dinsdag 30 april 2019

Frits Oostervink - Help, de psychiater wordt gek


Recensie door Truusje
Uitgeverij De Brouwerij



Een productiemedewerker in de zorg

Frits Oostervink (1952) heeft er inmiddels al dertig dienstjaren opzitten als ouderenpsychiater bij de GGZ en heeft in die jaren veel zien veranderen in de zorg die geboden wordt. Vooral voor deze groep kwetsbare patiënten, die zich in de zogenaamde vierde levensfase bevinden en een andere aanpak vragen dan de jongere patiënten, blijken de gevolgen van de verzakelijking aanzienlijk. Steeds meer psychiaters kiezen ervoor om met ontslag te gaan en buiten de GGZ als interim verder te gaan. Dit heeft als gevolg dat er een groot tekort is in de instellingen.
De werkdruk begint hem zwaar op de schouders te drukken en wanneer hij ontdekt dat hij een belangrijke controle bij een patiënt is vergeten trekt hij aan de bel.

Met dit boek - dat als ondertitel heeft 'Als patiënten hamerstukken worden: zorgen om de zorg' - laat hij de lezer gedurende een week met zich meelopen tijdens zijn werkzaamheden. Hij uit zich kritisch over de toenemende bureaucratie en marktwerking binnen de GGZ, en inherent hieraan het achteruitgaan van de kwaliteit van de zorg, de consequenties voor de patiënten én zijn eigen gemoedsrust. Het is hem zwaar te moede om te merken dat zijn werkzaamheden aan het uithollen zijn en hij hierdoor meer dan eens met een gewetensconflict zit. Wanneer hij crisisdienst heeft en wordt weggeroepen, is hij genoodzaakt om zijn patiënten van die middag af te bellen of zelfs weer naar huis te sturen, want zijn agenda is vol gepland door het secretariaat.

Door de steeds hogere kosten op het bordje van de zorgverzekeraar, worden handelingen die voorheen gedeclareerd konden worden steeds meer aan banden gelegd. De psychiater blijkt meer en meer degene die de diagnose stelt, de patiënt op de juiste medicatie instelt en recepten schrijft. De tussentijdse gesprekken die hij voordien met de patiënten voerde, moeten steeds vaker door een - veel goedkopere - psycholoog overgenomen worden. Dat dit ten koste kan gaan van de vertrouwensband tussen behandelaar en patiënt is evident.

Vanuit het management wordt de druk op de ketel flink opgevoerd. Er dient letterlijk productie gemaakt te worden, de psychiater moet zijn dagstaat bijhouden en er op toezien dat hij voldoende werkzaamheden kan declareren om geld in het laatje te brengen. Wat je steeds meer ziet is dat er managers zijn die niet zelf uit de zorg komen en van toeten noch blazen weten van wat er op de werkvloer dient te gebeuren. Oostervink beschrijft een situatie dat hij op het matje werd geroepen vanwege het feit dat hij één uur in de min stond en dus een te lage productie heeft behaald. Ook delegeert hij niet voldoende en zou zich teveel in de kliniek bevinden. Hij voelt zich gefrustreerd en als een klein kind terechtgewezen.

'Met andere woorden, ze vinden dat ik meer ouderen terug moet ontslaan naar de huisarts, [...] 'Vanuit het schaarstemodel.' Dat wil zeggen omdat er te weinig ouderenpsychiaters zijn, moeten mijn patiënten doorstromen om plaats te maken voor nieuwe aanmeldingen. Enerzijds is dat juist en anderzijds: waar bemoeien ze zich mee? Zij doen dit werk niet. Voor hen is het gewoon een kwestie van het juiste opportunistische argument te vinden om gelijk te krijgen en hun zin door te drukken door mij een insufficiëntiegevoel aan te praten, namelijk dat ik door een 'onprofessioneel' en wellicht ook 'menselijk' trekje te weinig productie draai.'

Om zijn boodschap zo duidelijk mogelijk te krijgen besluit Oostervink minutieus één van zijn werkweken te beschrijven. Zijn frustraties komen duidelijk naar voren, wanneer hij ontdekt dat er maar twee activiteiten gedeclareerd kunnen worden terwijl hij de gehele dag druk bezig is geweest. De administratieve handelingen nemen veel tijd in beslag, wat weer ten koste gaat van zijn patiëntcontacten. Daardoor is hij in zijn vrije tijd steeds vaker bezig om de minuten die hij ergens aan besteedt, de tarieven en declaraties van zijn werkzaamheden op te schrijven om maar te kunnen verantwoorden dat hij zijn productie haalt.
                                                           
'Een arts, die volgens de eed van Hippocrates beloofd heeft zijn lijdende medemens naar eer en geweten te helpen, wordt nu als productiemedewerker in een mensenfabriek gezien.'

Toch blijft de enthousiaste en gedreven Oostervink trouw aan zijn baan. Hij houdt van zijn werk en de complexe problematiek die het met zich meebrengt, zegt het zelfs als zijn hobby te zien. Hij laat de lezer in deze werkweek kennismaken met diverse interessante casussen en geeft veel uitleg over de psychische factoren waar ouderen mee te maken kunnen krijgen. Hij doet dat op een heel heldere en toegankelijke wijze en geeft veel interessante uitleg over de diverse facetten van zijn vakgebied.

Ondanks de kritische toon is het niet alleen 'kommer en kwel' wat de klok slaat. De reden dat hij dit boek heeft geschreven is om te laten zien dat hij ontzettend veel plezier beleeft aan zijn beroep als ouderenpsychiater, maar dat het vrije marktdenken daar wel een donkere wolk over laat drijven en de kwaliteit van zorg daar danig onder te lijden heeft.
Maar, zoals de ervaring leert, worden er gelukkig soms ook beslissingen teruggedraaid, wanneer er sprake blijkt te zijn van verkeerde zuinigheid. De beroemde golfbewegingen in de zorg.  
Het is een begin...

Titel: Help, de psychiater wordt gek
Auteur: Frits Oostervink
Pagina's: 340
ISBN: 9789078905066
Uitgeverij De Brouwerij
Verschenen: maart 2019

zondag 28 april 2019

Jan van Aken- De ommegang


Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Querido



       Op de shortlist van de Libris Literatuurprijs 2019


Een memorabele historische reis


Dit is een reis gezien door de ogen van Isidorus van Rillington in een tijd die ver achter ons ligt en wij mogen gewoon meereizen. Want dat is lezen, meereizen zonder van je plek te komen en je toch verplaatsen. Deze reis is een bijzondere, hij is lang, gaat naar verre oorden, is historisch en reiziger Isidoor maakt - doordat hij nogal volhardend is - nogal wat mee. Dit klinkt als een avonturenroman en dat is het deels ook, maar er is meer. Het is een ontwikkelingsroman, een boek over oudheid, filosofische vraagstukken, religieuze opvattingen, machtsverhoudingen, klassenverschillen, sociale ontwikkelingen en de liefde. En alles in toegankelijke stijl geschreven zonder dat het versimpeld wordt, je moet als lezer wel alert blijven op anachronismen die de auteur er met opzet ingestopt heeft. Ik heb vast niet alles gevonden, maar dat geeft niet, mijn reis was geweldig. We volgen Isidoor als kind, student, arts en architect, dat laatste veelal in zijn hoofd.

Isidoor is een vondeling en wordt liefdevol opgevangen door poortwachter Giles de Overlevende. Was dit niet gebeurd dan zou er geen verhaal zijn, maar Giles doet wat hij moet doen en laat zich niet tegenhouden door de abt. De Zwarte Dood had halverwege de veertiende eeuw veel slachtoffers gemaakt, ook onder de bewoners van het klooster waaraan Giles verbonden was. Hij overleefde en werd opgevangen in de abdij van Bellalanda. Het klooster is voor Isidoor een geweldige leerschool, hij ontwikkelt zich als een leergierige jongen met een geweldig geheugen. 

