zondag 16 mei 2021

Ernest van der Kwast - Ilyas

Recensie door Mireille Bregman
Uitgeverij De Bezige Bij

Rembrandt kareem

Hoofdpersoon Peter, conservator in het Boijmans van Beuningen en hoofdpersoon Ilyas, een jongeman met veel schulden, ontmoeten elkaar in dit boek, maar dat is niet vanzelfsprekend. Eerst moest Peter ontslagen worden n.a.v. een afwijkende mening over een nieuwe Rembrandt. Vervolgens komt hij thuis te zitten, heeft geen flauw benul wat te doen (weet niet eens hoe het koffiezetapparaat werkt), ook omdat hij zijn vrouw en zoons niet echt spreekt over hun bezigheden. Kort gezegd ging hij tot dat moment met plezier naar zijn werk en voor de rest liep hij overal op achter en voelde zich ‘vader, echtgenoot hors concours’. Mooi gezegd.

En dan blijkt er een slecht Nederlands sprekende schoonmaakster elke week het huis schoon te maken. Peter, verrast en geïnteresseerd naar het waarom en hoe, hoort Djemines verhaal over haar schulden en gaat ermee aan de slag. Raakt verbijsterd door het financiële systeem van iets niet kunnen betalen – boetes – deurwaarders – incassobureaus; het lijkt wel een markt die bewust zo in stand gehouden wordt. En dan neemt Djemine Ilyas mee, een 20-jarige jongen zonder werk, al in de bak gezeten, kortom iemand die een zetje nodig heeft. Zonder verder veel van de inhoud weg te geven, wil ik zeggen dat de verhaallijn tussen Peter en Ilyas zich ontwikkelt; het werd “echt”.

Enerzijds luchtig, met vaart en humor (een paar keer echt gelachen), anderzijds ook goed serieus met deze maatschappelijke thema’s. Het verschil tussen de kunsthistoricus die in alles verftoetsen en penseelstreken ziet en de jongen die hem wat meer over het straatleven en het menselijke bijbrengt. (Ilyas leert hem de wens “Ramadan kareem”, waarop Peter automatisch “Rembrandt kareem” antwoordt.) De verschillen, maar ook overeenkomsten, tussen oude en nieuwe bewoners in een wijk. Waarom je soms complete huisraad aan de weg ziet staan. Wat het nut is van werk en waarom je anderen zou helpen – of niet. Waar je je identiteit aan ontleent. En dan heb ik het nog niet gehad over de “problemen” waar enkele hoogopgeleide bewoners mee te maken hebben: wel/geen minnaar, losgebroken wandelende takken en Himalayazout. Het geeft te denken. Met een essentiële rol voor Titus en ook een beetje voor Homeros. Als je het boek hebt gelezen, snap je waarom ik het tekstfragment over Odysseus erbij heb gezocht (Odyssee, boek 23, r.156).

Op de middelbare school las ik van dezelfde auteur IJsmakers voor mijn lijst, Ilyas raad ik daarvoor ook van harte aan.

In het nawoord vertelt Ernest van der Kwast over de stichting Rotterdamse Douwers, een project waarbij Rotterdammers zich belangeloos inzetten voor jongeren die hulp nodig hebben.

Titel: Ilyas
Auteur: Ernest van der Kwast
Pagina's: 272
ISBN: 9789403160801
Uitgeverij De Bezige Bij
Verschenen: oktober 2020

woensdag 12 mei 2021

Elsa Triolet - De vrouw in de bontjas

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Vleugels

Verloren jeugd van een luxepoppetje

In de klassieke novelle De vrouw in de bontjas voert Elsa Triolet een vrouwelijke ik-figuur op, die zich heeft gevestigd in Nice. Duitsland is Frankrijk binnengevallen en op haar vlucht richting het zuiden is het hoofdpersonage alles kwijtgeraakt: de luxe die ze gekend heeft in haar jeugd, haar kamer in Parijs 'vol roze, gecapitonneerd satijn', en de mensen die maakten dat ze zich niet alleen op de wereld voelde. Ook Tony, haar getrouwde minnaar, is in een meinacht in Parijs in rook opgegaan. In de acht jaar dat hun affaire duurde, was ze het wel gewend om altijd op hem te wachten; vele boeken heeft ze in ledigheid gelezen in afwachting van zijn bezoekjes. En nu is haar verteld dat hij is overleden. Hij was het laatste wat ze had en het gemis is groot.

De armoedige omstandigheden waarin ze verkeert, vallen haar zwaar, – 'Tony zei altijd dat ik een luxepoppetje en een hedonist was' met name de weinige uren dat ze beschikt over warm water. De gastoevoer wordt veelal na twee uur alweer afgeknepen, met alle gevolgen van dien wanneer het gas na verloop van tijd weer begint te stromen en de bewoners hebben verzaakt om de gaskraan dicht te draaien. De oorlog maakt dat ze bitterhard met zichzelf wordt geconfronteerd, uren in de rij moet staan voor vlees en een klontje boter van amper 25 gram. Ze kan niet anders dan de conclusie trekken dat ze nooit haar handen uit de mouwen heeft gestoken. Zo goed en zo kwaad als ze kan, laveert ze tussen de ongemakken door en probeert ze dapper haar weg te vervolgen, terwijl haar gedachten blijven draaien om haar herinneringen en dromen van vervlogen tijden, en ze zich afvraagt of haar bestaan de moeite nog waard is.

Door gebruik te maken van de stream of consciousness, waarmee ze de gedachtestroom en gemoedstoestand van haar hoofdpersonage met elkaar laat vervloeien, maakt de auteur het verdriet, gemis en de vertwijfeling voelbaar. Toch laat ze de ik-figuur geen klaagzang opvoeren, ze laat haar opmerkzaam en realistisch zijn over de glorie die bezig is te vergaan en nauwlettend de kleinste details opmerken van het gebeuren om haar heen.

Dan spreekt een oude grijsaard haar aan, die haar uitnodigt mee naar zijn huis te gaan, om samen te eten.

'Hij ziet eruit als iets wat vergeten in een hoekje van een tweedehands winkel onder een berg andere spullen ligt. Hij draagt een grote, grauwbruine overjas waar de rafelranden van zijn broek maar net onder vandaan steken, zijn handen verdwijnen in de lange mouwen en de kraag komt tot ver over zijn ongeschoren wangen, waar de randen van een morsige, slappe, zwarte hoed overheen hangen.'


In een luxueus ingerichte villa zetten ze zich aan de dis, ruimschoots gedekt met prachtig servies en verfijnde gerechten. De oude man blijkt te beschikken over grote sommen cashgeld en hij biedt haar een bedrag voor haar nertsbontmantel. Te weinig naar haar zin, het is het enige wat ze nog over heeft van haar bestaan van voor de oorlog, maar gedreven door geldgebrek zwicht ze met de belofte terug te komen zodra de weersomstandigheden beter zijn geworden en ze haar warme jas kan missen. Ongetwijfeld had ze bij een andere opkoper meer voor haar jas kunnen beuren, maar ze kent zichzelf als geen ander en weet dat ze het liefst voor de makkelijke weg kiest.

Wanneer ze de boodschap krijgt dat Tony nog in leven zou zijn, is ze zich ineens pijnlijk bewust van haar verloren jeugdigheid en tanende schoonheid – 'Zelfs in het donker kan ik onmogelijk illusies over mijn lichaam koesteren' – en bekruipt haar de angst dat haar aanblik hem na al die tijd niet meer zal bevallen. Haar verlangens leggen haar angst en onzekerheden bloot.

 

'Ik heb in de spiegel gekeken...
Er is geen redden maar aan. Het materiaal waar mijn lichaam van was gemaakt, was te kwetsbaar, kwetsbaar als sommige stenen die door de wind worden uitgehold, als sommige zijden lappen die verslijten, als sommige legeringen die breken... Het was mooi toen het nieuw was.'


Voordat ze definitief beslissen zal of ze haar minnaar nog wel onder ogen durft te komen, bedenkt ze dat ze de geweekte peulvruchten nog moet koken. Deze moeten immers uren op staan.

De joodse Elsa Triolet (1896 – 1970) werd geboren in Moskou, dat ze in 1917 verruilde voor Parijs vanwege haar huwelijk met een Franse officier. In 1938 debuteerde ze met haar Franstalige roman Bonjour Thérèse. Op literair gebied bleef ze lange tijd in de schaduw staan van haar tweede echtgenoot Louis Aragon, tot ze in 1944, als eerste vrouwelijke auteur, de prestigieuze Prix Goncourt won. In Nederland is ze veel te lang onopgemerkt gebleven en het is Uitgeverij Vleugels dan ook te prijzen dat deze verrassende novelle in hun fonds is opgenomen. De vloeiende vertaling door Eva Wissenburg is fris, zonder afbreuk te doen aan de tijdgeest van weleer. Een zeer prettige kennismaking met een vergeten auteur.

Titel: De vrouw in de bontjas
Auteur: Elsa Triolet
Pagina's: 48
ISBN: 9789493186309
Franse reeks
Uitgeverij Vleugels
Verschenen: mei 2021

zondag 9 mei 2021

Marc Schoorl - Zes broers en een zus. Autobiografie van een romanpersonage I

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij DHZ GVD de Vrijbuiter


De weerslag van een gecompliceerde vader op een gezin

Het gezin van Adri van Hargen – bestaande uit vader, moeder, een dochter en vijf zonen – woont in de jaren zestig van de vorige eeuw in de achterstandswijk van Wassenaar en moet zijn best doen de eindjes aan elkaar te knopen. Het verhaal speelt zich voornamelijk af binnen de kaders van het vrome gezinsleven, waarin de dogmatische Adri een bepalende rol speelt. De man is bij lange na niet dom, maar nou ook niet direct behept met enig empathisch vermogen, mede doordat hijzelf het slachtoffer is van zijn eigen psychisch functioneren. De obsessieve, manische perioden – die zich kenmerken door ongeremd gedrag en explosief ontploffen – zorgen voor een huis vol dreiging en hebben een grote weerslag op de gemoederen binnen het gezin, dat bijna uit gewoonte op eieren loopt. Ook al verliest hij vaak het welzijn van zijn gezin uit het oog en weet hij de meest simpele dingen voor hen te verpesten, hij kan ineens tot inkeer komen en als een kind zo verdrietig en schuldbewust reageren.

