maandag 30 augustus 2021

Annie Ernaux - De jaren

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact

Je leven trekt als een film aan je voorbij, of toch niet?

Het duurde heel even voor ik doorhad wat die losse zinnen in het begin van Annie Ernaux’ boek, zonder hoofdletter en punt voorstelden: een opsomming van beelden, foto’s, krantenfoto’s, reclames op winkels en in kranten, filmjournaals, bioscoop en boeken in haar leven, het begin van haar leven.

‘… de werkelijke of gefantaseerde beelden, de beelden die je achtervolgen tot in je slaap. De beelden van een moment die baden in het licht dat alleen die beelden eigen is.

Ze zullen allemaal in één klap verdwijnen, zoals ook zijn verdwenen de miljoenen beelden achter de voorhoofden van grootouders die een halve eeuw geleden zijn overleden, van ouders die intussen ook dood zijn. Beelden waarop je als kleuter voorkwam naast andere mensen die al waren overleden voordat je geboren was, precies zoals in onze herinneringen onze jonge kinderen aanwezig zijn naast onze ouders en onze schoolvriendinnen. En eens zullen wij in de herinneringen van onze kinderen voorkomen te midden van kleinkinderen en van mensen die nog niet geboren zijn. Het geheugen stopt nooit, net zomin als de seksuele begeerte. In het geheugen vindt de koppeling plaats tussen de doden en de levenden, tussen werkelijke en gefantaseerde wezens, tussen droom en geschiedenis.’ (2021: 10-11)

Dit citaat kun je opvatten als de intentie van deze roman van Ernaux. Maar toch verduidelijkt dit citaat niet direct alles. Mijn eerste idee was dat dit boek gaat over het individu in de reeks van opeenvolgende generaties; de persoonlijke geschiedenis in relatie tot de algemene geschiedenis en de filosofische overdenkingen daarover. Een tweede gedachte was: doet Ernaux dit dan voor zichzelf; om aan het eind van haar leven een overzicht te geven en nog eenmaal langs de lijnen en beelden van haar leven te gaan, eventueel voor haar nageslacht? Ik verheugde me op beschouwingen over het verglijden van de tijd, van de ‘tijd’ als ‘ding an sich’, het ouder worden of zoiets, over de ontwikkeling in iemands leven. Maar zo’n boek is het niet geworden; het is geen heel persoonlijke autobiografie en toch is het dat in bepaalde delen wel. Dat het geen doorsnee autobiografie is geworden is natuurlijk helemaal niet erg; de lezer (en ik!, grapje, rdv) dient van tijd tot tijd op het verkeerde been gezet; dat is goed om de aandacht vast te houden en de eigen gedachten en meningen te scherpen. Het is wel een soort van autobiografische roman van Ernaux maar haar leven is onlosmakelijk verbonden met de wereldgeschiedenis en dit is de vorm waarin zij haar roman heeft gepresenteerd.

Het eerste deel van het boek vond ik, hoewel zeer afstandelijk, toch erg aantrekkelijk. Het was niet alleen Ernaux’ leven, maar ook dat van mij, al ben ik geen Française en heb ik in mijn bijna zestigste levensjaar geen dertig jaar jongere minnaar gehad.

Het tweede deel leek te opsommerig, qua gebeurtenissen en uitvindingen en qua boze en gefrustreerde gevoelens. Maar dat kan juist zo bedoeld zijn door de auteur: vorm en inhoud zijn congruent.

Het meest opmerkelijke van deze autobiografische roman is het verschijnsel dat Ernaux nergens het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’ gebruikt, maar ‘jij’ of ‘wij’ of ‘zij’ (enkelvoud). Dat doet vreemd aan. Ik denk dat in het Franse origineel het persoonlijk voornaamwoord ‘on’ veel gebruikt wordt. Dat heeft voor Fransen waarschijnlijk een andere emotionele lading dan ‘wij’ of ‘je’ in het Nederlands. In het Frans is het minder afstandelijk, denk ik.

Maar de Nederlandse vertaling doet afstandelijk aan, terwijl veel beelden juist uiterst persoonlijk zijn. Ik zou kunnen denken aan een dissociatieve persoonlijkheid (dissociatief als in het psychiatrisch ziektebeeld: jezelf opsplitsen in meerdere persoonlijkheden) - en helemaal uit te sluiten is dit niet: want blijven wij gedurende ons leven altijd dezelfde? - of is dit juist een vorm om het individu direct te koppelen aan de geschiedenis. En heeft het opgaan in de geschiedenis een troostende functie? Ik ben niet alleen op de wereld, ik ben deel daarvan. Ik ben aan het eind van mijn leven, maar de zingeving van mijn leven ligt in de samenleving. Ik leef niet alleen voor mezelf. Mijn leven is niet vergeefs geweest. Zijn het juist deze filosofische, sociologische, psychologische begrippen die Ernaux op deze wijze heeft vormgegeven? Wellicht.

Ernaux eindigt met: ‘Iets redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn?’ (ib.: 229) Oké denk ik dan: maar ja waarom dan? Om een boek te schrijven à la Proust? Om je leven een uiteindelijke zin te geven? Voor je kinderen en kleinkinderen? Voor je onsterfelijkheid? Of alles tegelijk?

Het eerste deel boeide me, ontroerde me en bracht me meer terug naar mijn eigen biografie. Deze roman is knap geschreven en heeft ongetwijfeld veel research gekost, maar ik heb er moeite mee die te waarderen. Ze is afstandelijk, en misschien op sommige stukken zo filosofisch dat ik er niet helemaal bij kan. Dat alles zorgt er in ieder geval voor dat het boek nog een hele tijd in mijn geheugen zal zitten.

Hier is een tweede recensie te lezen van De jaren

Titel: De jaren
Auteur: Annie Ernaux
Vertaling: Rokus Hofstede
Pagina's: 232
ISBN: 9789029540650
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: Oktober 2020

maandag 23 augustus 2021

Koen Caris - Stenen eten

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact


Schuld en boete

Ben woont in een dorp en doet dat jaar eindexamen. Hij zorgt ook voor zijn moeder, dat zij op tijd uit bed komt en naar haar werk gaat. Er is iets met die jongen. Er is iets met die moeder. Er is iets met dat huis. Het is een verdrietig huis.
 

Daaraan herken je een verdrietig huis: dat gaat achterlopen op de huizen eromheen. ’s Ochtends blijven de gordijnen langer dicht, en ’s avonds staat de televisie nog aan lang nadat de andere woonkamers donker zijn geworden. De kerstboom komt, als hij komt, een paar dagen voor kerst en blijft daarna staan tot eind januari, steeds kaler en bruiner. De kliko wordt minder vaak naar de hoek van de straat gerold en is, wanneer de vuilnismannen zijn langsgekomen, steevast de laatste die nog moet worden opgehaald, als het laatste kind op de opvang dat nog op zijn ouders wacht en ondertussen toekijkt hoe de begeleidster maar vast de lichten begint uit te doen.’ (2021: 35-36)


Hun zus en dochter is drie jaar daarvoor op het spoor gaan staan, ’s avonds. Hun vader en man heeft het nog proberen uit te houden, maar faalde daarin. Sindsdien zijn zoon en moeder alleen en houden zij elkaar vast en nauwelijks op de been (ja, ik weet het, dit is een zeugma, maar ik vind het hier passen).

En toen kwam Emma, een klasgenoot van Ben, die natuurlijk zijn zus, Kim, gekend had. In zo’n dorp kent iedereen elkaar. En Emma deed hetzelfde: spoor, aanstormende avondtrein, en weer een leven weg.

De rouw en het verdriet bij Ben en zijn moeder worden hierdoor extreem aangewakkerd. Het is niet zozeer dat zij hun verdriet extra gaan voelen, het zijn ook nog de schaamte en een zeer onbestemd gevoel van zich niet weten te gedragen en dus dan maar onzichtbaar willen zijn, dat hen nog verder terugwerpt op zichzelf. En na Emma volgen nog een paar kinderen.

Onderwijl volgen er eindexamenfeesten die zo niet genoemd worden, omdat er geen blijheid en opluchting gevierd worden maar iets van een ongerichte en zelfdestructieve rouw van die kinderen.

Toch is dat zelfs nog niet alles. Ben worstelt met zijn homoseksualiteit, en niet zo’n beetje ook.

