maandag 30 september 2019

Laura Broekhuysen - Winter-IJsland. Mijn eerste jaar in een verlaten fjord.

Recensie door Truusje
Uitgeverij Querido



Buigen of barsten in oogverblindend proza

IJsland, een land en eiland dat steeds tot de verbeelding blijft spreken en hierin ben ik zeker niet de enige. Als dit land je eenmaal in zijn greep heeft, is het niet gemakkelijk om je eraan te ontworstelen. Er een vakantie doorbrengen is een volledig eigen keuze en de liefhebber is elke dag druk doende met het zoeken naar en bewonderen van de vele fascinerende dingen die deze wonderschone natuur in petto heeft. De ervaringen die men opdoet tijdens vakanties zijn echter wel een hemelsbreed verschil met de ervaring die het wonen met zich meebrengt. In dit boek - met de ondertitel 'Mijn eerste jaar in een verlaten fjord' - laat de auteur de lezer beleven hoe het voelt om je aan te passen aan de cultuur en mores van de IJslanders, de strenge, donkere winter met een allesoverheersende koude en een diep verlangen naar het voorjaar met zijn licht en zon.

Tijdens haar studietijd ontmoet Broekhuysen haar IJslandse man, ze krijgen een dochter en besluiten naar zijn geboortegrond terug te gaan.
Dat de emigratie toch ook zijn rafelrandjes heeft - als de eerste euforie getemperd is - wordt pijnlijk duidelijk in haar oprechte verhalen, waarin ook soms haar eigen ongeloof doorklinkt. Het gras lijkt elders altijd groener, maar tijdens de lange winter is er van dat gras niet veel te ontdekken.

Het is in de herfsttijd dat ze met hun dan bijna tweejarige dochter Esther vertrekken ze naar een houten huis aan het zwarte strand van Hvalfjörður. Het huis hebben ze tevoren niet gezien. Het is een verwarrende gewaarwording voor haar om het huis binnen te stappen. Nu is het écht, de emigratie een voldongen feit met de rauwe winter in aantocht en ze kunnen niet anders dan zich aanpassen aan de elementen, die hun wereldje steeds kleiner lijken te maken.

'Helling opwaarts, dicht bij de weg, staat onze brievenbus. Als de postbode is geweest, steekt hij naast de bus een ijzeren vlaggetje omhoog, dat lam is en op half zeven wordt gezwiept. We zien het alleen door onze verrekijker. Het is een klim, we wandelen erheen op windstille dagen. We binden ijzeren tanden met rubberbandjes onder onze laarzen voor grip. We smeren paardenzalf op onze lippen. We geven elkaar een hand en glibberen over bobbelig ijs, ingeklonken, verregende en opnieuw bevroren sneeuw. Het is een spannende tocht. Soms ligt er een pakje in de bus, soms niet. De postbode is onze Sinterklaas.'

IJslanders lijken soms wat afstandelijk en verlegen te zijn. Dat ondervindt ze ook bij haar schoonouders. Zelfs na meerdere bezoeken lukt het haar niet om meer vertrouwelijke gesprekken met hen te voeren. 'Elke ontmoeting is een herhaling van de eerste'. [...] 'Als draagmoeder van het nageslacht ben ik in waarde gestegen, toch wordt het nooit persoonlijk.'  Wanneer ze haar man vraagt hoe ze bepaalde dingen in het IJslands zegt is zijn antwoord steevast dat niemand dat hier ooit zegt.

'De zon. Een half oog dat na maanden boven de bergrand sluipt, laat het stof op de ruiten schitteren. We vinden onszelf terug als reptielen, doodstil verspreid over de vensterbanken op het zuiden. Onze oren gloeien. We bewegen alleen onze oogbollen. Ook de paarden staan versteend in de wei om hun bloed op te warmen. De vachten dampen. We zien het oranje van een scholeksterbekken. Het helle blauw van lucht. De kleuren zijn terug.'

De vroegwijze Esther, die drietalig wordt opgevoed,  weet niet beter dan dat het leven bestaat uit koude, sneeuw, zonder zon en wanneer die eindelijk in het voorjaar boven de einder en de bergen verschijnt, vindt ze het maar een raar fenomeen. Het boezemt haar zelfs wat angst in.
Broekhuysen beschrijft dat het voorjaar hen weer meer ruimte geeft, omdat de deuren en ramen weer opengaan. De frisse lucht en het hernieuwde licht maken echter duidelijk dat een voorjaarsschoonmaak onontbeerlijk is. De winter heeft nadrukkelijk zijn stof  in huis achtergelaten en vieze vingers hun afdrukken op ruiten en spiegels.

'We bakken zonnepannenkoeken, volgens Ama's recept. Flensen waar je doorheen kunt kijken, die nauwelijks schaduwen werpen, even zacht en doorzichtig als de roze oorschelpen van een tweejarige. We zitten aan de keukentafel naar elkaar te grijnzen, onze tanden blinken. Het fjord wordt met gesnater gevuld. De baai fonkelt. Ons kind zingt 'Maar het meel is zo duur, maar het meel is zo duur'. Ze rent, met in elke hand een opgerolde pannenkoek, achter haar schaduw aan, voor hem uit. Haar nieuwe vriendje dat haar op de hielen volgt.'

Met een flinke dosis zelfreflectie geeft ze haar bewuste en onbewuste gedachtestroom weer door middel van prachtige zinnen en fijnmazig proza.
Broekhuysen schrijft niet alleen in letters en woorden, ze weet ook in beelden te schrijven en haar zinnen zo op je netvlies te laten transformeren, dat je precies voor je ziet wat ze duidelijk wil maken. Tussen de zinnen door gloort er soms ook een beetje wanhoop en onzekerheid over wat de toekomst hen zal brengen, dat het noodzakelijk is om je te voegen naar de elementen. Het is buigen of barsten.

Niet alleen het zintuig 'zien' spreekt ze aan. Ook het horen van de stilte dat weldadig aanvoelt, maar in de donkere winterperiode ook een gevoel van isolement kan oproepen. Wanneer ze een beroep op je zintuig 'voelen' doet en de elementen van de winter benoemt, is het een hele kunst om de koude rillingen niet over je rug te voelen griebelen. De rit naar het ziekenhuis, wanneer de weeën zich aandienen, beschrijft ze deels met nuchterheid, deels met gedachten in het hoofd die aanstaande moeders maar al te goed herkennen. Een nieuwe spruit komt ter wereld. Ondanks de beschrijvingen van de moeilijke perioden, die gepaard gaan met toch wel wat vertwijfeling, is het geen zwaar boek. Absoluut een heel zintuiglijk, oprecht en invoelbaar werk.

Dit boek heb ik - na het gelezen te hebben - ook nog eens geluisterd, op IJsland tijdens een paar uur in de ijzige wind om het Noorderlicht te spotten. Toepasselijker kan natuurlijk niet.

Auteur

Tijdens de laatste jaren van het vwo schreef Laura Broekhuysen (1983) het jeugdboek Zand erover, dat in 2002 bij Lemniscaat verscheen en bekroond werd met een eervolle vermelding van de Zoenjury.

In datzelfde jaar startte zij haar vioolstudie aan het Conservatorium van Amsterdam, waar zij tot 2008 studeerde bij violist Ilya Grubert. Parallel hieraan volgde Laura gedurende anderhalf jaar de studie Writing for performance aan de theaterfaculteit in Utrecht.

Tijdens het conservatorium werkte zij aan de roman Twee linkerlaarzen, haar debuut voor volwassenen, dat Querido publiceerde in dezelfde week dat Laura afstudeerde als violist. Twee linkerlaarzen werd genomineerd voor de Selexyz debuutprijs en voor de tweejaarlijkse Vrouw & Kultuur DebuutPrijs.
In 2011 volgde Hellend vlak, een roman gesitueerd in de IJslandse Westfjorden.

Tijdens haar studie ontmoette Laura de IJslandse componist Einar Torfi Einarsson. Zij trouwden in Engeland, waar ook hun dochter werd geboren. In 2014 emigreerde het gezin naar IJsland. Vanuit hun nieuwe woonplek schreef Laura, in verwachting van hun zoon, voor literair tijdschrift De Revisor een reeks stukken die werd gebundeld in het boek Winter-IJsland, mijn eerste jaar in een verlaten fjord (Querido, 2016). Het werd genomineerd voor zowel de Bob den Uyl Prijs 2017 als voor de Confituur Boekhandelsprijs en stond op de longlist van de Fintro Literatuurprijs.

Naast het schrijven van een theatertekst in opdracht van LOD Muziektheater (Gent), werkt Laura Broekhuysen aan een gedichtenbundel, waarvoor zij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds.