Deze omstandigheden vormen niet alleen de kinderen, maar ook moeder past zich vaak, in weerwil van zichzelf, aan de grillen van haar echtgenoot aan. En Adri? Hij zoekt zijn ‘erbarmen. Bij Bach, bij de Kerk van Rome en bij de hond.’ Het lijkt er vaak verdacht veel op dat vrouw en kinderen hem in bescherming nemen, maar omgekeerd is dit slechts zelden het geval. Moeder heeft de schone taak om de hele santekraam draaiende te houden en haar aandacht te verdelen tussen haar man en bekvechtende kinderen.

'Er was niemand die zo moedeloos kon zuchten als zij. Ze leidde nauwelijks een eigen leven. Ze streepte zichzelf graag weg. Waar ‘m dat in zat, ben ik nooit te weten gekomen. Misschien was het haar geloof. Dienstmeid in dienst van God. Ze sprak er niet over, zoals ze erg weinig over zichzelf losliet […]'

Steevast zoekt Adri de schuld voor zijn fouten buiten zichzelf, kleineert zijn vrouw, stelt veel te hoge eisen aan zijn kinderen en refereert voortdurend en belerend aan zijn stokpaardjes: de oorlog, Hitler en zijn God. Vooral wanneer hij ineens tot ’s avonds laat aan het werk is en dwangmatig alle begrafenissen in de buurt – zelfs van onbekenden – afloopt, is de spanning om te snijden. ‘O jee, de blaadjes vallen. Daar gaan we weer.’ Vader glijdt weer af in zijn droefgeestigheid, krijgt dwanggedachten, ligt dagen gillend in bed in gevecht met zijn demonen. Als een soort zelfkastijding scheert hij zichzelf woest tot bloedens toe.

'Wat was dat toch altijd met die man? Waarom kon hij niet zo zijn als andere vaders? Waarom moest altijd alles verkeerd gaan? Altijd ellende inderdaad.'

De roman biedt een herkenbaar tijdbeeld van de mores en het taalgebruik in de zestiger en zeventiger jaren, waarbij de auteur zichzelf soms wel wat verliest in al te uitvoerige beschrijvingen, en hij de jaartallen van sommige gebeurtenissen of actualiteiten creatief heeft ingezet. Ondanks de rauwe omstandigheden en de impact die de godvruchtige, wispelturige vader heeft op het gezinsleven, heeft Schoorl echter geen somber en zwaar boek geschreven. Hij heeft een goed evenwicht gevonden tussen het onverbloemd beschrijven van het ingewikkelde gedrag van het gezinshoofd en het op een luchtige en kolderieke manier verwoorden ervan. De gezinsleden, die door hun gezamenlijke vrees voor het gedrag van hun vader erg solidair zijn met elkaar, hebben, ieder voor zich, te maken met hun eigen worstelingen onder de miserabele omstandigheden, en daardoor creëren ze juist letterlijk afstand tussen elkaar, terwijl hun moeder haar uiterste best doet om de gemoederen te sussen en een hecht gezin te lijken.

Een onbekende figuur is Schoorl niet in de literaire wereld. Eerder al publiceerde hij artikelen over literatuur, onder andere in Vrij Nederland, De Gids en De Groene Amsterdammer. De afgelopen tien jaar heeft hij zich beziggehouden met het schrijven van een trilogie, waarvan Zes broers en een zus het eerste deel is. Ook de volgende twee zullen dit jaar nog verschijnen.

In de inleiding schrijft de auteur dat hij zich heeft laten inspireren door de ‘ragfijne en verwaaide herinneringen’ – van zichzelf en de overige ‘karikaturen’ – die hij voor dit boek heeft samengevoegd. De ondertitel van het boek is; ‘Autobiografie van een romanpersonage I’. Hierin schuilt iets paradoxaals, omdat je in het geval van een autobiografie immers niet spreekt van ‘romanpersonages’. Het verhaal is een chronologische, maar vrije reconstructie van zijn jeugd, gezien door de ogen van de jonge Cor. Wat de scheidingslijn tussen feit en fictie is, is voor het verhaal en de leesbeleving van de lezer niet van belang. Desalniettemin benoemt hij dat hij dit boek pas heeft kunnen schrijven ná de dood van zijn ouders.

'Want mijn vader zou het niet gepikt hebben en hij zou zijn toorn niet op mij richten, maar wraak nemen op zijn vrouw. En zijn toorn was niet mals, wel bijbels, oudtestamentisch zelfs, maar bepaald niet goddelijk.'

De schurende gebeurtenissen zijn met een flinke dosis tragikomische humor doorspekt; recht voor zijn raap. De ontwrichtende en uiterst pijnlijke situaties waarin de gezinsleden door het verknipte gedrag van Adri regelmatig belanden, zijn dieptriest te noemen, maar Schoorl weet de lezer steeds weer een glimlach om de lippen te toveren.

Eerder verschenen op Tzum

Titel: Zes broers en een zus. Autobiografie van een romanpersonage I
Auteur: Marc Schoorl
Pagina's: 440
ISBN: 9789083116808
Uitgeverij DHZ GVD de Vrijbuiter
Verschenen: december 2020

dinsdag 4 mei 2021

Dietske Geerlings - Tere min

Recensie door Marijke van der Hoek
Uitgeverij Pumbo


Wonderschone muziek… klinkt er uit deze novelle

De novelle begint met een lied van Hadewych, een dertiende-eeuwse begijn en mystica die gedichten schreef, haar mystieke minne poëzie gaat meestal over onvervulde of onbereikbare liefde. 

De hoofdpersoon start de dag op de begraafplaats, een cyclische plek in dit verhaal. De begraafplaats is ’s morgens adembenemend schoon en allesbehalve stil, je hoort er de uitbundige conversaties van vogels. Ze eindigt de dag er ook. ’s Avonds is het er spookachtig mooi en er is altijd wel een moment waarop alles stil valt:
‘ik hou zoveel van het ontbreken van geluid’. Maar ze is er niet alleen. Ze ontmoet er ‘de stille verschijning aan de rand van haar waarneming’. Die twee hebben iets gemeen, beiden hebben ze een gemis. Zij heeft sinds haar geboorte geen haargroei.

“… ik worstelde met mijn kaalheid… dat ik als een log beest met mij mee sleepte…” (blz 15)

Hij, leunend op een kruk, mist een been.
Hij heeft gezien dat zij vogels spot, heb je de vuurvogel ook gezien… die laat zich niet kooien, niet vangen in een voorstelling. Net als de klaprozen in jouw ogen en de zonnestralen op jouw vleugels. De vuurvogel is een van de symbolische lijnen in deze novelle, er komen kleine gegevens uit dit sprookje hier terug, bijv. de naam Helena, of de opoffering.

De man maakt haar attent op:

“… de gouden appels, in een kleine streep zonlicht goud kleurend..” (blz 27) 

verwijzend naar de vuurvogel die gouden appels steelt. De magische vuurvogel staat ook voor dood en hergeboorte, voor zon.. 

“… hoeveel verschillende gedaantes de vuurvogel kon aannemen zou ik nog aan den lijve ondervinden…” (blz 24)

De vuurvogel verwijst indirect naar de afloop van het verhaal.

De man, hij nodigt haar uit in zijn huis. Daar bouwt hij aan een theremin, deze bespeel je door de magnetische golven tussen twee antennes te beroeren. Je maakt muziek van wat er niet lijkt te zijn. Net als de fantoompijn aan je knie die er niet meer is. Wat er niet is, neemt toch ruimte in… haar ontbrekende haar.

De theremin maakt het onzichtbare zichtbaar, hoorbaar. Zij vergelijkt dit met de onzichtbare wind die de lange haren van de treurwilg beroert. Zij zag alles als een theremin… had zij hem niet al ‘vele malen’ ontmoet nog voordat zij hem ontmoette? Hadden zij beide de magnetische lijnen tussen hen in beweging gebracht?

De theremin, de wereld als een groot magnetische veld, waarin alles en iedereen elkaar in beweging kan brengen. De theremin als symbool voor de liefde, voor menselijk contact.

Maar het is ook een tere min, een teder beminnen… Hij zei:

“… er gaat weinig boven de tere min, terwijl hij zijn handen boven mijn hoofd hield zonder me aan te raken…” (blz 46)

Waarom betekent hij zoveel voor mij, vroeg ze zich af. Ik weet niet eens zijn naam en hij niet die van mij. Was het zijn haar? Waren het zijn ogen? Wie was hij in essentie? Hij gaf haar in ieder geval inzicht. Inzicht in iets wat er niet is en toch van iemand kan zijn, de magie van het niets, van het wezen, van de kern van het bestaan, dat is iets wat ook Hadewych in haar gedichten zichtbaar maakt.

De tekst is zorgvuldig gecomponeerd, als muziek van de theremin, als poëzie:

“… een vuurvogel ontsnapte …
klapwiekend maakte een lichte opwinding zich …
ik maakte mij los …
het zonlicht…” (blz 66-67)

De muziek van De vuurvogel van Strawinsky raakte haar meer dan ooit, ze werd meegetrokken in het allesomvattende niets, het raakt aan een mystieke ervaring, een eenheidservaring. Zo fragiel, zo kwetsbaar en tijdelijk als de zeepbellen van het meisje bij de bloemenkraam.
In de vuurvogel wordt een offer gebracht, ook hij, de man, heeft een offer gebracht! Een offer dat hem…… Of ik er spijt van heb?

