dat niet helemaal in de pas lijkt te lopen met de rest. Zij is intelligent, leest heel graag, trekt zich het liefst terug, heeft eczeem en kroeshaar dat alleen maar met behoorlijk geweld en olie in vlechten gekamd kan worden. Wat dat betreft staat het haar bijna symbool voor de situatie waarin het meisje zit. Ze begrijpt niet waarom het haar niet gewoon zo mag zijn zoals het uit zichzelf valt, waarom het gevlochten moet worden. Het haar is ook aanleiding voor anderen om haar ‘aap’ te noemen, maar ook voor een vriendelijke voorbijganger om ‘welkom in Nederland’ tegen haar te zeggen, terwijl zij hier al haar hele leven heeft gewoond. Op het gymnasium is zij een van de weinigen met een andere culturele achtergrond. Je hebt maar twee mensen nodig die er plezier aan beleven om je het leven zuur te maken, zegt ze, en het schoolgaan wordt een ware hel. Twee jongens, Salvatore en Paul, hebben het voortdurend op haar gemunt, en elke dag is ze bang dat zij haar vinden. Haar vader heeft in de schuur een boksbal opgehangen om haar weerbaar te maken en zo ontwikkelt ze een enorme kracht.

Het boek krijgt een beklemmende gelaagdheid door de angst- en koortsdromen die Salomé heeft, waarin een vrouw met bloedende ogen en enorme zwarte vleugels wild krijst als een Furie. Ze doet haar denken aan Medusa. Vanaf het moment dat ze terugkwam van de reis naar Kameroen, had ze ‘het gevoel alsof de raarste beelden aan elkaar verbonden raakten, beelden die niks met elkaar te maken leken te hebben.’ Dit leidt steeds vaker tot een poëtische kluwen van zinnen waarin herinnering, droom en werkelijkheid door elkaar kronkelen: 

‘motherfuckers nee/want ik had het bloed in mijn mond het bloed tussen mijn tanden en toen kreeg ik pas echt met het ijzer en het bloed en de vuisten de smaak de kracht de wind is guur en ik heb een stok in mijn hand zie alles duidelijk de afstanden de kleuren en hoe alles zich tot elkaar verhoudt./Je moet met elke slag een stap naar voren doen, zei papa, alsof je dóór je vijand heen slaat./Het zijn een mond en een vuist en ze zoenen./Het is heerlijk./Ik ben vrolijk en wakker en zie alles. Het is licht en koud en ik ben wakker het gekrijs. Ik sta in de wereld ik ben naakt in de woestijn ik ben gigantisch licht ik ben wakker ik krijs met ellebogen zwemmend in vlees./Ik besluip niemand, maar het gevecht is stil. Er is niets zo stil als drie lichamen die botsen in een weiland aan de rand van de provinciale weg (...)’

Hier zie je ook hoe de taal voor elkaar krijgt dat je de mens gaat zien als een vloeibaar geheel dat kolkend kan overkoken als er allerlei gevaarlijke grondstoffen aan toegevoegd worden.

Simone Atangana Bekono opent de ogen van de lezer voor hoe ingewikkeld het is om volwassen te worden in zo’n ingewikkelde situatie, waarbij je je voortdurend moet afvragen wie je bent, of je wel mag zijn wie je bent, of je je moet aanpassen en hoe je dat dan moet doen, omdat je voortdurend van alle kanten tegenstrijdige signalen krijgt. Het is een boek dat ook heel geschikt is om leerlingen met allerlei verschillende achtergronden te laten lezen en het te bespreken op school. De auteur zet Salomé Atabong zo zuiver neer, met alle woede-uitbarstingen, tegenstrijdige gedachten en af en toe behoorlijk grove taal, dat je haar als lezer wel in je hart moet sluiten.