Titel: Winter-IJsland. Mijn eerste jaar in een verlaten fjord

Auteur: Laura Broekhuysen
Pagina's: 136
ISBN: 9789021402178
Uitgeverij Querido
Verschenen: april 2016

vrijdag 27 september 2019

Silvio Pellico - Mijn gevangenissen

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Van Oorschot



'De rust der lafhartigen is van geen enkele waarde!'

Deze succesvolle Italiaanse klassieker uit de negentiende eeuw werd onlangs opnieuw vertaald. Toneelschrijver, journalist en dichter Silvio Pellico (1789-1854) zat gevangen wegens hoogverraad, hij was lid van 'De Carbonari's' een geheime organisatie die streed voor een verenigd en onafhankelijk Italië. Op 13 oktober 1820 werd Silvio opgepakt en van zijn 10-jarig gevangenschap tekende hij na zijn vrijlating in 1930 zijn herinneringen op. Het boek verscheen in 1832 onder de titel : 'Le mie prigioni' , de eerste Nederlandse vertaling werd in 1833 uitgebracht, de laatste in 1911.

De titel verraadt al dat het om meerdere gevangenissen gaat, de Santa Margherita gevangenis in Milaan is de eerste. Silvio begint met de uitleg dat hij over zijn verhoren niet zal uitweiden, hij laat de politiek voor wat hij is. Waarover gaat het dan wel? In het voorwoord komt deze bijzondere verklaring:

'Ik wilde een alom bekende, maar vaak vergeten waarheid benadrukken: dat godsdienst en filosofie samen ten grondslag liggen aan een krachtige wil en een kalm oordeel, en dat er zonder die twee geen rechtvaardigheid, waardigheid of vaste beginselen bestaan.'

Niet door alle goeds wat de filosofie had bewerkstelligd over boord te gooien, maar de bevestiging door het christendom van dat goede met verhevener, machtiger argumenten.
Eén van de eerste gedachten die opkomen na z'n opsluiting gaan over zijn familieleden, zij zijn niet op de hoogte van de aard van z'n aanklacht en denken dat hij snel vrijgelaten zal worden. Dit thema, de familie die in het ongewisse blijft, zal als een rode draad door het hele boek lopen. Het motto sluit hierbij aan:

'Een mens, kind van een vrouw, beperkt van dagen, overstelpt met zorgen. Job 14:1'

Tijdens die eerste nacht geeft een innerlijke stem hem antwoord op de vraag wie zijn dierbaren de kracht zal geven om deze slag te boven te komen: 'God zal dat doen'. Met dit antwoord gooit hij al z'n vroegere twijfels overboord en neemt zich voor zijn leven te veranderen en God te omarmen. Met het risico dat anderen hem als een 'schijnheilige' zouden kunnen zien. Het enige waarmee Silvio zijn eerste dagen kon vullen was met het boek De goddelijke komedie van Dante waaruit hij dagelijks een canto uit zijn hoofd leerde, en een bijbel. Ook hij mocht gebruik maken van de gevangenisbibliotheek, dit bracht geen uitkomst, met een onrustige geest is het moeilijk concentreren.

Gedurende de tien jaren opsluiting waren er dierbare ontmoetingen met cipiers, medegevangenen, geestelijken en het bijzondere meisje Zanze. Zij was de dochter van de gevangenisbewaarder en zette, in tegenstelling tot haar moeder, lekkere pittige koffie. Dit meisje, geen schoonheid, maar wel heel belangstellend, was een welkome afleiding, ze hadden lange gesprekken en konden elkaar troosten. Zij, met haar problematische minnaar en hij, als gevangene, hadden elkaar nodig. Aan alles komt een eind, dus ook aan de bezoekjes van deze dierbare vriendin. En zo kwamen en gingen de afleidende, broodnodige 'reddende engelen'. Ze hadden niet allemaal even goede bedoelingen, een zeker wantrouwen was op zijn plaats, want voor je het weet word je vertrouwelijk met een spion. Het voornemen om ten alle tijden rustig te blijven en geen veroordeling uit te spreken over hen die je kwaad willen doen vergt uiterste zelfbeheersing, deze beproevingen lopen als motief door het boek, steeds weer in een andere gedaante.

Na het vonnis wordt Silvio overgebracht naar fort Spielberg, dit ligt bij de stad Brünn in Moravië. Hier worden de verschrikkingen bijna voelbaar beschreven, de kettingen, het ongemak waarmee dit gepaard gaat, de deplorabele gezondheid en de uitzichtloosheid. Want ook al was er een vonnis uitgesproken, tijdens de gevangenschap kon er gratie verleend worden. Wat restte was eindeloos wachten, hopen en vooral in de christelijke houding blijven volharden. En dan die zorgen om het thuisfront, zijn dierbare familie, dit bleef een foltering voor hem. Maar ook hier weer de kameraadschap met medegevangenen, het lezen van boeken, het schrijven en uit het hoofd leren van gedichten om het geheugen te trainen.

Een nieuwe periode breekt aan wanneer Silvio vrijgelaten is. Op advies van de eerbiedwaardige tachtigjarige abt Giordano beschrijft hij zijn geleden ontberingen en publiceert ze. Dat deze niet door iedereen goed ontvangen zouden worden was te voorzien, maar:

'De voortreffelijke Don Giordano beschikte over een masculiene, warme welsprekendheid die een zeer goede uitwerking had op mijn geest. Keer op keer zei hij tegen me: ‘De rust der lafhartigen is van geen enkele waarde! Bedenk dat als God u heeft toegestaan naam te maken in de literatuur, hij dat deed om u te inspireren tot het schrijven van een boek dat heilzaam is voor uw naaste.’

Inderdaad kwam er flink wat kritiek op de ontboezemingen, het zou gedaan zijn met z'n reputatie, het zou schijnheilig zijn, zijn devotie zou een komedie zijn. Maar het boek werd succesvol, het werd heel goed ontvangen en de auteur kreeg eervolle brieven. Op een keer werd hij uitgedaagd voor een discussie door een protestant die moeite had met het gemak waarmee absolutie verleend wordt :

'Denk maar niet dat God een pardon dat jullie zo makkelijk door die dienaren van Baäl is verleend, bekrachtigt.’

Het boek stemt tot nadenken over hoever je gaat met het nemen van risico's voor een ideaal en hoe je de consequenties aanvaart wanneer het verkeerd uitpakt. Deze man heeft bewezen dat je, door jezelf een zuivere houding aan te meten en je daar aan vast blijft houden, een uitweg vindt. In zijn geval is dat God en het katholicisme. Ik heb grote bewondering voor de rustige houding van Silvio Pellico en ik ben het niet eens met sceptici die zijn onwaarachtigheid in twijfel trekken, nee die man lijkt me oprecht.
Mijn waardering is mede te danken aan de mooie, soepel lopende vertaling. Het valt niet mee om een boek, waarin het gevoel en de gruwelen beiden hun plaats moeten krijgen, zo geloofwaardig en zonder valse sentimenten te vertalen uit het bloemrijke en misschien wat archaïsche Italiaans.


Auteur

Silvio Pellico (Saluzzo, 24 juni 1789 – Turijn, 31 januari 1854) was een Italiaans schrijver, dichter, toneelschrijver en patriot.
Pellico verzette zich zijn leven lang tegen de Oostenrijkse overheersing van Italië. De Oostenrijkers verdachten hem van Carbonarisme en sloten hem op in onder andere de Spielberg, de beruchte Piombi in Venetië, en andere gevangenissen.
Pellico heeft zijn gevangeniservaringen na zijn vrijlating opgetekend in Mijn gevangenissen. Het boek verscheen in 1832. Het boek werd kort daarop ook in het Nederlands vertaald. In 1911 kwam er een nieuwe vertaling uit, gemaakt door Frans Erens. De meest recente vertaling van zijn werk is van april 2017 (Vertaling: Yond Boeke en Patty Krone). Mijn gevangenissen is het verhaal van zijn tien jaar durende lijdensweg.
Van zijn werk zijn zijn vrome maar naïeve spreuken in "Dei doveri degli uomini" en vooral zijn in 1832 verschenen herinneringen aan "zijn" gevangenissen in Le mie prigioni van blijvend belang gebleken. Het werk is in de meeste Europese talen vertaald.

Titel: Mijn gevangenissen
Auteur: Silvio Pellico
Uitgever: Van Oorschot
Vertaling: Yond Boeke en Patty Krone
Pagina's: 239
ISBN: 9789028261853
Uitgeverij Van Oorschot
Verschenen: april 2017

donderdag 26 september 2019

Maartje Wortel – Dennie is een star

Recensie door Roosje
Uitgeverij Das Mag



Dennie is een star - Maartje Wortel is een star!