“… spijt gaat een bijtende verbinding aan met missen. Het zuur overtreft iedere oplossing …” (blz 92)

Het verhaal kent eigenlijk twee lijnen die typografisch duidelijk zijn onderscheiden. Deze twee lijnen lopen synchroon en raken elkaar geregeld, zeker wat betreft de beschrijving, uitwerking van de emoties. Ze vullen elkaar aan, ze zijn complementair. Of is het toch één verhaallijn? Zijn het aanvullingen op die eerste lijn?

Steeds opnieuw word ik getroffen door de prachtige taal.

“… er komt een tijd dat de taal tekort schiet, juist als de schatkist van woorden rijkelijk gevuld is, dat er niets is wat past, precies past op het stukje dat jij wilt vangen…” (blz 94)

“…Er is een instrument waarmee je door wat er ontbreekt, de ziel kunt raken…” (blz 131)

Tere min, een boek met een diepe inhoud, poëtische teksten, filosofisch, symbolisch… waarin een klein boek groot kan zijn! Voor mij was het genieten! Een boek dat bij herlezen elke keer een stukje van haar ziel verder zal blootleggen!

Dietske Geerlings ken ik van boeken die in poëtische taal zijn vorm gegeven. Zij heeft voor mij haar naam weer dubbel en dwars waargemaakt!

Titel: Tere min
Auteur: Dietske Geerlings
Pagina's: 140
ISBN: 9789082955385
Uitgeverij Pumbo
Verschenen: maart 2021

zaterdag 1 mei 2021

Nico Dros - Willem die Madoc maakte

Recensie door Koen de Jager
Uitgeverij Van Oorschot


Een Middeleeuwse schipbreukeling 

Willem die Madoc maakte van Nico Dros is een historische roman die geschreven is rondom de onbekende auteur van het beroemde verhaal Reynaert de Vos. Deze auteur kennen wij onder de naam Willem en het verhaal van Reynaert begint met de zin ‘Willem, die Madocke maecte’. Willem heeft naast het verhaal Van den Vos Reynaerde dus blijkbaar ook een verhaal over ene Madoc gemaakt. Echter, dat is niet terug gevonden en niemand weet wie of wat Madoc is. Genoeg om een roman omheen te weven en dat is wat Dros hier gedaan heeft.

Het verhaal begint in het hier en nu, als mediëvist Willem de Reuvere een paar originele boeken in zijn bezit krijgt die zijn hart sneller doen kloppen. Een versie van het zeldzame Antwerps Liedboek, een zeldzame druk uit de 16e eeuw en een middeleeuws verzamelhandschrift. In die laatste vindt hij Het verhaal van Reynaert de Vos en hij is er van overtuigd dat het gaat om een authentiek handschrift van Willem. Uiteraard hoopt hij het verloren gegane verhaal van Madoc te vinden, maar vooralsnog vindt hij dat niet. Wel vindt hij, verborgen in de kaft van het boekwerk, een kortschrift dat hij tracht te ontcijferen. Omdat dit niet vlot begint hij aan een verhaal, wat uitmondt in de roman die wij hier lezen.

Een jongen is de enige overlevende van een schipbreuk en wordt opgenomen in een klooster. Hij wordt Beda genoemd en hij krijgt onderricht in lezen en schrijven. Door zijn kopieerwerk verwerft hij een hoop kennis, maar hij heeft ook last van een ascetische monnik. Hij, maar ook zijn medeleerlingen worden door deze Elmus verkracht. Beda neemt wraak op hem door hem een paar maal te geselen. Als blijkt dat anderen zijn geseling afmaken en Elmus vermoorden, vlucht Beda. Hij komt terecht in een dorp nabij Brussel waar hij samen gaat wonen met Veerle. Hij noemt zich inmiddels Madoc, omdat hij weet dat over Beda inmiddels een pauselijke banvloek is uitgesproken.

Madoc weet dat hij niet bij Veerle kan blijven, hij wil naar Parijs. Onderweg komt hij echter terecht bij een graaf en zijn gemalin. Daar weet hij zich als raadgever populair te maken. Hij brengt de grafelijke bibliotheek op orde en diept allerhande vergeten overeenkomsten op en verdient zo geld voor de graaf. Tegelijkertijd krijgt hij nachtelijk bezoek van een dame en jawel, de gravin blijkt zwanger. Madoc bekwaamt zich ook in het zwaardvechten en gaat het duel aan met een beruchte strijder, dat hij natuurlijk wint.

Tussendoor wordt er nog een bisschop vermoord, gaat de graaf naar het slagveld en lachen de edelen om een oud geschrift over ene Reynaert de Vos. Ook ontwikkelt Madoc en passant een nieuw pachtstelsel voor de graaf. Het is duidelijk dat de grafelijke zoon van Madoc is, maar het komt niet uit. De gravin neemt wel afstand van Madoc en als de graaf sterft vluchten Madoc, de gravin en zijn zoontje het kasteel uit. Hier scheiden hun wegen, de gravin en hun zoon gaan naar het zuiden van Frankrijk.

Madoc blijft in Parijs en bekeert zich tot de geesteswetenschappen. Hij gaat colleges volgen en neemt tijd voor bezinning. Zo doet hij een ontdekking over de geest;

‘Het betekent dat de geest,’ prevelde hij, ‘geen entiteit uit het bovenmaanse is, maar dat deze een natuurlijke, een aardse oorsprong heeft.’ Dit levensbeginsel stond haaks op de premissen van het christelijk geloof, haaks op alle gangbare ideeën omtrent de sferen van het ondermaanse en het bovenmaanse.' 


Die gedachte, daar zou hij nog last mee krijgen. Hij besluit om toch zijn zoon achterna te reizen, maar onderweg komt hij Wijchje tegen. Die was terug naar Vlaanderen aan het reizen van een onderbroken bedevaart naar Santiago de Compostella en Madoc belsuit bij haar te blijven. Ze gaan in Vlaanderen wonen, krijgen een dochter die helaas overlijdt. Wijchje verliest zich in de Heer en besluit als Hadewijch in een begijnhuis te gaan wonen. Madoc heeft zich inmiddels opgewerk als beheerder van landerijen en gaat verhalen schrijven onder de naam van Willem. U raadt het; hij herschrijft het verhaal over de vos en schrijft een verhaal met de naam Madoc, waarin hij zijn ketterse ideeën verwerkt.

Dat laatste brengt hem in de gevangenis en uiteindelijk wordt hij ingemetseld in een cel om te sterven. Hoe dat afloopt vertel ik hier maar niet.

U merkt, er gebeurt ontzettend veel en dat is precies wat er voor mij aan schort in dit boek, want de helft heb ik nog weggelaten. Er zijn nogal wat losse eindjes. Madoc zou een koningskind zijn uit Wales. Hij ontmoet ook Welshmen die hem zelfs de namen van zijn grootouders geven, maar er gebeurt niets mee. Madoc verlaat Veerle en ziet de gravin met zijn zoon vertrekken. Hij reist ze achterna, maar vertrekt net zo goed weer naar het noorden. De zoon zien we niet meer terug. Verder lijkt echt alles in dit ene verhaal te moeten zitten: een klooster en scriptorium met wijze leermeesters, maar ook met mishandelingen. Moord, kastelen en graven, een veldslag en een duel. Geesteswetenschappen, inquisitie door de kerk, ketters en brandstapels, beroemde werken, een verwijzing naar de beroemde dichteres Hadewijch, het duizelt af en toe.

Verder zijn er twee uitstapjes naar het heden, die voor mij niet zoveel toevoegen. Daarin komen we Willem de Reuvere en zijn kat Pablo weer tegen en het is bevreemdend om dan ineens te lezen over Louis Couperus bijvoorbeeld.

Wat wel prima is, is dat het verhaal goed doorleest, je verveelt je geen moment en voor iemand die niet zo thuis is in de Middeleeuwen komt het hele spectrum wel in 592 pagina’s voorbij.

Titel: Willem die Madoc maakte
Auteur: Nico Dros
Pagina's: 592
ISBN: 9789028223035
Uitgeverij Van Ooschot
Verschenen: april 2021

donderdag 29 april 2021

Rob Schouten - Dit moet dus de werkelijkheid zijn

Recensie door Dietske Geerlings
Uitgeverij De Arbeiderspers


‘Maar op het dronken pad naar bed knerpt het vooral van de kiezels’

In de titel van Rob Schoutens nieuwe bundel, Dit moet dus de werkelijkheid zijn, klinkt teleurstelling door. Tegelijkertijd voel je de ironie, vooral door ‘dus’, want wat is nu de werkelijkheid? Alsof die zomaar in een woord te vangen is, en alsof er zo eenvoudig een conclusie te trekken valt! Volgens de achterflap ‘rammelen realiteit en actualiteit nadrukkelijk aan de poorten van zijn omwalde vesting. Is het de toegenomen leeftijd van de dichter of de opdringerige aard van de werkelijkheid?’

Het openingsgedicht houdt een ironisch pleidooi voor onwetendheid: ‘het nieuws nietszeggend springliedje,/links rechts en van je brexit trump.’ Als je toch niets zou weten, dan zou het leven een stuk eenvoudiger zijn, al loop je dan wel het risico dat door je naïviteit je persoonlijkheid ineens op straat ligt: ‘Voor ik het wist ja wist was het geschied,/bleek ik alles met iedereen te delen,/en weg, extase van het ik!’ Echter, of de ik, die wél op de hoogte is van alles, er nu beter aan toe is, is maar de vraag, want: ‘Nu heb ik het gevoel voor proporties/en doe genuanceerde uitspraken,/heb weet van homocysteïne./ Geen idee waarom dit alles,/o rijke geest, o zoete dood, o niets!’ Van kennis wordt een mens inderdaad niet per se gelukkiger. De toon is gezet.

