zaterdag 22 februari 2020

Simone Grimberg - Onkruid

Recensie door Mireille
Uitgeverij Lima Books



Geduld wordt beloond

Dit boek is voor mij een verrassing: zonder de tip van een andere lezer had ik dit boek niet gekend. Op mijn beurt geef ik Onkruid graag door als aanrader!

Een jeugdtbs’er ontsnapt uit een survivalkamp en raakt vermist, terwijl hij zijn straf bijna uitgezeten had. Het rechercheduo Liesbeth Ligthart en Inge de Wit stort zich op de zaak om de jonge zedendeliquent zo snel mogelijk terug te vinden. Dan blijkt Liesbeths man gearresteerd, omdat hij als tbs-begeleider mogelijk met de ontsnapping te maken heeft.

Direct in het begin is duidelijk dat Onkruid geen rechttoe-rechtaan spannend boek is. Grimberg vertelt het verhaal door middel van verschillende personages die in hun gedachten regelmatig teruggaan naar cruciale momenten in het verleden. Zo worden vele lijntjes uitgezet en komen meerdere bepalende zaken, als familierelaties in Barneveld, een schimmig Duits psychiatrisch instituut en een nieuwe identiteit naar boven.

Mij beviel het wel, als lezer in een zaak gestort te worden zonder veel uitleg. Je wordt getriggerd verder te lezen en uitgedaagd mee te denken; van de lezer wordt een actieve houding verwacht!

Naast dit denkwerk verwerkte Grimberg ook veel gevoel in het verhaal. Rechercheur Inge heeft namelijk een soort helderziendengevoel, wat haar in een eerder verhaal ook van pas kwam. (Onkruid is het vervolg op Niemand die me ziet, en er wordt soms aan gerefereerd, maar het stoort niet.) Op sommige momenten leek de rationelere Liesbeth wel erg veel beïnvloed door Inge, maar toch ontstaat er een balans tussen de collega’s.

Deze psychologische roman met thrillertrekken zit goed in elkaar, mede door het grondige achtergrondonderzoek dat de auteur geleverd heeft, getuige meerdere juridische details en de lijst namen achterin.

Pas helemaal op het eind wordt het laatste stukje in de gigantische puzzel op zijn plaats gelegd. Wie net als de rechercheurs geduld heeft, wordt beloond.

Titel: Onkruid
Auteur: Simone Grimberg
Pagina's: 368
ISBN: 9789082695816
Uitgeverij Lima Books
Verschenen: oktober 2019

vrijdag 21 februari 2020

Peter W.J. Brouwer - Het siamees moment

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij In de Knipscheer


Voor alles wat we nastreven betalen we een prijs

Thomas; een verdienstelijk musicus, vader van drie kinderen, getrouwd met Isa.
Eva; tolk, samenwonend met Erik, een zorgzame dochter voor haar moeder, nu deze ouder wordt, maar ook de liefhebbende vriendin van de homoseksuele Silke.

2017

Wanneer Thomas een prijs in de wacht heeft gesleept voor zijn arrangementen, krijgt hij na de receptie een briefje met de tekst: 'Spreken we elkaar zaterdag?'

'Lezend, herlezend, hij heeft haar stem jaren niet gehoord. De begrafenis. Waarom zo lang gewacht? Was er een aanleiding nodig, was het overlijden van haar vriendin een voorwaarde? Een straatlantaarn licht de nieuwe woorden bij, hij verslindt ze stuk voor stuk. Een kattenbelletje, meer is niet nodig om de anderen te vergeten en compleet te zijn. Laten we elkaar zaterdag spreken, staat er. Er staat niet: Weet je zeker dat je erbij wilt zijn? Er staat: Ik weet dat je me zaterdag wilt zien. Nee, feitelijk staat er: Ik wil dat we elkaar zaterdag zien. Ja, dat is het. Ze heeft moeite gedaan hem over te halen.'

2002

Thomas heeft de liedjes van Brel opnieuw gearrangeerd en diens voormalig muzikale begeleider wordt uitgenodigd voor een interview, waarbij Eva wordt ingezet als tolk. Dat is het moment dat Thomas en Eva elkaar ontmoeten en na het interview raken ze met elkaar in gesprek. Thomas is van haar onder de indruk en zoekt na korte tijd contact. Eva houdt het in eerste instantie wat af, maar zwicht toch. Vanaf dat moment ontmoeten ze elkaar regelmatig - het voelt als vanzelfsprekend - met de afspraak dat het zuiver platonisch zal blijven. 'Geen seks, wij zijn "alleen lezen".'

'Warmte van huid. Oneindigheid van een streling, openheid en het oneindige. Een taal, dacht ze, dit is de taal om te verstaan. [...] Eva en Thomas, op zomaar een dag. Ze ondergingen elkaar, voordat ze elkaar hadden begroet.'

Wat hen in die periode bindt, is het brievenboek waarin ze hun gedachten, herinneringen, de dingen die ze meemaken beschrijven. Bij elke ontmoeting wordt dit schrift discreet aan de ander gegeven.

'Op weg naar huis voelden ze beiden de grootst mogelijke verbondenheid en de grootst mogelijke eenzaamheid.'

Wanneer Thomas Eva de vraag stelt of ze het ziet zitten om het samen licht te zien worden, aarzelt ze geen tel en reist naar Brussel, waar Thomas op dat moment voor zijn werk verblijft. In het appartement wacht ze hem op en realiseert ze zich uiteindelijk wat ze eigenlijk wil...

'Voor alles wat we nastreven, de keuzes die we maken, betalen we een prijs'.

Het boek is opgebouwd uit vier delen, voorspel en naspel. Meestal kiest een auteur voor de termen proloog en epiloog. De gekozen termen kunnen hier als hoogst suggestief worden opgevat. Het verhaal meandert door de tijd, het ene deel handelt in het heden, het andere deel is een flashback. Mede hierdoor is het verhaal gelaagd, maar de gelaagdheid uit zich ook in de perspectiefwisselingen. 

Met name in het eerste deel van het boek gooit de auteur een ruime hoeveelheid bommetjes, met steeds een klein beetje informatie. De gedoseerde opbouw houdt de nieuwsgierigheid groot.

De auteur weet heel handig gebruik te maken van het point of view. Wanneer het perspectief bij Thomas ligt, is de sfeer opvallend anders dan wanneer het perspectief bij Eva ligt. Denk hierbij aan de mannelijke en vrouwelijke eigenschappen, die duidelijk verschillend weergegeven worden. De personages zijn goed uitgewerkt en hebben een psychologische diepgang gekregen. Gevoelens van angst, vertwijfeling, verlangen worden heel invoelbaar met de tekst verweven en de onvermijdelijke verschillen tussen de hoofdpersonages worden helder beschreven. Het geeft duidelijk weer dat er sprake is van een aanzienlijk leeftijdsverschil en dat beiden uiteindelijk tóch uit een heel andere wereld komen. 

Op geheel natuurlijke wijze is de schrijfstijl aangepast aan de verschillende passages. Wanneer een ruimte of omgeving worden beschreven, zijn de zinnen korter, staccato met meerdere komma's en veel informatie. Deze passages lieten me beseffen; Natuurlijk!!!... Brouwer heeft eerder ook poëzie geschreven!!! In andere passages is de stijl meer beschrijvend, verhalend en komt wonderschoon proza om de hoek kijken, met prachtige zinsopbouw en oog voor detail.

Een passend motief is de muziek van Jacques Brel, zijn chanson Les désespérés (De radelozen). Gérard Jouannest - de Franse pianist die als vaste begeleider van Brel optrad - maakt ook acte de présence. 

Dit boek heeft me prettig verrast, zowel qua opbouw, als het intermenselijke thema. De dialogen zijn soepel en nergens geforceerd. Er valt veel te ontdekken en de schrijfstijl, die net zo wisselend is als de omstandigheden zijn, is poëtisch, stemt tot nadenken en zindert door. De titel Het siamees moment en wat dit inhoudt voor de personages, wordt beschreven in het verhaal. Een mooi gevonden thema in deze gelaagde en geslaagde roman. Deze debuutroman doet me absoluut verlangen naar een volgend werk van Peter W.J. Brouwer.

