dinsdag 17 september 2019

Rob van Essen - De goede zoon

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Atlas Contact



Bijkomen van een uitzinnig avontuur dat aanzet tot reflectie

Het gebeurt mij niet vaak. Een boek waarvan je zeker weet dat je dit verhaal nooit meer zult vergeten. 'De goede zoon' van Rob van Essen is zo'n boek. Veertig pagina's voor het einde van deze road-trip wist ik nog steeds niet hoe het zou aflopen. De zestigjarige schrijvende hoofdpersoon kan dan nog steeds alle kanten op in deze plotloze triller. Maar dan heeft de lezer al een flink avontuur achter de rug. Spannend tot het einde, hilarisch, bizar, aandoenlijk, intrigerend én een verhaal met een flinke gelaagdheid. Het verhaal wisselt tussen twee tijdsbestekken. Het eerste bestek speelt zich af aan het eind van de twintigste eeuw. Voor de 'oudere jongeren' onder ons door de voorbijkomende namen of gebeurtenissen heel herkenbaar. Van de Amerikaanse sitcom Roseanne, weekblad Libelle tot 'pump up the volume'. En daardoor verweven de lotgevallen van de hoofdpersoon in een zwaar gereformeerde familie. Deze periode wordt afgewisseld door een doelloze tijd in de toekomst waarbij iedereen een basisinkomen heeft (een grote Europese operatie) waardoor musea worden overspoeld door de middenklasse, iedereen gaat schrijven maar praktisch niemand meer leest, zelfrijdende auto's op het wegennet een vanzelfsprekendheid zijn en godzijdank grootgrutter Albert Heijn nog steeds kassières achter de lopende band heeft zitten. Het meest opmerkelijke in dit toekomstbeeld is het feit dat de robotica de mensheid inmiddels achter zich heeft gelaten en zelfs enige mate van cynisme heeft ontwikkeld tegenover de mensheid. Dat zet je wel aan het denken (zuivere gevoelens zoals cynisme zijn namelijk nooit te programmeren).

Tussen deze periodes speelt zich een geheim avontuur af dat te maken heeft met de gefabriceerde levensloop van een kroongetuige. Op zich is dat een vrij simpele (en herkenbare) rode draad. Maar er zit zoveel meer in de 380 pagina's. Rob van Essen gunt ons een blik in de toekomst.Van een mogelijke wereld die voor ons ligt tot een interessante bespiegeling op een filosofisch niveau. Eerlijk gezegd geen aantrekkelijke toekomst. Als herinneringen en ervaringen kunnen worden verkregen of worden uitgeruild tussen de mensen, wanneer zijn mensen dan zichzelf en wat is dan hun identiteit? Wat is dan nog 'eigen'? Vraagstukken die de lezer snel bezig gaan houden (zonder herkenning en referenties blijven 'overgezette' herinneringen naar mijn mening gewoon verhalen).

De 'goede' zoon bezoekt elke week trouw zijn, dementerende, moeder in het verzorgingshuis. We lezen dat zij haar gehele leven zich heeft laten terroriseren door zwaar gereformeerd extremisme in de vorm van 'hel & verdoemenis'. Door het verlies van haar bewustzijn raakt zij haar angst kwijt totdat zijn (uiteindelijk) helemaal zorgeloos gelukkig is. Het maakt voor haar allemaal niets meer uit. Ook niet dat ze haar zoon niet meer herkent. Trouwens, ook haar zoon voelt zich alleen maar thuis op de plekken waar hij geen zorgen meer heeft, waar alles voor hem wordt beslist en geregeld in deze ongewisse tijd.

De reis met de zelfrijdende auto is het hoogpunt van het boek. De interactie tussen de 'alwetende' praatzieke robot (verbonden met alle andere robots en voorzien van alle digitale kennis die beschikbaar is) en zijn passagier is werkelijk schitterende proza. Deze laatste wordt helemaal ingepakt door de robot. Ook hier wordt alles weer voor hem beslist.

Op de keper beschouwd zijn er een aantal dingen die niet kloppen of onduidelijk zijn. Zoals het bezoek van de hoofdpersoon aan zijn psychiater Colenbrander tijdens de reis terwijl deze al dertig jaar geleden door De Dienst is vermoord (betreft het hier een droom of gebeurt het echt?). Een beetje verwarrend. Of de leeftijd van de hoofdpersoon in verhouding tot de herinneringen aan zijn jeugd. De rode draad van de kroongetuige linkt naar een overbekende ontvoering. De daarbij verzonnen namen zijn echt te flauw. En sommige beschrijvingen roepen vragen op. Aan het eind van de reis (ergens in Frankrijk?) belandt de zelfrijdende auto tussen een massa pelgrims. Dat kan ik nog wel begrijpen in een doelloze maatschappij. Men is weer op zoek naar zingeving. Invulling van hun lege leven. Maar waarom willen deze pelgrims ook naar binnen in het klooster? Of de hulp die wordt gevraagd aan de oud-rechercheurs om nogmaals maquettes te maken ten behoeve van de kroongetuige terwijl ze aardig wat jaren daarvoor ook al als gepensioneerden in het archief bezig waren. Deze minimale inconsistenties vallen in het niet bij de bizarre wendingen en de humor in dit goed geschreven verhaal.

Wat ik persoonlijk wel jammer vind is dat Rob van Essen alles tot aan het einde heeft verteld. Een open eind, na de injectie, had de lezer nog meer bezig gehouden om er zelf een einde aan te breien.
Maar 'De goede zoon'  is duidelijk een terechte winnaar van de Librisprijs. Complimenten ook voor het omslagontwerp van Nanja Toebak met de tram 6 die na vele decennia nog steeds in het geheugen is gebrand om terug in de tijd te stappen.

Auteur

 
Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963) is een Nederlandse schrijver, vertaler en recensent.
In 2009 werd zijn roman Visser genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs, en tien jaar later, in 2019, won hij deze prijs met zijn roman De goede zoon. Zijn tweede verhalenbundel, Hier wonen ook mensen, werd in 2015 bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs.

Titel: De goede zoon
Auteur: Rob van Essen
Pagina's: 384
ISBN: 9789025453411
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: september 2018

zondag 15 september 2019

Franz Kafka – Het kasteel

Gastrecensie van Sandra van der Plaats, zij las het boek in het Duits*
Uitgeverij Athenaeum





Het ondoordringbare sprookje van Doornroosje


Tja, Kafka. Wat voor zinnigs kun je daar over zeggen: óf heel weinig, en het maar gewoon over je heen laten komen, of er een scriptie over schrijven, aangezien er weinig schrijvers zijn, wier schrijfstijl een begrip is geworden en die zo’n grote invloed op de wereldliteratuur hebben gehad.
Kafka (lezen) maakt nederig, dus wat ik met Das Schloß heb gedaan, is het gewoon lezen. Niet te veel denken aan het absurdisme of het existentialisme, aan Camus of vooral aan Nietzsche, maar gewoon het ritme van de zinnen aanhoudend, zonder daarbij te zwaar te tillen aan wat er staat en wat er allemaal bedoeld wordt. Want het moge duidelijk zijn, dat daar hele studies aan gewijd kunnen worden. Niet doen dus.

