zaterdag 7 november 2020

Interview 'Waar maanlicht vleugels raakt'

Interview door Jan Stoel 


“Wat begint als geschiedenis, eindigt als herinnering en daar tussenin vallen gaten”


Er zijn auteurs die ervoor kiezen om hun werk in eigen beheer uit te geven, het liefst alles in eigen hand houden. Het nadeel is dat een ‘selfpubber’ geen uitgeverij achter de hand heeft voor bijvoorbeeld promotie. Als er een uitgeverij achter staat dan moet het boek wel ‘goed’ zijn is dan vaak de filosofie. Zelf publiceren betekent doorgaans ook dat je alles zelf moet doen. Zelf uitgeven is een enorme uitdaging. De kwaliteit moet immers goed zijn, zowel qua inhoud als qua opmaak.

Ik werd geattendeerd op Dietske Geerlings. Zij heeft met Waar maanlicht vleugels raakt haar vierde (!!) roman uitgegeven. Ik las het boek, werd van mijn stoel geblazen door de rijkheid van taal, de gelaagdheid in het verhaal. Maak kennis met Dietske Geerlings. Het is het allereerste interview met haar.

Over de auteur: Dietske Geerlings (1971) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Utrecht. Sinds 1996 is zij docent Nederlands in Zutphen. In 2018 debuteerde zij met de dichtbundel 'bRoos'. Kort daarna verschenen nog drie dichtbundels, drie romans en recent een verhalenbundel en een vierde dichtbundel.

Samenvatting: Als Jytte vijf jaar is, verliest ze haar moeder, zangeres bij het Mondscheinensemble, door een vliegtuigongeluk. Ze blijft alleen achter met Aron, die – zelf overmand door verdriet – zich niet goed raad weet met dat van Jytte. Terwijl het leven langzaam voortschrijdt, raken zij steeds verder van elkaar verwijderd. Arons moeder, Naomi, was vijf jaar toen de Engelse stad Coventry, waar zij toen woonde, op 14 november 1940 gebombardeerd werd door de Duitse Heinkels HE 111, onder de geheime codenaam ‘Mondscheinsonate’. Haar moeder kwam daarbij om het leven tijdens het avondgebed in de Sint- Michaelkathedraal, die grotendeels verwoest werd. Met haar zoon Aron sprak ze zelden over het verleden. Als Jytte wat groter is, gaat ze regelmatig op bezoek bij Naomi en maakt herinneringen in haar los. Net als in de Mondscheinsonate van Beethoven raken ze samen in een stroomversnelling.

Pianosonate nr. 14 in c mineur, opus 27, nr. 2 van Ludwig van Beethoven (1770-1827) is vooral bekend onder de naam ‘Mondscheinsonate’. Deze naam is niet door Beethoven gegeven, maar door dichter Ludwig Rellstab in 1832. Toen hij de muziek hoorde herinnerde hij zich een nachtelijke boottocht op het Vierwoudstedenmeer. De vorm van deze sonate is langzaam-snel-sneller. In Beethovens tijd was het gebruikelijk dat een sonate een andere vorm had: snel-langzaam-snel. Beethoven zoekt vernieuwing in de sonatevorm en schrijft er niet voor niets boven “Sonate bijna een fantasie.” Het eerste deel is het bekendst en verwijst wellicht naar een marche funèbre. Beethoven zou de eerste klanken ontleend hebben aan een fragment uit Don Giovanni van Mozart, een componist die hij bewonderde. 

Je geeft al je werk zelf uit. Waarom doe je dat? Is geen enkele uitgeverij in je werk geïnteresseerd? 

 Eerlijk gezegd ben ik niet zo thuis in de uitgeverswereld. Mijn eerste roman heb ik naar een paar grote uitgeverijen gestuurd, die ik kende van de literatuur die ik zelf lees. Bij sommige kreeg ik alleen een standaardmail terug, bij andere werd ik doorverwezen naar sites waar je zelf kunt uitgeven. Met standaardmails kom je niet verder, met zelf uitgeven wel. Er ging een wereld voor mij open. Je hebt alles zelf in de hand, ook de vormgeving. Mijn oudste dochter heeft bijna alle omslagen ontworpen. Zij voelt feilloos aan wat bij mij past en het is fantastisch om samen in zo’n creatief proces te zitten en onafhankelijk te zijn. Het is alleen lastiger om de lezer te bereiken, omdat die doorgaans afgaat op wat de uitgever uitgeeft. Aan de andere kant: als je boek dan toch de lezer bereikt, heb je ook stiekem het gevoel dat het boek het helemaal zelf gedaan heeft.

Je bent docent Nederlands aan het Baudartius College in Zutphen. Weten de leerlingen dat je schrijft? Hebben ze je boeken gelezen? En hoe reageren ze erop?

Mijn schrijven begon met een leerling uit de vierde klas, die mij haar gedichten liet lezen. Zij herinnerde mij aan mijn eigen schooltijd waarin ik gedichten schreef. Die heb ik opgezocht en uiteindelijk gepubliceerd in bRoos. Daarna was het hek van de dam. Ik begon te schrijven en hield niet meer op. Nog steeds heb ik contact met die leerling. Inmiddels heeft ze bijna al mijn werk gelezen.

Mijn eerste drie romans heb ik gratis als e-book op mijn site gezet en vervolgens mijn leerlingen op de hoogte gesteld van mijn publicaties. Inmiddels heb ik een aantal trouwe lezers. Zo is er een leerling, inmiddels niet meer in mijn klas, die mij van elk boek een boekverslag stuurt. Dat is geweldig: een analyse van mijn eigen boek! Bij mijn laatste stuurde hij een mail waarin hij vertelde dat het zo’n indruk op hem had gemaakt, dat hij zelf de Mondscheinsonate was gaan instuderen, samen met zijn moeder. Ik kreeg het geluidsbestand.

In Waar maanlicht vleugels raakt spelen muziek (de Mondscheinsonate van Beethoven bijvoorbeeld) en beeldende kunst (West Screen, glaskunst van John Hutton) een rol. Ook in je andere werk zie ik die verbinding. Bijvoorbeeld in je roman Als het licht mijn raam vindt (wederom glaskunst en schilderkunst) en In het oog een blik van de wolf; een sonate over de liefde (La Follia van Corelli). Die verbindingen tussen kunstdisciplines kunnen geen toeval zijn.

Het zijn passies van mij. Ik kan helemaal in vervoering raken van glas-in-loodramen en oude stenen muren van kloosters en kerken. Als kind moest ik spontaan huilen van sommige klanken en later wilde ik alles wat ik mooi vond zelf ook spelen. Dat heeft ertoe geleid dat ik veel instrumenten heb leren spelen: piano, viool, gitaar, fluit. Muziek instuderen lijkt in zekere zin op schrijven. Het is voortdurend schaven, om zo dicht mogelijk de essentie te benaderen van datgene dat je wilt uitdrukken.

De titel van je roman is wat cryptisch en vraagt om enige uitleg.

Ik nodig de lezer graag uit er zijn eigen gedachten op los te laten. Zelf heb ik het niet zo op vliegtuigen en in mijn roman zijn het inderdaad onheilsbrengers. Toen de volle maan de vleugel van de Heinkel HE 11 raakte boven Coventry, kwam er een bommenregen. Als het Mondschein-ensemble in het vliegtuig stapt, gaat het mis. Aan de andere kant, als het maanlicht op de vleugels van de glazen engelen valt, ontroert het. Er zijn zoveel vleugels die door het maanlicht geraakt kunnen worden. Laat de titel maar vragen oproepen, voor elke lezer een eigen vraag.

Ik kwam een publicatie van jou in Trouw tegen (https://www.trouw.nl/nieuws/wandel-mee-door-grillig-onderwijsland~be963d84/) waarin je je een voorstander noemt van onderwijs waarbij de leerling zelf op zoek gaat naar kennis. Toen ik je boek las dacht ik meteen: deze auteur zet me aan het werk. Ik wilde alles weten over de kathedraal van Coventry, het bombardement op de ‘oude’ kathedraal, de kunst in de kathedraal, had toevallig net de film de Imitation Game (over het kraken van de Enigma-code) gezien, dacht terug aan de tijd dat ik de Mondscheinsonate probeerde te spelen en verdiepte me in de achtergronden. De lezer op zoek, is dat een bijbedoeling van het schrijven van je roman(s)?

Ha, ha. Het is zeker geen bijbedoeling van mij geweest. Misschien ben ik docent in hart en nieren, dat het gewoon in mij zit om die zoektocht op te roepen bij de ander? Dat vind ik wel een groot compliment trouwens, zoals het mij ook ontroert dat er een leerling is die door mijn boek de Mondscheinsonate is gaan spelen, samen met zijn moeder.

De delen van je roman hebben dezelfde omschrijving als de delen van de sonate (Adagio sostenuto – Allegretto – Presto agitato). Je taal volgt het tempo en het ritme van de delen. Ook de gemoedstoestand van de personages in die delen sluit erop aan. Zo begint de roman met de dood van Rachel Mansell tijdens het bombardement op Coventry op 14 november 1940. Gevolgd door het eerste deel waarin het ‘missen van’ een rol speelt, het rouwen. Naarmate je vordert in de roman, de ontwikkeling van de personages en de verhaallijn volgt, ga je ook steeds sneller lezen. Vorm en inhoud worden één. Welk idee zat daarachter?

