zaterdag 30 juni 2018

Perry Pierik (red) - Thule en het Derde Rijk, de Genesis van het nationaalsocialisme


Recensie door Truusje
Uitgeverij Aspekt BV


Het oerboek

In Thule en het Derde Rijk, de Genesis van het nationaalsocialisme staat Perry Pierik stil bij een zeer onbekend hoofdstuk van de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Pierik publiceerde recentelijk zijn biografie over Erich Ludendorff - de recensie hiervan is ook op deze blogspot te vinden -, de man die Hitler naar voren schoof voor de macht en tot 1925 de belangrijkste figuur op rechts was.

In dit boek - Thule - dat iets eerder verscheen, staat hij stil bij Rudolf von Sebottendorff (1875-1945). Deze raadselachtige mystieke figuur was de leider in München van het zogenaamde Thulegesellschaft. Deze geheimzinnige organisatie was de Münchener afdeling van de zogenaamde Germanenbund, een mystieke, intellectuele club geïnspireerd op de Armanenschaften van Guido von List, een Oostenrijkse schrijver, die esoterie en rechts-radicale ideeën met elkaar verbond. Centraal in hun gedachtegoed stond de Áhne gedachte de voorvader verheerlijking, en daarmee legden zij de basis tot de ariosofie, de verheerlijking van de mythische figuur van de ariër als ‘lichtdrager’ in de geschiedenis. De ariosofische gedachten werden al lang voordat Hitler ten tonele kwam in Duitsland en andere delen van Europa gebezigd, waarbij dit boek van Von Sebottendorff als oerboek gezien kan worden. Hij wordt medeverantwoordelijk gehouden voor het ontstaan van het antisemitisme.
Het Thulegesellschaft - zo komt naar voren in dit boek - was de undergroundorganisatie die de DAP oprichtte - de Deustche Arbeiter Partei - waaruit de NSDAP later is voort gekomen. Het doel van het Thulegesellschaft was een Arisch Duitsland, en de bestrijding van het Jodendom en communisme. Deze laatste waren voor de Thule-leden twee handen op een buik.

Opbouw

Het eerste deel van het boek behandelt de onbekende geschiedenis van het Thulegesellshaft in München en hoe zij in strijd waren met de Radencommunisten van Kurt Eisner, die kort na de Eerste Wereldoorlog de macht greep in Beieren.

Het tweede deel is een integrale vertaling van het verboden boek van Von Sebottendorff over de onbekende jaren van Hitler. In 'Bevor Hitler kam' stond Sebottendorff stil bij de kringen waaruit Hitler voortkwam. Nadat na 1933 Hitler als Führer aan Duitsland werd gepresenteerd door Jopeph Goebbels, was er natuurlijk geen plaats meer voor een 'aardse' Hitler die hulp had gekregen. Von Sebottendorff viel in ongenade, publicaties van boek werden verboden en hij ontvluchtte Duitsland. Kort na de Duitse capitulatie werd Von Sebottendorff dood in de Bosporus gevonden. Zelfmoord? Moord? We zullen het niet weten. Von Sebottendorffs einde was even geheimzinnig als zijn leven.

In Thule en het Derde Rijk heeft Pierik opnieuw een vergeten hoofdstuk van het Derde Rijk belicht en toegelicht, zoals eerder in Ludendorff, maar ook in zijn werk Hongarije 1944-1945, de vergeten tragedie en van Leningrad tot Berlijn over Nederlandse vrijwilligers aan het oostfront.

Conclusie

Thule is een aanrader voor hen die ook geïnteresseerd zijn in de geschiedenis buiten het boekje, en buiten de mainstream. Metahistorie is soms een onderschat thema, maar in dit boek komen de liefhebbers aan hun trekken.

Bijzonder is het dat Von Sebottendorff het boek in de derde persoon enkelvoud heeft geschreven, terwijl hij juist zijn éigen gedachtegoed heeft willen beschrijven.

De flinke inleiding van Pierik telt 26 pagina's. Hierin verduidelijkt hij dat de schimmige beginperiode van Hitlers Derde Rijk op veel vlakken onderbelicht is gebleven.
Het is een verrassend leesbaar boek en de talrijke illustraties zijn van een aanvullende waarde.

Auteur

Dr. Perry Pierik (1965) is gepromoveerd historicus met als specialisme de Tweede Wereldoorlog. Daarbij is hij auteur van een groot aantal boeken op zijn vakgebied. Passie voor het boekenvak is de drijfveer geweest voor de oprichting van uitgeverij Aspekt, waar hij directeur en uitgever van is. In het voorjaar van 2010 bestond de uitgeverij vijftien jaar, hetgeen uitbundig werd gevierd met een expositie van schilderijen van zijn hand. Want naast het schrijven en het uitgeversvak schildert Pierik. Zo werd ook in het najaar van 2008 in De Compagnie in Dordrecht een grote expositie City X georganiseerd, waar het Algemeen Dagblad groot over berichtte.
 
Het bekendste werk van zijn hand is een boek over de Nederlanders aan het Oostfront, Van Leningrad tot Berlijn. Over een ander bekend boek, Hitlers Lebensraum, Hongarije 1944 – 1945, werd onder meer in de Magyar Nemzet geschreven dat dit boek “een goudmijn” was.

In een briefwisseling met auteur, uitgever en Buddingh- biograaf Wim Huijser bericht Perry Pierik over de dagelijkse gang van zaken in het uitgeversvak. De brieven zijn in 2009 en 2010 gebundeld verschenen in De inkt van Arcadië en Het geheime leven. Alles wat ontstaat vanuit een innerlijke drijfveer of noodzaak kan rekenen op de belangstelling van Pierik. Vandaar dat hij als veelzijdig talent op diverse terreinen actief is.

Recentelijk verschenen grote artikelen van hem in Moord op Spinoza en de bundel Er waart een spook door het Westen, over cultuur marxisme, maar die boeken gaan over meer eigentijdse zaken.

In augustus 2017 heeft Pierik de eerste Civis Mundi-prijs gekregen voor zijn moed om Uitgeverij Aspect te beginnen.

Titel: Thule en het Derde Rijk, de Genesis van het nationaalsocialisme
Auteur van het eerste deel en de redactie: Perry Pierik
Integrale vertaling van het tweede deel: Evert van Leerdam
Pagina's: 370
ISBN: 9789461532688
Uitgeverij Aspekt BV

vrijdag 29 juni 2018

Didier Decoin - Vissen voor de keizer

Recensie door Truusje
Uitgeverij J.M. Meulenhoff

'Once there was a man burning incense.
He noticed that the fragrance was neither coming
nor going;
It neither appeared nor disappeared.
This trifling incident led him to gain Enlightment.'