Het boek beslaat een deel van de veertiende en vijftiende eeuw, een roerige tijd in Europa en elders in de wereld. De machtsstrijd in de Rooms Katholieke kerk levert een mooi beeld op van het gewone leven destijds. Isidoor geeft minder om de kerk als instelling, maar heeft wel belangstelling voor de mooie bouwwerken en toch komt hij ook in aanraking met de kerk als instituut. Op weg naar Konstanz, waar van 1414 tot 1418 een belangrijk concilie zou plaatsvinden, ontmoet hij een kennis van vroeger met zijn dochter. Tijdens de voettocht komen de verhalen over vroeger en nu los, worden herinneringen opgehaald en wordt Isidoor stevig aan de tand gevoeld. Het religieuze doel, de concilie, vindt plaats in een interessante periode waarin tegenstanders van de leer van de Rooms-Katholieke kerk vervolgd zullen worden en ook zal er een einde komen aan het pauselijke schisma.

Aftreden Paus Gregorius XII IsGeschiedenis

Het gewone leven in Konstanz wordt beeldend beschreven, laat de zintuigen gewoon hun gang gaan, want de auteur verbloemt niets, het is zoals het is in de Middeleeuwen. Het stinkt, er wordt geknokt, er is bloed en er zijn vooral veel druipers, handig, want Isidoor heeft zodoende als arts genoeg werk. Er is ook misdaad en liefde, die twee matchen niet altijd goed en een van de verhaallijnen laat de lezer af en toe in het ongewisse waar het heen moet. Een zogenaamde rechtszaak moet eraan te pas komen om naar boven te halen waarvan Isidoor beschuldigd wordt.
Niets menselijks is Isidoor vreemd

'Die vaagheid in de herinnering zat me meer dwars dan ik kan zeggen. Wat is het leven zonder herinneringen? We zwegen verder en ik keerde terug naar de straten van mijn ommegang, maar zo eenvoudig als me dat altijd was afgegaan, zoveel moeite had ik nu om me alles voor de geest te halen. En, mijn vriend, ik begreep die ochtend dat de drank, hoe aangenaam ook, niets voor mij was.'


Exotische avonturen zijn er ook. Isidoor belandt tijdens zijn reizen steeds dieper in het Oosten, daar is de couleur locale volop te vinden en het is een feest, niet voor Isidoor, te lezen hoe hij behandeld wordt.

‘Ik kreunde. Nog langer wachten. Pas veel later zou ik vernemen dat we, tijdens mijn razendsnelle vervoer als postpakket, de terugkerende troepen hadden ingehaald en dat ik, zonder het te beseffen, op enkele paardlengtes afstand de grote veroveraar was voorbijgestormd. Legers reizen traag, zeker als ze zwaarbeladen zijn met de rijke buit van het rijk van de Osmanli Turken.’


Behalve dat dit een kleurrijk verhaal is over de getalenteerde Isidoor, geeft het boek een mooi beeld van de tijd waarin het verhaal zich afspeelt. De Roomse kerk regeert met strenge hand en een ieder die er andere ideeën op na houdt wordt vervolgd, velen van hen belanden op de brandstapel. Zo ook de Boheemse ketter Johannes Hus. Het proces van Hus valt in dezelfde tijd als het concilie van Konstanz en speelt een grote rol in het verhaal. Tenslotte heeft Isidoor er zijdelings ook mee te maken omdat zijn vriendin een aanhanger is van Hus en zij ook gevaar loopt. Het is een spannende tijd voor ketters en het zal nog een eeuw duren voordat de Reformatie begint, maar eigenlijk hebben Hus en zijn Engelse voorganger John Wyclif, het pad gebaand.

Mij heeft deze historische roman zeker weten te boeien. Door de levendige stijl en de reislust en ambitie van Isidoor komen talloze facetten aan bod. De reis voelt ook echt als een reis en het is een waar genoegen om als reisgenoot terug te kunnen kijken op een onvergetelijke ervaring.

foto Koos Breukel
De auteur

Jan van Aken (Herwen-en-Aerdt, 9 augustus 1961) is een Nederlandse schrijver, die in de cultuursector en de automatisering werkte. Momenteel is hij docent aan de Schrijversvakschool in Amsterdam.

Van Aken heeft verschillende historische romans geschreven. Zijn eerste drie boeken spelen zich vóór de Vroegmoderne tijd af. In Het oog van de basilisk lezen we over Epiphanius Rusticus in de nadagen van het Romeinse Rijk, terwijl we in De valse dageraad kennismaken met Hroswith van Wikala in de Middeleeuwen ten tijde van de eerste millenniumwisseling. Zijn derde roman speelt zich af in de 1e eeuw na Christus en behandelt de reis van de wijsgeer Apollonius van Tyana naar India, zoals achteraf gezien door de ogen zijn leerlingen Damis. 

Van Aken is al eens de 'Nederlandse Umberto Eco' genoemd. Hij publiceerde eerder in de tijdschriften Optima en Nieuw Wereldtijdschrift. Zijn tweede roman werd genomineerd voor de Seghers Literatuurprijs. De Afvallige kwam op de longlist voor zowel de AKO- als de Libris-literatuurprijs. In 2018 werd De ommegang bekroond met de F.Bordewijk-prijs. In maart 2019 verscheen het boek op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs.(bron)

Auteur: Jan van Aken
Titel: De Ommegang
Uitgever: Uitgeverij Querido
ISBN: 9789021403946
Genre: Historische fictie
Pag.: 597
Verschenen: 2018

vrijdag 26 april 2019

Nella Larsen - Drijfzand & Schutkleur


Recensie door Truusje
Uitgeverij Nieuw Amsterdam

Mijn ouwe stierf in een mooi groot huis.
Mijn moeder stierf in een krot.
En ik, blank noch zwart, vraag me af,
Waar ligt dan mijn eigen graf?
– Langston Hughes

Er nooit echt bij horen

Nella Larsen (13 april 1891 - 30 maart 1964) was een schrijfster in de Harlem Renaissance, een artistieke Afro-Amerikaanse schrijvers- en kunstenaarsgroep die in de twintiger jaren van de 20e eeuw was ontstaan.
Ze was van gemengd bloed, met een van oorsprong Deense moeder en een gekleurde vader uit Deens-West-Indië, een kolonie in de Caraïben die destijds behoorde aan Denemarken.

Toen haar vader overleed, trouwde haar moeder met Peter Larsen, een Deense man die Nella haar nieuwe achternaam gaf. Nella kreeg er een halfzusje bij waardoor ze de enige kleurlinge in het gezin was. Dit halfbloed zijn gaf haar een gevoel van minderwaardigheid en niet weten waartoe ze behoorde. Daar haar biologische vader ook blank bloed in zich had, was ze geen neger en geen blanke. Ze kon ook doorgaan voor een blanke als voor een zwarte.
Het woord neger wordt letterlijk gebruikt in de twee novellen, een woord dat in die tijd algemeen gebezigd werd.