De stijl en het verhaal zijn heel beeldend. Ik zie de film al voor me. Dit romandebuut lijkt een mengeling van The Virgin Suïcides van Sofia Coppola en de Netflix-serie 13 Reasons Why. Een high school-drama van Nederlandse bodem. Een coming-of-age-verhaal van een zich schuldig voelende jongen. Een medicijn wordt beproefd, natuurlijk, in drank en drugs, seks, en een obsessie met adrenaline.

Nu er meer slachtoffer van …, nu ja, van wat eigenlijk?, zijn weten Ben en zijn moeder helemaal niet meer hoe zich te gedragen. Ze willen wel aandacht en troost van anderen maar ook weer niet. De aandacht van anderen voor hen lijkt steeds net niet van de goede soort te zijn. Bovendien wordt de dode Kim alsmaar opgevolgd door nog meer suïcidale pubers. Ben denkt cynisch:

Het is moeilijk om lang geïnteresseerd te blijven in een dode, daarvoor blijven ze net te veel dood.’ (ib: 119)

In een dorp zo klein als dit leer je van jongs af aan dat je niet tegen de groep ingaat; als zij je niet meer moeten is er geen tweede.’ (ib.: 196)


Het is zaak behoedzaam en stiekem te handelen. Feesten, je te buiten gaan aan drank en drugs, is een afleidingsmanoeuvre of misschien zelfs wel een plengoffer.

Een vreemde lijst met afvinkthema’s doet de rondte en ook foto’s van Kim en Emma. Wat er precies op de lijst staat wordt Ben niet helemaal duidelijk. In ieder geval iets met een gele panty op het hoofd dragen, een vriendje hebben, vermoedelijk ook seks hebben, jezelf verstikken met je eigen handen, en lest best het gaan staan op de spoorbaan en de trein afwachten, zoals Kim had gedaan.

Het is niet het soort verhaal waarin al deze mysteries opgelost worden. Daar gaat het in dit verhaal niet om. Het gaat om Ben en eigenlijk nog niet eens zozeer om het feit dat hij een buitenstaander is, een nerd - want hij kan goed leren -, een homo - wat hij wel verbergt, maar het is niet zijn diepste geheim. Het gaat om Ben en om zijn schuld en boete. Hij draagt zijn schuld met de vastberadenheid van een groot kind, en hij doet boete met de wanhoop van een richtingloze puber.

De vreemde titel van deze roman Stenen eten is te verklaren uit het feit dat stenen een belangrijke rol spelen in dit verhaal - ja, duh..… Het zijn letterlijk de stenen van het spoor. Op het laatst wordt duidelijk hoe dat zit; dat kan ik niet verklappen. Overal liggen stapeltjes stenen, als een grafheuvel misschien voor de omgekomen kinderen. Als de stenen op een joods graf. Als de steenmannetjes in de bergen om de juiste weg te wijzen.

Maar ook de steen en de stenen die zwaar op je maag liggen, schuldgevoel, rouw, verdriet. Ben vertelt Kim op de bewuste avond het verhaal van de krokodil die stenen eet, moet eten, om zijn eten te kunnen verteren. Overigens doen heel veel vogels dat ook, zoals kippen en duiven (rdv). Ben doet dat omdat hij niet weet wat hij tegen Kim moet zeggen en hoe hij haar nog wat langer kan laten blijven.

Koen Caris (1988) is schrijver, schrijfdocent en vertaler. Hij studeerde in 2011 met lof af aan de opleiding Writing for Performance aan de HKU. Sindsdien schreef hij theaterstukken en hoorspelen voor onder andere BNNVARA, de VPRO, Bellevue Lunchtheater, De Hoorspelfabriek, Korthals Stuurman en Festival Over het IJ. Daarnaast was hij 8 jaar lang huisschrijver van het Utrechtse theatergezelschap Als de Beren Komen.

Zijn werk won prijzen op het Café Theater Festival (2012) en het Amsterdam Fringe Festival (2015), en werd genomineerd voor o.a. de ITs Playwriting Award (2011), de Zilveren Reissmicrofoon (2015) en de Prix Europa (2015, 2017). In 2017 ontving hij het TheaterTekstTalent Stipendium van het Prins Bernhard Cultuurfonds.

Koens werk kenmerkt zich door een combinatie van poëzie en geroep, van harde tekst en zachte bedoelingen. Hij schrijft verrassende well-made plays vol scherpe dialogen en licht-magische elementen. Talige maar toegankelijke tragikomedies over kleine mensen die zich maar net staande houden in een wereld die te groot voor ze is.

Koen werkt daarnaast als vertaler, redacteur en copywriter voor o.a. de Hogeschool van Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, HKU Lectoraat en de AHK. (Bron: https://www.koencaris.nl/)

Titel: Stenen eten
Auteur: Koen Caris
Pagina’s: 253
ISBN: 9789025454876
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: juli 2021

vrijdag 13 augustus 2021

Jac. P. Thijsse - Nu ga ik er eens op uit

Recensie door Eric Waut 
Uitgeverij Van Oorschot

De natuurliefhebber aan het werk

"Wer dir, ja dir Natur, sein ganzes Sein ergeben,
Der ühlt das herbe Weh der armen Erde kaum;
Du lebst in ihm, er lebt in dir ein selges Leben,
Und diese Seligkeit ist mehr als flüchtiger Traum"  


Met deze strofe uit een gedicht van Ludwig Bechstein (1801-1860) An die Natur, opent Jac. P. Thijsse Nu ga ik er eens op uit; zijn natuurdagboeken.

Jacobus Pieter Thijsse werd geboren in 1865 te Middelburg. Zijn vader was beroepsmilitair en later als burger actief in militaire sfeer. Hij bracht zijn jeugd door in Grave, Woerden en Amsterdam. Thijsse volgde een opleiding als onderwijzer maar was vooral gefascineerd door de natuur. Hij had duidelijk ambitie om over zijn observaties in de natuur te gaan schrijven. Hij huwde in 1891 met Helena Christina Petronella Bosch. Het gezin heeft een tijdje gewoond te Texel alwaar hij hoofd van de Franse school was. Ze zijn echter teruggekeerd naar Amsterdam. Later is het gezin Thijsse gaan wonen te Bloemendaal. Thijsse raakte bevriend met een andere natuurliefhebber, Eli Heimans (1861-1914). Samen leverden ze een belangrijke bijdrage aan de popularisering van de natuurstudie en stonden ze aan de basis van de natuurbescherming in Nederland. In 1922 kreeg Thijsse een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam. Thijsse overleed in 1945.

Jac. P. Thijsse is ook bekend voor de zogenaamde Verkade-albums die verschenen vanaf het begin van de vorige eeuw. De koekjesfabrikant Verkade voegde plaatjes bij zijn producten. Deze konden worden verzameld en in speciaal daarvoor gemaakte albums worden ingeplakt. Hierbij beschreef Thijsse de Nederlandse flora en fauna op boeiende wijze. Bekend zijn de jaargetijdealbums (Lente, Zomer, Herfst en Winter) en albums over biotopen en natuurgebieden, zoals het Naardermeer. (1) Ze blijken tweedehands nog behoorlijk gezocht en van enige waarde. Daarnaast is Thijsse ook gekend voor een reeks andere uitgaven zoals: Het Vogeljaar en talloze artikelen voor De Levende Natuur

Het is momenteel een hype aan het worden. Terwijl er vrij onheilspellende berichten zijn hoe slecht het gesteld is met onze aarde komt een deel van de bevolking naar buiten. Wandelaars en hikers lopen elkaar voor de voeten.

Wandelen is stilaan ook een literair thema aan het worden. Uitgeverijen zullen dit ook reeds hebben opgemerkt. Natuurdagboeken van bepaalde auteurs worden (her)ontdekt. Het was dan toch wel even afwachten hoe het zou aflopen met de uitgave van deze dagboeken (I: periode 1884-1887 en II: periode 1894-1898) van Jac. P. Thijsse. Een eerste vaststelling is namelijk dat Thijsse in deze dagboeken weinig of geen persoonlijke beschouwingen prijsgeeft. Verder dan een: 'Geen dag is verloren die ons in aanraking brengt met het leven der natuur' komt hij niet. Zelfs als hij op stap is met de bekende auteur Frederik van Eeden (1860-1932) blijft hij de zakelijke bioloog die observeert en noteert. Het is hier zeker geen natuurdagboek zoals dat van Nescio. Thijsse was geen mysticus. Wat maakt dit boek dan zo bijzonder?