Sakyamuni Boeddha



Een Japanse queeste

Dit verhaal speelt zich af in Japan rond het jaar 1000 ten tijde van het Hōgen-tijdperk van de toen vijftienjarige Keizer Nijō-Tennō. De tijd dat er veel, heel veel tradities, rituelen en omgangsregels zijn.

Shimae

De zeventwintigjarige Amakusa Miyuki - verder wordt ze Miyuki genoemd, want naar Japans gebruik wordt eerst de achternaam en dan de voornaam geschreven - heeft het lichaam van haar verdronken man Katsuro gezuiverd volgens de geldende rituelen. Als karpervisser kreeg hij 3 à 4 keer per jaar het verzoek om twintig van de mooiste karpers te leveren voor de tempelvijvers van het keizerlijke hof in Heijō-kyō, waarvoor hij ruim werd betaald met cadeaus en belastingvrijstelling voor het armzalige gehucht Shimae.

De directeur van de Dienst Tuinen en Vijvers is zeer ontstemd te vernemen dat hun leverancier 'deze wereld heeft verlaten voor het Zuivere Land van boeddha Amitabha', maar ziet wel degelijk de mooie kwaliteit van de laatste karpers die Katsuro nog had gevangen. Miyuki besluit ze zelf te leveren, maar dat ze niet meer dan acht stuks verdeeld over vier korven zal kunnen dragen.

'Nadat Miyuki de manden gereed had gemaakt, selecteerde ze de karpers die ze erin zou vervoeren. Ze koos eerst de vissen waarvan de schubben gelijkmatig en harmonieus over het lijf waren verdeeld, waarvan de neus, zonder lang te zijn, niet te kort en niet te stomp was, waarvan de vinnen symmetrisch waren en de kleur van kop tot staart volmaakt homogeen was. Op grond van de eerste schifting koos ze twee zwarte karpers (de ene glanzend als metaal, de andere mat als velours) en twee vissen die vrij flets waren maar vaak een opmerkelijke groei en levensduur hadden. Vervolgens twee diepbronzen exemplaren waarvan de glans aan een stroom bruine honing deed denken, en ze maakte haar selectie af met twee karpers die bijna geen schubben hadden en omhuld leken te zijn met koper.'

Haar liefde voor de laatste karpers van haar man mag duidelijk zijn in bovenstaand citaat. Ze laat de karpers wennen aan hun korven en drie dagen later gaat ze op pad. De korven aan een bamboe stok die ze draagt als juk.
Keizerlijke paleis in Heijō-kyō
Zoals haar tocht meandert door het landschap en de bergen, nemen de meanderende - soms lange, - poëtische zinnen de lezer mee op haar lange, zware voettocht naar de keizerlijke stad. Onderweg moet het water regelmatig ververst worden, dus volgt ze de rivier. Ze overnacht in de Hut van de Eerlijke Beloning - en passant vist ze twee afgehakte hoofden uit een poel, omdat die het water en het leven in de plas zouden ontheiligen - en vervolgt haar pad door cederbossen en bamboeplantages. Ze zoekt de veiligheid van de stroom pelgrims op en onderweg heeft ze alle tijd om over Katsuro en hun gelukkige, maar helaas korte huwelijk te mijmeren.

Tijdens een overnachting in een klooster wordt ze bestolen van zes van haar karpers. Ze vindt bij toeval een nogal controversiële manier om geld te verdienen, zodat ze nieuwe karpers kan kopen. Ze wordt rijkelijk beloond en kan weer verder.
Onderweg doet de winter zijn intrede, met veel sneeuw, en eindelijk in Heijō-kyō aangekomen kost het haar veel moeite om, tijdens de ceremoniële 'tewaterlating', afscheid van haar vissen te nemen.

Voorbeeld van de jūnihitoe
Takimono awase (geurwedstrijd)

Dan wordt  haar lichaamsgeur opgemerkt en de directeur vraagt haar zich te kleden met de jūnihitoe, 'het pronkkostuum [...] van twaalf zijden tunieken over elkaar heen, waarvan de  keuze van de kleuren en de kunst waarmee ze op elkaar worden afgestemd de sociale rang en de goede smaak van de adellijke Dames weerspiegelen.' Haar gezicht wordt witgepoederd, haar tanden zwartgelakt en met de wapperende jūnihitoe flaneert ze langs de keizer tijdens de Takimono awase met al zijn verleidelijke wierookgeuren.
Het lezen van de verder ontwikkeling van deze wedstrijd laat ik aan de lezer over, want spoilers weggeven is natuurlijk niet wenselijk.
Met een extra beloning in de vorm van rollen prachtige zijde, keert ze huiswaarts............

Conclusie

Traditioneel zwartgelakte tanden
Het verhaal kent vele gedetailleerde beschrijvingen, waardoor het beeldend is en alles op het netvlies wordt geprojecteerd. Het is ook zintuiglijk te noemen, met name geuren zijn een belangrijk thema en de rijke kleurbeschrijvingen niet te vergeten. Temperatuur, zoals van de zon en de sneeuw maken ook deel uit van de beleving van de lezer. En dan moeten we het motief 'karper' natuurlijk ook niet vergeten. Deze vis - de koi-karper, waarbij koi het Japanse woord is voor karper - staat symbool voor vastberadenheid, onafhankelijkheid en doorzettingsvermogen

Deze queeste van de hoofdpersonage is melancholiek en volgt langzaam haar weg, misschien zou 'traag' een beter woord zijn, ware het niet dat het zéker niet als minpunt mag worden gezien. Miyuki gaat immers te voet en niet met de trein.

De gedachten en emoties, maar ook de onderkoeldheid van Miyuki is mooi uitgewerkt. Ze handelt volgens de heersende regels en tradities, maar voelt niet de behoefte om zich voetstoots aan alle regels te conformeren.

Termen als meeslepend, opwindend, zinnelijk en zelfs filosofisch horen bij dit boek. Getuige de bibliografie heeft de auteur zich heel uitvoerig geïnformeerd over de tradities en het leven in het oude Japan. Een lange lijst van 74! noten, die de gebruikte Japanse termen verduidelijken, staat achterin het boek vermeld.

Dit is een boek dat me in zijn greep hield, van de eerste tot de allerlaatste bladzijde. Dan heb ik het nog niet gehad over de prachtige cover. Een plaatje om te zien.
Feedback op een boek dient eerlijk te zijn en mag óók de minpunten belichten. Excuus, maar die heb ik met dit boek niet! 

Chapeau ook voor Martine Woudt die voor een fantastische vertaling heeft gezorgd.