De oorsprong van deze roman ligt in het gevoel dat je ergens in stapt en gaandeweg in een stroomversnelling komt. Dat wilde ik graag vangen. Al in een vrij vroeg stadium legde ik de link met de Mondscheinsonate. Alleen had ik nog geen verhaal. Ik ben blij te horen dat je die versnelling als lezer nog kunt voelen. Met simpelweg je boek verdelen in drie delen heb je nog geen sonate geschreven. Onbewust hadden de verhaallijnen al een versnelling in zich. Ik heb haar versterkt door in het laatste hoofdstuk de perspectiefwisselingen elkaar in hoog tempo te laten opvolgen, waardoor de lezer in een lastige positie wordt gebracht, vergelijkbaar met de speler van het presto agitato.

Beethoven schreef de sonate toen hij ontdekt had dat hij langzaamaan doof werd. Dat doof worden/zijn en elkaar dus letterlijk en figuurlijk niet verstaan sluimert in de roman.

Beethovens doofheid heb ik er niet bewust in gestopt. Ik vind het wel een mooie lezing, want doofheid is ‘gaten in het geluid’ ervaren. Zeker is er sprake van figuurlijke doofheid: het elkaar niet begrijpen.

Voor mij is de zin “Wat begint als geschiedenis, eindigt als herinnering en daar tussenin vallen gaten” een sleutelzin?

Dat klopt. De feiten laten langzaamaan los, wat overblijft is een gekleurde herinnering. In deze roman vallen dierbare mensen weg, ergens tussen feit en herinnering, een gat dat nooit meer te dichten is.

Hoe ziet je schrijfproces eruit. Je vervlecht geschiedenis (bombardement op Coventry, Enigma-code, Heinkel HE 111-bommenwerpers, Beethoven) met elkaar. Hoe slaag je er in al die verbindingen logisch tot een eenheid te verwerken?

Het ontstaan van het verhaal, los van het ritme, was bijna magisch. Toen ik met mijn examenklas het literatuurtentamen voorbereidde, kwam een collega met het essay Aanvallend spel van Thomas Rosenboom, waarin hij vertelt hoe je een goede roman zou moeten schrijven. Leerlingen konden hiermee onderzoeken in hoeverre Rosenboom zijn eigen regels naleeft en ook hoe andere schrijvers dit doen. Rosenboom benadrukt het belang van een goede documentatie. Schrijf je een boek over een apotheker – hierbij verwijst hij natuurlijk naar Publieke werken – dan moet je je grondig verdiepen in een apotheker. Ik vroeg mij af hoe ik dat zelf deed en dacht ineens weer aan de Mondscheinsonate. Prompt deed ik twee grote ontdekkingen die uiteindelijk ten grondslag liggen aan het verhaal, namelijk: Beethoven heeft zijn sonate nooit zelf de Mondscheinsonate genoemd én er is een geheime operatie Mondscheinsonate geweest, het bombardement op Coventry. Vanuit een soort verwondering en ook wel verontwaardiging heb ik die twee verbonden: hoe is het mogelijk dat door een muziekcriticus deze sonate voor altijd met de maan is verbonden én wie haalt het in zijn hoofd om een geplande bommenregen te noemen naar deze sonate! Achter die misleidende naam wilde ik een verbinding tot stand brengen tussen twee levens waarin een gat geslagen was.

Dat het allemaal samenkomt, is voor mij net als voor de lezer een stukje magie. Wat zit er van jezelf in deze roman?

Personages zijn vaak metaforen van delen van mijzelf. Jytte vertegenwoordigt de grootste angst uit mijn jeugd. Ik houd met hart en ziel van het leven en heb veel te verliezen. Toen ik klein was, was ik doodsbang dat ik mijn moeder zou verliezen, had regelmatig paniekaanvallen en was dwangmatig op momenten dat zij wegging. Pas als ik de achterlichten bij het wegrijden had gezien, was er nog hoop dat ze levend zou terugkomen. In mijn paniekaanvallen viel ik in een zwart gat, waarin zij er niet meer was. Vanuit die beleving heb ik Jyttes verdriet beschreven. En verder: als kind was ik dol op verrassingseitjes, die van mij steeds een andere inhoud kregen, ik schreef als kind geheimtaal, ik bijt nog steeds nagels, en ik leef in muziek.

Boven de piano, die een belangrijke rol in het verhaal speelt, hangt een foto van de ‘West Screen’: “Wat je ziet op een foto hangt niet alleen af van wat de fotograaf heeft gefotografeerd, maar ook van de kijker en zijn geschiedenis.” Is dit niet de grote metafoor van je verhaal? 

Ja, dat denk ik wel. Daarom vind ik de lezer ook zo belangrijk. Alles is een kwestie van perspectief. Net zoals een willekeurige luisteraar de maan zag toen hij naar Beethovens sonate luisterde, zo kan de lezer ook vanuit zijn eigen perspectief het boek betekenis geven. In het boek heeft ook iedereen zijn eigen perspectief. De wereld ligt niet vast.

Het zijn de details die tellen in je boek. Zo speelt het speelt de inhoud van een chocolade verrassingseitje zit dat Jytte krijgt, een belangrijke rol in het verhaal: een vliegtuigje. De afgebeten nagels van Jytte krijgen een heel andere lading als je schrijft over ‘the nails’ (grote spijkers in dit geval) waarvan er drie uit het dak van de kathedraal gebruikt werden om een kruis te maken. Zo’n Cross of Nails is ook vanuit Coventry gestuurd naar de Gedachteniskirche in Berlijn. In de Enigma-code van de Duitsers (waarmee gecodeerde berichten aan de troepen werden doorgegeven) heette de aanval op Coventry ‘Mondscheinsonate.’ Muzieknoten zijn ook een soort code. Bedenk je die details tijdens het schrijven of maak je eerst een schrijfschema en verwerk je dan wat je bedacht hebt. Het klopt allemaal zo mooi.

Dat is een leuke vraag. Dat schrijfschema komt ook in mijn lessen terug. Zelf schrijf ik nooit vanuit een plan. Wel vind ik dat elk detail zinvol moet zijn in het geheel. Als schrijver kan ik voor mijzelf echt elk fragment verantwoorden. Wat betreft die details, als je in het schrijfproces zit, dan zie je gewoon veel meer. Ik kan me het moment nog herinneren dat ik bij mijn onderzoek die ‘Cross of Nails’ tegenkwam en dat ik mijn ogen niet kon geloven: dat die spijkers in het Engels ook nog steeds ‘nagels’ worden genoemd, al kennen wij die term ook nog, zoals in de uitdrukking ‘een nagel aan mijn doodskist’. Ik ervaar die ingevingen zelf ook als cadeautjes en kan er eindeloos plezier aan beleven.

Typografie speelt een rol in je verhaal. Je schrijft als Jytte ervaart dat haar moeder is verongelukt “er wordt van het ene op het andere moment een gat in je leven geslagen.” In de typografie is dat ‘letterlijk’ zichtbaar door een gat in de tekst. Bij kwaadheid wordt het woord ‘schoppen’ in grote vetgedrukte letters afgedrukt. Het zet het gevoel, de emotie kracht bij.

Het schrijfproces is voor mij een afwisseling van intuïtie en verstand. Aan het begin doet mijn verstand een stapje terug. Pas halverwege of aan het einde controleer ik het of ik intuïtief wel de juiste keuzes heb gemaakt. Bij de typografie had ik een wonderlijke ervaring. Vanaf het begin moesten van mij die letters aan de kant, groter en kleiner worden, de vleugels moesten de regelafstand ontwrichten. Pas toen ik mijn manuscript aan twee lezers wilde voorleggen, riep mijn verstand mij ter verantwoording: wat een aanstellerij! Wat droeg dit bij aan het verhaal? De lezers waren echter enthousiast, ook over de lay-out. Hun oordeel bevestigde mijn intuïtie, terwijl ik er met mijn verstand niet bij kon. Pas toen het gedrukt was, begreep ik het. De diepgewortelde angst had ruimte nodig. De angst van een kind kan nog zo ongegrond zijn, hij is allesomvattend en onverbiddelijk. Ik was ontroostbaar als mijn moeder er niet was, haar afwezigheid vrat gaten in mij. Omdat deze roman in essentie draait om dat gevoel, zowel bij Jytte als bij Naomi, heb ik een stukje van die ontwrichting ook in de letters willen laten voelen, het verstand buiten spel gezet.

De piano(muziek) speelt een essentiële rol in je roman. Boven de piano in het huis van Aron en Jytte hangt een foto van de ‘West Screen.’ Dat is een enorme glaswand van 21 x 18 meter in de nieuwe kathedraal van Coventry. De ruïnes van de oude kathedraal heeft men behouden. Glaskunstenaar John Hutton graveerde in ‘West Screen’ engelen die als het ware hun vleugels over de wereld spreiden. Een krachtig beeld, omdat het enerzijds refereert aan Rachel Mansell, de moeder van Naomi, die omkwam bij het bombardement op de kathedraal. Als je vanuit de nieuwbouw door de ‘West Screen’ naar de ruïnes van de oude kathedraal kijkt dan zie je de weerspiegeling en wordt duidelijk dat het nieuwe gebouw niet compleet is zonder het oude. Een prachtige metafoor. De vleugels van de engelen fladderen door je boek en leiden steeds tot reflectie in de kleine poëtische cursiefjes die overal opduiken. Kun je iets vertellen over het ontstaan van dit idee en de toepassing ervan in je verhaal?