Das Schloß is niet echt een boek waar je vrolijk van wordt. Het geheel valt als een grauwe, zware deken over je heen. Het is donker, het sneeuwt, de gebouwen zijn groot, en vervallen; daarnaast heeft het dorp ‘geen gasten nodig.’. K. komt alleen ergens binnen om te zitten, te slapen of om uit te rusten, alwaar hij door de dorpelingen met de nodige argwaan wordt bekeken en behandeld.
Alles is ‘off’ en vreemd; alsof de tijd is stilgezet en alles zich in slow-motion beweegt. Het landschap werkt ook mee aan deze vervreemding, het mist, het sneeuwt, het is donker en verlaten, de stemmen klinken veraf, en verstomd. Wegen lijken zich eindeloos door het landschap te slingeren, zonder ooit ergens ‘aan te komen.’ Ook ziet Das Schloß er niet uit als wat men normaliter als een slot beschouwt, er cirkelen kraaien boven iets dat voor toren door moet gaan, waarmee er een voorzichtig ‘slot’ (de kraai als aankondiging van de dood) geopperd wordt. Echter, dat einde is er niet, aangezien Kafka het werk nooit heeft voltooid.

K. is continue moe en slaperig, zijn verzoeken om in contact te komen met de kasteelheer stuiten op een unaniem stilzwijgen en wantrouwen van de dorpelingen. Naast deze ‘hopeloze onderneming’ om verder te komen, staan de bewoners niet erg welwillend tegenover zijn komst, aangezien K. geen vergunning heeft om in de herberg of het dorp te verpozen; zijn verblijf in de herberg komt neer op een verblijf in het slot, wat niet zonder vergunning van de slotgraaf is toegestaan.
De dorpelingen als ‘schijnbare helpers’ in K’s poging om het tij in zijn voordeel te keren, ontmoedigen eerder: zij wantrouwen hem, zijn bang voor hem, sturen hem weg of helpen hem zijn krachten bij elkaar te houden.’
Deze paradox loopt als een rode draad door de roman. De vrouwen in de roman zijn jong, groot en stevig, jeugdig, aanwezig, en bazig; de mannen daarentegen zijn hoekig, bonkig, mager, dragen baarden, zijn oud en/of onzichtbaar. ‘Alle mannen lijken enigszins op elkaar ‘als slangen.’ Ze reageren bang, angstig en apathisch.
Voor een buitenstaander als K. is het schier onmogelijk om de voor hem onzichtbare voorschriften en regels te doorgronden. Iedere keer als hij meent iets te hebben bereikt, dan lijken diezelfde regels en voorwaarden aan verandering onderhevig te zijn geweest, zonder dat iemand daarvan op de hoogte is (gesteld). 
 
K. neemt twee assistenten aan, die hij beiden Artur noemt. Wie wat doet boeit hem niet. Door het delen van de verantwoordelijkheid van de taken, die hij hen toespeelt, worden zij niet geacht individueel verantwoordelijkheid te nemen en te dragen, hetgeen bijdraagt aan één van de thema’s van de roman: namelijk het onderscheid tussen de eigen individualiteit en verantwoordelijkheid en die van de anderen, en de groep als geheel, (‘herd mentality’)
Daarnaast rijst de vraag in hoeverre deze dan wel of niet vrij is ‘bij de nauwelijks waarneembare arbeider met een in schijn bestaande aangeboden keuze.’
K. krijgt bijvoorbeeld pas het gewenste antwoord op een vraag, als hij zich voordoet als een assistent. Gaandeweg krijgt hij steeds minder grip op de mensen en de omgeving en lijken de onbeschreven wetten en regels zo veranderlijk als het weer. K. zucht onder de druk van de ‘hardnekkige bemoeizucht van de boeren.’ Ze lijken op het eerste gezicht ‘met elkaar verbonden, zonder overleg of contact, onzichtbaar.’ 
 
Als K. zich tenslotte wendt tot Barnabas, iemand die voor hem status lijkt uit te stralen, vergaloppeerdt K. zich wederom, want onder de dure overjas blijkt een grof, vaalgrijs en vaak versteld hemd te zitten, waarmee Kafka lijkt aan te geven om vooral niet te snel te oordelen. ‘There is more than meets the eye.’ Je weet niet of het zo is, of het zal bevallen, of dat het klopt, of niet. Het blijft dansen op het slappe koord als je als outsider niet weet wat de ‘mores van de groep is.’.
Het boek leest stroperig, en traag, alsof je aan een elastiek vastzit, waardoor vooruitgang een hele zware opgave blijkt. Juist deze actie van de vertraging zie je wellicht in een eigen droomtoestand: je wilt wel vooruit maar dat lukt niet, er is een kracht, die vertraagt en/of die tegenhoudt, en vermoeid. Ik heb dat echter niet als vervelend ervaren.

Das Schloß begint fantastisch: een reiziger die aankomt in een herberg, en vervolgens een slaapplek toegewezen krijgt in de gelagkamer – ‘omdat er verder geen kamers te huur zijn. - ‘waarmee de toon, als ook een knipoog naar de bijbel als een vanzelfsprekendheid al snel gezet lijkt.
Is K. op zoek naar een God, die hem uit kan leggen, wat de regels van het te spelen spel zijn, of hoe hij deze het hoofd zou kunnen bieden? Of is het Nietzsche die hier om de hoek komt kijken, die als stelregel heeft dat het nodig is te strijden, en te vechten voor je eigen gelijk. Zijn: ‘Geef niet op, vind je kracht en vecht tegen deze onzin! ‘Wees beter dan de massa, laat van je horen.’
De loodzware obsessieve zoektocht naar een afronding werkt verslavend. Er wordt vooral oeverloos gepraat in het dorp, maar bijna niets gedaan. Iedereen hangt, staat, zit of ligt. Niemand beweegt, allen zijn onderhavig aan een wetgeving en procedures, die niemand snapt, en waarvan niemand op de hoogte is. Bij vragen of protest, is het onmogelijk om met de desbetreffende instituut contact te komen. Het is en blijft een schemer(ig) gebied, een schier onneembare veste. 
 
Qua sfeer en vervreemding deed mij Das Schloß sterk denken aan één ander favoriet boek, dat ik eerder las: Het IJs van Anna Kavan, waarin de protagonist op zoek gaat naar een onbereikbaar ‘meisje van glas.’ Wat hij ook probeert, zij blijft voor hem ongrijpbaar en onbereikbaar, waarnaast de omgeving ook nog eens vertragend op de reis werkt.

‘Slechts met tussenpozen ving ik een glimp op van mijn omgeving, die mij vaag bekend voorkwam en toch onwerkelijk, verwrongen. Mijn gedachten waren verward. Op een merkwaardige manier scheen de werkelijkheid van de buitenwereld een voortzetting te zijn van mijn eigen gestoorde geestestoestand.'

Kafka is vreemd, briljant en zeer verslavend, maar wie bij Kafka iets van een plot verwacht, komt bedrogen uit: het gaat immers om het proces, de reis. De bestemming is bekend, maar doet verder totaal niet ter zake. Das Schloß leest ook als een ‘homofoon’, het is afgesloten, op slot, en wie naar binnen wil, moet een sleutel hebben. Of die onder een deurmat ligt, of bij de buren af te halen is, en of er überhaupt een sleutel is, dat moet je zelf maar uitzoeken. Gewoon op pad gaan. En kijken, verwonderen. Je overgeven aan de waanzin van alledag. Het is Kafka om het even.

* Deze recensie kwam tot stand door een oproep op deze blogspot,  hier vindt maandelijks een bespreking plaats. 