Auteur

Didier Decoin (Boulogne-Billancourt, 13 maart 1945) is een Franse scenarist en schrijver.
Hij begon zijn carrière als journalist bij France-Soir, maar schreef ook voor Le Figaro en het magazine VSD. Hij leverde ook materiaal voor de Franse radiozender Europe 1.
Als schrijver debuteerde hij in 1965 met Le Procès à l'amour. Een twintigtal romans staan intussen op zijn naam. In 1977 ontving hij de Prix Goncourt voor zijn boek John l'Enfer.
Hij is eveneens actief als scenarist voor langspeelfilms en televisiewerk. Zijn scenario voor Hors-la-vie uit 1991 van Maroun Bagdadi leverde hem een speciale vermelding op van het filmfestival van Cannes. Meerdere televisieseries werden door hem geschreven. Voor zijn Le Comte de Monte Cristo kreeg hij in 1999 de "Sept d'Or" voor het beste scenario.

Titel: Vissen voor de keizer
Auteur: Didier Decoin
Oorspronkelijke titel:
Vertaling: Martine Woudt
Pagina's: 320
ISBN: 9789029092302
Uitgeverij J.M. Meulenhoff
Verschenen: januari 2018

donderdag 28 juni 2018

Kamel Daoud-Moussa of de dood van een Arabier

Recensie door Roosje
Uitgever Ambo | Anthos




De vreemdeling


Dit boek gaat over de naamloze Arabier die Meursault op een zonovergoten Algerijns strand neerschiet, zomaar zonder echte reden. Tenminste naar eigen zeggen was de gekmakende zon, de immer stralende, een flikkering van iets, door die wrede zon, iets dat wellicht leek op een pistool - herinner ik het me goed? - dat iets was aanleiding voor de Franse Algerijn Meursault om een hem onbekende maar dreigend uitziende Arabier neer te schieten. Daar werd hij voor veroordeeld. Meursault en hem wachtte de doodstraf.
Die Arabier was anoniem, hij had geen naam, hij kreeg geen naam van auteur Albert Camus, hij was een onbeduidend iemand, bijna niet menselijk, slechts een Arabier.

Over deze onbekende Arabier, per ongeluk neergeschoten, gaat de roman, de lange monoloog van Kamel Daoud. Deze Algerijnse schrijver geeft die anonieme Arabier, van wie we niet eens weten of hij een Algerijn was, een naam, een geschiedenis, een verhaal, een zin, een eerbetoon.



Vandaag is mijn moeder nog in leven.
Ze zegt niets meer, maar ze zou heel veel kunnen vertellen.’ (2015: 9)

Zo opent Daoud zijn roman en je weet direct dat dit boek in alles betrekking heeft op Camus ‘De vreemdeling’:

Vandaag is moeder gestorven. Of misschien gisteren, ik weet het niet.’ (Camus, 1990: 5)

Je merkt ook direct het enorme verschil in toon, van energie. Daoud stroomt over van energie, ongetwijfeld boosheid, hartstocht, dat voel je. Camus is languissant, de hoofdpersoon een twijfelaar, een navelstaarder. Opmerkelijk hoe eenvoudige zinnen meteen zoveel gevoel en ideeën kunnen oproepen.
Verderop in zijn roman citeert Daoud Camus’ De vreemdeling letterlijk op veel plaatsen (pp. 20, 62, 63, 94, 95, 110, 116, 147-149).


Niet alleen is de taal die Daoud gebruikt poëtisch, boos, hartstochtelijk, lyrisch en haast episch, maar ook is hij daarin filosofisch en analytisch. De ik van de monoloog, die hij houdt tegen een vriend, is de broer van de neergeschoten Arabier, Moussa is zijn naam. Tenminste dat houdt zijn moeder hem voor. Zijn moeder wil wraak, zij wil dat haar verdwenen zoon Moussa de neergeschoten, naamloze Arabier is. Daarmee krijgt de verdwenen Moussa een graf en niet alleen dat, hij wordt gewroken, en de anonieme Arabier krijgt een naam, wordt daardoor een mens. Moeder kan verder met haar leven, of misschien kan ze dan het leven verlaten, dan heeft haar leven zin gehad. En de verteller van deze roman neemt de plaats van zijn broer in, door wraak te nemen en het verhaal te vertellen. Daarmee krijgt de broer van Moussa, de ik, de verteller, een plaats in het leven, een plaats die hij voordien niet had. Zijn moeder houdt alleen maar zijn dode broer. 


Aan de orde komen natuurlijk het Franse kolonialisme, Camus, de ‘Pieds-Noirs’, de Franse Algerijnen, de Algerijnse vrijheidsoorlog, Camus en zijn boek De vreemdeling. Evenals de broer van Moussa zelf en zijn optiek op de vrijheidsoorlog, Algerije, de meer orthodoxe islam - waar hij niets van moet hebben -, zijn obsessieve en daardoor bijna liefdeloze moeder, de behandeling van Algerijnen en Noord-Afrikanen in het algemeen van hun Afrikaanse buren meer naar het zuiden. De ik steekt evenzeer de hand in eigen boezem.* De Fransen waren niet mals in hun omgang met en behandeling van de autochtone bevolking, de Algerijnen zelf hebben net zo veel boter op hun hoofd.


Het is een doorlopend stuivertje verwisselen. De Arabier wordt Moussa, de broer van de verteller, en de dode Moussa wordt de verteller; de verteller wordt Meursault en zelfs Camus, juist omdat hij de verteller is, en wordt de moordenaar, zodat je eigenlijk kunt zeggen dat de ik zowel moordenaar als vermoorde is.
Er is een enorme tegenstelling tussen dit verhaal en dat van Camus, maar Moussa of de dood van een Arabier is tegelijkertijd ook een verdubbeling van De vreemdeling. 


De vreemdeling van Camus is echt een geweldig boek, maar ik heb me net als Daoud wel altijd druk gemaakt om die vermoorde Arabier. De man die zomaar vermoord werd en aan wie verder geen woorden worden vuil gemaakt. Meursault wordt wel veroordeeld voor die moord maar eigenlijk niet om die moord, maar eerder omdat hij niet genoeg gehuild en getreurd heeft op zijn moeders begrafenis.
Ik las het boek van Camus voor het eerst toen ik een opstandige middelbare scholier was. Ik kon helemaal zwelgen in het onrecht Meursault aangedaan omdat hij niet openbaar genoeg gehuild had om zijn moeder. Wat een benepen burgerlijkheid was dat, en zo heeft Camus dat ongetwijfeld ook bedoeld - onder andere -; de filosofische intenties laat ik hier achterwege.


Meestal heb ik als lezer wat moeite met het duidelijke monoloog-zijn van een roman. Dat geeft de roman iets pamflettistisch, waar op zich geen enkel bezwaar tegen is, maar ik lees dat niet zo graag. Liever heb ik dat het verhaal tot me komt via de hoofdpersonen of ook wanneer een verhaal verteld wordt via een ander aan de hoofdpersoon. Dan loopt het verhaal over verschillende katrolletjes en bevind ik me als lezer in de coulissen en niet midden op het toneel. Dan kan ik comfortabel afstand nemen. Toch heb ik dat met deze monoloog-roman van Daoud minder; ik kan het aan, zijn stijl en zijn ingewikkelde plots en verhaal- en persoonsverwisselingen. Juist vanwege dat laatste, denk ik.