Zowel in de novelle Schutkleur als in Drijfzand beschrijft Larsen een deel uit het leven van een vrouw die - net als Larsen zelf - zeer licht van huid is en voor blank of kleurling door kan gaan.
Helga Crane, de jonge, ijdele lerares uit Drijfzand, is ook dochter van een Deense moeder en een Deens-West-Indische vader. Mooie kleding, fijne stoffen in felle kleuren en mooie spulletjes hebben haar voorkeur. Rusteloos als ze is neemt ze op stel en sprong ontslag, en na wat losse betrekkingen en omzwervingen reist ze op advies van haar oom naar Denemarken waar ze met blijdschap onthaald wordt door de zus van haar overleden moeder. Ze is er meer dan welkom, maar Helga lijkt in alles op twee benen te hinken; terug naar haar zwarte medemens in Harlem of blijven in het vrije blanke Kopenhagen, waar ze door iedereen wordt geaccepteerd zoals ze is, maar waar ze steeds het gevoel blijft hebben dat ze er niet helemaal bij hoort. Steeds gedreven door wat het hardst aan haar trekt zijn de tegenstellingen hierin levensgroot. Uiteindelijk zorgt het huwelijk van een vriendin ervoor dat ze toch de oceaan weer oversteekt en haar geluk zoekt in beloftes. Maar ook dan voelt ze dat het niet is wat ze wil.

In de novelle Schutkleur staan Irene Redfield en Clare Kendry centraal. Beiden gaan als halfbloed door het leven, maar weten op een geraffineerde manier van hun kameleontische uiterlijk gebruik te maken. Net hoe het ze uitkomt, gedragen ze zich als blank of als zwart.
Clare is echter getrouwd met een blanke, racistische man die er geen weet van heeft dat zijn vrouw negerbloed heeft en dat haar oude schoolvriendin eveneens een halfbloed is en getrouwd met een neger. Clare's grootste zorg was dat ze een zwart kind zou krijgen, waardoor ze ongenadig door de mand zou vallen. Het dansen, de feesten en bijeenkomsten in Harlem trekken haar enorm aan en ze weet steeds een manier te vinden om haar man om de tuin te leiden.
Irene's zwarte man is wél op de hoogte van het feit dat zijn vrouw negerbloed in zich draagt en van hun twee zonen is de één zwart als vader en de andere blank als moeder.
Ook in deze novelle is er sprake voortdurend tegenstrijdige verlangens bij de vrouwen die niet goed kunnen kiezen waar ze loyaal aan (willen) zijn. Uiteindelijk zal het leiden naar een gruwelijke climax wanneer Irene het gevoel heeft dat haar huwelijk onder spanning komt te staan.

Het autobiografische gehalte in beide sublieme novellen is hoog. Rassensegregatie nog altijd een griezelig actueel onderwerp.
Larsen's verteltrant is allesbehalve gedateerd en leest bijzonder fris. De protagonisten, die moeten omgaan met rassenhaat, vooroordelen en hypocrisie, hebben een grote psychologische diepgang en zijn magnifiek uitgewerkt. Klassieke pareltjes die onderdeel zijn van de Schwob-lijst en het verdienen om nooit vergeten te worden.

Larsen heeft haar studie deels in de VS en later in Denemarken gevolgd. Bij terugkomst in de VS werd ze verpleegster in New York, gaf ze les aan de universiteit. De ideeën van Booker T. Washington, die zich hard maakte voor betere rechten en kans op ontwikkeling van kleurlingen, bereikten ook haar. Ze trouwde met een zwarte man, ging wonen in Harlem en aan het werk in een bibliotheek wat waarschijnlijk de aanzet is geweest om meer te gaan lezen en haar ook de pen deed oppakken. Een scheiding volgde toen ze ontdekte dat haar man haar bedroog met een blanke vrouw.
Door haar affiniteit met de Afro-Amerikaanse cultuur waren de banden met haar familie verflauwd. Helaas heeft een valse beschuldiging van plagiaat ertoe geleid dat ze zich terug heeft getrokken uit de Harlem Renaissance en haar pen aan de wilgen heeft gehangen. Depressies waren de reden dat ze steeds minder deel nam aan het sociale leven en op de leeftijd van 72 jaar overleed ze.

Titel: Drijfzand & Schutkleur
Oorspr. titel: Quicksand & Passing
Auteur: Nella Larsen
Vertaling: Lisette Graswinckel
Pagina's: 320
ISBN: 9789046822951
Uitgeverij Nieuw Amsterdam
Verschenen: januari 2018

woensdag 24 april 2019

A.H.J. Dautzenberg-Samaritaan

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Atlas Contact





Een zoektocht naar zuivere motieven


De titel en de cover maakten me nieuwsgierig naar het onderwerp. In dit geval is het de mooie combinatie van de medische wereld en de motieven om mensen te helpen door bij leven een nier af te staan. Het is een roman, maar door de vorm – het boek bestaat volledig uit dialogen – is het net alsof je rechtstreeks getuige bent van het complexe proces dat voorafgaat aan de donatie. De reden van de naamloze verteller om te doneren is bijzonder. Hij zal zich daarvoor moeten verantwoorden bij zijn naasten, door de dialogen is het overtuigingsproces goed te volgen en laten de partijen zich goed kennen.

Het motto is een citaat uit ‘Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid’- Max Blecher

‘Ik werd al lang geplaagd door het verlangen een absurde daad te begaan op een mij volledig vreemde plek, en nu werd deze mij in de schoot geworpen, zonder inspanning, bijna vreugdevol.’

Dit boek ken ik niet, maar dit citaat maakt me nieuwsgierig en het sluit naadloos aan op ‘Samaritaan’.
De verteller denkt veel aan zelfmoord, de gedachte maakt hem vrolijk. In een gesprek met een vriend legt hij uit dat een zelfmoord perfect is wanneer je in de ogen van de nabestaanden een held bent! Het risico op overlijden bij het doneren van een nier is 1 op 2000, en wanneer je het niet overleeft heb je in elk geval iemand gered. Eigenlijk nog een tweede persoon, want in het protocol dat gehanteerd wordt zijn altijd vier mensen betrokken, de partner van de patiënt staat ook een nier af aan iemand op de wachtlijst. Hij /zij wil graag doneren maar de nier matcht niet met de partner. Zo worden er meerdere patiënten geholpen. Het zijn interessante weetjes over het traject, de verteller gaat helemaal door de ‘molen’, alles moet kloppen om uiteindelijk groen licht te krijgen voor de donatie. Zo komt de dure MRI scan pas als laatste, wanneer alle onderzoeken goed zijn. Daar is natuurlijk over nagedacht. Het medische traject is interessant, maar minstens zo boeiend zijn de reacties van vrienden en familie.

Met Sanne, de geliefde, komt het tot een knallende ruzie
‘Ik vind het gewoon fijn om te geven. Jij noemt dat egoïstisch, dat mag.
‘Je begrijpt heus wel wat ik bedoel. Het gaat toch niet alleen om jou?’
Daarom juist. Ik wil geven. Liefde, geld, maakt niet uit. Ik heb de afgelopen twee jaar veel gegeven en jou alleen maar zien nemen. Terwijl jij heel veel hebt om te geven, en dan niet alleen in materiële zin...
‘Ja, begin daar maar weer over. Flauw hoor. Ik leef gewoon zuinig en daar is niks mis mee.’
Begin dan niet over mijn levenswijze te zeuren. Je lijkt soms wel een wolvin van de hebzucht. Als ik iemand kan helpen, dan doe ik dat. Punt.’ (2011-19)

 
Maatschappelijke en politieke thema’s komen in de dialoogvorm duidelijk naar voren. Meteen in het eerste hoofdstuk wordt ‘De Grote Donorshow’ van BNN (eenmalig tv programma 2007 tvl) aangehaald als reden die de verteller opvoert voor de wens tot donatie. Een pittige discussie tussen de donorcoördinator en de verteller maakt de ironie zichtbaar van de gekozen naam van niertransplantatieprogramma ‘Samaritaan’.
De verteller vindt het vreemd dat er gekozen is voor een vergelijking uit het nieuwe testament , terwijl de christelijke partijen fatsoenlijke wetgeving over donatie tegenhouden. (het boek is geschreven in 2011, nu is er wel wetgeving, maar ik weet de precieze verdeling van stemmen niet tvl)

Er zijn zaken die de donor moet weten. Behalve het medische traject spelen er meer zaken. Wanneer je een tijd uit de running bent kan dat financiële consequenties hebben. Voor de verteller lijkt dat geen punt te zijn, hij ziet wel… maar toch krijgt hij te maken met bureaucratie. Hij moet zich verdedigen en lijkt tegen een muur van onbegrip op te lopen, die discussies zijn best pittig en laten zien hoe er tegen eigen keuzes aangekeken wordt zodra er betaald moet worden.
Zich verantwoorden verdedigen tegenover zichzelf en anderen is een proces dat aan verandering onderhevig is.

