vrijdag 31 januari 2020

Karel Čapek - Hordubal

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Wereldbibliotheek



Ieder zijn eigen waarheid

Mijn eerste kennismaking met de Tsjechische schrijver Karel Čapek was de roman ’Een doodgewoon leven’. Een verhaal over het leven van een doodgewone spoorwegbeambte. Een terugblik op zijn leven als een passerende trein, met alle mogelijkheden, (gemiste) kansen, beslissingen, fouten, inschattingen en het lot. Mooi, helder en krachtig geschreven.

Hordubal is ook een eenvoudig verhaal van een man, Juraj Hordubal, die na zich 8 jaar te hebben afgebeuld in Amerika onaangekondigd terugkomt naar zijn boerderij op het Tsjechische platteland. Daar heeft hij zijn vrouw Polana en dochtertje Hafia achtergelaten. Karel Čapek schotelt ons, in eerste instantie, een vrij naïeve hoofdpersoon voor. Of wil hij de verandering niet zien?

Want de tijd heeft in zijn afwezigheid niet stilgestaan. Zijn vrouw ontvangt hem niet met open armen. En de knecht Stepan heeft in zijn afwezigheid het roer op de boerderij omgegooid. Landbouwgrond is verkocht en Stepan heeft zich toegelegd op de handel van paarden. Voor het dochtertje is de knecht inmiddels een vaderfiguur geworden. Ze moet niks weten van haar vader. Even later blijkt dat zijn Polana ook nog zwanger is. De opmaat voor rampspoed. Juraj, die toch een flink bedrag bij elkaar heeft gespaard, heeft grote moeite om te wennen en legt uiteindelijk het loodje. De politie en de rechtelijke macht worden ingeschakeld.

De grote vraag is of hij is vermoord. Of is hij de pijp uitgegaan door het extreem zware en vieze werk in de mijnen? Wat is de überhaupt de waarheid? Want de dorpsbewoners, de politieagenten en ook de rechter hebben ieder een andere kijk op de zaak. Een eigen waarheid, gebaseerd op veronderstellingen, aannames, meningen, tegenstrijdigheden en vooringenomenheid.

Het mooie is dat Čapek zijn eigen visie op het verhaal tegen het licht houdt. Twijfel slaat toe. Zowel bij de hoofdpersoon als bij de lezer. Misschien is de knecht wel ter goeder trouw en heeft hij echt zijn best gedaan om de boerderij zo goed mogelijk te runnen in afwezigheid van de baas. Was Hordubal al dood op het moment dat de kwade knecht hem (misschien) probeerde te vermoorden? Een moord in opdracht van zijn vrouw? Of had zij er niets mee te maken? En wie zijn wij om een echtgenote te veroordelen om haar zwangerschap als die er acht jaar alleen voor heeft gestaan? Een slippertje met de hardwerkende knecht of is er wellicht toch sprake van een liefdesrelatie? Is haar reactie begrijpelijk als haar man plots weer voor haar staat? Zelfs de dorpsbewoners zijn niet echt blij met zijn terugkeer.

De roman is verdeeld over drie hoofdstukken. In het eerste deel leven we mee met de terugkomst van Juraj Hordubal. In het tweede boek volgen we de ijverige politie. Het derde boek kijken we mee over de schouder van de rechter omdat de echtgenote en de knecht worden aangeklaagd voor moord en medeplichtigheid.

Het leven is niet zwart-wit. Honderd jaar geleden of vandaag de dag maakt geen verschil. Alles is genuanceerd. De zuivere waarheid bestaat niet. Door deze roman word je je bewust van het feit dat iedereen zijn eigen versie van de waarheid heeft. Hordubal is een ouderwets mooie roman.

Hordubal is het eerste deel van de trilogie, deel twee is Meteoor en het derde deel is Een doodgewoon leven. Van de laatste twee is er ook een bespreking op deze blogspot te vinden.


Auteur

Karel Capek (Malé Svatonovice, 9 januari 1890 – Praag, 25 december 1938) was een Tsjechisch schrijver.

Hij wordt gezien als een van de belangrijkste Tsjechische schrijvers. Hij schreef enkele werken samen met zijn broer Josef. Zijn bekendste werken kunnen als sciencefiction geclassificeerd worden, geheel in de lijn van Britse auteurs als Aldous Huxley en George Orwell. Hij staat bekend als de uitvinder van het woord 'robot'. Het woord duikt voor het eerst op in zijn werk R.U.R. (Rossum's Universele Robots) (1920). In een ingezonden brief in Lidové Noviny (een Tsjechisch dagblad, waarvan hij enige tijd redacteur was) in 1933 vertelt Karel Capek dat het woord door zijn broer Josef is verzonnen. Verder schreef hij Krakatit (1924) over de ontdekking van een explosief van ongekende vernietigingskracht (de atoombom?).

Daarnaast schreef hij ook talloze krantenartikelen, theaterstukken, kinderboeken, detectives, reisverslagen en zelfs een boek over tuinieren. Capek maakte gebruik van talloze schrijfstijlen en genres, vaak ook binnen een werk. Veel van zijn werk is geschreven met een spitsvondig gevoel voor humor. In 1932 werd een bundeling van zijn reisverslagen uit Nederland uitgegeven onder de naam Obrázky z Holandska (in het Nederlands uitgegeven onder de titel Over Holland). Beroemd is ook zijn Dášenka (1932, in het Nederland als Tuuntje verschenen) over zijn eigenwijze jonge hondje, geïllustreerd met eigen foto's.

Karel en Josef Čapek
De broers Čapek vormden de spil van het intellectuele leven in het Tsjecho-Slowakije tussen de twee wereldoorlogen. Ze verenigden linkse avantgarde-kunstenaars met conservatievere intellectuelen. Karel genoot ook de warme sympathie van de charismatische president van de Eerste Tsjecho-Slowaakse Republiek (1918-1938), Tomáš Masaryk (1850-1937). Masaryk vroeg hem zijn levensverhaal op te tekenen in Hovory s Masarykem (1928, Gesprekken met Masaryk).

In de jaren 1930 ageerde Capek in zijn werk steeds meer tegen het opkomende nazisme, fascisme en communisme. In deze periode schreef hij een aantal toneelstukken en romans met een sterk politieke lading. Válka s mloky (1936, Oorlog met de salamanders) is daarvan het beste voorbeeld. Toen met het Akkoord van München in september 1938 duidelijk werd dat de West-Europese landen Tsjecho-Slowakije niet zouden bijstaan tegen de nationaalsocialistische dreiging, stortte zijn wereld in. Kort daarna stierf hij als een gebroken man aan een longontsteking.