De auteur

Franz Kafka (Praag, 3 juli 1883 – Kierling, 3 juni 1924) was een Duitstalige schrijver die wordt gezien als een van de belangrijkste auteurs van de twintigste eeuw. Zijn werk kreeg vooral na zijn dood een grote invloed op de westerse literatuur.

Kafka was aanvankelijk een staatsburger van Oostenrijk-Hongarije en meer in het bijzonder van de provincie Bohemen. Hij groeide op in de Duitstalige Joodse gemeenschap van Praag. Na het uiteenvallen van het Habsburgse keizerrijk en de oprichting van de Eerste Tsjecho-Slowaakse Republiek in 1918 werd Bohemen bij die staat gevoegd en zodoende werd Kafka een Tsjechoslowaaks staatsburger. Hij verbleef ook enige tijd in Berlijn, de hoofdstad van de Weimarrepubliek. Dat maakte hem tot een typische Duitstalige en Midden-Europese auteur die niet gekoppeld kan worden aan een specifiek land. Dat gold bijvoorbeeld ook voor zijn tijdgenoot Hermann Hesse, de in Duitsland geboren auteur die naar Zwitserland verhuisde. De recente benoeming van Kafka als 'Tsjechisch' auteur is historisch incorrect omdat zijn taal niet Tsjechisch was en Tsjechië niet bestond in de tijd dat hij er woonde. In de periode dat hij Tsjechoslowaaks staatsburger was - van 1918 tot 1924 - woonde en werkte hij voornamelijk in Oostenrijk en Duitsland.(bron)


Titel: Het kasteel
Auteur: Franz Kafka
ISBN: 97890253059994
Uitgever: uitgeverij Athenaeum
Vertaling: Willem van Toorn
Pag.: 376
Genre: fictie
Verschenen: postuum 1926
Verschenen: deze editie 2018

vrijdag 13 september 2019

Hanna Bervoets - Welkom in het rijk der zieken

Recensie door Roosje
Uitgeverij Pluim
‘Ik ken jou,
 jij lag net nog naast mijn bed.
Jij bent Susan, toch?’
 (2019: 13)
Twee parallelle werelden
‘Je zit aan de keukentafel, op de stoel waar je meestal op zit, de klapstoel met het roze kussentje.’ (ib.: 17)

Zo luidt de eerste zin uit het derde (hoofd)stukje van de roman van Hanna Bervoets.
In het eerste stukje was het je-personage een brugpieper die voor het eerst naar de middelbare school ging. Op school maakte de jongen - die later Clay blijkt te heten - uit het inleidende stukje kennis met de snaartheorie en het concept van de parallelle werelden. Is dat Clay als in klei, leem, de golem wellicht, de man van leem uit de joodse verhalen? Misschien heeft het er iets mee te maken, misschien ook niet.

We weten aanvankelijk niets van Clay, zijn verhaal is mysterieus, hij heeft hier en daar pijn, er duiken allerlei mensen op wier namen ons nog helemaal niets zeggen. Daarom ga je als lezer naarstig op zoek naar het plaatje, je probeert de puzzelstukjes zo snel mogelijk aan elkaar te passen. Dat je in het begin niets weet van de hoofdpersoon is opvallend in dit verhaal. Net zo opvallend, en niet zo makkelijk te vatten, is het feit dat we, de lezers, te maken hebben met een ‘je-personage’. Dat komt niet zo vaak voor. Geen hij-personage, geen ik-personage. Ik ben onvolledig - o, dit wordt een warrig verhaal van mij -: er zijn je-hoofdstukken, die worden aangeduid met een donker gekleurde ster, en er zijn ik-hoofdstukken, die gemerkt worden met een opengewerkte ster. In de je-hoofdstukken wordt het verhaal van Clay verteld, zijn ziekte en wat dat met hem doet; in de parallelle ik-hoofdstukken wordt de beleving van die ziekte verteld door Clay - als ik - met Susan aan zijn zijde, in wat we later mogen duiden als het Rijk der zieken; een allegorie zou ik die misschien wel willen noemen.

Dat is heel verwarrend. Jij en ik, ze zijn allebei Clay. Twee werelden: die van de zieken en die van de gezonden. Later komen we erachter dat die tweedeling komt uit een belangrijk boek van Susan Sontag, Illness as Metaphor*. Een niet zo recent boek van Sontag uit 1978 dat zij schreef naar aanleiding van haar borstkanker. Sontag stierf in 2004 aan borst- en baarmoederkanker .
Er is dan ergens ook nog een hoofdstuk over Marla in de ik-vorm. Dat snap ik niet helemaal. Nou ja, in die zin: het is Marla die Sontags metafoor van de twee Rijken introduceert bij  ons en bij Clay.

In het Rijk der zieken slepen de mensen hun (zieke) lijf achter zich aan.

‘- Ik til het lijf op, hier is het, zo. En ik geef het aan jou, jij houdt het bij je.- Hoezo wat bedoel je?- Vanaf nu draag je je lijf mee.’ (ib.: 30)

We snappen zo ongeveer op de helft van het boek wie die Susan is, die Clay voortdurend aanspreekt en die hem begeleidt.

In die twee rijken, de parallelle werelden, leeft Clay ook, zonder dat hij dat zelf door heeft. In het Rijk der gezonden lijkt het wel alsof hij aan een vorm van dissociatie leeft; tenminste dat leid ik af aan het gebruik van het je-personage. Wikipedia: ‘Dissociatie, een term uit de psychologie en psychiatrie, is een geestesgesteldheid waarin bepaalde gedachten, emoties, waarnemingen of herinneringen buiten het bewustzijn worden geplaatst, tijdelijk niet 'oproepbaar' zijn of minder samenhang vertonen.
Letterlijk betekent dissociatie 'ontkoppeling' of 'uiteenvallen'. Het is een zeer alledaags verschijnsel: iedereen verliest bijvoorbeeld weleens de aandacht voor zijn omgeving als hij zeer geconcentreerd met iets bezig is en iedereen heeft weleens een dagdroom. In deze zin is het gewoon een mechanisme om tot rust te komen, een afweermechanisme.’

Het verhaal, de verhalen moet ik zeggen, ontwikkelen zich en leiden tot een climax.  In verband met *spoilers* moet ik daar maar niet al te veel over zeggen, maar die climax vertoont veel overeenkomsten met wat ik ergens heb gezegd in een itempje dat vooraf ging aan het lezen van dit boek - ik geef toe: het is geheimzinnig, waarschijnlijk té. De stukjes vallen dan een beetje op zijn plaats.

Clay heeft in ieder geval grote problemen met zijn ziekte en de consequenties die zijn ziekte heeft voor hem en voor zijn leven. Zijn ziekte is chronisch.

De structuur van het verhaal zoals Bervoets het aan ons presenteert, is volgens mij dusdanig dat het achteraf verteld wordt maar het maakt nu eens de indruk dat het van vooraf aan gedaan wordt en vanuit ergens middenin, in medias res heet dat in literaire terminologie: gewoon ergens middenin en via flashbacks kom je dan te weten wat er vooraf gegaan is. Ik heb de indruk dat alles wat ik lees feitelijk flashbacks zijn: Clay vertelt zijn verhaal achteraf maar helemaal zeker ben ik niet.