Met de ontdekking van het bombardement kreeg ik wonderschone kantelende, broze glazen engelen cadeau met gaten in zich, die precies in mijn verhaal pasten. Omdat de roman de vorm van een sonate heeft, heb ik ook elementen uit de muziek gebruikt, zoals herhaling, o.a. in de vorm van engelen die in steeds andere vorm terugkomen. In de muziek vinden kleine verschuivingen plaats. In een boek kun je die laten zien in kleine variaties. Poëzie is bij uitstek geschikt om diepere lagen in het bewustzijn aan te boren en open plekken (gaten) te creëren, omdat er relatief veel ruimte is voor interpretatie. Dat reflectieve van de bespiegelingen zit heel sterk in mijn persoonlijkheid en ik vond het mooi om dat ook onderdeel van het boek te laten zijn. Bovendien past het bij de kloof tussen feit en herinnering. Een herinnering is een persoonlijke interpretatie van een feit en is veel meer bepalend voor wat achterblijft.

Wat hoop je dat de lezer bijblijft na lezing van je roman? 

Ik vind het mooi als er iets achterblijft bij de lezer, maar of dat nu een regeltje is, een personage, een diepere gedachte, een nageltje of iets anders. Ik zeg dat ook altijd tegen leerlingen: als je iets heel moois bent tegengekomen in een boek, laat het je nooit afpakken, ook niet door de docent die vindt dat je het verkeerd ziet of het niet belangrijk vindt. Boeken lezen is voor mij een vorm van schatten verzamelen. Ik hoop dat mensen ook in mijn boeken schatten zullen vinden, van welke orde van grootte dan ook.

Eerder gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Luister hier ook het eerste radio-optreden van 4 november 2020 bij Radio NOOS in ‘Boeken met Michel’ 

Bizar detail: in de nieuwsuitzending vlak voor 'Boeken met Michel' ging het over een neergestort vliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog!

vrijdag 6 november 2020

Tove Jansson - Zomerboek

Recensie door Roosje
Uitgeverij De Geus 


Grootmoeders en kleindochters


De zomers brengen een grootmoeder, haar zoon en haar kleindochter hun tijd door op een vrij onherbergzaam eiland, ergens tussen Zweden en Finland. Het leven is sober, eenzaam en vol gevaren en van de tovenarij waarmee het leven in de natuur gevuld is. De vader speelt een marginale rol; hij vist, maakt het huisje winterklaar en doet een poging er een Tuin van Eden aan te leggen met bloembollen en een populier uit Nederland. Er hoeven nauwelijks woorden aan vuil gemaakt te worden om te raden hoe dat gaat aflopen. Jansson doet dat ook niet.

Het gaat in deze bundel met korte verhalen om de grootmoeder en de kleindochter. Het is helemaal geen lieve, hartelijke en mierzoete relatie tussen die twee. Feitelijk is de kleindochter, wier leeftijd niet gegeven wordt, net zo’n humeurige, eigenzinnige vrouw als haar oude, krakkemikkige grootmoeder, wier leeftijd evenmin onthuld wordt. De twee vrouwen gaan volledig hun eigen gang, zo lijkt het. Sophia krijgt als enige in deze ‘extended family’ een naam. Grootmoeder is grootmoeder - maar heel soms niet - en vader is vader. Enerzijds is het een idyllisch leven met zwemmen in zee en wilde bloeiende bloemen, anderzijds is het een hard leven met harde storm en gevaar voor het vege lijf.

Dit is een betoverend boekje, omdat het nergens ook maar een zweem van sentimentalisme heeft. Kleindochter en oma zijn genadeloos eerlijk tegen elkaar maar houden ook rekening met elkaar. Zo is de grootmoeder angstig als Sophia op een hoog baken geklommen is. Van vader mocht zij dat niet, te gevaarlijk. Grootmoeder laat haar gaan, ook een klein beetje uit gemakzucht - welke opvoeder herken zich hierin? - maar schrikt enorm als zij doorheeft dat het kind, eenmaal bij de top aangekomen, niet meer terug durft. Grootmoeder houdt haar eigen angst helemaal binnen omdat zij weet dat het kind anders zeker gaat vallen.
De oude vrouw is niet altijd zo pedagogisch. Soms is zij een sombere oude vrouw, wier leven zo af en toe helemaal niet leuk meer is, de ouderdom komt met gebreken. Zonder stok kan ze niet meer lopen en dat valt niet altijd mee op een eiland waar stenen en rotsen schering en inslag zijn. Zij slaapt bij voorkeur overdag en ligt ’s nachts vaker somber wakker. Roken probeert ze zo veel mogelijk in het geheim te doen. Soms helpt Sophia haar daarbij: hier kun je wel stiekem roken…

Er valt niet zo heel veel meer te vertellen over dit eenvoudige leven dichtbij de natuur. Jansson heeft het allemaal zo raak opgeschreven dat ik de neiging haast niet kan onderdrukken er alsmaar uit te willen citeren. Dit bundeltje kun je wel achter elkaar doorlezen omdat je totaal in de ban komt van het leven van die twee vrouwen. Een van de nadelen van een verhalenbundel vind ik dat je de verhalen niet achter elkaar door kunt lezen, omdat je ze dan door elkaar gaat halen. De verhalen in deze bundel staan het doorlezen wel toe: je raakt alsmaar dieper betrokken in het leven van dit drie generatie-gezin. Af en toe was ik ook erg benieuwd naar hun leven in de stad en hun ‘normale’ leven terwijl ik tegelijkertijd afvroeg of welke van de twee nu hun ‘gewone’ leven is: dat van in de zomer of in de winter.

Voor de verandering is dit geen erg lange bespreking. Sommige boeken hebben het alleen maar nodig dat je ze aanbeveelt. Bij deze… ga dit bundeltje lezen. Het is opnieuw uitgebracht. En terecht!

Ik geef bijna lukraak wat citaten. Het is niet moeilijk om goede regels te vinden. Hier en daar kreeg ik een beetje een hunge van Winnie de Pooh; deze stukjes van Jansson zijn niet zoetig en wijsgerig, maar vol hardheid, onderdrukt verdriet en angstvallig verborgen weemoed.

‘Sophia haalde wit marmer van het strand.’Kijk, mama,’ riep ze. ’Ik heb een nieuw paleis gevonden!’ ‘Maar m’n lieve kind, ik ben alleen je vaders moeder,’ zei de grootmoeder bezorgd. ‘Mooi is dat!’ riep Sophia. ‘En waarom mag hij als enige “mama” zeggen? Ze gooide het paleis in het kanaal en liep weg.’ (2020: 44)

‘’Jij weet niet wat ik weet’, zei Sophia. Haar grootmoeder legde haar misdaadroman neer en wachtte af. ‘Weet jij wat ik weet?’ Vroeg Sophia streng. ‘Nee,’ antwoordde haar grootmoeder. Ze roeiden de vlet naar het eiland en legden hem vast aan een steen.’ (ib.: 66)

‘Iedere zomer worden de nachten ongemerkt donkerder. Op een avond in augustus moet je voor het een of ander naar buiten en opeens is alles pikzwart, er heerst een grote, warme, zwarte stilte om het huis. Het is nog zomer, maar het leven is eruit; de zomer is zonder verdorring tot stilstand gekomen en de herfst is nog niet klaar voor zijn entree.’ (ib.: 167)

Deze laatste is een van favoriete stukjes, gewoon omdat ik precies dezelfde ervaring heb; in de late zomer is al het groen zo zwaar en donker dat het leven lijkt stil te staan.

Zie hier de recensie van Jansson´s eerder uitgebrachte boek Fair Play

Auteur

Tove Marika Jansson (Helsinki, 9 augustus 1914 – aldaar, 27 juni 2001 spreek uit Toewe Jansson) was een Zweedstalige Finse auteur, kunstschilder en illustrator van onder andere kinderboeken en stripverhalen. Ze is de auteur van de series boeken en stripverhalen over Moem. Een groot deel van haar werken is vanaf de jaren 70 door Cora Polet (pseudoniem van C.W. Appel) in het Nederlands vertaald. In 2007 begon de Belgische uitgeverij Clavis opnieuw met de reeks, in een nieuwe vertaling van Maaike Lahaise. Samen met Astrid Lindgren en Lennart Hellsing wordt Tove Jansson beschouwd als een van de zogenaamde ‘giganten’ van de Zweedstalige kinderliteratuur, die de leefwereld en de fantasie van het kind centraal plaatsten. (Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Tove_Jansson)

Titel: Zomerboek
Auteur: Tove Jansson
Vertaling: Cora Polet, herzien door Lia van Strien
Pagina's: 176
ISBN: 9789044540598
Uitgeverij De Geus
Jaren van uitgave: (oorspr) 1972; 1976; 2020

woensdag 4 november 2020

Paul van Ostaijen - Het bordeel van Ika Loch

Recensie door Cies 
Uitgeverij Prometheus


Helaas nog steeds actueel en hilarisch  

In 1996, ter ere van het honderdste geboortejaar van Paul van Ostaijen, publiceerde uitgeverij Ooievaar de goedkope pocket (ƒ 15,--/BFR 300,--) Het bordeel van Ika Loch. Ooievaar had Tom Lanoye de opdracht gegeven om uit het creatief proza van Van Ostaijen een selectie te maken en er een inleiding bij te schrijven. Goede keuze van Ooievaar, want Lanoye laat in 1985 in zijn prozadebuut, de verhalenbundel Een slagerszoon met een brilletje, in het verhaal Het boek, de jongen Achille (= Tom Lanoye?) door de plaatselijke bibliotheek met volle stem aan de bibliothecaris vragen: 'Het bordeel van Ika Loch, is dat wat?'. 

