dinsdag 19 maart 2019

Nicolien Mizee - Moord op de moestuin



Recensie door Roosje
Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
                       
DWDD-Boek van de maand februari 2019


Trouble in Paradise


´De hele geschiedenis begon toen mijn zuster en zwager een pan soep kwamen brengen.
Twee maanden daarvoor was ik getrouwd.’ 
(2019, 7, ebook)

Judith is laat getrouwd met Thijs - die wat ouder is dan zij - en drie dagen na de bruiloft krijgt hij een hartaanval waar hij maar niet van wil herstellen. Zus Cora stelt voor met zijn vieren, de zussen en hun echtgenoten, voor een langere tijd een huisje te huren zodat Thijs kan opknappen.

De roman begint als een romannetje voor oudere meisjes, à la Joop ter Heul. Gezellig met zijn viertjes de zomer doorbrengen op een oud landgoed in een authentiek boswachtershuisje. Dat landgoed blijkt ook nog eens in handen te zijn van twee oude vriendinnen van Cora en Judith. Dan zie je meisjes, de robbedoezen van vlotte, blonde, aantrekkelijke bakvissen al voor ogen, behalve dat deze vier vriendinnen de jaren des onderscheids inmiddels wel bereikt hebben.

Het landgoed is in deplorabele staat. Er rust een soort vloek op; het is al generaties in bezit van de familie van de zussen Anne en Fiep. De mannelijke erfgenamen hadden de neiging een beetje raar in het hoofd te worden en het landgoed weg te willen geven of iets dergelijks, maar het in ieder geval het niet gewoon te laten erven door hun nakroost. De vader van Anne en Fiep is jaren geleden verdwenen en behalve hun oude moeder is niemand daar heel erg rouwig om.

Op het terrein van het landgoed is een volkstuinvereniging gevestigd, EVA AVE, met een paar eigenaardige moestuiniers, die er ook nog eens conflicterende ideeën en belangen op nahouden: een samenleving in het klein. Herkenbaar voor diegenen die ook een moestuin huren op een complex, en hilarisch natuurlijk.

Judith moet wat en begint tamelijk hartstochtelijk groente te verbouwen en relaties met de andere tuiniers aan te knopen.

Verwikkelingen volgen, daar kun je donder op zeggen natuurlijk. Trouble in Paradise, gedonder in de glazen versgeperst natuurlijk sap.

Het is geen echte, heel spannende who-done-it. Dat is niet waar het omgaat. Waar gaat het hier dan wel om? Nou, onder andere om het schrijven van een roman en hoe dat moet, wat de regels zijn. Judith is, net als Mizee zelf, een schrijfster én docente op een schrijversvakschool; maar ik suggereer verder geen autobiografische overeenkomsten, ik zou bijna zeggen: juist niet en dat is een beetje grappig bedoeld. Judith kan niet meer schrijven sinds zij getrouwd is en haar man ziek is. Dat zou kunnen duiden op een minder gezonde situatie of relatie, of toch niet? Letterlijk tussen de regels door laat Mizee zien aan welke voorwaarden een goede roman of een goed stuk aan moet voldoen. Anders dan het echte leven zit fictie doortimmerd in elkaar. Om met W.F. Hermans te spreken: er valt geen mus zonder reden van het dak. De roman is net als een tuin een omheinde werkelijkheid met eigen regels en gebruiken. De hof van Eden, het Paradijs van Adam en Eva, was ook zo: een lieflijk landschap waarin de dieren, hert en leeuw, gezusterlijk naast elkaar leefden en waar geen wolkje aan de lucht was. Net als de zusters, Cora en Judith, en Anne en Fien, die ook nog eens elkaars vriendinnen waren. Vroeger, als kind was alles vrolijk, en ook nu is er geen wolkje aan de lucht op het landgoed, of toch wel? Waar schuilt de slang? Hoe dan ook: een roman over het schrijven. Mooi, fijn, ik ben daar dol op.

Aan alle elementen merk je dat: alle dingen komen minstens twee keer voor, de meeste zelfs vaker; metaforen krijgen ook een letterlijkheid in het verhaal, zoals het door mij gebruikte 'geen wolkje aan de lucht’: de metafoor - soit, een beetje een versleten vergelijking, meer een gezegde -  vindt zijn letterlijkheid, zijn concreetheid in zomers weer met warmte en geen regen, letterlijk geen wolkje aan de lucht. Maar dat is maar één kant, want er zijn wel degelijk donderwolken op komst.