Titel: Hordubal

Auteur: Karel Čapek
Vertaling: Irma Pieper
Pagina's: 176
ISBN: 9789028427402
Uitgeverij Wereldbibliotheek
Verschenen: september 2019

dinsdag 28 januari 2020

Behrouz Boochani - Alleen de bergen zijn mijn vrienden. Verslag vanuit de Manus-gevangenis

Recensie door Truusje
Uitgeverij Jurgen Maas



Odyssee van een vluchteling

Behrouz Boochani (1983), Iraans-Koerdisch dichter, auteur, politicoloog en journalist, besluit in 2013 om zijn land te ontvluchten. Na zich drie maanden verborgen gehouden te hebben in Kalibata, Indonesië - getergd door honger, stress en angst - rijden mensensmokkelaars hem en andere ontheemde vluchtelingen met vrachtwagens naar de oceaan, waar ze worden opgepikt door een boot. Zes uur lang denderen ze door de jungle. De voortzetting per boot verloopt desastreus. Uitgeput als iedereen is, wordt er gevochten en geschreeuwd om een plekje te bemachtigen. Tot overmaat van ramp loopt de boot averij op en worden ze opgepikt door een Brits vrachtschip. Maar... ze zijn onderweg naar Australië.

'Ik ben als een soldaat die een mijnenveld moet oversteken, of anders zal eindigen als krijgsgevangene. Je moet kiezen. Er is geen weg terug; ik kan niet meer omkeren.'

Op Kersteiland worden ze opgesloten, in afwachting op het vliegtuig naar Manus, een eiland ver van de bewoonde wereld. Wat ze niet weten is dat ze daar - zonder aanklacht of veroordeling - in gevangenschap gehouden zullen worden in het Manus Island Regional Offshore Processing Centre, want de grens van Australië zit sinds kort potdicht en de overheid hanteert een genadeloos asielbeleid; geen vluchteling wordt meer toegelaten.

'Er is een eiland, verafgelegen in de stille oceaan waar mensen opgesloten zitten. Die mensen krijgen niets van de wereld buiten dit eiland mee. Ze zien niets van de gemeenschap die buiten de gevangenis leeft, en weten al helemaal niets van wat er in andere delen van de wereld gebeurt. Ze zien alleen elkaar en horen alleen de verhalen die ze elkaar vertellen. Dit is hun werkelijkheid: ze zijn gefrustreerd door hun isolement en opsluiting, maar ze hebben ook geleerd hun lot te aanvaarden.'

Beroofd van hun schamele spullen en eigennaam - ze kregen een nummer -, gefouilleerd en gevisiteerd, zitten vierhonderd mannen jarenlang in een kooi opgesloten. Zestienhonderd man verdeeld over vier gevangenissen worden er successievelijk getreiterd, murw gemaakt. Gedwongen moeten ze uren, onder een brandende zon, in een strakke rij staan om aan eten te komen. Wie achter in de rij staat kan de hond in de pot vinden, er is nooit voldoende voor iedereen. Het is ook niet te voorspellen wannéér ze aan moeten treden, vandaag kan het een heel andere tijd zijn dan gisteren of morgen. ´[...] op Manus worden alleen martelingen stipt volgens planning uitgevoerd.' Sommigen staan al uren tevoren op wacht, in de hoop dat ze de eersten zullen zijn. Uitgehongerd, onderdrukt, constant geobserveerd door het bewakingssysteem en systematisch gefolterd. Zelfs een bezoek aan het toilet geeft het gevoel dat de bewakers door de wanden heen kunnen kijken. Normen en waarden vervagen door de deplorabele omstandigheden. Spelletjes spelen is ten strengste verboden. Het enige wat ze hebben is een stinkend bed en een plastic stoel.

Het Kyriarchale systeem en hiërachische machtsstructuur staan garant voor totale onderdrukking van de vluchtelingen en sommige gevangenen zien geen andere uitweg dan de hand aan zichzelf te slaan.

Boochani overziet alles, distantieert zich veelal en weet met een clandestiene telefoon duizenden berichten te versturen. Vanuit zijn netwerk buiten de gevangenis ontstaat een heel team, ieder met een eigen specialisme, dat ervoor zorgt dat zijn getuigenissen worden vertaald en op schrift worden gesteld om uiteindelijk uitgegeven en verspreid te worden over vele landen. De manier om een aanklacht vorm te geven is door het enige in te zetten dat hem niet kan worden ontnomen; zijn gedachten, zijn hoop, zijn woorden.

Vanuit deze gevangenis nam hij de kans om de wereld op de hoogte te stellen van de misstanden die hij dagelijks, wekelijks en zelfs jarenlang om zich heen en aan den lijve heeft meegemaakt. De combinatie van vele literaire vormen en de gedichten die tussen de tekst zijn geplaatst, maken dit een onvergetelijke leeservaring en geeft stof tot nadenken.

Uiteindelijk weten de gevangen een opstand te forceren. Represaillemaatregelen, zoals een stroomonderbreking waardoor de ventilatoren uitvallen en op de gevangen inhakken met stokken voorzien van spijkers, zorgen ervoor de het eindigt in een bloedige afloop.

'Elke nacht waait de geur van verhongering van de ene kant van de gevangenis naar de andere en weer terug. En met de geur van verhongering bedoel ik precies wat ik zeg. Ik ben ervan overtuigd dat verhongering een geur heeft. Een geur die we in ons instinct met ons meedragen. Mensen gaan zich gedragen als wolven in het wild. Wanneer ze bijna verhongeren zijn ze in staat om hun paardentanden in de buik van een medemens te zetten en heftig te gaan schrokken, als een dier.'

Omid Tofighian, de vertaler van de oorspronkelijke versie die Boochani hem aanleverde, heeft een indrukwekkend nawoord geschreven over hoe dit boek tot stand is gekomen en wie eraan mee hebben gewerkt om dit te realiseren. Heel verhelderend is het gedeelte waarin hij uitleg geeft over de literaire technieken die Boochani heeft gebruikt.

'Vertalen is voor mij [...] een plicht jegens de geschiedenis, en een strategie om de kwestie van de oneindige gevangenschap van vluchtelingen diep in het collectieve geheugen van Australië te verankeren.'