Ik ben me ervan bewust dat er wellicht geen touw aan vast te knopen is in wat ik hier boven gezegd heb. Nou ja, misschien is er een klein stukje touw aan vast te knopen of een dun en breekbaar touwtje. Dit boek van Bervoets wordt echt heel ingewikkeld verteld: vermoedelijk achteraf (ab fine, vanaf het eind, maar ik weet niet zeker of dit de juiste literaire term is of dat ik die zelf verzin); in twee parallelle werelden; met een ik-personage een een gedissocieerd jij-personage. In het begin weet je als lezer niets van die jongen die Clay heet. En wat doet dat inleidende hoofdstukje daar? Oké, vermoedelijk is dat bedoeld om het begrip ‘parallelle werelden’ te introduceren. Je bent als lezer als een gek bezig het achterliggende verhaal te ontcijferen: wie is die Clay, wat is met hem aan de hand? Wie zij al die mensen om hem heen, wie is Saartje, later: dat lijkt wel zijn cavia, en ja, het is zijn cavia. En wat doen die hoofdstukken met die Susan nu eigenlijk? Waar is hij, wat doet hij? En dat irritante jij-personage? Ik denk dat er weinig lezers zijn die het prettig vinden lezen, zo’n jij-personage. Ik herinner dat schrijfster Hannes Meinkema er in de jaren 1970 ook een handje van had. Nu staan in dit stukje van mij ook verwijzingen naar een jij-personage, maar dat 'ik' meer bedoeld als ‘ik - je als lezer’ en ‘wij als lezer’, omdat het niet altijd netjes is ‘ik’ te schrijven.

Ik kan me heel goed voorstellen dat de dichotomie à la Sontag gebruikt is om aan te tonen hoe moeilijk een leven als chronisch zieke is en dat een ziek mens van zichzelf vervreemdt of niet wil erkennen dat hij chronisch ziek is. Maar de ingewikkelde structuur is hier echt een overkill aan gebruikte literaire trucs. En ik vraag me af of het verhaal van Bervoets en dat van Sontag hetzelfde gebied beslaan. Ik voel een verschilletje. Bij Sontag gaat het om ‘victim-blaming’ van de anderen ten opzichte van de zieke, maar is dat bij Bervoets ook het geval?

Ik vermoed dat wel meer mensen het moeilijk vinden in een nieuw boek te beginnen. Je moet er als lezer weer helemaal opnieuw inkomen; dat kost tijd en energie. Gek genoeg ben ik nu een boek aan het lezen: Victor Hugo, De klokkenluider van de Notre-Dame, waarbij dat totaal niet het geval is. Het verhaal begint en direct ben ik geboeid en zit ik er middenin. Het is niet voor niets een klassieker natuurlijk. Het 'erin komen' heeft Bervoets ons lezers niet makkelijk gemaakt. En dat gaat helaas ten koste van het leesplezier.
Onder het lezen dwaalden mijn gedachten af naar boeken, toch voornamelijk non-fictie, waarin auteurs vertellen over hun specifieke chronische ziekten, zoals boeken van Renate Dorrenstein over haar ME, met name Dit is mijn lichaam en van Henk Blanken, Pistoolvinger, over zijn parkinson. Wat mij betreft zijn dit veel boeiender boeken dan deze roman van Bervoets. De roman is een prachtige poging de complexiteit van een chronische ziekte in kaart te brengen maar wat mij betreft niet helemaal goed gelukt.

Illness as Metaphor: ‘Is een werk van kritische theorie van Susan Sontag uit 1978, waarin ze het slachtoffer de schuld geeft in de taal die vaak wordt gebruikt om ziekten te beschrijven en degenen die eraan lijden’.

Auteur


Hanna Marleen Bervoets (Amsterdam, 14 februari 1984) is een Nederlandse schrijfster, journaliste en columniste.

Ze volgde een bacheloropleiding Media en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam, met als specialisatie Televisie en Populaire Cultuur. In 2008 voltooide zij vervolgens een duale Master Journalistiek en Research, eveneens aan de Universiteit van Amsterdam.

Tijdens haar studie schreef Hanna Bervoets filmrecensies en korte columns over het Amsterdamse uitgaansleven voor stadsmagazine NL20. Sindsdien publiceert zij in verschillende media, waaronder Elsevier, NRC, de Volkskrant, De Correspondent en Das Magazin.

In 2009 verscheen Bervoets’ debuutroman Of Hoe Waarom (uitgeverij L.J. Veen), waarvoor ze in datzelfde jaar de ScriptPlus HvA Debutant van het Jaar-prijs won.

Tussen 2009 en 2015 had Bervoets een vaste column in Volkskrant Magazine. Haar columns werden gebundeld in de boeken Leuk zeg doei (2010), Opstaan, aankleden, niet doodgaan (2013) en En alweer bleven we ongedeerd (2015).

In 2010 schreef Hanna Bervoets in opdracht van de Haagse toneelgroep Firma MES haar eerste toneelstuk: Roes.

In 2011 publiceerde Bervoets haar tweede roman, Lieve Céline, waarvoor zij de Opzij Literatuurprijs ontving. Ook schreef zij dat jaar het scenario voor de televisiefilm Bowy is binnen.

Haar derde roman Alles Wat Er Was verscheen januari 2013 en werd genomineerd voor de Opzij Literatuurprijs 2013. In oktober 2014 verscheen haar vierde roman Efter. Efter werd genomineerd voor de BNG Bank Literatuurprijs 2014 en behaalde de longlist voor de Libris Literatuur Prijs en de Gouden Boekenuil. In januari 2016 verscheen Ivanov, waarvoor Bervoets de BNG Bank Literatuurprijs won. Het jaar daarop verscheen haar zesde roman: Fuzzie

In 2017 ontving Bervoets de Frans Kellendonk-prijs voor haar gehele oeuvre.
In 2018 ging haar tweede avondvullende toneelstuk CarryMe in première.
Dichter en essayist Anton van Duinkerken (1903-1968) was haar oudoom.

Titel: Welkom in het rijk der zieken
Auteur: Hanna Bervoets
Pagina's: 320
ISBN: 9789492928283
Uitgeverij Pluim
Verschijningsdatum: juni 2019

woensdag 11 september 2019

Ingrid Hoogendijk – Ons gaat het in ieder geval nog goed

Duobespreking door Hetty Benedictus en Tea van Lierop
Uitgever: Thomas Rap






De flaptekst

In 1922 kwam de Rotterdamse stoffenhandelaar Michiel Hoogendijk in het bezit van het landgoed Schakenhof in Oost-Pruisen. Daar beleefde hij met zijn vrouw en zeven kinderen de opkomst van het nationaalsocialisme, de oorlog, de komst van de Russen en de ondergang van het Derde Rijk. Ruim tien jaar geleden kwam zijn kleindochter, Ingrid Hoogendijk, in het bezit van een omvangrijke verzameling brieven. Het waren de brieven die de gezinsleden elkaar schreven in die roerige tijd. Dit boek vertelt het aangrijpende verhaal van een familie die door oorlog verscheurd raakt, alsook het verhaal van Oost-Pruisen, een land dat uit ons collectieve geheugen verdwenen is.(bron)





Een beetje exotisch

Tea - Oost-Pruisen, het klinkt bijna exotisch, iets uit het verleden. In het boek staan een paar kaartjes van het gebied. Pruisen heeft een rijke geschiedenis en had vele machtswisselingen. De familie, waarover dit boek gaat, woonde zowel in West- als in Oost-Pruisen. Het boek geeft een zeer goed beeld van het leven in Pruisen, niet alleen politiek, maar ook het leven op het platteland. Omdat de familie veel bezittingen heeft hebben de kinderen veel ruimte om op te groeien en te spelen tussen het groen en de dieren.