De roman zit knap en hecht in elkaar. Niets gebeurt zomaar. Alle bouwstenen worden netjes boven en naast elkaar gemetseld. Heerlijk zijn de moestuinverhalen, verhalen over de natuur, veel over vogels, over gewassen, over koken, over eten en gezellig samen aan tafel zitten. Het is zo genoeglijk, en toch ook weer niet, dat je verwacht dat Agatha Christie misschien ook nog om het hoekje van een theerozenstruik komt piepen.

Mizee heeft een heel lichte pen, een heel lichte toets, die overstroomt van haast meisjesachtige ironie, dus niet van die vette, überintellectuele zoals bijvoorbeeld van Ilja Leonard Pfeiffer, maar fijntjes als een zomerbriesje, zoals van veel Engelse schrijfsters en ook van Doeschka Meijsing. Mizee schrijft misschien ietsje minder intellectueel dan Meijsing, maar ik hoor Meijsing op de achtergrond toch wel een beetje meeresoneren; en daar word ik niet ongelukkig van. Mizee is in ieder geval niet vies van allerlei literaire verwijzingen; de moeilijke licht ze even fijntjes toe. Meijsing kon daar ook wat van, lees bijvoorbeeld Over de liefde.

Het is voorstelbaar dat niet iedereen Mizee’s schrijven kan waarderen, misschien vindt men haar te licht, te oubollig, te doorzichtig, maar dat is wellicht iets waar je aan zou kunnen wennen. Dat doorzichtige, dat licht oubollige heeft op zijn beurt ook iets ironisch en lichtvoetigs.

Ik hou van haar licht ironische stijl, waarin de dingen een beetje lijken te kabbelen, maar toch ook moest ik het af en toe werkelijk uitproesten, zo grappig.

Voor mij is het het derde boek dat ik van haar lees; De halfbroer was de eerste roman; op deze blogspot is tevens de recensie te vinden van De kennismaking. Faxen aan Ger is haar eerste autobiografische tekst.

Auteur

Nicolien Mizee (Haarlem, 1965) debuteerde in 2000 met Voor God en de Sociale Dienst. Haar tweede roman Toen kwam moeder met een mes werd in 2004 genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.
In 2006 verscheen En knielde voor hem neer. Voor NRC Handelsblad schreef ze de veelgelezen column ‘Schrijfles’ over haar ervaringen als lerares proza schrijven. De verzamelde columns verschenen in 2009 onder de titel Schrijfles.
In 2015 verscheen het door de pers zeer goed ontvangen De Halfbroer.

Titel: Moord op de moestuin
Auteur: Nicolien Mizee 
Pagina's: 240
ISBN: 9789038802015
Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar
Verschenen: januari 2019

maandag 18 maart 2019

Bregje Hofstede-Drift

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Das Mag




Afdaling naar de diepste regionen van het mens-zijn in 40 dagen


Het boek met zijn raadselachtige cover ligt dichtgeslagen en laat me min of meer geplet achter vanwege het krachtige verhaal dat autobiografisch lijkt maar het niet is! Er zijn twee feiten, aldus de flaptekst:

‘Feit: een jonge vrouw trouwt met haar jeugdliefde.
Feit: niet veel later, in het holst van de nacht, loopt ze bij hem weg.
Ze neemt alleen haar dagboeken mee.
Die vrouw ben ik. Die nacht is nu. Alles ervoor en erna een verhaal.’

Maar probeer feit en fictie maar eens te scheiden tijdens het lezen, de lezer wordt het verhaal ingetrokken en slingert heen en weer tussen Bregje en Luc, haar jeugdliefde en man. Om het nog wat complexer te maken - niet dat het een opgave is -  komt er van alles tussendoor: jeugdherinneringen, een ander boekje ‘De Welp’ dat in stukjes gepresenteerd wordt en er is verschil in typografie, cursieve passages markeren gedeeltes uit een van de dagboeken.