Meestal lees ik geen stukken van anderen voor ik mijn eigen leeservaring, recensie zo je wilt, op papier gezet heb. Met dit boek gebeurde het bij toeval wél. Eerst zag ik toen ik deze roman bij Hebban invoerde als gelezen, dat de NRC maar twee sterren - two stars ;-) - had gegeven, er is in dit boek maar one star en dat is Dennie. En daarna viel mijn oog op besprekingen en waarderingen van medelezers. Oei, dat viel tegen! Maartje Wortel is in zekere zin de Nederlandse tegenhanger van de Amerikaanse filmmaakster Lena Dunham. Wie - who the fuck - is Lena Dunham?

‘Dunham is de dochter van kunstschilder Carroll Dunham en fotografe Laurie Simmons. Ze groeide op met haar ouders en jongere zuster Grace in New York. In 2008 behaalde ze haar bachelor in het creatief schrijven op de Oberlin College. In 2009 schreef en regisseerde ze haar eerste langspeelfilm, Creative Nonfiction, waar ze zelf in speelde en ook haar zuster Grace een rol in had. In 2010 schreef en regisseerde ze haar tweede film, Tiny Furniture, waarin ditmaal naast haarzelf en haar zuster, ook haar moeder in te zien was.Vanaf 2012 is ze te zien in de HBO-televisieserie Girls waarin ze de rol vertolkt van hoofdrolspeelster "Hannah Horvath". Ze is de bedenker en uitvoerend producent van de serie. Tijdens de 70e Golden Globe Awards in 2013 won ze de trofee voor beste komische serie alsook de trofee voor beste actrice in een komische serie.Dunham bracht in 2014 het autobiografische boek Not That Kind of Girl uit.’(Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Lena_Dunham)

Obsessief, neurotisch, egocentrisch, maar ook heel erg grappig, met haar lompe lichaam, dat ze niet verbergt; Lena bedoel ik, Hanah Horvath, bedoel ik.
Een jonge vrouw, die op de helft van het boek Tedje Smulders blijkt te heten, ah, ze komt dus uit Brabant, tenminste waarschijnlijk, - Smulders is een Brabantse naam - en die een getroebleerd vrouwenliefdesleven leidt, nou ja, ze gaat ook een keer met een knappe Marokkaan naar bed, al komt er geen bed aan te pas en ook al weet ze niet zeker of er sprake was van een penetratie, toch is ze bang voor een zwangerschap; overigens denkt hij dat hij een hartstochtelijk minnaar is, hij bakt er weinig van; hard zoenen en hard strelen is niet noodzakelijkerwijze een goed liefdesspel. O, ja, Tedje, is de hoofdfiguur uit deze niet helemaal conventionele roman van Wortel. De roman bestaat uit fragmentarische stukjes, die toch ook wonderlijk samenhangen. Dat heeft Wortel knap gecomponeerd!

Tedjes leven is een leven dat te veel en te weinig samenhang vertoont. Alle gebeurtenissen lijken zich af te spelen op eenzelfde niveau. Tedje lijkt geen onderscheid te kunnen maken tussen belangrijk en onbelangrijk, tussen noodzakelijk en minder noodzakelijk. En diep zijn haar gedachten over het leven van gister en morgen maar zelden gericht op het nu, behalve misschien in Dennies ultieme levensmoment.
Voortdurend op zoek naar het leven in het nu, de naam Eckhart Tolle valt niet, maar is voor de goede verstaander wel degelijk aanwezig.
Voortdurend op de loop voor liefdesverdriet. Voortdurend verstrengeld in de levens van andere vrouwen.

Mijn aandacht heeft Wortel stante pede wanneer ze op pagina 15 mijn favoriete schrijfster Rachel Cusk, niet door velen bewonderd overigens, aanhaalt: ‘Zoals Rachel Cusk schreef; ‘Net als bij de liefde leidt begrepen worden tot de angst dat je nooit opnieuw begrepen zult worden.’ De neurotische obsessie ligt op de loer, dat snap ik meteen.
Wortel lijkt hier ook een beetje op Esther Gerritsen in haar columns, wanneer het vergrootglas op dagelijkse zaken wordt gelegd en evenzo op haar persoonlijke bedenkingen en ervaringen. Een beetje wereldvreemd, een beetje nerdy, intelligent, gevoelig, zoekend.

Bij afwezigheid van de juiste vrouw in haar leven wordt de kat Dennie haar god met ziektekostenverzekering and all. Dennie was eigenlijk eerst een andere kat, die in werkelijkheid Koelie heette, maar de vriend van het meisje van wie de kat was, moest die kat niet en die vriend heette Dennie. Overigens moest die eerste kat Tedje ook niet. Dus de tweede kat, de loser uit een nestje, met een ontstoken oog en tamelijk vies in het vel, kreeg als vanzelfsprekend de naam Dennie. Deze interne logica past mij als een op maat gesneden jas, maar voor wie die jas niet past, valt er geen logica in te herkennen en zal Wortel ook geen bewondering oogsten.

Een favo uitspraak van mij is op dit moment: I can relate to that, of in dit geval to her, totally (en daar komt Lena Dunham weer om de hoek kijken, sort of).
Dit heel persoonlijke kijken naar de wereld die te groot lijkt voor een waarschijnlijk hypergevoelige jonge vrouw, heeft iets absurdistisch, doordat de dingen, de fenomenen op één lijn geplaatst lijken, waardoor er geen hoofd- en bijzaken lijken te zijn en alles even zwaar weegt - en dat is heel zwaar -. En dat is natuurlijk juist haar probleem, van Tedje Smulders. Als je dat niet herkent - niet iedereen ervaart het leven natuurlijk op die wijze - kun je je er ook niet toe verhouden (to relate to).

‘Ik hou Dennie strak omdat ik bang ben hem te verliezen. Er gaat veel van mijn energie verloren aan angst voor verlies.’ (2019: 105)

Arme Tedje..

Vriendin N. zegt op een heel belangrijk moment: ‘Dennie is een star, was een star en zal altijd een star blijven.’ (ib.: 156) en dat geldt wat mij betreft ook voor Maartje Wortel, geen allemans- en allevrouwsvriendje.

Auteur

Maartje Wortel (Eemnes, 26 oktober 1982) is een Nederlandse schrijfster.
Na de middelbare school 'Laar en Berg' in Laren bezochte ze korte tijd de Academie voor Journalistiek in Tilburg. In het eropvolgende schooljaar volgde ze de opleiding Beeld & Taal aan de Gerrit Rietveld Academie te Amsterdam.

Ze publiceerde korte verhalen in de literaire tijdschriften Passionate Magazine, De Brakke Hond en De Gids. Haar columns verschenen in NRC Next en Trouw. Maartje Wortel debuteerde in 2009 met de verhalenbundel Dit is jouw huis bij De Bezige Bij. In 2011 verscheen haar eerste roman Half Mens, waarvoor zij genomineerd werd voor de BNG Nieuwe Literatuurprijs. Onderwerp van Half mens is een Amerikaanse taxichauffeur die een Nederlands meisje aanrijdt. Inspiratiebron voor het boek was een artikel over de psychische stoornis BIID (Body Integrity Identity Disorder). In 2014 verscheen eveneens bij de Bezige Bij het goed onthaalde IJstijd. In 2015 kwam bij de opstartende uitgeverij Das Mag de verhalenbundel Er moet iets gebeuren uit. Er volgen naast goede recensies ook nominaties voor de Fintro Literatuurprijs en de ECI Literatuurprijs.
Maartje Wortel is de dochter van kleinkunstenaar Gerard Wortel.

Titel: Dennie is een star
Auteur: Maartje Wortel
Pagina's: 172
ISBN: 9789492478764
Uitgeverij Das Mag
Verschenen: maart 2019

maandag 23 september 2019

Flip G. Droste - De betekenis van betekenis

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Aspekt



'Zelfs de monoloog is een dialoog'

De titel 'De betekenis van betekenis' roept vragen op. Wat zit erachter? Het antwoord hierop komt in de inleiding aan de orde: elk teken staat voor iets anders. Er is geen leven mogelijk zonder tekens. Denk aan verkeersregels en regels die opgesteld zijn voor een partij tennis. Na de inleiding, een denkoefening, duikt de auteur het verre verleden in. Te beginnen met Mozes, Jezus en Mohammed, zij hebben als profeten de wil van God vastgelegd in geschreven woord.

Deze recensie krijgt als titel een citaat uit een gedeelte over Sokrates, een moedig man die de macht van de geschreven wet erkent en daar de volle consequentie van neemt: tot in de dood. Dialoog is over-en-weer praten, wanneer je met je eigen ziel in gesprek bent wissel je gedachten uit, denken is een dialectisch proces, ook een dialoog.

De beroemde grootheden die voorbijkomen in dertien hoofdstukken hebben allemaal iets gemeen: De taal. Aan de hand van deze beroemdheden verklaart de auteur ons hoe een theorie, een literair werk of een schilderij tot stand kan komen. De bron is een vermoeden, een gedachte die leidt naar een theorie, een literair werk of een schilderij. Onvoorstelbaar hoe zo'n proces - dat zo vanzelfsprekend lijkt - tot stand komt.