Eerder publiceerde Peter W.J. Brouwer drie dichtbundels.
Hij verzorgt lezingen en interviews tijdens literaire bijeenkomsten, in boekhandels, leeskringen, voor radio en TV.

Titel: Het siamees moment
Auteur: Peter W.J. Brouwer
Pagina's: 278
ISBN: 9789062659678
Uitgeverij In de Knipscheer
Verschenen: september 2017

woensdag 19 februari 2020

Cola Debrot – Mijn zuster de negerin



Zus of geen zus. Doet het er toe?


In 1934 en 1935 verscheen de novelle 'Mijn zuster de negerin' in het vooraanstaande literaire tijdschrift Forum. Een jaar eerder had Debrot zijn prozadebuut gemaakt in datzelfde Forum met het verhaal 'De Mapen'. In 'De Mapen' was Debrot nog op zoek naar zijn eigen stijl, los van naturalistische elementen en zwaar aangezet gepsychologiseer. In 'Mijn zuster de negerin' heeft hij die eigen stijl gevonden. Een haast sobere en tot de kern gereduceerde beschrijving van hetgeen dat wordt waargenomen en het ervarene. Ondanks, of wellicht dankzij, deze eenvoudige en beknopte stijl is Debrot in staat om zijn novelle veel diepgang te geven. Hij is in staat om in relatief weinig zinnen helder te vertellen waar het om gaat. Veel auteurs hebben hier een hele roman voor nodig. Dit is een kwaliteit die Debrot deelt met bijvoorbeeld de veel bekendere Willem Elsschot, ook een auteur die in Forum publiceerde.

Het (gedeeltelijk) autobiografische 'Mijn zuster de negerin' begint met de terugkeer van Frits Ruprecht (Cola Debrot?) naar zijn geboorteplaats, een niet nader genoemd Nederlands West-Indisch eiland (Debrot is op Curaçao geboren). Zijn ouders zijn overleden en Frits is het leven in Europa meer dan beu:

“Ik haatte in Europa de bleke gezichten met hun visachtige kilheid, hun gebrek aan broederlijke sympathie.”

Bij zijn aankomst wordt hij ontvangen door de notaris die de erfenis van zijn ouders met Frits regelt en hem de sleutels overhandigt van het huis in de stad en van de plantage in het binnenland. In plaats van op het aanbod van de notaris in te gaan om bij hem thuis wat te eten (zijn echtgenote rekent er op) en te overnachten zoals gebruikelijk is op het eiland wanneer er een oude bekende langskomt, kiest Frits om naar zijn huis in de stad te lopen. Is Frits meer Europeaan geworden dan hij zelf had gedacht? Het boek staat vol met dergelijke ongemakkelijkheden. Zij kunnen elkaar niet (meer) begrijpen, omdat ze de leefwereld van de ander niet (meer) kennen zonder dat ze dit van elkaar weten. Zowel Frits als de eilandbewoners reageren gaan daar iedere keer net iets anders mee om. De ene keer denkt Frits dat het hele eiland een wrok tegen hem koestert, om kort daarna het gevoel te hebben dat hij wordt binnengehaald als de verloren zoon. Een andere keer roept hij (bijna) uit:

“Ik wil hebben: mijn zuster de negerin. Geen geklets meer. Maar zwartheid en aanhankelijkheid.”

Frits is niet meer dezelfde als de jongen die zestien jaar geleden het eiland verliet en het eiland is ook niet meer hetzelfde als toen. Dit zorgt voor een innerlijke strijd bij Frits, kan hij op het eiland wel zijn levensgeluk vinden? Deze strijd bereikt een climax wanneer hij op de plantage Maria tegenkomt, een vriendinnetje uit zijn kindertijd. Is zij of is zij niet zijn halfzus? En maakt het eigenlijk iets uit?

De thematiek van de gescheiden leefwerelden en de ongemakkelijkheden die dit geeft in 'Mijn zuster de negerin' is nog steeds actueel. Misschien wel meer dan ooit. In een tijd waar er steeds meer mensen in twee culturen opgroeien en met regelmaat het gevoel hebben in geen van die twee werelden (nog) welkom te zijn of thuis te kunnen zijn.
Het feit dat "Mijn zuster de negerin" in Forum werd gepubliceerd en recensenten in 1935 erg te spreken waren over, zijn voor mij belangrijke redenen geweest om het te lezen. Victor van Vriesland noemde het "een werk van betekenis", Ter Braak noemde het zonder aarzelen "meesterlijk". Dit schepte verwachtingen. Verwachtingen die 'Mijn zuster de negerin' waarmaakt.

De auteur

Nicolaas (Cola) Debrot (Kralendijk, 4 mei 1902 – Amsterdam, 3 december 1981) was een Antilliaans schrijver, dichter, arts, diplomaat, jurist, minister, filosoof en balletcriticus. Hij wordt als de grondlegger van de Antilliaans-Nederlandse literatuur beschouwd. Debrot debuteerde in 1935 met de novelle Mijn zuster de negerin. De cultuurprijs van Curaçao is naar hem vernoemd. 
(Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Cola_Debrot)

Titel: Mijn zuster de negerin
Auteur: Cola Debrot
Uitgeverij: De Bezige Bij
ISBN: 9789023406518
Pag.: 66
Genre: Fictie
Verschenen: deze editie 1982, oorspronkelijk 1935

dinsdag 18 februari 2020

Ivo Weyel - Oorlogszoon. De onderduikjaren van mijn vader en het leven daarna

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact



Altijd maar de oorlog

Hoe lang werkt een oorlog door op mensen die hem hebben meegemaakt en op hun nageslacht? Veel langer dan de betrokkenen in 1945 dachten, terwijl de hoop op een betere toekomst hen aanzette hun schouders er eens flink onder te zetten. De verschrikking was achter de rug, het leeggeplunderde land, Ons Land, moest opgebouwd. We lieten ons niet kennen, wat gebeurd was was gebeurd, nu met alle kracht in het magere lijf vooruit: aan de slag, opbouwen, opbouwen, opbouwen….

Er is nog altijd een enorme belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog, door mij vrijwel altijd WOII genoemd. Die interesse wordt ook gedeeld door leerlingen in het voortgezet onderwijs, zo ondervinden docenten geschiedenis nog altijd. Waar komt die fascinatie vandaan? En waarom hebben anderen dat nu juist niet? Moet het Kwaad gekend worden om het voor altijd buiten de deur te houden? Prijzen we ons gelukkig omdat het bij ons geen oorlog is? En wat te denken van al die gebieden in de wereld waar het nog steeds oorlog is? Het zijn vragen die ik niet kan beantwoorden en Ivo Weyel, journalist en schrijver van onderhavig boek, evenmin.

De ouders van Ivo Weyel gingen dood. Het ouderlijk huis moest worden ontruimd, zo begint dit boek, een cliché bijna, want je weet als lezer dat er grote onthullingen gaan volgen. Hebben wij zelf herinneringen aan onze ouders, hun dood en het leeghalen van hun/ons huis? Hebben wij toen ook zaken gevonden waarvan wij niet op de hoogte waren? Vonden wij familiegeheimen die altijd voor ons verborgen waren gebleven? Een cliché inderdaad maar daarom of juist daarom niet minder interessant en heftig. De mensen die de oorlog hebben meegemaakt zijn bijna allemaal dood maar hun nageslacht niet. Op welke wijze leven de verschrikkingen, de trauma’s van die oorlog voort in hun kinderen en kleinkinderen?

Ivo Weyel en zijn broer vonden de trouwjurk van hun moeder en het verstofte bruidsboeket. Dat zo’n boeket zeventig jaar kan overleven! De  stoffige en verbleekte ruiker is maar een melkmat symbool voor de gevoelens die Weyel daarna gaan overrompelen.