Titel: Confrontaties
Auteur: Simone Atangana Bekono
Pagina's: 224
ISBN: 9789048842438
Uitgeverij Lebowski Publishers
Verschenen: september 2020

vrijdag 2 april 2021

Joseph Ponthus - Aan de lopende band. Aantekeningen uit de fabriek

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij De Arbeiderspers

Prikklokken en stinkende, fokking eindeloze dagen

De liefde trok Joseph Ponthus (1978) naar Bretagne, nadat hij in het noorden van Frankrijk een literatuurstudie had doorlopen en als sociaal werker in Parijse achterstandswijken verstandelijk beperkten begeleidde. In zijn arbeidsveld lag het werk niet voor het oprapen aan de Franse Noord-Westkust en via het uitzendbureau ging aan het werk in de vis- en vleesverwerkingsindustrie. Zijn dagelijkse ervaringen documenteerde hij in een dagboek, dat hij bewerkte tot zijn experimentele debuutroman À la ligne, waarmee hij meteen de Grand Prix RTL-Lire 2019 won en als vierde auteur de prestigieuze Le Prix Régine Deforges in de wacht wist te slepen. De Franse lezer sloot Ponthus met zit debuut direct in het hart.

Het werk aan de lopende band is voor hem zuiver een middel om zijn brood te verdienen, hij wist waar hij aan begon, maar het lijkt verdacht veel op een vorm van 'moderne slavernij'. Zijn volharding haalt Ponthus uit de terugkerende gedachte aan de klassieke parabel Kathedraal van de vrome Paul Claudel (1868-1955), waarin duidelijk wordt gemaakt dat het glas ook halfvol kan zijn.

Eentonigheid, afstomping, het ritme van de werkdag en -nacht, de voortdurend repetitieve handelingen in een stinkende fabriek vol slachtafval en altijd werken zonder dat hij daglicht ziet, worden met grote urgentie beschreven. De korte zinnen, verstoken van elke interpunctie, volgen elkaar snel en doorlopend op als één lange stream of conciousness. Ponthus laat zijn tekst als het ware afrollen, waarmee hij de lopende band symboliseert. Het gaat maar door, omdat de band blijft doorlopen. Het repetitieve komt tevens tot uiting in het ritme van de tekst: de vrije verzen, strofen, mantra's, haiku's, alexandrijnen, kwatrijnen. Zelfs het omkleden aan het begin van de dienst is elke keer hetzelfde ritueel.

'Ik laat tahoe uitlekken/Als de tahoe is uitgelekt leg ik hem in een kuip/Dek de kuip af zet die ergens in een hoek om voor/Een of ander kant-en-klaargerecht te worden gebruikt/Maar dat is een andere productielijn' [...]

Tahoe-uitlekker/Wie 's nachts nog nooit negen uur achter elkaar tahoe/Heeft laten uitlekken zal er nooit iets van snappen/Pech gehad/Ik ouwe lul weet wat het is en jij niet/Het is niets om trots op te zijn/Geen minachting voor de niet-arbeiders/De minachting/Ik denk aan het meesterwerk van Godard probeer me/De filmmuziek van George Delerue te herinneren/'Le thème de Camille' zou hier denk ik heel goed passen/Maar het lukt me niet/Silenzio […]

De uren verstrijken of verstrijken niet ik ben de weg kwijt/Ik verkeer in een vreemde extatische staat tussen waken en/Slapen zo'n beetje als wanneer je in slaap valt en je gedachten/Al naargelang het werk van het onbewuste alle kanten opvliegen/Maar ik droom niet/Ik val niet in slaap/Ik ben aan het werk

Ik laat tofoe uitlekken/Ik herhaal die woorden/Als een mantra […]'

Buiten de voortdurend herhalende handelingen gedurende de negen uur die hij op zijn werk is, raakt ook zijn privéleven noodgedwongen in de bepaalde cadans van werken, eten, slapen, werken. Door de nachtdiensten zit hij voor zijn gevoel geheel en al gevangen in zijn werk.

'Kortom/Het is zeven uur 's ochtends/De zon is op/Ik moet gaan slapen/Ik weet niet wat ik moet drinken/Een kopje koffie of een glaasje rode wijn'