De laatste bladzijde is gelezen, het uiterst beklemmende en schokkende boek nu dichtgeslagen. Ik blijf volkomen onthutst achter. Volledig van mijn sokken geblazen, aangeslagen en beduusd, met voortdurend dezelfde vragen in gedachten; hoe kan een mens in dergelijk erbarmelijke omstandigheden de kracht vinden om op zo'n prachtige en filosofische manier te verwoorden hoe hij het daar al die jaren heeft doorstaan? Hoe kan een boek over zo'n mensonterende situatie zo mooi zijn? Wie zal de onderdrukker - lees; de Australische overheid - ter verantwoording roepen?

Papoea-Nieuw-Guinea verklaarde de Manus-gevangenis illegaal in 2016. Boochani heeft echter gevangen gezeten tot eind 2017, waarna hij overgebracht werd naar Port Moresby. In december 2019 werd hem een visum verleend om naar Nieuw Zeeland te gaan.
Is het ironisch of kunnen we het zien als een overwinning voor de auteur, dat hij verschillende belangrijke Australische prijzen heeft gekregen met het boek dat een aanklacht is tegen het onmenselijke vreemdelingenbeleid van datzelfde land?

Titel: Alleen de bergen zijn mijn vrienden. Verslag vanuit de Manus-gevangenis
Auteur: Behrouz Boochani
Vertaling: Irwan Droog
Pagina's: 384
ISBN: 9789491921698
Uitgeverij Jurgen Maas
Verschenen: november 2019

maandag 27 januari 2020

Primo Levi – Is dit een mens

Groepsbespreking Marjolein V. Gigi, Roosje en Tea
Uitgeverij J.M. Meulenhofff






Waarom moet dit bijzondere boek gelezen worden? Marjolein, Gigi en Roosje en ik proberen een antwoord te vinden. Lees onze bevindingen in dit artikel.


Marjolein Er zijn boeken die je niet vergeet omdat ze zo mooi geschreven en bedacht zijn, er is ook de categorie waargebeurde boeken die je niet vergeet, omdat de werkelijkheid niet te bevatten is. Als zo’n boek ook nog eens mooi geschreven is, is het helemaal bijzonder. Zo’n boek is Is dit een mens van Primo Levi.

Primo Levi was een Italiaanse jood die bij een partizaanse verzetsbeweging was gegaan. Een infiltrant verraadde dit groepje en ze werden opgepakt. Het leek Primo veiliger om te zeggen dat hij een Italiaan van joodse afkomst was dan dat hij partizaan was. De Italiaanse fascisten leverden hem vervolgens uit aan de Duitsers, die hem met 650 andere Italiaanse joden op een transport naar Auschwitz zetten. Primo heeft Auschwitz overleefd en daar in 1946 (eerste editie) dit boek overgeschreven.

Primo begint het voorwoord met een verontschuldiging:

 'Tot mijn geluk ben ik pas in 1944 naar Auschwitz gedeporteerd…'. 

Over overlevingsschuld gesproken! Van het hele transport hebben uiteindelijk maar 5 mensen de tweede wereldoorlog overleefd, dus die geluksfactor viel wel mee.

Primo heeft niet in het vernietigingskamp gezeten, maar er vlak naast in het kamp Buna-Monowitz, waar hij ter werk werd gesteld. In dit boek beschrijft hij het sociale leven in het kamp of Lager, de onverklaarbare keuzes die gemaakt werden en die konden bepalen of je dood ging of bleef leven. Het geeft een goed beeld van de overlevingsstrijd en hoe mensen daar verschillend op reageren. Bijvoorbeeld over Null Achtzehn:

‘Hij heeft geen andere naam dan deze. Nul achttien, de laatste drie cijfers van zijn inschrijvingsnummer: alsof iedereen begrepen had dat alleen een mens een naam verdient en dat Null Achtzehn geen mens meer is. Ik geloof dat hij zijn naam zelf ook vergeten is: in ieder geval gedraagt hij zichzelf zo.’

Zijn opmerkingsgave en de intentie om het leven in het Lager zo goed mogelijk te beschrijven maakt het voor mij zo’n mooi boek. Hij probeert vooral feiten en situaties te beschrijven, waardoor het boek makkelijker te lezen is dan je verwacht bij dit onderwerp. Het boek is ook geschreven als waarschuwing voor hoe de mensheid kan zijn en hoe gevaarlijk naar zijn mening

 'de weg is die bij nationalistisch fanatisme en de weigering om redelijk te denken begint'

Als je dit boek hebt of gaat gelezen, raad ik je wel aan om ook Het respijt te lezen, want het was na de bevrijding zeker niet zo maar een eenvoudige weg naar huis voor de overlevenden, in Het respijt vertelt Primo over zijn terugreis. 
Is dit een mens krijgt van mij 5 sterren.


Roosje Een uiterst menselijk boek: getuigenis en morele verwerking

Niet graag lees ik boeken over WOII en zie ik films daarover en al helemaal niet over de vernietigingskampen. Maar dit boek van Levi, een der eersten die over Auschwitz schreef, stond al jaren op mijn leeslijst. Soms moeten dingen gewoon. Dit was zo’n ding. Ik heb er geen woorden voor hoe me dit boek heeft aangegrepen. Dus dat wordt dan een klein verslagje.

Over zijn bedoeling met zijn boek is Levi kort: getuigen van de meest vreselijke misdaden tegen de menselijkheid (mijn woorden, rdv), en om aan de anderen te vertellen hoe het geweest is, om ook aan de slachtoffers recht te doen: zij worden herdacht, dus zij zijn nog niet echt dood.

Dit willen getuigen is wat je hoort bij veel slachtoffers van de kampen. Het willen delen, het moeten delen, het laten zien dat de slachtoffers en de doden niet klein zijn gekregen.

Maar bij voortduring vraagt Levi zich af: is dit nog een mens? Die mens die als een Muzelman (zo noemen de gevangenen zich) voortsleept? Is dit een mens die het brood van een ander steelt om zelf te overleven? Is dit een mens die zijn medemens martelt en vermoordt? Is dit een mens die zonder te morren, zonder in beweging te komen ziet dat een medemens aan de galg gehangen wordt? Is dit een mens die van een ander steelt? Is dit een mens die zo ziek is dat hij bijna niet meer weet dat hij een mens is? Is dit een mens die zijn bed deelt met een lijk? Is dit een mens die overleeft en de anderen niet?

