vrijdag 28 september 2018

Louis Couperus - De stille kracht


Recensie door Roosje
Uitgeverij Lalito Klassiek

Beware: spoilers!!!

Grieks drama in de desa*


‘De volle maan, tragisch die avond, was reeds vroeg, nog in de laatste dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindebomen van de Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van haar tragische tint, in een vage hemel op.’ (beginzin)

Couperus lezen is genieten van langgesponnen zinnen, vol kleur en zinnelijk genot, met - nooit ver weg - een melancholieke ondertoon en speciaal in deze roman met veel suggestie van bovennatuurlijke waarnemingen. ‘De stille kracht’ is in dit Java van Couperus altijd zeer nabij en kan elk moment - fataal - toeslaan.

Resident Otto Van Oudijck is een man van de ratio, de man uit de westerse cultuur, van de Verlichting, van het strenge handhaven van de wet, van de regel ‘gelijke monniken gelijke kappen’ (al gebruikt de Resident deze frase niet, dat doe ik, rdv):

‘Hij ontkende het mysterie. Het was er niet: er was alleen de zee en de wind, die fris was. Er was alleen de walm van die zee, als iets van vis en van bloemen en zeewier; walm, die de frisse wind uitwoei.’

Desondanks voelt hij wel dat er iets in de lucht hangt, maar nooit geeft hij daaraan toe. Hij werkt hard, het binnenlands bestuur geeft hem veel werk. Zijn hele staf werkt hard, al kom je als lezer niet heel concreet te weten wat die enorme papierwinkel nu werkelijk inhoudt.
Zijn tweede vrouw Leonie is twee maanden in Batavia geweest, weg van Laboewangi, een fictieve plaats op Java, waar Van Oudijck voor verantwoordelijk is. Zijn vier kinderen zijn Leonies stiefkinderen. Met haar oudste stiefzoon Theo van rond de 23 jaar, heeft zij een affaire. Zelf is ze 32 jaar en vindt dat oud. Ze is een coquette, maar dan een die zo zelfbewust is dat zij niet flirt en zich uiterst loom voortbeweegt. Van Oudijck heeft aanvankelijk totaal niet door dat zijn vrouw hem voortdurend bedriegt. Ook niet wanneer hem talloze anonieme brieven waarschuwen voor de verhouding van Leonie en Theo.

Van Oudijck is vooral in beslag genomen door het Javaanse bestuur van het gebied, de Javaanse prins, de Regent van Pangéran, Soenario. De jonge Regent is trots en minder geneigd dan zijn vader voor hem de betrekkingen met de Hollanders soepel te laten verlopen. Maar het werkelijke probleem is zijn broer, die de traktementen verduistert om die te vergokken en te verdrinken. Ook de oude moeder heeft het gokvirus in het bloed: kaarten, dobbelen. Van Oudijck treedt hard op tegen de broer en ook tegen de moeder, die zich - van hoge Javaanse adel -  vernedert ten opzichte van een eenvoudige Hollandse burgerman. De moeder probeert Van Oudijck daarmee te overreden nog eenmaal coulance te hebben omdat haar goklustige zoon bezeten zou zijn door een kwade geest. Van Oudijck houdt, westers en rationeel, voet bij stuk, ook om geen precedenten te scheppen. Ook Javanen moeten zich gedragen, geest of geen geest, van adel of niet. Hij is rechtvaardig, Van Oudijck, maar empathisch is hij niet of wil hij niet zijn, en dat wordt zijn ondergang.

In feite is de Resident Van Oudijck als de antieke Griekse held. Eigenlijk is hij best een goed mens, hij heeft het beste met de mensen voor, hij is goed voor zijn gezin, een beetje streng voor zijn dochter en iets te toegeeflijk voor zijn vrouw, maar hij wil geloven in de suprematie van de Hollandse overheersing en de beteugeling van de ondeugden. Die ondeugden schijnen in het Javaanse klimaat aangewakkerd te worden. Niet alleen het warme klimaat, dat loom en sensueel maakt, maar ook de verveling van de échte Hollanders in dat ongewone klimaat en weinig dingen te doen.
Eigenlijk is er niet zo veel mis met Otto van Oudijck, maar hij is ‘hovaardig’, hij denkt het beter te weten dan de oorspronkelijke bewoners van Java zelf. Hij meent dat ratio en westerse rechtvaardigheid begrippen zijn die overal en altijd gelden, die ook op Java zouden moeten gelden. Hij gaat volledig voorbij aan de Javaanse eigenheid en cultuur, inclusief het geloof aan geesten, voortekenen en bovennatuurlijke zaken. De stille kracht, die hij ook best ervaart maar die hij niet wil ervaren. Ratio is superieur. Daarom is de held verantwoordelijk voor zijn eigen neergang.

Desa* Een traditioneel ingericht Javaans dorp
Het is niet alleen de starre, Hollandse omgang met de Javaanse Resident Soenario, die hem de das omdoet. Het is ook het niet erkennen van zijn zoon in de kampong, Si-Oudijck genaamd. Hij gaat niet verder dan: het zou kunnen dat hij mijn zoon is, en hij stuurt hem wel geld, maar erkennen doet hij het niet.

Al lijkt Van Oudijck heel rechtschapen en minder toegeven aan de zinnelijkheid, die op Java lijkt te heersen, feitelijk is hij dat niet. Aan het eind van het boek geeft hij aan Eva Eldersma toe dat hij niet zonder vrouw kan en dat hij altijd zeer verliefd was op de vrouwen in zijn leven - ik tel er vier -. Hij doet zich beter voor dan Leonie, maar dat is hij niet.

Het is natuurlijk Leonie die de zondigheid in deze roman bij uitstek draagt en vormgeeft. Niet alleen doet ze het met haar stiefzoon, toch een vorm van incest, maar ze doet het met twee mannen tegelijk. De creool Addy de Luce is de lieveling van alle vrouwen in die streek en ook de minnaar van bijna allen en wordt door Leonie als uitvlucht voor hun liaison gekoppeld aan Van Oudijcks dochter Doddy.

Er spelen drie groepen mensen een rol in deze roman: de oorspronkelijke bewoners,  Javanen, moslims - vandaar de ‘witte hadji’, die Doddy steeds ziet wanneer zij bijna te ver gaat met Addy. De Hollanders uit Europa, zoals Eva Eldersma. Deze groep heeft de grootste afstand tot de Javaanse cultuur.
De derde groep zijn de creolen: de Hollanders en Europeanen, die in Indië geboren zijn en er blijven. Deze groep is beter aangepast aan het tropenklimaat en de Javaanse cultuur.