Een deel is te verklaren in het karakter. Doorzetten, afzien en buiten de paden treden zijn zomaar een paar voorbeelden die kunnen leiden tot meer dan een gedachte.

Een tweede belangrijke verklaring is de verbeelding. Bij een sprookje lopen verbeelding en werkelijkheid in elkaar over. Een schilderij is een in verf verbeelde werkelijkheid. Een van de beroemdheden die besproken worden is Hiëronymus Bosch, geboren ca 1450 in Den Bosch. Een van zijn werken is 'De tuin der lusten', een drieluik. Talloze interpretaties weden toegedicht aan het schilderstuk: de schilder zou krankzinnig zijn of tot een geheime sekte behoren.

El Jardin de las delicias

Een van de geportretteerden is Albert Einstein. De bijdrage die hij geleverd heeft aan de wetenschap komt helemaal uit het brein:

'Zijn brein kan 'bedachte' waarnemingen omzetten in hypotheses en die ordenen in een theorie.'

Er is ruim aandacht voor de vraag wat de mens meekrijgt bij de geboorte. Er is een aangeboren stelsel van algemeen geldende grammaticale regels. Hierbij wordt het technische aspect uitgelicht, geen eenvoudige stof, wel erg interessant. Je vraagt je als leek toch af hoe het komt dat een baby na een paar maanden woordjes produceert.

Auteur

Flip G. Droste (Arnhem, 4 juli 1928) is een Nederlands schrijver en publicist. Hij doceerde Algemene Taalwetenschap aan de Katholieke Universiteit Leuven van Leuven en publiceerde tal van artikels en essays over (het ontstaan van de) taal, linguïstiek en semiotiek. Daarnaast is hij ook auteur van enkele historische romans. Zijn werk is wetenschappelijk gefundeerd, maar de meeste van zijn publicaties zijn ook voor de leek begrijpelijk tot vlot leesbaar. Door zijn Nederlandse roots en zijn ervaring in Vlaanderen, vertolkt hij een genuanceerde visie over gelijkenissen en verschillen in het gebruik van het Nederlands in beide landen.
Sedert zijn emeritaat is zijn literaire productie eerder toegenomen dan afgenomen, zoals blijkt uit zijn literatuurlijst. (Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Flip_G._Droste)

Titel: De betekenis van de betekenis
Auteur: Flip G. Droste
Categorie: non-fictie
Pagina's: 254
Uitgeverij: Uitgeverij Aspekt
ISBN: 9789463382489
Verschenen: juli 2017

vrijdag 20 september 2019

Yasushi Inoue - Het jachtgeweer

Recensie door Truusje
Uitgeverij Bananafish



Een onmogelijke liefde

'Het jachtgeweer' is een boekje uit de Schwoblijst. Een raamvertelling, waarin brieven worden geschreven door drie verschillende vrouwen, te weten; Shōko, Midori en Saiko. Alle drie schrijven ze onafhankelijk van elkaar hun overpeinzingen over een groot geheim aan Jōsuke Misugi. Zo héél geheim blijkt het overigens uiteindelijk niet te zijn.

Een naamloze ik-verteller krijgt de vraag een gedicht te schrijven voor het tijdschrift van een jagersvereniging. Hij schrijft een prozagedicht genaamd 'Het jachtgeweer'. Onderwerp is een jager die hij die winter de Amagi-berg heeft zien opklimmen, zo gefascineerd door zijn tred en verschijning, dat hij de wens voelt om ook op die manier te lopen. Dan ziet hij in gedachten echter niet de berg die de jager opgaat, maar een witte, droge rivierbedding die hij achter zich laat.

Een aantal weken na het verschijnen van het gedicht krijgt hij een brief van de hem onbekende Jōsuke Misugi die schrijft het gedicht in het jagersblad te hebben gelezen en er emotioneel door werd geraakt. Hij heeft zichzelf herkend in het gedicht en vraagt de dichter om drie brieven, die hij heeft gekregen, te lezen.

Shōko schrijft haar oom Jōsuke nadat ze, een dag voor het overlijden van haar moeder, stiekem haar dagboek heeft gelezen, waardoor ze nu weet dat hij een geheime relatie heeft gehad met haar moeder. Ze wil met haar brief bewerkstelligen dat oom Jōsuke op de hoogte zal zijn van haar gevoelens van droefheid. Ze is er van overtuigd dat alleen zij weet heeft van deze geheime relatie.

'Eigenlijk had ik  het soort brief willen schrijven waardoor u na hem gelezen te hebben met de pijp in uw mond naar buiten zou willen gaan, maar dat lukt me eenvoudig niet. Ik heb dit punt al zo vaak bereikt, en ik heb ik weet niet hoeveel vellen briefpapier verpest. Dit was mijn opzet niet. Ik wilde u alleen eerlijk uitleggen wat mijn gevoelens nu zijn, zodat u die kunt begrijpen. [...] Het is de droefheid die over me heen spoelt, zoals op een winderige dag de schuimkoppen in de zee bij Ashiya van alle kanten op je af komen, en dat brengt me in verwarring.'

Midori vertelt haar man op een kille en afstandelijke manier per brief dat ze van hem scheiden wil, omdat ze al die tijd heeft geweten dat hij een relatie had met de vrouw die ze altijd als haar oudere zus beschouwde.
Haar kijk op haar man loopt niet over van begrip en ze vertelt hem in klare taal dat ze hem in wezen minacht.

'Je hebt in je leven zelden of nooit eenzaamheid gekend. Je bent zeker niet iemand die in zijn eentje zal gaan zitten kniezen. Je mag af en toe verveeld kijken, maar zielig kijken doe je nooit. Je hebt een merkwaardige kijk op alles, en je bent er heilig van overtuigd dat jouw kijk altijd de juiste is. Dat mag jij zelfvertrouwen noemen, maar als ik je zo bezig zie bekruipt me soms de lust om je hard door elkaar te rammelen. Kortom, voor een vrouw ben je niet om te verdragen. Je bent een saaie piet, het soort man op wie het nauwelijks de moeite waard is verliefd te worden.'

Vlak voor haar dood schreef Saiko de laatste brief, zijn minnares van de afgelopen 13 jaar. Zij vertelt hem haar gevoelens en die blijken bijzonder verrassend te zijn.

'Opeens was het of al die onsamenhangende gevoelens in mijn lichaam een bloem lieten ontluiken en wist ik hoe gelukkig een vrouw kan zijn als ze wordt liefgehad.Ik heb mezelf er nooit toe kunnen brengen om het mijn man te vergeven dat hij me vroeger ontrouw is geweest, maar mijn eigen overspel vergaf ik mezelf maar al te gauw.'

Deze raamvertelling is voor het overgrote deel ook een brievenroman. Het is prachtig om in de afzonderlijke brieven het eigen karakter en intonatie van de afzender te proeven. De drie vrouwen laten zien hoe ze zich emotioneel voelen. Ook de blik op Misugi zelf verandert en hij is uiteindelijk de grote verliezer.
Door elke brief schijnt het licht vanaf een andere kant op de geheime relatie en komt er via mooie metaforen steeds een extra stukje van de puzzel tevoorschijn.

Doordat alle brieven vanuit een eigen perceptie zijn geschreven, krijg je als lezer meer informatie, dan de briefschrijvers zelf hebben. Hierdoor wordt de spanning langzaam opgebouwd en krijg je als lezer de kans om het ware verhaal te creëren.
De brievenschrijvers lijken de personificatie van droomsymbolen te zijn - een geïdealiseerde en symbolische voorstelling of persoonlijkheidstype dat in het onderbewustzijn aanwezig is.

En.....niet te vergeten.......dan hebben we ook de dichter nog!

Heel fijntjes, helder en fris in taalgebruik, ontrolt langzaam, op een afgewogen manier, het subtiele verhaal over liefde, eenzaamheid en de dood. Een klein boekje in je handen, maar met een geweldige inhoud die nog lang blijft nazinderen. Ik heb het boek tweemaal gelezen en dat zal ik zeker nogmaals doen, omdat er elke keer weer iets tevoorschijn komt waar ik eerst overheen heb gelezen. Jammer dat het zo dun is.
Laat je vooral niet weerhouden door de schreeuwerige cover, want dit is werkelijk een prachtige klassieker. Een Japanse parel! Het heeft absoluut mijn nieuwsgierigheid gewekt naar de novelle Stierensumo

Achterin de novelle staat een verklarende lijst noten van de Japanse woorden, begrippen en gebeurtenissen die in de tekst niet worden uitgelegd.