Bregje loopt hartje winter het huis uit met haar tas vol dagboeken, een tandenborstel, telefoon en pinpas. Zonder vast plan doolt ze door Brussel van slaapplaats naar slaapplaats en krijgt het verleden vorm door haar herinneringen. Niet alleen de relatie met Luc, ook heel vroege jeugdherinneringen die ze deels zelf nog kan oproepen en uit plakboeken die haar ouders maakten voor de kinderen. Het meisje lijkt oneindig liefdevol en begripvol opgegroeid te zijn, een passage die dat prachtig illustreert is wanneer er voor haar een echt panterpak gemaakt wordt, waarmee ze met haar vader – verkleed als beer – speelt:

‘Mijn vader beschildert het uitgeharde masker met gevlekte vacht. Op het pak moet ik langer wachten. Bijna een week lang hoor ik, als ik ’s nachts naar de wc ga, het zoemen van de naaimachine. Maar dan is het klaar en geweldig. Het heeft een capuchon met oortjes en een goed gevulde staart. Vooral dat laatste maakt me van top tot teen een panter. Als ik me beweeg voel ik het gewicht van de staart trekken aan de stof die over mijn onderrug en billen spant. Al snel ben ik ervan overtuigd dat ik het voel wanneer er iemand in de staart knijpt die direct uit mijn ruggengraat groeit.’ (2018-96, dit verhaal komt uit De Welp)

Bregjes jeugd speelt een rol in de relatie met Luc, er is duidelijk een verschil in sociaal-culturele achtergrond. In het begin is dat nog niet te merken, maar het wordt op een gegeven moment toch een punt van irritatie. Bregje is schrijfster en Luc leest haar debuutroman niet uit, er is elke keer weer een andere smoes waarom hij niet verder komt dan pagina 30. Al die irritaties komen bij elkaar wanneer Luc ook nog eens bijzonder jaloers wordt wanneer hij haar dagboeken stiekem leest en pats, dat was de druppel…

Wat maakt deze roman zo ontzettend indringend mooi? Eerst dacht ik dat het de kwetsbaarheid was waarmee de hoofdpersoon zich opstelt, tenslotte schrijft ze over heel intieme dingen die zij en Luc delen. Maar het is fictie, dus het moet iets anders zijn. Misschien is het wel het contrast waarmee ze het hoofdpersonage beschrijft, aan de ene kant het broze, kwetsbare, naakte wezen (zoals op de omslag staat) en aan de andere kant de stoere vrouw met het korte haar die haar ‘vrouwtje’ staat in het panterpak en later aan de klimwand? Zijn het haar verhalen over de oudheid, zoals zij zo mooi vertelt over verdwenen steden in Italië wanneer Luc en zij op vakantie zijn? Zijn het de verwijzingen naar de oudheid? De periode van 40 dagen waarbinnen ze deze roman opbouwt is vast niet toevallig gekozen, denk aan rampspoed zoals de zondvloed, de exodus en de 40 dagen van Elia, maar ook een periode die nodig is ter bezinning, een overgangstijd. De 40 dagen van Bregje kunnen misschien ook zo beschouwd worden, een bezinning, misschien zelfs een loutering....


Zondvloedscene Scène de déluge van Jean Louis Théodore Géricault


Aan de goedwillendheid van de twee geliefden ligt het niet, ze doen hun best.

‘Het is moeilijk om de maanden rond ons huwelijk te laten passeren bij het licht van het zoveelste vreemde nachtlampje en iets anders te zien dan het einde dat zijn schaduw achteruit werpt. En toch was de waarheid over deze maanden hoopvol, en hoopvol zou de vertelling moeten zijn.
We zochten voor onze huwelijksreis zonder enige ironie een hotel op de meest romantische plek die we konden bedenken; zonder bitterheid gingen we oesters eten en spumante drinken in Venetië. Zonder duisternis liepen we ’s avonds in onze mooiste kleren over de bruggetjes, dronken te veel, keken naar de verzonken sterren die als vlugge witte visjes vlak onder het wateroppervlak leken te spartelen. Zoete scènes zonder asterisk van doem. Die is pas later toegevoegd.’ (2018-287)