In zijn inleiding constateert Lanoye dat de waardering voor Van Ostaijen vooral zijn poëzie betreft en amper zijn creatief proza. Deze bundel heeft daar, helaas, niet veel aan veranderd. Dat ligt zeker niet aan de selectie die Lanoye heeft gemaakt, die is representatief voor het proza oeuvre van Van Ostaijen. Waar het dan wel aan ligt? Geen idee. De meeste verhalen in de bundel zijn grotesken, verhalen waarin onmogelijke dingen als de gewoonste zaak ter wereld worden beschouwd. In De bende van de stronk gaat het bijvoorbeeld om een man van wie het lichaam niet veel completer is dan dat van een gemiddeld borstbeeld. Van Ostaijen werkt zijn grotesken consistent uit zonder vast te lopen in ongeloofwaardigheid. 

Toch is dit niet de grootste kwaliteit van de in deze bundel opgenomen verhalen. De grootste kwaliteit en ook actualiteit van de grotesken zit in de ideologie- en maatschappijkritiek die Van Ostaijen levert, geen geringe prestatie voor verhalen die zijn geschreven tussen 1919 en 1927. Zo is De trust der vaderlandsliefde een hilarische kritiek op het nationalisme, De verloren huissleutel is zowel een kritiek op de seksuele moraal van die tijd (en deels de onze) als op de psychoanalyse van Freud, en in Intermezzo wordt de theaterwereld op de hak genomen. Steeds terugkerende elementen in de verhalen van Van Ostaijen zijn het bekritiseren van het ‘establishment’ en het onnodig intellectualistisch en onnodig ingewikkeld taalgebruik van ditzelfde ‘establishment’ om de eigen machtspositie te verdedigen. 

De cynische en bittere, maar niet verbitterde, virtuoze stijl waarin Van Ostaijen dit doet is een waar genoegen om te lezen. De onzinnige drogredenen van het ‘establishment’ rollen over de pagina’s. Wanneer je na het lezen van een groteske van Van Ostaijen de tv aanzet om naar een nieuwsuitzending te kijken en een minister, parlementslid, burgemeester of plaatselijke theaterdirecteur aan het woord hoort dan waan je je in een verfilming van een groteske van Van Ostaijen. Het is jammer dat dat zo weinig leden van het ‘establishment’ zijn proza lezen, want dan zouden ze kunnen (?) inzien hoe onzinnig hun betogen vaak zijn. De grotesken van Van Ostaijen zijn dan ook tegen wil en dank nog steeds actueel. 

Titel: Het bordeel van Ika Loch 
Auteur: Paul van Ostaijen 
Pagina's: 224
ISBN: 9789035116665 
Uitgever: Uitgeverij Prometheus 
Verschenen: 1996

vrijdag 30 oktober 2020

Iris Murdoch – Het aardige en het goede

Recensie door Tea van Lierop
Atlas Contact
 

 

Een zomerse vertelling vol verwikkelingen en wat filosofie 

 

Veel personages, diverse locaties, water en liefde maken de elfde roman van Dame Iris Murdoch tot een bijzonder fijn leesbaar boek. Wie al kennis maakte met haar werk zal veel kenmerken terugvinden, maar ook voor een lezer die nieuwsgierig is naar het oeuvre van deze auteur is Het aardig en het goede een prima keuze. Met haar vrije morele opvattingen en filosofische beschouwingen slaagt Murdoch wederom voor een aantal uiterst vermakelijke en aangename leesuren. De beschrijvingen van de interieurs, de landschappen en de personages zijn zó trefzeker waardoor het totaal geen moeite kost zich in te leven en één te worden met de opgeroepen beelden. 
 
In dit boek probeert Murdoch aan de hand van het gedrag van de personages duidelijk te maken dat liefde het belangrijkst is in het leven en dat bezitsdrang en bekrompenheid mensen de ruimte ontneemt om liefde te ervaren. Murdoch zelf was ruimdenkend, zeker voor de tijd waarin zij leefde. Haar liefdesleven was turbulent, ze had met meerdere mannen tegelijk een relatie, men zegt dat ze ook relaties met vrouwen had, maar die bewering werd door de auteur nooit bevestigd. Vast staat dat die vrije moraal doorschemert in haar romans, zo ook in deze roman waarin Kate en Octavianus Gray de spil vormen van een bont gezelschap. Het gastvrije stel woont in het landelijke Dorset en hebben mensen van divers pluimage in huis die meestal in harmonie met elkaar leven. Kinderen maken er ook deel van uit, waarvan de tweeling Henrietta en Edward het voorbeeld zijn van het ‘goede’. 
 
Talloos zijn de passages over dieren. Mingo is de hond, hij is een grote, grijze, ongeschoren, wat poedelachtige hond en trouw metgezel van Theodore, een oom van de tweeling. Tot het huishouden behoort verder nog de grote chocoladekleurige poes Montrose die zich kan veranderen in een wazige bol. Naast genoemde dieren worden aan mensen ook dierlijke kenmerken gegeven, zo heeft een van de personages een ‘vossengezicht’ en een ander een ‘hondengezicht’. Het geeft de beschrijvingen een komisch karakter, eigenlijk lijkt het een beetje kluchtig soms, alsof er toneelspelers zijn met maskers op. 
 
De verschillende locaties vormen een tegenstelling. Het stadse waar het werk gedaan wordt – Octavianus werkt op het ministerie Whitehall in Londen –staat tegenover het idyllische Dorset waar het huiselijke leven plaats vindt. Op het uitgestrekte landgoed is ruimte genoeg voor de tweeling om de natuur te ontdekken, de zee is vlakbij en speelt een beduidende rol, water is een van de terugkerende elementen in Murdochs werk. Tevens is er plaats voor een cottage waar Willy Kist zijn intrek in genomen heeft, deze man met een oorlogsverleden zorgt voor de nodige roering waar het de liefde betreft. 
 
Twee totaal verschillende verhaallijnen lopen door elkaar, de ontwikkelingen ervan zorgen voor afwisseling en spanning. Een zelfmoord, een revolver, afpersing en occultisme is de ene lijn, de andere is de zoektocht en worsteling van Ducane, die een dubbelrol krijgt. In de liefde moet hij keuzes maken en in de zelfmoordzaak mag hij als onderzoeker aan de slag. Aangezien de meesten min of meer met elkaar verbonden zijn komt het regelmatig tot gênante vertoningen. De research naar de zelfmoord levert verrassende passages op, af en toe lijkt het op een schaakspel waarbij een zet de hele zaak verandert en de personages  ineens andere keuzes maken. 
 
Ondanks het grote aantal personages en hun vele verwikkelingen wordt het verhaal niet onoverzichtelijk. Het tempo is erop aangepast, de hoofdstukken markeren de focus op locatie of gebeurtenis en de alwetende verteller weet de aandacht vast te houden door de lezer net even wat meer te gunnen dan de personages van elkaar weten. De spanning zit niet alleen in de suïcide-zaak, maar uit zich ook in de manier waarop twee tieners elkaar aantrekken en afstoten en ontaardt in een bloedstollende verdwijning. De zee, het opgesloten zijn en de reddingspoging geven het boek vaart en biedt variatie in de liefdesthema’s en het occulte gebeuren in Whitehall.
 
Murdoch staat bekend om haar moraalfilosofie, volgens haar is de mens van nature zelfzuchtig en heeft het leven geen extern doel. De mens dient zelf uit zijn privé-fantasie en zijn zelfobsessie te komen, natuur en kunst kunnen hierbij helpen. Goede kunstwerken laten de wereld zien zoals die is en in de natuur kunnen we onze blik naar buiten richten. Murdoch denkt dat de mens richting aan zijn bestaan kan geven door ‘de idee van het goede’, dit idee ontleende ze van Plato. ‘Het goede is een ideaal waarop we ons kunnen richten, een tegenkracht tegen de doelloosheid van het bestaan.’ (bron) 
 
In de roman is de tweeling een voorbeeld van ‘het goede’. Zij zijn altijd op zoek naar zaken die te vinden zijn in de natuur, ze hebben een oprechte verwondering voor alles wat groeit en bloeit, zijn nieuwsgierig, vragen zich oprecht allerlei ogenschijnlijk onbelangrijke zaken af en zijn diepbedroefd wanneer een van de dieren iets mankeert. Plato komt ter sprake in het begin van de roman wanneer er een gesprekje is tussen de tweeling en een volwassenen over de zelfmoordzaak de vraag oprijst of is het belangrijk iemands naam te weten 
 
‘‘Omdat het gemakkelijker is aan iemand te denken als je zijn naam weet.’ ‘Waarom? ’zei Henrietta, die bezig was de andere kippenpoot met een keukenmes te ontleden. ‘Dat is het hem juist’, zei Paula. ‘Plato heeft gezegd hoe eigenaardig het is dat we aan alles kunnen denken en dat onze gedachten het bereiken kan hoever weg het ook is. Ik geloof dat ik aan hem denken kan ook al weet ik zijn naam niet -’’ 
 
Is dit boek een aanrader? Jazeker, er is zoveel te ontdekken en om van te genieten, de verwijzingen naar de mythologie en Shakespeare zijn een extra dimensie. Wie durft af te dalen naar de onderwereld en in hetzelfde boek de sfeer van Een midzomernachtdroom wil ervaren is met Het aardige en het goede aan het juiste adres. 
 