Vanaf de Ortelius, een cruiseschip op weg naar de Noordpool, is er in het gedicht Thule uitzicht op ‘de wit uitgeslagen wereld/van seks noch woordenwisseling,/waar ook de nacht het niet meer doet,/geen aap rechtop verzint,/zijn we er dichterbij dan ooit...’ Na een witregel komt de conclusie: ‘Dan moet dit dus de werkelijkheid zijn.’ Hier is de ironie wat subtieler dan in het openingsgedicht. Thule roept avontuur op. De realistische beschrijving van de activiteiten op het schip – ‘Thai komen soep in kommen schenken,/arctische lezingen zijn er’ – doorbreken langzaam dit beeld. Hoezo avontuur? Zulke reizen zijn immers bereikbaar voor iedereen met geld. Door de opgebouwde spanning roept de slotzin kritische vragen op: is het verantwoord dat mensen dit soort reizen maken, alleen voor hun eigen persoonlijke ervaring, om een bijzonder stukje ‘werkelijkheid’ te ontdekken? In hoeverre is die wit uitgeslagen wereld waarin nauwelijks iets te zien is, meer of minder werkelijkheid dan de drukte thuis?

De ik zit zichzelf herhaaldelijk in de weg: ‘Ik vind de liefde ingewikkeld,/volgens mijn vriendin snap ik het niet,/is zij mijn ex. Misschien hebben amoeben/en lage diersoorten het makkelijker.’ Het komt, net als in het openingsgedicht, wat larmoyant over, alsof de ik zit opgescheept met zijn eigen denkvermogen. Als je erop gaat letten, is er nog veel meer geklaag te horen, weliswaar gemaskeerd door ironie, maar toch. Zo begint De kroon op de schepping met ‘Ik kijk corona want er is niks anders./Maken wij ook wat mee; ik dacht al zonder/gebeurtenis te moeten sterven maar/gelukkig zie ik artsen en agenten.’ Ook hier vergelijkt hij de mens met amoeben: ‘we zwellen maar en slinken naargelang/op een niet serieus te nemen aarde.’ Er is inderdaad weinig wat door de dichter serieus wordt genomen, zo blijkt ook uit de zelfspot:

Ik ben die hele oorlog misgelopen
opdat ik ongestoord kon puberen
richting gesubsidieerd dichterschap,
en nu, ondanks de verkoopcijfers,
legt mij mijn uitgever geen strobreed in de weg.’

De ik lijkt teleurgesteld in het leven. Hij maakt zo weinig mee dat er straks bij zijn dood nauwelijks iets ‘zwaars’ over hem kan worden gezegd. Het is zo treurig dat je er vanzelf om moet lachen.

Helaas is de humor ook regelmatig plat en smakeloos, zoals in ‘Lust’ waar de ik nogal opschept over pikante houdingen die hij durft aan te nemen, en dan afsluit met: ‘Maar het grootste genot vind ik/uitstekende titels/en toeschietelijke teksten;/met mijn vingers duw ik pagina’s uit elkaar/en dring de zinnen binnen/roodgloeiend van de endorfine.’ Is de afdeling minneliederen misschien vooral voor mannen in de herfst van hun leven bedoeld?

'Pas op!

Echt, liefde valt op
onze leeftijd anders,
meer als een os
of muilezel.
Uit is de balts,
de musth, het burlen.
De billen brillen
van je lief.

Maar niet heus!
Hormonen spuiten jubilerend
uit dorre tepels,
het bed knarst
en ex-roofdier
kraakt de code
van de zogenaamd
sleetse vagina'

Toegegeven, de dichter speelt met de taal door doelbewust woorden te kiezen die lijken op andere woorden in deze context. Zo roepen de spuitende hormonen het woord ‘ejaculerend’ op, dat er weliswaar niet staat, maar wel een echo vindt in ‘jubilerend’. Die vondst is dan in elk geval subtieler dan de klankovereenkomst tussen ‘titels’ en ‘tieten’, of nog erger, ‘pagina’ en ‘vagina’.

Het vervelende is dat er maar een paar platitudes in een bundel hoeven te staan – en deze bevat er meerdere! – om een algeheel gevoel van teleurstelling op te roepen, die niet meer goed te kenteren is.

Titel: Dit moet dus de werkelijkheid zijn
Auteur: Rob Schouten
Genre: Poëzie
Pagina's: 72
ISBN: 9789029543767
Uitgeverij De Arbeiderspers
Verschenen: maart 2021

maandag 19 april 2021

Olga Tokarczuk - Jaag je ploeg over de botten van de doden

Recensie door Roosje
Uitgeverij De Geus

Ode aan William Blake

Pas na een dertigtal pagina’s kom je erachter dat de hoofdpersoon van dit boek een vrouw is, en het duurt nog vele pagina’s daarna voordat haar naam bekend wordt: Janina Duszejko.
Dat vond ik heel opmerkelijk. Een oude ziekelijke vrouw, die alleen woont op een berg in de buurt van de grens met Tsjechië, is het zinderende middelpunt van deze roman. Ja, zinderend is een begrip dat best gebruikt mag worden. Hoe oud ze is, wordt niet duidelijk, maar dat is niet erg. Drie kwart van de roman getuigt van een heerlijk zelfbewustzijn en van een krachtige, maar ook duistere energie. De auteur is helemaal verstopt in Janina’s hoofd. In het begin zien we door haar ogen.

Ik ben van mening dat ieder van ons een ander mens op zijn eigen manier ziet…’ (2020: 28)

Want de beste gesprekken heb je met jezelf. Dan krijg je tenminste geen misverstanden.’ (ib.: 39)

Wanneer een Mens Woede voelt, lijkt alles soms voor de hand liggend en simpel. Woede zorgt voor orde, laat de wereld in een notendop zien; Woede herstelt ook de gave van de Heldere Blik, wat in andere toestanden zeldzaam is.’ (ib.: 40)

Heerlijke zinnen van dit soort nestelen zich in je hoofd; ik had de neiging zo’n beetje alles wat Tokarczuk in het begin aan ons openbaart, te willen noteren; gewoon alles overschrijven. Die zinnen alleen al hebben zoveel zeggingskracht dat het verhaal er, wat mij betreft, niet toe doet. Maar er is wel een verhaal. In de omgeving van Janina en haar buurman Eunjer worden lijken aangetroffen van mannen; mannen die niet deugen. Wat er in ieder geval niet aan hen deugt is dat zij jagen en wrede mensen zijn. Janina is ervan overtuigd, zo lijkt het, dat de dieren uit de omgeving, reeën, zwijnen e.d., het recht in “eigen hand” hebben genomen. Er kleeft iets vreemds aan Janina. Enerzijds wil zij dat de politie de moorden oplost, anderzijds weet zij dat de dieren zich hebben gewroken. Dus waarom zou ze de politie stad weer aanmanen de moordenaar(s) te vinden?

Niet alleen is deze roman zeer feministisch, vooral in die zin dat het volstrekt vanzelfsprekend is dat een oude, onproductieve en zieke vrouw de hoofdrol speelt, maar ook is het een roman waarin de Natuur evenzeer een voor de hand liggende taak heeft. Feminisme en eko-vanzelfsprekendheid komen samen in Janina.

Maar het verhaal, de gebeurtenissen die zich afspelen in het leven van de mensen op de berg of heuvel, ontwikkelt zich. En gek genoeg vind ik dat een beetje jammer. De immense natuurgodin, die ik in Janina zag, wordt een beetje te menselijk. Het verhaal krijgt een betrekkelijk duidelijk einde. De thrillerachtige motieven en elementen werden me een beetje te letterlijk. En dat vind ik jammer. Liever bleef ik vertoeven bij half hallucinerende bergvrouw met haar vreemde en beeldende dromen.

Een heel ander thema in deze roman is William Blake, de Engelse romantische en mystieke dichter. Ik vroeg me direct al af: waarom denkt Janina in hoofdletters, willekeurige hoofdletters. Ik probeerde een relatie te zien met de dichteres Emily Dickinson, die een vreemd, idiosyncratisch hoofdlettergebruik introduceerde in haar poëzie, tot ik steeds vaker las dat Janina samen met haar oud-leerling Dionizy, Dyzio (je zult je kind maar Dionysos noemen…) William Blake aan het vertalen was. Janina gaf Engels in het stadje lager op de berg of heuvel. Dyzio werkt als ‘informaticus’ bij de politie. Ze zegt dat ze weinig van Blake begrijpt met zijn ‘schitterende dramatische beelden’ (ib.: 81): ‘Waar gebeurt het en wanneer? Is het een sprookje of een mythe? Ik vroeg het Dyzio. ‘Het gebeurt altijd en overal’, zei Dyzio met een schittering in zijn ogen.’ (ib.: 81)

De titel van deze roman is ontleend aan een gedicht van Blake, ik weet alleen niet welk…. En dat is wel een beetje stom.

De winter begint vlak na Allerheiligen. […] Dan wordt alles zwart-wit: op de omploegde velden valt sneeuw. “Jaag je ploeg over de botten van de doden’, zei ik tegen mezelf in de woorden van Blake.’ (ib.: 249)

Blakes gedichten zijn zeer mystiek en bezitten een heel eigen mythologie en eigen symboliek, die niet altijd even duidelijk is. Zijn belangrijkste prozawerk, met gravures, The Marriage of Heaven and Hell ontstond in 1790. https://nl.wikipedia.org/wiki/William_Blake en https://en.wikipedia.org/wiki/William_Blake . Blake was ook schilder. Op het album Hoe sterk is de eenzame fietser van Boudewijn de Groot zijn twee liedjes opgenomen van Blake: ‘Kindermeids lied’ en ‘De kleine schoorsteenveger’.