In De Groene Amsterdammer, nr 22/2018, staat een lang artikel van Daoud over De Ander. ‘Iedereen is Jonas. Voor de Algerijnse schrijver Kamel Daoud is de grote vraag van deze tijd: wat doen we met de Ander? Wat doet bijvoorbeeld het Westen et de zuidelijke immigrant? Maar ook: wat doet het Zuiden zelf met een vreemdeling? Kan literatuur de wereld redden?’ kopt het weekblad (pp. 40-45). 


Over de auteur
 

Kamel Daoud (Mostaganem, 1970) is een Algerijns schrijver en journalist.
Daoud studeerde eerst wiskunde en later literatuurwetenschappen. Vanaf 1994 werkte hij voor de krant Le Quotidien d'Oran, waar hij ook acht jaar hoofdredacteur was. Daarnaast is hij een veel gelezen columnist.
In 2014 werd door een salafistische imam een fatwa tegen hem uitgesproken.
Daouds romandebuut, Meursault, contre-enquête (2013) - in het Nederlands dus vertaald als Moussa of de dood van een Arabier, won de Prix Goncourt du Premier Roman in 2015.





Auteur: Kamel Daoud
Titel: Moussa of de dood van een Arabier - oorspronkelijk: Meursault, contre-enquête (2013)
Uitgever: Ambo|Anthos
152 pagina's
Vertaler: Manik Sarkar
Verschijningsdatum maart 2018
ISBN: 9789026341922
Categorieën: Literaire roman

woensdag 27 juni 2018

Daan Esch - Stem

Recensie door Truusje
Uitgeverij Lannoo


'Het enige wat je siert is je stem'

Italië in de 17e eeuw

'Wat had u dan verwacht? Dankbaarheid? Nee echt, in ernst? U hebt me uit mijn nest geroofd. Mijn vleugels afgeknipt. U liet me bloeden. Mijn eigen lied deed u mij vergeten. U dwong me vreemde hymnen uit het hoofd te leren. U richtte me af als een valk en verfde mijn pluimen kakelbont. Toen u me eenmaal had geknecht, noemde u mij vrij. U luisterde naar me terwijl ik zong als een gekooide engel. U aanbad me omdat mijn gefluit u dichter naar het paradijs bracht. U weende. Van ontroering, zei u. Maar het was niet mijn stem die u raakte. Uw ogen traanden slechts omdat u zich gesneden had. Aan scherven die u uit de hemel en mijzelf gestolen had. U verwarde uw verlangens naar schoonheid met de wens om voor uw zwaktes te worden vergeven.'[...]

Het onzekere weesjongetje Arcangelo moet een immens zware zangopleiding volgen en wordt hiertoe als kleine jongen gecastreerd, opdat hij na de pubertijd zijn hoge sporaan- of altstem zal behouden. Deze handeling had echter tot gevolg dat het lichaam langer door bleef groeien en de borstkas groter van volume was. Het overweldigende stemgeluid van de castraten was hiermee in dienst van de opera.
De castratiescène in het begin van het boek, zet meteen de toon van het verdrietige bestaan van deze knaapjes.
Om het succes te behalen van wat de leermeesters voor ogen hebben, wordt ook Arcangelo wreed gekastijd door zijn leermeester Fra Pancrazeo.

[...]'Je wilt niet genoeg. Je wílt het niet echt snappen. Sta het toch toe. Het is gemakkelijk. Geef je over. Dan komt het vanzelf. God schenkt zijn genade aan wie zich blind op hem verlaat. Ik zal er voor je zijn. Daar kun je van op aan. Vertrouw op mij. En op de pijn.'
Fra Pancrazeo smeert zijn woorden zalvend als balsem op de stekende wonde. Arcangelo knikt hem moedig toe terwijl hij het snot van zijn neus veegt.
'Goed zo. Niet wegvluchten. Niet dagdromen. Hier blijven. Bij mij. Bij de pijn.'
Arcangelo opent zijn ogen wijd. En voelt de striem nog voordat die in zijn vlees snijdt.

Synchroon met het verhaal van Arcangelo, lopen twee andere - niet minder belangrijke - verhaallijnen die vertellen over respectievelijk de eigenzinnige, mondaine stersopraan Angelina, die worstelt met haar verleden en de naamloze, lijvige visvrouw die haar stem niet meer gebruikt en als 'stom' door het leven gaat. Een ongeopende brief en een verschrikkelijk geheim met zich mee nemend.
Alle drie de personages dolen rond in hun eigen zielenroerselen en hebben behoefte aan houvast van degenen die zij in hun leven treffen. Er zijn in hun leven echter steeds opportunisten waar ze van afhankelijk lijken te zijn.  

Opbouw

In de 17e eeuw kwam de opera in opkomst en ook dat heeft de auteur heel ingenieus in het verhaal verweven. Het boek is als een opera opgebouwd, compleet met de lijst van de personages en welke rol zij vervullen.
Er is gebruik gemaakt van verschillende bedrijven en decorwisselingen, met muziektermen als titel. Melomanen (hartstochtelijk muziekliefhebbers) vinden in de tekst vele verwijzingen terug.

Het vereist wel oplettendheid om bij de 'lees-les' te blijven, vanwege de wisselingen tussen de drie personages, hun belevenissen, hun dromen en gedachten.
Opvallend is de perspectiefwisseling, wanneer er een ander personage 'aan het woord' is. Bij de naamloze vrouw wisselt het perspectief naar de ik-verteller. Bij de andere twee is er sprake van een auctoriale verteller.

Deze roman is eigenlijk veel meer dan alleen een boek, want er is een zeer compleet project van gemaakt met een muzikale omlijsting en korte filmimpressies, waarin de auteur stukjes uit het boek voordraagt. Ook is er een heuse booksound, die de auteur samen met Joachim Stoop heeft samengesteld. Dit alles is te vinden op de website die daarvoor in het leven is geroepen.

Intertekstualiteit alom

Het hele boek staat vol van verwijzingen naar schilders, mythologie, componisten, opera's, aria's en dergelijke. Interessant om alles na te zoeken en te herleiden, maar het is wel een overweldigende stroom informatie die je dan allemaal zult vinden.
Symboliek komt ook vaak om de hoek kijken, om maar eens wat te noemen;  
Angelina die ongewild in een labyrint belandt en daar door de schim van een meisje de uitgang weet te bereiken.
De naam Arcangelo, die 'aartsengel' betekent en ook Raffaello, een afgeleide van aartsengel Rafaël. Demetrio dat - ondanks dat het een jongensnaam is - 'aardse godin' betekent.
De beer die als symbool staat voor sadisme, hebzucht en zinnelijkheid.