De auteur 
 
Dame Jean Iris Murdoch (Dublin, 15 juli 1919 – Oxford, 8 februari 1999), was een filosofe, die haar grootste bekendheid dankt aan haar werk als romanschrijfster. Iris Murdoch werd geboren in Dublin, als enig kind van Wills John Hughes Murdoch en Irene Alice Richardson. Op jonge leeftijd verhuisde ze met haar ouders naar Londen, waar haar vader als ambtenaar werkte. Haar moeder volgde een zangopleiding, maar brak die af toen ze zwanger was van Iris en ze pakte het zingen daarna nooit meer op. 
 
In 1978 kreeg ze de Booker Prize voor haar roman The Sea, the Sea. Het boek gaat over een gepensioneerde regisseur die zich op het platteland terugtrekt. Daar ontmoet hij zijn eerste liefde, van wie hij zijn hele leven is blijven dromen en die zich zonder een spoor achter te laten uit zijn leven heeft teruggetrokken. Zijn verlangen naar haar laait weer op, wat tot noodlottige verwikkelingen leidt. In 1987 kreeg ze de onderscheiding Commander of the Order of the British Empire, waardoor ze zich Dame Iris Murdoch mocht noemen. (Wikipedia) 
 
Titel: Het aardige en het goede 
Auteur: Iris Murdoch 
Uitgever: Uitgeverij Atlas Contact b.v. 
ISBN: 9789025480189 
Vertaling: Clara Eggink 
Pag.: 396 
Genre: fictie 
Verschenen: 1968

Jan Brokken - Het eiland van Jean Rhys

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Atlas Contact


In de greep van een roman waaraan negen jaar is gewerkt


Het eiland van Jean Rhys
is het resultaat van een grondige en persoonlijke zoektocht van Jan Brokken naar het verhaal van Jean Rhys en haar meest autobiografische meesterwerk De wijde Sargasso Zee. Dit boek heeft zoveel indruk op hem gemaakt dat hij driemaal - met Rhys' boek als reisgids in zijn binnenzak - naar het eiland is afgereisd. Dominica; het eiland in de Caribische Zee waar in 1890 haar wieg heeft gestaan en de zetel is van haar interpretatie van de voorgeschiedenis van Charlotte Brontës klassieke roman Jane Eyre.

Dagenlang is Mr. Royce bereid om hem rond te rijden over de 750 m² van het bovenwindse eiland, dat in 1493 door Columbus is ontdekt en van hem de naam Dominica kreeg. Het blijkt echter niet zo gemakkelijk om in gesprek te raken met de eilanders. De nawerking van het slavernijverleden is nog overal merkbaar, bijna tastbaar en de inwoners bijna zo ondoordringbaar als de jungle.

'De boeken van Jean Rhys kenden ze niet. Het is trouwens opvallend hoezeer Rhys in haar eigen land spreekwoordelijke profeet is; geen straat, geen school, geen gebouw is naar haar vernoemd.'

 In Rhys' nichtje Ena Williams en historicus Lennox Honeychurch, vindt Brokken meer bereidwillige gesprekspartners en verkrijgt hij additionele wetenswaardigheden over de auteur en het door haar zo geliefde eiland. Tijdens een bezoek aan Geneva Estate - de suikerplantage van de familie van Rhys, waar de boel tijdens een slavenopstand werd geplunderd en in brand gestoken - blijkt dat de achterdocht en weestand van de bevolking te groot is om erover te spreken. Op haar beurt verwerkte Rhys deze gebeurtenis ook in De wijde Sargasso Zee.

De ongerepte natuur met zijn pruttelende vulkanische warmwaterbronnen, watervallen die in het midden van het eiland zijn ontstaan door het samenkomen van de driehonderdvijfenzestig locale rivieren, blubberige wegen door de tropische regenval, de jungle, maar ook de drastische ontbossing ten behoeve van de bouw van een waterkrachtcentrale, maken dat het eiland van Jean Rhys in rap tempo verandert. Brokken verstaat de kunst dit op levendige wijze visueel te maken en je bijna te dwingen om maar door te lezen.

Brokken zelf zegt dat hij zijn reislust en interesse in andere culturen, van zijn vader heeft en het schrijven van zijn moeder. Zijn ouders hebben in Indonesië gewoond, waar ook zijn twee oudere broers zijn geboren.

‘Als domineeszoon was ik een buitenstaander in het dorp. En thuis was ik ook een buitenstaander. Ik had als enige de oorlog niet meegemaakt, had als enige niet in een kamp gezeten en had als enige de tropenzon niet voelen steken. Vaak wordt gezegd dat ik zo goed kijken en luisteren kan. Dat komt omdat ik overal en altijd een vreemde was.’ 

In Engeland heeft hij de uitgever van Rhys opgezocht, Diana Athill, bij wie het manuscript van De wijde Sargasso Zee op zolder lag, en ze bood hem veel nieuwe informatie, welke hij verwerkte in het in 1992 verschenen Goedenavond mrs. Rhys. Deze uitgebreide versie kwam in 1997 uit onder de titel En de vrouw een vreemde. Datzelfde jaar ging de film They destroyed all the roses in Nederland in première. Een documentaire over het leven van Rhys, waarin Brokken de verteller is.

'Ergens terugkomen levert andere indrukken op dan ergens heen reizen. Ik legde in 1996 weer vele kilometers op het eiland af, me ditmaal afvragend wat er veranderd was. Bij dat derde bezoek was de verrassing weg, maar juist daardoor kon ik controleren of mijn eerste indrukken juist waren geweest. Wachtend op minder schel licht, […] hoorde ik verhalen over het eiland die ik nog niet kende en die absoluut in het boek thuishoorden.'

Bij het derde bezoek aan het eiland bleek er zóveel te zijn veranderd - minder nooddruft en misère, de sfeer blijmoediger, maar ook de opkomst van moderne ontwikkelingen - dat een derde en herziene versie niet uit kon blijven en september 2020 is verschenen onder de titel Het eiland van Jean Rhys. Hierin heeft Brokken de historische achtergrond van De wijde Sargasso Zee, alsook details verwerkt die Maryvonne Moerman- Lenglet - de in Nederland wonende dochter van Rhys - hem heeft verteld. 

Wie De wijde Sargasso Zee al eerder heeft gelezen zal veel herkennen, wie Brokken's boek leest zal veel herkennen in Rhys' boek. De kip en het ei? Lees ze gewoon na elkaar en dan weer na elkaar, om steeds weer iets nieuws te ontdekken. De twee boeken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Wat dit boek tot een non-fictiejuweeltje maakt is de bijzondere gelaagdheid ervan. De invloed die De wijde Sargasso Zee op Brokken heeft gehad, de totstandkoming van Rhys' boek, haar jeugd die ze op het eiland heeft doorgebracht en de geschiedenis van Dominica, alles is verenigd in dit boeiende portret dat Brokken heeft geschilderd.

Laat je meevoeren in Brokken´s belevingswereld en treedt in de voetsporen van de auteur en haar roman die voor hem zo belangrijk is geweest.

Eerder gepubliceerd op Tzum

Titel: Het eiland van Jean Rhys
Auteur: Jan Brokken
Pagina's: 144
ISBN: 9789045041377
Uitgeverij Atlas Contact 
Verschenen: september 2020

donderdag 29 oktober 2020

Walter van den Berg - Ruimte

Recensie door Roosje 
Uitgeverij Hollands Diep
Ik probeer spoilers te vermijden, 
maar misschien lukt dat niet altijd…

Moeders en zonen

 
Moeder Dimphy - haar naam valt pas in het laatste hoofdstuk - waarom? - en zoon Wesley hebben een soort van symbiotische relatie. Dat kan ook bijna niet anders wanneer een moeder en een zoon zo op elkaar zijn aangewezen.

Deze roman van Walter van den Berg bestaat uit zes delen en uit twee verhaallijnen, die je ‘Vroeger’ en ‘Nu’ zou kunnen noemen. Het mooie van deze structuur is dat Vroeger en Nu op het laatst samenvallen. Dan is de cirkel rond en dan is ons gevoel van esthetiek bevredigd.

Waarom het nu zes onderscheiden delen zijn, is een beetje duister. Bij deel drie aangekomen dacht ik: ja, dit snap ik. In deel 1 heet de zoon Wesley, zo noemt zijn moeder hem; in deel 2 heet hij Wes of Wes D, zo noemt de zoon zichzelf; in deel 3 heet hij niet meer, heeft hij geen naam meer, is hij eenvoudigweg ‘de jongen’. In het Nu lijkt de zoon een punt te hebben bereikt dat hij niet meer weet wie hij is, hij raakt zijn naam kwijt, hij raakt zijn zekerheden kwijt - zekerheden die bestaan uit onzekerheden, mooi zo’n paradox! -; hij desintegreert, hij gaat oplossen, hij verdwijnt… er staat vast iets heel naars te gebeuren. Ik zag hem al schietend een drukke club in gaan; ik was er vast van overtuigd dat dat zou gaan gebeuren. Alles stond op scherp, Wes D stond op scherp…. De situatie was totaal uit de hand gelopen….. maar, je hebt het al geraden, dat gebeurt niet. Ik weet niet of ik daarom nu blij was of niet. Ik hou er niet zo van als ik iets mijlenver van te voren zie aankomen, maar het moet ook geen deus ex machina worden, ik bedoel dat er iets gebeurt dat je totaal niet ziet aankomen en dat voor je gevoel pardoes uit de hemel komt komt vallen. Een verhaal moet een consistentie hebben maar mag ook niet te zeer voor de hand liggen. 

