woensdag 29 april 2020

Erich Kästner – Fabian


Recensie door Cies
Uitgeverij Querido Salamander

Hofnar en pierrot op zwemles
Kästner is in 1899 in Dresden geboren. Na zijn militaire dienstplicht tijdens de Eerste Wereldoorlog gaat hij geschiedenis, filosofie en Duits studeren in Leipzig. Hij is na zijn studie een aantal jaren leraar en in 1927 verhuist hij naar Berlijn waar hij bij een reclamebureau aan de slag gaat. Fabian, de hoofdpersoon in het gelijknamige boek werkt ook bij een reclamebureau eind jaren twintig/begin jaren dertig in Berlijn. Hiermee houden de autobiografische overeenkomsten tussen Fabian en Erich Kästner wel op.
Fabian het verhaal van een moralist (1931) is een satirische roman waarin Fabian voor het grootste deel van de tijd, toeschouwer is die van alles opmerkt tijdens zijn nachtelijke escapades door het bohème leven van Berlijn en dit van commentaar voorziet. Fabian als ‘hofnar’ die Berlijners, Duitsers en de rest van Europa een spiegel voorhoudt voor het dreigende ineenstorten van de Duitse samenleving en daarmee ook Europa. Kästner suggereert dat hij eerder een totale implosie van het onmachtige Duitse economische, politieke, intellectuele en culturele establishment verwacht dan een revolutionaire explosie van links of rechts die de macht overneemt. Zijn poging om het lezerspubliek te waarschuwen voor het naderend onheil heeft helaas niet het gewenste resultaat opgeleverd. De Weg Naar De Bliksem de titel die Kästner aan het boek wilde geven, maar zijn uitgever weigerde, bleek profetisch te zijn.
Kästners/Fabians beschrijvingen van het Berlijnse nachtleven zijn gedateerd. In een satire mag, moet zelfs, hetgeen belachelijk wordt gemaakt aangedikt en uitvergroot beschreven worden. Bij Berlijners en overige Duitsers in de jaren dertig van de vorige eeuw zullen deze satirische beschrijvingen vast zijn aangekomen. Ruim 85 jaar later komt het wat geforceerd, belegen en flauwtjes over. Hiermee is niet de hele roman direct gedateerd. De beschrijvingen zijn dan wel gedateerd, de opmerkingen hierover van Kästner/Fabian zijn nog steeds spitsvondig en actueel waardoor het leesplezier blijft. De hedendaagse lezer wordt nog steeds een spiegel voorgehouden die tot reflectie aanzet wat de bedoeling is van een satire.
Fabian is niet alleen ‘hofnar’, maar wisselt dit af met de rol van ‘pierrot’. Deze contrasterende rollen weet Kästner mooi in balans te houden. Dit spannende evenwicht, waar Fabian zich bewust van is, zorgt bij Fabian meer dan eens voor een blokkade waardoor hij te veel twijfelt en niet overgaat tot handelen. Dit tot Fabians grote teleurstelling in zichzelf. Op die enkele momenten dat Fabian wel handelt gaat het vaak mis. Het is ook deze twijfel en onzekerheid die de satiricus Kästner de Duitse burgerlijke samenleving verwijt. Men staat erbij, kijkt ernaar, vindt de ontwikkelingen zorgwekkend maar het enige wat men doet is acceptatie, de mens is immers een gewoontedier, en/of men vlucht in decadentie en perversiteit.
Fabian is dan wel deels gedateerd, de boodschap van Kästner is dat zeker niet. Door dit laatste en zijn rake oordelen van het geobserveerde is Kästners Fabian ruim 85 jaar na publicatie nog steeds goed leesbaar.
Het boek werd onder de titel Naar de haaien opnieuw uitgegeven in de Schwob-actie zomer 2014.
Titel: Fabian
Auteur: Erich Kästner
Uitgeverij Querido
Vertaling:Theun de Vries
ISBN: 9789021492247
Pag.: 222
Genre: fictie
Verschenen: deze editie 1973, oorspronkelijk 1931

dinsdag 28 april 2020

Gabriele Tergit - De Effingers

Recensie door Roosje
Uitgeverij Van Maaskant Haun
‘…Ons tilt de golf op,
Ons slokt de golf op.
En wij verzinken.’
(Goethe, deel motto, 2019: 5)
Een andere Duitse familiehistorie

Deze bespreking gaat niet over De Buddenbrooks van Thomas Mann; die heb ik een tijd geleden al eens geschreven, en met plezier! De roman waarover het hier gaat heet De Effingers en is geschreven door Gabriele Tergit.