Ik citeer uit de Engelse Wikipedia-pagina, die veel uitgebreider is dan de Nederlandse, om Blakes idiosyncratisch hoofdlettergebruik en zijn eigen mystiek te tonen:

In The Everlasting Gospel, Blake does not present Jesus as a philosopher or traditional messianic figure, but as a supremely creative being, above dogma, logic and even morality:

If he had been Antichrist Creeping Jesus,
He'd have done anything to please us:
Gone sneaking into Synagogues
And not us'd the Elders & Priests like Dogs,
But humble as a Lamb or Ass,
Obey'd himself to Caiaphas.
God wants not Man to Humble himself (55–61, E519–20)’

Zonder dat Janina het beseft leeft zij het leven van een - onder andere - door Blake geïnspireerde natuurmystiek. Ze weet het niet, ze leeft die intuïtie, met een grotere liefde voor de Natuur dan voor mensen.

Hoewel de afloop mij niet helemaal zint is dit beslist een boek om te lezen. Uitzonderlijk van stijl, een ode aan William Blake, en een stuk makkelijker te verteren dan Tolarczuks grote epos De Jacobsboeken. Zonder de Nobelprijs zou ik vermoedelijk niet van haar gehoord hebben en een prachtige auteur gemist hebben.

Auteur

Olga Nawoja Tokarczuk (Sulechów, 26 januari 1962) is een Poolse feministische schrijfster aan wie de Nobelprijs voor Literatuur voor het jaar 2018 werd toegekend.

Tokarczuk was oorspronkelijk psycholoog. Ze haalde haar diploma aan de Universiteit van Warschau in 1985 en opende een praktijk in Wrocław en daarna Wałbrzych. Haar eerste dichtbundel verscheen in 1989 en haar eerste roman in 1993 (beide niet in het Nederlands vertaald). Literair succes kwam na het verschijnen van de romans Oer en andere tijden, in 1996, en Huis voor de dag, huis voor de nacht, in 1998. Sinds 1998 woont ze in de kleine stad Nowa Ruda, waar ze sinds 2015 een jaarlijks literair festival organiseert, Festiwal Góry Literatury.

In 2018 brak ze internationaal door na het winnen van de Man Booker International Prize voor Flights, de Engelse vertaling van haar boek Bieguni uit 2007, dat in het Nederlands is vertaald als De rustelozen.

Haar werk en persoon worden door sommige Poolse nationalisten, onder wie Waldemar Bonkowski van de PiS, als on-Pools gezien. Tokarczuk is een zelfverklaard patriot en verwerpt de aanvallen als xenofobisch en racistisch.

In 2017 is haar roman Jaag je ploeg over de botten van de doden verfilmd door Agnieszka Holland als Pokot (internationale titel: Spoor).

Op 10 oktober 2019 werd bekendgemaakt dat aan haar de Nobelprijs voor Literatuur werd toegekend voor het jaar 2018 (het jaar dat de Nobelprijs wegens enkele schandalen niet was uitgereikt).

Titel: Jaag je ploeg over de botten van de doden
Auteur: Olga Tokarczuk
Vertaling: Charlotte Pothuizen, Dirk Zijlstra
Pagina’s: 304
ISBN: 9789044542806
Uitgeverij De Geus
Verschenen: april 2020

zondag 18 april 2021

Halldór Laxness - Het visconcert

Recensie door Robert Van der Meiren
Uitgeverij De Geus

Laxness … over Laxness

“Een wijs man heeft ooit gezegd dat behalve het verlies van een moeder er niets gezonder is voor een kind dan het verlies van zijn vader.”

Met deze verrassende stelling die de lezer meteen tot filosofisch nadenken aanzet, opent Halldór Laxness Het visconcert, een coming-of-ageroman over een jongen die moet opgroeien zonder moeder en vader. Hoewel dit een van zijn latere werken is – Laxness begon eraan in 1955, het jaar waarin hij de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg – is dit toch de eerste roman waarin hij eigen ervaringen en herinneringen uit zijn jeugd verwerkt. Door de roman in de ik-vorm (1) te schrijven, benadrukt de auteur het autobiografische karakter ervan. Prof. Dr. Alex Bolckmans noemde dit werk van Laxness ‘een gepoëtiseerde geschiedenis van zijn jeugd’ (2), een omschrijving die de lading heel goed dekt. Een opvallend intro- en retrospectieve Laxness blikt door de ogen van het hoofdpersonage Alfgrim – zijn alter ego − terug op zijn oogroei-jaren.

Het verhaal

“Het enige wat de vrouw mij heeft gegeven, behalve lichaam en ziel, was die naam: Alfgrim” vertelt de ik-figuur over de jonge vrouw – zijn moeder − die op een dag, berooid en opgejaagd, het erf van boerderij Hellinghut op loopt, daar een kind baart dat ze Alfgrim doopt, en er vervolgens weer vandoor gaat, alleen. Alfgrim wordt opgevangen door Björn van de Hellinghut en zijn vrouw. Hij noemt hen opa en oma, hoewel ze dat eigenlijk niet zijn.
Alfgrim is gelukkig op Hellinghut, “de armzaligste hut die er op IJsland te vinden is.” Zijn hele kinderwereld speelt zich af binnen de erfomheining, met daarin een draaihekje waardoor gasten komen en gaan, of soms komen en blijven, want de Hellinghut is een gastvrij oord waar iedereen die opvang zoekt, opvang vindt. Alfgrims leven is hier volmaakt, en het kind weet niet beter dan dat het nooit voorbij zal gaan (3). In zijn fantasie huist in de oude klok, die in de woonkamer van de Hellinghut staat, een merkwaardig dier dat Eeuwigheid heet, en in het trage tikken hoort hij “een tweelettergrepig woord met de nadruk op de eerste lettergreep: ééu-wig, ééu-wig.”
Alfgrim wil niets liever dan visser op grauwkwabaal worden, net als opa Björn. Maar als opa en oma van oordeel zijn dat hij slim genoeg is om naar de Latijnse school te gaan (stiekem hopend dat hij dominee zal worden) moet Alfgrim toch het draaihekje door en de geborgen leefwereld van Hellinghut een eerste keer verlaten. Die levenswending verdriet hem:

“Tot die dag was de wereld waarin ik leefde groot genoeg en ik verlangde niet naar een andere wereld. Ik had alles. Alles was op zijn eigen manier bij ons volmaakt in mijn ogen.”


Alfgrim gaat niet graag naar school, hij voelt zich onwennig tussen het rijkere volk. Alleen de muzieklessen boeien hem, want Alfgrim wil kunnen zingen zoals Gard Holm, de beroemde IJslandse operazanger, die tevens een verre verwant van oma is. Hij wil niet per se beroemd worden zoals Gard Holm, hij wil gewoon “de zuivere toon” vinden. Maar bestaat die wel?
Alfgrims geobsedeerde zoeken naar de zuivere toon, en zijn verlangen in de voetsporen te kunnen treden van Gard Holm, verdringen stilaan zijn kinderdroom om ooit grauwkwabaalvisser te worden. Opa en oma steunen hem voluit, en om de dure opleiding tot zanger in Denemarken te bekostigen verkoopt opa Björn zelfs de grond onder de Hellinghut, zichzelf en oma aldus verdoemend tot een leven in armoe.
Zo verlaat Alfgrim – noch grauwkwabaalvisser, noch dominee, noch beroemde zanger – definitief het paradijs van zijn jeugd en trekt hij “door het draaihekje van de Hellinghut dat twee werelden scheidde” waardig de nieuwe wereld in. Als hij van op het achterdek van de postboot naar Denemarken achteromkijkt, ziet hij opa en oma een laatste maal hand in hand naar huis toe lopen: “op weg naar ons draaihekje, thuis naar de Hellinghut, ons huis dat morgen met de grond gelijk zou worden gemaakt.”

Eindeloze symboliek

Laxness schrijft met liefde over Alfgrims ‒ in feite zijn eigen ‒ kindertijd. Het eerste deel van het boek is een en al vertedering en weemoed. De auteur idealiseert volop, het is duidelijk dat hij oprecht en intens van zijn kindertijd hield: binnen de omheining die zijn jonge leefwereld afbakende was alles veilig, een stabiele omgeving waarin geen ideologische keuzes hoefden te worden gemaakt, waarin alleen maar liefde en goedheid heerste. Kortom, dit was de ideale leefwereld, het absolute geluk, de hemel op aarde die “eeu-wig” had mogen blijven bestaan.

Ook de mensen met wie hij in deze wereld omgaat, geven alleen maar kleur aan Alfgrims leven. Er is bijvoorbeeld opa Björn, een zwijgzame visser die op alles sussend “nou nou, zo zo” zegt, en zijn vis altijd voor dezelfde prijs verkoopt, ongeacht de wet van vraag en aanbod. Hij is, zonder twijfel, de belangrijkste persoon in Alfgrims jonge leven. Hij bejegent zijn pleegzoon eerlijk en met liefhebbende onverbiddelijkheid. Oma is een gezellige en bijzonder intelligente vrouw met "een zee van kennis" die graag oude volksliedjes zingt, IJslandse sagen vertelt en gul bizarre levenswijsheden rondstrooit, die soms zo dubbelzinnig, scheefgetrokken, absurd of zelfs totaal van de pot gerukt zijn, dat de lezer zich vertwijfeld afvraagt: moet ik hier nu ernstig over nadenken, of word ik bij de neus genomen? Ja, ook dát is Laxness!