Het einde dat ik verwacht had, kwam niet. Het was een einde, het soort einde, dat je tegenwoordig eigenlijk wel veel vaker ziet. Ik ga niet verklappen wat en hoe, dat is niet sportief. Zo’n einde waar veel mensen van gecharmeerd zijn omdat het denk ik past in deze tijd, in die zin dat mensen in staat zijn hun leven zelf vorm te geven enz. Laat ik het daar bij houden. Een ander einde dan de emotioneel-psychische opluchting van een Aristotelisch catharsis, want daar hou ik nu juist wel weer van.

Het verhaal dan. Het Nu gaat over auteur, soort therapeut - beetje goeroe-achtig - computerspelontwikkelaar en social media-personality Wes D. Hij komt over vanuit zijn woonplaats Londen naar Amsterdam omdat hij uitgenodigd is voor de Daily Show (DWDD, dat begrijpt iedereen) om te praten over zijn boek, dat een giga succes is. Maar het gaat niet over zijn boek, dat Ruimte heet, en ja, grappig genoeg heet onderhavige roman van Walter van den Berg ook Ruimte, dus de dubbele bodem is te verwachten. Toch is deze roman niet de wording van het boek Ruimte van Wes D. Hoe dubbel is die bodem dan wel?

Het gaat maar zijdelings over het succes zijn boek bij de Daily Show, het gaat erom dat een jongen, Stefan, naar aanleiding van dit boek en van Wes’ optreden als ‘goeroe’ (mijn terminologie, rdv), zelfmoord heeft gepleegd. De moeder van Stefan zit ook bij die show en Wes wordt daardoor helemaal overvallen. Op zijn geliefd internet en op Instagram wordt Wes achtervolgd door negatieve en vijandige berichten. Wes loopt weg uit de uitzending en de moeder van Stefan is meer dan pissed off.

Wes maakt een slapeloze nacht mee, waarvan je zo een film zou kunnen schieten (als is dat al eens gebeurt; ik kan even niet op de naam komen van een man die de nacht doorbrengt in een taxi.…). Hij rijdt met een taxichauffeur zo’n beetje alle plekken af waar hij jeugdherinneringen heeft: Slotervaart, Amsterdam ‘kut’-Noord, Wijk aan Zee. Mooie vondst is dat de taxichauffeur fungeert als biechtvader, al is Wes niet katholiek, als psychiater, als vertrouwensman, zelfs als een soort vader; de vader die hij zo ontzettend gemist heeft, maar daarvan is Wes zich niet bewust, helemaal niet; hij is totaal gefixeerd op zijn moeder, van wie hij denk ik niet echt houdt. Mooi is dat en heel treurig, het schuurt ontzettend.  
De taxichauffeur heeft een tattoo van een slang in zijn nek - dus, je zou zeggen: een licht criminele figuur - en dat doet Wes denken aan de vriend van zijn moeder met de losse handen, die slangen zag als hij dronken was en zijn moeder tot moes sloeg (let op de assonance van ‘oe’, grapje rdv). Een van de mooiste passages uit het boek is dit. 
Wes vertrouwt hulpverleners niet. De enige van wie hij gehouden heeft was Erik, de vriend van zijn moeder met de losse handen. Maar hij mocht natuurlijk niet van hem houden omdat Erik zijn moeder sloeg. En bovendien betaalt Wes de taxichauffeur vorstelijk voor zijn lange nachtelijk rit, wel wil hij een ‘bonnetje’ - zodat hij het bij de Daily Show in rekening kan brengen? Of van de belasting kan aftrekken als onkosten? - Wie betaalt, mag het zeggen. Wie veel betaalt, mag veel zeggen.

Verder gaat Wes, nog steeds diezelfde nacht, nog naar een club waar gefeest wordt en waar hij met de moeder van Stefan praat, die hem slaat. Wes probeert zijn gram te halen bij een stelletje zuiplappen, maar die slaan hem ook in elkaar. Wes lijkt nog masochistischer dan zijn moeder. Op weg naar het ziekenhuis met diezelfde taxichauffeur - het kan ook niet anders, natuurlijk - om de wond te laten verzorgen die de moeder van Stefan hem bezorgd heeft - zij heeft hem namelijk nog een keer verwond -. Daarna gaat hij bij zijn stervende moeder langs in het verzorgingstehuis. Zijn moeder slaapt blijkbaar ook niet. In diezelfde nacht heeft Wes ook weer contact met zijn ex-vriendin, die niet op een Victoria-Secret-model lijkt maar op Velma uit Scooby Doo, want zij heeft op social media begrepen dat het niet goed met hem gaat. Een volle nacht. Een overvolle nacht. 

Een overvolle nacht en ik denk een overvol boek. De eerste drie delen van deze roman vind ik goed. Het grote schuren van het in- en inzielige leven van moeder en zoon: de moeder valt alsmaar op verkeerde mannen, heeft totaal geen zelfvertrouwen. Ze verdient de kost door mannen thuis de haren te knippen. Daarin is ze meestal heel eerzaam, maar vanaf het eerste moment dat ze gaat thuisknippen vermengen zich grote zieligheid met een vaag gevoel van prostitutie. Dat staat er niet maar je voelt dat gewoon. Dat is knap gedaan.

Geen school heeft ze afgemaakt, Wes trouwens ook niet, maar een computernerd hoeft geen school afgemaakt te hebben. Moeder heeft geen enkel talent, ook in het opvoeden van haar kind schiet zij tekort, al bedoelt ze het goed. Zo is Wes ook: hij bedoelt het goed, denkt hij en hij begrijpt niet dat zijn enorme focus op zichzelf hem juist van de anderen vervreemdt.
Fijn, ook zo’n vervreemding, zo’n dingetje uit de literatuur van lang geleden. Het deed me in de verte denken aan de romans van Heere Heeresma, maar de laatste heeft veel meer humor. Dat grote schuren, die totale onhandigheid voor het leven, dat beviel me erg.

Te spreken ben ik ook over de parlandostijl waarin de roman geschreven is. Een soort van spreektaal, de hunge van anakoloeten, onafgemaakte zinnen - vrees niet, alle zinnen zijn netjes grammaticaal -, het zeer matige leestekengebruik en herhalingen, korte zinnetje of juist langere zinnen die uit korte stukjes bestaan. Die stijl past heel goed bij de eenvoudige ontwikkeling van de moeder en het-de-weg-kwijt-zijn van Wes, een eenvoudige soort van een stream of consciousness.

Maar de tweede helft van de roman bevalt me minder. Er zijn te veel herhalingen; allerlei motieven, zoals
- moeder, die taart wil eten omdat ze x jaar bij Erik weg zijn;
- het getal 26 - oa van de ‘zelfmoorden’ (lees zelf maar waar dat over gaat); het zakmes heeft 26 onderdelen, het zakmes dat van Erik is gekregen of toch van Frank, zijn biologisch vader? - Is Wes eigenlijk een onbetrouwbaar personage; ja, dat is hij in zekere zin; geloof hem niet op zijn woord;
- de slangen (zie hierboven bij Erik en de taxichauffeur);
- computerspelletjes;
- smartphones;
- ruimte natuurlijk, wat is dat nu: ruimte? En ruimte innemen in psychologisch-emotionele zin;
- het televisietoestel, want die vult de ruimte, de leemte, die er is tussen de mensen die tv kijken, met andere woorden: dan hoef je niks tegen elkaar te zeggen. 
Te veel zaken, herinneringen en motieven worden herhaald: jammer, dat is niet nodig. Soms is less more. Ik dacht met weemoed terug aan een boek dat ik vorige week herlas: H.M. van den Brink, Dijk: lees dat boek vooral: hierin is less more, wordt niet alles zo ontzettend duidelijk uitgelegd en is er werkelijk sprake van een dubbele bodem en van verdubbeling in de thema’s en motieven.
En dan zat ik toch een beetje gehaast te lezen naar het einde toe, het tweede deel, want er hing spanning in de lucht en ik wilde toch niet te zeer geïrriteerd raken door de herhalingen en het te uitleggerige op het eind.

Op de achterkant raadt Gerbrand Bakker ten zeerste aan deze roman te lezen; ik vind de romans van Bakker veel beter. Maar toch omdat het eerste deel zo goed is, en het tweede veel mensen zal aanspreken - maar niet mij, dat moge duidelijk zijn -, zeg ik: lees dit boek.