‘Ik bedoel... Het is niet zo moeilijk om je geest te beïnvloeden. Te manipuleren, desnoods... Ik had mij voorgenomen om een nier af te staan. De weerstand in mijn omgeving was groot. Toch heb ik doorgezet. Aan die operatie heb ik een psychologische component toegevoegd. Lichaam en geest zijn één, nietwaar... Dus. Een deel van mijn lichaam is weg, een deel van mijn geest is weg. Foetsie doodsverlangen.’ (2011-147)

Door de onderscheidende dialoogvorm en de vele details over het proces kan ik het boek zeker waarderen. De denkwijze en afwegingen geven de nodige verdieping en zetten aan tot nadenken. De discussies over egoïsme versus altruïsme zetten relaties op scherp. Niet alleen bij familie of vrienden, maar ook in het ziekenhuis vinden interessante ontmoetingen plaats tussen de patiënten.
De schrijver gebruikt een aantal citaten uit De goddelijke komedie van Dante. De eerste drie komen uit De Louteringsberg, de laatste uit het Paradijs. Een prachtige keuze om deze citaten te gebruiken, lees zelf waarom en wat er allemaal gebeurt in het ziekenhuis wanneer patiënten met elkaar in contact komen. O ja, het verhaal is verdeeld in 33 hoofdstukken, dat lijkt me niet toevallig in combinatie met De goddelijke komedie.* Ondanks de beladen inhoud leest het boek als een pageturner!



*Om het werk te structureren deed Dante beroep op de christelijke getallensymboliek, die in de middeleeuwen vaak uiting gaf aan de overtuiging dat God de kosmos in perfecte verhoudingen en structuren had gemaakt. Dante deed hierbij beroep op de getallen drie en tien, hun veelvouden en machten. Het getal drie stond symbool voor de Drievuldigheid en tien voor de volmaaktheid.

De Komedie is een epos in drie delen, getiteld Inferno (Hel), Purgatorio (Louteringsberg of Vagevuur) en Paradiso (Paradijs). Elk deel bevat 33 canti ("zangen"), van elk ongeveer 100 terzinen (drieregelige strofen). Daarnaast is er een inleidend canto bij Inferno, waarmee het totale aantal op 100 komt. De 33 canti per deel zijn een verwijzing naar de leeftijd waarop Christus stierf. Elk canto bestaat uit ongeveer 1000 woorden wat het totaal op ongeveer 100.000 woorden brengt (bron)



De auteur

A.H.J. Dautzenberg (Heerlen, 1967) debuteerde in 2010 met de verhalenbundel 'Vogels met zwarte poten kun je niet vreten'. Sindsdien is hij niet meer weg te denken uit de Nederlandse letteren. Dautzenberg schrijft romans, verhalen, essays, gedichten en toneel. Zijn werk werd genomineerd voor verschillende literaire prijzen, waaronder de AKO Literatuurprijs en de J.M.A. Biesheuvelprijs. Hij werd door 'NRC Handelsblad' uitgeroepen tot een van de belangrijke nieuwkomers van de afgelopen jaren. Zijn bloemlezing 'Vuur!' over engagement in de literatuur is een verzameling hemelbestormende schrijvers en bezielde boeken. Hij won voor de armoedeglossy 'Quiet 500' in 2016 de Impact Award. In 2018 verscheen ter ere van zijn vijftigste verjaardag de bundel 'Vijftig verhalen', een verzameling van zijn beste verhalen aangevuld met niet eerder gepubliceerd werk.(bron bio en afbeelding)

Titel: Samaritaan
Auteur: A.H.J. Dautzenberg
Uitgever: Atlas Contact
ISBN: 9789025436988
Pag. : 208
Genre: roman
Verschenen: 2011

dinsdag 23 april 2019

Joke van Leeuwen - Hier


Recensie door Roosje
Uitgeverij Querido

Genomineerde op de Longlist Libris Literatuurprijs 2019

            “Sometimes I feel like a motherless child...”
- een spiritual

In een land, hier niet zo ver vandaan leefden eens een vader, een moeder en een zoon....

-- Sorry, een *spoilertje* hier en daar --

‘Stamvader kan niet meer staan. Sinds hij vervroegd met pensioen is gestuurd, dijt zijn lichaam onstuitbaar uit en dragen zijn knieën de kilo’s niet langer. Zijn zoon Bardo heeft al een bed voor hem getimmerd dat bijna de helft van de achterkamer in beslag neemt. Hij wil de dokter van het naburige dorp erbij roepen, maar zijn vader duldt geen dokters aan zijn lijf, hij noemt ze allemaal kwakzalvers.
Wantrouwen is altijd zijn werk geweest.’ (2018:9)

Bardo’s vader heeft geen naam, hij wordt Stamvader genoemd, als de wrekende en wrakende God uit het Oude Testament: zijn wil is wet, zijn wil geschiede*. Een patriarch, maar wel een beetje een zielige, zijn vrouw overlijdt vroeg en zijn zoon stelt hem teleur, in alles eigenlijk. Geen echte man wil hij worden, een slappeling is Bardo, net als zijn slapie Kors later tegen hem zegt. Een slappeling he will be.

Bardo’s moeder heeft ondanks haar vroege verscheiden wel een naam: Onna. Zij is verongelukt toen ze over de grens boodschappen ging doen. Een andere vader reed haar van de weg. Daarom wil diens zoon Julus aanvankelijk, uit schuldgevoel Bardo’s vriendje zijn. Het botert niet tussen de twee. Hond wordt daarvan het slachtoffer. Hond is de hond van Stamvader, een waakhond.

Stamvader is grenswachter en hij neemt zijn taak überserieus. Hij is gebrand op smokkelwaar. Daarbij roept hij de hulp in van zijn vrouw, die de dames moet visiteren. Sinds zij dood is, heeft Stamvader andere methoden om bijvoorbeeld gesmokkelde pakjes boter op t sporen:

‘Toch vertrouwde hij het niet, hij meende iets schichtigs in haar zwijgen te bespeuren, en nu Onna er niet meer was en hij de regels niet wilde overschrijden, vroeg hij haar haar jas uit te trekken, een soepele dunne regenjas met epauletten en sierknopen (zoals de regenjas die Onna droeg op de dag dat zij dodelijk gewond raakte, rdv). Eronder droeg zij een moderne jurk in bonte kleuren, die in zijn getailleerde eenvoud de zomer al aankondigde. Er was geen verdachte verdikking aan haar lichaam te zien, maar er kon nog iets tussen haar dijen verstopt zitten, want haar voeten stonden te ver van elkaar. Hij beval haar haar jurk uit te trekken en keek toe hoe ze het lipje probeerde te vinden van de rits die over het midden van haar rug liep. Met haar armen langs haar oren trok ze het achterpand iets omhoog om erbij te kunnen, daarna zag hij haar handen langs haar middel naar haar rug gaan, zoekend waar dat lipje was gebleven. Ze trok het tot op haar heupen, haalde haar armen uit de halflange mouwen en liet de jurk op het vette kleed vallen, als een krans rond haar voeten.
Al die tijd was ze hem zwijgend blijven aankijken.
Hij kon zien dat in haar witte beha alleen de volte van haar borsten zat.
Haar even witte onderbroek zat strak om haar huid.
Net onder haar navel ontwaarde hij een kinderlijk strikje dat niets bij elkaar hield.’ (ibidem: 21-22)