Eva Eldersma bijvoorbeeld komt rechtstreeks uit Den Haag en zij mist het rijke culturele klimaat, haar ouders en kennissenkring. Daarom lijkt zij de aangewezen persoon om allerlei culturele opvoeringen en feesten te organiseren. Leonie heeft er in ieder geval totaal geen zin in. Eva voelt zich tegelijk aangetrokken tot een collega van haar man, of hij tot haar, maar het komt niet tot werkelijk minnekozen. Later vervalt Eva tot ‘spleen’, een depressie zouden we nu zeggen. Maar ook de mannen kennen een vorm van melancholie. Van Oudijck wil het liefst op zijn plek blijven in Laboewangi; hij wil geen promotie in Batavia, hij haat de stad; al helemaal niet wil hij terug naar het kille Nederland. Leonie is graag in Batavia en in Parijs, waar zij mooie kleren kan kopen en waar de mannen om haar heen zwieren. Mogelijk, zo denk ik, zal Parijs haar best wel een beetje kunnen tegenvallen.

Ook de Hollanders doen aan bovennatuurlijke zaken: het ‘tafelspel’. Geesten worden opgeroepen en die voorspellen het noodlot van de Van Oudijcks.

Omdat de tv-serie De stille kracht met Pleunie Touw in de rol van Leonie van Oudijck me nog zo voor de geest staat, heb ik dit boek van Couperus lang niet willen lezen. Dat was ten onrechte. Het is een spannende en goede roman over de relaties tussen mensen in een kolonie. Beide partijen, oorspronkelijke bewoners en kolonisatoren, worden niet gespaard. Beide groepen maken fouten, beide culturen hebben hun deugden.

Zij (Van Oudijck en Eva Eldersma, rdv) voelden het beiden, het onuitzegbare: dat wat schuilt in de grond, wat sist onder de vulkanen,wat aandonst met de verre winden mee, wat aanruist met de regen, wat aandavert met de zwaar rollende donder, wat aanzweeft van wijduit de horizon over de eindeloze zee, dat wat blikt uit het zwarte geheimoog van de zielgeslotene inboorling, wat neerkruipt in zijn hart en neerhurkt in zijn nederige hormat, dat wat knaagt als een gift en een vijandschap aan lichaam, ziel, leven van de Europeaan, wat stil bestrijdt de overwinnaar en hem sloopt en laat kwijnen en versterven, heel langzaam sloopt, jaren laat kwijnen, en hem ten laatste doet versterven, zo nog niet dadelijk tragisch doodgaan: zij voelden het beiden, het Onzegbare...’ (voorlaatste alinea boek)

Auteur

Louis Marie Anne Couperus (Den Haag, 10 juni 1863 – De Steeg, 16 juli 1923) was een Nederlandse schrijver en een van de eerste Nederlandse vertegenwoordigers van het literaire naturalisme. 

Couperus' werk omvat allerlei uiteenlopende literaire genres. Hij debuteerde met poëzie, maar legde zich vervolgens al snel toe op psychologische romans, waarmee hij de meeste bekendheid verwierf. Hij schreef daarnaast cultuursprookjes, historische romans en veel reisverslagen en columns. In het algemeen wordt hij gezien als een van de belangrijkste schrijvers uit de canon van de Nederlandse literatuur. 


Auteur: Louis Couperus
Titel:De stille kracht
Pagina's: 158
ISBN: 9789491982217
Categorieën: Literaire roman
Uitgeverij Lalito
Verschenen: november 2015


dinsdag 25 september 2018

Mohamed El Bachiri - Een jihad van liefde


Recensie door Truusje
Uitgeverij De Bezige Bij
Jihad (z.mw., m)

(Arab.: Jihād, inspanning, strijd op Gods weg)
1. Inspanning die iedere moslim moet
       aangaan tegen zijn eigen hartstochten.
(Door de profeet Mohammed beschouwd
als de 'grote Jihad')
2. Strijd om het domein van de Islam te
verdedigen. (Beschouwd als de 'kleine jihad')


Alleen een dwaas wil niet in vrede leven

In de vroege ochtend van 22 maart 2016 wordt de wereld wreed opgeschrikt door het nieuws dat er in Brussel aanslagen zijn gepleegd. Een aantal bommen ontplofte op Brussels Airlines, vliegveld Zaventem. Ongeveer een uur later gevolgd door het nieuws dat er een bom ontploft is in de metro van 09.11 uur. Deze is nog maar net vertrokken van Station Maalbeek.

Wat meteen al wordt verwacht, wordt al snel bewaarheid. Teruggekeerde Syriërs, verbonden aan de terreurgroep IS, die de verantwoordelijkheid van deze terroristische aanslagen meteen heeft opgeëist, hebben zelfmoordaanslagen gepleegd.


'Die dag

Ik had vrijaf.
Zij nam de metro.
Een van haar vriendinnen kwam me opzoeken.
Ze zei dat er een aanslag was gepleegd.
Ik had direct een slecht voorgevoel.
Ik zag dat ze na 9:10 niet meer online was geweest.
Toen wist ik genoeg.
Ik ging naar mijn ouders.
Met een deken om me heen stortte ik in.

Voor de rest heb ik een soort geheugenverlies.
Ik ben in een andere dimensie.
Alleen zo kan ik leven.'

In de metro vallen meer dan honderd gewonden en er zijn 20 dodelijke slachtoffers te betreuren. Onder hen de vierendertigjarige Belgisch-Marokkaanse sportlerares Loubna Lafquiri. Ze laat drie jonge zoontjes achter en haar echtgenoot Mohamed El Bachiri. Het meest bizarre is het feit dat hij metrobestuurder is en die bewuste dag uitslaapt na een late dienst de dag daarvoor.

Zijn baan bij de metro heeft hij opgezegd. Bijna zijn gehele huwelijk was hij metrobestuurder, maar dit herinnert hem teveel aan het leven voor de bom. Hij kan het niet meer aan en moet nu voor zijn kinderen zorgen. Voor hen moet hij verder.
Uiteraard is het verlies bitterhard en zwaar. Hij gaat op zoek naar antwoorden en als praktiserend moslim vindt hij die in zijn geloof, de islam.
Ondanks dat hij niet graag in de belangstelling staat, treedt hij toch naar buiten met zijn boodschap. Hij vertelt van zijn 'andere pijn', de dingen die niet in zijn voordeel spreken; zijn naam, zijn religie en de slechte reputatie van zijn woonplaats, de Brusselse wijk Molenbeek, die er gemakkelijk toe leiden dat ook hij wordt gezien als een 'potentieel terrorist'.
Dan roept hij op tot een jihad, maar geen jihad van geweld maar van liefde. Hij is oprecht voornemens om zijn grote verdriet niet om te zetten in boosheid en haat, en houdt hier in het tv-programma De Afspraak een betoog over, waarmee hij vele kijkers ontroert.

In het voorjaar van 2017 komt het boekje 'Een jihad van liefde' uit bij De Bezige Bij.
'Het is een eerbetoon aan Loubna en een humanistische boodschap van liefde en medemenselijkheid.'

Wanneer de kinderen slapen schrijft El Bachiri teksten op zijn telefoon. David Van Reybrouck sprak intensief met hem en heeft dit boekje opgetekend.
De teksten zijn losse gedichten, gedachten en teksten uit het interview. Zijn kijk op zijn religie, de Koran, zijn jeugd, schoolprestaties, de relatie met zijn vrouw en broederschap, vele onderwerpen komen aan bod, maar bovenal is het de ode aan Loubna, die centraal staat in de liefdevolle en ontroerende teksten.
De teksten, zijn gedachten, probeert hij ook te vertalen naar zijn kinderen toe, opdat zij hun boosheid en verdriet ook niet zullen omzetten in haat jegens de terroristen en het ongeluk wat hun moeder van hun heeft weggerukt.