Auteur


Yasushi Inoue (1907 - 1991) was een Japanse schrijver van poëzie, essays, korte fictie en romans. Hij schreef met 'Het jachtgeweer' zijn debuut in 1949 en brak daar meteen mee door. Daarvoor was hij werkzaam als journalist en literair recensent. Zijn tweede werk is 'Stierensumo', dat meteen daarna uit is gekomen. Inoue ontving daarmee de Akutagawa-prijs voor nieuw talent. Bij Uitgeverij Bananafish zal het tweede werk dit jaar in mei verschijnen.
In 1976 heeft de auteur de Japanse Orde van Culturele Verdienste gekregen - een ridderorde voor schrijvers, kunstenaars en onderzoekers.
Van Inoue wordt wel gezegd dat hij de grootste Japanse schrijver is waarvan je nog nooit hebt gehoord.

Titel: Het jachtgeweer
Oorspronkelijke titel: Ryōjū
Auteur: Yasushi Inoue
Vertaling: Jacques Westerhoven
Voorwoord: Ivo Smits
Pagina's: 64
ISBN: 9879492254177
Uitgeverij Bananafish
Verschenen: januari 2018
Oorspronkelijk verschenen in 1949

Yasushi Inoue - Stierensumo

Recensie door Truusje
Uitgeverij Bananafish



Worstelen

Na het lezen en recenseren van 'Het jachtgeweer' - ook te vinden op deze blogspot -, het eerste boek van Yasushi Inoue dat Bananafish eind 2017 heeft uitgegeven, kon ik er natuurlijk niet omheen om ook het recentelijk uitgegeven 'Stierensumo' te lezen.

In 'Het jachtgeweer' gaat het voornamelijk om overspel en een liefde die uiteindelijk onbereikbaar blijkt. In 'Stierensumo' blijkt overspel ook een rol te spelen, als in een boze droom. Maar.....wat heeft een stierentoernooi met overspel te maken? Lees verder.....

Wat is stierensumo?

Allereerst is het goed om uitleg te geven wat het stierenworsteltoernooi inhoudt:
Stierensumo is een wat obscure vorm van stierenvechten, zonder bloedvergieten, zonder mens, waarbij twee stieren hun krachten met elkaar meten en elkaar uit de wedstrijdring moeten duwen. Sinds eeuwen wordt deze sport op een beperkt aantal plekken in Japan beoefend, vaak op kleine eilanden. Kort na de Tweede Wereldoorlog was deze tak van sport heel populair.

Het verhaal neemt zijn aanvang in december 1946. Tsugami heeft zijn werk bij de Nieuwe Osaka Avondbode, waarvan hij de hoofdredacteur is. Daarin staat de aankondiging van het driedaagse toernooi, dat in het nieuwe jaar gehouden zal worden en waarvan de krant de sponsor van het geheel is Tsugami ziet het al helemaal voor zich dat er voor de krant een mooie winst uit is te behalen en hij er - mooi meegenomen - zelf ook beter van kan worden.

Tashiro - soms verwarrend, omdat we Japanse namen ons niet gewoon zijn en beide met een 'T' beginnen - is een energieke en zeer gedreven man die diverse projecten helpt neerzetten. Hij oppert dat de krant de stieren wellicht kan kopen om ze na afloop van het toernooi met winst weer van de hand te doen, door te verkopen of te laten slachten. Dit laatste zou de winst zéker doen oplopen. Een sluw trekje zit ook wel in deze man en dat is Tsugami eigenlijk al snel duidelijk.

'Wat voor Tsugami echter de doorslag gaf was dat Tashiro bij tijd en wijle zo’n ongeveinsd enthousiasme voor zijn werk aan de dag legde dat bij hem vergeleken Tsugami zelf veel meer op een louche impresario leek. ‘Dit wordt een hit!’ zei Tashiro op zulke momenten, en dan beet hij elk woord kort af, rolde het rond in zijn mond en spuwde het uit met een vage uitdrukking op zijn gezicht die in totale tegenspraak was met de kracht van wat hij zei. Dan richtte hij zijn blik op een punt in de lucht, alsof hij in de verte keek, en verplaatste hem langzaam verder omhoog, alsof daar een mysterieuze bloem zweefde die alleen hij kon zien en die vanuit die verte naar hem riep. Op zulke ogenblikken was alle berekening uit Tashiro’s hoofd verdwenen. Het gezicht van een organisator die winst en verlies is vergeten is het gezicht van een dwaas, en Tsugami observeerde het net zo geringschattend alsof hij een grappig beeldje voor zich zag, tot hij opeens besefte dat hij een koude blik wierp in zijn eigen hart, dat niet meer wist wat het was om ergens warm voor te lopen. '

(Tja, wel een beetje een lange quote..........maar ik vind hem zó mooi.)

De beide heren gaan op zoek naar een investeerder. Tsugami wil eigenlijk dat de krant alles bekostigt, maar Tashiro weet ook nog wel iemand, mocht het niet lukken.

Ondertussen is Sakiko, de minnares van Tsugami, aan het twijfelen of ze de relatie wel wil voortzetten. Ze is niet zo blij - understatement - met de huidige ontwikkelingen en de geringe aandacht die ze van hem krijgt. Hij houdt haar aan het lijntje, gaat helemaal op in de voorbereidingen van het toernooi en heeft hebzuchtige dollartekens - of in dit geval: yentekens - in zijn ogen. De koude, hartstochtelijke vissenogen die ze eigenlijk altijd zo onweerstaanbaar vond. Voor haar is het dan ook een onbevredigend gegeven dat Tsugami niet kan kiezen.

'Misschien was het de vermoeidheid van de lange reis die hem parten speelde, want niet alleen bij de oude Ushiromiya, maar elke keer dat Tsugami de hitte voelde van de stierensumokoorts die deze streek zo ontijdig in zijn greep had, werd zijn hart koud in plaats van warm. Elke ochtend staarde hij vanaf de veranda uit over de golven van een zee zo intens blauw als hij alleen in deze zuidelijke streek kan zijn, en dan deed hij zijn best niet toe te geven aan de naamloze gevoelens die hem bedreigden.'

Langzaam maar zeker weet Tashiro zijn plannen door te drukken. De toegangskaarten moeten van te voren betaald worden, de stallen voor de stieren bekostigd, de wagons voor het vervoer van de stieren, het voer en ga zo maar door. Hij toont zich een zeer creatieve boekhouder en Tsugami raakt volledig in de ban van het toernooi. Zeker wanneer hij ontdekt dat er flink gewed zal gaan worden. Gaat Tsugami de gok aan? Zal Sakiko wedden?
Is er een verliezer en wie zal dan uiteindelijk de grote verliezer worden?
Al lezend heb je al snel het gevoel dat het waarschijnlijk op een grote mislukking zal kunnen uitlopen.

Net als in 'Het jachtgeweer' is ook deze novelle geschreven met een fijne, subtiele pen. De inhoud oogt nog net zo fris als toen het werd geschreven en laat zich op meerdere niveaus lezen; het mooie verhaal an sich tot je nemen, maar - daar heb je Truusje weer met haar aanbeveling om boeken een tweede lezing te gunnen! - onderhuids gebeurt er bijzonder veel in deze novelle. Het verhaal schuurt, werkt nog lang na en roept allerlei vragen op over dingen die je bij een volgende lezing ineens duidelijker opvallen.

De novelle staat vol met allerlei verwijzingen naar dingen die met de stieren te maken hebben. Die zie ik dan ook als motieven en de stieren als een metafoor voor de relatie tussen Tsugami en Sasiko.

Deze novelle heeft raakvlakken met 'Kaas' van Willem Elsschot, waarin de auteur ook een debacle beschrijft en ambities om financiële winst te behalen uit een zelf opgezette klus.

Wederom een klein boekje, maar oh zo vol! Een juweeltje waarvan ik zeg: Lees dit boek!!!

Auteur

Yasushi Inoue (1907 - 1991) was een Japanse schrijver van poëzie, essays, korte fictie en romans. Hij schreef met 'Het jachtgeweer' zijn debuut in 1949 en brak daar meteen mee door. Daarvoor was hij werkzaam als journalist en literair recensent. Zijn tweede werk is 'Stierensumo', dat meteen daarna uit is gekomen. Inoue ontving daarmee de Akutagawa-prijs voor nieuw talent.
In 1976 heeft de auteur de Japanse Orde van Culturele Verdienste gekregen - een ridderorde voor schrijvers, kunstenaars en onderzoekers.
Van Inoue wordt wel gezegd dat hij de grootste Japanse schrijver is waarvan je nog nooit hebt gehoord.

De uitgever ontving in het kader van Schwob een subsidie van het Nederlands Letterenfonds.

Achterin het boek staan de noten en verklaringen van gebruikte Japanse woorden.