Het boek maakt op mij grote indruk. Ik vind het een 'doorleesboek', je hoeft het niet regelmatig even weg te leggen omdat het zwaar is. Gewoon doorlezen en meeleven met Bregje of Luc, dat maakt niet uit. Het motto is erg opvallend, ik was het ergens anders ook al tegengekomen, het is een citaat uit: ‘Uit de taal van een verliefde’ van Roland Barthes
‘Ik kan wel jouw naam op mijn werk zetten, het is toch voor ‘hen’ geschreven (de anderen, de lezers). … Wanneer ik schrijf moet ik buigen voor het volgende feit (en dit is voor mij hartverscheurend): het schrijven kent geen enkele welwillendheid, hoogstens een terreur: ze verstikt de ander, die er helemaal geen geschenk in kan vinden, maar wel een bevestiging van overheersing, van macht, wellust, eenzaamheid. Vandaar de wrede tegenstrijdigheid van de opdracht: ik wil jou koste wat kost geven wat jou verstikt.

en dit deed me denken aan een citaat van Carson McCullers in 'De Ballade van het treurige café'.

‘Kortom, het is een feit dat velen diep in hun hart de staat van beminde ondraaglijk vinden. De beminde vreest en haat de minnaar en daar is alle reden voor. Want de minnaar is er steeds op uit zijn beminde met huid en haar te bezitten. De minnaar eist iedere mogelijke relatie met de beminde op, ook al bezorgt deze ervaring hem alleen maar verdriet.’ (1983-33)

Nog één ding, de proloog is ook zo sprekend, het gaat over de mythen en het lot van hen die achterom kijken… heel mooi gevonden. 




De auteur

Bregje Hofstede (1988) is een Nederlands journalist, columnist en schrijver.

Hofstede studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn. Ze schrijft voor diverse kranten en literaire tijdschriften en is correspondent Nieuw Feminisme bij online journalistiek platform De Correspondent.

Haar debuutroman De hemel boven Parijs is vertaald in het Duits en Deens. Hij werd genomineerd voor onder andere de Libris Literatuur Prijs, de Anton Wachterprijs en de Gouden Boekenuil.

Hofstede is lid van feministische actiegroep De Bovengrondse (bron)


Titel: Drift
Auteur: Bregje Hofstede
ISBN: 9789492478740
Uitgever: Das Mag
Pag.: 400
Genre: fictie
Verschenen: 2018




vrijdag 15 maart 2019

Wanda Reisel - Adam


Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact



Er waren eens twee broers

*hier en daar een spoilertje, vrees ik, maar ik probeer het beperkt te houden*

Adam Landau is zo’n beetje in het midden van zijn leven en ook zo’n beetje de weg kwijt (haha, daar is Dante weer ;-)). Hij wil het heft van zijn leven nu eens stevig in handen nemen: het roer moet helemaal om. Zijn huwelijk met Keet is op de klippen gelopen, zijn zoon Jaffe ziet hij te weinig. Zijn jongere broer Robert en hij zijn wees, en hem ziet Adam ook niet veel.
Als Adam zich binnen heeft weten te bluffen in de Grote Club, spat het Monument op de Dam uit elkaar door een bomaanslag. Diezelfde Grote Club van waaruit Duitsers na de overgave van nazi-Duitsland geschoten hadden op de feestende Nederlanders. Dan weet Adam wat hij moet gaan doen; nu ferm zorgen voor zichzelf en proberen Jaffe en Robert weer terug te winnen.
Adam wringt zich binnen bij een goedendoelenorganisatie (wat een prachtig woord!), daarbij geholpen door zijn heldhaftige optreden na de terroristisch aanslag op de Dam, zijn EHBO-diploma komt goed van pas.
Adam weet van cijfertjes, financiën, ict-gedoe en creatief boekhouden. Nadat zijn relatie met de schone Merdedes uitgedoofd is, neemt hij de benen. In de trein naar Zürich ontmoet hij de jonge en brutale fotografe Lili Bachmann. Hij raakt volledig in haar ban; haar jeugdige energie, haar brutale optreden, haar sexappeal doen hem beseffen dat hij heel alleen op de wereld is en dat besef doet hem te veel pijn: novocain for the soul is wat hij zoekt. Red mij, denkt hij, als Lili en hij eindelijk vrijen.