Vooreerst is het zo dat deze uitgave zeer rijk geïllustreerd is met Thijsses eigen tekeningen, en met het prachtige beeldmateriaal uit de Verkadealbums en andere boeken van Thijsse. Werkelijk fascinerend en verhalend. Zeker als Thijsse een beschrijving geeft van wat hij ziet. Een andere reden is toch wel de vaststelling dat iets meer dan honderd jaar geleden het echt beter gesteld was met de biodiversiteit. Zo nemen we kennis in een artikel uit 1897 van een observatie van heel wat grutto’s die komen aanvliegen. Zelf nooit gezien.

Thijsse was een natuuractivist die (soms) in actie schoot toen bepaalde prachtige stukken natuur een andere bestemming zouden krijgen. Toch is hij af en toe een pragmaticus. Hij zocht zijn 'kleine' overwinningen. Bekend, en mooi omschreven in dit boek, is zijn actie in verband met het Naardermeer. Dit gebied was omstreeks 1900 ontdekt als vogelrijk gebied. Er waren echter plannen om hiervan een vuilstortplaats te maken. Hiertegen kwam er protest waarbij Thijsse het voortouw nam. Een en ander resulteerde in de oprichting van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland.

Een andere reden is de selectie van artikelen van Thijsse die in deze uitgave zijn opgenomen. Hier zien we de natuurliefhebber aan het werk. Mooie omschrijvingen en zin voor detail. Zelfs een beetje avontuurlijk. Moeilijk wel om te volgen wanneer je geen bioloog van opleiding bent. Toch is er af en toe enige duiding en zijn al de vertalingen van de Latijnse namen keurig opgenomen in een register.

Het is wel even schrikken als we kennis nemen dat er af en toe in opdracht en om wetenschappelijke redenen een vogel en nestje diende te sneuvelen. Het is echter minder schrikken dan wat te lezen is in andere negentiende-eeuwse boeken op het gebied van de natuurlijke historie. Ik herinner mij het werk van Alfred Russel Wallace, Het Maleise eilandenrijk, in dat verband nog als een prachtig werk, met uitzondering van de passages waar de auteur beschrijft hoe hij op jacht gaat. Het zijn de tijden toen er nog geen camera’s konden meereizen met krachtige lenzen. Opgezette dieren in een museum waren het equivalent van de natuurdocumentaires van nu. Zo denk ik maar.

De echte meerwaarde van dit boek is de wijze hoe de samensteller, Marga Coesèl, is te werk gegaan. Mooie verzameling van beeldmateriaal, verklarende voetnoten en verduidelijkingen. Ogenschijnlijk de juiste keuzes gemaakt. Vakwerk! Marga Coesèl is biologe en als gastonderzoeker verbonden aan de Artis Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam en jarenlang actief in de Heimans en Thijsse Stichting. (2)

Deze prachtige uitgave van Van Oorschot hoort in de betere boekenverzameling.

Voetnoten:

(2) https://www.heimansenthijssestichting.nl

--

Titel: Nu ga ik er eens op uit. Wandeldagboeken 1884-1898
Auteur: Jac. P. Thijsse (bezorgd door Marga Coesèl)
Pagina’s: 240
ISBN: 9789028220010
Uitgeverij Van Oorschot
Verschenen: juli 2021

maandag 9 augustus 2021

Annie Ernaux - De jaren


Herinneringen zullen verdwijnen als we ze niet documenteren

Al in 2008 verscheen in Frankrijk Les Années van Annie Ernaux (1940). Een historiographie extraordinaire; een autosociobiografie, zoals ze het zelf noemt. Het duurde nog 12 jaar voor het in een sublieme vertaling van Rokus Hofstede in het Nederlands verscheen. Waarschijnlijk is er lang getwijfeld of de Nederlandse lezer er wel warm voor zou lopen, omdat de literaire vorm zo experimenteel is en een unieke stijl heeft. Dat De jaren hier uiteindelijk in coronatijd is verschenen is gedurfd, maar dit opmerkelijke boek is niet onopgemerkt gebleven.

Ernaux schreef met De jaren – dat wordt gezien als haar magnum opus – een chronologisch opgebouwde existentiële ontwikkelingsroman zonder plot, waarin ze de tijd als het ware opvoert als de protagonist. Ze neemt in een lange monologue intérieur de lezer mee door pakweg de eerste 65 jaar van haar leven; het collectieve geheugen waarin leeftijdsgenoten punten van herkenning zullen vinden, ondanks dat het politiek en cultureel gezien heel Frans is. Ze heeft als het ware allemaal kleine lapjes gebreid die ze tot een kleurrijke lappendeken heeft samengevoegd. Door middel van deze fragmentarische synthese brengt ze de gebeurtenissen van haar tijd tot leven; een geschiedenisles die als een film van foto's aan de lezer voorbij flitst. Dit doet ze zowel op micro (haar eigen leven) als op macro (landelijk) niveau.

Marjon Nooij

Haar leven begint in Normandië, waar ze in een onbemiddeld milieu opgroeit, in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog, terwijl Frankrijk haar wonden likt. Haar familie is niet verschoond gebleven van wreedheden van de oorlog. Ernaux ontworstelt zich aan het milieu en gaat romanistiek studeren, waarna ze als docent werkt op een middelbare school. In 1983 verschijnt haar roman La place/De plek die haar in één klap beroemd maakt. Hierin portretteert ze op openhartige wijze haar overleden vader, zoals hij was en hoe hij zich van boerenknecht heeft opgewerkt tot kleine kruidenier, maar niet hoger op de maatschappelijke ladder wist te klimmen en er zijn hoop op had gevestigd dat het zijn dochter wel zou lukken.
 

'Je had tijd genoeg om naar dingen te verlangen, het plastic schooletui, schoenen met crêpezolen, het gouden horloge. Het bezit ervan was geen ontgoocheling. Je liet ze door anderen bewonderen. Het mysterie en de magie waarvan ze vervuld waren, raakten niet uitgeput als ze werden bekeken en betast. Wanneer je ze door je handen liet gaan, bleef je van die spullen iets ondefinieerbaars verwachten, ook nadat je ze had gekregen.'


Jarenlang heeft ze aantekeningen gemaakt en gedubd over de structuur van het boek dat ze voor ogen had. In het begin lijken haar herinneringen flarden, zonder interpunctie, maar gaandeweg verandert haar stijl, die – zonder metaforen en beeldspraak – toch enigszins kaal blijft. Ze beschrijft hoe de veranderingen in de loop der tijd van invloed zijn geweest op het leven, de kansen en het welbevinden van de vrouw in het algemeen. Ze vertelt haar verhalen '[…] door de lens van het geheugen, van tegenwoordige en herinnerde indrukken, culturele gewoonten, taal, foto’s, boeken, liedjes, radio, televisie, reclame en krantenkoppen.' Hierbij weet ze zo over foto's te vertellen en beelden op te roepen, dat visualiseren haast vanzelf gaat.

Ook haar eigen geschiedenis en studententijd passeren de revue, evenals de gebeurtenissen in de wereld: op het politieke vlak, de technologische sprongen vooruit, klassenverschillen en het onvermijdelijke botsen van generaties, 9/11, de emancipatie en seksuele revolutie, aids, het seksperimenteren en de angst voor ongewenste zwangerschap in zestiger jaren, waardoor de vrouwen steeds met de thermometers in de weer waren. Het biedt een herkenbaar tijdbeeld dat ze op subtiele wijze aan de hand van foto's beschrijft. Ze reflecteert, leidt je door de tijd en neemt geen blad voor de mond, maakt niets mooier dan het was. De foto's zijn echter niet in het boek afgedrukt, zodat de lezer onbevooroordeeld is en de ruimte krijgt om zelf beelden te vormen.

'[…] alle schemerige beelden uit de vroegste kinderjaren, met de plassen licht van een zomerzondag, de droombeelden waarin overleden verwanten uit de dood opstaan, waarin je over ondefinieerbare wegen loopt [...]'


Door zichzelf steevast in de derde persoon enkelvoud te zetten en gebruik te maken van de helikopterview, maakt ze haar eigen verhaal onpersoonlijker, anonimiseert en objectiveert ze zichzelf, houdt distantie. Ze schroomt niet zichzelf meedogenloos te beschrijven, zoals haar uiterlijk. Belangrijke thema's zijn het feminisme en haar linksgeoriënteerde gedachtegoed. Haar bewondering voor Simone de Beauvour steekt ze niet onder stoelen of banken en zegt dat de echte revolutie van de vrouw nog niet beslecht is.