Titel: Stierensumo
Oorspronkelijke titel: Togyu
Auteur: Yasushi Inoue
Inleiding: Ivo Smits
Pagina's: 96
ISBN: 9789492254184
Uitgeverij Bananafish
Eerste druk: mei 2018

woensdag 18 september 2019

Carry Van Bruggen – Eva

Essay door Roosje
Uitgeverij Querido



Eva en Carry, hand in hand 
of Let’s talk about sex, baby... 
En waarom is dit zo’n moeilijke roman...

Een vriendelijk verzoek van de dames van het literaire blog metdeneusindeboeken kwam mijn kant op gerold: voelde ik ervoor een essaytje te schrijven over Carry van Bruggens Eva, dat als extra boek in het klassieker-genootschap zou worden gelezen en besproken? Omdat deze keuze ook een beetje van mij was gekomen, wilde ik aan dit verzoek voldoen, enigszins aarzelend. Sinds een aantal weken teisteren Carry en Eva mijn gedachten en mijn dromen. Nou ja, dat laatste is een soort van dichterlijke overdrijving. Ik bedoel natuurlijk: de taak valt mij zwaar.

Ik zal daarom direct bekennen dat Eva voor mij, en ook voor anderen, zo vernam ik, een moeilijk te duiden boek is. Er zijn meer moeilijke boeken geweest, ik noem maar Absalom, Absalom! van William Faulkner, misschien de lastigste roman die ik ooit las? Toch wilde ik dit boek niet zomaar terzijde leggen omdat ik voor Carry van Bruggen als vrouw, auteur en feministe een soft spot heb.

Wat doe je als je weinig vat krijgt op een boek? Wat doe ik? Ik ga het vergelijken met andere romans die ik gelezen heb. Ik ga op zoek naar secundaire literatuur. Dan staat de studiebol in mij ineens weer op de stoep. Gelukkig zijn er de onvolprezen dbnl.org  en de evenzo onmisbare openbare bibliotheek. Ik wist al van het bestaan van het boekje van  Jan Fontijn  en Diny Schouten, Carry van Bruggen (1881-1932), in de reeks De Engelbewaarder, 1978. Dit boekje is samengesteld uit teksten en uitspraken van Carry van Bruggen zelf en van anderen over haar; keurig aan elkaar gesmeed. In dat boekje en op de dbnl vond ik een artikel van Hannemieke Postma, Een verkenning van ‘Eva’, in: De Nieuwe Taalgids, jrg 69 (1976), nr. 6: 518-533. Beide publicaties stammen uit een tijd dat de belangstelling voor Van Bruggen opleefde, natuurlijk onder invloed van de vrouwenbeweging in de jaren 60 en 70.

Bij romans die ik lastig vind bedenk ik me: hoe lees ik eigenlijk? Ik ben me er inmiddels van bewust dat ik zo snel mogelijk een kader probeer te scheppen waarbinnen ik het verhaal en de personages kan ‘opsluiten’. Kadreren, structureren, zo werkt denk ik het menselijk brein. Snel in kaart brengen, risico’s en kansen inschatten. Daarvan werd ik me ook bij het lezen van Otmars zonen van Peter Buwalda bewust: de eerste 200 pagina’s dacht ik alsmaar: waar gaat dit over, waar is het verhaal, waar is het ‘nu’? Buwalda stelt je op de proef want pas na 200 bladzijdes begin je een beetje door te krijgen waar het over gaat. Ik ben misschien een ongeduldige lezer: schiet nou op met het maken van je punt, denk ik. Maar dat is niet altijd de bedoeling van het verhaal en van de auteur. Er zijn mensen die een boek een bepaald aantal pagina’s de kans geven; ik heb geen vast aantal pagina’s. Het komt zelfs voor dat ik een boek herlees en dat pas bij tweede lezing mij de schellen van de ogen vallen. Ik durf niet te bekennen bij welke boek dat was.

Hoe begon Eva? De roman begint prachtig: een nieuwe eeuw, een nieuw begin, de wereld is onbezoedeld onder een mantel van witte sneeuw. Wie is de hoofdpersoon die dit meemaakt, die een maagdelijke en hoopvolle wereld aan haar voeten ziet liggen? Hoe oud is zij? Hoe heet zij? Weet je eigenlijk wel dat het een meisje/vrouw is?

‘Gisteravond laat al hing hij (d.i. de nieuwe eeuw, zo heet dit eerste hoofdstuk, rdv) boven de daken klaar, de rosse lantaarns sloegen er hun gloed tegen aan en vannacht heeft hij zich laten zakken-, de sneeuw. Het is de eerste sneeuw van het nieuwe jaar, het is de eerste sneeuw van de nieuwe eeuw-, sneeuw die de wereld vernieuwt. Het is vandaag de Nieuwe Eeuw-, gister liep de Oude Eeuw ten einde.’ (1980: 817).

Een variatie op Een nieuwe lente, een nieuw geluid (Gorter), denk je. In de derde alinea lees je dat het gaat om een ‘zij’. En er is sprake van een ‘hij’ die op reis is. Wie is die ‘hij’? Je bent snel geneigd te denken: een minnaar, een echtgenoot, een vader misschien? Ik bedoel te zeggen, je probeert zo snel mogelijk een structuur en een betekenislaag aan te leggen in hetgeen je leest. Al snel heb je door dat Eva zo’n boek is waar dat maar moeilijk lukt. Ik concludeerde: dit is een roman waarin een stream of consciousness gebruikt wordt, zoals in veel romans van Virginia Woolf, bijvoorbeeld: Mrs Dalloway, To the lighthouse; en van Henry James, zoals in What Maisy knew, en in James Joyce, Ulysses. Dat vereist een vorm van zeer aandachtig en onbevooroordeeld lezen. En dát is nu net de moeilijkheid. Ik heb geprobeerd een vergelijking te maken met de romans van de bovengenoemde auteurs, die ik gelezen heb. Waren deze romans makkelijker te interpreteren, makkelijker te lezen, makkelijker om het gebeurde te reconstrueren? Soms denk ik van wel, maar ik denk eigenlijk dat de romans van Woolf c.s. net zo lastig zijn als Eva.
De stijl van Van Bruggen lijkt nog enigszins impressionistisch als die van Couperus; maar het blijkt dat zij weliswaar begonnen is als een soort Nieuwe-Gidser maar later het estheticisme van de Beweging van Tachtig resoluut van de hand wees.

Ook is er de neiging de gedachten van Eva - want dat de hoofdpersoon zo heet, vermoed je al voordat haar naam ongeveer op de helft van het boek eindelijk valt - te interpreteren als depressief omdat Van Bruggen zelf leed aan depressies. De vereenzelviging van Eva en Carry ligt meer voor de hand omdat deze roman, meen ik, een van haar meest autobiografische is. Maar een autobiografische roman kun je niet gelijkstellen aan een autobiografie!

Omdat we nauwgezet op de hoogte gehouden worden van Eva’s gedachten en overdenkingen, twijfel, frustraties, etc, lijkt het alsof ze depressief is. Ik vermoed dat we gewend zijn aan moderne romans waarin hoofdpersonen ‘struggelen’ met het leven en met zichzelf; we interpreteren dat als ‘depressief’. Eva’s aarzelingen worden door Van Bruggen gevisualiseerd met puntjes (...), die natuurlijk meteen een associatie oproepen aan Couperus, en daardoor impressionistisch maar die door Van Bruggen niet zo bedoeld zijn.
Dit kunnen redenen zijn dat een aantal lezers de hoofdpersoon Eva als ‘depressief’ kenschetsen. En eigenlijk moet ik toegeven dat dat mijn neiging ook wel een beetje was, in eerste aanleg.

We moeten ons verplaatsen in een meisje van rond 1900 (of 1927, het jaar waarin de roman gepubliceerd werd, maar 1900 is ‘realistischer’), een jong meisje, want veel later blijkt dat ze in het begin van het boek net 18 jaar geworden is. We lezen haar gedachten en gevoelens, niet haar handelen, of veel minder haar handelingen. Wat een mens denkt kan anders zijn, is waarschijnlijk anders, dan zijn/haar handelingen. Dit meisje staat op de rand van de volwassenheid en seksualiteit houdt haar bezig, maar zij noemt het niet zo; het is een verborgen terrein, zeker voor een jonge vrouw aan het begin van de 20e eeuw. In dit licht moeten we ook de vermelding van Colette’s Claudine zien, een Franse erotische roman. Ik dacht in het begin dat ze misschien zwanger was; daar deden mij haar voorzichtige en duistere gedachtes aan denken, misschien van die leraar. Maar in het begin lopen de personages van de leraar en de broer, David, van wie je dan nog niet weet dat hij haar tweelingbroer is, compleet door elkaar heen.