'Geboorte
Ik was erbij toen de kinderen werden geboren.
Het waren de mooiste momenten van mijn leven.
Nu doet het zoveel pijn om eraan te denken.'

Voor de aanslag scheen de zon in huize El Bachiri. Ze hadden een fijne relatie en waren gelukkig met de kinderen. Beiden zijn geboren in België uit ouders die met de eerste immigratiegolf uit Marokko kwamen en die het heel belangrijk vonden dat ze Frans spraken en het land dankbaar waren.

Door middel van deze teksten wil hij uitdragen dat zijn religie niet alleen staat voor radicalisme, maar wil benadrukken dat medemenselijkheid, liefde, verdraagzaamheid en veerkracht belangrijk zijn, veel belangrijker dan haat.

'Zelfs de meest vrome mens twijfelt weleens.
Geloof moet je onderhouden. Soms sta je aan de rand van de afgrond van de twijfel.'

Dit kleine boekje heeft een bijzonder grote inhoud. Absoluut geen literair meesterwerk, maar gedachten en uitspraken van een gebroken man, die in de bloei van zijn leven zijn innig geliefde vrouw verliest aan een gruwelijke aanslag, gepleegd door extremistische terroristen die dezelfde religie hebben als hij.
Ik bewonder de kracht dat hij, ondanks zijn grote verdriet, zijn religie kan vertalen in liefde, waar een ander misschien zou vastlopen en haat en wreedheid de boventoon zou laten voeren.
De boodschap en wens van El Bachiri is dat er in het onderwijs meer aandacht geschonken zal worden aan het leren uiten van emoties en jongeren aansporen om uiting te geven aan hun liefde voor de mensen om hen heen. Een belangrijke wens om kinderen al heel jong verdraagzaamheid te leren kennen.
Een hartverscheurend en belangrijk relaas. Ik neem mijn hoed af en maak een diepe buiging uit respect........

'Het leven heeft niet meer dezelfde smaak voor mij,
maar de ondergaande zon is nog steeds prachtig.'

Titel: Een jihad van liefde
Auteur: Mohamed El Bachiri
Opgetekend door David Van Reybrouck
Pagina's: 92
ISBN: 9789023471622
Uitgeverij De Bezige Bij
Verschenen: maart 2017

maandag 24 september 2018

William Faulkner - Terwijl ik al heenging


Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij De Bezige Bij


                                                                 ‘Mijn moeder is een vis’ 

                                                                 (kortste monoloog-Vardagam)*



Donkere gedachtestromen


In negenenvijftig monologen verteld door vijftien verschillende personen is het verhaal te destilleren dat William Faulkner wil overbrengen. Niet dat dit een eenvoudig, chronologisch opgebouwd boek is, integendeel, wel een heel intense beleving. Het nawoord van Maarten ‘t Hart geeft nog een extra dimensie aan deze vijfde roman van Faulkner.
Het verhaal op zich is eenvoudig samen te vatten in een paar regels. Een vrouw ligt op haar ziekbed, ze heeft nog maar kort te leven en haar wens is begraven te worden op haar geboortegrond, haar lijk moet ‘zo snel als ezels kunnen lopen’ naar Jefferson, Mississippi gebracht worden.

Met een flinke dosis verbeelding krijgen de personages gestalte door hun ‘stream of consciousness’, die veelal over hun mening van naasten gaat. Zo ontstaat er een lappendeken van informatie over het gedrag, de karakters, de verhoudingen onderling, het wonen en werken op het platteland en vanzelfsprekend duikt er ook wel eens een bekentenis op. Zo’n biecht is alleen voor de lezer bestemd en geeft kleur aan het, toch wel wat donker getint, verhaal.
Donker omdat het over het einde van het leven gaat, maar donker is ook de liefdeloosheid, het egoïsme, de angsten waarmee de personages worstelen.

De spil van het verhaal is Addie, de vrouw van Anse, die in haar bed toeziet hoe een van haar vier zoons, Cash, haar doodskist in elkaar timmert. Het geluid van het zagen van het hout geeft ritme en houvast aan het verhaal

Hij knielt en kijkt met één oog dichtgeknepen lang de randen , dan laat hij ze zakken en pakt de dissel op. Een goede timmerman. Addie Bundren zou zich geen betere kunnen wensen, geen betere kist om in te liggen. Er zal iets zekers en geruststellend voor haar vanuit gaan. Ik loop door naar het huis, vergezeld van het

Tsjak. Tsjak. Tsjak.

van de dissel.’(blz 80)

De kinderen hebben allemaal hun plaats in het gezin, de één geeft meer om hun zieke moeder dan de ander. In één van de monologen is Addie, die dan al gestorven is, zelf aan het woord. Hierin worden een aantal zaken opgehelderd, waardoor de vertelling en de personages ineens in een totaal ander daglicht komen te staan. Die verschuiving van het perspectief bij het wisselen van de personages speelt elke keer wel een rol, maar bij deze ene monoloog was het als een donderslag bij heldere hemel.
Doordat er over dezelfde situaties door verschillende figuren gesproken wordt, krijg je als lezer al snel meer of minder vertrouwen in bepaalde familieleden. Proberen je te identificeren met een van de personages is niet altijd eenvoudig. Met de enige dochter, Dewey Dell, in elk geval niet op de eerste plaats. Zij is vooral erg met zichzelf bezig, een pubermeisje met een obsessie voor seks.

De tocht naar de Addie’s geboortegrond wordt er eentje met hindernissen met als belangrijkste obstakel het wassende water van de rivier en daarmee de onmogelijkheid op de normale manier over te steken. De brug kan niet meer gebruikt worden. De rivier als overweldigende stroom water past wonderwel bij de ‘stream of consciousness’ van de vertellers. Beiden zijn oncontroleerbaar, ze gaan hun eigen weg. 

Bron: Pinterest

Met hangen en wurgen wordt de kist toch de rivier overgebracht. De manier waarop het tafereel wordt beschreven doet apocalyptisch aan, maar tegelijk ook tragikomisch omdat behalve aan het menselijk en dierlijk leed ook aandacht geschonken wordt aan het zoekgeraakte gereedschap. Cash had zijn hele gereedschapskist mee om nog een klusje te kunnen uitvoeren, zo wordt de begrafenistocht naar Jefferson gebruikt om de kas te spekken. Maar alles loopt anders, de timmerman raakt ernstig gewond bij de dramatische gebeurtenis. Lees welke creatieve ‘medische’ behandelmethode wordt toegepast. 

Voor de liefhebber is er voldoende te ontdekken in dit boek, op de achterflap wordt vermeld dat de titel van het boek ontleend is aan de Odyssee,

waar de geest van Agamemmon tegen Odysseus zegt: ‘Zij gunde zich zelfs geen tijd mij de ogen te sluiten en de mond terwijl ik al heenging...’’