Gabriele Tergit is het pseudoniem voor Elise Reifenberg geb. Hirschmann; geboren 4 maart 1894 in Berlin; overleden 2. juli 1982 in London; ze was een Brits-Duitse schrijfster en journalist. Ze is vooral bekend door haar romans Käsebier erobert den Kurfürstendamm uit 1931 en De Effingers. Ze ondervond het geweld van de nazi’s. In 1933 vlak voor Hitlers overname van de macht, vluchtte ze via Tsjechië naar Palestina, waar haar man Heinz Riefling verbleef.  Van 1933-1950 werkte ze aan haar roman De Effingers. In 1938 vluchtte ze uiteindelijk naar Londen, via Praag, Jeruzalem, en Tel Aviv. De roman beschouwde ze als de kroniek van een ondergegane wereld, waar ze heel veel van had gehouden:

‘Wat ik graag wil, is dat iedere Duitse jood zegt: ja, zo waren we, zo leefden we tussen 1878 en 1939, en dat ze het hun kinderen geven met de woorden: dan weten jullie hoe het was.'(ib.: 724, nawoord Henneberg)

Vier generaties van de familie Goldschmidt / Oppner en Effinger raken aan elkaar geparenteerd; de eersten zijn bankiers van het oude, degelijke soort, dat wil zeggen uit het  pre-industriële tijdvak, uit Berlijn, de tweede handwerkslui uit Kragsheim in Zuid-Duitsland. Hoewel er niet ontelbaar veel loten aan deze stamboom ontsproten zijn, was ik heel blij met de stambomen van de families voor- en achterin het dikke boek.

De tijd waarin zich de perikelen van de familieleden afspelen bedraagt zo’n 70 jaar, van kort na de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871), - die een kiem legde voor de Grote Oorlog van 1914-1918 -, tot vlak na WOII of eigenlijk er vlak voor. De opkomst neergang van de joodse families Oppner-Effinger, in de titel van de roman eenvoudigweg De Effingers genoemd, loopt gelijk op met een een moderner wordend Duitsland met industrialisatie en het evenzo moderne kapitalisme - waarin natuurlijk nauwelijks meer plaats is voor een oud bankiersgeslacht als dat van de Oppners - en zijn échec: de opkomst van het nationaal socialisme en de moord op zes miljoen joden.

Vader Effinger is een handwerksman in Kragsheim in Zuid-Duitsland, een horlogemaker. Het stadje is middeleeuws ommuurd, de middeleeuwse gildecultuur is er nog levendig. Het landschap lijkt er eeuwenlang niet veranderd: de rivier, de weiden, de landweg, het dorp, de bergen, de bossen, de bruisende bronnen. Het is een idyllisch landschap, fysiek en mentaal. De generatie van Paul, Karl, Ben(no), Helene, Willy en Bertha wil meer dan het rustige leven van hun ouders, de horlogemaker en zijn (huis)vrouw en van eeuwen her. Ben emigreert naar Engeland; hij voorvoelt het groeiend antisemitisme en wil vooruit in de wereld. Paul en Karl beginnen een fabriek in Berlijn. Eigenlijk wil Paul in zijn eigen omgeving blijven maar hij krijgt geen kans een moderne bedrijfsvoering te starten in zijn geboorteplaats. De broers verschillen onderling als dag en nacht, en dat doen hun echtgenoten ook. Toevallig zijn hun vrouwen zussen uit de familie Oppner, bankier te Berlijn. Karl en zijn vrouw Annette zijn mondain en houden van een uitbundig en materialistisch leven. Paul en Klärchen zijn spaarzaam en gericht op de ontwikkeling van hun bedrijf, eerst in schroeven en later in auto’s, de voertuigen die geen paarden en geen rails nodig hebben.