Stijl

'De Luitspeler' van Michelangelo Merisi da Caravaggio
Het boek ademt de Barok, al te beginnen in de boekwinkel. Op de cover staat een klein gedeelte - het gelaat - van 'De Luitspeler' van Michelangelo Merisi da Caravaggio. Deze schilder leefde van 1571 - 1610 en ontwikkelde een natuurgetrouwe schildertechniek, de zogenaamde clair-obscure. De periode die beschreven wordt in het boek valt nauw samen met de stijlperiode Barok, wat zich kenmerkt door overdaad; overweldigend, bombastisch, groots en soms wat theatraal. Het is dan ook heel mooi om te ervaren dat de auteur er zo fantastisch in is geslaagd om dit ook in de schrijfstijl door te voeren. Je leest dit boek al snel op een gedragen wijze, alsof elk woord voorgelezen wordt. De schrijfstijl balanceert in veel passages op de grens van proza en poëzie.

De zeer gedetailleerde beschrijvingen maken dat het verhaal als een film - in dit geval natuurlijk een opera -  op je netvlies verschijnt.

Tijdens het lezen moest ik steeds denken aan de term purple prose, omdat de schrijfstijl zo bloemrijk is en er zoveel gebruik gemaakt wordt van allerlei bijvoeglijke naamwoorden, beeldspraak, vergelijkingen en metaforen. Bepaalde passages heb ik meer aandacht moeten geven, omdat sommige metaforen een beetje 'overdone', vergezocht lijken en ik tóch graag duidelijk wilde hebben waarop werd gedoeld. Dit waren voor mij de purple passages, terwijl er juist ook weer passages voorbij komen die veel harder van toonzetting zijn. Ook de toon van de taal laveert met de muziektermen mee. Soms zelfs wat staccato, dan weer meanderend of levendig.
Toch, als ik lees; 'Het gegier stort in als een vermolmde schuur', vind ik dit wel ietwat vergezocht. Maar......kniesoor die daar op let, want verder is het gewoonweg een prachtige parel!
En daarmee is er meteen een symbolische cirkel gesloten, want 'Barok' is ontstaan uit het Portugese woord baroccowat 'onregelmatig gevormde parel' betekent.

Conclusie

Dat je als lezer hier met een debuut te maken hebt is eigenlijk onvoorstelbaar, want de auteur heeft werkelijk álles uit de kast gehaald tijdens het schrijven van dit boek. Het moge duidelijk zijn dat de auteur weet waar hij mee bezig is geweest wanneer je zijn uitvoerige CV leest. Dit neemt echter niet weg dat dit zó ontzettend knap en met zó ontzettend veel geduld en liefde is gecomponeerd, dat ik met meer dan volle teugen heb genoten van deze mastodont.

De personages worden prachtig neergezet en psychologisch uitgediept, waarbij de auteur er perfect in slaagt om ze alle drie een geheel eigen stem te geven en drie verschillende sferen weet te creëren. Sferen en lijnen die zich naar elkaar toe buigen en uiteindelijk tot een apotheose leiden.

Het boek hing eerst als een zware rugzak op mijn schouders, elke stap moest ik zeer bewust verzetten om de berg op te gaan. Naarmate ik hoger kwam en de lucht ijler werd, werd het letterlijk lichter in mijn hoofd, kon ik niet anders dan dóórlopen - af en toe even stoppen om van het uitzicht te genieten en mijn gedachten te laten gaan -, maar met een grote behoefte om me onderweg te laten verrassen en met de grote wil om te ervaren wat het behalen van de bergtop me uiteindelijk heeft te bieden.

'.....er zit een gaatje in de wólken en de zon schijnt erdóór.....'


Auteur

Daan Esch studeerde letteren aan de Rijksuniversiteit Groningen, filosofie en economie aan de KU Leuven en zang bij onder meer Evelyn Brunner en Lucienne van Deyck.
Hij werkte een marketingkader uit voor de Opéra de Lyon, was intendant van het Symfonieorkest Vlaanderen, dramaturg bij de Vlaamse Opera en hoofdredacteur/casting officer bij de Munt. Daarna maakte hij carrière als communicatiemanager bij verschillende multinationals in binnen- en buitenland.
Tegenwoordig coacht hij ondernemers om sterke merken uit te bouwen door authentiek te communiceren.
'Stem' is zijn debuut. Hij geeft op aanvraag lezingen over zijn boek.

Titel: Stem
Auteur: Daan Esch
Categorie: Literaire roman
Genre: Historische roman
Pagina's: 706
ISBN: 9789401444033
Uitgeverij Lannoo
Verschenen: oktober 2017

dinsdag 26 juni 2018

Jacoba van Velde - Een blad in de wind

Recensie door Truusje
Uitgeverij Oevers



'Ik heb het gevoel in een leugen te leven'

Parijs

De route die ze volgt gaat als vanzelf. Ze is weer terug, dezelfde stad, hetzelfde hotel en een kamer die identiek is aan de kamer van toen. Voor hoelang? Helena Berger weet het nog niet. Ze is zo moe en haar angsten tarten haar. Eerst slapen, maar de eeuwige nachtmerries laten haar ook deze keer niet met rust.
Ze vraagt zich af hoe het zover is gekomen dat ze zo eenzaam is geworden. De herinneringen dringen zich aan haar op, steeds weer nieuwe.

'Ik moet bij het begin beginnen. Maar waar is het begin? Mijn begin, bedoel ik. [...] Naar de hel met mijn begin. Een oneindigheid achter me, een oneindigheid voor me en ik spreek over mijn begin, alsof het erop aankomt waar het begint. Op een paar belangrijke details na is het begin en het einde toch altijd hetzelfde. Het einde...'

Ze wil zich de gebeurtenissen weer herinneren, eindelijk te weten komen wie ze is, waarom ze haar angsten moest leren kennen. De angst die haar steeds vergezelde en, keer op keer, haar levensvreugde teniet heeft gedaan. Het leven heeft haar niet geboden wat ze ervan verwachtte.
Hier, aan het begin van de twintigste eeuw, begint het verhaal van Helena - maar voor een groot deel ook dat van Jacoba zelf. Ze besluit al haar herinneringen op te schrijven en de plaatsen te bezoeken die destijds een vorm van indruk op haar hebben gemaakt.

Nederland

Helena woont bij haar tante Anne, ze is nog klein en vraagt zich af waar mama is. Op school verzint ze verhalen en vertelt dat haar vader in China is. Dan krijgt ze van haar tante te horen dat haar vader is vertrokken toen ze nog heel klein was en in Canada om het leven is gekomen. Haar moeder is niet lang daarna ook gestorven.
In de zomermaanden logeert ze bij oom Edward - die dominee is - en tante Marie. Ze is bijzonder gesteld op haar oom, die haar vaak mee uit wandelen neemt naar het strand.