Vanuit twee perspectieven beschrijft Ernaux de geschiedenis: de vertellende 'ik' – ze heeft alles immers al eens meegemaakt – en anderzijds de belevende 'ik', hoewel ze het woordje 'ik' geen enkele keer gebruikt. Hierbij heeft ze zichzelf een oulipiaanse beperking  opgelegd; die, net als het opsommen en de minutieuze beschrijvingen, één van de kenmerken is waaruit blijkt dat ze schatplichtig is aan Georges Perec. Ook komt na verloop van tijd Proust met zijn Verloren tijd in beeld, wordt haar vorm Proustiaans en klinkt urgentie door van het gevoel dat het eind der tijden nabij is.
 

'De zoektocht naar de verloren tijd liep via het web. Archiefdocumenten en allerlei dingen van vroeger die we nooit ofte nimmer hadden gedacht terug te zullen vinden, kwamen onverwijld tot ons. Het geheugen was onuitputtelijk geworden, maar de diepte van de tijd was weg – het gevoel dat je kreeg bij de geur van vergeeld papier, bij ezelsoren in boeken, bij een door een onbekende hand onderstreepte alinea. We bevonden ons in een eindeloos heden.'


De jaren is een magnifieke caleidoscopische collage waarmee Ernaux vanuit haar eigen gezichtspunt verscheidene historische gebeurtenissen en persoonlijke ervaringen op schrift heeft gesteld. Ze heeft haar eigen leven gedocumenteerd, waarbij ze aangeeft te beseffen dat haar geheugen niet onfeilbaar is. Het vlieten van de tijd, de vergankelijkheid, veranderingen in de mores van generatie op generatie en allerlei zintuiglijke ervaringen worden invoelbaar gemaakt, met een flinke dosis melancholie.

De plotloze, gefragmenteerde structuur die Ernaux hanteert is even wennen, maar de openhartige en soms zelfs intieme ontboezemingen grijpen je al snel bij de lurven en weten te ontroeren. Mooi komt naar voren dat Ernaux met het ouder worden, ook milder wordt.

Met dit rijke werk heeft Ernaux iets willen redden van de geschiedenis van het gewone leven en de tijd die nooit meer terug zal komen. Ondanks dat overduidelijk de Franse mores wordt beschreven, is het toch op veel punten herkenbaar voor de Nederlandse lezer. Het werkt als katalysator en laat laadjes in je herinnering openspringen.

--

Eerder verschenen op Tzum 


Titel: De jaren
Auteur: Annie Ernaux
Vertaling: Rokus Hofstede
Pagina's: 232
ISBN: 9789029540650
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: Oktober 2020

woensdag 4 augustus 2021

Józef Wittlin - Het zout der aarde

Recensie door Mireille Bregman
Uitgeverij Wereldbibliotheek 
Schwob winteractie 2020-2021

De Armee van de Dubbelmonarchie

'Een verwonderde baanwachter in het verre Hoetsoelse land sluit voortdurend de slagboom. Zó veel treinen deze nacht en allemaal naar Hongarije. "Wat is er aan de hand?" "Oorlog!"'


Juli 1914. Józef Wittlin beschrijft in Het zout der aarde een bepalende gebeurtenis in de Eerste Wereldoorlog wanneer de keizer van Oostenrijk-Hongarije een oorlogsverklaring tekent aan Servië. Het uitgestrekte keizerrijk en koninkrijk mobiliseert haar troepen, dus de mannen komen uit alle windstreken naar kazernes toe om onder de geel-zwarte vaandels van de kaiserlich und königliche Armee te vechten. Vanuit Wenen, Galicië, Moravië, Bosnië, vanaf de rivieren Donau, Weichsel, Boeg, Memel worden mannen opgeroepen en in treinwagons gestopt. Heel Europa maakt zich op voor een kortdurende oorlog. De roman roept, juicht, stampt in de proloog. Daarna gaat het verhaal naar de simpele ziel Piotr Niewiadomski die door de oproep van zijn bovengeschikte eindelijk de begeerde kepie van de spoorwegen mag opzetten. Hij begrijpt als analfabeet lang niet alles, maar vanuit zijn baanwachtershuisje langs de lijn Lemberg- Czernowitz- Itzkány ziet hij wel dat de treinen vol officieren en soldaten uit verschillende delen van (nu) Polen, Oekraïne en Roemenië richting Boedapest gaan.

Dan wordt hij zelf ook opgeroepen, eerst voor keuring en pas weken later voor de militaire opleiding, Samen met de boeren, orthodox-christenen, Joden, katholieken, die 'vervloekte' Hongaren en wat al niet meer wordt hij in net zo'n trein gezet.
 

'Eentje van de keizer begrijpt een ander van de keizer altijd wel, al was het maar in het Duits. Deze gendarme was er een van de koning. Zie je wel, de Hongaren verdienen zelfs geen keizer.'


Kenmerkend aan de hele roman is dat Wittlin je een panorama biedt op alle oorlogsvoorbereidingen: 
van de oorlogseed ("linksom of rechtsom, je leven behoort de keizer toe"), de dood van de paus en orthodoxe gebruiken ga je naar het leven van de Stabsfeldwebel die het leger praktisch ademt. Altijd keer je terug naar Piotr.

De taal is in het begin bombastisch te noemen, dat zwakt af maar de auteur heeft een goed oog voor detail gehad. Zeker voor wat betreft de vele volkeren met hun talen die, als je niet oppast, elkaar de tent uit vechten, maar het achterwege laten omdat ze in hetzelfde kaiserlich und königliche Armee vechten. Daarom heb ik er tijdens het lezen een paar kaarten bij gezocht die de geografische indeling ten tijde van 1910 tonen.

Achterin is een extra hoofdstuk met uitleg van Madeleine Rietra, vicevoorzitter Internationale Joseph Roth Genootschap opgenomen. De Pool Wittlin was een vriend van Roth en moest ook zijn land ontvluchten voor WOII. Tijdens de vlucht gingen zijn manuscripten voor de twee vervolgdelen op Sól ziemi/Het zout der aarde verloren. De trilogie zou De geschiedenis van de geduldige infanterist moeten heten. Het lukte Wittlin later in zijn Amerikaanse leven niet meer het alsnog af te ronden. In 1937 kwam het boek voor het eerst in het Nederlands uit, in 2020 vertaalde Dirk Zijlstra het opnieuw, voortreffelijk. Het zout der aarde is een zeer passende titel in het licht van de trilogie en is een literair verhaal dat iedereen zou moeten lezen die zich onder meer verdiept in Zweig, Roth, Mann.

Titel: Het zout der aarde
Auteur: Józef Wittlin
Vertaling: Dirk Zijlstra
Pagina's: 320
ISBN: 9789028450875
Uitgeverij Wereldbibliotheek
Verschenen: oktober 2020

donderdag 29 juli 2021

Robert Jan Heyning - Harlekijn


Strak gecomponeerde Odyssee van een verwerkingsproces

Harlekijn is de debuutroman van Robert Jan Heyning (1957); ooit eigenaar van een verhuisbedrijf met bakfiets, thans speelt en schrijft hij toneel en is directeur van zijn eigen naamgevingsbureau.

Marjon Nooij

Een naamloze ik-figuur is aanwezig geweest bij de euthanasie van zijn goede vriend Nils. Vertwijfeld komt hij tot de ontdekking dat hij de emoties rond de dood van zijn broer Adriaan – een paar maanden eerder – pas voelt, als hij zijn vriend uitgeteerd op bed ziet liggen. De dood van zijn vriend lijkt de katalysator te zijn voor het openrijten van oude wonden en het blootleggen van herinneringen. Hij besluit voor een paar weken af te zakken naar Luovo, Zuid Italië. Tijdens de reis probeert hij te achterhalen waar zijn schuldgevoel vandaan komt en zoekt naar het antwoord op de brandende vraag of hij wel voldoende oog heeft gehad voor zijn broer, die zijn eigen leven op zo'n bijzondere manier inkleurde. Is hij wel duidelijk geweest in de boodschap dat hij van Adriaan hield? 'Als je je niet bewust bent van liefde, kan er dan liefde zijn?' Wilde zijn broer überhaupt wel begrepen worden?