Deze bijzondere klassieker heb ik met veel plezier gelezen, ik vond hem iets toegankelijker dan Absalom, Absalom! (1936), kon me met Darl en Cash wel een beetje identificeren en vond de mix van de zeer donkere, tragische gebeurtenissen met de soms absurde monologen (Anse ziet kans valse tanden te kopen nu zijn vrouw dood is!) goed gedoseerd.
De kortste monoloog die bovenaan vermeld staat is een knap staaltje fantasie. Lees wat er allemaal geschreven wordt over die kist en let daarbij vooral op de hoofdrol die weggelegd is voor Addie.

De auteur

William Cuthbert Faulkner (New Albany (Mississippi), 25 september 1897 - Oxford (Mississippi), 6 juli 1962) was een schrijver uit Mississippi en winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur in 1949. Hoewel zijn werken soms uitdagend of zelfs moeilijk zijn, wordt hij over het algemeen beschouwd als één van belangrijkste fictieschrijvers van de Verenigde Staten.

William Faulkner schreef werken van psychologisch dramatische en emotionele diepte. Zoals veel auteurs leed hij aan de afgunst en de minachting van anderen. Hij werd beschouwd als de stilistische rivaal van Ernest Hemingway (zijn lange zinnen contrasteren met de korte "minimalistische" stijl van Hemingway). Hij wordt ook door sommigen beschouwd als de enige ware Amerikaanse modernistische schrijver van de prozafictie van de jaren 30, die de experimentele traditie volgde van Europese schrijvers zoals James JoyceVirginia Woolf en Marcel Proust.

Het lezen van het werk van Faulkner is soms een inspanning. Naast de schrijverstechniek van de 'stream of consciousness' maakt de schrijver vaak gebruik van meerdere vertellers. Ook introduceert hij soms kort een personage om hem/haar later voor te stellen en uit te werken. Deze schrijfwijze, gecombineerd met een grote eruditie, maakt het soms de lezer moeilijk meteen zijn werk te doorgronden en te doorzien hoe de onderlinge relaties van de hoofdrolspelers in het werk met elkaar samenhangen. (bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/William_Faulkner)



Titel: Terwijl ik al heenging
Titel oorspronkelijk: As I Lay Dying (1930)
Auteur: William Faulkner
Vertaler: Rien Verhoef
ISBN: 9023423453
Pag.: 226
Genre: literaire fictie
Verschenen: 1987 (deze editie)


* Vardagam is één van de 4 zoons, de anderen zijn: Cash, Jewel en Darl. (citaat blz. 71)

vrijdag 21 september 2018

Sei Shōnagon - Het hoofdkussenboek


Recensie door Truusje
Uitgeverij Athenaeum


Memoires van een Japanse hofdame

Er zijn in de loop der tijd al veel dagboeken uitgebracht, maar met 'Het hoofdkussenboek' wil ik stellen dat ik iets bijzonders heb gelezen. Normaliter zal het niet snel voorkomen dat een boek dat duizend jaar oud is door iedere geïnteresseerde lezer ook daadwerkelijk op deze laagdrempelige manier gelezen kan worden. Hoe fantastisch is het dat dit werk door de jaren heen bewaard is gebleven. Een prachtig voorbeeld van een van de oudste, zorgvuldig bewaarde klassieke werken uit de wereldliteratuur. Dit juweeltje is voorzien van een voorwoord door Alfred Birney.
De term 'hoofdkussenboek' is ontstaan omdat Sei haar aantekeningenboekje bewaarde in een lade van haar houten hoofdsteun.

Sei Shōnagon deed als jong meisje dienst als hofdame van Keizerin Teishi - ze stierf op haar drieëntwintigste in het kraambed -, aan het Japanse hof ten tijde van de elfde eeuw na Chr. Het waren de hoogtijdagen van de Heian-dynastie.
Gedurende tien jaar, heeft ze vele aantekeningen gemaakt over de dingen die haar onder de aandacht zijn gekomen, heeft meegemaakt of waar ze haar, soms behoorlijk uitgesproken en onverbloemde, mening over heeft willen geven. Wat opvalt is dat ze een scherpe blik had en heel opmerkzaam was. Er ging aan haar niet snel iets ongemerkt voorbij en de beschrijvingen zijn heel gedetailleerd. De lezer krijgt een buitengewoon beeld van de beslommeringen, gewoonten en verfijnde traditie aan het keizerlijke hof.

[73] 'Op onze vertrekken in de buitenkamer ben ik erg gesteld. Wanneer de halve luiken openstaan komt er flink wat wind naar binnen, zodat het er zelfs ’s zomers lekker koel is. In de winter vind ik het fijn dat er sneeuw of hagel naar binnen waait. Het is er nogal smal, wat onhandig is als er kinderen overkomen, maar als je die wegstopt achter een kamerscherm is alles dik in orde, want dan joelen ze niet, zoals elders. Overdag moeten we voortdurend op onze hoede zijn. ’s Nachts moeten we zelfs nog meer uitkijken, wat ik wel grappig vind.
Heel de nacht hoor je voetstappen, maar als die opeens stilhouden en er met één vinger tegen je deur wordt geklopt, hoort een dame meteen om wie het gaat – kostelijk!'

Sei toont een intelligente, nieuwsgierige, openhartige, romantische 'jongemeisjesblik', maar kan ook ondeugend zijn en de spot met iemand drijven. Ze is bij tijd en wijle heel empatisch, maar kan soms ook behoorlijk kort door de bocht zijn en dingen beschrijven die toch verdacht veel lijken op roddel en achterklap. 
Arrogantie, aanstellerigheid en idolate uitingen ontlokken de lezer echter eerder een glimlach dan een gevoel van irritatie.
Haar aantekeningen verschillen van elkaar. De verhaaltjes, anekdotes, lijstjes en opsommingen geven een fantastisch inkijkje in de dingen die haar bezighouden.
Van enige chronologie is geen sprake. Je kunt het boek op elke willekeurige pagina openslaan, een stukje lezen en de volgende keer een ander stukje pakken uit de bijna driehonderd hoofdstukjes die het boek bevat. Om een paar van haar geweldige lijstjes aan te halen..........

'Dingen die geen steek houden:
Iemand die per se in hofdienst wilde, en die alles daar even saai en vervelend vindt.
Een aangenomen kind dat lelijk blijkt te zijn.
Iemand tegen wil en dank met je dochter laten trouwen en dan maar klagen dat hij niet deugt.'

'Afstompende dingen:
Een onthoudingsperiode weg van huis.
Een triktrakspel waarbij je je stenen maar niet van het bord krijgt.
De woning van een heer die zijn kans heeft gemist bij de officiële benoemingen.
En in de allereerste plaats: langdurige regen.'

'Dingen die ongelegen komen:
Er  wordt iemand  geroepen en jij snelt  naar buiten in de overtuiging dat het  om jou gaat.
Zoiets is des te pijnlijker als het bezoek een cadeautje heeft meegebracht.'

'Aanstellerige dingen:
Iemand die volop een kind vertroetelt waarover helemaal niets bijzonders te zeggen valt.'