Ponthus observeert, geeft een zeer realistische, zintuiglijke beschrijving van het geestdodende bestaan in de fabriek – het perspectief deels van binnenuit (ik-perspectief), deels van buitenaf, afstandelijk en minder betrokken (jij-perspectief) – en het werk dat hij aan den lijve meemaakt. Je voelt de kou, het zware werk. Je ruikt de geur van stront en bloed dat tot in zijn poriën dringt. Zowel fysiek als mentaal valt het slecht betaalde werk hem zwaar, vooral wanneer het werk handmatig moet worden gedaan als de machines de geest geven. Wanneer de voorgaande ploeg het quotum niet heeft gehaald, moet de volgende er extra hard aan trekken. (Berichten over de dubieuze arbeidsomstandigheden in de Franse abattoirs hebben het afgelopen jaar ook in ons land voldoende stof doen opwaaien.) Soms deelt hij de boosheid van zijn collega's, maar meedoen aan de staking mag hij niet als uitzendkracht, dus houdt hij zich gedeisd vanwege de angst om aan het einde van de dag ineens geen werk meer te hebben.

Toch is zijn boek geen aanklacht, hij zet juist verschillende werelden tegenover elkaar: beroepsdeformatie (het zijn geen dode dieren, maar zware, onhandige dingen) en oorlogsgeweld (aan de lopende band moorden zonder erbij na te denken); het bewustzijn uitschakelen uit zelfbehoud. Doordat hij het werk gaat begrijpen, wordt zijn boek juist een eerbetoon aan de arbeiders. Wat zijn moreel op peil houdt is de liefde voor zijn vrouw, hun puppy PokPok, zijn kracht, het leven en de solidariteit tussen hem en zijn collega's. Paradoxaal is dat hij tot de ontdekking komt dat hij door het geestdodende werk mentaal tot rust is gekomen en 'zijn fokking angstaanvallen'  zijn verdwenen.

De Franstalige titel À la ligne betekent niet alleen 'aan de lopende band', maar duidt ook op de opmaak van de tekst die volledig 'aan de kantlijn' is geschreven.

Als motto heeft hij gekozen voor een uitspraak van Apollinaire. 'Het is ongelooflijk wat je niet allemaal kunt verdragen', waarmee hij al aangeeft dat hij het afzien en oprekken van zijn grenzen heeft ingezet als thema.

Om niet te verzanden in afstomping, is het zijn redding dat hij zijn klassiekers kent en daaraan kan denken. Hij maakt gebruik van name dropping, citeert onder andere Zola (De mijn, de eerste vakbond) en Apollinaire (die ook gebruik maakte van de perspectiefverschuivingen tussen 'ik' en 'jij', en met zijn gedicht Zone een half-surrealistisch beeld schetst van de rafelranden van een gemeenschap.) Hij 'zingt luidkeels overstemd door het lawaai van de machines' de liedjes van Charles Trenet en in gedachten converseert hij met Proust, Baudelaire, Hugo, Beckett, Marx. Tijdens het werk heeft hij alle tijd om over de literatuur na te denken en ontstaat het plan om alles op te schrijven, waarbij het tempo van het werk het ritme maakt van zijn tekst. Ondanks de ferme taal die hij gebruikt, leest het boek als poëzie in proza, lieflijke taal, en krijgt de fabriek zo nu en dan zelfs iets poëtisch.

'Welke poëzie valt er te ontdekken in de lopende band het razende tempo en het geestdodende werk/In machines die het nooit goed doen of veel te snel gaan/In die eindeloze nacht waar het vale licht van de tl-buizen weerkaatst op de witte tegeltjes van de muren het roestvrij staal van de werktafels de transportbanden de viesbruine vloer/In de dode dieren die je de hele nacht door loopt te duwen tot aan het krieken van de dag/Geen vogel komt ooit door een verborgen kier naar binnen vliegen'

Door gebruik te maken van humor, bijtend sarcasme en zelfspot is dit erudiete, uiterst originele debuut zeker geen sombere leesbeleving. De volharding en de eerlijkheid geven het zelfs een ontroerende toets. De ritmische, hallucinante, puntige en poëtische teksten heeft Floor Borsboom fantastisch omgezet in het Nederlands. Van Ponthus zal er helaas geen tweede roman meer verschijnen, daar hij op 23 februari 2021 aan de gevolgen van kanker is overleden.

Titel: Aan de lopende band. Aantekeningen uit de fabriek
Auteur: Joseph Ponthus
Vertaling: Floor Borsboom
Pagina's: 264
ISBN: 9789029540636
Uitgeverij De Arbeiderspers
Verschenen: juli 2020