‘We vonden ook een dagboek, drie ordners dik, dicht opeen getypt op duizend pagina’s flinterdun luchtpapier, een ‘Dagboek Onderduik’ zoals erop staat, van zaterdag 18 juni 1943 tot donderdag 23 juni 1945, 736 dagen lang, twee jaren en vijf dagen om precies te zijn. Mijn vader begint met de woorden van Erasmus: ‘Dulce Bellum Inexpertis’, mooi is de oorlog voor hen die hem niet meegemaakt hebben. En dan - als hoop?, als wens? - ‘was Mir nicht tötet, macht mich stärker’. En toen moest het allemaal nog beginnen.’
(2018: 6; rdv: laatste uitspraak is van Nietzsche.)

Weyel ziet voor het eerst een okergele jodenster, en slaat het dagboek kokhalzend dicht. Ja, want de families van Weyels vader en moeder zijn joods. Pas een maand later durft hij dagboek weer te openen. Zijn vader was wat zijn gevoelens betreft een zwijgzame man, hij slikte en slikte en slikte alles in, zoals hij dat ook in de oorlog gedaan had. In het document zitten de originelen van kranten uit die tijd; blijkbaar om de waarheid te achterhalen.  Nauwgezet schreef zijn vader de feiten en veldslagen uit die dagen op. Zijn vader schreef over de feiten, de geschiedenis en weinig over zichzelf, hoe hij het allemaal ervoer. Maar naarmate de oorlog zich ontwikkelde schreef hij meer over zijn persoonlijk leed. Zijn eerder zorgvuldiger stijl wordt losser, schematischer: ‘Honger. Waar eindigt dit? Vader praat met niemand. Komt niet meer uit bed. We gaan dood. Laat het maar snel gebeuren. Dit is onhoudbaar.’ (ib.: 7)

Wat ik in dit boek heel bijzonder is dat de oorlog, de jodenvervolging, de onderduik het leven van Weyels vader en van Weyel zelf met dezelfde emotionele kracht getroffen heeft, zo vader, zo zoon. Er zullen ongetwijfeld boeken zijn waarin duidelijk wordt hoezeer het trauma van de ouders op de kinderen is overgegaan - ik denk direct aan Ischa Meijer; niet helemaal een goed voorbeeld want hij is zelf ook een direct oorlogsslachtoffer - maar in dit boek van Weyel wordt het duidelijk hoezeer dat nu nog steeds het geval is, anno 2018 verscheen het boek.
Niet alleen herbeleeft de zoon de verschrikkingen van onderduik, jodenhaat, jodenvervolging, Endlösung, via zijn vader maar ook realiseert hij zich wat dat, als zoon van een getraumatiseerde vader, voor zijn eigen emotionele en psychische ontwikkeling heeft betekend.
Zowel in zijn dagboek als in zijn latere leven houdt de vader zich groot. Nooit heeft hij het over de verschrikkingen van de onderduik en de oorlog. En dan laat ik hier de oorlogs- en onderduikervaringen van Weyels moeder en haar familie voor het gemak buiten beschouwing.
Vader en moeder doen na de oorlog alsof die oorlog voor hen persoonlijk opgehouden heeft te bestaan; ik zeg het maar eventjes in mijn eigen woorden. Vader staat op de joodse gebruiken, zoals besnijdenis en bar mitswa, moeder vindt dat niet zo nodig. Vader stort zich op zijn huisartsenpraktijk en loopt zich het vuur uit de sloffen voor zijn merendeels joodse patiënten; tot ongenoegen van de moeder; tot hij het bijltje er ver voor zijn pensioenleeftijd bij neer gooit en psychisch en emotioneel ontredderd raakt.

De vader kon een held en een ‘medicijnman’ zijn voor zijn patiënten, voor zijn eigen zoons kon hij dat niet. Luidruchtige vrolijkheid heerste in het gezin, maar die vrolijkheid moest het ongekend verschrikkelijke en onbenoemde gevoel door de oorlogservaringen op de vlucht doen jagen. Dat lukte niet. Die oorlog had ook op zoon Ivo, de gevoelige, de overgevoelige misschien, een vernietigende uitwerking.

Weyel vraagt zich ook steeds af waarom zijn vader niet meer opschreef over de onderduik, hoe dat precies in zijn werk was gegaan, wie er betrokken waren, hoe dat nu werkelijk geregeld was. Kregen de onderduikverschaffers daarvoor betaald? Hoe kon men wetend dat zij te vertrouwen waren? Meer details daarover. Voor een deel kon de vader daarover niet schrijven omdat zij verraden konden worden en het dagboek gevonden had kunnen worden. Namen en details konden in dat geval funest zijn voor de betrokkenen. Voor een deel wilde vader zijn eigen moraal hoog houden. Hij wilde zich moreel en psychisch wapenen tegen de verveling van de onderduik, de ontberingen, de honger, de angst ontdekt en verraden te worden.

Ongekend stuitend is het wanneer de vader en zijn familie horen hoe hun huis leeggeroofd wordt - zij zitten namelijk in het huis ernaast ondergedoken; hoe ongeremd de jodenhaat bij sommigen is. Ivo zelf kan zich in zijn leven nooit teweer stellen tegen de jodenhaat die nog steeds een enorme impact heeft. Tegen de ongehoorde stelling van kennissen dat de wereldwijde-jodensamenzwering het toch nog maar steeds goed voor elkaar heeft. Tegen de gelijkstelling van Israëliër en jood, en ga zo maar door.

Een groot enigma is ook dat vader zijn notities secuur heeft uitgetypt en netjes bewaart, maar wel verstopt achterin zijn boekenkast en er nooit over gerept heeft. Waren zijn notities wel of niet bestemd om te lezen? Of was het louter voor hemzelf, om hem te helpen de dingen op een rijtje te zetten om daarna te vergeten misschien? Of zijn sommige dingen eenvoudigweg te moeilijk om over te praten?

Ik ben enorm geraakt door dit boek en door Ivo Weyel en hoe kwetsbaar hij zich durft op te stellen, al vind ik de laatste opmerking ook zo’n gigantisch cliché. Maar clichés zijn soms gewoon ook heel erg waar.

Auteur

Ivo Weyel (1955) is freelance publicist, hij schrijft over het goede leven in binnen- en buitenlandse media. In maart 2018 verscheen zijn debuut Oorlogszoon, dat inmiddels al drie keer werd herdrukt.

Een ander boek van Weyel is: Het verleden ruist voorbij is een bundel van zestig columns die Ivo Weyel voor ‘Het Parool’ heeft geschreven, waarin hij vertelt over de geschiedenis van zijn familie. Sylvain Kahn, de overgrootvader van Ivo Weyel, opende in 1882 het modepaleis Hirsch & Cie in Amsterdam. Het succes was enorm, de familie werd rijk, er volgden vestigingen in Berlijn en Wenen en zelfs een parfumfabriek in Frankrijk, het geboorteland van Sylvain. Het waren jaren van overvloed, bewaard gebleven in honderden foto’s. Weyel schetst met zijn beschrijvingen en foto’s een prachtig beeld van het voortglijden van tijd.

Titel: Oorlogszoon. De onderduikjaren van mijn vader en het leven daarna
Auteur: Ivo Weyel
Pagina's: 190
ISBN: 9789045035842
Uitgeverij Atlas-Contact
Verschenen: maart 2018

zondag 16 februari 2020

Max Frisch – Homo Faber

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij L.J. Veen




Metamorfose  

Twee etappes, zo is deze roman van Max Frisch ingedeeld. De lange eerste etappe begint ook echt met een reis. Het vertrekpunt is een vliegveld in New York waar Walter Faber op weg gaat voor zijn werk als ingenieur in dienst van Unesco. Door een ontmoeting met een familielid van een vriend uit het verleden en een noodlanding van het vliegtuig krijgt het boek een grillig verloop. Door flashbacks komen we meer te weten wat zich heeft afgespeeld tussen Walter en Hanna. een vroegere vriendin die jaren geleden plots uit zijn leven verdween. In de tweede, veel kortere etappe, ligt Faber in het ziekenhuis en reflecteert op zijn verleden en zijn transformatie.