Auteur

Walter van den Berg (Amstelveen, 1970) is een Nederlandse schrijver. Na verschillende baantjes als onder meer fietskoerier, graveur, vakkenvuller, schoonmaker, automatiseerder en conciërge, publiceerde hij in 2004 zijn debuutroman, getiteld De hondenkoning. Zijn tweede roman, West, gaat over een broederstrijd in Osdorp. In 2013 kwam zijn derde roman uit, getiteld Van dode mannen win je niet. In 2016 verscheen Schuld bij uitgeverij Das Mag. (Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Walter_van_den_Berg)

Titel: Ruimte
Auteur: Walter van den Berg
Pagina's: 270
ISBN: 9789048853335
Uitgeverij Hollands Diep (imprint van Overamstel uitgevers) 
Verschenen: 2020

dinsdag 27 oktober 2020

Anna Enquist - Berichten van het front

Recensie door Dietske Geerlings
Uitgeverij De Arbeiderspers


Vanuit het slagveld van woorden raakt het gemis de lezer


Misschien kun je het leven van een moeder die haar kind heeft verloren inderdaad het beste vergelijken met oorlog. Zij balanceert op het randje van de afgrond en slingert heen en weer tussen het verlangen naar die peilloze diepte waarin haar kind is verdwenen en de wetenschap dat zij het leven, dat zich doelloos voor haar uitstrekt, moet uitzitten, uitvechten, tot ze erbij neervalt. Berichten van het front van Anna Enquist is een bundel hartverscheurende poëzie over de moeder die als eenzame, gebroken soldaat niet aflatend blijft vechten tot het bittere einde.

De bundel bestaat uit verschillende afdelingen. Nu is het bij een dichtbundel niet altijd gebruikelijk om de bundel van voor naar achter te lezen. Sommige lezers lezen bladerend en blijven hier en daar wat hangen. De opbouw van Berichten van het front leent zich er echter wel voor om bij het begin te beginnen en bij het slot te eindigen, al was het alleen maar omdat hij aan het begin welkom wordt geheten met een Oudjaarstoespraak namens ‘de werkgroep gedupeerde dichters, de vereniging rouwende schrijvers’, en aan het eind een Afscheidsgroet krijgt met een heldere handreiking om mee verder te kunnen.

Het welkomstwoord zet meteen de toon. Er is hier een rouwende dichter aan het woord, die ons allemaal toewenst eerder ‘de eindstreep’ te halen dan onze kinderen. De dichter zal ‘sombere kost uit onze keukens, met woede bereid, te heet, te koud’ opdienen. We zijn gewaarschuwd. Een beetje cynisch klinkt het ‘wil ik u groeten en vertellen dat wij nog bestaan’. Dat is het levensteken waar je normaal gesproken op hoopt als je een bericht van het front krijgt, maar dat dat ‘bestaan’ eigenlijk geen leven, maar een continue strijd is, wordt al gauw duidelijk. ‘Wij kneden het gemis totdat het op de bladzij past.’

Natuurlijk past het in geen geval op de bladzijde. Ook dat heeft de lezer direct door. Na het welkom komt hij in de afdeling Demeter terecht, genoemd naar de godin van het korenveld, die op zoek is naar haar dochter Kore. Kore is de bijnaam voor Persephone en betekent ‘meisje’. Door hier te kiezen voor de bijnaam, geeft Enquist de band tussen moeder en dochter meer intimiteit, die ook bevestigd wordt door de zin ‘zij is de naam van haar dochter’. Ook in de mythologie vormen Demeter en haar dochter een eenheid: moeder is de aarde, dochter het graan, dat afsterft en weer opkomt. Samen symboliseren ze de gang der seizoenen. In Enquists gedicht krijst Demeter dag en nacht, voelt geen honger en kou, maar valt samen met haar roep om het kind. Hiermee zet Enquist een krachtig beeld neer van de band tussen moeder en dochter, en de pijn van het verlies. Toch gaat het verdriet van de ‘ik’ nog veel verder: ‘Daar haak ik af’. Demeter krijgt het namelijk voor elkaar dat ze haar dochter driekwart jaar mag behouden. Alleen in de winter verdwijnt ze. De ‘ik’ moet het alle seizoenen zonder haar dochter doen, elk jaar opnieuw.

Het beeld van de zoekende moeder wordt ook in de daaropvolgende gedichten vastgehouden. In Phlegreïsche velden vraagt de ‘ik’ zich sissend af: ‘hoe kan een kind/dat zo thuis was in leven zorgeloos/de onderwereld in duiken? Onachtzaam, blind?’ Wie weet dat Enquist haar eigen dochter heeft verloren door een ongeluk, voelt de gelijkenis: de moeder die zich wanhopig afvraagt hoe het kind zo ineens maar kan verdwijnen. Wat is een moeder zonder kind? Is zij dan nog moeder? Deze vraag werpt de dichteres op door de woorden: ‘Gebrek aan het kind kooit haar in moederschap.//Ze rukt aan de tralies. Krommer en grijzer/van dag tot versleten dag. Kijk hoe ze/nooit ontsnapt, nooit iets vindt.’

Dat de ‘zij’ er erger aan toe is dan Demeter, blijkt ook uit het gedicht In de sneeuw: 

‘Geen dochter in aantocht./Zij leeft niet in het mythologieboek.’ En: ‘de onbarmhartige zomer gaat zij knarsetandend verdragen, de warme appels een marteling, een treurige vreugde.’

Misschien dat een op deze manier aangetaste moeder nog vrede zou kunnen hebben met het leven in de kooi, blijvend in de rouw. Zo eenvoudig is het echter niet, blijkt uit ‘Alles bloeit’: er is ook nog een kleinzoon. Voor de kleinzoon zal ze moeten leven: ‘oma, kijk maar, wij zijn in de dag,/daar is de zon. Hij heeft gelijk.’ De lezer voelt de innerlijke strijd die dat oplevert ook in het gedicht Ontluistering: ‘Zij loopt, vuisten gebald,/de kale wereld in, en zal zich/met de dingen gaan verstaan.’ Steeds opnieuw probeert ze zich te zetten tot het dagelijkse leven dat om aandacht vraagt, maar ‘Waar zit/het lek, wat zuigt de brandstof elke dag weg,/knaagt aan haar kracht, vreet haar leeg?’ De afdeling Demeter sluit met het gedicht Eindstation, waarin niet alleen de herinneringen aan haar dochter zich aandienen ‘die nieuwsgierige slons’, maar ook haar eigen eindigheid: ‘Uitzicht op witte weiden, wachten op de laatste/halte, uitstappen op onbekend terrein.’

In de tweede afdeling, Hoog, wit, koud, waart de dochter nog steeds ijzingwekkend afwezig rond: ‘Al dat ijs, die vrieskou – hoezo?/Ik moet mij bezighouden met een vrouw,/zeventwintig, die niet opschiet.’ De ‘ik’ vindt dat zij van marmer moet worden, ook al zeggen anderen dat het gevoel moet stromen. Het lijkt erop dat de ‘ik’ hoog en koud in het ijs staat en naar beneden, de diepte (de dood?) in kijkt. Ze vraagt zich af: ‘Misschien dat in de diepte rots en ijs ooit/vloeibaar – dat daar dan een inktzwart water op ons wacht? Op haar, op mij?’ Misschien dat ze weer samen kunnen stromen als ook zij in de diepte, de dood, is afgedaald. In deze afdeling is er ook plek voor de frustratie van de van hun kind beroofde dichters:

‘Ze zoeken koortsachtig/naar metaforen, de juiste.’ Deze zoektocht ontaardt in ‘De woorden als keien naar beneden smijten,/ze ketsen kwaad tegen de rotswand.’ En dan? ‘Het moeras ligt te wachten, daar zal je/thuiskomen, potlood verloren, woordeloos/stappend in een zompige kuil vol verdriet.’

In de derde afdeling, Ter hoogte van het gras, slaat de dichteres het advies van ‘de raadgevers’ in de wind. Zij zeggen dat ze op vakantie moet, ‘meer nemen dan geven.’ De dichteres wil niet vluchten en zegt tegen zichzelf: ‘Wend je tot het robuuste gras, groen/tussen dorre plaggen. Niets beleven. Zijn.’ Maar daar, ter hoogte van het gras, wordt ze alsnog geconfronteerd met haar geschonden moederschap: ‘Bankroet van een moederschap./Je kan haar niet eens toedekken, daar, in haar bed/van grond. Je houdt niet op met terugdenken/en foto’s kijken. Deur dicht. Licht uit.’

Hoe het allesverzengende verdriet van het verlies onverwacht uitkristalliseert in een wonderschoon beeld laat het gedicht Smaragdhagedis zien. De vrouw gaat al het nieuwe leven, ‘de ongepaste groei’, in de tuin meedogenloos te lijf met de tuinschaar en terwijl ze snoeit, wordt ze geconfronteerd met de smaragdhagedis, ‘soeverein en alleen’, die je als beeld voor haar verloren dochter, of het verdriet zelf, zou kunnen zien:

Met de nieuwe tuinschaar gaat ze de ongepaste
groei te lijf, snoeit bloesem en verse takken
meedogenloos terug. Zomer, wat denken ze wel,
weg ermee. Meterslange lianen rukt ze
uit de hibiscus; de oranje kelken trillen,
de stam blijft onthutst en uitgekleed staan. 

Het afval draagt ze hijgend weg, armenvol
smijt ze achter de rots. Als ze het niet meer
verwacht is hij plotseling daar, de smaragdhagedis,
soeverein en alleen. Hij negeert het verwelkende loof,
slaat geen acht op het stervende hout. Stil
ligt hij in zichzelf op de gloeiende steen. 