Helaas wordt ze flink teleurgesteld door tante Anne, die op haar beurt ook de kous op de kop krijgt.
Wanneer madame d'Albert haar ziet dansen in het naaiatelier van tante Anne, ziet ze talent in Helena. Ze mag lessen gaan volgen op de balletschool van madame en krijgt in de ochtend de kans om het kleuterklasje les te geven. Ze geniet met volle teugen, hoewel haar angstdromen haar maar blijven kwellen.
Op de middelbare school wil het niet vlotten door haar honger naar lezen en dansen. Haar tante wil graag dat ze in het naaiatelier komt werken, maar madame d'Albert beveelt haar aan bij maître Pierre die in Parijs een van de beste balletscholen heeft.

Parijs

In Parijs ontmoet ze de homoseksuele Maurice Dubreuil. Hij is onder de indruk van haar en haar danskwaliteiten. Hij vraagt haar zijn danspartner te worden en samen op tournee te gaan. Ze reizen langs verschillende steden en landen, en hebben veel succes.

'Soms scheen het Helena toe dat dit leven dat ze leidde maar een spel was, niet werkelijk haar leven, dat haar werkelijke leven morgen zou beginnen, misschien overmorgen...dan kon ze lang in de verte staren naar het visioen dat ze als kind had gehad: een beroemde danseres die alles overschaduwde wat tot nu toe geweest was...dat zou haar werkelijke leven zijn. Maar in die tijd was ze tamelijk gelukkig. Ze meende een eeuwigheid voor zich te hebben en ook meende ze dat de ervaringen die ze opdeed toch wel belangrijk zouden zijn voor later.'

Ondertussen wordt haar liefdesleven op de proef gesteld, raakt ze meerdere keren teleurgesteld en kiest ze voor een abortus.
Haar angsten behoren niet meer alleen aan de nacht toe en paniekaanvallen belemmeren haar om nog langer op te treden. Ze besluit om naar Nederland te reizen om tot zichzelf te komen bij haar oom en tante. Tijdens de strandwandelingen neemt ze Edward in vertrouwen, maar op andere momenten lijkt ze zichzelf niet in de hand te hebben en verliest ze het vertrouwen in zichzelf.

Jacoba van Velde, in Parijs met haar broer 
Op het strand ontmoet ze Jacques - een beeldhouwer - en valt als een blok voor hem. Samen met hem vertrekt ze weer naar Parijs. De innemende man, met zijn brutale levenslust, laat echter al snel zijn ware aard zien. Hij laat haar geen moment met rust, sleept haar overal mee naar toe, drinkt teveel en wordt agressief. Helena vlucht uitgeput en moedeloos naar Nederland.

Wanneer oom Edward overlijdt en haar beide tantes verhuizen, is Helena op zichzelf aangewezen. Angst blijft aanwezig, maar ze besluit niet meer af te wachten, reist naar Parijs, waar ze haar levensverhaal schrijft.

Structuur

Dit doorlopende verhaal is geschreven vanuit twee perspectieven die elkaar steeds afwisselen.
De auteur schrijft in de ik-vorm op momenten dat ze over het heden schrijft en haar overdenkingen heeft over het verloop van Helena's leven. Hierdoor kan ze dieper onder haar huid en in haar ziel kruipen.
De jeugd van Helena wordt beschreven in de zij-vorm. Hiermee lijkt ze meer afstand te willen scheppen, zichzelf te observeren en daardoor meer vrijheid te voelen om over zichzelf te schrijven. 

Conclusie

Weemoed straalt van dit glasheldere verhaal af, triestheid en melancholie. Het grijpt je bij de lurven. Het verdriet om haar angsten, nachtmerries, het steeds maken van de verkeerde keuzes en de hartverscheurende eenzaamheid komen schrijnend naar voren. Een blad in de wind en steeds ergens heen geblazen. Het had zo mooi kunnen zijn........

Het schurende, rauwe verhaal beklijft en maakt diepe indruk. Fantastisch dat Uitgeverij Oevers dit klassieke werk opnieuw heeft uitgegeven. Ik heb alwéér een juweeltje gelezen en daar kan ik niets anders van maken!
Kom op Uitgeverij Oevers, gun 'De grote zaal' ook een nieuwe ronde!!!

Auteur

Jacoba van Velde (1903-1985) schreef haar debuut 'De grote zaal' in 1953, waar ze meteen grote bekendheid mee vergaarde. Het boek werd al binnen een jaar vertaald in dertien talen. In 1961 schreef ze 'Een blad in de wind'. Dit zal haar laatste werk blijven. Ze hield zich ook bezig met de vertaling van het werk van onder andere Samuel Becket.

Titel: Een blad in de wind
Auteur: Jacoba van Velde
Pagina's: 160
ISBN: 9789492068064
Uitgeverij Oevers
Verschenen: oktober 2016

zondag 24 juni 2018

Albert Camus-De vreemdeling

Recensie door Tea van Lierop
Uitgever De Bezige Bij


 


En het klonk als vier korte slagen waarmee ik op de deur van het ongeluk klopte.’
(slotzin hoofdstuk 6) 


De zon, de zon...

'
'De vreemdeling’ behoort tot één van de drie ‘absurden’. Deze term komt van Camus zelf, de andere twee zijn ‘De mythe van Sisyphus’ en het toneelstuk Caligula. Hij schreef eraan tijdens het begin van WOII toen hij vanuit Algiers een baantje als redactiesecretaris kreeg bij het dagblad France-Soir in Parijs. Hij vertrok noodgedwongen uit Algiers vanwege zijn anti-Duitse standpunten en z'n linkse sympathieën. 

Zijn grootouders vestigden zich destijds in Algerije als Pieds-Noirs en Albert groeide er op in een arm milieu. Zijn vader stierf jong, hij sneuvelde in WOI en zijn analfabete, slechthorende en moeilijk sprekende moeder werkte als schoonmaakster.
Camus krijgt hulp en kan naar school en studeren, hij rond zijn studie filosofie af en probeert aan de kost te komen. Het schrijverschap is een deel van zijn broodwinning.

Het hoofdpersonage, de antichrist

Antichrist Meursault pleegt een moord en vertoont daarover geen enkel berouw, dit is in enkele woorden de strekking van de roman. Maar er is meer. In een heldere, bijna journalistieke stijl beschrijft Meursault gedetailleerd wat er is voorgevallen. Het begint met een bericht dat zijn moeder is overleden, zij verbleef in een gesticht. Verdriet voelt hij niet, wel verneemt hij dat zijn moeder een verloofde bleek te hebben. Dit gegeven blijkt helemaal aan het eind van het boek te zorgen voor een openbaring, maar daarvoor is nog een lange weg te gaan.