De briefwisseling

Hetty - Het Nederlandse gezin Hoogendijk verhuist naar Oost-Pruisen. Vijf van de zeven kinderen van het gezin zijn in Nederland geboren, de overige twee in Oost-Pruisen. Het verhaal wordt verteld aan de hand van de vele brieven die de verschillende familieleden elkaar schreven en waarin ze de ander op de hoogte brengen van hun situatie. Het was het enige en vaak moeizame contact tussen de familieleden die op verschillende plaatsen en zelfs in verschillende landen verbleven tijdens de oorlog. Wanneer, en of, de brieven aan zouden komen was vaak onzeker. Brieven die zoek raakten zorgden voor ongerustheid bij de beoogde ontvanger; betekende het uitblijven van een bericht dat er problemen waren? dat het familielid wellicht overleden was? Ook was het belangrijk om de brieven zo te schrijven dat ze de censuur zouden doorstaan.

Hetgeen geschreven werd moest de ander een goed beeld geven van de situatie maar toch ook weer niet te veel ongerustheid opwekken, daarom vaak na het opsommen van de dagelijkse moeilijkheden de opmerking ‘Maar ons gaat het in ieder geval nog goed’.
Verder geven de brieven een goed beeld van het dagelijks bestaan van een boerengezin, de oogst en de dieren zijn belangrijk, hierover wordt dan ook vaak bericht gedaan, wetenswaardigheden die normaal tijdens de maaltijden vermoedelijk besproken zouden worden, worden nu, tijdens de afwezigheid van de ander, vermeld in de brieven.

Ook idylle

Tea - Het eerste hoofdstuk beslaat het gedeelte van 1920-1933 en vertelt het verhaal van Michiel Arie Hoogendijk. Met hem begint de dynastie, het is een man met visie, lef en zakeninstinct. Door zijn handel in Engelse stoffen krijgt hij de kans zijn handelsgebied uit te breiden naar Duitsland dat na WOI een groot gebrek had aan grond- en hulpstoffen voor de industrie. Dochter Jo zal later haar herinneringen op papier zetten, de idylle spat er af en toe vanaf:

‘Op de grasvelden speelden zich heerlijke zomeridyllen af. Hier ravotten en stoeiden wij en met het heldere water uit de bron vonden geweldige watergevechten plaats. Je kon er naar hartenlust luieren, in de zon of onder de schaduwrijke bomen. Verrukkelijk was het, als de bessen rijp waren en je daarvan zoveel mocht eten als je maar kon.’


Een familie verscheurd

Hetty - Het is zeer indrukwekkend om te lezen hoe het gezin verscheurd wordt door het opkomende nationaalsocialisme en de in Duitsland heersende opvattingen.
Enkele van de kinderen zijn op zo’n jonge leeftijd geëmigreerd dat het eigenlijk gewoon Duitse kinderen zijn en ook de opvattingen delen die in het Duitsland van voor de WOII overheersen, ze zien niet het gevaar dat dreigt. Een gevaar dat de ouders en ook de oudste zoon Pieter wel degelijk onderkennen door de dingen die bijvoorbeeld in de WOI gebeurd zijn. Nederland bleef in die oorlog dan wel neutraal maar de dreiging van opnieuw een oorlog dringt zeker tot hen door. Ook kiezen de dochters van het gezin voor mannen die de ideeën van Hitler steunen en een functie in het leger hebben, dit tot afschuw van hun vader die dit eigenlijk niet kan en wil accepteren.

Tea - Inderdaad is de bezorgdheid en het verdriet van de verscheurdheid af te lezen in de brieven, lang niet alles is rozengeur en maneschijn. De toon waarop de bezorgdheid geuit wordt is behoedzaam en vragend, waardoor het hele proces integer verwoord wordt. Waarschijnlijk is het op papier zetten van gedachten een goede manier om verdriet, frustratie en boosheid te kanaliseren, bij schrijven moet je nadenken en eenmaal geschreven beklijft. Het verscheuren van een familie is een terugkerend hartverscheurend verschijnsel bij vooral burgeroorlogen, welke kant moet je kiezen? Er is altijd een keerzijde.

Meerdere verhaallijnen

Tea - Het viel me op dat het boek meerdere verhaallijnen heeft. Natuurlijk staat de familie centraal, maar de familieleden hebben elk hun positie in het gezin en in de familie. Er worden vriendschappen gesloten, de familie breidt zich uit door liefde en trouwen. Maar ook binnen het huwelijk is het niet altijd koek en ei, ontrouw is ook aan de orde en ik bewonder die manier van verslaggeven. Bijna zakelijk, maar met een ondertoon van woede en onbegrip. Zonder in details te treden is dit wel een opmerkelijk element in de familiegeschiedenis.

De familie leeft in een wereld waarin grote machtsverschuivingen plaatsvinden. Dit is de tweede verhaallijn, die natuurlijk onderverdeeld wordt, net als de vertakkingen in de familie. Situaties veranderen en eisen een reactie van naties en hun bevolking. Ik vind het politieke deel, dat over de oorlog en de verschuivende posities in de macht best ingewikkeld. Ik heb geprobeerd een eenvoudige samenvatting te maken van de historie van Oost-Pruisen, maar verzand in vele zijpaden waardoor dat onmogelijk kort samen te vatten is. Het blijft boeiend en nodigt uit wat meer te weten te komen over dit deel van Europa.

Wat vinden we ervan?

Hetty - Boeken waarin het verhaal in briefvorm verteld wordt spreken mij niet altijd aan maar in dit boek werkt dit erg goed en maakt het verhaal ook erg indringend. Je leeft tijdens het lezen mee met de gebeurtenissen en wacht ook bijna met de familieleden mee op een volgend bericht dat vertelt hoe het verder gaat.

Het besef dat dit echte brieven zijn, dat het een waargebeurd verhaal is, maakt het vertelde des te aangrijpender. Je kunt je voorstellen hoe de ouders Hoogendijk zich gevoeld moeten hebben bij het besef dat hun kinderen niet dezelfde opvattingen hadden als zij zelf en zich daardoor ook totaal niet bewust waren van de foute richting die het nationaalsocialisme en Duitsland opgingen.

Ze wilden hun kinderen beschermen door ze naar het in hun ogen veilige Nederland te sturen, maar dit lukte alleen bij hun zoon Pieter die wel het gevoel van zijn ouders deelde. Hoe moeten ze zich later niet gevoeld hebben toen ook Nederland bij de oorlog betrokken raakte en hun zoon zo ver van hun vandaan was en er geen mogelijkheid was om elkaar te bezoeken? Ik kan me de radeloosheid voorstellen wanneer brieven uitbleven en er lange tijd geen contact was…

Wat ook opvalt is de Hollandse nuchterheid die het gezin bezit, ze berichtten in hun brieven over het leed dat hun omgeving treft, over het moeilijke leven met een gebrek aan allerlei zaken, maar dan is er toch ook steeds weer die ene zin (in verschillende vormen): ‘Ons gaat het in ieder geval nog goed’.
Zo van: maak je geen zorgen, wij slaan ons er wel doorheen. Het is nu eenmaal niet anders, we moeten het hier mee doen en maken er het beste van.