En dat laatste is net zo indringend. Alle overlevenden voelden zich schuldig dat zij het overleefden en de anderen niet. Bovendien, denk ik nu, hebben de overlevenden ‘levenslang’ gekregen. Een levenslang trauma, dat velen evenmin hebben kunnen overleven. Vele overlevenden van de kampen pleegden in hun latere leven alsnog zelfmoord. Primo Levi waarschijnlijk ook.

Eerlijk gezegd heb ik in de loop van mijn leven vaak overdacht hoe ik me zou gedragen als ik in zo’n vernietigingskamp zou zitten. Ik denk niet dat ik een held zou zijn. Maar niemand weet van te voren hoe hij zich zal gedragen. Levi zelf was een naïeve en een beetje stuntelige gast toen hij in het kamp aankwam. Hij heeft ook veel mazzel gehad.

Ik denk dat je als mens ook gewoon beantwoordt aan de wetten van de natuur. Hoop is de menselijke vertaling voor een natuurlijke overlevingsdrang (dat zeg ik, en Levi zegt het op een wat andere wijze). Ieder levend wezen heeft als diepste drang die van de overleving, of je nu wil of niet. Het is niet een morele keuze, het zit in je, het gaat van jezelf. Maar iets anders is dat je je naderhand dingen gaat afvragen, of je het goede gedaan hebt, of je niet verschrikkelijk in gebreke bent gebleven, of je je niet als een ongelooflijke schoft hebt gedragen. Dat zijn de vragen die Levi zich stelt. En ik vrees dat bijna iedere overlevende van zichzelf vindt dat hij meer een schoft was dan een mens, ook al kon hij niet anders en ook al was hij zijn menselijkheid niet totaal kwijt. Maar dat laatste komt voor mijn rekening.

De Hel van Dante uit De goddelijke komedie is Levi’s metafoor voor het leven in Auschwitz. De verbeelding van zijn eigen ellende en de sublimatie van die ellende. De prachtige taal, de prachtige beelden, en die te kunnen delen met sommige anderen. Hoe diep kan een mens zinken en is er nog hoop? Voor Dante zelf wel, voor de mensen die hij in de Hel aantreft niet. Maar Levi weet bij voorbaat niet of hij zich in de hel bevindt of in het Purgatorium. Kunst en literatuur kunnen in de meest verschrikkelijke situatie een soort van troost bieden, omdat ze mensen verbindt, omdat ze nog altijd de prachtige dingen van het leven kunnen laten zien. In de hel is de hemel nog steeds aanwezig, in ieder geval in Dantes ogen.
Waardering is hors concours, daarom 5 sterren.


Gigi Is dit een mens of een beest?

Dit boek zag ik op enkele top 25 lijsten van Hebbannisten staan en dat maakte me nieuwsgierig. Een van deze lezers schreef, na mijn vraag hierover, dat dit boek zoveel indruk gemaakt had. Enkele maanden geleden noemde mijn vader dit boek ook en hij zei dat ik dit boek absoluut moest lezen. Enkele weken later stond het op de lijst van Tea en was zij op zoek naar meelezers. Ik hoefde niet lang te denken.

De titel intrigeerde me (de titel liet me ook denken aan een boek met een vergelijkbare titel maar heel andere strekking) en ik was heel nieuwsgierig naar de interpretatie hiervan in dit boek. Waarom koos Primo Levi voor deze titel? Ik vermoedde dat deze op verschillende manieren uitgelegd zou kunnen worden. Uiteindelijk was ik verrast doordat het nog meer betekenissen had dan ik verwachtte. Hoe blijf je mens in een mensonterende situatie? Welke mensen durven je in die situatie te brengen? Zijn het wel mensen die dit op hun geweten hebben? Is het geoorloofd om onmenselijk te zijn als iemand je onmenselijk behandeld? Kun je weer menselijk worden als al het menselijke uit je ziel gesloopt is? Is er een mens die dit niet meemaakte maar dit toch kan begrijpen? Al deze vragen, en nog meer, riep deze roman bij me op waardoor ik dit boek de prijs voor beste titel zou willen geven.

In het voorwoord geeft Primo Levi aan dat hij weinig aandacht besteedde aan de structuur van de roman. In de eerste hoofdstukken hinderde ‘het gebrek’ aan structuur mij kortdurend. Langzaam aan werd mij helder dat juist deze opbouw het onderwerp perfect weergaf, dat dit het verhaal versterkte en het vertelde, juist door deze vorm, mij door merg en been ging. Waar ik in de eerste pagina’s nog twijfelde of ik net zo gegrepen zou worden als de lezers die mij dit boek adviseerden wist ik na zo’n dertig bladzijden het boek niet meer weg te leggen ondanks de voortdurende kramp in mijn maag die deze roman bij mij teweegbracht.

Ondanks de intensiteit van het verhaal vond ik toch bijzondere motieven in het boek die extra samenhang gaven aan een bizar, naargeestig maar werkelijk gebeurd verhaal. Als je het nog niet las en je gaat het ooit lezen (zeker doen) dan ga je de verwijzingen naar De Goddelijke Komedie van Dante zeker niet missen. Hoe ironisch voor mij, bleek vooral het stuk Ulysses uit De goddelijke Komedie van belang.

Schoenen, hoe banaal dit ook mogen klinken, vormen een ander motief. Ik heb geleerd hoe mensonterend en ook onmenselijk het is om iemands schoenen af te pakken. Men roept wel eens: kleren maken de man. Ik weet, sinds het lezen van deze roman, dat schoenen de mens maken.
Dit boek krijgt niet alleen vijf sterren maar het maakt ook grote kans om in mijn top 25 te verschijnen.


Tea Dit boek wilde ik graag lezen omdat het moest. Het moeten is geen slaafs opvolgen van een order, de urgentie was me meer dan duidelijk. In zijn voorwoord verontschuldigt Primo Levi zich voor de gebrekkige structuur van zijn boek, bij het herlezen van dit voorwoord zou ik niemand kunnen aanwijzen die na het lezen van deze getuigenis kritiek op het ‘fragmentarische’ karakter van het boek. Integendeel, er rest maar één kwalificatie: stil zijn en een diepe buiging maken voor deze auteur.

Ik ga geen samenvatting geven van het boek, maar doe een oproep aan iedereen die dit boek nog niet las: Ga het lezen! Lees zelf hoe het is om niet meer als mens behandeld te worden, hoe het is om te overleven onder de meest erbarmelijke omstandigheden. Lees hoe er in het Lager parallelle economieën ontstaan die het verschil tussen leven en dood betekenen. Lees hoe Primo Levi zich staande weet te houden door zich vast te klampen aan De goddelijke komedie van Dante. Niet dat hij zich de teksten letterlijk herinnert, maar het ronddolen als schim tussen een levende en een dode is te vergelijken met Dantes hellevaart. Dante houdt hem op de been.