Voor mijn gevoel was Paul zeker in het eerste deel van de roman de dragende figuur. Ik vond hem aanvankelijk erg sympathiek, maar later werd hij toch wel een beetje een drammer en een workaholic. Karl en zijn vrouw vond ik eerst een beetje strebers, maar zij werden mij later iets sympathieker. Als lezer moet je toch wat voelen voor de hoofdpersonen van het boek dat je aan het lezen bent, hoewel in modernere romans veel hoofdpersonen helemaal niet sympathiek zijn of nauwelijks. Ik denk bijvoorbeeld aan de personages van Arnon Grunberg, om maar eens een dwarsstraat te noemen (grapje), maar het maakt wel duidelijk wat ik bedoel. Een boek met een hoofdpersoon die je op het eerste gezicht niet heel sympathiek vind of zelfs afstotelijk is moeilijker te lezen en toch moet je daar dan ook doorheen om de onderhavige roman te kunnen appreciëren.

Langzaam word je als lezer meegenomen met de Effingers in hun doen en laten; hun gesprekken samen, hun hoogtijdagen - net als bij De Buddenbrooks -. Alles wat we leren over hun tijd, wat betreft politiek, cultuur, economie e.d., komt uit hun mond. Het grootste deel van de roman bestaat uit dialogen en gesprekken. Daar moet je even aan wennen. De meeste boeken die ik lees zijn ofwel totaal vanuit één hoofdpersoon geschreven met al zijn muizenissen, genavelstaar of inwendige dialogen, ofwel vanuit de gebeurtenissen die tot het verhaal leiden. Deze roman is vermoedelijk niet uniek in zijn vertelwijze - hoewel ik even niet op een ander voorbeeld kan komen, maar dat ligt aan mijn geheugen -. De Buddenbrooks van Thomas Mann is anders geschreven, iets meer vanuit het ‘objectieve’.
Het verhaal van de Effingers wordt met horten en stoten verteld, zeer gefragmenteerd, maar de lezer kan de uiterlijke gebeurtenissen plaatsen. Ik moest zelf even opzoeken wanneer de Frans-Duitse Oorlog ook al weer plaatsgevonden had en ik herkende ook opmerkingen over het jonge Duitsland met betrekking tot de keizer en Bismarck en dergelijke. In deze zin is De Effingers een veel ‘politiekere’ roman dan De Buddenbrooks. Thomas Mann moest aanvankelijk niet veel hebben van al dat politiek gedoe en daarin contrasteerde hij dan ook met zijn broer Heinrich, die een zeer sociaal en politiek dier was.

Een van de dingen die ik me afvroeg bij het lezen was: in welke mate speelt het joods-zijn van de familie Effinger een rol? Naar mijn idee zijn de Effingers een voorbeeld van geassimileerde joden. Mensen met een joodse achtergrond, die ook nog wel de oude feesten vieren en daarbij stilstaan, de jongere generaties minder dan de oudere, maar voor wie het joods-zijn als zodanig geen ‘issue’ is. Ze voelen zich eerder Duits dan joods; eerder modern dan traditioneel levend vanuit het geloof der vaderen. Toch voelen zij de ademtocht van het antisemitisme in de nek. Broer Benno, die naar Engeland verhuisd is voelt dat aanvankelijk het sterkst. Ook als het nationaalsocialisme aanwakkert zijn er maar weinig leden van de Effingers die menen dat ze moeten vluchten voor het aanstormend geweld tegen de joden.

De roman krijgt een verhelderend nawoord van Nicole Henneberg. De laatste merkt op dat deze roman autobiografische trekken uit het leven van Gabriele Tergit kent. Tergit laat Paul verklaren dat hij verknocht is aan de ‘Joodse nestwarmte’, net als zijzelf. Tergit zelf is op tijd vertrokken uit nazi Duitsland. Ze rouwde om haar verloren Duitsland. Vlak na WOII liep ze te leuren met het manuscript van De Effingers, dat ze aan de straatstenen niet kwijt raakte. Wat haar in Palestina, waar zij een poos gewoond had met haar man, stoorde was het extremisme van onder andere de zionisten. Niet alle joden zijn zionisten, ook in vroeger tijden niet; niet alle joden zijn heel religieus. Er is een groep joden, dat ik maar voor het gemak geassimileerde joden noem, misschien is dat wel de grootste groep, die zich zeer thuisvoelt bij de joodse cultuur in het land waar zij sinds lang woonden, of dat nu Duitsland, Rusland of Nederland is. Henneberg steunt me in deze opvatting. Dat geldt gelijkelijk voor de Effingers en voor Gabriele Tergit.