In gedachten gaat de protagonist terug in de tijd, reconstrueert het verleden, verwondert zich. Door het beschrijven van allerlei anekdotes uit zijn jeugd krijgt niet alleen de lezer langzamerhand een beeld van Adriaan, maar ook lukt het de verteller zelf steeds beter om de puzzelstukjes te ordenen en op de juiste plaats te leggen, waardoor hij dichter bij zijn gevoel kan komen om eindelijk zijn verdriet te onderkennen. Het is een reis die louterend zou moeten zijn en leiden naar acceptatie en oprecht rouwen. Vanuit het perspectief van de ik-figuur ontrolt het verhaal zich als één lange innerlijke monoloog. De dialogen die zich in zijn geheugen hebben genesteld zijn zonder interpunctie.

Het verhaal geeft in eerste instantie de indruk van de hak op de tak te springen: heen en weer in tijd, plaats, gebeurtenissen. De niet-chronologische opbouw houdt de spanningsboog hoog, met name door het gebruiken van voorafschaduwing, die verwijst naar gebeurtenissen die later zullen plaatsvinden. Het is even wennen aan de schijnbaar incoherente, scenische synthese, die een opmaat blijkt te zijn naar het overlijden van zijn jongere broer, die hij misschien teveel in bescherming wilde nemen.
 

'Terwijl de onroerendgoedpooier uit zijn stoel komt grijp ik met twee handen zijn nek en beuk hem met zijn gezicht een paar keer in rouleau van haas en konijn in peterseliejus en ruk hem achterover van zijn stoel. Op het tafellaken en het fijne bloesje van zijn veel te jonge vriendin zitten spetters bloed en jus. De vrouw begint te gillen en ligt een seconde later als een lappenpop met het servetje nog in haar hand in het tochtgordijn bij de deur. Mijn broer trekt me naar buiten. Wegwezen, giechelt hij.'


Wanneer ze begin twintig zijn, vertelt Adriaan langs zijn neus weg dat hij kanker heeft – melanomen en naar alle waarschijnlijkheid ook botkanker en leukemie – om vervolgens op luchtige wijze over te gaan tot de orde van de dag. Op een later moment voegt hij daar nog aan toe dat hij tot de ontdekking is gekomen dat hij homoseksueel is; een bekentenis die hem beduidend minder gemakkelijk afgaat.
 

'[…] in hem schuilde een groot en vernietigend geweld. Groter zelfs dan het mijne. Hij wist dat. Mijn broer begreep dingen die niemand anders kon begrijpen. Ik evenmin.
Adriaan kende zichzelf.'


Dat hij zich ergerde aan het feit dat Adriaan leek te koketteren met zijn ziekte en die geraffineerd wist in te zetten, maakt hem onzeker:
'als een loper waarmee hij elke deur kon openen die anders misschien gesloten bleef, zonder zich ooit echt te interesseren voor wat er al in die kamers leefde. Maar nooit heb ik me afgevraagd of er misschien iets onder die leugens verscholen zat, gekneveld op een donker plekje, hunkerend naar ruimte, warmte licht en lucht. Misschien waren het geen leugens en was ik het, die zich misleiden liet door de vorm.'

Omdat het toneelwerk spijtig genoeg te weinig in het laatje brengt, ontstaat er een ander idee. 'Woordbedenker word ik. Ik bedenk namen voor nieuwe producten en bedrijven. InWoording, heet de onderneming.' en samen met Adriaan zet hij het bedrijf op. Hun verschillende eigenschappen zorgen ervoor dat ze elkaar als partners goed aanvullen en werken als communicerende vaten.

'Adriaan hoorde en zag en voelde dingen die hij alleen kon horen, zien en voelen.'


De titel Harlekijn is een intertekstuele echo van
Harlekinade, de autobiografische roman van Nabokov, en Arlecchino, de tragische paljas uit de Commedia dell'Arte, die zijn gezicht maar deels laat zien. Een in het Italië van de zeventiende eeuw populaire en improviserende wijze van toneelspelen, met een combinatie van serieuze en komische aspecten. 'Bedenk de wereld! Bedenk de werkelijkheid!' hadden de gevleugelde woorden van Adriaan kunnen zijn.

Heyning toont in deze diep gelaagde, compacte, doch zeer rijke roman, zijn brille door geen woord te veel te schrijven en de lezer de ruimte te geven om zelf beelden te vormen. In ontroerende scènes toont hij zijn kwetsbaarheid, een broos gevoel van onzekerheid, waardoor de lezer dicht op zijn huid blijft zitten. Maar de humor houdt het licht en hilarische taferelen nodigen regelmatig uit tot hardop lachen. Geestig zijn de zelfbedachte woorden – hij heeft niet voor niets een naamgevingsbureau –, zoals 'ratelpraten' en 'bekapstokt'. Met veel zwier speelt hij met taal, nu eens geestig, dan weer vertederend of aangrijpend proza. Door gebruik te maken van humoristische overdrijvingen, krijgen de treurige en beladen scènes voldoende lucht en trapt de auteur niet in de val sentimenteel te worden. Een retegoed debuut dat hij herlezing weer een aantal nieuwe aanwijzingen blootgeeft.

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Harlekijn
Auteur: Robert Jan Heyning
Pagina's: 184
ISBN: 9789492068538
Uitgeverij Oevers
Verschenen: maart 2021

maandag 12 juli 2021

Albert Cossery - De trotse bedelaars

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Jurgen Maas
Schwob zomeractie 2021


Te trots om elkaar te verraden

In De trotse bedelaars uit 1955 voert Albert Cossery hoerenlopers, beroepspeukenrapers en dito bedelaars op. Een belangrijk thema dat aangesneden wordt is de vraag of een mens gelukkiger wordt van een succesvol leven en de meest luxe spullen om zich heen. De charmante Gohar denkt van niet. Hij brengt zijn nachten door op kranten in plaats van op een matras en leeft 'met een strikt minimum aan materiële middelen. Ieder besef van zelfs de meest elementaire vormen van comfort had hij allang uit zijn geheugen gebannen.' Zijn bestaan als universitair docent filosofie heeft hij opgegeven en zich uit vrije wil tot het gilde der bedelstaf bekeerd. In weerwil van zijn grote droom om ooit de trein naar Syrië te pakken, is hij volmaakt happy met zijn bestaan, behalve dan op momenten dat hij zonder zijn vaste dosis hasj zit en hij op zoek moet naar de onooglijke Yéghen; zijn vertrouwde dealer, zonder vaste verblijfplaats en steevast zonder een cent op zak.
 

'Het was een droom die hij sinds lang koesterde, de enige die hij zichzelf toestond en wel omdat hij direct verband hield met de bron van zijn gelukzaligheid. In Syrië gold geen enkel verbod op verdovende middelen. Hasjiesj groeide er open en bloot in de velden, als ordinaire klaver, en je kon het zelf verbouwen als je wilde.'


Tijdens zijn zoektocht doet Gohar het plaatselijke bordeel aan, in de ijdele hoop Yéghen daar aan te treffen. Hij verleent de analfabete dames regelmatig een gunst door administratieve klusjes te doen, maar komt er nooit als klant. Deze keer echter verliest hij zichzelf in zijn verlangen naar drugs en – nee, dit is géén spoiler – hij wurgt in een vlaag van verstandsverbijstering het jonge hoertje Arnaba vanwege haar 'gouden' sieraden.

'Hij was nu heel rustig, volkomen ontnuchterd door de schokkende ontdekking dat hij zich had vergist. Hij liet het lijk van het meisje voor wat het was, pakte zijn fez die op het bed was gerold, […] en begaf zich naar de deur. De wachtkamer was nog steeds donker en verlaten. Zo te zien was er in de tussentijd niemand geweest. Gohar liep langzaam de trap af, sloeg zonder enige vrees de steeg in en groette een voorbijganger die hij niet kende, alsof er niets gebeurd was, uit pure beleefdheid.'


Zonder de minste gewetenswroeging zoekt hij verder naar Yéghen en komt onderweg een goede bekende tegen; El Kordi – werkzaam als incapabele klerk op het ministerie. Deze vertelt hem dat hij zichzelf de opdracht heeft gegeven om een aan tbc lijdend hoertje te bevrijden uit de klauwen van de hoerenmadam.