Tea - Dat met die brieven heb ik ook, liever niet, maar deze brieven deden naturel aan geven het genuanceerde tijdsbeeld weer waarbij je als lezer je eigen gedachten mag loslaten en nadenken over de bizarre situaties waarin de familie terechtgekomen is. Zoals hierboven al aangestipt vond ik het politieke deel behoorlijk complex, niet zoals het in het boek verteld wordt, dat is 'alleen' veel, maar wanneer je iets meer over de achtergronden wilt weten wordt het minder overzichtelijk.

Waardering 

Hetty - Als ik dit boek in 1 woord moet omschrijven dan is dat: indrukwekkend.
Tea - Een aanrader voor iedereen die dit specifieke verhaal wil lezen om zo een beeld te krijgen van een historie waarover we nog niet zoveel hoorden (ik niet tenminste)
De auteur

Ingrid Hoogendijk is de kleindochter van Michiel Hoogendijk. Na een afwisselende loopbaan in het bedrijfsleven heeft zij ruim tien jaar onderzoek gedaan naar het verleden van haar familie.

Titel: Ons gaat het in ieder geval nog goed
Auteur: Ingrid Hoogendijk
Uitgever: Thomas Rap
ISBN: 9789400405356
Genre: non-fictie
Pag.: 368
Verschenen: 2018

dinsdag 10 september 2019

Christiane Ritter - Een vrouw in de poolnacht

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Querido Fosfor


Alles draait hier om het naakte bestaan

Wanneer de Oostenrijkse Christiane Ritter in de zomer van 1934 een telegram ontvangt van haar man met de woorden 'Laat de boel de boel en kom ook naar de Noordpool', heeft ze even haar bedenkingen. Haar man kon niet loskomen van Spitsbergen en is er gebleven na een wetenschappelijke expeditie. In de zomer gaat hij er met de boot op uit om te vissen en tijdens de winter jaagt hij op pelsdieren. Het idee om daar de eenzaamheid op te zoeken (Ach eenzaam? De buurman woont maar 90 km verderop!) en kou te lijden trekken haar niet meteen, maar de berichten van haar man die haar bereiken, wekken toch haar belangstelling, dus... haar nieuwsgierigheid wint.

'Ik zag de kleine winterhut in een steeds vriendelijker licht. Als huisvrouw hoefde je de gevaarlijke tochten ’s winters tenslotte niet mee te maken. Je kon in de hut bij de warme kachel blijven zitten, sokken breien, vanachter de ramen het landschap schilderen, ver van het werelds gewoel dikke boeken lezen en niet in de laatste plaats uitslapen zo lang je wilde.'

Per schip - met meer bagage dan haar man haar had aangeraden mee te nemen - bereikt ze Spitsbergen en wordt ze in de Kongsfjord aan land gezet, waar haar man - Hermann, hoewel ze hem nergens bij naam noemt - op haar wacht. Samen trekken ze verder naar het noorden, waar Hermann een hut heeft gehuurd in Gråhuken, tussen de Woodfjorden en Wijdefjorden. Een heel jaar zullen ze er verblijven, samen met Karl waar haar man mee bevriend is geraakt.

[...] 'een brave, fatsoenlijke kerel. Hij komt uit Tromsø en is eigenlijk ijszeeschipper, harpoenier van beroep. Hij stond al op het punt om naar huis te gaan toen ik hem van de zomer vroeg of hij nog een jaar in het Noorden wilde blijven. Hij aarzelde geen moment en zei ja. Karl is een Spitsbergenfanaat.’

Via deze link is een virtuele tour
te maken door Ritterhut in Gråhuken
Eenmaal in de hut - met zwarte wanden door kachelrook - aangekomen zorgt ze er voor alles netjes en schoon te krijgen. Vers brood wordt gebakken en er komen creatieve maaltijden op tafel die onder andere bestaan uit vis, zeehonden-, sneeuwhoender- of berenvlees. Haar grootste zorg is dat er weinig vitaminerijke groenten zijn, omdat scheurbuik op de loer ligt.

In haar dagboek schrijft Ritter over haar zorgen en angsten, maar die maken steeds gemakkelijker plaats voor verwondering over de idyllische schoonheid van de natuur, de zomer in het licht en de eindeloos lijkende donkerte van de winter. Hoe moeilijk ze het ook vindt om zich over te geven aan de gedachte dat er vallen worden gezet om aan hun vlees te komen, toch verandert ze na verloop van tijd haar houding ten opzichte van de omstandigheden. Ze kan zich steeds beter conformeren met het Arctische bestaan en probeert uiteindelijk zelf ook te gaan jagen. Ze beseft dat kleinzieligheid er zijn niet op zijn plaats is.

'Ik bekijk het leven nu ook met andere ogen. Vergeten zijn alle uiterlijkheden, hier draait alles om het naakte bestaan. De hut is een hol dat beschutting biedt, zonder hut zouden we buiten doodvriezen, het primitieve voedsel moet ons wel smaken, want het houdt ons in leven. En spelen kun je ook met zwarte kaarten, zelfs als harten en ruiten even zwart zijn als schoppen. Ze helpen ons de zwarte tijd te verdrijven, dat is hun betekenis.'

In de donkere winter daalt de temperatuur gemakkelijk tot een graad of 50 onder nul. Storm en hagel teisteren de hut en drinkwater is niet voorhanden, dus moet er ijs gesmolten worden. Zelfs ín de hut komt er een laag ijs op de wanden en de bevroren aardappels moeten begraven worden om ze te behoeden voor ontdooien. Ze is er slechts zelden op te betrappen dat ze het hoofd laat hangen en het is uiterst fascinerend om te lezen hoe ze zich herpakt en met een grote mate van positiviteit, flexibiliteit, verwondering, luchtigheid en lichte (zelf-)spot haar dagen beschrijft. Ook als ze voor langere perioden alleen achterblijft wanneer de mannen op expeditie zijn, is ze onverzettelijk om er het beste van te maken.

De extatische beschrijvingen van de natuur zijn zo beeldend beschreven, dat de kou je bijna letterlijk in de kleren gaat zitten, maar hartverwarmend zijn de beschrijvingen van de geluidloosheid en intense rust, de sneeuwvelden door de zon beschenen, de sneeuwwitte vossen en sneeuwhoenders, de betovering van het ijs, de kleuren van het licht en het knusse van hun hut. Vanzelfsprekend zijn er legio ontberingen, maar de spirit die haar woorden uitstralen zijn bewonderenswaardig en getuigen van veerkracht en een krachtige geest.

'Vreemd zijn die heldere nachten. Ze hebben iets bijzonder plechtigs. Het is alsof de golven zachter slaan en de vogels langzamer vliegen – de nacht is als de droom van de dag.' 

'Vandaag straalt de hemel in het blauwe licht van de verdwenen dag. In het noorden hangt een roodgele maan voor de nevel. Als de weerspiegeling van een verre vuurzee zweeft in het roodachtige schijnsel het steeds duidelijker wordende poollicht langs de hemel. Het maan- en het poollicht zijn nu het warme gloeiende licht dat contrasteert met het kille blauw van de lucht.'


Wanneer de tijd is gekomen om Spitsbergen weer te verlaten, beseft ze dat ze niet weg kan gaan. Net als haar man is ze verslingerd geraakt aan het leven in de Arctische contreien. Ze besluit bij haar man te blijven tot de herfst.

Deze indrukwekkende getuigenis van de eerste vrouw op de Noordpool is een wonderschoon literair verslag uit de twintigste eeuw dat terecht is opgenomen in de Schwoblijst. Een non-fictieklassieker om van te smullen en die je met een melancholisch gevoel achterlaat.