‘Wie daar het slachtoffer van wordt, moet lopen of hij een steen aan zijn voet voortsleept (en vandaar de eigenaardige gang van het schimmenleger dat elke avond in marsorde het kamp binnentrekt)’

Kennis is macht, ook die uitdrukking klopt met Primo’s situatie, als chemicus krijgt hij de gelegenheid in een laboratorium te werken, dit betekent een schone omgeving en minder uitputting. Vorig jaar las ik De laatste getuige, het verhaal van Wim Alosery opgetekend door Frank Krake, er waren meerdere overeenkomsten. Hoe meer kennis en diplomatie, hoe beter je overlevingskansen.
Ik geef dit boek 5 sterren, hij komt bij m’n favorieten, op m’n top 25 en ik wil graag meer lezen van deze auteur.

Een daverend eindoordeel: unaniem 5 sterren voor dit onbeschrijfelijke boek! Een onvoorstelbaar verslag over ontberingen en existentiële vragen over het mens-zijn. Een diepe buiging voor de auteur.






De auteur

Primo Levi (Turijn, 31 juli 1919 – aldaar, 11 april 1987) was een Joods-Italiaans schrijver van korte verhalen, romans en gedichten. Hij was ook scheikundige en een van de overlevenden van Auschwitz.

Titel: Is dit een menselijk
Auteur: Primo Levi
Uitgever: J.M. Meulenhofff
ISBN: 9789029086110
Vertaling: Frida de Matteis-Vogels
Pag.: 216
Genre: Literaire non-fictie
Verschenen: deze editie 2010, eerste editie 1946

vrijdag 24 januari 2020

Hans Boland - Hij kan me de bout hachelen met zijn vorstendommetje, over Anna Karenina en de kunst van het vertalen

Recensie door Truusje
Uitgeverij Pegasus



Een kijkje in de keuken van de vertaler

Na het voltooien van zijn nieuwste vertaling van de roman Anna Karenina van Lev Tolstoi (1828-1910) heeft Hans Boland (1951) zich toegelegd op het schrijven van het informatieve boekje; Hij kan me de bout hachelen met zijn vorstendommetje, waarin hij uitleg geeft hoe hij te werk gaat en over de keuzes die hij heeft gemaakt in deze vertaling en in het algemeen over het vertalen van Russische literatuur, zijn grote passie.

Dat taal überhaupt zijn passie is blijkt uit het feit dat hij aftrapt met de wens dat er in het middelbaar onderwijs weer aandacht besteed zou moeten worden aan het vertalen van teksten. Hierdoor zou er meer taalgevoel, -beheersing en -bewustzijn gecreëerd worden en slordig taalgebruik tegengegaan.
Taal is natuurlijk een dynamisch iets en het zal altijd blijven veranderen, maar de verarming van de Nederlandse taal, die tegenwoordig zo vaak te vinden is op bijvoorbeeld de sociale media, is mij in ieder geval een gruwel, dus onderschrijf ik dit volmondig.

Boland is een groot voorstander van een vrije vertaling die zijns inziens de context meestal meer recht doet dan letterlijk vertalen, waarbij bijvoorbeeld woordgrappen en gezegden hun kracht zullen verliezen, omdat deze niet letterlijk cq woordelijk gebruikt worden in de Nederlandse taal. Het is hierbij evenwel belangrijk dat de context en authenticiteit van het verhaal behouden blijft.

'Want literair vertalen is een kunst en vrijheid is de grondslag van het artistieke genie.'

De klassieker Anna Karenina verscheen in 1877. Het wordt gezien als een van de allergrootste literaire werken en is tot op heden een roman die wereldwijd nog steeds graag gelezen wordt. Over de vraag wat nou precies het grote geheim is van de aantrekkingskracht van dit werk, heeft menigeen zijn hoofd gebroken en een antwoord is niet gemakkelijk, zelfs onmogelijk te geven. Toch zijn er vele kritieken verschenen en evenzoveel meningen.

'Voor mij persoonlijk is het grootste raadsel van Anna Karenina - en van alle  andere schitterende verhalen van Tolstoi, Oorlog en vrede niet uitgezonderd - dat een bijna gênante ideeënarmoede de basis kan zijn voor een fabelachtig literair monument.'

Wat dit boekje uitermate pakkend maakt is dat Boland de lezer meeneemt in het verhaal van Karenina en uitgebreid aandacht besteedt aan Tolstoi en zijn werk. Hij geeft een helder inzicht in de synopsis, opbouw van het boek, thematiek, motieven, personages en dergelijke. Tevens geeft de auteur per hoofdstuk aan waar hij mee heeft geworsteld tijdens de vertaling, welke keuzes hij heeft gemaakt en waarom. Enige kennis van literaire terminologie is handig, maar verduidelijking is natuurlijk ook te vinden op Google.

Het is op twee manieren te gebruiken: als voorbereiding op het lezen van Anna Karenina - let wel; dan zijn er wel spoilers te lezen - of naderhand om meer verdieping te vinden in datgene wat je hebt gelezen.

Als epiloog is een gedicht opgenomen van Anna Achmatova, wiens werk Boland - die in 2015 de Martinus Nijhoff Vertaalprijs uitgereikt heeft gekregen - ook heeft vertaald.

In een prettig leesbare stijl maakt Boland Anna Karenina nog mooier, begrijpelijker en geeft het de lezer de kans om veel dieper te duiken in dit Russische meesterwerk en het wel en wee van Anna en Vronski. Een schitterende aanvulling!

Titel: Hij kan me de bout hachelen met zijn vorstendommetje, over Anna Karenina en de kunst van het vertalen
Auteur: Hans Boland
Pagina's: 128
ISBN: 9789061434306
Uitgeverij Pegasus
Verschenen: januari 2017

donderdag 23 januari 2020

László Krasznahorkai – De melancholie van het verzet

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Wereldbibliotheek




De duisternis van een maatschappij in verval


Eerder las ik van deze auteur Satanstango, een ietwat bevreemdende roman over een gemeenschap in verval door het sluiten van een fabriek, de enige werkgever. De personages reageren verschillend op deze nieuwe situatie, sommigen worden lethargisch, anderen houden zich bezig met achterklap en achterdocht en weer anderen laten zich verleiden tot laag gedrag. Tot het moment er een verlosser opduikt en hen met mooie praatjes verlokt hem te volgen.
De melancholie van het verzet is vele malen donkerder en dreigender. Ook de stijl is anders. Maar er is ook een overeenkomst, behalve het verval is er een macht die verandering wil.