De lieflijke, haast pastorale toon verandert echter ten kwade eens Alfgrim door het draaihekje de moderne, snel evoluerende wereld betreedt. Over deze wereld – de échte, zeg maar – is Laxness heel wat minder enthousiast. Maar waar hij in zijn andere werken erg kritisch is tegenover de maatschappij waarin hij (noodgedwongen?) moet leven, is hij ditmaal kritisch over zijn eigen leven. Eens voorbij het draaihekje wordt Het visconcert meer een klacht over het zelfbepaalde leven, dan een aanklacht tegen het leven dat hem vanuit de omgeving wordt opgedrongen.

In deze nieuwe wereld, de wereld buiten het draaihekje, duikt Gard Holm op, als het ware de volwassen afspiegeling van Alfgrim zelf. Laxness laat hier geen twijfel over bestaan: tot tweemaal toe laat hij Gard Holm denken zichzelf te zien als hij Alfgrim ontmoet. Gard Holm is in feite een intrieste, ongelukkige man met een larmoyante persoonlijkheid. Een beroemde zanger, zo wordt gezegd, maar uit de entourage van de jonge Alfgrim heeft niemand hem ooit horen zingen. Hij belooft meermaals een optreden, maar vindt altijd wel een reden om het nooit zover te laten komen. Toch klampt Alfgrim zich in zijn zoektocht naar de zuivere toon aan hem vast als aan een reddingboei.

Met het zoeken naar de zuivere toon alludeert Laxness ongetwijfeld op zijn eigen filosofische levensqueeste (4), die vaak ook de onderstroom in zijn andere boeken is. Zijn leven lang werd hij religieus en ideologisch heen en weer geslingerd tussen katholicisme, taoïsme, het Mormoonse geloof, socialisme en communisme. Nergens vond hij de definitieve rust, maar dat dé ideale levensvisie – dé zuivere toon − wel moet bestaan, daar twijfelde hij niet aan, zoals blijkt uit dit gesprekje tussen ik-figuur Alfgrim en Gard Holm:

‒ ‘Is het waar’, vroeg ik, ‘dat er maar één enkele zuivere toon bestaat?’
– ‘Dat is zeker waar’, zei de zanger. ‘Jammer genoeg, zou ik haast zeggen.’


Dat Alfgrim, nu een jongeman, uiteindelijk zijn zoektocht buiten IJsland verder wil zetten, is gewoon een kopie van wat Laxness zelf ook deed: hij was nog geen achttien toen hij de wereld introk, eerst naar Europa, later naar de Verenigde Staten en Canada.

Het draaihekje als scheiding tussen een geïdealiseerde en de reële wereld, de klok als zinnebeeld van onbereikbare eeuwigheid, de juiste toon als metafoor voor de perfecte levensvisie… De symboliek in Het visconcert mag dan overweldigend zijn, ze is tegelijk ook gemakkelijk te doorzien en dat maakt deze roman erg toegankelijk. Doorgaans wordt Onafhankelijke mensen beschouwd als Laxness’ topwerk, maar Het visconcert mag er zonder schaamte naast staan. De eenenveertig vrij korte hoofdstukken lijken allemaal opzichzelfstaande verhaaltjes, maar vormen uiteindelijk toch één coherente vertelling. Laxness’ poëtische taalgebruik is prachtig, zoals steeds, maar tegelijk ook eenvoudig en aansluitend bij de spreektaal: zijn leven lang ijverde Laxness ervoor de literatuur dichter bij het volk te brengen. Dat ook wij, de Nederlandstalige lezers, van die verfijnde volkstaal kunnen genieten is uiteraard geheel te danken aan het sublieme vertaalwerk van Marcel Otten.

Liefde voor land en volk

Laxness' hele oeuvre is doordrenkt van een diepe liefde, respect en bewondering voor de IJslanders, hun geschiedenis en hun cultuur. Zijn vaak voorkomende en soms erg scherpe maatschappijkritiek heeft altijd een constructieve ondertoon. Er is hem veel gelegen aan het behoud van de IJslandse traditionele eigenheid, die voor hem niet alleen erg waardevol is, maar vooral ook uniek: geen enkel volk ter wereld staat in het leven zoals de IJslanders dat doen. Op naturalistische wijze omschrijft hij de IJslanders als vechters voor een beter leven, voor een betere toekomst. Ze putten kracht uit een schier onuitputtelijke reeks van wel heel unieke ‒ soms ernstige, soms bizarre, maar veelal komische ‒ levenswijsheden waarmee ze de ergste tegenslagen te lijf gaan, én overwinnen. Ook Het visconcert ontkomt hier niet aan, de volkswijsheden worden kwistig rondgestrooid zoals bijvoorbeeld in volgend fragment. Ik geef toe, je kunt het wellicht afdoen als barkrukkenfilosofie, maar hier spreekt het eerlijke, volkse hart van de IJslander. Aan het woord is Alfgrim en let op de licht fatalistische ondertoon, ook typisch Laxness trouwens: 
 

“Daarentegen herinner ik me dat mijn opa op medelevende toon werd gevraagd hoe het de mensen in Akugaard verging die het afgelopen jaar hun kostwinners op zee hadden verloren en dat hij onmiddellijk antwoordde: 'Die hebben genoeg verse vis te eten.' Evenzo was bij ons het gebruikelijke antwoord als er werd gevraagd hoe het met iemand ging: 'Pff, die is dik zat' en dat betekende dat het hem goed ging, of zoals men in Denemarken zegt dat 'hij gelukkig was'. Als het slecht met iemand ging, dan werd iets gezegd in de trant van: 'Tja, het is hem af te zien' en als degene over wie werd gepraat meer dood dan levend was, werd gezegd: 'Ach ja, hij krijgt de boter niet meer zacht.' Van iemand die op zijn sterfbed lag werd gezegd: 'Ja, die heeft nu geen proviand meer nodig, de arme ziel.' Van een jongeling die op sterven lag werd gezegd: 'Het ziet er niet naar uit dat-ie ooit z'n grijze haren hoeft te kammen.' Een echtscheiding werd met deze woorden afgedaan: 'Ja, dat is me daar een rare toestand, volgens mij.' Op de Hellinghut was ieder woord kostbaar, ook de kleine woorden”.


Conclusie

Er valt veel te ontdekken in deze roman. Het boek deed mij, wat dat betreft, denken aan The Lord of the Rings van J.R.R. Tolkien (5), een boek waarin de lezer steeds nieuwe dingen ontdekt, hoe vaak hij het ook herleest. Wellicht moet Het visconcert ook een keer meer gelezen worden om alle verborgen allusies te ontdekken, om alle omfloerste fijnzinnigheden te ontrafelen en om alle verdoken toespelingen te doorzien. Maar de belangrijkste conclusie kan evenwel niet anders zijn dan deze: Het visconcert is een prachtige en (alweer) verrassende roman van een van de grootste schrijvers van de vorige eeuw.

De auteur (6)

De IJslandse auteur Halldór Kiljan Laxness ‒ eigenlijk Halldór Gudjónsson ‒ werd op 23 april 1902 in Reykjavik geboren als zoon van een arbeider die later boer werd. Hij was voorbestemd voor het priesterschap, studeerde theologie en literatuur en verbleef in 1922-23 in het Benedictijnerklooster van Clervaux in Luxemburg. Tussen 1927 en 1929 reisde hij door Noord-Amerika, keerde zich daarop van het katholicisme af en omarmde het socialisme. Toch zou hij zijn leven lang geplaagd worden door ideologische en religieuze twijfels, die niet zelden hun weerspiegeling vinden in zijn werk.

Halldór Laxness heeft een indrukwekkend oeuvre aan romans, gedichten, toneelstukken, reisverhalen, kortverhalen en essays bij elkaar geschreven. Zijn romans zijn meestal episch, en sluiten vaak aan bij de Oudijslandse heldensagen en de Oudnoorse saga's. Overweldigende natuurbeschrijvingen, diepgaande psychologische analyse, bijtende satire en onverholen maatschappijkritiek kenmerken zijn werk, evenals een opvallend luchtige en vaak komische toon. Halldór Laxness kreeg in 1955 de Nobelprijs voor de Literatuur "voor zijn levendige epische kracht die de grote narratieve kunst van IJsland heeft vernieuwd." Hij overleed op 8 februari 1998 in Mosfellsbær.

Uit Laxness' indrukwekkende oeuvre heeft Marcel Otten deze zeven werken vertaald: Salka Valka (Salka Valka, 1931-32), Onafhankelijke mensen (Sjálfstæt fólk, 1934-35), De klok van IJsland (Íslandsklukkan, 1943-46), De gelukkige krijgers (Gerpla, 1952), Het visconcert (Brekkukotsannál, 1957), Het herwonnen paradijs (Paradísarheimt, 1960) en Aan de voet van de gletsjer (Kristnihald undir jókli, 1968).
Het licht der wereld (Ljós heimsins, 1937) is een vertaling door Annie Posthumus van het eerste deel van de tetralogie Ólafur Kárason.
Atoomstation (Atómstöðin, 1948) is een vertaling door Elsa Collet, op basis van de Duitse vertaling.

(1) Mijn kennis van Laxness’ werk reikt niet verder dan de vertaalde boeken. Voor zover ik heb kunnen uitzoeken, is Het visconcert de enige roman die Laxness in de ik-vorm schreef. Ik legde de vraag voor aan vertaler en Laxness-kenner Marcel Otten, en hij bevestigde mijn vermoeden.
(2) Zie Moderne Encyclopedie der Wereldliteratuur, Uitgeverij E. Story-Scientia, 1968, Vol. V, p. 18. Prof. Dr. Alex Bolckmans (1923-1990) was professor aan de Rijksuniversiteit Gent waar hij de Scandinavistiek uitbouwde tot een volwaardige studierichting. Ik had het geluk bij hem de cursus Wereldliteratuur te mogen volgen.
(3) Toegegeven: dit zinnetje heb ik van Wim Sonneveld geleend.
(4) Aldus vertaler Marcel Otten in zijn nawoord bij Het herwonnen paradijs.
(5) Voor het overige hebben beide werken niks met elkaar gemeen, stilistisch noch inhoudelijk, en ik schrok zelf een beetje van de vergelijking.
(6) Deze biografie lijkt sterk op deze die op www.hebban.nl staat. Geen plagiaat echter: de versie op Hebban is ook van mijn hand.