Deze roman leest moeilijk omdat je iedere keer je voorstelling moet bijstellen, steeds krijg je meer info en moet je je beeld anders inkleuren. In het begin weet je niets en je probeert zicht te krijgen op het plaatje. Dat is exact wat Eva in de roman ook doet: ze probeert zicht te krijgen op háár plaatje. Dat is dus precies waar de roman over gaat: een vrouw probeert zicht te krijgen op haar leven en probeert dat ook zelf vorm te geven. Eva formuleert het zelf ook zo: ze moet de legpuzzel van haar leven zelf te maken; de stukjes moeten in elkaar gaan passen. Ze probeert een zo compleet mogelijk mens te worden: intellectueel, seksueel, ethisch, bovendien wil ze een goede moeder en een goede echtgenote zijn. Ze wil ook een ethisch goed mens zijn, de juiste waarden voorstaan en uitdragen. Is dat het socialisme? Het moederschap? Het docentschap? Echtgenote zijn? Ze weet het niet. En dan die strijd tussen gevoel en verstand, wat moet je daarmee?
Postma noemt dat ‘tijdrekkend vertellen’. Je verwacht als lezer dat alles wat Eva denkt direct aan jou kenbaar gemaakt wordt. Maar dat is niet zo, zo werkt literatuur niet, zo werkt deze roman niet. Postma geeft als voorbeeld: in hoofdstuk 1 maakt Eva een wandeling van een half uur; dat neemt 10 pp’s in beslag; hierover gaan 3 over seksualiteit; 5 over een herinnering aan haar geliefde leraar (van wie bijles heeft, niet omdat ze dom is maar juist omdat ze zo slim is), en de gesprekken die zij gevoerd hebben.

Hiermee zijn we er nog niet. Behalve een coming of age-roman of een bildungsroman is dit boek m.i. ook een tendensroman, een ideeënroman. Het thema is: een vrouw is een mens en kan zich net als een man ontwikkelen tot een zelfstandig en zelfbewust wezen. Een uiterst feministisch thema dus. Dit hoofdthema wordt geconcretiseerd in Eva’s seksuele ontwikkeling; Eva wordt ten lange leste een vrouw met een zelfbewust en gezond erotisch gevoel. Een zeer feministisch en gewaagd thema. Overigens noemt Postma de seksualiteit een motief, maar het is altijd een beetje een gesteggel wat nu een thema is en wat een motief. De twee liggen een beetje in elkaars verlengde.
Deze mix van tendensroman en bildungsroman vergemakkelijkt het lezen niet.

Postma probeert te verduidelijken dat de stijl van de roman ook verandert in de loop van het boek en dat dat samenhangt met de ontwikkeling van het personage Eva. Stijl en menselijk ontwikkelingsniveau en hoe Eva over zichzelf en het leven denkt veranderen; Postma laat dat onder andere zien aan het gebruik van het ik-,  je- en zij-perspectief. Maar ik geloof dat ik haar uitleg niet helemaal overtuigend vind.
Dat gebruik van ik, je en zij van Eva over zichzelf is ingewikkeld, maar we denken immers ook ingewikkeld over onszelf. We denken soms ik, we denken soms je over onszelf als we bijvoorbeeld in - interne - dialoog zijn met onszelf of met anderen, of wanneer we onszelf iets proberen op te leggen: “Eva, je moet nu eens wat assertiever worden” (mijn voorbeeld, rdv, CvB zou het woord assertief niet gebruiken). Maar het gebruik van zij, het personale-perspectief noemt Postma dat, vind ik zelf moeilijk te duiden. Mijn gedachten hierover zijn zo troebel dat ik maar geen poging doe ze te formuleren.

Alle informatie die we als lezer krijgen, komt uit Eva zelf. Soms herinnert Eva zich wat andere mensen over haar zeiden, bijvoorbeeld dat ze een 'allumeuse' zou zijn, een echte flirt, een verleidster, maar zelf overdenkt ze of ze dat ook zo vindt, nee, dat vindt ze eigenlijk niet.
Dat alle info alleen maar van de hoofdpersoon komt is het volstrekte tegendeel van hoe de info uit een auctoriële roman tot jou als lezer komt. In de laatste vorm is er een vertelinstantie van buiten die ons van alles meedeelt; die instantie kan in alle hoofden kijken, weet het verloop van het verhaal; zij moet het verhaal en de personages alleen maar gestructureerd en spannend tot ons brengen.
De personale roman, zoals dat heet, is het volstrekte tegenovergestelde. We kunnen alleen maar weten wat het personage zelf denkt en aan ons meedeelt. Dat kan betekenen dat we niet een ‘werkelijk’ beeld van de realiteit krijgen. Kortom: modernisme (Joyce, Woolf, wellicht ook Henry James, die wat eerder schreef). Ik ga daar nu verder niet op in; hierboven staan prachtige links.

Aanvankelijk meende ik ook dat de hoofdpersoon wat aan de zwaarmoedige kant was, maar dat is, denk, ik een vertekening die optreedt wanneer je alleen maar te maken krijgt met de gedachten, twijfels, overdenkingen, afwegingen, leermomenten van één personage. Je krijgt dan ook de indruk dat zij zich wat afzijdig houdt van anderen, dat is soms ook wel zo, maar die eenzijdige gerichtheid suggereert, niet altijd terecht, dat zij moeilijk connectie kan maken met anderen. Je zit als lezer voortdurend alleen maar in Eva’s hoofd. Ga maar eens na wat je zelf de hele dag door denkt, waaraan allemaal, welke afwegingen je maakt, waar je over twijfelt, waar je geen zin in hebt; dat alles betekent niet per se dat je depressief bent. In deze zin is deze roman van Van Bruggen misschien zelf wel een ultieme psychologische roman. Ik hou niet zo van de term psychologische roman, want wat aangeduid wordt met dat genre vind ik over het algemeen te cliché.

Van Bruggen zelf had de bedoeling met Eva een ethisch-levensbeschouwelijke roman te schrijven. Van het estheticisme van de Beweging van Tachtig moest ze niet veel hebben noch van het naturalisme van Emants en Van Deyssel. Over het gedachtegoed van Frederik van Eeden was ze wel te spreken; kijk maar eens hoe vaak ze het heeft over Johannes Viator van Van Eeden en ook van zijn De kleine Johannes. Veel heb ik gelezen van Van Eeden maar Johannes Viator staat nog in de kast. Ik weet heel goed hoe het boek eruitziet, aan de buitenkant. Het is een boek over de liefde. Van Eeden was socialistisch maar vooral spiritueel en esoterisch geïnteresseerd. Dat esoterische lees ik tussen de regels in Eva ook. De exaltatie die de natuur in Eva oproept raakt aan het numineuze, het goddelijke (zonder van God te zijn); de roman eindigt ook met de vermelding van de Unio Mystica, Alles is Een. Daarbij moest ik zelf ook denken aan Etty Hillesum, een joodse schrijfster en filosoof ten tijde van WOII. Daar ga ik hier niet op in.
Ook had ze niet veel op met de vrouwenbeweging uit haar tijd; zij was daar eenvoudig te eenzelvig en te individualistisch voor, en te intelligent, denk ik.

De ontwikkeling van Eva en de eenheid van de roman: die beide moet je echt zien als onlosmakelijk met elkaar verbonden (dat toont Postma redelijk overtuigend aan). Die eenheid wordt gedragen door het gebruik van motieven en terugkomende herinneringen. Iedere keer lezen we herinneringen aan thuis, aan David, aan de natuur, aan vrienden en vriendinnen, school, de leraar aan het begin die haar opstel leest en op ze een enorme crush heeft,; iedere keer krijgt die herinnering een diepere kleur en betekenis. David staat natuurlijk voorop, ook als hij dood is, maar ook iets simpels als de Bengaalse lucifers (een keer of drie, denk ik); het moederschap ook, haar leven op school, het socialisme, de boeken die ze leest (Colette, Frederik van Eden, en nog veel meer).
Eva denkt in golfbewegingen; van elke golfbeweging blijft wat over, een woord, een flard herinnering, en de resten worden samengevoegd tot één inzicht; wat voorheen irrelevant leek, warrig, onverklaarbaar, onduidelijk, blijkt bij te dragen aan Eva’s inzicht. Wat Eva denkt en waarop ze het denkt, daardoor wordt ze als personage gekarakteriseerd (met oa dank aan Postma).