Auteur

Christiane Ritter , geboren Christiane Knoll (geboren op 13 juli 1897 in Carlsbad - 29 december 2000 in Wenen) was een Oostenrijkse schilder en auteur.

Op 20-jarige leeftijd trouwde ze met Hermann Ritter (1891-1968), die net het certificaat van zijn scheepsofficier had ontvangen. Korte tijd later werd hun dochter Karin geboren. Ritter bracht een jaar door in een eenzame hut op Spitsbergen, ver van alle beschavingen. Haar boek is inmiddels in zeven talen uitgegeven.

Na de Tweede Wereldoorlog verhuisde het gezin naar Leoben in Stiermarken. In 1985 verhuisde Christiane Ritter naar Wenen. Hier stierf ze op 103-jarige leeftijd en werd begraven op de begraafplaats van Grinzinger (groep 28, rij 3, nummer 8).

Titel: Een vrouw in de poolnacht
Originele Titel: Eine Frau erlebt die Polarnacht
Auteur: Christiane Ritter
Vertaling: Elly Schippers
Met illustraties en kaarten
Pagina's: 224
ISBN: 9789021408958
Uitgeverij Querido Fosfor
Verschenen: december 2018

maandag 9 september 2019

Dezső Kosztolányi – Anna

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij van Gennep




‘Fiscor kwam weer boven met een armzalig hoopje goed dat in een geruite doek was gewikkeld.’


Het meisje dat tenslotte toch wende..

Deze klassieke roman begint op 1 augustus 1919, de dag dat Béla Kun – Hongaars politicus – naar Wenen vluchtte. Hiermee kwam een einde aan de Radenrepubliek, een communistische staatsvorm. Deze machtswisseling gooit het hele leven van de Hongaarse bevolking overhoop. Plotseling worden de rollen omgedraaid. Zij die tijdens de communistische Radenrepubliek de touwtjes in handen hadden worden nu door de onderdrukten verguisd en de oude orde wordt hersteld. Er mag weer gepronkt worden met bezit en de ‘roden’ worden gewantrouwd. Nog een beetje onwennig en wantrouwend wordt de situatie vlak voor de overgang bekeken door Kornél Vizy, heer des huizes

‘Beneden liep de rode soldaat die zo-even geroepen had heen en weer. Hij zag er echter zo eenzaam en verlaten uit, dat het moeilijk was hem te haten. De man was niet meer dan een kleine, schlemielige proletariër. Geen echt mens, eerder een embryo, dat iemand een geweer met een bajonet om zijn schouders had gehangen.’

De woning van Kornél Vizy is de plek waar het verhaal plaats vindt. Hier komt Anna werken als dienstmeid, hier zetelt de conciërge die van overtuigd communist verandert in een man met een dienende functie en in dit gebouw bevinden zich ook de woningen van een ambitieuze advocaat en een oude, consciëntieuze dokter. Met hun gezinnen en dienstmeisjes vormen ze net een mini-maatschappij en Kosztolányi weet hiermee een prachtig tijdsbeeld te scheppen dat het wel en wee van de mensen laat zien in al zijn facetten. Het is een genot om te lezen hoe er gedacht wordt over sociale verschillen. In Hongarije schijnt erg veel adel te zijn, lang niet allemaal welgesteld, maar toch met een titel. Iedereen heeft zijn plaats in de rangorde, ongeschreven regels dienen in acht genomen te worden, de auteur kent die regels en weet hoe belangrijk het is die orde in stand te houden.

De titel zegt het al, Anna is het personage waar alles om draait. Mevrouw Vizy is geen makkelijke werkgeefster, de meisjes doen het nooit goed. Niet teveel prijzen is het motto en hopen dat ze eerlijk zijn en goed werken. Wanneer Anna, het felbegeerde meisje waarop ze zolang hebben moeten wachten, haar intrede doet bij de Vizy’s weten ze niet wat hen overkomt. Wat een ijverig meisje, niets op aan te merken. Dit meisje is echter niet geheel vrijwillig beland bij haar nieuwe werkgeefster, bij de vorige was het veel levendiger, daar waren kinderen die ze kon voorlezen. Er is over haar beslist.
Arme Anna, ze kan niet gelukkig worden, totdat er leven in de brouwerij komt. Neef Jancsi neemt zijn intrek bij zijn oom en tante. Deze nietsnut met zijn dandy maniertjes zet een serie gebeurtenissen in gang waarover ik hier niet zal vertellen, het zou ten koste gaan van het leesplezier.

‘Intussen bezorgde hij Anna veel werk. Iedere morgen moest ze om acht uur bij hem aankloppen en hem zijn chocolade brengen in een kopje met een gouden rand. Samen met een croissant en een glas water zette ze dit op de stoel naast de divan.’


Dit boek is bijzonder aangrijpend. Het arme meisje komt helemaal in de macht van het echtpaar, het is alsof ze het eigendom is van vooral mevrouw. Ze pronken ook met Anna, alsof het om een mooi voorwerp gaat. Het echtpaar verloor een dochtertje en het lijkt of ze nu alle aandacht richten op Anna, niet als dochter, want ze blijft dienstmeid.

Hoezeer het leven van Anna contrasteert met dat van Jancsi is bijna onbeschrijfelijk, maar de auteur slaagt erin dit verschil te verwoorden. Filmisch zijn de passages over de pracht en praal die de rijken ten deel valt. Comfortabel reizen in mooie treinen, goedgevulde tafels die in sfeervol verlichte restaurants staan - en daarmee mensen die langslopen het gevoel geven uitgesloten te zijn van de gelukkigen die daar wonen - geven exact de decadentie weer waarin de welgestelden zich wentelen. Daartegenover staan meisjes zoals Anna, die bijna niets bezitten en hun schamele eigendommen vervoeren in een dichtgeknoopte doek.

‘In theesalon Gerbeaud brandden de Venetiaanse kroonluchters en in de Vácistraat, de Kroonprinsstraat en alle overige ouderwetse, nog van de vorige eeuw daterende straten van de binnenstad werden achter de spiegelruiten van de etalages de lichten ontstoken, zodat alle waren er nog begerenswaardiger en sprookjesachtiger uitzagen dan gewoonlijk [...]’

Van Kosztolányi wil ik beslist meer lezen. Inmiddels is een aantal boeken van hem vertaald in het Nederlands: De gouden vlieger, Leeuwerik, De bekentenissen van Kornél Esti en Nero. De elegante schrijfstijl, de prachtige karakterbeschrijvingen en de opgebouwde spanning vormen met het boeiende tijdsbeeld van Hongarije in een roerige periode een weergaloze leeservaring.

De auteur

Dezső Kosztolányi (Szabadka (tegenwoordig Subotica, Servië), 29 maart 1885 – Boedapest, 3 november 1936) was een Hongaars dichter, schrijver, vertaler en journalist. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste Hongaarse literatoren van de 20e eeuw. 

Kosztolányi was vooral estheet en individualist, zijn werk laat een toenemende verdieping zien. In de communistische periode gold hij als burgerlijk en conservatief, maar ook toen werd hij erkend als voorbeeldig stilist. Kosztolányi schreef makkelijk en snel, naast 12 bundels gedichten publiceerde hij veel krantenartikelen en korte verhalen. Hij was tevens belangrijk als literair vertaler. Hij vertaalde werk van Shakespeare, Rilke, Goethe, Verlaine en Rimbaud, maar ook Alice in Wonderland.