Een prachtig beeld geven de beschrijvingen van de etiquette en de heersende cultuur aan het keizerlijke hof, met al zijn rangen en standen. Opvallend is dat de Chinese cultuur van behoorlijke invloed was op die van Japan. Poëzie nam een belangrijke plaats in in de communicatie. Bijzonder was de gewoonte om elkaar bij vele gelegenheden gedichten te sturen, al dan niet met een ietwat schunnige inhoud als flirtage of na een heimelijk bezoek in de nacht.
Maanden en dagen hadden geen naam, maar werden gewoon aangeduid als 'de tiende dag van de zevende maand'. Uren daarentegen werden simpelweg aangeduid met een dierennaam, zoals 'het uur van de schaap'.

Met de keizerin had Sei een goede band en ze bleken verrassend openhartig te zijn tegen elkaar. Ook grapjes werden er met elkaar uitgehaald, zoals de weddenschap over de berg sneeuw. Sei zei zeker te weten dat de berg niet gesmolten zou zijn voor een bepaalde datum, maar de keizerin was geenszins van plan om haar te laten winnen.

‘Ach, wat is de wereld wreed!’ steunde ik. ‘Ik was dolblij dat er sneeuw bij viel toen de berg er al stond, maar Hare Majesteit vond dat zoiets niet meetelde en gaf het bevel om de sneeuw te ruimen...’
‘Ik denk dat zij je echt niet wilde laten winnen,’ lachte Zijne Majesteit.'

Wie verwacht een roman te zullen lezen, zal misschien van een koude kermis thuis komen, want een samenhangend verhaal is dit in geen geval. Murasaki Shikibu, een tijdgenote van Sei, heeft de roman 'Het verhaal van Genji' geschreven, maar het werk van Sei is een boek om dicht in de buurt te houden, steeds even te pakken om er een stukje uit te lezen en vooral om te genieten van haar irritante trekjes, de grappige lijstjes en verhaaltjes. 

De zeer frisse vertaling, direct uit het Japans, is van Jos Vos. Het lezen is een feestje, het bruist en sprankelt door de grappige lijstjes en gebeurtenissen die op schrift zijn gesteld. De vertaler heeft boek tevens uitgebreid geannoteerd, ter verduidelijking van Japanse woorden, gewoonten en (hof)rituelen. De annotaties (437!!!) zijn onontbeerlijk om alles goed te kunnen duiden.

Via onderstaande link is een interessant stuk te vinden om te lezen over: 'Sei Shōnagon en de bloei van de Japanse literatuur'

Auteur

Sei Shōnagon (清少納言), (965 - na 1010) was een Japanse hofdame van de keizerin Teishi aan het Japanse hof in de Heian-periode, die onsterfelijk is geworden door haar dagboek (枕草子 Makura no Soshi), 'Het hoofdkussenboek', dat zij duizend jaar geleden schreef.

Titel: Het hoofdkussenboek
Oorspronkelijke titel: Makura no soshi
Auteur: Sei Shōnagon
Vertaling: Jos Vos
Pagina's: 336
ISBN: 9789025308636
Uitgeverij Athenaeum
Verschenen: februari 2018

donderdag 20 september 2018

Giorgio Bassani - Binnen de muren + De gouden bril


Recensie door Truusje
Uitgeverij De Bezige Bij

Dubbele recensie!


De auteur neemt je mee door de straten van Ferrara

Giorgio Bassani (1916-2000) heeft tot 1981 een groot deel van leven doorgebracht in een Joodse gemeenschap in het Noord-Italiaanse stadje Ferrara aan de rivier de Po. Hij wordt gezien als een van de belangrijkste moderne schrijvers van Italië.

De kronieken van Ferrara (Il Romanza di Ferrara), in zes afzonderlijke delen, spelen zich af in het Ferrara tijdens de jaren rond de Tweede Wereldoorlog en zijn voor een belangrijk deel autobiografisch te noemen. Onvermijdelijk hebben de jaren van Mussolini een grote stempel op dit werk gedrukt.

Het stadje is duidelijk aanwezig als middelpunt en toneel voor de verhalen, waardoor de setting relatief klein gehouden wordt. De gedetailleerde beschrijvingen van Ferrara maken de verhalen haast filmisch, door met de personages mee te wandelen en zo de historische plaatsen te ontdekken.

De Bezige Bij heeft de gehele kroniek dit jaar in een verzamelbox opnieuw uitgegeven, maar de zes delen zijn ook afzonderlijk beschikbaar. De boeken zijn op magnifieke wijze vertaald door Jan van der Haar.
In 1962 schreef Bassani het meest bekende deel van deze kroniek, De tuin van de familie Finzi-Contini, maar ik beperk me in deze recensie voorlopig tot de eerste twee delen, namelijk Binnen de muren (1973) en De gouden bril (1977).

De gracieuze schrijfstijl, met zijn vaak lange zinnen, meandert op een soepele wijze. Zijn werk is toegankelijk geschreven. Geen woord teveel en schitterend proza dat je diep in je hart raakt, vanuit de herinnering van de auteur op schrift gezet. Bassani toont zich een gevoelsmens die oog heeft voor de buitenbeentjes, de verguisde mens in een gemeenschap, en duikt in die personages om ons te laten zien wat de gevolgen van het buitengesloten worden op een mens kunnen zijn. Hij verstaat de kunst om zich in de ander te verplaatsen. Niet alleen in de verguisde, maar zeker ook in degene die verguist. Dit maakt dat het verhaal gelaagd is en voor meerdere uitleg vatbaar. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het onvermogen, de tijdgeest, de oorlog(-sdreiging) en het Joods zijn in een overwegend katholiek stadje. De verhalen zijn op een pijnlijke manier zeer realistisch en stemmen tot nadenken.

I Binnen de muren - het eerste deel van deze serie - is een verzameling van vijf afzonderlijke, glasheldere verhalen die, hoewel ze zich allemaal afspelen in Ferrara, verschillende inwoners beschrijven in een decor van de aanloop, tijdens en de naweeën van de Tweede Wereldoorlog. De poëtische schrijfstijl staat in schril contrast met de inhoud van de verhalen, die een getuigenis zijn van een sombere periode. De inwoners kampen met gevoelens van onveiligheid en zien hun dromen in duigen vallen door de oorlog die alom aanwezig is. De personages in de vijf verhalen betalen een zure rekening. De gebeurtenissen en wandaden in deze fascistische periode zijn geput uit de herinneringen van de auteur. 