Aan deze scène wordt gerefereerd wanneer Mara en Bardo voor het eerst vrijen. Mara had overwogen een jurk aan te trekken maar besloot tot rok en bloes omdat dat minder gedoe zou geven bij het ontkleden, het openen van een rits in een strakke jurk is geen sinecure; dat kennelijk in een tijd dat de jurken strak om een vrouwenlichaam pasten.
Verder vind ik dit een van de prachtigste stukjes uit dit boek. Het getuigt van onverholen en toch zeer verborgen erotiek - een opgelegde striptease - versus de volledige onschuld van een onaangeraakte maagd. Dat strikje op een witte onderbroek! Het uitdoen van een jurk via een ritssluiting in een strakke jurk, dat je dan die jurk een stukje op moet trekken, etc. Zo beeldend! 

We volgen Bardo in zijn leven. Op school, voortgezet technisch onderwijs, Bardo is daar niet heel handig; zijn relatie met schoolvriendje Julus; zijn ontmoeting met zijn toekomstige vrouw Onna; de geboorte van hun dochtertje Onna, die Kleine genoemd wordt; zijn dienstplicht in het leger en zijn relatie met Kors, die enorm gepest wordt en Bardo die het niet voor hem opneemt; zijn baan als grenswachter elders; de verwording van en vervreemding in zijn relatie met Mara.

Aanvankelijk heb je als lezer veel sympathie voor de arme Bardo, die al jong zijn moeder moet missen en wiens vader een bullebak is met opgeklopte ideeën over het Vaderland en hoe een jongen zich dient te gedragen. Daarom vond ik heel misschien het eerste stukje van het boek het mooist. Als lezer geloof je in de onschuld van die arme jongen, en voel je mededogen omdat hij het zo slecht getroffen heeft. Maar wanneer je verder komt in het verhaal blijft er steeds minder over van die sympathieke jongen. Steeds vaker begint hij trekjes te vertonen van iemand die wel erg op zijn vader gaat lijken. Dat is best shockerend. Tenminste dat is iets waar ik mezelf toch regelmatig op betrap, ook bij het zien van een film of serie. Je wilt als mededogend mens je hoofdfiguur wel sympathiek vinden of op zijn minst begrijpen. Als je begrijpt waarom een personage een klootzak is, of gewoon een lafaard of zoiets, dan heb je minder een hekel aan hem. Als je hem niet begrijpt ga je zelfs (bijna) de hoofdpersoon haten. Dat is hier bijna het geval, of misschien ook helemaal. Dat moet iedereen zelf beslissen, ook met het einde in gedachte.

Het is een kenmerk van de romans van Joke van Leeuwen, van haar romans voor volwassenen, dat zij vaag is over de geografische plek waar het verhaal zich afspeelt en over de tijd wanneer. In dit geval vermoed je Oost-Duitsland of misschien elders in Oost-Europa, aan de hand van de vaker genoemde bruinkool die gestookt wordt, en de wijze waarop het winkelen in zijn werk gaat en de minder rijke hoeveelheid consumentenartikelen die in die winkels te koop zijn. De strenge grensbewaking. Ze vieren er een onbeholpen vorm van carnaval.  Tijd? Ergens jaren 50 of 60 of iets later, want in dat land lopen ze wat achter, aan de hand van de strakke jurken met ritsen en het smokkelen van boter.

Immigratie en emigratie komen verholen aan de orde; zeker omdat het verhaal zich afspeelt aan de grens en omdat Bardo en zijn vader beiden grensbewakers zijn, de term ‘douanier’ komt niet voor. De ouderwetsheid en de soberheid sijpelen tussen de regels door. Mensen verdienen niet veel. Het is sappelen. Ze eten voornamelijk stampotten met een kuiltje jus.
Dat uiterlijke verbeeldt de innerlijke gesteldheid van de mensen om wie het gaat; het uiterlijke staat ten dienste van die innerlijke gesteldheid.

Enerzijds schrijft Van Leeuwen heel afstandelijk en tegelijk komen het verhaal en de emoties daardoor juist heel dichtbij. Met eenvoudige woorden weet Van Leeuwen een enorme vervreemding tussen mensen en binnen de mensen gestalte te geven.
Ik moet nu spontaan aan A. Alberts denken, die daar ook een meester in was: eenvoudige woorden die gelijktijdig een afstand en een nabijheid scheppen. Dat is bijna tovenarij.

Geschiede is hier aanvoegende wijs, conjunctivus, vandaar die rare vorm, met een ‘e’ en met maar één ‘d’.

Auteur

Johanna Rutgera (Joke) van Leeuwen (Den Haag, 24 september 1952) is een Nederlands auteur voor kinderen en volwassenen, dichter, illustrator en cabaretière. Ze woont sinds 2002 in Antwerpen.
Haar vader was theoloog en het grote gezin verhuisde regelmatig. Ze woonde onder meer in Amsterdam, Brussel, Zetten en Maastricht. In haar ouderlijk huis werd veel gelezen, muziek gemaakt en toneel gespeeld. Van haar tiende tot haar dertiende schreef en tekende ze een eigen huiskrant.

Van Leeuwen studeerde grafische kunsten aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen en de Hogeschool Sint-Lukas Brussel in Schaarbeek. Daarna studeerde ze geschiedenis aan de Vrije Universiteit Brussel waarover ze vertelde: "In die tijd moest zo'n studie juist ook exacte componenten hebben, dus ging het over manuren staking, waarbij je over tien uren staking niet weet of tien mannen een uur gestaakt hebben of één man tien uur...". Uitgebreider komt haar opleiding (zowel geschiedenis als kunst) aan de orde in Het moet een beetje huppelen in mijn hoofd, een portret.

In 1978 debuteerde Joke van Leeuwen als kinderboekenauteur met De Appelmoesstraat is anders. In hetzelfde jaar won ze ook alle prijzen op het Camerettenfestival en kwam daarmee terecht in het officiële cabaretcircuit. Vanaf 1984 staat ze minder frequent op de planken, maar kwam in 2004 officieel terug met een combinatie van cabaret, literatuur en beeld. Ze treedt op met Mario Paric en haar vaste begeleidster Caroline Deutman op piano.

Als schrijver en illustrator van (kinder)boeken is ze veelvuldig bekroond. Zo werd Een huis met zeven kamers in 1980 bekroond met een Gouden Penseel en een Zilveren Griffel en Deesje in 1988 met een Gouden Griffel en een Zilveren Penseel. Van Leeuwen leverde het Kinderboekenweekgeschenk in 1988 (Duizend dingen achter deuren) en in 1993 (Het weer en de tijd). In 2013 werd ze in Duitsland bekroond met de James Krüss-prijs voor internationale kinder- en jeugdliteratuur en ze wordt al enige jaren genomineerd voor de Astrid Lindgren Memorial Award. Haar hele oeuvre werd in 2000 bekroond met de Theo Thijssenprijs, in 2010 met de Gouden Ganzenveer en in 2012 met de Constantijn Huygens-prijs. Voor volwassenen schreef ze onder meer Feest van het begin (AKO Literatuurprijs) en De onervarenen (shortlist Libris Literatuur Prijs). Ze publiceert ook dichtbundels zoals Het moet nog ergens liggen en werd in 2007 gelauwerd met de Herman de Coninckprijs voor haar gedicht Andermans Hond.
In januari 2014 werd Joke van Leeuwen benoemd tot voorzitter van PEN Vlaanderen als opvolger van David Van Reybrouck. Onder haar voorzitterschap kregen allochtone auteurs een groter podium en focuste PEN Vlaanderen zich op politieke situatie in Turkije. In 2018 werd ze in deze functie opgevolgd door theatermaker Erik Vlaminck.