Nederlandse titel: Het visconcert
Oorspronkelijke IJslandse titel: Brekkukotsannál
Auteur: Halldór Laxness
Vertaling: Marcel Otten
Genre: naturalistische roman
Pagina's: 318
ISBN: 9789044503395
Uitgeverij De Geus
Verschenen: januari 2003

zaterdag 17 april 2021

Thomas Bernard - De kelder. Een onttrekking

Recensie door Eric Waut
Uitgeverij Vleugels


Thomas Bernhard – De kelder. Een onttrekking


Een openingszin van een recensie kan niet steeds uitdrukken dat een recent gelezen boek onherroepelijk een meesterwerk moet worden benoemd. Laat mij dan in bijkomende orde aanhalen dat ik meer en meer op zoek ga naar werk van Thomas Bernhard. Alsof ik chocolade ontdek op latere leeftijd. 

In deze recente uitgave (originele titel Der Keller. Eine Entziehung uit 1976) zijn we getuige van een belangrijk moment in het leven van de ik-figuur. Het is in feite een autobiografie, doch de auteur verwerkt wel eens regelmatig autobiografische elementen in zijn werk.

Als zestienjarige gymnasiast neemt hij op weg naar school het drastische besluit een totaal andere weg te nemen, naar de andere kant van de stad (Salzburg). 

“Jarenlang had ik elke morgen als ik wakker werd gedacht dat ik de mij door mijn opvoeders, mijn beheerders opgelegde weg moest verlaten, maar ik had er de kracht niet voor (..)”

Hij gaat zich aanbieden bij het arbeidsbureau op zoek naar een nieuwe richting in zijn leven. Daarbij kiest hij voor het leven van winkelbediende in een kruidenierswinkel in een achterstandwijk, Scherzhauserfeld. De winkel wordt uitgebaat door mijnheer Podlaha die hem koel ontvangt en hem onmiddellijk het magazijn laat aanvegen. Alsof er geen duidelijker signaal kan bestaan dat men aan de basis dient te beginnen. Maar de ik-figuur heeft het naar zijn zin. 

“In deze kelder ligt misschien wel mijn toekomst, dacht ik, en hoe meer ik me bezighield met de gedachte dat ik in die kelder zou blijven, des te duidelijker werd het mij dat mijn besluit het juiste besluit was geweest.”   

Het is 1947, de puinen van de oorlog liggen nog te smeulen. Je voelt regelmatig de wereldstorm nog nadenderen. De oorlog behoort nog tot de poëzie van de teruggekeerde, de verminkten houden zich op de vlakte. De geschiedenis is nog niet al te helder beschreven. De aanwezigheid van de Amerikanen en rantsoenbonnen (en de macht van de kruidenier in dat verband), alles mooi omschreven in enkel prachtige passages van deze novelle. 
  
Gaandeweg leren we dat het niet alleen de school is waaraan hij wilde ontsnappen, doch eerder een uitzichtloze toestand thuis. Een meedogenloze confrontatie met armoede en ellende. Negen mensen in drie kamers die elkaar voortdurend op de zenuwen werken. De relatie met zijn grootvader is in feite het lichtpunt, of is er de druk om goed te doen voor hem die hem beklemt? Het is een wat betreurenswaardig figuur die in de krappe woning werkt aan een boek, een soort filosofisch werk. Zijn grootvader is de enige die hem volgt in zijn keuze. Of hem tot keuzes verplicht? 

“En waarschijnlijk is hij het geweest die me ertoe heeft gebracht het vermetele, van alle kanten onjuist geachte besluit in de daad om te zetten, dankzij mijn gevoel voor zijn autoriteit.”  

Het is dan uiteindelijk niet enkel de kruidenierswinkel die hem de geestelijke onverstoorbaarheid weet te bieden. Een kentering komt er als hij in de ban van muziek raakt. Hij volgt zanglessen en lijkt op weg naar een nieuwe carrière. Maar het leven heeft zo zijn kantelmoment. Keuzes zijn hier niet aan de basis.  

Mijn tweede werk van Thomas Bernhard is weer een absolute meevaller. Het lezen van Thomas Bernhard brengt je in een soort loden bewusteloosheid. Een ritueel van herkenning neemt je in. Je ontwaakt in een angstdroom. Wat waren de momenten waar je een levensbepalende beslissing nam? Ben je geworden tot wat men voor jou allemaal had voorbereid? Keuzes die men had kunnen maken. 

De auteur legt hier zijn ziel bloot. Deze vertaling is een onderdeel van een vijfdelige autobiografie:  Die Ursache (1975), Der Keller (1976), Der Atem (1978) Die Kälte (1981) en Ein Kind (1982). 

En weer een prima vertaling, net als De dagschotelaars, uit het Duits van Ria van Hengel. 

Dat uitgeverij Vleugels ons nog meer mag bieden van Thomas Bernhard. 

Titel: De kelder. Een onttrekking
Auteur: Thomas Bernhard
Vertaling: Ria van Hengel
Pagina’s: 97
ISBN: 9789493186286
Uitgever: Uitgeverij Vleugels
Verschenen: oorspr. 1976 ; 2021

dinsdag 13 april 2021

Lize Spit - Het smelt

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Das Mag

Onherstelbaar beschadigd


Mijn verwachting was hoog gespannen. Mijn nieuwsgierigheid groot. Simpelweg omdat er de afgelopen jaren veel positieve berichten over 'Het smelt' voorbij zijn gekomen op de sociale media. Enthousiast begon ik aan de 480 pagina's van deze jonge Belgische schrijfster. Vlaanderen heeft deze eeuw voor mij persoonlijk al veel mooie literatuur voortgebracht zoals 'Marcel' en 'Godenslaap' van Erwin Mortier of het fenomenale 'Wil' van Jeroen Olyslaegers om maar een paar hoogtepunten te noemen.

Het relaas van een opgroeiend meisje in een klein (fictief) dorpje in Vlaanderen. Duidelijk een 'coming of age' roman van een meisje in een zwaar instabiel gezin op het rurale platteland. Het verhaal is geschreven vanuit haar standpunt en beleving. De hoofdstukken springen heen-en-weer tussen het heden (bezoek aan een feest) en gebeurtenissen uit het verleden (2001 en 2002). De hoofdstuktitel geeft dit duidelijk aan. Hiermee ontrafelt Lize Spit de rode lijnen van het verhaal. Als eerste de vriendschap met haar twee leeftijdsgenoten en tevens hartsvrienden, de ontluikende seksualiteit van alle drie, de zelfdoding van een broer van één van haar vrienden en zijn herdenkingsfeest, de ontwikkelingsstoornis van haar zusje en de algehele toestand van haar familie.

Op zich sterke ingrediënten om een schitterend verhaal te schrijven. Maar dat is helaas niet het geval. Ten eerste omdat het verhaal doorspekt is met onnodige uitweidingen en beschrijvingen. Dit maakt het verhaal tamelijk uitgesponnen. Ten tweede omdat de hoofdpersoon en verteller Eva alles van een afstand bekijkt en beleeft. Je weet en voelt niet wat er écht in haar omgaat. Geen twijfel te bekennen. Alsof het leven haar overkomt. Een uitzondering hierop zijn haar zorgen over haar zusje Tesje. Dat wordt namelijk prachtig beschreven. Haar vermoedens dat het niet in orde is met haar zusje, meegaan in haar rituelen alleen maar om in contact met haar te blijven omdat de ouders al zijn afgehaakt. En uiteindelijk, samen met haar oudste broer, actie onderneemt om haar hulp voor haar te regelen. Aandoenlijk en intens. Vooral mooi weergegeven vanuit de visie van een jeugdige Eva. Dit is helaas de uitzondering. Als de relatie van Eva met haar zusje Tesje de leidraad zou zijn in het gehele verhaal had het verhaal wat mij betreft aan kracht gewonnen.

'Wat zou jij het ergste vinden? Vroeg ze. De hond was net even opgehouden met onrustig baantjes trekken, moeder bleef in de donkerte achter. 'De hond dood of papa dood?' Aan de manier waarop ze het vroeg, wist ik wat haar antwoord was.

De seksuele ontwikkeling van de twee jeugdvriendjes en Eva is in een kinderlijk spel gegoten waarbij een raadsel het hoofdingrediënt is om alle buurmeisjes uit de kleren te krijgen. Eva speelt hier eigenlijk de rol van onafhankelijke jurylid. Bij het laatste spelletje draaien de rollen om en gaat het dan ook helemaal mis. Tot het sadistische aan toe. Ik werd er zelfs misselijk van. Deze gebeurtenis heeft dan ook een enorme impact op Eva en betekent het einde van haar vriendschap met haar vrienden. En het leidt uiteindelijk ook tot de finale aan het einde van het boek. Dat laatste vind ik erg gezocht. Ik begrijp heel goed dat een heftige jeugd zonder enige warmte en genegenheid diepe sporen nalaat. Maar dit is echt ongeloofwaardig. Het komt gekunsteld over. Ook kan ik de laatste daad van Eva niet echt duiden. Is dit haar wraak? Iedereen genadeloos confronteren? Alle bekenden straffen? Temeer omdat zij zelf mededader was en alles wat haar is overkomen vrij gelaten beleeft en beschrijft. Misschien is de emotionele blokkade wel een natuurlijk bescherming om te overleven. Maar dat komt bij mij niet zo over. Ook al hunkert ze op eind naar een berichtje of teken van leven van haar ex-vrienden, broer of zusje. Ik kan er niet teveel over zeggen om de clou niet te verklappen.