Lili heeft ook nog haar eigen leven en haar project is het fotografisch vastleggen van de vluchtelingen en/in Europa. Haar grip op Adam wordt steeds steviger.
In Zürich gaat Adam een paar banken af. Rijkdom was voor Adam geen doel op zich:
Het was de vrijheid die hij nastreefde met het geld om eindelijk zijn ware zelf de ruimte te geven.’ (2019: 86). Wat dat ware zelf is, daar moet hij ook nog even achter zien te komen. Misschien is het wel gewoon Lili, een nieuw leven, een nieuw elan met haar.
Een deel cash verstopt hij heel creatief om de douane te misleiden. Hij probeert alle sporen achter zich uit te wissen. Intussen gaan de bomaanslagen maar door: Londen, het beeld van Nelson op Trafalgar Square; Berlin, Alexanderplatz, de televisietoren; Pisa, de scheve toren; Parijs, La tour Eiffel, etc., aanslagen natuurlijk op de patriarchale machtssymboliek: hoe ironisch. Het blijft echter schimmig wie daarvoor verantwoordelijk is. De aanpak is steeds anders en geen enkele groep claimt de aansprakelijkheid. Met veel vaart is dit begin geschreven, lekker snel zoals de snelle jongen die Adam op dat moment is. En op een bepaald moment dacht ik: oei, heeft hij iets te maken met die aanslag op het Monument?

Na Zürich volgt Shanghaj om zijn broer op te zoeken, zijn jonger broertje, die hem niet meer wil zien, na de dood van hun moeder. Robert neemt het hem kwalijk, de moeder en haar dood. Shanghaj was de plek waar hun ouders waren opgegroeid na een vlucht uit nazistisch Wenen. Daar, in Shanghaj, had hun vader een leer- en bontzaak gehad, en die had Robert overgenomen.
Inmiddels hebben we vernomen, uitgebreid door middel van allerlei flashbacks op verschillende niveaus en door de gesprekken tussen de broers, dat hun relatie niet goed is. Dat Robert Adam een hoop dingen verwijt en dat Adam van de prins geen kwaad weet.

Kaïn en Abel (Genesis 4,1-16)
Adam heeft een wijnvlek in zijn gezicht, die hem tekent, een getekende maakt, de Kaïn van Abel, de Kaïn die gedwongen was de wereld te bereizen, te zwerven omdat hij nergens een thuis vond. Tussen de broers speelt wat vaak tussen broers speelt: jaloezie om de aandacht van de ouders. Robert is een vaderskind, Adam is meer van moeder. Goed verdeeld, zou je zeggen, maar zo werkt het niet natuurlijk. Robert had ook van moeder willen zijn. Hij verwijt zijn oudere broer onder andere dat hij hem als baby had willen vermoorden; dat Adam altijd over hem heen walst. Adam wil alleen maar de liefde van zijn broer, hij wil familie, hij wil zijn zoon.
De broers zijn behoorlijk van elkaar vervreemd maar de toverachtige sfeer in Shanghaj brengt blijkbaar de diep verborgen verwijten snel aan de oppervlakte - niet helemaal overtuigend, vind ik. Hoe dan ook, Adam kan niet blijven in Shanghaj, maar wil Lili wel even aan broer en schoonzus voorstellen; als een soort trofee, als een showing off. Nog net eventjes laten zien wie de Grote Broer is. Daar moet je op een gegeven moment toch wel voorzichtig mee zijn, dat kan tegen je gaan werken, maar dat realiseert Adam zich niet.

De geweldige vaart die Adams leven tot dan toe had, wordt in China afgeremd, tot traagheid gebracht; hij zit in een lastig pakket, hij gaat vol op de rem. Hij gaat denken en zijn verlangens nemen duidelijker vorm aan. Dat is onder andere ook het gemis van zijn zoon; die mag hij niet contacteren want dan verraadt hij zijn verblijfplaats. Maar ook verlangt hij hevig naar Lili, van wie ik al in een vroeg stadium dacht: Niet doen, Adam, die vrouw is gevaarlijk, denkend aan Heinrich Mann's De blauwe engel (o, nee, zo heet de film), Professor Unrat, voor mij blikbaar het prototype van  een man wiens verstand compleet verduisterd raakt door zijn erotische verlangens - ik zag de film als kind met mijn oma; Marlene Dietrich speelde de hoofdrol, de femme fatale.
Lili is natuurlijk niet Adams min of meer brave Eva, maar haar voorgangster, Lilith, de demonische vrouw uit de joodse mythologie, die geassocieerd wordt met het kwaad, de nacht, ziekte, het verleiden van mannen en kindermoord, de verpersoonlijking ook van buitenechtelijke seks, al heeft Adam op dat moment geen relatie. Overigens heeft de persoon van Lilith in het twintigste-eeuwse feminisme juist wel weer een positieve connotatie gekregen.