Titel: Hier
Auteur: Joke van Leeuwen
Pagina's: 232 pagina's
EAN: 9789021409580
Uitgeverij Querido
Verschenen: april 2018

zondag 21 april 2019

Johan de Boose-Het Vloekhout

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij De Bezige Bij






                                       Op de shortlist van de Libris Literatuurprijs 2019



Het woord is aan...


Het boek is uit en verwacht een antwoord. Welnu, daar moest even over nagedacht worden, maar hier is het dan, het antwoord op het verhaal van een stuk hout dat een groot deel van de geschiedenis beslaat en zijn herinneringen optekende in ‘Het Vloekhout’. Het is een veelkleurige mozaïekvertelling geworden, de verhalen zijn bijna separaat te lezen, zo heb ik het boek ook gelezen, elke dag een hoofdstuk. 

De stukken hebben wat bezinktijd nodig, er gebeurt veel in een korte verteltijd, maar de werkelijke tijd is vele malen langer. Het oerverhaal, de mooie cover met de ‘Olijfgaard’ van Vincent van Gogh is een Bijbels verhaal en laat ons kennismaken met Maryam, de vrouw die verkracht wordt onder de ogen van de boom. We horen het getuigenverslag van de brute verkrachting van de olijfboom zelf, want ja, een sprekende boom is het. Nu nog als boom, later zal hij als gedeelte verder optreden als personage. Een antropomorf personage dus, een ding waaraan menselijke eigenschappen zijn toegedicht. Ik hoor een mooie donkere stem, eentje waarbij het hout doorklinkt.



Johan de Boose vertelde in een interview dat hij door de hele geschiedenis vanaf de jaartelling wilde gaan en dan heb je een personage nodig dat langer meegaat dan een mensenleven. Hij koos voor een houtspaander die ontsprong aan een boom, de getuige van de verkrachting en luisterend oor voor menig ontredderde ziel.
In twaalf – Bijbels getal, de maanden van het jaar en het vroeger gebruikte rekenstelsel – hoofdstukken wordt het ‘vloekhout’ elke keer in een ander historisch decor geplaatst. Het verplaatsen in de historische situaties gaat vrij eenvoudig, het zijn bekende gebeurtenissen en door er een verhaal met personages van te maken worden ze filmisch neergezet. Het hout maakt erg veel mee, hij heeft het zwaar lijkt me, dat blijkt uit de getuigenverslagen van het hout zelf, maar ook uit de dialogen die hij voert met andere sprekende voorwerpen.

Het is meteen duidelijk dat wij iets belangrijks gemeen hebben, de eerbiedwaardige mevrouw lijkwade en ik. We hebben die rebelse snaak Jesjoea op bijzondere momenten vergezeld, ik vlak voor zijn dood, zij erna.
‘Wat vond jij zo fascinerend aan hem?’ wil ik weten, nadat ik haar heb verteld hoe ik de jongen in zijn laatste uur tegen me aan heb gedrukt om hem te helpen sterven.
‘Ach, wat vreselijk, maar tegelijk is het prachtig. Weet je, men beschouwde hem als een heilige, en daarom zocht men na zijn dood een voortreffelijk stuk lijnwaad, dat wil zeggen mijzelve, om zijn lichaam mee te bedekken. Hij voelde aan als een profeet. Zijn bloed en zijn zweet hebben mij helemaal doordrenkt.’
Ha, die ijdele mevrouw lijkwade.’ (2018-65 ebook)
De verschijningsvorm van het hout reist ook mee met de tijd, stond hij eerst nog geworteld op een berg, later wordt hij gekapt en dient hij als kruis voor Jezus. De volgende metamorfose is een deel van het kruis, opgemerkt door Gaius, de ‘dikkespaanderzoeker’. Met hem beleeft het hout hachelijke avonturen aan het hof van keizer Nero. Als lezer word je zo ongeveer in een bad met beschrijvende beelden uit de oudheid gelegd, hoewel de gebeurtenissen soms gruwelijk zijn doet het vertoeven in die tijd weldadig aan. Net of de tijd past bij het hout. Het eerste deel van het het boek kon mij enorm bekoren. 



De tijd verstrijkt, zo ook het uiterlijk van het ‘hout’. Zijn gestalte als icoon zal menig (on) gelovige ziel doen sidderen, de gesloten ogen van de afgebeelde vrouw spreken tot de verbeelding en een ieder hoopt getuige te kunnen zijn van het ogenblik dat zij haar ogen open zal doen. Door de wereldgeschiedenis in vogelvlucht te beschrijven worden her en der gebeurtenissen uitgepikt. De weldadigheid die ik voelde in het begin in de tijd van de jaartelling kreeg de neiging weg te ebben, alsof de metamorfose van het hout bij mij als lezer ook een verandering teweegbracht en die liep niet synchroon met de verwachtingen. Misschien was het teveel van al het mooie, te compact misschien voor de bijzondere onderwerpen? Ik weet het niet, maar ik werd bij het hoofdstuk dat zich afspeelde in Brussel, ik zal geen spoilers weggeven, helemaal afvallig, ik haakte af en van het mooie concept bleef weinig meer over.

Nu is het niet zo dat er niet te genieten valt in dit boek, er staan heel mooie passages in en het taalgebruik is soepel, af en toe raadselachtig. De uitdaging alles ook werkelijk op te nemen, te bevatten en eventueel dingen op te zoeken is redelijk groot en ook zal iemand die gelovig is misschien af en toe de wenkbrauwen even fronsen. De auteur zegt in een interview dat hij een schelmenroman wilde schrijven. Dat is misschien inderdaad een goede beschrijving:

De schelmenroman is een literair genre dat in Spanje ontstond in de 16e en 17e eeuw. Schelmenromans worden ook picareske romans genoemd (naar het Spaanse picaro, dat schelm betekent). De schelmenroman is een subtype van de roman.



Een schelmenroman brengt het verhaal van een sociale verschoppeling van zijn geboorte en kindertijd tot zijn jonge volwassenschap. De schelm, die meestal als ik-verteller optreedt, is soms een wees en altijd iemand die zonder de bescherming van een normale gezinssituatie opgroeit. Hij verhuist meermaals en komt van de ene in de andere situatie terecht, wat het verhaal een episodisch karakter geeft. De schelm is gewiekst; zijn opeenvolgende werkgevers is hij vaak te slim af. Ondanks zijn kwajongensstreken heeft hij een goed hart. In dit genre krijgt men een scherpere kijk op het leven, de zeden en de leefgewoonten van een bepaalde tijd (bron Wikipedia)



Het Vloekhout is deel drie van een trilogie, hij kan heel goed los gelezen worden omdat de eerdere twee boeken beide een hoofdstuk krijgen in Het Vloekhout, toch lijkt me zeker niet ondenkbaar dat ik Gaius en Jevgeni, deel een en twee van de trilogie, ook nog eens ga lezen. 