De rationeel ingestelde Walter moet niets hebben van lotsbestemming, dromen en romans. Hij is de man van de techniek, de ratio en laat dat duidelijk merken wanneer hij in gesprek komt met zijn medepassagier, de broer van zijn vriend Joachim.

‘Ik heb me al zo vaak afgevraagd wat mensen eigenlijk bedoelen als ze het hebben over een belevenis. Ik ben technicus en gewend de dingen te zien zoals ze zijn. […] Ik weiger angst te hebben louter uit fantasie, of wel om fanatiek te worden louter uit angst, gewoonweg mystiek.’

Frisch schrijft met groot gevoel voor compositie. Elk woord, elke zin, elke pagina is essentieel voor het geheel. De oplettende lezer zal moeiteloos de meeste van de thema’s en motieven herkennen. Zo noemt Walter zijn typemachine zijn Hermes-Baby, een niet mis te verstane verwijzing naar Hermes een figuur uit de Griekse mythologie. Hij is een zoon van de oppergod Zeus en de bergnimf Maia en is met name bekend als god van de handel, de reizigers, de wegen en de dieven. Ook is hij de boodschapper der goden. Interessant is de relatie met de titel, Homo Faber 

'Het mensbeeld van de homo faber (Lat.: "werkende mens") stelt dat mensen wezens zijn met een aangeboren drang tot arbeid en creativiteit, met een aangeboren drang om werktuigen en techniek te ontwikkelen, gericht op het naar hun hand zetten van de eigen leefomgeving.' (wikipedia).

Walter reist nooit zonder zijn typemachine, zijn scheerapparaat en z’n filmcamera. De camera is als het ware zijn derde oog, in plaats van de wereld met zijn eigen ogen te beschouwen kijkt hij door de lens. Wanneer na verloop van tijd zijn inzicht verandert, verdwijnt ook behoefte aan de camera.

De noodlanding van het vliegtuig brengt de twee mannen tot elkaar. In de hitte van de woestijn doden ze de tijd met het spelen van schaak. Met rake beschrijvingen weet Frisch de sfeer weer te geven van een groep passagiers die strandt in de woestijn zonder concreet zicht op redding.
Herbert en Walter hebben oorspronkelijk niet dezelfde eindbestemming. Het lot brengt hen tot elkaar en daarmee komt Walter terecht op de plek waar zijn oude vriend Joachim werkt in plaats van zijn werkplek voor de Unesco. Het bereiken van de sinistere plek heeft heel wat voeten in de aarde en is gezien de transformatie die Faber ondergaat, misschien ook één van de obstakels die hem aan het denken zetten. Met een landrover proberen ze verblijfplaats te vinden van Joachim, een plek op een tabaksplantage. In een land waar niet overal wegen zijn, maar waar je aangewezen bent op wagensporen krijgt het zoeken een dolend karakter.

‘Wat Herbert niet verdroeg waren de gieren; terwijl ze ons zolang we leven helemaal niets doen, ze stinken alleen maar, zoals van aasvreters niet anders te verwachten is, ze zijn lelijk en je komt ze steeds in zwermen tegen, eenmaal aan het werk laten ze zich nauwelijks verjagen, hoe je ook toetert, ze fladderen alleen maar, huppen om het opengereten aas heen zonder het op te eten...’

De sfeer tijdens de rit in de verzengende hitte en de desolate omgeving is op z’n zachts gezegd gespannen. Behalve Faber en Herbert is er nog een passagier, een Fransman. Gesprekken tussen de mannen gaan over grote thema’s, de ondergang van het blanke ras, overbevolking en het uitsterven van de dood door de ontdekking van penicilline. 

Het verhaal heeft meerdere verwijzingen naar de mythologie, het wordt lastig hierover iets te vertellen omdat het teveel zou verraden over de inhoud. Wel is het zo dat zijn vroegere vriendin Hanna op het punt stond zijn vrouw te worden, op laatste moment zag zij er van af, dit is de verhaallijn die leidt tot een dramatische ontknoping. De setting – de tragedie vindt plaats in Griekenland – is perfect gekozen voor de ontwikkeling van het verhaal.
Hanna en Walter zien elkaar terug, wat er in het verleden plaats gevonden heeft wordt opgehelderd, deze prachtige ontwikkeling maakt dat het verhaal een dramatische wending krijgt.

Om te weten wat er precies gebeurd is, welke verwijzingen Frisch gebruikt om zijn verhaal tot deze schitterende klassieker te maken, is het boek zelf te gaan lezen het enige advies. O ja, het is ook een spannend boek, de plotwendingen zijn stuk voor stuk meesterzetten.



De auteur

Max Frisch (Zürich, 15 mei 1911 – aldaar, 4 april 1991) was een Zwitsers architect en romanschrijver.

Frisch wordt geboren als zoon van de architect Franz Bruno Frisch en Karolina Bettina Wildermuth. Tijdens zijn schooldagen begint Max al met het schrijven van korte toneelstukken die nooit echt gespeeld worden. In 1930 schrijft Max zich in aan de Universiteit van Zürich om daar Duitse literatuur en kunstgeschiedenis te studeren.

Zijn eerste roman verschijnt uiteindelijk in 1934 en heet Jürg Reinhart en wordt in 1936 opnieuw uitgegeven als Die Schwierigen. Andere bekende prozawerken zijn Homo faber uit 1957 en Mein Name sei Gantenbein uit 1964. In 1936 schrijft Max zich in voor de Architectenopleiding aan de Hogeschool van Zürich en studeert 5 jaar lang om in 1941 zijn diploma in architectuur te behalen.

Titel: Homo Faber
Auteur: Max Frisch
Vertaling: Margot Klaarhamer
ISBN: 9789045009049
Uitgever: L.J.Veen
Pag.: 235
Genre: Fictie
Verschenen: deze editie 2007, oorspronkelijk 1957

vrijdag 14 februari 2020

Dina Roebina - Ljoebka | Любкa

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Pegasus



Twee paria's verbonden door een heksenjacht

In januari van het jaar dat Dina Roebina (1953) wordt geboren verschijnt er in de Pravda een bericht van het Russische Persbureau TASS dat er een groep artsen - die wordt beschouwd als een terroristische cel - is ontmaskerd en gearresteerd op verdenking van medische sabotage en in opdracht zou werken van de Amerikaanse geheime dienst. Russische veiligheidsdiensten beweren dat deze groep het gemunt heeft op de levens van Russische machthebbers. Volgens uitspraak van TASS; een 'smerige zionistische spionnenorganisatie', met als gevolg dat er overal Joodse artsen worden ontslagen, die als een groot gevaar worden gezien. Amper acht jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog steekt het antisemitisme in alle hevigheid de kop weer op. Korte tijd later wordt Stalin geveld door een beroerte om uiteindelijk op 5 maart 1953 een enkele reis naar de eeuwige jachtvelden te nemen. Enkele weken later worden de artsen op vrije voeten gesteld. 

Roebina - die in september van dat jaar werd geboren in Tasjkent - heeft Joodse ouders en hangt de theorie aan dat Stalin niet toevalligerwijs een beroerte kreeg op de dag van het Joodse Poerimfeest. Als auteur heeft ze in haar vaderland haar sporen verdiend met haar omvangrijke oeuvre, werd ze beloond met enkele literatuurprijzen en is haar werk verfilmd. Toch dreef het antisemitisme haar en haar gezin eind 1990 naar Israël.

Haar novelle Ljoebka - onlangs in een tweetalige versie uitgebracht door Uitgeverij Pegasus - is een allegorie op de gruwelen van het Stalinbewind en het verhaal van de heksenjacht op de Joodse artsen. Het speelt zich ook af in 1953.

De ongehuwde Joodse Irina Michajlovna werkt als keuringsarts in een metaalfabriek. De antisemitische praktijken van Stalin nopen haar om zich te vestigen in een onopvallend stadje. Wanneer ze de magere en nog jonge Ljoebka heeft onderzocht voelt ze compassie met het meisje en biedt haar de mogelijkheid om haar zware baan te verruilen voor huishoudelijk werk en het oppassen op haar acht maanden oude dochtertje Sonja. Met haar zelfbewuste karakter ontplooit Ljoebka zich al snel tot meesteres van het huishouden. Kondakova, Irina's huisgenootje, heeft het zwaar te verduren onder het alziende en geoefende dievenoog van de door de wol geverfde Ljoebka.