Na Shanghaj vertrekt Adam naar een camping aan het Sognefjord in Noorwegen, een suggestie van Lili. Daar ontmoet hij de Noorse Turid, baas van de camping, moeder en echtgenoot. Ruimhartig zijn ze, de Noren, authentiek en eerlijk. Adam verstopt zijn cash daar en wacht op Lili, die toegezegd had te zullen komen. Ze houdt haar woord, maar op een andere wijze dan Adam het verwacht had.

Vooral het begin van dit boek, dat een enorme vaart heeft en waarin de flashbacks op een heel fijne manier over elkaar heen buitelen, is aantrekkelijk. Ook weet Reisel je op verschillende plaatsen bijna of totaal op het verkeerde been te zetten. Het is een duidelijk voorbeeld van een ‘psychologische roman’, hoewel ik voor mezelf niet helemaal een strakke definitie voor dat genre hanteer. Meestal heeft de hoofdpersoon een trauma of een psychisch probleem, hij wordt daarmee geconfronteerd, hij wordt gedwongen daarmee iets te doen en hij wordt beloond voor zijn strijd en inspanningen met het inzicht in zijn psychische toestand als kampioenentrofee. En op de een of andere wijze gaat me dat vrijwel altijd net te ver en vind ik het allemaal niet helemaal of helemaal niet geloofwaardig, ondanks dat het psychologisch gezien best zal kloppen. Een roman is geen psychologisch handboek, al ga ik met deze uitspraak wel een beetje kort door de bocht.
De onthullingen die Robert doet in Shanghaj aan zijn oudere broer, zelfs vier jaar ouder, dat is een hele tijd, komen naar mijn idee veel te vlotjes en te welbespraakt uit zijn mond. De broers hebben een behoorlijk gestoorde relatie en blijkbaar voelt Robert zich op eigen terrein zo sterk dat hij zijn traumatische verwijten ineens naar buiten gooit. Waar voorheen Adam de ‘baas’ was, is nu Robert dat. Kan ik daarin meegaan? Nee, dat doe ik niet, het komt me net wat te snel en te zeer een ‘deus ex machina’. Natuurlijk hebben de voortdurende flashbacks en de telepathische dromen van Lili (die ik nog niet genoemd heb) de lezer al voorgemasseerd, maar dan nog....

Het laatste hoofdstuk had wat mij betreft ongeschreven kunnen blijven; het verhaal vindt daarin een mooie eind en alle losse draadjes worden netjes afgehecht aan de achterkant van het werk. Ik hou persoonlijk wel van losse eindjes; of die nu al in een bepaalde richting wijzen of waarmee je je eigen borduurwerkje kunt samenstellen. Ik ben duidelijk meer een open-einde-typeje.

Het thema van broers die jaloers op elkaar zijn vind ik echt geweldig: uit het leven en uit het hart gegrepen. Dat vind ik ook van het thema dat de joden altijd in de diaspora gedwongen worden. De beide broers geven ook nog eens invulling aan dit thema als het oudtestamentische en daardoor ook joodse archetype van Kaïn en Abel maar ook vanwege hun verre woonplaats, Shanghaj, hoe exotisch kun je het hebben?, en hun geglobetrot. Ik kan daar niet genoeg over lezen, over de joodse diaspora en over familieleden die elkaar op leven en dood bevechten om de aandacht van hun ouders.

Schrijven doet ze goed, Reisel, iets te vlot soms - of bestaat er niet zoiets als te vlot schrijven? -, en ze leest lekker weg - al is dat voor mij geen argument een boek ‘goed’ te vinden - en suggestie opwekken doet Reisel op een uitstekende wijze. Hilarisch zijn zaken als de verknochtheid aan The Sound of Music van het jonge gezin Landau. Toch had ik iets meer van het boek verwacht, maar dat is mijn probleem ;-). Ik weet zeker dat dit boek een grote groep lezers zal krijgen en op dit moment ook al heeft. Het is niet voor niets uitgeroepen tot DWDD-boek van de maand.