Wanneer de moord op Arnaba wordt ontdekt, wordt de despotische rechercheur Nour El Dine – een antiheld – tegen zijn zin belast met het onderzoek en ontwikkelt zich een wanordelijke intrige tussen hem, Gohar, Yéghen en El Kordi – die als karakters complementair zijn aan elkaar. Er komt aan het licht dat Nour El Dine graag zijn tanden zet in jong mannenvlees, wat weliswaar nog niet op een succes lijkt uit te lopen. Omdat het dode hoertje niet verkracht of bestolen blijkt te zijn, richt hij zijn pijlen niet op de arme sloebers – die zouden zeker bijkomende motieven gehad hebben – , maar zoekt naar de dader in de meer intellectuele kringen. Tegelijkertijd blijft hij zich verbazen over de blijmoedigheid van het drietal, ondanks dat ook zij te maken hebben met fikse tegenslagen. De tevredenheid van de heren verwart de rechercheur in eerste instantie, waardoor hij zijn vinger heel lang niet op de zere plek krijgt, maar uiteindelijk begint het hem te dagen.

Albert Cossery (1913 – 2008) – geboren in Caïro – voelde het schrijversbloed al op tienjarige leeftijd door de aderen borrelen. In 1945 blies hij de aftocht vanuit Egypte en vestigde zich in Parijs op een hotelkamer waar hij, tot zijn dood, vijfenzestig jaar heeft gewoond. Zijn dagen sleet hij het liefst in ledigheid – een boek schrijven kostte hem gemiddeld tien jaar –, had een broertje dood aan werken, stortte zich met veel plezier in het nachtleven met de intellectuele, surrealistische, literaire elite, of flaneerde door de stad om uren door te brengen op een terras en mensen te bestuderen. Dit flegmatische trekje en zijn dandyisme zijn een terugkerend motief in zijn romans, evenals cynisme, vileine ironie, de lofzang op luiheid en armlastige schobbejakken die soms wat opportunistische trekjes vertonen, maar steeds weer de sympathie van de lezer weten te vangen. Vanwege de herkenbare motieven – ook te vinden in Grote dieven, kleine dieven en De luiaards in de vruchtbare vallei kan zijn schrijfstijl met een gerust hart cosseryaans genoemd worden. Bovendien laat hij zijn protagonisten bij voorkeur lanterfanten in de schimmige straten van de volksbuurten van Caïro. Zelf was Cossery zich er terdege van bewust dat zijn romans veel overeenkomsten hebben en hij schertste eens dat hij elke keer hetzelfde boek schreef. 

Dat de auteur een groot liefhebber was van de leer der esthetiek, getuigen de gedetailleerde beschrijvingen van de kleurrijke personages en de karakteristieke omgeving waarin zij zich bewegen. Het zintuiglijke van zijn teksten komt de lezer bijna letterlijk vanaf de bladzijden tegemoet waaien wanneer de geuren van de etenswaren, hasj en de smerige straten worden beschreven, evenals de eeuwige rumoerigheid overal. Maar wees gewaarschuwd: wie eenmaal een Cossery heeft gelezen, is voor altijd verkocht.

Ondanks dat de vertaling van de hand van Rosalie Siblesz dateert uit 1987 doet dit niets af aan de frisheid van dit heerlijke verhaal. De verdieping in de gelaagdheid zit hem in het wisselende perspectief, dat steeds een ander personage belicht. De bijrollen zijn weggelegd voor een aantal markante karikaturen, zoals een buurman zonder ledematen die elke dag door zijn potige vrouw op de schouder wordt genomen en op straat wordt gezet om te bedelen. Bij thuiskomst moet de arme man zich zelfs tegenover zijn jaloerse echtgenote verantwoorden dat hij niet vreemd is gegaan.

De trotse bedelaars zit vol vermakelijke, stoïcijnse dialogen en speels sarcasme, maar toch gloort er regelmatig een sprankje medemenselijkheid tussen de armoedzaaiers van de straat, die elkaar nóóit zullen verraden.

Auteur: Albert Cossery
Vertaling: Rosalie Siblesz
Pagina's: 284
ISBN: 9789491921872
Verschenen: april 2021

vrijdag 9 juli 2021

R.C. Sherriff - Twee weken weg

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact


Een vakantieboek?




Vroeger bestond er het fenomeen
vakantieboek: een boek vol verhalen, mopjes, puzzels en dat soort luchtige zaken, om in je vakantie te lezen en te doen en om van te genieten, het onbezorgde leven, los van school en verplicht leren. Vandaar ook de puzzeltjes en mopjes: die waren het ‘dolce far niente’ van je leven als schoolgaand kind.

Is dit boek van Sherriff zo’n roman over het ‘dolce far niente’? Op de voorkant staat een uitspraak van Kazuo Ishiguro over deze roman uit 1931: ‘Een opbeurender roman dan deze kan ik op dit moment niet bedenken.’ Toen ik dat las had ik het gevoel in een soort Joop ter Heul-verhaal terecht te zullen komen. Nou ja, nee, dat dacht ik eigenlijk niet echt. Engelse romans munten vaak uit in een heerlijk soort van humor, onder de oppervlakte maar ook vaak best scherp of ironisch. 
Deze eerste roman van R.C. Sherriff gaat over vakantie vieren van een doorsnee burgerlijk gezin anno 1930, het dolce far niente dat nagestreefd wordt maar waarvan duidelijk wordt dat die niet altijd beleefd kan worden. Misschien is Ishiguro’s uitspraak uit zijn context getrokken - dat zal vast wel; dat gebeurt altijd met dit soort reclamekreten - of las hij toch een ander boek dan ik; en ook dat is zeer wel mogelijk.

De familie Stevens, die bestaat uit moeder Flossie, vader Ernie, oudste zoon Dick, dochter Mary en jongste zoon Ernie, gaat al twintig jaar naar de badplaats Bognor aan de zuidkust en ieder jaar gaat ze naar het pension Zeezicht. Waarom heet Zeezicht zo?

Voor hun huwelijksreis hadden ze (meneer en mevrouw Stevens, rdv) kamers gehuurd bij meneer en mevrouw Huggett in de St. Matthews Road, in een pension dat Zeezicht heette omdat je vanuit het wc-raampje de top van de lantaarnpaal op de boulevard kon zien.’ (2021: 17) Dat is humor, toch? Tenminste, ik proestte het uit, alsof ik Joop ter Heul zelf was.

Vakantie is fijn maar het is een hoop geregel en nerveus gedoe: bagage inpakken in de grote hutkoffer, kruiers regelen om die bagage de trein in te krijgen, de treinkaartjes kopen, je druk maken of je in de trein wel bij elkaar kon zitten, of de overstap in Clapham Junction wel goed zou verlopen (idem: kruiers, bagage, bij elkaar kunnen zitten, druk station, angst elkaar kwijt te zullen raken). Maar ook qua huisdieren is het een gedoe met buren die gepaaid en gepoederd moeten worden. Meneer S is wel in zijn comfortzone, nu hij , anders dan op kantoor, alles zelf in de hand heeft; de grotere kinderen Dick en Mary, die zelf al een baan hebben - en misschien voor de laatste keer meegaan - schikken zich nog naar hun ouders, al betalen ze een klein deel van de vakantie mee. Mevrouw S is totaal outside haar comfortzone. Een huisvrouw die tegelijk huismus is, vindt het wel fijn dat zij minder huishoudelijke klussen heeft te doen - maar let op: huishoudelijke klussen blijven er altijd - maar ze is erg onzeker, gewoon omdat ze niet in haar eigen huis is.

Tevens is het pension niet meer dat gerieflijke vakantiehuis dat het vroeger was. Meneer Huggett is niet meer en mevrouw Huggett heeft het op verschillende vlakken moeilijk. Haar gezondheid lijkt achteruit te gaan en financieel krijgt zij het ook niet meer spits. Het huis raakt ouderwets - er is niet overal elektrisch licht - en vervallen - bobbels in de matrassen, het linoleum raakt versleten -.

Vrouwen komen er in dit boek niet zo heel goed af, in ieder geval zijn zij een stuk nerveuzer nog dan de mannen. Natuurlijk, het is de tijd, net wat u zegt (vrij naar Wim Sonneveld). De oudere vrouwen zijn behoorlijk neurotisch en onzeker; zij zijn verre van vrouwen van de wereld. Ze zijn nauwelijks aantrekkelijk - meneer S haalt zijn hart aan bij de barmeid van de pub waar hij iedere avond een pint gaat drinken; nee, hij is zijn vrouw niet fysiek ontrouw, daar is hij te netjes en te precies voor. Maar ook Mary komt er niet zo goed af. Ze is een jaar of 17 of 18 en beleeft op deze vakantie haar eerste liefde. Ze voelt zich saai tegenover een ‘vriendin’ die ze maakt aan het strand en tegenover haar eerste lief, een acteur, Pat, die haar zonder met zijn ogen te knipperen laat zitten. Ze is ook saai, al heeft ze wel de frisheid van een jonge vrouw.