Wat mij wel van het hart moet is het feit dat ik als Amsterdammer aardig moeite had met de vele onbekende Vlaamse woorden en uitdrukkingen die worden gebruikt (zoals 'kramakkelige', 'schellen', 'rekker' of 'opgepompte jams').

Lize Spit kan wel schrijven. Met een toegankelijke en natuurlijke schrijfstijl weet zij haar hele jeugd goed te beschrijven. Maar dat is voor mij niet genoeg. Met name omdat haar jeugd verteld wordt vanuit de eerste persoon wil ik haar afwegingen, twijfels, overwegingen en aanhankelijkheid meemaken. Of in haar onmacht meetrokken worden. Dat voelde ik dus niet.

Titel: Het smelt
Auteur: Lize Spit
Pagina's: 488
ISBN: 9789082410617
Uitgeverij Das Mag
Verschenen: november 2015

maandag 12 april 2021

Maarten 't Hart - De nachtstemmer

Recensie door Dietske Geerlings
Uitgeverij De Arbeiderspers

‘Registers open en zie daar’

In
De nachtstemmer trekt Maarten ’t Hart meerdere registers open. Zo wordt de lezer niet alleen getrakteerd op een tragikomisch liefdesverhaal, maar ook op allerlei interessante weetjes over de kunst van het orgelstemmen, klassieke muziek, de bijbel en bijbelvertalingen. Het is een vermakelijk boek dat regelmatig een glimlach bij de lezer ontlokt, maar soms ook een kleine frons.

Het verhaal begint met een vrij droog motto: een fragment uit een werk van A.P. Oosterhof en A. Bouwman over orgelbouwkunde. Toch staan daar allerlei essentiële elementen in, die in het verhaal een belangrijke rol spelen:

Het stemmen van een pijporgel is een moeizaam werk, dat een scherp gehoord, omzichtigheid, spierbeheersing, logisch denken, zin voor praktisch handelen en bij dit alles geduld en uithoudingsvermogen van een stemmer vergt. Alleen in een ruimte waar het volkomen stil is en met een vaardige helper bij de klavieren kan hij zijn taak naar behoren verrichten en bij een groot orgel en gunstige klimaatomstandigheden ook voldoening hebben van zijn werk.

Het verhaal gaat over de orgelstemmer Gabriel Pottjewijd, die in een dorp dat niet bij name wordt genoemd, maar zeer waarschijnlijk Maassluis is, het Garrelsorgel van de Groote Kerk gaat stemmen. Daarvoor logeert hij in het Zeemanshuis. De eigenschappen die in het motto genoemd worden, zijn inderdaad allemaal eigenschappen waarover Gabriel beschikt. In het dorp ontmoet hij de dochter van de Braziliaanse Gracinha, het meisje Lanna, dat hem kan helpen met het indrukken van de toetsen. Men zegt dat zij geestelijk gehandicapt is, maar zij blijkt bij nader inzien ook over veel eigenschappen uit bovengenoemd motto te beschikken, waaruit Gabriel concludeert dat zij allesbehalve ‘debiel’ is. Vooral haar uithoudingsvermogen valt in eerste instantie op, omdat zij een middag lang alleen toetsen kan indrukken, zonder dat het haar verveelt. De broer van Gabriel is psychiater en oppert – als Gabriel hem aan de telefoon heeft – dat het meisje wel eens autistisch zou kunnen zijn, omdat ze uitblinkt in haar feilloze gehoor en eentonig werk kan doen, zonder verveeld te raken.

Als Gabriel de eerste avond in het Zeemanshuis doorbrengt, maakt hij kennis met een bijbelgroep, waarmee hij op een vermakelijke manier in gesprek raakt. Zij bespreken het bijbelverhaal van Bileam en de sprekende ezel. Geen van de aanwezigen heeft het over het feit dat het misschien wat vreemd is dat Bileam het vanzelfsprekend vindt dat de ezel kan praten. Door het gesprek tussen Gabriel en de leden van de bijbelgroep maakt de lezer meteen kennis met de scherpzinnigheid van Gabriel en zijn grote kennis van de bijbel. Verderop in het boek blijkt dat Gabriel de bijbel niet alleen van voor naar achteren kent, doordat hij met de bijbel is opgevoed, maar ook doordat hij de bijbel gebruikt om andere talen te leren. Omdat hij de tekst in het Nederlands zo goed kent, kan hij eenvoudig achterhalen wat er in de andere taal staat. Overigens kocht hij de vertalingen vooral om indruk te maken op een vrouw. Zo was zijn – inmiddels overleden – vrouw Lore een Duitse en om Duits te leren had hij dus een Duitse bijbelvertaling gekocht. Omdat Gabriel inmiddels zo veel vertalingen heeft gelezen, is hij erachter gekomen dat vertalingen lang niet altijd zo nauwkeurig zijn en vooral wat ‘aanrommelen’ op het gebied van gesteenten, dieren en muziekinstrumenten, alsof de vertalers niet de moeite hebben genomen zich in deze materie te verdiepen alvorens een goede vertaling te geven.

Als Gabriel samenwerkt met Lanna, worden zij altijd nauwlettend in de gaten gehouden door haar oogverblindende moeder Gracinha, weduwe van een kapitein. Gracinha gaat soms als een ‘Xantippe’ tegen hem tekeer, maar nodigt hem vervolgens wel uit voor een tosti en een lekkere soep, en later ook voor heerlijke andere maaltijden. De gesprekken tussen haar en Gabriel zijn aandoenlijk, soms ook hilarisch, vooral als hij haar er steeds op wijst dat ze het woordje ‘er’ moet gebruiken:

‘ “Nou, hier doen ze niks anders, zijn hele dag op uit je foppen en stangen, willen je altijd tussen nemen. Is lust in hun leven.” “Daar heb je ’t weer, zijn ér de hele dag op uit je te foppen, willen je ertussen nemen. Maar als ze er steeds op uit zijn je te foppen, dan fop je toch terug?” “Kan ik niet, ben te serieus, heb totaal niks gevoel voor humor, ik kan eigenlijk niks, alleen maar eten koken, ik ga er toetje maken.” “Nee, daar geen ‘er’, maar wel een lidwoord, ik ga hét toetje maken.” “Ja, weet ik wel, maar niet erg als je weglaat.” “Nee, maar dan hoor je wel meteen dat je geen Nederlandse bent (...)”

Gracinha is bijzonder gecharmeerd van Gabriel, niet omdat ze hem aantrekkelijk vindt, want zij vindt hem ‘saai’ en niet ‘sexy’, maar omdat hij haar dochter voor vol aanziet, in tegenstelling tot haar dorpsgenoten. Zij komt met het idee dat Lanna misschien van hem het vak kan leren. Gabriel heeft daar wel vertrouwen in, al is hij bang voor de reacties van buitenstaanders. Omdat Gracinha een alleenstaande, bloedmooie vrouw is, wordt Gabriels omgang met haar met argusogen bekeken door het mannelijk volk. Hij krijgt een dreigbrief en daarna allerlei geheimzinnige waarschuwingen. Omdat Gabriel allesbehalve een held is, maar ook een Einzelgänger, is het lastig om als lezer deze bedreigingen serieus te nemen. Het is net of de verteller je in het ootje neemt.

In het hele boek voel je het plezier van ’t Hart in het schrijven, maar ook zijn liefde voor de kunst, voor het orgel, klassieke muziek en de bijbel. In deze roman is de plot eigenlijk ondergeschikt aan dit plezier en deze liefde, alsof de auteur er en passant nog een leuk verhaal omheen heeft verzonnen waar het eigenlijk niet om draait. Dat verhaal wordt op een gegeven moment ook tamelijk bizar en ongeloofwaardig. Toch neem je dat als lezer voor lief, omdat het voelt als een knipoog.

Ruimtes zijn in De nachtstemmer vol betekenis. Het belang van de stilte die nodig is voor het orgelstemmen, waarnaar in het motto al wordt verwezen, komt regelmatig terug in het boek, ook op spannende momenten dat Gabriel alleen in een doodstille kerk denkt te zijn en toch iemand hoort ademhalen. Hij moet daarnaast zijn werk regelmatig onderbreken door het lawaai van allerlei werkzaamheden in de haven, zoals rinkelende ankerkettingen, klinkhamers en gierende pneumatische boren. Al die geluiden klinken niet voor niets mee in een verhaal dat voor een groot deel gaat over ‘afstemmen’.

Het is jammer dat ’t Hart af en toe de neiging heeft om mooie onderliggende patronen die een ervaren lezer zonder probleem meekrijgt, nog eens uit te leggen. Zo vergelijkt Gabriel diverse zaken uit het gewone leven met het orgelstemmen. Dan is het jammer als hij dominee Berenschot laat zeggen: ‘(...) maar ik vind het wel verhelderend dat u de geloofsafval vergelijkt met hangers in een kerkorgel. Ach ja, u ziet natuurlijk beroepshalve het hele leven via de omweg van het kerkorgel. Dat is mij de vorige keer reeds opgevallen. Mooie metafoor, geloofsafval is als het verval van een kerkorgel.’ Het is niet fijn om als lezer de metaforen die echt niet zo verstopt zaten, door een dominee uit het verhaal uitgelegd te krijgen.

Al met al is De nachtstemmer een vermakelijk boek met veel wetenswaardigheden. Ook werpt het een kritische blik op de samenleving, waarin de Einzelgänger meer oog voor zijn medemens lijkt te hebben dan de massa, die een waarschijnlijk autistisch meisje als geestelijk gehandicapt bestempelt. Of dat nog helemaal van deze tijd is, is de vraag.

Titel: De nachtstemmer
Auteur: Maarten ’t Hart
Pagina's: 315
ISBN: 9789029542548
Uitgeverij De Arbeiderspers
Verschenen: juli 2019