Het boek bestaat uit drie delen, onderverdeeld in hoofdstukken, er is veel doorlopende tekst en de zinnen zijn lang.Dat leest beslist niet makkelijk, ik moest herhaaldelijk terug naar het begin van de zin vanwege de talloze bijzinnen en stukjes tekst tussen haakjes. Ook de eindeloze passages met stream of consciousness maken het vlot lezen onmogelijk. Langzaam lezen dus en je mee laten voeren door de gedachten en situaties in het bizarre decor van een stad waarin niets meer is wat het lijkt en de dreiging gevoed wordt door voortekenen zoals op de eerste pagina direct al duidelijk wordt. De treinen rijden niet meer volgens de dienstregeling:

‘Dit verraste niemand meer, want de gevolgen van de heersende toestand waren uiteraard evenzeer merkbaar in het treinverkeer als op alle andere gebieden: de gebruikelijke orde was uiteengevallen, de vaste gewoonten waren weggevaagd door een onbedwingbaar uitdijende chaos, de toekomst was verraderlijk geworden, het verleden was niet meer in de herinnering terug te halen en het dagelijks functioneren der dingen was onberekenbaar, en uiteindelijk kwam de berusting, waarin het niet onvoorstelbaar was dat er geen deur meer openging en dat het graan neerwaarts de grond in groeide – van het ontwrichtende kwaad waren namelijk slechts de symptomen te zien, terwijl de oorzaak onbevatteIijk en ondoorgrondelijk bleef, zodat men niets anders kon doen dan zich te storten op alles wat nog grijpbaar was:’

In deze passage wordt de huidige toestand treffend weergegeven en deze desolate situatie is slechts het begin, de rest moet nog komen.

Het dystopische begin wordt geweldig verwoord, keer op keer komt men er achter dat de stad de ondergang tegemoet gaat. Behalve de dienstregeling van de treinen is de vorst veel vroeger dan normaal ingevallen, een populier legt het loodje, de straatverlichting begeeft het zodat de stad spookachtig wordt en mensen gedragen zich anders op straat. Bovendien wordt er een enorme wagen de stad binnengereden met daarin het karkas van een walvis, het is onderdeel van een circus en trekt allerlei volk aan van buiten de stad dat zich afwachtend opstelt in de buurt van de walvis. Het meegekomen gespuis zorgt voor angst bij de bewoners, praatjes over sinistere bedoelingen en bijgeloof voeden de angst voor een catastrofe. Parallel aan het walvisverhaal loopt de ontwikkeling van een aantal personages die door her verval nieuwe energie krijgen of juist niet.

Mw Eszther en mw Pflaum zijn elkaars tegenpolen, terwijl mw Pflaum, haar hele huis volgestouwd heeft met prullaria is het huis van mw Eszther de soberheid zelve, evenals zijzelf. Als een dragonder gaat ze door het leven en de angstaanjagende naderende catastrofe komt voor haar als geroepen, ze zal eens orde op zaken stellen door de bezem door de stad te halen. Als voorzitster van het Vrouwencomité heeft ze bevoegdheden die ze zal inzetten niet alleen voor algemeen belang, haar eigenbelang speelt ook mee.
Haar man is musicus en wenste geen gebruik meer te maken van ‘haar diensten als echtgenote’ omdat hij alleen voor de muziek wilde leven.

Varuska, de postbode, is de zoon van mw Pflaum, een arme drommel waarmee zijn moeder niets te maken wil hebben. Deze Varuska is behalve postbode ook brenger van vertier in het drankgelag alwaar hij een show opvoert over het zonnestelsel waarbij zijn makkers model staan voor de planeten en hij wordt ook ingezet als boodschapper tussen Eszter en zijn vrouw. Net zoals Hermes vervult hij zijn taken en geeft er zijn eigen invulling aan getuige zijn geweldig mooi uitgesponnen gedachtenstromen.

De personages veranderen van rol naarmate de omstandigheden wijzigen, ze transformeren mee met de bizarre situatie waarin hun stad zich bevindt. Door die verandering verschuiven ook hun onderlinge relaties. Na het lezen blijft het boek doorspelen in het hoofd en keren de beschreven duistere straatbeelden met hun opgestapeld vuil en de samenscholende mannen als figuranten rondom de circusattractie. De pogingen van Varuska om het zonnestelsel te verklaren mislukken keer op keer, deze sessies lopen elke keer chaotisch af, net zoals de verklaring van de orde in de stad, ondanks verwoede pogingen van (zelfbenoemde) gezagsdragers

Tijdens het lezen van deze roman kon ik me mee laten voeren in de desolate, dystopische setting van Laszlo Krasznahorkai, maar hopelijk blijft het me bespaard ooit in zo’n stad te wonen waarbij chaos en duisternis overheersen. Misschien niet direct een roman voor iedereen, maar wel voor wie houdt van dit dystopische proza met een maatschappij kritische ondertoon in een gedurfde schrijfstijl die dan wel weer naadloos aansluit bij het thema, zonder orde.


De auteur

László Krasznahorkai, (Gyula, 5 januari 1954) is een Hongaars schrijver en scenarist. Zijn werk wordt beschouwd als postmodern en hij snijdt vaak dystopische en melancholische thema's aan. In 2015 werd hem de prestigieuze Man Booker International Prize toegekend. (bron)

Titel: Melancholie van het verzet
Auteur: László Krasznahorkai
Vertaling: Mari Alföldy
Uitgeverij Wereldbibliotheek
ISBN: 9789028426702
Pag.: 416
Genre: fictie
Verschenen: 2016

dinsdag 21 januari 2020

Jon Fosse - De andere naam. Septologie I-II

Recensie door Roosje
Uitgeverij Oevers



De schilder en het meisje*

Mogelijk *spoilers*. Ik ben er voorzichtig mee en ook met het melden ervan. Wil je niets van de roman weten, lees dan eerst zelf. Dit is wel een boek dat je zelf moet ervaren, vind ik. Nu ik gewaarschuwd heb voel ik mezelf iets vrijer in het bespreken van de roman.

Driehonderdzestig pagina’s zinnen zonder punt, dus technisch gezien één lange zin. De tekst gaat alsmaar door, en door, en door. 