De laatste afdeling heet Buutvrij. Bij verstoppertje is dat de plek waar je voor even veilig bent, terwijl de rest om je heen gepakt wordt. Dit beeld past bij de oudere vrouw, die leeftijdsgenoten om zich heen ziek ziet worden en sterven, terwijl ze zelf nog steeds leeft. Ondertussen is ze nog steeds rouwende: ‘Gemis sluipt als lood in de spieren, duisternis/kruipt door de bloedbaan. ’Nog steeds droomt ze over haar kind en vraagt zich af: ‘Hoe naar de uitgang?’

In De schapentrog kijkt de dichteres van een afstand naar de mensen om haar heen die geveld worden door ziektes. Aan de andere kant ziet ze ook mensen die zich veilig wanen en alles ontkennen. Van een afstand kijkt ze toe: ‘De toeschouwer bijt op haar potlood, doet een stapje terug. Afstand. Maar klein.’ Ook zij zit in de laatste fase van haar leven en is misschien nog buutvrij, maar voor hoe lang nog?

Als het drummende kleinkind in Voor de stilte aan zijn oma vraagt of zij ook de hele dag liedjes in haar hoofd heeft, beaamt ze dat, maar zij beseft ook de eindigheid ervan: ‘Buiten/de tijd verstomt alle muziek. Het is de hel./Dat gaat ze niet vertellen aan de trommelaar.’ De bundel sluit af met een afscheidsgroet, waarin de dichteres de lezer bedankt die tot zover met haar is meegegaan,‘hijgend in hittegolven, naar adem happend´

Waar ze in haar openingsgedicht aangaf dat de rouwende dichters het gemis kneden tot het op de bladzijde past, komt ze nu tot de conclusie dat zij het weliswaar denkt, maar: ‘hier staat slechts tekst, een schema/dat u vullen zal. Of niet. Het zij zo.’ Daarmee raakt ze de essentie van poëzie: de dichter roept een wereld op van taal en beelden. De open plekken daartussen vult de lezer met zijn eigen gedachten en daardoor is het onmogelijk dat het gemis op de bladzijde past.

Berichten van het front stijgt op van het slagveld van woorden en bereikt de ijle hoogtes van de ziel, de donkere kamers van het hart, zoals ook muziek dat kan:

´Hoe dan ook is hier mijn afscheidsgroet: wantrouw/de woorden. Luister goed. En koester de muziek.’

Titel: Berichten van het front
Auteur: Anna Enquist
Pagina's: 64
ISBN: 9789029542227
Uitgeverij De Arbeiderspers
Verschenen: juni 2020

zaterdag 24 oktober 2020

Jan Brokken - Baltische zielen

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Atlas Contact
 

Ik knik langzaam, besef tussen welke vertrapte zielen ik vertoef, en huil geluidloos.   

Een intens menselijke blik op geschiedenis   

Baltische zielen met als ondertitel Lotgevallen in Estland, Letland en Litouwen is wederom een opmerkelijk boek van Jan Brokken. De auteur laat historische gebeurtenissen leven door in het spoor te treden van ooggetuigen of mensen die met verhalen en herinneringen van hun voorvaderen geschiedkundig belangrijke veranderingen in beeld brengen. Jan Brokken heeft een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan en wie eenmaal de smaak te pakken heeft van zijn thema’s en schrijfstijl kan de verleiding meer te lezen van deze auteur moeilijk weerstaan. Hoewel er wel degelijk politieke achtergronden ter sprake komen leest het boek niet als een geschiedenisboek. Door het accent te leggen op een persoon die destijds een belangrijke maatschappelijke functie had, krijgen politieke verschuivingen ineens een persoonlijke lading. 

De uitgekozen personen komen uit verschillende staten en hebben diverse achtergronden. Zo zijn er Joden die te maken krijgen met antisemitisme, auteurs en musici die tegen de wetten van de censuur aanlopen en zorgt de machtswellust van Rusland voor uiterst pijnlijke ingrepen in de autonomie van de Baltische staten. Vergeet de eendimensionale loyaliteit van de bevolking, met het verschuiven van de macht raken ook die verhoudingen uit balans, dit zie je terug in het leger, waar soldaten de kant kiezen die hen op dat moment uitkomt. 

In 15 hoofdstukken komen markante persoonlijkheden aan bod die in hun context geportretteerd worden. Hierbij worden zijpaden niet geschuwd waardoor verrassende verbanden zorgen voor helderheid en levendigheid. De hoofdstukken laten zich goed apart lezen zodat het een verhalenbundel wordt met een overkoepelend thema. Stuk voor stuk doen de verhalen een beroep op het gevoel, wat dit betreft weet de auteur met recht de juiste snaar te raken. 

Een erg mooi voorbeeld hiervan is te lezen in het hoofdstuk In de buurt van componisten waarin het verhaald verteld wordt van de kinderrijke familie Gaižauskas. Het gezin bestond uit vader, moeder en tien kinderen die samen een muzikaal ensemble vormden. In een Latvia-busje van de Componistenbond reisden ze door heel Litouwen om op te treden en zorgden voor het nodige vertier voor de landarbeiders. Het gezin leed een kunstenaarsbestaan met vakanties aan zee. Mooi zijn de beschrijvingen over hun levenswijze, zo werden er paddenstoelen en bessen gezocht in de herfst en maakten ze buitenlandse reizen in de winter. Toch was er geen echte vrijheid.

 

´Bij Saule (een van de tien kinderen, red) thuiskwamen in het midden van de jaren zeventig westerlingen over de vloer. Ze vonden het componistengezin en eigenlijk alle Litouwers zielig. Misschien niet arm maar armetierig. Verstoken van het geringste comfort. Onderdrukt. Saule kon er niet bij: zij wáren niet zielig! Zij woonden in een prachtig huis, zij hadden het goed. Wat een vooringenomenheid! Dat ze niet openlijk over de periode van het Vrije Litouwen mochten praten en hun Litouwse helden niet mochten vereren, was een kwalijke trek van de Sovjets.´ 

 

Nog een verhaal dat diepe indruk maakt is De Baltische barones met als ondertitel over oude families en vooroordelen. De auteur spreekt met barones Edith von Grotthuss, haar roots liggen in het Duitse Münster en haar voorvaderen verhuisden in de dertiende eeuw naar Litouwen. In 1939 moest ze, net als alle andere Duitse Balten, terug naar Duistand, om in 1992 weer teug te keren naar Litouwen. Haar geschiedenis gaat terug naar de kruisridders die in de dertiende eeuw de heidenen in het oosten wilden bekeren. Rasverteller Jan Brokken neemt ons mee naar die tijd en geeft een verslag wat er gebeurde van die twaalfde eeuw tot 1939. Onder de naam Teutoonse ridders werden de landen aan de Oostzeekust in beslag genomen. De opmars naar Rusland, bekend onder de naam Slag op het IJs, werd gestopt in 1242.

In dit hoofdstuk, waarin opkomst en verval van de aristocratie zo treffend beschreven wordt, duikt ineens Tomasi Di Lampedusa, schrijver van De tijgerkat (1958) op. Het schijnt dat hij in Koerland (historische regio in Letland) het idee kreeg hoe hij zijn roman over de teloorgang van zijn eigen familie vorm kon geven. Di Lampedusa was prins van Sicilië en laatste telg van het roemrijke geslacht. Deze prachtige klassieker krijgt een extra dimensie dankzij de vertelling van Jan Brokken. 

Een andere naam die de aandacht trekt is die van filosofe Hannah Arendt. Haar geschiedenis wordt verteld in het hoofdstuk De stad van Hannah Arendt, met deze stad wordt Köningsberg (Pruissen) bedoeld, later werd het Kaliningrad (Rusland). Ook Immanuel Kant komt uit Köningsberg. Zijn leer maakte indruk op de jonge Arendt, als veertienjarige las ze zijn verzamelde werken. Dat ze later afstand nam van zijn standpunten belette haar niet zelf verder te gaan met het ontwikkelen van haar eigen theorieën over het denken in politieke zin. Haar grootmoeder was Joods en haar moeder drukte haar op het hart dit altijd verborgen te houden. Het eigenzinnige karakter van Arendt botste met de realiteit, meegaandheid was niet haar sterkste kant en daarmee maakte ze het zichzelf niet gemakkelijk. Toch lukt het haar het gymnasium met succes af te ronden. 

Haar turbulente leven wordt in vogelvlucht beschreven en nodigt uit tot meer te lezen van deze bevlogen filosofe en tijdgenoot van Martin Heidegger. Met deze man kreeg ze een complexe verhouding en stond ze als muze aan zijn zijde terwijl hij zijn magnus opus Sein und Zeit schreef. In een van haar werken Eichmann in Jerusalem schreef Arendt;


‘Als je ten aanzien van belangrijke vragen tegen jezelf zegt: “Wie ben ik dat ik daarover kan oordelen?” ben je al verloren.’ Zo was het, ja. Net zoals ‘de banaliteit van het kwaad.'

 

Dit en nog veel meer is te lezen in dit fantastische boek dat de nieuwsgierigheid oproept  naar  bekende en minder bekende inwoners van de Baltische staten en ontdekken wat het betekent wanneer je hebt over de Baltische ziel. Een aanrader! 

Titel: Baltische zielen
Auteur: Jan Brokken
Uitgever: Atlas Contact

ISBN: 9789045036854
Genre: non-fictie

Pag.: 464

Verschenen: 2010