Eerder heb ik al gezegd dat seksualiteit een thema is in dit boek, een betekenisdrager misschien wel, vrouwelijke seksualiteit moet ik zeggen, want Eva tobt ook over het verschil tussen de ervaringen van mannen en van vrouwen. Ze merkt dat mannen een ander idee hebben over liefde en seks dan vrouwen, dan zijzelf. Bij haar man Ben vindt ze bovendien niet die lichamelijke sensatie die haar gelukkig maakt. Ze houdt van hem maar haar eigen schaamte en zijn gebrek aan seksuele hartstocht doen haar naar andere mannen kijken, en niet alleen kijken, ook zoenen (oa André, dokter Jaap). Mannen en vrouwen vinden dat Eva een flirt is. Zelf vindt ze dat uiteindelijk niet of ze onderzoekt in zichzelf wat dat nou betekent zo’n woord.
Postma stelt met grote zekerheid dat David homoseksueel is; ik zie het eerder als intense suggestie, net als de suggestie van de onzedelijke - lesbische - kus van Addy op Eva’s mond. Absoluut komt homoseksualiteit aan de orde in deze roman, maar wel door de ogen van Eva. Ze heeft tolerante opvattingen daarover; ze is namelijk een heel ruimdenkende vrouw, in principe, qua denkbeelden en qua gevoel.
Het socialisme speelt een belangrijke rol in haar leven maar ook hiertoe stelt zij zich afstandelijk op, net als Van Bruggen zelf: wel is er de overtuiging maar de zin zich aan te sluiten bij de grote groep ontbreekt.

In zekere zin voelt Eva zich meer op haar gemak met mannen, vermoedelijk vanwege het intellectuele gehalte van de relaties maar ook door het erotische aspect bestaat. Met het vrouwengedoetje voelt Eva zich minder op haar gemak, maar ze heeft ook vriendinnen.

De roman wordt verteld in acht hoofdstukken, die alle een periode uit Eva’s vertellen, over school, David, kinderen. Het laatste hoofdstuk speelt zich behoorlijk veel later af; dit is het meest geëxalteerde hoofdstuk. Van Bruggen gaat helemaal los in beschrijvingen van gelukzaligheid. Eva lijkt haar bestemming bereikt te hebben. Ze heeft nu een erotische ervaring gehad die haar helemaal gelukkig maakt. Lichaam en geest zijn één geworden. En het gelukkigst van alles is dat er no strings attached zijn. Haar minnaar, een man die ze heel vroeger ooit in het voorbijgaan zag tijdens een concert (muziek is belangrijk; ik moest denken aan Hermann Hesse, De steppenwolf), is getrouwd met een invalide vrouw. Eva en hij kunnen niet samenzijn. Dat verdriet haar niet, in tegendeel. Ze is vrij, ze heeft haar bestemming bereikt, ze is een gelukkige en vervulde vrouw. Mocht ik eerder denken dat Eva een koele, getraumatiseerde, zwaarmoedige vrouw was, het laatste hoofdstuk bewijst absoluut het tegendeel.

‘...en het einddoel van alle vrijheid is het rustig tegemoetzien van de dood.’
(ib: 973) (vrij naar Montaigne; de laatste zin van de roman)

Nog niet heb ik het gehad over de naam Eva. Die is niet toevallig; die van David natuurlijk ook niet; beide namen zijn Oudtestamentair, of voor joden uit de Thora. Eva staat voor de Vrouw der vrouwen; het is Eva die in het Paradijs het voortouw neemt tot de menselijke ontwikkeling; zij plukt de appel van de Boom van Goed en Kwaad; door Eva worden wij waarlijk mens, in plaats van als een soort dier te blijven rondkuieren in de Hof van Eden. Van Adam moeten wij het niet hebben. Eva is de waarlijke en volkomen vrouw, de waarlijke en volkomen mens zelfs. Zo feministisch als het maar zijn kan!

Een laatste opmerking wil ik nog maken. Die gaat over het belang dat de natuur speelt in deze roman: het water (dat vaak staat voor bewustwording, zeker bij meer esoterisch geïnteresseerden; zie bijvoorbeeld ook Kate Chopin, The Awakening), het kanaal, de sloten, de zee, de Waddenzee, de Waddeneilanden, de weides, de molens, het groen, de sneeuw (de onbezoedeldheid), enfin... In alle natuurbeschrijvingen is zij gelukkig. De natuurbeschrijvingen raken aan het numineuze. Ik zie daar een soort Natureingang in. De Natureingang is een begrip uit de Middeleeuwse lyriek. Gedichten over de liefde en de onmogelijkheid van de liefde worden voorafgegaan door een bepaalde lyrische natuurbeschrijving, die over het algemeen de geestestoestand en het gevoelsleven van de dichter, de troubadour, onthullen. Een krachtige topos, die nog steeds gebruikt wordt, meer dan over het algemeen onderkend wordt. In Eva wordt deze toop veelvuldig gebruikt. En ik denk dat de natuurbeschouwing in ieders gevoel en grote rol speelt. Als je gelukkig bent ziet het er buiten mooi uit, de vogeltjes fluiten, de bloemen kleuren dieper dan je gewend bent, de bomen staan fier in het blad. Als je droevig bent, zie je juist de kale takken van de bomen, het uitgedroogde gras, het dode vogeltje.

Eva van Carry van Bruggen, Eva en Carry, twee loten aan eenzelfde stam; een moeilijk boek, maar een belangwekkend boek: modernistisch, feministisch, zelfbewust en intellectueel. Daarom geef ik toch vijf sterren.

Ik hoop dat Carry van Bruggen gelezen blijft worden. Zij is de Nederlandse Virginia Woolf.

bron
Auteur

Carry van Bruggen, schrijversnaam van Carolina Lea de Haan (Smilde, 1 januari 1881 – Laren, 16 november 1932) was een Nederlandse schrijfster. Ze schreef ook onder de pseudoniemen Justine Abbing en May. Ze was de bijna een jaar oudere zus van de Nederlandse schrijver, jurist, significus en politicus Jacob Israël de Haan, die geboren werd op 31 december van hetzelfde jaar.
(rdv: dus in werkelijkheid niet haar tweelingbroer)

Van Bruggen bracht haar jeugd door in Zaandam en was een van de zestien kinderen van een streng joods-orthodoxe voorzanger (chazan). In 1900 werd ze onderwijzeres in Amsterdam en in 1904 trouwde ze met de journalist en schrijver Kees van Bruggen. Met hem ging ze in Nederlands-Indië wonen.
Boeken
In 1907 kwamen Carry en Kees van Bruggen terug naar Nederland, toen ook haar eerste boek werd gepubliceerd, In de schaduw. In 1914 (in dat jaar schreef zij Het Joodje) verhuisde het echtpaar van Amsterdam naar het Noord-Hollandse Laren, maar het was geen goed huwelijk en ze scheidden in 1917. In haar boek Een coquette vrouw (1915) verwerkt zij haar ervaringen van haar mislukte huwelijk. Ze hertrouwde in 1920 met kunsthistoricus Adriaan Pit en nam de naam Carry Pit-de Haan aan, maar bleef schrijven onder de naam Carry van Bruggen. In deze periode schreef ze onder andere Prometheus (1919), Eva (1927) en haar bekendste werk Het huisje aan de sloot (1921). Het laatste is een verhalenbundel met 25 korte episodes uit het leven van "een meisje en haar tweelingbroertje", ofwel herinneringen uit haar jeugd in Zaandam. Haar 'taalboek' Hedendaagsch Fetischisme (1925) bevat een kritische beschouwing over taal en taalkunde.

Depressiviteit
Van Bruggen leed aan klinische depressie en vanaf 1928 werd ze regelmatig in verpleeghuizen opgenomen. In 1932 overleed ze in haar woonplaats Laren aan een longontsteking, opgelopen nadat ze door een overdosis slaapmiddelen in coma was geraakt. Gezien haar regelmatig gebruik van een groot aantal slaapmiddelen (barbituraten) is het niet zeker of het om zelfdoding gaat. Ze ligt –onder haar schrijversnaam Carry van Bruggen– begraven op het algemene gedeelte van het Sint Janskerkhof in Laren.

Canon van de Nederlandse letterkunde
Carry van Bruggen is opgenomen in de Canon van de Nederlandse letterkunde, die in 2002 door de leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde werd omschreven. Als auteur staat zij op plaats 46. In de lijst van Literaire werken staan haar studie Prometheus- een bijdrage tot het begrip der ontwikkeling van het individualisme in de literatuur (op 83) en haar roman Eva (op 107).

Standbeeld
Sinds 1997 staat er ter herinnering aan Carry van Bruggen in de Zaandamse spoorbuurt een bronzen beeld door Helen Frik van een boekenkast met haar werken. Naast het Carry van Bruggenhof in Laren zijn er ook in andere plaatsen (waaronder Assen, Den Haag, Utrecht, Apeldoorn, Zwolle, Castricum, Hoofddorp, Wormerveer en Smilde) straten naar haar vernoemd.

Titel: Eva; in: Vijf romans
Auteur: Carry van Bruggen
Uitgever: Querido
Jaar: 1980
ISBN: 9789021454511
Aantal pagina’s (totaal): 980
(Het is mijn eigen boek; Eva is ook apart uitgegeven, oa als Salamandertje)