De mannen uit de familie S hebben ook zo hun sores; zij vinden dat zij niet gewaardeerd worden op hun kantoor en meneer S voelt zich als voormalig secretaris van zijn voetbalclub behoorlijk gekleineerd. Dick zit ook op een kantoor en heeft het niet naar zijn zin. Hij besluit tijdens de vakantie iets aan zijn leven te veranderen: hij gaat een avondstudie doen. Hij is feitelijk de meest positieve figuur uit het boek; hij heeft het meeste elan.

De kleinste man van het gezin S is de kleine Ernie, een jaar of 8,9; van hem komen we niets meer te weten dan dat zijn hij perse zijn zeilboot mee wil nemen, ondanks de omstandigheid dat het ding overal in de weg staat. Is dat omdat Ernie nog vertoeft in het leven van de onmondige kinderen of wist de auteur niets aan te vangen met een zo’n jong personage?

Toch wordt er volop van vakantieactiviteiten genoten: ’s morgens spelen vader en de kinderen cricket; na de warme maaltijd ’s middags wordt er gezwommen en op het strand gelegen, maar niet door mevrouw S, die bang is van water - hadden wij anders verwacht? En ’s avonds zijn er de muziektent, de speelhal of een wandeling langs zee. Eenmaal in de vakantie maakt meneer S een lange wandeling in het achterland van een ruime twintig km. Sportief zijn ze! Dick was op lokaal niveau hardloopkampioen en thuis loopt hij na het avondmaal nog een rondje hard. Typisch Engels, denk ik dan.

De roman wordt voorafgegaan door een paar woorden van de auteur zelf, die toneelstukken en filmscenario’s had geschreven, maar een roman, dat lukte hem aanvankelijk niet. Hij besloot gewoon de dingen op te schrijven zoals hij ze zag. De auteur is zelf nadrukkelijk in de roman aanwezig als alwetende verteller. Dat werkt in dit geval heel goed, want hij tilt je als lezer op tot zijn niveau: een soort helikopterview. Dat geeft de roman een emotionele dubbelhartigheid. Enerzijds kun je je als lezer een beetje verkneukelen over de enorme kleinburgerlijkheid van de familie S, die op iedere penny moet letten, die zich zorgen maakt over iedere rimpeling van haar bestaan. Maar ook beleef je hun vakantiegenot, dat er voor een groot deel in bestaat dat zij ieder jaar alles precies zo kopieert als het jaar daarvoor. Daardoor ga je je weer verkneukelen of - zoals ik toch vaak deed - ga je je benauwd voelen of geërgerd door zoveel kleinburgerlijkheid en kleine neuroses. Die kleinburgerlijkheid is soms grappig en soms pijnlijk, zoals wanneer het duidelijk is dat meneer S bepaalde dingen meer doet om bekenden en buren te imponeren dan uit innerlijke motivatie.

In mijn idee is deze roman helemaal niet zo’n happy holidays story. De familie en haar leden staan op de drempel naar een nieuwe tijd: die zonder vakanties in Bognor in pension Zeezicht, zonder de oudste kinderen Dick en Mary, die beiden de leeftijd hebben om uit te vliegen. Deze vakantie is een afscheid van hun leven als gezin. Meneer S beseft dat zijn werkzame leven weinig gelukkige verrassingen meer in petto heeft. Mevrouw S zal nog meer huismusserig worden.

Een bittersweet en weemoedig vakantieverhaal van een uiteenvallend kleinburgerlijk gezin uit een Londense voorstad.

R.C. Sherriff (1896-1975) diende tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Engelse leger en verwerkte zijn ervaringen in het toneelstuk Journeys End (1928). Naast toneelstukken schreef hij een aantal romans en filmscenarios, die destijds genomineerd werden voor o.a. de Academy Awards en een BAFTA. Twee weken weg verscheen oorspronkelijk in 1931 en verschijnt in juni 2021 voor het eerst in Nederlandse vertaling. (Bron: https://www.atlascontact.nl/auteur/r-c-sherriff/)

Titel: Twee weken weg / The Fortnight in September
Auteur: R.C. Sherriff
Vertaler: Inge Kok
Pagina's: 352
ISBN: 9789025471020
Uitgeverij Atlas Contact
Jaar van uitgave: 1931; 2021

maandag 28 juni 2021

Nadia Owusu - Naschokken

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Signatuur


De breuklijnen van een ontwortelde jeugd

Met haar debuut Naschokken schreef Nadia Owusu (1982) een indringende ontwikkelingsroman over de impact van verschillende ontwrichtende ervaringen, waarbij ze op achtentwintigjarige leeftijd haar gecompliceerde jeugd tegen het licht houdt. Haar verhaal is niet chronologisch; ze hangt het op aan het moment in haar leven dat ze achtentwintig is, de instorting nabij en ze in willekeurige flashbacks de lezer deelgenoot maakt van de vele traumatische gebeurtenissen die haar vertrouwen in het leven hebben bepaald.

Owusu is geboren in Dar es Salaam, Tanzania, als dochter van een blanke Armeens-Amerikaanse moeder een zwarte Ghanese vader. Door de biraciale genen wordt ze in Afrika gezien als wit, maar in Europa en Amerika gaat ze door voor Zwart (met een hoofdletter).

Wanneer ze twee jaar oud is loopt haar moeder ineens uit haar leven. Vanwege het werk van haar vader, in dienst van de VN, verhuist het gezin regelmatig – inmiddels is haar Baba hertrouwd met Anabel – en woont Nadia tevens een paar jaar bij haar tante in Engeland, waar ze op school voor het eerst in haar leven tegen discriminatie aanloopt.

'In sommige woningen bleven we maar zo kort dat onze ingelijste foto's niet eens een vervaagde rechthoek op de muren nalieten. […] Hoe vaak ik ook op kalen vloeren stond, omringd door kale muren en mezelf voorhield dat ik overal en bij iedereen hoorde, een leeg huis voelde altijd als een ruïne. Mijn falen om echt bij mijn vaders familie te horen, en bij die van mijn moeder, ervoer ik altijd als een grote schande.'

Het samengestelde gezin leeft als expats onder voortdurende bewaking in Addis Abeba, vanaf een afstandje maakt het de burgeroorlog mee in Ethiopië en Oeganda, en ziet de burgerbevolking in lange rijen staan voor voedselpakketten, terwijl hun eigen proviand met speciale leveringen wordt ingevlogen. In Rome krijgt Owusu een mes op de keel en krijgt ze te maken met een handtastelijke buurman.

Zeven is ze wanneer er in Armenië een desastreuze aardbeving plaatsheeft; precies op de dag dat haar moeder hen in Rome komt opzoeken. Deze aardbeving (met zijn naschokken) ziet ze als de leidende metafoor in haar jonge leven, dat getekend is door verlating, ontworteling en het gevoel dat ze zich nooit ergens heeft thuis gevoeld. Een denkbeeldige seismometer in haar hoofd zal haar waarschuwen voor naderend gevaar.

'Mijn moeders haar is lang, steil en zwart. Het wappert achter haar aan in de wind. Ze loopt weer weg. In het maanlicht is ze als een spookschip dat op verglaasde wateren afdrijft naar een plek waar de hemel en zee elkaar raken, tot het ver achter de kromming van de aarde verdwijnt. […] Ik wil haar naroepen, maar ik ben bang dat ze zich niet zal omdraaien. Of dat ze dat wel doet en dan, wat erger is, nog altijd niet voor mij zal kiezen.'

Tot overmaat van ramp overlijdt Baba, haar anker, wanneer ze dertien is, waarna zij en haar zusje bij hun stiefmoeder blijven wonen. De relatie met Anabel hapert met grote regelmaat en op haar achttiende vertrekt Owusu – ontworteld en ontheemd – naar de VS, waar ze studeert en 's avonds en 's nachts alle zeilen bij moet zetten om met allerlei baantjes de eindjes aan elkaar te knopen. Ze belandt hierdoor in een vicieuze cirkel. Falen in het één zal onherroepelijk leiden tot het falen in het andere. Depressies, paniekaanvallen en 'scheuren die dieper werden en uitgroeiden tot geulen en uiteindelijk tot een allesverterende afgrond' leiden.