Hij vroeg me of ik die dag verdriet had gehad. Die vraag verbaasde mij zeer en het kwam me voor dat ik hoogst verlegen zou zijn geweest wanneer ik zelf haar had moeten stellen. Ik antwoordde evenwel dat ik een beetje de gewoonte verloren had met mijzelf te rade te gaan en dat het me moeilijk viel hem in te lichten. Ik hield ongetwijfeld veel van moeder, maar dat betekende niets. Alle gezonde naturen hadden in meerdere of mindere mate naar de dood verlangd van de mensen van wie ze hielden.’ (blz. 94)

Door het hele boek loopt een rode draad en dat is de zon. Deze zorgt voor verblinding, bedwelming, schittering op staal...

Ik vergezelde hem tot aan het huisje en terwijl hij het houten trapje opklom, bleef ik voor de eerste trede staan, met een hoofd galmend van de zon, zonder de moed die nodig was om het houten trapje te beklimmen en weer met de vrouwen te praten. Maar de hitte was zo groot, dat het mij ook pijnlijk was onbeweeglijk te blijven staan in de verblindende regen die van de hemel daalde. Hier blijven of weggaan kwam op hetzelfde neer. Na een ogenblik keerde ik terug naar het strand en begon opnieuw te wandelen’ (blz. 86)

De zon speelt dus een grote rol en Meursault weet de zaal in de rechtbank aan het lachen te krijgen door de bewering dat zijn daad te wijten was aan de zon, te ontkrachten. Hij maakt daarbij een verwarde indruk en ook zijn verdediger helpt hem niet echt. Uiteindelijk wordt hij beschuldigd, vooral het niet tonen van berouw wordt hem zwaar aangerekend. Hem staat het schavot te wachten.
Behalve de zon als natuurelement wordt de couleur locale heel mooi, verstild weergegeven, als lezer loop je echt mee in de verzengende hitte en zie je de kleuren die de auteur een naam geeft. Soms heeft het iets eenzaams, vaak is hij alleen, de vrouw die hij ontmoet nadat zijn moeder gestorven is betekent voor hem fysiek meer dan geestelijk.

Absurdisme

Camus maakte in de jaren ‘40 kennis met Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir, hij was volgens de Beauvoir een warme, grappige man. Hoe kan hij dan toch een roman schrijven over de gevoelloze Meursault? Het antwoord is te vinden in zijn eigen leven: de zinloze dood van zijn vader, zijn eigen ziekte (hij leed aan tuberculose), de eenzaamheid thuis en de slechte band met zijn familie. De bedreigende oorlogssfeer in Frankrijk is in de roman ook terug te vinden.*
Camus zou zich, ondanks dat hij lang in Frankrijk verbleef, altijd een vreemde blijven voelen.

In het eerste deel van de roman zet Camus een mens neer die leeft en reageert vanuit het absurde zonder dat hij daar bewust van is. In het tweede gedeelte, tijdens de rechtszaak wordt hij ondervraagd en komt hij tot nadenken. Uit de antwoorden blijkt dat hij helemaal handelt vanuit zijn eigen waarneming.**

Ik had willen proberen hem op hartelijke toon, en bijna met genegenheid, uiteen te zetten dat ik nooit werkelijk berouw over iets had kunnen koesteren. Ik werd altijd meegesleept door wat bezig was te gebeuren, door vandaag of morgen. Maar natuurlijk kon ik in de toestand waarin men mij had gebracht met niemand op een dergelijke toon spreken. Ik had niet het recht genegenheid te tonen, van goede wil te zijn. En daarom probeerde ik maar weer te luisteren, omdat de officier van justitie over mijn ziel begon te spreken.' (blz 149)

In het kort kan het absurdisme van Camus samengevat worden als een tijdelijk menselijk bestaan in een wereld zonder God. Het absurde creëert een leegte, want alle opgelegde normen en waarden zijn verdwenen. De leegte komt in de roman tot uitdrukking wanneer Meursault herhaaldelijk opmerkingen plaatst zoals ‘dat zegt niets’, ‘dat is van geen enkel belang’ ‘het was mij om het even’.**
Toeval, onverschilligheid en het aanvaarden daarvan zal Meursault uiteindelijk de das omdoen.

Deze wonderschone, maar ook bevreemdende roman las ik voor de tweede keer. Inmiddels een beetje vertrouwd met de levensopvatting van Meursault was er nu meer aandacht voor de details. Die zijn, vooral wanneer ze over de natuur gaan, bijzonder mooi en passen zo goed bij het verlangen, de heimwee die Camus voelt wanneer hij in het verre Parijs zit. Het contrast van de zinloze moord en de prachtige zintuiglijke beschrijvingen van de natuur is enorm, zeker wanneer al die schokkende indrukken beschreven worden op een manier die juist heel ingetogen is en meer aan een verslag doet denken. Een schitterende klassieke roman!

De auteur

Albert Camus (Mondovì, Algerije, 7 november 1913 – Villeblevin, 4 januari 1960) was een Frans filosoof, journalist en schrijver van romans, essays en toneelstukken. Hij ontving in 1957 de Nobelprijs voor de Literatuur.
Camus wordt vaak naast Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir als een van de leidende figuren van het existentialisme beschouwd, maar hij weigerde het label 'existentialisme' pertinent.[1] Zijn denken verschilt van dat van Sartre waar het de aard van het bestaan betreft: bij Camus staat het lichamelijke centraal, waar Sartre zich meer op het intellectuele bestaan toelegde. (bron: Wikipedia)



Titel: De vreemdeling
Titel oorspronkelijk: L'étranger
Auteur: Albert Camus
Uitgever: De Bezige Bij
Vertaler: Adriaan Morriën
ISBN: 9789023422174
Pag.: 160
Genre: literaire fictie
Verschenen: 2004 (mijn editie)
Verschenen oorspronkelijk: 1942

*Bron: De existentialisten-Sarah Bakewell blz 341(van 891)

** Bron: Camus, L‘Etranger (De vreemdeling, vert. P. Verstegen, De Bezige Bij, 2013) Spraakmakende boeken 23.1.2014 (RUG) en 29.1.2014 (Leeuwarden). Lezing, pag. 7


vrijdag 22 juni 2018

Sarah Sluimer - Keizer


Recensie door Truusje
Uitgeverij Lebowski


'Mevrouw, hij zal nooit zo kunnen spelen als anderen'


Toneelstuk

Leo Landrauff is een beroemd toneelregisseur. Nogal opportunistisch, zelfingenomen, overheersend en de mensen om hem heen heeft hij niet direct in het respectvolle vaandel staan. De dingen die voor hem belangrijk zijn gaan op zíjn manier.
Ook op seksueel gebied gaat hij voornamelijk uit van zijn eigen gewin en zijn volgzame partner Bob lijkt zich hier gedwee aan te onderwerpen.