Dan verschijnt het krantenartikel over de vermeende spionage- en vergiftigingspraktijken van Russische artsen. Dit komt niet alleen Irina ter oren, maar ook haar collega's en werkgever, wat onherroepelijk tot haar ontslag leidt.

'Ze hebben een bende ontmaskerd, een artsencomplot' [...] 'U heeft de Pravda toch wel gelezen? Het artikel Moordenaars in witte jassen? ... Gifmengers!'

Ljoebka's talent om meer met een roebel te doen dan Irina voor mogelijk houdt,  haar onvermoeibare inzet, de liefdevolle verzorging van Sonja en haar onverzettelijke doortastendheid, doen Irina besluiten om haar desondanks in huis te houden. Wanneer Ljoebka haar vertelt over haar afkomst uit een gezin van opgejaagde koelakken, vinden ze elkaar in hun beider ellende. 'Paria vond paria'.

Het verdient bewondering dat Roebina met deze kleine novelle, dit grote verhaal heeft kunnen schrijven. Een indrukwekkende beschrijving van een gruwelijke periode uit de recente geschiedenis, met compassie, een lichtvoetige, soepele schrijfstijl en een tikkeltje humoristisch. Dit is Roebina's eerste werk dat in een Nederlandse vertaling is uitgebracht en het smaakt absoluut naar meer. Een politiek getint juweeltje uit de serie Slavische Cahiers dat nog lang na blijft gonzen.

Titel: Ljoebka | Любкa
Auteur: Dina Roebina
Vertaling: Ad Winnubst en Hein Remmen
Serie: Slavische Cahiers 36
Pagina's: 84
ISBN: 9789061434634
Uitgeverij Pegasus
Verschenen: december 2019

donderdag 13 februari 2020

A.F.Th. van der Heijden - Advocaat van de hanen

Recensie door Roosje
Uitgeverij Querido





Over de liefde en de drank, maar misschien wel vice versa
‘Maandag 29 april 1985

Hij had er beter aan gedaan van al zijn zinnen uitsluitend de reuk en de smaak te vertrouwen, en dan nog alleen voor zover ze hem zijn eigen verrotting lieten ruiken en proeven; wat zijn oor ving was onherkenbaar vervormd door de angst, onder zijn aanraking kregen de dingen onmiddellijk een andere huid, terwijl zijn ogen ook wijd open niet veel anders meer zagen dan het schouwspel dat zijn vergiftigde brein voor zichzelf opvoerde.’

Er zijn boeken die je volkomen sprakeloos achterlaten wanneer je ze uit hebt en wanneer je ze dus achter je moet laten. Soms zijn dat heel verstilde verhalen die uit weinig woorden bestaan of uit weinig woorden lijken te bestaan. Soms zijn het ook de verhalen die uit heel veel woorden lijken te bestaan maar die dan toch op de een of andere manier een ingenieus breiwerk zijn gaan vormen - vergeef me mij handwerkmetaforen; ik handwerk nu eenmaal graag -. Over de laatste soort romans gaat dit verslag. Een enorme brei/brij van woorden uit de pen van meesterschrijver A.F.Th. van der Heijden: Advocaat van de hanen; deel 4 uit de serie De tandeloze Tijd. Een herlezing; ik las de roman voor het eerst begin jaren 90; de eerste druk is uit 1990. De omschrijving ‘brei van woorden’ lijkt oneerbiedig maar zo bedoel ik dat helemaal niet. In een goede brei vullen de smaken van de verschillende ingrediënten elkaar aan: het geheel is meer dan de som der delen.

Verder ben ik een fan van Van der Heijden; al zijn romans zijn goed, zijn geweldig al komt hij tegenwoordig niet meer voor op de lijsten van boeken die genomineerd zijn voor literaire prijzen. Ik ga er maar vanuit dat dat is omdat zijn romans zo goed zijn dat andere auteurs anders geen kans zouden krijgen.

‘Quispel was, als advocaat, een man van het woord. Van het betoog in de eerste plaats, maar ook van rapporten, van brieven. In het schrijven bezat hij, behalve zijn grootste onzekerheden, zijn grootste zelfverzekerdheid. Heel arrogant probeerde hij dus in zo’n periode van nijpende bronst met zijn sterkste werktuig het visioen tot verwerkelijking te dwingen. Dwangmatig speurde hij, in de meest uiteenlopende bladen, de kolommen met contactadvertenties af.’

Hieronder zet ik wat info neer over deze roman in relatie tot de Tandeloze tijd, het epos, het work in progress dat Van der Heijden aan het componeren is over Albert Egberts, zijn alter ego. Mij roept de naam ook associaties op met Douwe Egberts, die van de koffie.

Van der Heijden is een auteur die graag, veel en lang uitweidt over allerlei zaken die nauw of minder nauw aan het onderwerp en/of van de personages gelieerd zijn. Gek genoeg stoort dat totaal niet bij het lezen van het lopende verhaal. De auteur leidt je ook weer terug tot de kern van de roman. Ja, soms ben je de weg eventjes kwijt, maar dat is helemaal niet erg, en in dit boek dat gaat over de kwartaaldrinker Ernst Quispel is het ook nog eens zeer effectief natuurlijk. Quispel is de hoofdpersoon en in twee opzichten is hij voor deze roman van groot belang: zijn kwartaaldrinken, dat zich bij hem maar een keer per jaar voordoet. Hij onderkende al heel vroeg zijn drankzucht en wist die op deze wijze in goede banen te leiden. Slechts een keer per jaar gaat hij zich te buiten. Hij kan zijn zucht beheersen maar het is geen rationeel besluit, het overkomt hem. Op een onbewust niveau kun je zeggen dat hij zijn alcoholisme binnen te perken lijkt te houden, al vertelt deze roman toch ook wel een ander verhaal.

Ernst Quispel zien we terug in een latere roman van Van der Heijden: Kwaadschiks.

Het tweede grote onderwerp uit Advocaat van de hanen is de liefde; de liefde voor Zwanet, die hij ontfutselt en weer verliest aan Albert Egberts. Ook voor zijn dochtertje, maar Zwanet komt op de eerste plaats.

Natuurlijk gaat het verhalende deel over de krakersrellen, de anarchisten en punkers met de hanenkammen op hun hoofd, uit 1985, waarbij een kraker de dood vond in een politiecel, en de rol die Quispel daarin speelt; er is wat dit betreft ook sprake van een zekere spanning. Dat is interessant maar veel belangwekkender zijn de alsmaar uitwaaierende overdenkingen en navelstaarderijen over allerlei onderwerpen met name de drank, het drinken en de liefde betreffende. Je ruikt als het ware de wodka door de pagina’s heen.

De auteur is een waar componist die thema’s en motieven uitgebreid uit spelen stuurt en ze toch ook weer tot de orde roept om het werk tot een afgerond geheel te laten worden. De paradoxen vliegen je om de oren. Ik heb geen idee wat de muziekterm is voor paradox; die bestaat vast. Paradoxen zijn altijd lekker. Van der Heijdens romans zijn ook altijd heel talig: het spelen met taal, met betekenissen, met symbolen e.d.

Van der Heijdens taalgebruik is enerzijds tamelijk to the point anderzijds heel plastisch. Zoals hij over seks schrijft, dat doen er maar weinig. Rob van Essen doet het ook in De goede zoon maar dan weer anders. Gedurfd is zijn laten we maar zeggen seksisme. Jaja, natuurlijk, het is een roman, het is een drankorgel van een ontaarde advocaat, wiens blik vertroebeld wordt door de drank, al vindt hij zelf van niet. Maar toch….

Ongelooflijk ontroerend is hoe hij over de liefde schrijft terwijl Quispel toch niet echt een feminist lijkt te zijn; in zijn laatste roman, Mooi doodliggen, doet Van der Heijden dat evenzeer.