Auteur

Wanda Reisel (Willemstad (Curaçao), 24 november 1955) is een Nederlandse schrijfster.
Zij  groeide op in Amsterdam in een anarcho-liberaal artsengezin met zes kinderen (vader internist, moeder verpleegkundige). Na het gymnasium (1968-1974) studeerde Reisel korte tijd geschiedenis, na anderhalf jaar schreef ze zich in voor de regieopleiding van de Theaterschool in Amsterdam. Ze wist van vroeg af aan dat ze schrijver wilde worden. Deze opleiding voltooide ze in 1981. Sindsdien heeft ze een tiental toneelstukken geschreven, gebundeld onder de titel Tien stuks. Ze was erg succesvol.
Reisel debuteerde in 1986 als prozaschrijver met Jacobi's tocht (twee novellen). Haar eerste roman Het blauwe uur verscheen in 1988. Ze werd in 1997 bij een breder publiek bekend dankzij de nominatie van Baby Storm (1996) voor de Libris Literatuurprijs. Ook haar volgende roman, Een man een man (2000), stond op de shortlist van de Libris Literatuurprijs, in 2001. De roman Witte liefde werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In januari 2008 werd haar de Anna Bijns Prijs voor Witte liefde toegekend. Haar theaterstukken zijn opgevoerd door Toneelgroep Baal en Discordia, en onder anderen geregisseerd door Gerardjan Rijnders.
Naast proza en toneel schrijft Reisel ook film- en televisiescenario's en hoorspelen.
Reisel is al jarenlang goed bevriend met Herman Koch.

Auteur: Wanda Reisel
Titel: Adam
Pagina's: 360 pagina's
ISBN: 9789025447571
Uitgeverij: Atlas Contact
Verschenen: januari 2019

woensdag 13 maart 2019

Michail Boelgakov-De meester en Margarita

Bespreking door Tea van Lierop
G.A. van Oorschot





Meesterlijk verhaal met duivelse streken



Deze roman uit de Russische bibliotheek valt niet één twee drie te categoriseren. Hij heeft meerdere verhaallijnen en zit vol verwijzingen naar het Sovjet regime, literatuur, de muziek en de bijbel. Het duurt even voor het duidelijk is wie bedoeld worden met de ‘meester’ en ‘Margarita’ uit de titel. 

Eerst is er de beginpassage waarin twee burgers, redacteur Berlioz en dichter Ivan worden aangesproken door een vreemdeling met voorspellende gaven. De twee heren hadden zojuist een discussie over het wel of niet bestaan van Jezus en deze vreemdeling beweert dat hij met Emmanuel Kant* aan het ontbijt gezeten heeft, dat hij leefde in de tijd dat Jezus veroordeeld werd en Pontius Pilatus terecht kwam in een tweestrijd bij het maken van het vonnis. Duizelingwekkende dialogen en bizarre gebeurtenissen volgen elkaar nu op.

Niets is wat het lijkt en dat maakt van deze roman een bijzonder verhaal. Er wordt razendsnel geschakeld van de ene plaats naar de andere. Boelgakov maakt in zijn roman gebruik van de namen zoals die vóór de Sovjetperiode bestonden. De vijver uit de openingspassage wordt de Patriarchvijver genoemd, terwijl in de tijd dat de roman geschreven werd de naam veranderd was in Pioniersvijvers (meervoud, omdat er vroeger drie vijvers waren) Achterin het boek staat een flink aantal noten naar zaken waarnaar verwezen wordt, vaak kunst, maar ook bijzonderheden die het regime betreffen.