Afbeelding gemaakt door Koen Broos


De auteur

Johan de Boose (1962) is doctor in de slavistiek en verwoed Oost-Europareiziger. Hij werkte voor theater, televisie en radio. Voor De grensganger (2006) kreeg hij de Henriette Roland Holstprijs en voor De poppenspeler en de duivelin (2009) de Cultuurprijs van de Provincie Oost-Vlaanderen. Zijn dichtbundel Geheimen van Grzimek (2010) werd genomineerd voor de Herman De Coninckprijs. In het voorjaar van 2011 verscheen de roman Bloedgetuigen. Voor dit imposante werk ontving De Boose de Halewijnprijs. In zijn trilogie Het Vloekhout verschenen al Gaius (2013) en Jevgeni (2014).


Titel: Het Vloekhout
Auteur: Johan de Boose
Uitgever: De Bezige Bij
ISBN: 9789403129105
Pag.: 216
Genre: fictie
Verschenen: 2018

vrijdag 19 april 2019

Linda Polman - Niemand wil ze hebben


Recensie door Truusje
Uitgeverij Jurgen Maas


Europa en zijn vluchtelingen

Met 'Niemand wil ze hebben' schreef Linda Polman een boek met uiterst urgente strekking. Het is een zeer leesbaar relaas over het vluchtelingenbeleid en met name over die in Europa. Leuke of ontspannende lectuur is het niet te noemen. Het is het resultaat van onderzoek en de bevindingen van de auteur. Wanneer je alles, wat zo geconcentreerd tussen de kaften is gedrukt, in ogenschouw neemt is het veel, heel veel ellende bij elkaar.

Van het vluchtelingenbeleid bakt Europa heden ten dage nog steeds niet zoveel. Polman stelt dit aan de kaak en steekt meteen van wal, benoemd veel precaire punten en neemt geen blad voor de mond, deelt links en rechts behoorlijk venijnige sneren uit. En terecht!!! 

Ze begint haar relaas met de internationale conferentie van 1939 over de Europese vluchtelingencrisis in het Franse Evian. Door de dreiging in Duitsland en Oostenrijk ontvluchtten grote groepen Joden het land en er waren met spoed opvangplaatsen nodig. Nederland zou slechts als doorgangsland fungeren en wilde zekerheid dat de vluchtelingen binnen afzienbare tijd weer zouden vertrekken. Polman benoemt de angst voor een ongewenste 'aanzuigende werking'. Wanneer je één vluchteling 'over de dam' laat gaan, volgen er meer. Overzeese gebieden en kolonies werden voorgesteld, maar de ervaring leerde dat slechts enkelingen daar welkom waren en het schip rechtsomkeert moest maken, om uiteindelijk bij Rotterdam aan te meren. De Joden werden in opvangkamp Westerbork ondergebracht, maar de Duitsers namen het later in, de vluchtelingen werden gevangenen en afgevoerd naar vernietigingskampen.

Na de oorlog was het echter niet gedaan met het antisemitisme en het leven voor de Joden werd niet voor iedereen makkelijker. Er zijn vele gevallen bekend van mensen nog lang in de kampen moesten blijven, verwaarloosd werden en niets anders hadden dan hun gestreepte kleding en mondjesmaat voedsel, terwijl ze om hen heen zagen dat het de niet-Joden steeds beter verging. Hun huizen waren ingenomen, pogroms vingen weer aan en velen zijn door Stalin naar Siberië gedeporteerd.

Je zou zeggen dat Europa hiervan heeft geleerd, maar uit het verhaal van Polman blijkt het tegendeel.

'In 1972 [...] spoelden de eerste Haïtiaanse 'boat people' aan op de stranden van Florida. [...] Tussen 1972 en 1988 slaagden 40.000 tot 50.000 Haïtianen erin in bootjes Miami te bereiken. Minstens zoveel werden zodra ze Amerikaanse wateren bereikten, door de Amerikaanse kustwacht onderschept en terug naar Haïti gebracht.'

De oprichting van de EU bracht de vrees voor de open grenzen en voor de aanzuigende werking met zich mee. Van idee dat je vooral niet te vriendelijk moest zijn tegen vluchtelingen, waren ze sinds de Evian-conferentie ook nog niet verschoond.

Polman benoemt de zogenaamde 'veilige enclaves' die onder bescherming vallen van de VN-blauwhelmen. De UNHCR zorgt voor tenten, de WFP voor voedsel. Vluchtelingen worden op die manier 'netjes' in eigen land gehouden, maar zijn nog steeds omsingeld door oorlogsgeweld. De UNHCR is afhankelijk van donorlanden, maar wordt financieel aan banden gelegd. De vluchtelingen in een veilige enclave hebben echter geen recht op het aanvragen van een asielprocedure. Ze vallen niet onder het VN-vluchtelingenverdrag, omdat ze 'veilig' in eigen land verblijven.

'In januari 2017 verdronk een tweeëntwintigjarige Gambiaanse asielzoeker in het Canal Grande in Venetië terwijl omstanders en passagiers aan boord van een voorbijvarende rondvaartboot lachten en joelden en zijn sterven filmden met hun mobieltjes. Het was zelfmoord zeiden sommigen achteraf, maar niemand wist het zeker, want niemand kende hem persoonlijk.'

Verontrustend is de passage waarin Polman de houding beschrijft van de EU ten opzichte van landen waar vluchtelingen vandaan komen. Ze stelt dat de EU deals sluit met dergelijke landen en dat ze flink financieel gespekt worden als ze ervoor zorgdragen dat ze de vluchtelingenstroom richting Europa binnen de perken weten te houden. Hoogst dubieus is dat wel te noemen. En ondertussen zijn er in de meest riskante landen - denk aan Soedan, Libië, Marokko, Turkije - opvangkampen, zogenaamde 'verdwijngaten', te vinden waar vluchtelingen onder hoogst precaire en barbaarse omstandigheden verblijven, verwaarloosd, gemarteld, psychisch gebroken of vermoord worden.

'De route naar Europa is de dodelijkste van alle reizen die mensen moeten maken als ze niet de juiste stempels in hun paspoort hebben. In vergelijking is de weg voor vluchtelingen en migranten naar de VS kinderspel, met op de grens met Mexico 'slechts' 10.000 doden in dezelfde periode. Terecht concludeerde de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in 2018 over het Europese 'vluchtelingenmanagement' dat 'Europa een beleid heeft ontwikkeld dat impliciet of expliciet de dood accepteert als een effectief anti-immigratie-instrument'. Dat is een treurige constatering over een continent dat zich na de Tweede Wereldoorlog met 'nooit meer' voornam om een baken van beschaving voor de rest van de wereld te zijn.'

In een interview kreeg premier Rutte de vraag wat Europa moet doen met vluchtelingen vanuit het Libië van Khadaffi. Zijn antwoord was: opvang regelen in eigen land en wanneer ze alsnog op Europese bodem belanden vallen ze onder de verantwoordelijkheid van het land waar ze voet aan wal zetten. Op de opmerking dat het dan vrijwel zeker steeds Italië zou zijn die alle vluchtelingen op moest vangen, zei de premier: 'Tja, dat is gewoon pech voor hun. Landen hebben voor- en nadelen van hun ligging.'

Het relaas van Polmans onderzoek is helder en uitstekend gedocumenteerd. De boodschap en analyse maken het geheel overzichtelijk en begrijpbaar. Een heel herdere uiteenzetting, maar ik als leek, zal de politieke beweegredenen hieromtrent waarschijnlijk nooit helemaal kunnen begrijpen. De uitkomst van haar onderzoek zouden kamervragen moeten oproepen, zodat er gezocht gaat worden naar oplossingen om de vaak mensonterende omstandigheden van de vluchtelingen drastisch te verbeteren. Polman zelf geeft die oplossingen niet, maar wellicht is dat ook niet haar bedoeling geweest.
Dit boek zou op middelbare scholen gelezen en besproken moeten worden, om zodoende dieper op de gevolgen het migratiebeleid in te gaan.