In New York ontmoet Leo Victor Marbre - een toepasselijke naam voor iemand die behalve schilder ook beeldhouwer is - en deze geeft Leo de opdracht om een stuk te maken over zijn leven. Zijn zoon Ros heeft het script al geschreven en de wens van Victor is dat iemand met dezelfde roots het stuk zal neerzetten. Omdat er voor Leo een prettige bijkomstigheid aan verbonden is, gaat hij á la minute overstag.

'Hij had het contract ondertekend. De voorstelling over Victors leven. Het was allemaal heel helder. Ros zal van begin tot eind aanwezig zijn. Mocht praten wanneer hij wilde. Zijn naam zou bij iedere vorm van pr genoemd worden. Leo moest in alle interviews Ros prijzen. Victor zou op een afstand meekijken. Ros en Victor waren één. De ogen en oren, zo werd Ros letterlijk in het contract genoemd. Na de acht weken repetitie zou Leo het huis in ontvangst nemen. De sleutels werden hem opgestuurd, het appartement werd op zijn naam gezet.'

Met autoritaire hand regisseert Leo, maar de invloed die Ros heeft op het geheel en de crew, werkt hem duidelijk op zijn zenuwen. Tot zijn grote ergernis palmt Ros ook Elly in, de actrice die hij zelf heeft gevormd.

Jeugd

Een tweede verhaallijn volgt de flashbacks uit de jeugd van Leo, geboren met een afwijking, namelijk een grote fontanel die nooit is dichtgegroeid. Altijd moet hier rekening mee gehouden worden. Niet in de zon, geen fysieke spelletjes etcetera. Dit heeft tot gevolg dat hij op school letterlijk langs de zijlijn staat wanneer de kinderen op een zomerdag door de meester nat worden gespoten met de brandslang. Leo mag later de brandslang overnemen, wat resulteert in ruw en sadistisch mikken op zijn medeleerlingen.

Zijn moeder heeft zo haar buien en leidt geheel haar eigen leven. Mannenbezoek komt met de regelmaat van de klok. Leo krijgt de opdracht om op zijn kamer te blijven en wordt zoet gehouden met een pan tapiocapap. (Hij krijgt het dus met de paplepel ingegoten)

'Toen de buien van zijn moeder steeds ondraaglijker werden, had hij het zelf voorgesteld om naar 'De Vatenberg' te gaan. Hij had zijn moeder vaak genietend horen vertellen dat haar zus Berend bijna niet meer zag, omdat hij sinds zijn achttiende op een jongensinternaat werkte waar hij geloofde dichter bij de Heer te zijn. [...] Het was daar verschrikkelijk, zei Leo's moeder. Geen plezier, geen enkele kans op avontuur [...] giebelde ze hijgend en ze sloeg een hand voor haar mond.'

Omdat hij ook daar niet mee mag doen met lichamelijke activiteiten, stort Leo zich op het lezen van literatuur en toneelstukken. Zijn interesse voor toneel wordt gewekt. Hij stelt zich voor dat hij veel invloed kan uitoefenen. Van de directeur krijgt hij toestemming om een stuk op te voeren. Zijn keuze is gevallen op een stuk over Caligula, met Berend in de hoofdrol.

'Leo wist dat als hij verder moest, hij vanaf nu moest proberen te leven door de dingen naar zijn hand te zetten. Door ze waar te maken. Niet waar in de ogen van de domme, naar verrotting ruikende wereld, maar door helemaal alleen te bepalen waar het allemaal heenging.'

Hij raakte de plek op zijn hoofd aan.
'Het was een zwart, perfect gat waarin alles wat hem niet beviel vanaf nu zou verdwijnen.'
En Leo volgt, niets of niemand ontziend, zijn weg, want de dokter had het immers gezegd........

Autistme

In het boek wordt vluchtig geopperd dat Leo wellicht autistisch zou zijn. Hij heeft ook wel de nodige trekjes die daar op zouden kunnen wijzen. Zo vermijdt hij de voegen tussen de tegels te raken. Snijdt zijn boterham in stukjes, eet het met de wijzers van de klok mee op en heeft de gewoonte om iets of iemand met één, hooguit twee vingers aan te raken. Hij heeft aardig wat obsessies en ergernissen. Iets psychotisch komt ook even om de hoek kijken.
Toch strookt dit niet met de sadistische uitingen, zijn haat voor vele mensen, zijn geobsedeerde gedachten over het 'gat' en zijn hang naar macht. Hij lijkt zich boven alles verheven te voelen.

Schrijfstijl

Met het wisselen van de hoofdstukken wisselt ook de schrijfstijl, die zich aanpast aan het onderwerp in bijvoorbeeld een puntige schrijfstijl, met korte zinnen of alleen kernwoorden. Ook de dialogen, de verhalende passages, gedachten van de protagonist hebben allemaal een eigen schrijfstijl. Heel verrassend en als lezer moet je steeds even schakelen.

Conclusie

Dit is geen vrolijk boek. Er is bijna niemand aardig tegen de ander. Identificeren met een van de personages is lastig. Is het een voorwaarde voor een boek om je te kunnen inleven in een personage? Nee, zeker niet belangrijk, maar het verhaal heeft me hierdoor niet helemaal kunnen overtuigen. Misschien kan ik voor Leo heel soms wat sympathie voelen, omdat hij een verknipte jeugd heeft gehad, maar zijn gedrag is ronduit onprettig te noemen.

Het gehele verhaal is beschreven vanuit de beleving van Leo - in het perspectief van de derde persoon enkelvoud - zo ook in de flashbacks. Behalve Leo worden de personages niet echt uitgediept, ze hebben hun karaktertrekken en verder is er geen tornen aan. Bij Leo echter is er wél meer verdieping en krijgt de lezer, langzaam maar zeker, de kans om in zijn hoofd te kruipen. De dingen waar hij mee worstelt en een moeder die niet echt overliep van genegenheid, hebben hem gevormd.

Toch geloof ik in deze auteur, de constructie van dit debuut is kunstig te noemen. De proloog sluit aan bij de flashbacks, waarin Leo's jeugd duidelijk wordt. Ik ben dan ook heel benieuwd naar een volgend werk van Sarah Sluimer.

Auteur

Sarah Sluimer (1985) studeerde theaterwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en Performance Studies aan de Universiteit Utrecht. De afgelopen jaren maakte ze programma's voor De Balie en publiceerde als journalist en opiniemaker voor onder meer de Volkskrant, Opzij en NRC Handelsblad. 'Keizer' is haar eerste roman.

Titel: Keizer
Auteur: Sarah Sluimer
Categorie: Literaire roman
Pagina's: 224
ISBN: 9789048841769
Uitgeverij Lebowski
Verschenen: juni 2018