In het hoofd van schilder Asle is het nooit stil. Hij denkt, overdenkt, krijgt associaties, flash backs, hij droomt, hij hallucineert, hij piekert, hij verwart dingen met elkaar, hij onthoudt verkeerd, hij verwisselt, hij verdringt gedachtes en beelden. Maar de Noorse auteur Jon Fosse maakt het ons ‘gemakkelijker’ door de tekst op te delen in twee delen, die beide precies gelijk beginnen.:

Ik zie mezelf kijken naar twee strepen die elkaar in het midden kruisen, bruine en lila (parafrase rdv)

Het is logisch dat de tekst geen punten kent; er is immers geen rustpunt, geen enkele pauze in het leven, in het denken van Asle. Eén lange stream of consciousness. Zijn leven is zo overvol dat hij een alter ego heeft in Bjørgvin, waar ook zijn galeriehouder woont en hij zelf een atelier heeft. Hij woont buiten in Dygla, in een oud huis dat hij ooit kocht met zijn vrouw en waaraan weinig gemoderniseerd is.

Grosso modo gaat dit verhaal over schilderen, het proces, de achtergrond, en met name één schilderij, dat door buurman Åsleik het ‘Andreaskruis’ ** wordt genoemd. Bepaalde keuren en vooral het licht, het licht dat aanwezig is in het donker, en de schaduwen nemen een centrale plaats in. 
Ik ben zelf echt overdonderd door het beschrijven van het schilderen en de overdenkingen daarbij. Zeer bescheiden schilder en teken ik ook. Het ontstaansproces van een werk is uitermate vreemd, niet-rationeel, gestoeld op onnoembare gevoelens en wijduitwaaiende associaties. Er is sprake van gevoelens die niet te beschrijven zijn omdat ze diep weggedoken zitten in een diepe put in de mens op een niveau waar je eigenlijk niet bij kunt. Onbewust heet dat dan prozaïsch.

‘[...] want een schilderij zegt iets en zegt tegelijkertijd niets, het spreekt zwijgend, ja, waarschijnlijk laat het in de eerste plaats zien wat niet kan worden gezegd, zegt hij en ik denk mee, nu moet ik zien dat ik thuiskom [...]' (2019: 45)

Het leven is een aaneenschakeling van zeer profane en goddelijke momenten. Nooit is er rust, het is een ongoing process, nooit krijgt het moede hoofd rust. Asle is alsmaar onderweg en als hij dat fysiek niet is, gebeurt het reizen in zijn hoofd. Waarschijnlijk is er slechts in de dood rust. Is het vreemd dat de paradox in deze roman een veelgebruikt stijlfiguur is?

‘[...] want wat ik schilderde waren de schaduwen, het donkere in al dat licht, het eigenlijke licht, het onzichtbare licht, maar zag iemand dat? (ib.: 74)

‘[…] hoe donkerder het is des te duidelijker is dat wat onzichtbaar oplicht in een schilderij en het kan vanuit zoveel verschillende kleuren oplichten, maar vooral vanuit de donkere, ja, het meest vanuit het zwart [...]' (ib.: 346)

‘[...] het onzichtbare in het zichtbare! […] in dat wat sterft is dat wat niet sterft onzichtbaar aanwezig, en in dat wat verrot dat wat niet verrot onzichtbaar aanwezig is, ja, de wereld is zowel goed als slecht.’ (ib.: 347)

Voor Asle heeft schilderen te maken met God, met het ontdekken van God in het aardse maar ook met het bestaan van God in de mens. Zijn vrouw Ales, die jong overleden is, schilderde iconen; een icoon is een drager van Goddelijke energie***. Asle bidt regelmatig de rozenkrans - hij is overgegaan op het katholieke geloof, wat in Noorwegen uitzonderlijk is - en zegt zijn gebeden op in het Latijn, dat een bezwerende werking heeft… '[...] en terwijl ik langzaam uitadem Ontferm u en terwijl ik diep inadem Over mij!' (ib.: 357)

Schilder Asle woont in Dygla; zijn buurman Åsleik is degene met wie hij het meeste contact heeft. Åsleik, een visser die alles per boot doet omdat hij geen rijbewijs heeft, doet klussen voor hem. In ruil koopt Asle boodschappen voor hem en mag Åsleik ieder jaar een schilderij uitzoeken voor zijn zus, Guro - ook Guro blijkt een dubbelganger te hebben die in Bjørgvin woont -, die een eind verderop aan het Sygnefjord woont. Als ik het goed goed heb speelt het verhaal zich af in de buurt van Hardanger en Bergen. Ieder jaar probeert Åsleik de schilder mee te nemen naar zijn zus om samen Kerstmis te vieren. Dit jaar wil Åsleik een groter schilderij uitzoeken. Åsleiks zuster heeft ongetwijfeld de grootste verzameling kleine schilderijen van Asle. Heel misschien gaat Asle dit jaar wel mee naar Guro.

De tijdspannen is ongeveer 24 uur, misschien iets langer, een tijd waarop Asle voortdurend onderweg lijkt te zijn, fysiek en in zijn geest. Hij rijdt weer terug van huis naar Bjørgvin na een lange dag, de dag waarop zijn laatste schilderij vorm heeft gekregen: een diagonale bruine streep en een idem streep lila. Eenvoudig; er lijkt geen schaduw en lichtval te zijn in een dergelijk abstract schilderij, dat gaandeweg toch iets van een icoon krijgt. De kleur bruin is vol van betekenis in zijn leven: de Boot van zijn vader is bruin, vanwaaruit hun buurjongen verdrinkt; bruine kaas - Noorse kaas -; de bruine tas van Moeder, de bruine zak krentenbollen die de Bakkersvrouw meegeeft, de chocolademelk die Moeder schenkt in het veilige huis, zijn eigen bruine schoudertas. Maar ook is er zwart: zijn lange jas is zwart, zijn fluwelen jasje is zwart, het elastiekje waarmee hij zijn lange grijze haar vastbindt is zwart, schaduwen zijn zwart. Het blauwe huis van de enge kale en dikke man; blauw is ook het vuil geworden jurkje van zijn zus Alida - ongetwijfeld symbolisch voor het verlies van Asles onschuld -;  het geel van de sinas bij de enge man, het gele huis; het wit van de sneeuw die onophoudelijk valt en waarin hij zichzelf en Asles als jonge geliefden sneeuwengelen ziet maken. Waar het lila vandaan komt blijft een raadsel. Wellicht hangt het aan tegen het paars van de rouw?