Ferrara
In vogelvlucht noem ik:
- Lida Mantovani, pas bevallen van haar eerste kind en verlaten door de vader, trekt weer in bij haar moeder Mary. De oudere Oreste Benetti maakt werk van Lida door elke avond bij de dames op bezoek te gaan. Een huwelijk tussen hem en Lida is een logisch gevolg.
- De wandeling voor het eten, waarin een relatie tussen een Joodse arts en een verpleegkundige centraal staat. Ze trouwen en hun huwelijk wordt bezegeld met de geboorte van twee zonen, waarvan de jongste komt te overlijden aan hersenvliesontsteking.
- Een gedenkplaat in de Via Mazzini. Geo Josz komt, na de oorlog, als enige van de 183 gedeporteerden terug uit Buchenwald. Net op tijd om te voorkomen dat zijn naam in de gedenkplaat wordt gebeiteld.
- De laatste jaren van Clelia Trotti. Bruno Lattes keert in het najaar van 1946 terug uit Amerika voor de herbegrafenis van lerares Clelia Trotti en beseft dat hij zich een vreemde voelt in het stadje.
- Een nacht in '43. Apotheker Pino Barilari is getroffen door een verlamming aan beide benen, ten gevolge van een SOA en verslijt zijn dagen met puzzelen achter de geraniums. Hij is er als enige getuige van dat er elf mensen worden geliquideerd en op de stoep worden achtergelaten. Hij wordt als getuige gehoord om de daders te identificeren, maar wil tegelijkertijd iemand bescherming bieden.

Meestal lees ik liever een roman dan een bundel verhalen. Het is steeds schakelen wanneer een verhaal is afgesloten en een volgende begint. Dit ondervang ik door een verhaal als geheel te lezen en het boek dan weg te leggen voor een volgend moment, zodat ik weer fris kan beginnen. Het werkt echt!!!

II De gouden bril

'Met de tijd zijn het er minder geworden, maar toch valt ook weer niet te zeggen dat maar weinig mensen in Ferrara een herinnering bewaren aan dokter Fadigati (Anthos Fadigati, zeker - herinneren ze zich - de keel-, neus- en oorarts die praktijk aan huis hield in de Via Gorgadello, op een steenworp afstand van de Piazza delle Erbe, en met wie het zo slecht afgelopen is, de arme kerel, zo tragisch, hij die als jongeman, toen hij zich vanuit zijn geboortestad Venetië in Ferrara kwam vestigen, leek voorbestemd voor de meest reguliere. rustige en daarom meest benijdenswaardige carrière...).´

Met deze beginzin is de toon meteen gezet.
Fadigati, een vriendelijke en modern uitziende man met een privépraktijk, zoekt aansluiting bij de bewoners van Ferrara. Zijn hoffelijkheid, belangeloosheid en discretie maken hem tot een graag gezien persoon in het stadje en zijn moderne praktijk vaart er wel bij.
Wanneer hij de magische leeftijd van veertig jaar begint te naderen, vinden de mensen dat hij nu toch eindelijk eens ´aan de vrouw´ zou moeten. Het lijkt het gesprek van de dag te worden tot er geruchten de ronde beginnen te doen.

´´Weet je het niet? Volgens mij is dokter Fadigati...´
´Moet je dit eens horen. Ken je die dokter Fadigati, die in de Via Gorgadello woont, zo´n beetje op de hoek met de Via Bersaglieri del Po? Nou, volgens de verhalen is hij...´´

Wanneer Fadigati´s geaardheid op zeer botte en vernederende wijze, in de trein naar Bologna, openbaar wordt gemaakt door zijn lover, wordt het wereldje van de arts zeer benauwend en maakt het hem tot een eenzaam man. Het leidt jammerlijk tot een verstrekkende beslissing.

Het resultaat van Bassini´s herinneringen vormt een hartbrekend mooi en fijntjes geschreven novelle. De schrijfstijl van lange zinnen en vele interpuncties vraagt wel een goede concentratie. Dit vooral bij Binnen de muren. De schrijfstijl van De gouden bril is veel toegankelijker.
Als het even niet lukt, gewoon op een ander tijdstip nog eens beginnen en genieten van deze prachtige, existentiële literatuur uit de vorige eeuw. Nog eens herlezen maakt het verhaal nóg boeiender, daar je steeds weer nieuwe dingen zult ontdekken.
Twee prachtige boeken die een geweldige voorbode zijn voor de volgende vier uit deze reeks. Dus......wordt vervolgd!

Auteur

Giorgio Bassani (Bologna, 4 maart 1916 - Rome, 13 april 2000) was een Italiaans schrijver, dichter, essayist en redacteur.
Hij was een zoon van welgestelde Joodse ouders. Hij ging naar school in Ferrara en in 1939 studeerde hij ondanks de rassenwetten af aan de letterenfaculteit van Bologna.
In 1943 werd hij opgepakt op verdenking van clandestiene activiteiten tegen het fascisme. De brieven die hij vanuit de gevangenis aan zijn familie schreef, werden in 1981 onder de titel Da un prigione (Vanuit een gevangenis) gepubliceerd in de Corriere della Sera. In datzelfde jaar trouwde en verhuisde hij van Ferrara naar Florence en later naar Rome.
Zijn toppunt van succes beleefde hij in 1962 met "De tuin van de Finzi-Contini's". Hierna volgden "De reiger"  in 1968 en "De kronieken van Ferrara" in 1974.
Hij overleed op 13 april 2000 en werd begraven op de joodse begraafplaats in Ferrara.

Titel: Binnen de muren 
Auteur: Giorgio Bassani
Vertaling: Jan van der Haar
Pagina's: 208 
ISBN: 9789403102504   
Uitgeverij De Bezige Bij
Verschenen: april 2018

Titel: De gouden bril
Auteur: Giorgio Bassani
Vertaling: Jan van der Haar
Pagina's: 104
ISBN: 9789023499169
Uitgeverij De Bezige Bij
Verschenen: april 2018

dinsdag 18 september 2018

Witold Szabłowski - Dansende beren


Recensie door Mireille Bregman
Uitgeverij Nieuw Amsterdam




Begrensde vrijheid en grenzen met vrijheid


Bulgaarse zigeuners trokken in de communistische tijd rond met dansende beren als act. In het journalistieke reisverslag Dansende beren vertelt Witold Szablowski hoe deze beren hun vrijheid kregen, maar ook hoe zij een metafoor zijn voor hun bazen.  

'We werden vrij. Niet alleen de Polen, Serven, Hongaren en Tsjechen, maar ook de Esten, Litouwers, Oekraïners, Bulgaren, Kirgiziërs, Tadzjieken, Kazachen en anderen. Een groot deel van de wereld verkreeg de vrijheid zonder daarop voorbereid te zijn. In de meest extreme gevallen kwam die vrijheid onverwacht of was zelfs ongewenst.'

De auteur zelf is geboren in Polen ten tijde van de Sovjet-Unie. Hij heeft meegemaakt hoe in 1989 voor het eerst sinds de Russische overheersing vrije verkiezingen gehouden werden en democratie zijn intrede deed. Omdat de Polen algehele staatsbemoeienis waren gewend, moesten ze leren voor zichzelf te zorgen. Nadat Szablowski met een Bulgaarse journalist in contact was gekomen, kwam hij erachter dat landen als Bulgarije, Albanië, Estland, Oekraïne en Servië met dezelfde problematiek worstelen. Aan de hand van de Bulgaarse dansberen lees je hoe deze landen hun democratische vrijheid kregen. Vooral wordt duidelijk waarom de inwoners heimwee naar het communisme hebben.