Quispels overdenkingen over zijn dipsomanie - het kwartaaldrinken -, zijn beleving van Amsterdam, een stad in oorlog lijkt het wel, zijn omzwervingen van kroeg naar kroeg, van kraakpand naar politiebureau, van kantoor tot op vakantie met zijn vrouw, en tussendoor ook nog advocaatje spelen, zijn onvoorstelbaar goed uitgewerkt.

De tijdsbeleving is allesbehalve chronologisch en consistent in deze cyclus: die tijdsbeleving is juist het centrale thema ervan, zoals de naam al doet vermoeden. In deel I van De tandeloze tijd wordt het begrip 'leven in de breedte' geïntroduceerd: aangezien het leven 'in de lengte' niet te stoppen valt, moet het maar in de breedte worden gezocht. Door elk moment uit te spinnen, te verbreden, wordt gehoopt het leven waardevoller te maken. De uitgebreidheid van beide cycli boeken weerspiegelen dit leidmotief. (geleend uit Wikipedia).

Nu ik dit schrijf, denk ik: ik ben helemaal niet in staat om ook maar iets over te brengen van de schoonheid en de intense inwerking van deze roman. Mijn zwaktebod is als altijd: ga lezen, dit boek, dat beslist tot de beste behoort van AFTh van der Heijden.

‘Het was de Nieuwendijk, waar Quispel in de drukte van de vrijdagnamiddag doorheen strompelde, zigzaggend, tegen mensen opbotsend. Hij zocht een zijstraatje met een veilige kroeg, die hij zich als De Wenteltrap of Het Keldergat herinnerde, maar kon de ingang tot de steeg niet vinden. Al voor de derde keer liep hij van de Dam naar de Martelaarsgracht (sic! Nomen est omen, rdv), speurend in de straatjes die naar de Nieuwezijds leidden. Uit de winkels kwam de rockmuziek van Hilversum Drie.’ (spotify bestond nog niet, haha, ik denk ook aan Herman van Veen, rdv)

Over de tandeloze tijd

De tandeloze tijd is een romancyclus van de Nederlandse schrijver A.F.Th. van der Heijden. Oorspronkelijk was het de bedoeling van de schrijver om een trilogie te schrijven, maar deze werd uitgebouwd tot meerdere delen. Het thema van de cyclus is het 'leven in de breedte': het vertragen van de tijd door het moment te verbreden in de herinnering, en zo de tijd haar tanden uit te trekken. Het werk vertoont invloed van de cyclus À la recherche du temps perdu (Op zoek naar de verloren tijd) van de Franse schrijver Marcel Proust (1871-1922). Hoofdpersoon van De tandeloze tijd is Albert Egberts. De cyclus beschrijft zijn jeugd in Geldrop, zijn studietijd in Nijmegen, en zijn leven daarna in Amsterdam. Het verhaal wordt niet chronologisch verteld, maar per deel staat een periode in zijn leven centraal. Naast Albert Egberts vormen Flix Boezaardt en Thjum Schwantje belangrijke personages - hun voornamen refereren aan de initialen van de schrijver: A.F.Th.

Naast het verhaal van Albert Egberts, verweeft Van der Heijden reële gebeurtenissen tot aparte verhaallijnen in de romans. Zo is de dood van kraker Kiliaan Noppen in Advocaat van de Hanen gebaseerd op Hans Kok, en is in deel 3 het verhaal van Hennie A. uit Lummel gebaseerd op de rechtszaken tegen Annie E. uit Bemmel in 1965 en 1974.

De tandeloze tijd bestaat tot nu toe uit de volgende delen:

De slag om de Blauwbrug (proloog, 1983)
Vallende Ouders (deel 1, 1983)
De Gevarendriehoek (deel 2, 1985)
Advocaat van de Hanen (deel 4, 1990) - verfilmd in 1996
Schwantje's Fijne Vleeschwaren (apocrief, 1992) - bibliofiel gepubliceerd fragment
Weerborstels (een intermezzo, 1992) - Boekenweekgeschenk
Het Hof van Barmhartigheid (deel 3, eerste boek, 1996)
Onder het Plaveisel het Moeras (deel 3, tweede boek, 1996)
De Helleveeg (deel 5, 2013) - verfilmd in 2016
Kwaadschiks (deel 6, 2016)
Kastanje a/d Zee (deel 7, 2016)

Overige delen van de cyclus staan wellicht nog te verschijnen, in de afgelopen jaren zijn verschillende delen aangekondigd onder de titels Da Vinci op de Veluwe, Verliefd tegen en Averij. Ook heeft Van der Heijden aangegeven een epiloog aan de cyclus te willen toevoegen over de moord in 2005 op de Nijmeegse kraker Louis Sévèke met als werktitel De Oprotpremie. Volgens de titelpagina van het in 2013 verschenen vijfde deel, De helleveeg, zijn nog drie delen in voorbereiding:

De IJzeren Man (De tandeloze tijd, deel 7)

Schwantje's Fijne Vleeschwaren (De tandeloze tijd, deel 8); een verhaal met dezelfde naam is ook verschenen in de bundel Gentse Lente (2008)

Verwante boeken en verhalen

Door Van der Heijden zijn verschillende voorstudies voor delen van De tandeloze tijd als losse verhalen gepubliceerd. De verhalen Het Byzantijnse kruis, Adagio, en De magneetvrouw verschenen in de bundel Gentse Lente (2008). In deze bundel staat ook het verhaal Schwantje's fijne vleeschwaren dat alleen op een klein onderdeel verwant is aan het fragment dat in 1992 verscheen.

In 2009 verscheen Doodverf: een 'herschrijving' van de verhaallijn over de Gipsmoord uit deel 3 van de De tandeloze tijd tot een zelfstandige roman. (bron)

Over de auteur:

Van der Heijden is een schrijver van autobiografische verhalen en romans. In zijn werk is het eigen leven van de schrijver te herkennen. Dit maakt dat het gehele oeuvre met elkaar verbonden is. Dat wil echter niet zeggen dat gebeurtenissen en personen in zijn werk een getrouwe afspiegeling zijn van zijn eigen leven: hij gebruikt deze vrij, om ze te combineren met fictie, filosofische uitweidingen en een treffende sfeertekening van de Nederlandse sociale en culturele geschiedenis vanaf de jaren vijftig.

Van der Heijden wordt weleens gezien als de vertegenwoordiger van een generatie die na de oorlog opgroeide; dit in tegenstelling tot schrijvers als Harry Mulisch, Willem Frederik Hermans en Jan Wolkers die de Tweede Wereldoorlog tot een belangrijk motief in hun werk maakten.

Kern van het oeuvre van Van der Heijden is de cyclus 'De tandeloze tijd'. Kenmerkend is dat deze oorspronkelijk bedoeld is als trilogie, maar veel omvangrijker werd. (Het loopt vaak anders met de bedoelingen van Van der Heijden. Zo zijn er al jaren vooraankondigingen van nieuwe romans die maar niet verschijnen, of groeien hoofdstukken soms uit tot complete romans.)

De schrijver is inmiddels alweer een nieuwe ambitieuze cyclus gestart, Homo duplex, over een naamloze God die naar de aarde is gekomen om een wereldrevolutie te beginnen. Hoewel er nog geen gerangschikt deel van de cyclus is gepubliceerd, is er wel een omvangrijke proloog uitgekomen, De Movo Tapes en de sleutelboeken Drijfzand Koloniseren en Mim. In maart 2007 verscheen het nader in de cyclus te plaatsen deel Het schervengericht. Binnen deze cyclus zijn er meer werken gepland.

Daarnaast publiceert hij tussendoor ook 'los' autobiografisch werk, onder andere in de vorm van dagboekaantekeningen en requiems, bijvoorbeeld over zijn vader, Asbestemming, en over zijn moeder, Uitdorsten. Van der Heijden publiceerde aanvankelijk onder het pseudoniem Patrizio Canaponi (waaronder de verhalenbundel Een gondel in de Herengracht en de roman De draaideur). De cyclus Homo Duplex publiceerde hij aanvankelijk onder het pseudoniem A.F.Th. Latere drukken van delen uit deze cyclus verschenen weer onder zijn volledige naam.