Asle rijdt weer terug omdat hij gevoelens van onrust en zorgen heeft met betrekking tot zijn alter ego. Die drinkt te veel en misschien heeft hij hulp nodig; hij heeft ongetwijfeld hulp nodig, hij moet zijn eigen vermoeidheid negeren. Direct vanaf het begin voel je dat er iets raars is tussen die twee Asle’sen. Ze lijken steeds meer overeen te komen, over elkaar heen te schuiven. Maar ze verschillen ook; de een drinkt , de ander niet meer. Beiden kunnen ze geen rust vinden. Fosse verduidelijkt de verhouding tussen de twee Asle’sen niet en dat is mooi. Asle hallucineert de hele tijd, net als het delirium waarin zijn alter ego zich bevindt en waardoor hij naar het Ziekenhuis moet (Fosses hoofdlettergebruik is aandoenlijk en symbolisch): hij ziet zichzelf en zijn vrouw als jonge mensen, zichzelf en zijn zusje in hun jeugd.

Het gedoe en gefriemel in Asle’s hoofd is ongelooflijk meeslepend; er is voortdurend dreiging, er is voortdurend onrust, er zijn beelden die niet toegelaten mogen worden, met name die over vrouwen en de liefde en de seks, met name over zijn eigen jong gestorven vrouw. Beelden die alsmaar weggeduwd worden omdat ze te pijnlijk zijn en waarschijnlijk in gesublimeerde vorm aanwezig zijn in zijn schilderijen. Het doet er ook niet zo heel veel toe wat het allemaal precies is. Asle probeert de schimmen uit zijn verleden te bezweren met schilderen en gebed.

Wellicht vindt hij slecht in de dood rust. Hij verlangt daarnaar en vreest hem.

Haast onnodig te zeggen dat de vele elementen zich herhalen, en herhalen en herhalen en dat melancholie het hoofdgevoel is. Misschien is Asle een gemankeerde Orfeus, die zijn lief niet eens durft te gaan zoeken in de Onderwereld en zich daarom richt tot de Hoge, of misschien is zijn leven na de dood van Asle wel een voortdurende blinde en eindeloze zoektocht in het Dodenrijk naar zijn lief. Hij vermoedt zelf dat hij haar terug zal zien na zijn dood. Dit is misschien ook een reden om zich zo aan de katholieke God te binden. Het katholicisme kent een after life. De protestanten kennen die natuurlijk ook, maar daar zit het allemaal wat anders in elkaar. Daar kun je zelf geen invloed uitoefenen op je uitverkiezing.

Het verveelt absoluut niet, wat best wel een beetje vreemd is. Het enige is dat waar ik spanning en misschien een oplossing verwacht, mijn lezen ongeduriger werd en sneller. Daarom heb ik eigenlijk een hekel aan spannende boeken. Dan wil ik veel sneller lezen dan ik kan.

Een roman die tamelijk uniek is, denk ik. Misschien een beetje een navolger van Proust, met alle respect, geen na-aper, volstrekt niet. Maar waar Op zoek naar de verloren tijd van Proust een schrijver oplevert, biedt De andere naam een schilder.

* Allusie op Margiet de Moors roman uit 2010 met dezelfde titel. Zeer aanbevolen!

** Het andreaskruis dankt zijn naam aan de apostel Andreas, die aan een dergelijk kruis zou zijn gekruisigd.
In de Germaanse symboliek verzinnebeeldde het schuinkruis (vgl. Gebo-rune) een goddelijke kracht. Deze tekens werden door mensen gebruikt als bescherming tegen het kwade, boze geesten, demonen en onheil. Dit teken tref je vaak aan op muurankers, als bescherming tegen blikseminslag. Tegen de woede van Donar, de West Germaanse god van de donder, ook genaamd Thor. Een duidelijke echo van de oorspronkelijke betekenis ‘bezwering van gevaar’ is nog steeds terug te vinden als gevaarsymbool voor irriterende stoffen en in het diverse verkeersborden. Zoals in 'pas op, spoorwegovergang', het matrixbord boven de autoweg met een rood kruis, en het vingers kruisen achter op de rug als kinderen een leugentje vertellen.

*** Wikipedia: Theodorus de Studiet († 826) heeft over de legitimiteit van iconenverering gezegd: “De icoon vertegenwoordigt het prototype [...] De eer die men aan de icoon bewijst, gaat terug op het oerbeeld [...]. Voor christenen was en is, tot op de dag van vandaag, het beeld een mysterium en zij beschouwen het als een drager van Goddelijke energie en genade.”

Auteur

Jon Fosse (Haugesund, 29 september 1959) is een Noorse schrijver. Hij groeide op in Strandebarm in Kvam in de provincie Hordaland. Hij schrijft hoofdzakelijk in Nynorsk.

Aanvankelijk publiceert Jon Fosse alleen poëziebundels en romans. De laatste jaren schrijft hij overwegend voor toneel. Zijn toneelstukken worden over de hele wereld gespeeld. In het jaar 2000 zijn drie van zijn stukken bij de belangrijke Duitstalige gezelschappen geënsceneerd: bij de Salzburger Festspiele, bij de Berliner Schaubühne en aan het Deutsches Theater Berlin, bij het Thalia Theater in Hamburg en bij het Schauspielhaus in Zürich. De naam, De nacht zingt haar lied, Het kind. De Münchner Kammerspiele bracht in 2002 Droom in de herfst uit.

De schrijversgeneratie waartoe Jon Fosse behoort, introduceert in de jaren tachtig in Noorwegen het postmodernisme. Deze literaire stroming stelt zich bewust tegengesteld op ten opzichte van de sociaalkritische bewegingen van de jaren zeventig. Bij Fosse leidt dat niet in de richting van de intertekstualiteit, maar eerder in een hang naar het religieuze. Ook lijken zijn teksten steeds als het ware in het decor van zijn geboortestreek het Vestlandet in het westen van het land te staan. Zijn werk wordt vaak 'duister' genoemd. Zijn poëzie heeft overeenkomsten met het werk van Georg Trakl.

In 2000 heeft hij Nestroyprijs, een prijs voor theater in Wenen, ontvangen voor De naam. In 2015 won hij Literatuurprijs van de Noordse Raad voor Andvake-trilogien.

Titel: De andere naam. Septologie I-II
Auteur: Jon Fosse
Vertaling: Marianne Molenaar
Pagina's: 360
ISBN: 9789492068316
Uitgeverij Oevers
Verschenen: september 2019