Szablowski ziet de volkeren als ongewilde proefkonijnen in een sociaal “onderzoekslaboratorium voor de vrijheid”. Aan de ene kant kunnen ze vrij hun volksvertegenwoordigers kiezen en zijn er meer reismogelijkheden. De keerzijde is dat door de intrede van het kapitalisme op de kolchozen (staatsboerderijen) niet genoeg werk meer is. De inwoners van voormalige communistische landen moeten plotseling op een andere manier aan geld en eten komen. Bulgaarse mannen gaan, in een lange traditie, massaal op een gewelddadige manier beren temmen om toeristen te vermaken. Een van de kunstjes is dat de beren slechte communistenleiders nadoen.

Een berentemmer: “Ik was wel met beren opgegroeid. Ik kende alle liedjes, alle kunstjes, alle verhalen. Toen ik op de kolchoz werd ontslagen, wist ik een ding zeker: als ik verder wilde leven, moest ik zo snel mogelijk een beer vinden. Zonder beer zou ik nog geen jaar overleven.”

Het voorgaande lees je in een verhaal over een berentemmer die zijn berin kwijtraakt door toedoen van stichting Vier Voeters. Deze organisatie krijgt een stem in de rest van het boek. Er wordt verteld over het wel en wee van de dansberen die worden gered en vooral over het aanleren van vrijheid. Tussen de regels door lees je op deze manier over de huidige leefomstandigheden van de berentemmers.

Een woordvoerder over het bevrijden van de laatste gevangen beren: “Ze bleven de beren hun leven lang aan hun neus trekken en dwongen ze op die manier om te dansen. Dat was een droevig gezicht. Het was duidelijk dat dit een kwelling was voor de beren. Die dag voelde ik dus een zekere trots dat de mensen van Vier Voeters daar definitief een einde aan maakten.”

Het boek bestaat uit twee delen: de eerste helft zijn verhalen rondom Bulgaarse beren en bazen. Het tweede deel is geschreven aan de hand van quotes uit het eerste deel en geven de verhalen van gewone mensen uit communistische landen weer. Lady Peron bijvoorbeeld, een Poolse zwerfster die in de Londense stations leeft. Ze is er niet ontevreden mee, want “ze heeft meer van de wereld gezien dan ooit”. In een ander verhaal smokkelt een jongen auto’s aan de Oekraïense grens – gelieerd aan het hoofdstuk “Onderhandelen” over de berenredders.

Op het eerste gezicht lijkt tussen de twee delen geen samenhang te bestaan, vanwege het contrast tussen Bulgarije en de rest van de wereld. Wie echter goed de citaten leest, ziet dat alles als een geheel in elkaar steekt. Zo heeft de auteur de dansberen als metafoor voor de mens neergezet. Een knap staaltje werk, want je hebt het pas door als je uit beide delen verhalen hebt gelezen.

Lady Peron: “Ik had geld, mijn pensioen van vijfhonderd zloty. Dat was voldoende om van te leven. Maar ik leed wel kou in mijn eigen huisje. Toen ik doorhad dat ik zou doodvriezen, pakte ik een tas in, en nog een, en liep naar het station.”

Dit boek met vele verhalen is uiteraard geen lichte kost, maar omdat Szablowski over een vlotte pen beschikt, heb ik het aandachtig en graag gelezen. Door de diverse verhalen van mensen over de hele wereld, krijg je als lezer wellicht andere inzichten over de voormalige Sovjetburgers.

Auteur

Witold Szabłowski (geboren in 1980 in Ostrów Mazowiecka) is een Poolse journalist en auteur. Szabłowski woonde en studeerde een jaar in Turkije en veel van zijn journalistiek heeft zich beziggehouden met Turkse kwesties. Hij is afgestudeerd aan de afdeling Journalistiek en Politicologie aan de Universiteit van Warschau.

Hij won de Melchior Wańkowicz Award 2007 in de categorie Inspiratie van het Jaar voor zijn eerlijke documentatie over de aspecten van de Turkse samenleving die niet algemeen bekend zijn buiten het land. Hij staat bekend om zijn beknopte maar levendige gebruik van taal. In 2008 ontving hij een eervolle vermelding van Amnesty International voor zijn rapport over Turkse eerwraak, To z miłości, siostro ("It's Out of Love, Sister"), dat verscheen in Duży Format. Hij schreef over de situatie van vrouwen in Turkije die werden onderworpen aan verkrachting en eerwraak voor de "zonde" van het willen beslissen over hun eigen lot.

Zabójca z miasta moreli ("The Assassin from Apricot City"), een verzameling van zijn langgerekte journalistiek, werd in 2010 in Polen gepubliceerd. Het won de Beata Pawlak Award en werd genomineerd voor de NIKE-boekenprijs van Polen.

Na een reis naar Cuba vroeg hij zich af of er iets belangrijks verloren was gegaan in de overgang van het communisme naar het kapitalisme. Hij en zijn vrouw, Izabela Meyza, besloten om voor het jaar 2012 te leven alsof ze in communistische tijden waren. Ze droegen kleding uit de communistische tijd, onthouden zich van het kopen van dingen die niet beschikbaar zijn in de Poolse Volksrepubliek, en zochten games en voorwerpen uit het communistische tijdperk op. Samen hebben ze een boek geschreven over hun ervaringen, Nasz mały PRL. Pół roku w M-3, z trwałą, wąsami i maluchem ("Onze kleine Poolse Volksrepubliek: zes maanden in een driekamerappartement met een permanent, een snor en een Fiat 126p")

In 2014 publiceerde hij Tańczące niedźwiedzie ("Dancing Bears") waarin hij schrijft over het creëren van reserves voor beren die eerder als dansende beren werden gebruikt om mensen te entertainen. Hij gebruikt de ervaringen van de voormalige dansberen om verschillen tussen communistische en kapitalistische systemen te onderzoeken.

In 2016 Szablowski's boek Sprawiedliwi zdrajcy. Sąsiedzi z Wołynia ("Righteous Traitors, Neighbors from Volhynia") werd gepubliceerd. Het beeldt het lot af van de slachtoffers en getuigen van de massamoorden van Polen in Volhynië 1943-1944 . Szabłowski richt zich vooral op mensen die op groot persoonlijk risico hulp bieden aan hun buren, Pools of Joods. Het wordt beschouwd als een van de beste berichten over de bloedbaden van Polen in Volhynia.

Titel: Dansende beren
Oorspronkelijke titel: Tanczace Niedzwiedzie
Auteur: Witold Szablowski
Vertaling: Goverdien Hauth-Grubben
Pagina's: 240
ISBN: 9789046823415
Uitgeverij Nieuw Amsterdam
Verschijnt: 24 september 2018

zondag 16 september 2018

Yasunari Kawabata-Sneeuwland

Recensie door Tea van Lierop
Meulenhoff-Modern Klassiek





Beelden als ijskristallen


De trein reed door de lange tunnel over de grens het sneeuwland in.’