Inhoud en thema's van zijn werk

In de cyclus De tandeloze tijd staat Albert Egberts (deels alter ego van de schrijver zelf) centraal, maar gaandeweg treden er ook andere personen op de voorgrond. We volgen Albert vanaf zijn kindertijd in Brabant (Vallende ouders), tot zijn studententijd in Nijmegen en Amsterdam (De gevarendriehoek) tot en met zijn ondergang als junkie in Amsterdam (Onder het plaveisel het moeras), maar maken tussendoor ook kennis met onder anderen de advocaat Ernst Quispel (Advocaat van de hanen) in de jaren tachtig.

Regelmatig verwerkt Van der Heijden waargebeurde gebeurtenissen in zijn verhalen. In wat door sommige critici gezien wordt als zijn beste werk, Advocaat van de hanen, gebruikt hij de dood van de kraker Hans Kok in een politiecel als achtergrond. In zijn recente werk Het schervengericht figureren de regisseur Roman Polanski en de moordenaar van diens vrouw, Charles Manson. Van der Heijden maakte bekend dat als er een nieuw deel van De tandeloze tijd zal verschijnen, dat waarschijnlijk over de moord op kraker en activist Louis Sévèke zal gaan.

De tijdsbeleving is allesbehalve chronologisch en consistent in deze cyclus: die tijdsbeleving is juist het centrale thema ervan, zoals de naam al doet vermoeden. In deel I van De tandeloze tijd wordt het begrip 'leven in de breedte' geïntroduceerd: aangezien het leven 'in de lengte' niet te stoppen valt, moet het maar in de breedte worden gezocht. Door elk moment uit te spinnen, te verbreden, wordt gehoopt het leven waardevoller te maken. De uitgebreidheid van beide cycli boeken weerspiegelen dit leidmotief.

Waar Van der Heijden in de cyclus De Tandeloze Tijd veelal putte uit zijn eigen leven, borduurt hij in de Homo duplex-reeks verder op de Griekse mythen; Drijfzand koloniseren is een vrije bewerking van Sofokles' Thebaanse trilogie, de Labdaciden en Mim is een eigentijdse variatie op het verhaal van Oedipus. Eerder speelde Van der Heijden al met de Oedipus-mythe, in Advocaat van de hanen, waarin de advocaat uit de titel op zoek gaat naar een getuige van een moord. (bron)

Bibliografie:

Titel: Advocaat van de hanen - deel 4 uit de reeks De tandeloze tijd
Auteur: AFTh van der Heijden
ISBN: 9789021466120
Uitgever: Querido
Jaar: 1990
Aantal pp’s: 573

woensdag 12 februari 2020

Harry Mulisch - archibald strohalm

Bespreking door Roosje
De Bezige Bij





Verpletterend debuut

Soort van *spoilers*, maar deze roman is geen detective; je kunt gerust mijn ‘geraaskal’ lezen voor je die van archibald zelf leest.


Er zijn verpletterende debuten, archibald strohalm hoort daar absoluut bij. Ik heb geen idee hoe ik deze bespreking moet aanpakken. Dat heb ik eigenlijk altijd als een roman of ook een non-fictieboek, daarin maak ik geen verschil, me zo buiten adem achterlaat, of me eigenlijk al tijdens het lezen achter mijn adem aan laat rennen. Toevallig las ik tegelijkertijd Advocaat van de hanen van AFTh van der Heijden, dat is ook al zo’n adembenemend boek. Adembenemend bedoel ik letterlijk. Deze twee romans achtervolgden me gedurende de donkere maand december, namen mij volledig op sleeptouw; soms zo dat ik echt moest stoppen met lezen en yoga moest doen of zo, of huishouden, of kerstliedjes moest gaan zingen.

Archibald strohalm is een herlezing. Ik las de roman als 14- of 15-jarige. Een puppy was ik nog. Wat wist ik van de wereld? (ik doe gewoon als Jon Fosse, gewoon allerlei leestekens zetten als is de zin nog niet af; zijn zinnen zijn zelden af); wat wist ik van filosofie of van romans voor volwassenen? Young adult bestond nog niet in die tijd, het kinderboek eigenlijk ook nauwelijks; op Annie M.G. na, die kwam net op.

Ik wist op die leeftijd wel dat ik het allemaal anders wilde en daarin paste een hermetische roman als die van Mulisch als een psalm in een ouderling, o, nee, een preek is het geloof ik. Ik was sowieso dol op romans uit het magisch-realistische genre, Johan Daisne, Hubert Lampo, Belcampo, Hermann Hesse, maar Mulisch had beslist mijn voorkeur. Hij was namelijk ook nog eens links en intellectueel. En dat wilde ik gewoon ook zijn; een soort rolmodel, realiseer ik me nu.

Ik was bij herlezing benieuwd of ik nog bij het gevoel zou kunnen komen dat ik als puber had toen ik de roman las, en dat was absoluut het geval!! Zo sterk had ik het niet verwacht. Het boek fungeerde als een fictieve tijdmachine. Ik was terug in die tijd maar tegelijkertijd was ik mijn oudere ik. Hoe is dat mogelijk? Over zulke mysteries gaat ook deze roman van Mulisch. Wel dacht ik vroeger dat ik niet voldoende bagage had om de roman werkelijk te begrijpen; dat klopt enerzijds maar anderzijds ook niet. Natuurlijk is Mulisch op zijn eigen wijze een überintellectueel, maar hij roept een wereld op van wat hij zelf in a.s. de unio mystica noemt, de mystieke eenheid, de mystieke verbondenheid, de mystieke verbintenis tussen al wat leeft, en alles wat niet leeft; alles gaat verloren en komt weer terug, wordt herboren: het overdonderende vitalisme van de krankzinnige archibald is de messias zelf. 

Mulisch schrijft archibalds naam met kleine letters behalve aan het begin van de zin, omdat het begin van een zin een hoofdletter verlangt, en hoe experimenteel hij ook is met de spelling, de beginkapitaal blijft gehandhaafd. De kleine letter betekent dat Archibald/archibald zijn menszijn achter zich heeft gelaten, letterlijk en in alle opzichten, net als de messias aan het kruis; hij is gedepersonaliseerd. Hij is opgegaan of overgegaan tot de natuur, die van het bos, van de aartsvaderboom Abram; het verachtelijke, het kleinburgerlijke en het hypocriete van de menselijke wereld heeft hij van zich afgeschud. Hij lijkt dan wel krankzinnig, en dat is hij in zeker opzicht ook, maar hij is tegelijkertijd ‘verlicht’, ook in zekere zin, niet volgens de boeddhistische lijn. Hij heeft de menselijke wereld achter zich gelaten, via de vogels en de eieren, de bomen, en ook zijn denken laat hij los. Zijn levenswerk à la Athanasius Kirchner* komt er niet. Het wereldsysteem of hoe je het ook wilt noemen, past niet in zijn hoofd; gaat ‘beyond’. Het is mysterie, van de unio mystica, het is de natuur; het is ook het enorme, het vlammende vitalisme dat door hem heen raast.

Zijn einde is mysterieus; is het zijn vernietiging of is het vernietiging en opstanding als in en na de apokalyps; is het zijn katharsis? Alles is mogelijk. Het einde is zeer open. Vroeger dacht ik dat ik het niet helemaal kon begrijpen, dat ik daartoe nog niet het instrumentarium bezat; nu denk ik: zo’n enorm gapend gat van een open einde heeft Mulisch vast gewoon bedoeld.

Even wil ik iets zeggen over de motieven vogels en eieren. Het ei is een heilig symbool en de symbolische voorstelling van het heelal, en van onze aarde**. De vogels, de dode en de opgezette hebben een verband met Archibalds overleden vader, die ornitholoog was. Ik denk dat die staan voor de dood; het ei zou dan kunnen staan voor het leven. Die vogels duiden wellicht ook op een ‘Vatersuche’. Misschien vindt hij een vader in de schilder Boris, een beetje. De vogels: kerkuilen, negendoders, blauwpiepers, boomklevers, draaihalzen, mallemolens, gele schreeuwers, hakengimpels, handschrobbers, kolenduiven, kernbijters, veldtjakkers…. die namen!