Heel fijn is het dat De Effingers is opgenomen in de rij van Schwob-boeken: de mooiste vergeten klassiekers. De eerste uitgave verscheen in 1951, en is in 2019 voor het eerst in Nederlandse vertaling verschenen; vertaler is uitgever Meta Gemert.

Lezen moet iedereen deze heerlijke en treurige familieroman; lekker dik is hij en dat is in deze tijden van lockup en social distancing een heel groot voordeel.

Titel: De Effingers
Auteur: Gabriele Tergit
Vertaling: Meta Gemert
Nawoord: Nicole Henneberg
Pagina's: 735
ISBN: 9789083007625
Uitgeverij Van Maaskant Haun
Oorspronkelijk verschenen: 1951 (Duits, 1e uitgave)
Verschenen: 2020 (Nederlandse vertaling)

zondag 26 april 2020

Hugh Walpole – De verborgen stad


Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij van Maaskant Haun




‘De zon was aan het ondergaan. Hij hing in de nevelige lucht als een perfecte rode bal, zweefde bijna malicieus boven de toren van het kerkje. De rest van de wereld was grijs.’ (blz.112)

Op zoek naar de Russische ziel in een surrealistisch decor

Hugh Walpole, een Brits roman- en scenarioschrijver (1884-1941), schreef een roman over de februarirevolutie van Petrograd in 1917. Als ooggetuige was hij in staat de details en de sfeer briljant te verwerken in De verborgen stad. Natuurlijk schept de titel verwachtingen over het karakter van de verborgenheid, voor een westerling heeft Rusland vaak iets ongrijpbaars, iets mythisch. Vanuit dit perspectief is dit boek het beste te lezen. Stukje bij beetje voert Walpole de lezer mee naar de diepste krochten van Petrograd dat met zijn tot de verbeelding sprekende rivier de Neva en de zeer diverse bevolking een cocktail is van de ongrijpbaarheid van de Russische ziel.

De auteur maakt voor de compositie van zijn roman gebruik van autobiografische elementen, contrastrijke personages, dromen, monsters, menselijke verlangens, ideeën over de (onbereikbare) liefde en de gespannen verhoudingen tussen de bevolkingsgroepen aan de vooravond van de februarirevolutie van 1917. In het voorwoord van vertaalster Meta Gemert wordt verteld over het leven van de auteur en het vertaalproces dat niet altijd even soepel verliep vanwege onjuistheden in de brontekst. Fijn dat het om een voorwoord gaat, het lezen krijgt hiermee een meerwaarde, autobiografische elementen zijn hierdoor eenvoudiger te herkennen.

De namen van de personages zijn niet altijd makkelijk te onthouden, een lijstje maken helpt hierbij. Het boek is verdeeld in drie delen, in het eerste deel komt het merendeel van de spelers aan bod. De ik-verteller waarschuwt de lezer in het begin dat zijn feiten kloppen, maar dat de lezer de interpretaties zelf mag wegen en veranderen.

Het ‘episch centrum’ van het boek is het appartement waarin Markovitsj met zijn vrouw Vera en schoonzus Nina woont. Toevallig ontmoet Markovitsj het ik-personage Durdles, zo genoemd door zijn Russische vrienden, en het blijkt dat ze beiden ene Semjonov kennen, deze is familie van de Markovitsjs en diende in hetzelfde leger als de verteller. Deze Semjonov heeft een tragisch verleden dat hij obsessief bij zich zal houden en ook de anderen zal bezighouden. Een beetje als een thriller loopt deze verhaallijn verder tot het einde van het boek, samen met de Neva en de politieke onrust. Het appartement is het toneel van kleurrijke figuren, zo is daar ene Boris, een politieke activist waarvan we later nog zullen horen.

En dan zijn er nog de Britse Bohun (de romanticus) en Lawrence (die niets van Rusland moet hebben), zij geven het verhaal een beschouwende laag. Door discussies tussen hen en de Russen komen de verschillen aan bod. Aan de ene kant het oosten, aan de andere kant het westen en wie kent de Russische ziel? Iemand die er zijn leven lang woont of hij die veel gelezen heeft van Russische auteurs en weet van verlangen, vertrouwen en vriendschap? Veel hierover wordt in dialogen uitgewerkt, maar ook dromen roepen erg mooie beelden op. Die zijn fabelachtig en steeds weer speelt de rivier een rol, monsters die normaal onzichtbaar zijn komen in de droom tot leven. Vooral bij ziekte en koorts zijn de fantasieën ongekend sprookjesachtig.