Een goede opening is het halve werk. Deze korte, maar zeer krachtige openingszin smaakt naar meer en laat je als lezer meteen instappen en meereizen in dit wonderschone en ongrijpbare verhaal.
Het boek draait om vier personages, twee mannen en twee vrouwen. Hoe deze personages zich tot elkaar verhouden wordt langzaam duidelijk gemaakt. Met de trein als vertrekpunt en de vrouw die bespied wordt via het raam in de coupé begint het bijna sprookjesachtige verhaal.


In de diepte van de spiegel trok het avondlandschap voorbij en daaroverheen bewogen zich de spiegelende figuren als een dubbel geprojecteerd filmbeeld. De menselijke figuren en de achtergrond stonden in geen enkele relatie met elkaar. En toch smolten de mensen in hun transparante ongrijpbaarheid met de stroom van het schemerige avondlandschap samen tot een symbolische, onwerkelijke wereld. (blz. 11)’


Het verhaal

Twee mensen, twee zielen en zeer verschillend, gaan de strijd aan om de afstand tussen hen - letterlijk en figuurlijk - te overbruggen omdat ze niet anders kunnen. De aantrekkingskracht tussen de gehuwde Shimamura, een rijke toneelrecensent, en geisha Komako, is te groot. Waarom het ondanks die aantrekkingskracht niet mogelijk is een gelijkwaardige liefdesrelatie op te bouwen wordt subtiel onthuld gedurende het verhaal. De twee andere personages zijn Yoko - verpleegster en vriendin van Komako - en de man die zij als patiënt verzorgt. Om het verhaal nog wat complexiteit te geven voelt Shimamura zich ook aangetrokken tot Yoko.

Ja, Sneeuwland gaat ook over sneeuw. En geen klein beetje, maar meters! In het bergdorp waar het verhaal zich afspeelt zijn ze eraan gewend. Wanneer het flink gesneeuwd heeft kunnen kinderen vanaf de eerste verdieping van het schoolgebouw zo het gebouw verlaten zonder de trap te gebruiken en dat doen ze, naakt springen ze de sneeuw in!

Contrasten

Hoewel het boek vol staat met contrasten is het geheel een zeer fijnmazig weefsel geworden. Om door te dringen in het weefsel is het nodig om met aandacht te lezen, voor je het weet mis je een ogenschijnlijke kleinigheid.
De contrasten zijn talrijk:
- de sneeuw zijn die contrasteert met de duisternis of de hitte van het vuur
- het verschil tussen platteland en stad - Komako en Shimamura
- maar het meest opvallende contrast is te zien in de karakters van Shimamura - afwachtend - en dat van Komako, die tot actie overgaat.

Japan

De auteur is Japans, ook het verhaal speelt zich af in Japan en maakt het boek een beetje mystiek. Veel meer dan de boeken van Murakami ademt deze roman de echt Japanse sfeer. Dit boek kwam in 1947 uit, dat zorgt natuurlijk voor het verschil in tijd en misschien ook doordat het zich afspeelt in een afgelegen bergdorp waar de mensen langer vasthielden aan tradities. In elk geval wordt er een schitterend beeld geschetst van de huizen, de kleding en gewoonten. Lees hoe hun kleding gemaakt werd en bewonder de vindingrijkheid van de bewoners die zich staande hielden onder erbarmelijke omstandigheden.

De hennepgarens, fijner dan dierlijk haar, waren anders dan in de vochtigheid van de sneeuw moeilijk te verwerken en het donkere, koude jaargetijde was daartoe wel het beste geëigend. In de oude tijd placht men te zeggen dat de natuurlijke wisselwerking tussen de krachten van licht en donker ervoor waakte dat in midwinter geweven hennep in de heetste dagen van het jaar zo koel de huid beroerde.’

Liefde

Hoewel de liefde als een rode draad loopt door het verhaal, is het toch niet het opvallendste thema. Het contrast tussen de twee die elkaar zo vurig willen liefhebben is te groot om ook daadwerkelijk lief te kunnen hebben. Shimamura blijft als een verbaasde toeschouwer zijn rol spelen en kan niet echt van Komako houden, terwijl zij vruchteloos blijft proberen haar liefde over te brengen. Maar er is geen voedingsbodem, de eenzaamheid van beiden is schrijnend voelbaar. Shimamura leeft meer in beelden dan in de realiteit, dat wordt duidelijk in de passage helemaal in het begin van het verhaal wanneer hij Yoko bespied door in de ruit te kijken, maar ook door het werk dat hij doet. De recensies die hij schrijft over westerse balletvoorstellingen worden gedaan aan de hand van informatie die hij krijgt uit boeken en van foto's. 

Tenslotte

Dit boek verlaat je niet meer, eenmaal gelezen blijven de dromerige, onwerkelijke beelden bestaan. Het lijkt alsof de auteur hemel en aarde in elkaar laat overvloeien, verstillend en prachtig:
De vonken verspreidden zich langs de melkweg. Shimamura voelde er zich mee heen opgezogen. Rook stroomde langs de melkweg omhoog en de melkweg zelf stroomde in tegengestelde richting naar beneden. Soms miste een waterstraal het dak en ging het eind ervan trillend over in een wittige nevel, als verlicht in de melkweg’ (blz. 132)

Nawoord

Patricia de Martelaere schrijft in het nawoord dat ‘de westerling Sneeuwland gerust kan lezen als een Griekse tragedie met een universele impact: een verschrikkelijke en in menselijke termen niet geheel te begrijpen strijd tussen krachten die de mens overstijgen maar waarin hij toch geworteld is - een strijd die leidt tot een onafwendbare ondergang die tegelijkertijd een loutering is.’

De auteur

Yasunari Kawabata (Japans: 川端 康成, Kawabata Yasunari) (Osaka, 11 juni 1899 - Zushi, 16 april 1972) was een Japans schrijver die in 1968 als eerste Japanner (en tweede Aziaat) de Nobelprijs voor Literatuur won.* Zijn boeken worden nog steeds gelezen, ook buiten Japan. Hij was de zoon van een arts. Na de vroege dood van zijn ouders werd hij opgevoed door zijn grootvader en bezocht hij de openbare lagere en middelbare school. Van 1920 tot 1924 studeerde hij aan de universiteit van Tokio, waar hij zijn graad in de literatuur haalde. Hij was een van de oprichters van het tijdschrift Bungei jidal, het medium van een nieuwe beweging in de moderne Japanse literatuur. Hij werd lid van de Kunstacademie van Japan in 1953 en in 1957 werd hij benoemd tot voorzitter van de PEN-club van Japan. Op verschillende internationale congressen was Kawabata de Japanse afgevaardigde voor deze club. In 1959 ontving hij de Goethe-medaille in Frankfurt. Kawabata maakte in 1972 een einde aan zijn leven.
*Reden: "Voor zijn verhalend meesterschap, dat met grote gevoeligheid de essentie van de Japanse geest uitdrukt."



Titel: Sneeuwland
Auteur: Yasunari Kawabata
Uitgever: Meulenhoff Modern Klassiek
Vertaler: C. Ouwehand
ISBN: 9789029077569
Pag.: 153
Genre: literaire fictie
Verschenen: Oorspronkelijk 1947, mijn editie 2007