Het vinden van een blauwe schommelstoel – Baba zat altijd in een bijna identiek exemplaar – triggert haar tot introspectie en ze overloopt de voorbije achtentwintig jaar die veelvuldig door elkaar zijn geschud. Een week lang brengt ze haar dagen door op haar veilige blauwe-stoelen-eiland, op zoek naar de reden van de pijn die aan haar vreet. Waar ze eerst een leven leidde op macro niveau reduceert ze op de stoel haar bestaan als het ware tot een microkosmos, die haar beter in staat stelt om de zere plekken te analyseren. Slapeloosheid, automutilatie, waanvoorstellingen en het voortdurende gevoel dat anderen haar pijn doen, vechten om voorrang en als een ononderbroken film flitst haar leven vanuit de krochten van haar bewustzijn aan haar geestesoog voorbij.

'Er zat een deur in mijn hoofd. Tot op dat moment was die voor me verborgen gebleven. Er hing een uithangbord boven: DE ENIGE UITWEG IS EEN PERMANENTE UITWEG. Zodra die deur verschijnt, kun je niet anders dan fantaseren over wat er zich aan de andere kant bevindt. Je kunt niet anders dan manieren verzinnen om daar te komen.'

Owusu stelt zich bewonderenswaardig kwetsbaar op in haar autobiografische herinneringen, die zowel intiem, actueel als urgent zijn. De worsteling en knagende vragen over waar ze thuishoort als je zo veel verschillende culturen in je meedraagt, in zo veel landen hebt gewoond en meerdere talen spreekt. Invoelbaar zijn de grote verliezen die ze heeft geleden. Haar zoektocht naar een juiste identiteit, heeft haar gecompliceerde bestaan getekend en overhoop gegooid. Als klap op de vuurpijl is ze ook nog getuige van de aanslagen op de Twin Towers. Zie daar dan maar eens zonder psychische kleerscheuren uit te komen.

Het gelaagde verhaal schuurt, maar het proza is helder en soms heel strak geformuleerd, afgewisseld met prachtige, lyrische zinnen. De aardbeving als metafoor heeft ze daar doorheen gevlochten. Ze doorloopt de fasen die horen bij rouw, tot de naschokken tot stilstand komen en ze zich gelouterd voelt. Ze (ver)oordeelt niet, zoekt altijd naar redenen voor het gedrag van de ander jegens haar.

Het grote gevaar met dergelijke verhalen is dat het wel eens te veel van het goede kan worden, maar Owusu laat het nergens over-the-top gaan, laat zich niet verleiden om in de slachtofferrol te kruipen en blijft op zeer realistische wijze vertellen.

Een veelbelovende debutant, waar we hopelijk meer van zullen horen.

Eerder verschenen op Tzum, Bazarow en De Leesclub van Alles


Titel: Naschokken
Auteur: Nadia Owusu
Vertaling: Anne Jongeling
Pagina's: 352
ISBN: 9789056726249
Uitgeverij Signatuur
Verschenen: maart 2021

maandag 21 juni 2021

Nelleke Noordervliet - Wat er werkelijk is

Recensie door Dietske Geerlings
Uitgeverij Van Oorschot


'Dat ben ik hier in ieder opzicht: voorlopig, tijdelijk.’

In de reeks wandelingen Terloops, die uitgeverij Van Oorschot uitgeeft, is Wat er werkelijk is van Nelleke Noordervliet van een bijzondere schoonheid. Dat komt niet alleen door de gedetailleerde beschrijvingen waarmee zij de lezer het prachtige Ierse landschap laat beleven, maar ook door haar filosofische bespiegelingen die zij, heel subtiel, door de landschapsbeschrijvingen mengt.

De beleving van een wandeling kan niet anders dan een unieke ervaring zijn, omdat er altijd sprake is van een perspectief waaruit je het landschap bekijkt en daarnaast elk moment het landschap verandert, door de lichtval, de weersomstandigheden, de seizoenen. Door juist dat tijdelijke, terloopse van de wandeling te benadrukken, en tegelijkertijd te laten zien hoe het landschap verankerd is in een eeuwenlange geschiedenis, maakt Noordervliet het ook voor de lezer tot een unieke ervaring. Zo beschrijft ze momentopnamen, zoals de windvlaag, die net op dat moment ‘als een belediging’ in haar gezicht blaast, maar laat ze ook zien hoe de windvlagen van andere momenten uiteindelijk het landschap hebben gevormd:

'De bomen en struiken zijn ernaar gaan staan. Ze willen vluchten, verlangen naar benen of vleugels, maar hun wortels houden hen tegen. Dit voorjaar scheerde een zilte storm als een zeis over de toppen. Het jonge blad had geen verweer tegen het zout. De uiteinden van de takken zijn kaal.'


Het is bewonderingswaardig hoe bescheiden Noordervliet zelf op de achtergrond blijft, de lezer nooit het uitzicht op het landschap ontneemt. Ze citeert regelmatig anderen, zoals Robert Macfarlane uit The Wild Places:

‘"Landscape was here long before we were even dreamed. It watched us arrive. It will watch us leave.’ Dat ben ik hier in ieder opzicht: voorlopig, tijdelijk. Het landschap ziet me komen en gaan.'


Haar subtiele observaties en het citeren van anderen bevestigen voortdurend haar eigen nietigheid. Zo geeft ze aan dat ze altijd het liefst een lus loopt, zodat ze niet dezelfde weg terug hoeft te nemen, maar constateert meteen daarop dat de terugweg nooit dezelfde is als de heenweg. Om zich daarvan te vergewissen draait ze zich na honderd meter om en ziet hoe het gezichtsveld op de terugweg totaal anders gevuld is dan op de heenweg:

'Heen zie ik de berg waarop ik koers, terug zie ik het dal dat ik verlaat. Heen zie ik de voorkant van het huis dat ik passeer, terug de achterkant. Heen verbergen bomen de schapenstal, terug zie ik hem. Daarom sta ik tijdens een wandeling af en toe stil om even 360 graden te nemen en met de blik rustig het decor af te tasten. '


Door dit soort observaties voelt de lezer niet alleen hoe het landschap te groot is om te omvatten, maar ook dat deze observaties uitstijgen boven alleen deze wandeling. Ze zijn immers ook van toepassing op het leven zelf: iets kan zich als een berg voordoen, en als je er eenmaal bovenop staat en achteromkijkt, zie je hoe je uit een dal bent geklommen.

Hoe dieper je met Noordervliet het Ierse landschap intrekt en leest hoe zij zich verdiept heeft in de geschiedenis ervan, hoe meer je ervaart dat het haar mooie inzichten geeft:

'De wandeling is voor mij een ritueel geworden. Een pelgrimage naar het diepe verleden, waarover we zo weinig weten dat er veel ruimte overblijft voor onze onbeholpen verbeelding. (…) Mijn belangstelling voor geschiedenis heeft te maken met de troost van de continuïteit. Alles verandert, niets blijft gelijk, het leven is zwaar, maar de generaties geven elkaar de hand en scheppen moed en inspiratie uit schoonheid, warmte, en vreugde. En hoewel er geen dag voorbijgaat of ik denk aan de dood (hoe hij nader sluipt of plotseling toeslaat en hoe ik dan geschrokken of verslagen toegeef), toont dit landschap dat het leven sterker is dan de dood. Ik ben een schakel in de keten van leven. Niets meer, niets minder.'


Door de geschiedenis erbij te betrekken, laat ze de schimmen uit het verleden met haar meewandelen:

'In mijn verbeelding word ik niet alleen vergezeld door de haveloze zeventiende eeuwers maar ook door het steentijdvolk dat op een hoogtijdag de berg over trekt. We zijn met velen.'


Noordervliet laat met dit kleine juweel iets belangrijks zien, namelijk hoe veelomvattend het leven is, hoe groots het landschap, hoe klein en onbetekenend de mens lijkt, maar dat toch ieder deel ertoe doet, iets toevoegt aan dat grote geheel:

'We onthullen niet, we maken. We maken onze goden. We maken onze werkelijkheid. We schrijven zelf ons leven. Een unieke taak die meer betekenis heeft dan de ontraadseling van een goddelijk plan, de onderschikking aan een onkenbaar besluit.'

Al wandelend en schrijvend heeft zij een klein, behapbaar, wonderschoon stukje werkelijkheid toegevoegd aan die grote, waarin wij ons maar al te vaak verslikken. 

Eerder verschenen op Tzum

Auteur: Nelleke Noordervliet
Pagina's: 64
ISBN: 9789028211124
Uitgeverij Van Oorschot
Reeks: Terloops
Verschenen: april 2021