‘Henry droomde. Hij kon me (de verteller tvl) later niet alle details vertellen, maar het was een lange, sombere en mistige droom waarin de muren van het hotel zich leken te openen en te sluiten en kleine zwarte figuurtjes als mieren heen en weer liepen in de kronkelende gangen.’ (blz. 28)

Prachtig taalgebruik waarbij de stad elke keer in een ander licht en weersgesteldheid beschreven wordt maakt het boek poëtisch, ze dienen als rustmomenten waarin het voorafgaande even kan bezinken om vervolgens naar een volgende scene over te gaan.

‘De stad was gehuld in een dunne mist waarin schaduwen opdoemden en weer verdwenen, trambellen klingelden en vreemde, woeste Russische kreten doordringend en toch loom door de lucht vlogen. Hij ploeterde voort en opeens stond hij in de Nevski Prospekt. Hoewel de straat er in de zompige regen saai en kleurloos uitzag, wist hij vanwege de grootte en grandeur zeker dat het de Nevski was.’ (blz.29)

Voor wie geïnteresseerd is in het opvallende omslag: dit is geschilderd door Boris Grigorjev en stelt Vsevolod Meyerhold (Russische regisseur, acteur en producent) voor. Hij behoorde tot de intellectuele bovenlaag die de mens wilde hervormen: alle burgerlijke gedachten moesten worden afgebroken. Uit die puinhoop moesten nieuwe mensen worden opgebouwd die aan de basis van de communistische heilstaat zouden staan. (wikipedia)
De afbeelding sluit mooi aan op het boek. Een toneelstuk waarbij ook Durdles als toeschouwer een opvoering bijwoont is geregisseerd door Meyerhold.

‘Dit was het hoogtepunt van Meyerholds leven en als we het hadden geweten, zouden we gezegd hebben dat dit ook het hoogtepunt van vele andere levens was, maar dat wisten we die avond niet.’(blz. 138)

De revolutie wordt in de roman levensecht beschreven vanuit de personages die door hun uitgewerkte karakters meer zijn dan alleen voor – of tegenstanders van de omwenteling. Binnen de familie zorgen deze politieke perikelen voor verdeeldheid binnen de familie. De spanning wordt lang vastgehouden en de afloop is verrassend.
Hugh Walpole heeft een groot aantal werken op zijn naam, maar slechts vier romans werden vertaald in het Nederlands, waarvan 3 al in de jaren 20 van de vorige eeuw. (bron)

De auteur

Walpole (Auckland, 13 maart 1884 - Londen, 1 juni 1941) werd geboren in Nieuw-Zeeland als zoon van een bisschop. Hij studeerde aan Engelse kostscholen te Canterbury, Durham en van 1903 tot 1906 te Cambridge (Emmanuel College). Later gaf hij aan dat zijn schooltijd weinig gelukkig was geweest. Hij worstelde met zijn homoseksuele gevoelens en voelde zich, afgesloten van zijn familie, vaak eenzaam.

Na zijn schooltijd koos Walpole al snel voor een literaire carrière. Vanaf zijn debuut in 1909 was hij een bekende verschijning in de Londense literaire wereld. Hij was bevriend met Virginia Woolf. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werkte hij voor het Rode Kruis aan het Oostfront en later als verslaggever in Rusland, waar hij ook voor Britse propagandadoelen werd ingezet. In 1917 was hij te Sint-Petersburg getuige van de Russische Revolutie. Na de oorlog bleef hij nog een tijd actief als verslaggever en reisde door Europa. In 1924 had hij een ontmoeting met Adolf Hitler tijdens de Bayreuther Festspiele. Ondertussen verliep zijn literaire carrière erg succesvol en groeide hij uit tot een der meest gelezen Britse romanschrijvers van zijn tijd. In de jaren dertig maakte hij ook naam als scenarioschrijver en reisde zelfs af naar Hollywood. Ook maakte hij naam als literatuurcriticus en schreef studies over Walter Scott, Anthony Trollope en Joseph Conrad. (lees verder op wikipedia)  

Titel: De verborgen stad , The Secret City
Auteur: Hugh Walpole
Uitgever: Uitgeverij van Maaskant Haun
Vertaling: Meta Gemert
ISBN: 9789081786126
Pag.: 320
Genre: fictie
Verschenen: deze editie 2017, oorspronkelijk 1919