Het is een wonderlijk mysterieus boek, een zeer poëtisch boek; je zou het ook als een episch gedicht kunnen lezen. Deze keer viel het veelvuldig gebruik van alliteraties en assonances me op. Dat past zo prachtig bij de poëtische beleving van archibald, of eigenlijk zijn bovenmenselijke beleving van tijd - tijd wordt een soort van fluïde -, van de lach en de traan - het theater natuurlijk, het menselijk theater, de poppenkast, letterlijk en figuurlijk - van de dood en de geboorte (van het kind van zijn vriend Boris, de schilder). Eigenlijk overstijgt deze roman de genres: het is een roman, het is een episch gedicht, het is toneel.

Ik ben zeer geraakt door zijn poëtische taalgebruik. Poëzie is een soort überfictie, je kunt daarin nog veel meer ‘wetten’ overboord gooien; alle richtingen kun je uit; logica hoeft niet perse, of dan weer een soort überlogica, zoals het opschrijven het Systeem, waarin alles met alles samenhangt. En het voordeel van poëtische fictie is dat dat geen afgerond einde hoeft te hebben, dat de verbanden heel vreemd kunnen zijn, dat betekenissen uiterst hermetisch kunnen zijn; dat je zaken kunt aanstippen die verder geen verband hoeven te krijgen of juiste een verband op een ongewone wijze of beide. Geen wonder dat de paradox hierin een grote rol speelt.

Het verhaal draait om de uitdaging van Archibald aan Ouwe Opa, de poppenkastspeler, over de ‘fascistische’ opvatting van de oude over hoe te leven en te sterven, de christelijke moraal en ethiek: een orthodox kerkelijk standpunt: in God geloven, je best doen, de hemel verdienen. Archibald: ‘…onbewustheid en onwetendheid is uw element…’…. ‘…duisternis en zwarte ernst’…ik stel daartegenover dat: ..’de weg van vandaag het lachen is!’ (1975: 19). Het is niet helemaal duidelijk wat Archibald bedoelt. Hij vindt dat de ouwe de kinderen een verwerpelijk rad voor ogen draait. Hij wil er een ander elan voor in de plaats stellen. Er is een jongen, een buurjongen, een outcast, die Archibald steunt. Archibald houdt in het laatste hoofdstuk zijn eigen poppenkastvoorstelling, die eindigt in een volksgericht, nou ja, er wordt gemat en om de politie geroepen.

‘Even zag hij het nog, - toen draaide de laaiende wereld langzaam naar beneden en brak. Het zwerk scheurde open als een oude zak en ontlaadde zich. Wolken roet, geurend als hyacinten, kwamen naar beneden. Daar doorheen dwarrelde diepzeegedierte: zeepaardjes, planktonkwalletjes, radiolariën als kroontjes van indische prinsessen. Huizengrote sintels zakten omlaag, wonderlijk begroeid met mos en orchideeën. Wijnranken slingerden zich woekerend om wat er nog van aarde over was, en witte koeien stonden stil te dromen bij een pasgeboren kind.’ (ib.: 239 einde van de roman)

Sterk aanwezig in dit debuut is Mulisch poëtica: wat hij wil met schrijven, de inhoud en de vorm. Over de vorm heb ik het hierboven gehad. De inhoud is eigenlijk heel simpel: alles hangt met alles samen; er is één groot verband tussen alles. Maar die simpelheid draagt een oneindig grote verscheidenheid in zich, die vergezeld gaan van paradoxen en tegenstellingen, zoals je misschien ook in de stukjes van Kibran kunt lezen, in De profeet bijvoorbeeld.

Natuurlijk gebruikt Mulisch symbolen uit de Bijbel, uit de klassieke oudheid, uit de fysica ook om het verhaal body en verbanden te geven.

Het lezen van archibald strohalm is als een acid trip, alles hangt samen, alles verandert, alles krijgt een andere gloed en glans, je gevoel maakt buitelingen, hoofd en laag, je moet je laten meevoeren door de zielen-strapatsen van archibald. Alles hangt met alles samen omdat dit allemaal in jou gebeurt, in archibald en in ons allemaal.

Ik heb een grote voorkeur voor deze soort van fictie. En in Nederland zijn er behoorlijk veel van zulke auteurs te vinden. Ik noem, willekeurig, romans die ik in 2019 las:

Anton Valens, Chalet 512; Rob van Essen, De goede zoon; Visser; AFTh van der Heijden, Advocaat van de hanen; Nina Weijers, Kamers Antikamers; Manon Uphoff, Vallen is als vliegen; Marente de Moor, Foon; Auke Hulst, Zoeklicht op het gazon; Arnon Grunberg, De asielzoeker. Elk op haar of zijn eigen wijze.


Ik moet nu gewoon een paar citaten geven uit archibald strohalm; ik doe dat ook willekeurig; er is eigenlijk geen beginnen aan. Archibalds vitalisme en euforie kunnen niet hoog genoeg gaan. Alles kan met alles verbonden worden!


‘Als kolossale kanten antimakassar van Jupiters eigen oorkleppen’…’Zijn dubbele, faraonische kroon was het uitzinnige vuurwerk van het leven zelf’ (dit gaat over de grote boom, die archibald ‘Abram’ noemt).

‘Maar een giraffe kan ook springen met vier poten tegelijk, zijn kop tussen de sterren, dwars door de woestijnen naar duizend oases… Mozes (rdv: ook de naam van archibalds bijna verzopen hondje) in de woestijn, uit de verdrukking in de eenzaamheid, goddelijk bevolen in de woestijn met fata morgana’s en amalekieten, zijn lichaam als kruis. Maar hij mocht niet terugkeren in vruchtbaarheid en vrijheid tot de olijven en zegeningen.’ (ib.: 49-50).


*In Kirchners Orolagium Phantsticum:

‘Wanneer je als een ei
Een door de uren verlaten klok
Stukslaat op je knie
Zal het van je dode moeder zijn

De beeltenis’ (1975: 240; toegevoegd door Mulisch in 1957; het debuut verscheen in 1952 en won direct een literaire prijs)


** https://www.theosofie.net/onlineliteratuur/geheimeleer/deel1/6wereldei.html




Over de auteur

Harry Kurt Victor Mulisch (Haarlem, 29 juli 1927 – Amsterdam, 30 oktober 2010) was een Nederlandse schrijver.

Mulisch, de zoon van een Oostenrijks-Hongaarse vader die collaboreerde tijdens de Tweede Wereldoorlog en een Duits-Joodse moeder, groeide op tijdens de Tweede Wereldoorlog, die een sterke invloed op hem en zijn schrijverschap had. In 1947 verscheen zijn eerste verhaal (De kamer), in 1952 volgde zijn eerste roman: archibald strohalm. Vele andere werken volgden, waaronder Het stenen bruidsbed (1959), Twee vrouwen (1975), De aanslag (1982) en De ontdekking van de hemel (1992). Zijn laatste roman was Siegfried, verschenen in 2001. 'Magisch-mythisch' is een veelgebruikte aanduiding voor een groot deel van zijn oeuvre.

Mulisch geldt als een van de belangrijkste naoorlogse Nederlandse schrijvers. Hij wordt tot "De Grote Drie" van de naoorlogse Nederlandse literatuur gerekend, waartoe ook Willem Frederik Hermans en Gerard Reve behoren. Mulisch won een groot aantal literaire prijzen, waaronder de Prijs der Nederlandse Letteren en de P.C. Hooft-prijs, beide voor zijn gehele oeuvre. De ontdekking van de hemel werd in 2007 uitgeroepen tot het beste Nederlandstalige boek aller tijden. In oktober 2010 overleed de auteur op 83-jarige leeftijd aan kanker.

Titel: archibald strohalm
Auteur: Harry Mulisch
ISBN: 9789023421276
Uitgever: De Bezige Bij; Bij-reeks
Jaar van uitgave: 1975
Aantal pp’s: 240