Titel: Anna
Auteur: Dezső Kosztolányi
Vertaling: Henry Kammer
Uitgever: Uitgeverij van Gennep
ISBN: 9789055154340
Pag.: 287
Genre: fictie
Verschenen: oorspronkelijk 1926, deze editie 2005

vrijdag 6 september 2019

Clare Hunter - Levensdraden, een wereldgeschiedenis door het oog van de naald

Recensie door Truusje
Uitgeverij Balans

'Omdat ik niet kan schrijven, vertel ik dit eenvoudig en vrij,
alsof ik spreek tegen iemand aan wie ik mij volledig kan blootgeven
en van wie ik weet dat hij al mijn zwakheden zal verdragen.'
-Borduurwerk, Elizabeth Parker

De kracht van borduurwerk

'Je neemt een draad, maakt een knoop in het ene eind en steekt het andere door het oog van de naald. Je neemt een stuk stof en duwt de naald er aan de ene kant in en trekt hem door de andere kant weer omhoog. [...] Meer is het niet: draad, naald, stof en de patronen die de draad vormt. Dat is naaien.'

Op uiterst meeslepende wijze voert Clare Hunter de lezer in dit boek mee op een reis door de geschiedenis van naaldwerk; verschillende culturen, gezindten, politieke stromingen, arm of rijk, jong of oud, man of vrouw, er is door de eeuwen heen door vele handen en in verschillende omstandigheden veel geborduurd.

Als eerste besteedt ze ruim aandacht aan Het Tapijt van Bayeux, dat het verhaal vertelt van de Slag bij Hastings in 1066. Een meterslang verslag - achtenvijftig afbeeldingen - over de schending van de eed van trouw aan Willem de Veroveraar door Harold II van Engeland. De beeldende borduurwerken zijn als een documentaire van het middeleeuwse leven in Engeland met wollen draden geborduurd op linnen en bevindt zich nog altijd in Musée de la Tapisserie te Bayeux, Normandië. Van wie de handen zijn geweest die aan dit tapijt hebben gewerkt, daar kan alleen maar over gespeculeerd worden. De voortdurende pogingen om techniek en gebruikte materialen 'uit te pluizen' hebben onderzoekers nooit verder kunnen brengen dan aannames en speculatie.

'De smalle fries, slechts vijftig centimeter hoog, bevat gestileerde bomen die de scènes van elkaar scheiden. Geborduurde randen leveren een ontroerend en satirisch commentaar dat de betekenis en de sfeer verhoogt in een opeenvolging van symbolische motieven en cameo's van het dagelijks leven. De tekst die zich in grote steken over het oppervlak uitstrekt beschrijft personen en gebeurtenissen [...].'

Tapijt van Bayeux
Met grote bevlogenheid vertelt Hunter niet alleen over het borduurwerk zelf, maar ook over de werkomstandigheden. Dagenlang kromgebogen boven een raamwerk zitten, vaak bij slecht licht, maakte het werk zwaar. Borduurwerk was niet alleen ter versiering bedoeld, maar was tevens het visueel maken van symbolische voorstellingen en symbolen, Bijbelse taferelen, het 'schrijven' van geheime boodschappen of een daad van boetedoening.

Op fascinerend wijze beschrijft ze de geschiedenis van het borduren en de personen die zich daarmee bezig hebben gehouden. Haar verhalende schrijfstijl, compleet met de nodige smeuïge details en voorzien van humorvolle toetsen, is soepel, wervelend en uiterst boeiend.

Van Frankrijk brengt de auteur ons naar het Schotland van de zestiende eeuw en beschrijft ze de handel en wandel van Mary Stuart, die zich tijdens haar gevangenschap in Tutbury Castle, ter afleiding heeft beziggehouden met borduren. 'Maria's borduurwerk was echter meer dan een afleiding, het was haar autobiografie.'

Jasje van Agnes Richter
Van Agnes Richter, een Victoriaanse naaister die in een psychiatrische instelling werd opgesloten, is een geborduurd inrichtingsjasje bewaard gebleven, door het jarenlange dragen gevormd naar haar lichaam. Dit artefact laat onderzoekers nog altijd voor een raadsel staan over de bedoeling van de van oorsprong zeer bedreven naaister. Woorden en letters zijn schots en scheef - zowel aan de binnen- als aan de buitenkant - op de stof gezet. Jammer genoeg is het borduurwerk door het dragen zó versleten geraakt dat ontcijferen ervan nog altijd niet is gelukt.

De kernwoorden als aanduiding voor de gestructureerde hoofdstukken - zoals onder andere macht, zwakte, protest, bescherming, identiteit, verbinding, waarde, kunst en stem - laten zien hoe divers het borduren in de loop der tijd is gebruikt en ingezet.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw werden er door de Dwaze Moeders in Argentinië hoofddoeken geborduurd met de namen van verdwenen jongeren, waarmee ze protesterend langs overheidsgebouwen liepen. 
Bij een te vondeling gelegd kind werd een stukje geborduurde stof op de kleding gespeld. Eenzelfde stukje bewaarde de moeder om zich te identificeren in het geval ze later haar kind terug wilde halen.

Dat borduren niet alleen door vrouwenhanden werd gedaan, bewijst het ontstaan van The Disabled Soldiers' Embroidery Industry. Mannen die volledig arbeidsongeschikt terugkeerden uit de loopgraven ten tijde van de Eerste Wereldoorlog kregen naai - en borduurpakketten aangeboden om verveling tegen te gaan. Het bleek dat dit therapeutisch heel goed werkte.

'Het was fysiek ontspannend en mentaal troostrijk en prikkelde ook de zintuigen met de gladheid van de stof, als welkom contrast voor de ruwe kaki en het koude staal van de wapens.'

Een van de soldaten was Ernest Thesiger die van borduren zijn grote hobby maakte, waar hij jaren later het boek Adventures in Embroidery over heeft geschreven. Het filmpje onder de link laat hem en zijn werk zien.

Auteur: Clare Hunter
Clare Hunter, zelf ook beoefenaar van vele textiele werkvormen, heeft me met haar enthousiasme en gevoelvolle proza, gedurende heerlijke leesuren meegevoerd langs vele verschillende vormen van naaldkunst. Ze wist me te raken met de diverse ontroerende verhalen, deels geschiedkundig, deels haar persoonlijke verhalen. Dat ze buiten naald en draad ook heel behendig is met haar pen bewijst ze met dit magnifieke verslag van al die onbekende verhalen over een zeer diverse hobby die een mens creatief kan laten zijn. Zelfs wanneer je geneigd bent om het 'naaldje' erbij neer te gooien.



Lees, geniet en verbaas je over de verhalen, gebeurtenissen, culturen en geheimen van de naaldkunst!

Om toch nog wat te zeuren te hebben: het boek is voorzien van verschillende kleurenfoto's van door de auteur besproken textiel. Bijzonder mooie toevoegingen, maar wat mij betreft hadden er nog veel meer aan toegevoegd kunnen worden. Hoewel... ik heb immer mijn tablet bij de hand.

Titel: Levensdraden, een wereldgeschiedenis door het oog van de naald
Oorspronkelijke titel: Threads of life, a History of the World Through the Eye of a Needle
Auteur: Clare Hunter
Vertaling: Willemien Werkman
Pagina's: 376
ISBN: 9789463820028
Uitgeverij Balans
Verschenen: augustus 2019