Auteur

Linda Polman (1960) is onderzoeksjournalist en schrijver van boeken over humanitaire hulp en interventie. Eerder schreef ze 'De crisiskaravaan', 'K zag twee beren', 'Bot pippel' en 'De varende stad.

Titel: Niemand wil ze hebben
Auteur: Linda Polman
Pagina's: 279
ISBN: 9789491921537
Uitgeverij Jurgen Maas
Verschenen: februari 2019

woensdag 17 april 2019

Rob van Essen-De goede zoon

Recensie door Tea van Lierop
Uitgever Atlas Contact



                                     Op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2019


Een roadtrip in tijd en ruimte…


De flaptekst belooft een roman waarin niet meer gewerkt hoeft te worden, iedereen krijgt een basissalaris. Dat klinkt als een utopie voor de optimisten, dit boek vertelt iets over de consequenties van zo’n bestaan. Parallel aan deze nieuwe maatschappelijke orde loopt het verhaal van de verteller, een schrijver. Een bijzonder openhartig verhaal waarbij schuld, boete, religie, kunst en gemiste kansen een rol spelen. 

Deze twee verhaallijnen vormen een dicht weefsel en noopt de lezer tot aandachtig lezen om maar niets te hoeven missen. Opgepikte kleine aanwijzingen zullen liefdevol omarmd worden wanneer de tijd rijp is. Dit soort boeken zorgt voor een  aangename spanning, je weet nog niet waar de focus op gericht moet zijn, dus alles is belangrijk. Die roadtrip kan overigens heel breed geïnterpreteerd worden.



Het reizen verbindt  het verhaal. Allereerst staat op de omslag een gele tram met als bestemming ‘Remise’. Zoiets zegt al iets over de afloop van een gebeurtenis, maar de vraag rijst: hoe dan? 

Een oud model, kwetsbaar nog, hoog op de wielen, dun blik, een grille van chroom, kleine zwarte auto in de regen, ik zie hem en mijn hart breekt, hij rijdt langzaam, alsof landschap en tijd zich om hem heen steeds een beetje uitrekken zodat hij nooit zal aankomen, kleine zwarte auto in de regen, het is een titel voor iets, niet voor een boek of verhaal, daar is het te sentimenteel voor, eerder een lied, voor weer een andere musical.’ (2018-155) 

Behalve de tram komen er meer voertuigen voor, zo is er de elektrische rolstoel van Guido en de zelfrijdende, sprekende auto waarmee de verteller een echte band mee op weet te bouwen.
Al dat reizen zorgt voor een constante beweging. Met een behoorlijke gang vat de verteller de lezer in de kraag, in het begin traag zoals wel vaker aan het begin van een reis, maar zodra de versnelling is ingezet is er geen houden meer aan.

Er zijn nogal wat plaatsen van handeling. Eén ervan is het Archief van Amsterdam waar de verteller een tijdje gewerkt heeft en waar hij Lennox en De Meester leerde kennen. Het Archief roept beelden op van Het Bureau J.J. Voskuil. Hoewel het niveau bij Het Archief wat lager is, doen de sfeer, de bureaucratie, het geneuzel onderling, de grappen en grollen denken aan het Meertens Instituut. De verteller heeft zijn eindexamen vwo niet gedaan en is daardoor in een werkomgeving terechtgekomen waarin hij zich niet thuis voelt.

De titel De goede zoon wordt als verhaallijn sterk uitgewerkt, vooral de kwetsbaarheid van de 100-jarige moeder en de onzekerheid van de zoon geven de verhouding weer tussen die twee. Over de ouders van de protagonist, en het geloof in het bijzonder, valt veel te beschrijven:

Ja. Maar dat is maar een beeld. In werkelijkheid had ze altijd haast omdat ze wilde dat alles zo snel mogelijk voorbij was; behalve haar leven, want daarna kreeg je het laatste oordeel, met de kans dat je naar de hel ging.’(2018-327)

Er gebeuren vreemde dingen wanneer je ouders de kerk de rug toekeren om later weer terug te gaan naar de kerk. Voor kinderen is dat heel verwarrend, die zijn gebaat bij stabiliteit. De moeder was extreem bang voor de hel, branden en vuur is één van de motieven. In één van de mooiste passages van het boek komen de twee verhaallijnen in een apocalyptisch beeld samen en wanneer dit geen bijbels motief is…

Een roman die wat betreft de opbouw een scheppingsverhaal zou kunnen zijn, dat was m’n verwachting bij het zien van de indeling van de hoofdstukken. Er zijn zeven dagen waarin het leven van de verteller verteld wordt. Met dat idee in het achterhoofd ben ik het boek gaan lezen en wat is het dan treffend dat religie inderdaad een niet onbelangrijk thema is in het boek, motief is ook mogelijk, maar als thema krijgt het meer kracht.
De stijl is erg beeldend. Wanneer de verteller in de zelfrijdende auto zit en een reis maakt door een surrealistisch landschap moet je als lezer wel geraakt worden door dit soort beschrijvingen:

‘We rijden ernaartoe, we rijden het bos in. Hoge loofbomen, dik in het blad, overhuiven de weg. We rijden de schaduw binnen, langzaam, opeens is alles anders, koeler, beslotener, vochtiger, vruchtbaar. Tussen de oprijzende stammen liggen dikke plakkaten mos, donkergroen, bijna zwart, op plekken waar schuine balken zonlicht de bodem raken, gloeit het lichtgroen op.’ (2018-280)

Het hoe en waarom van de dystopische elementen in dit boek - zeer beklemmend, zo wil geen mens leven - en gebeurtenissen die deels berusten op waarheid mag iedereen zelf lezen en beoordelen, net als de prachtig gedetailleerde beschrijvingen van desolate gebieden aan de rand van een stad. Het is een roman met contrasten, hoogstaande technologie tegenover de queeste van een mens die zo graag de goede zoon wil zijn, en het eerder genoemde motief vuur tegenover water dat in al zijn verschijningsvormen zijn plaats opeist.
Deze roman is een aanrader voor een ieder die niet terugdeinst voor wat seks (soms karikaturaal en/of hilarisch), een verhaal dat luchtig omspringt met de tijd, en proza dat afwisselend poëtisch dan wel direct is. En of de zeven dagen een betekenis hebben als geheel laat ik graag over aan de interpretatie van de lezer, het zou jammer zijn hier iets over los te laten. Onbevangen en nieuwsgierig beginnen aan deze duizelingwekkende roadtrip is het devies!

De auteur

De romans en verhalen van Rob van Essen (1963) worden alom geprezen. Zijn werk stond op shortlists van verschillende prestigieuze prijzen, zijn laatste bundel 'Hier wonen ook mensen' werd bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs. Van Essen is zijn cultstatus ontgroeid en behoort tot de beste schrijvers van het Nederlands taalgebied. Hij is een meester in het verdraaien van de werkelijkheid met als gevolg dat we ons bestaan scherper waarnemen. Tzum schreef over hem ‘Er zijn schrijvers van wie je ongezien elk boek kunt kopen en Rob van Essen behoort tot die categorie auteurs’. In september 2018 verschijnt zijn nieuwste roman 'De goede zoon'. (Foto: Annaleen Louwes)


Auteur: Rob van Essen
Titel: De goede zoon
Uitgever: Atlas Contact
ISBN: 9789025453411
Pag.: 384
Genre: Roman
Verschenen: oktober 2018