Wat is er aan de hand? De duivel komt in eigen persoon naar Moskou en maakt samen met zijn trawanten de stad onveilig. Het typoscript van de auteur, die in zijn boek een geheel andere variatie schreef op het leven van Pontius Pilatus, wordt afgewezen door de uitgeverijen. Daarop verbrandt hij bijna het gehele afgekeurde werk en wordt hij opgenomen in een psychiatrische kliniek, waar ook dichter Ivan opgesloten zit. Margarita, de geliefde van de naamloze schrijver, is voor de duivel niet bang en sluit zich aan bij het satanisch gezelschap om haar meester vrij te krijgen. Een bonte vertelling van de meest bizarre gebeurtenissen maakt het verhaal spannend, amusant en geeft ook een inkijkje op het functioneren van de bureaucratie in de tijd waarin de roman zich afspeelt.
Duivel Woland loopt onuitgenodigd binnen waar hij wil met in zijn kielzog Korovjef – een individu met wissende identiteit maar meestal met geruit vest – en een enorme zwarte kater.

‘Maar het bleek er in de slaapkamer nog beroerder voor te staan: op de poef van de juweliersvrouw lag in nonchalante pose een derde bezoeker – een zwarte kater van griezelige afmetingen, met in de ene poot een glas wodka en in de andere een vork, waaraan hij kans gezien had een gemarineerde paddenstoel te prikken.’ (1997-91)


Deze kater met de welluidende naam Behemoth is door en door slecht, hij schroomt niet om de boel in de fik te zetten en onthoofden kan hij ook. Verder is hij behoorlijk veerkrachtig, een kogel meer of minder deert hem niet, met een slok benzine is hij zo weer de oude. Zijn naam ontleent hij aan een reusachtig beest genoemd in het Bijbelboek Job. (Job 40:10-19 Statenvertaling)


Behemoth en Leviathan, gravure van William Blake


Een ander duivels personage is een vrouw met de naam Hella, een vrouwelijke vampier. Haar eerste optreden in het verhaal doet ze helemaal naakt. De roodharige vrouw met de vurig fosforescerende ogen kust de hard gestrafte administrateur van het Variété Theater en maakt hem zo tot vampier.
In het Variété Theater gebeuren wonderlijke zaken. Woland en zijn clan geven een show van zwarte magie. Een persoon wordt onthoofd en een grote graaipartij in luxe kleding en juwelen ontaardt in chaos en ontmaskering. Al deze zaken hebben een betekenis, niet alleen de namen, maar ook de decadente show. Tijdens de show wordt een hooggeplaatste van de schouwburg te kijk gezet als schuinsmarcheerder.

Het boek bestaat uit twee delen, in het eerste deel heeft Margarita nog geen naam, ze is de naamloze minnares van de schrijver. In deel twee maakt ze kennis met Azazello, ook een lid van de duivelse groep, en sluit zich bij hen aan, ze wordt een heks met alles erop en eraan, over vliegende vaart gesproken...
De vele dialogen maken het boek sprankelend leesbaar, je hoort in feite de personages spreken vanuit hun positie en dat maakt ze bijna tot personen, hoewel het personages blijven natuurlijk. Maar voor het verhaal is het een aanwinst, ook al omdat ze zo uitgebreid beschreven worden.
Dit prachtige liefdesverhaal met twee andere zeer mooie verhaallijnen heb ik met veel plezier en bewondering gelezen. De afwisseling van dialogen, hallucinaties, dromen en spektakel maken dit boek tot een ervaring in plaats van een lezing.

Voor wie tijdens het lezen niet alles zelf wil opzoeken is er een erg behulpzame en uitgebreide site waarop alles te vinden is over de roman en de auteur.

*Immanuel Kant (Koningsbergen, Pruisen, 22 april 1724 - aldaar, 12 februari 1804) was een Duitse filosoof ten tijde van de Verlichting, wiens ideeën een grote invloed hebben uitgeoefend op de westerse wijsbegeerte. Kant wordt wel gezien als de eerste Duitse idealist. Zijn Kritik der reinen Vernunft uit 1781, waarin hij de grondslagen en de grenzen van de menselijke kennis onderzoekt en een eigen epistemologie creëert, wordt als zijn belangrijkste werk beschouwd. De filosoof Arthur Schopenhauer noemde dit werk 'het belangrijkste boek dat ooit in Europa verschenen is'. (bron)



De auteur

Michail Afanasjevitsj Boelgakov (1891 - 1940) werd geboren in Kiev, als zoon van een hoogleraar aan de Kievse academie van geesteswetenschappen. Hij studeerde medicijnen en was werkzaam als journalist. Zijn eerste publicaties verschenen in 1919, in 1925 gevolgd door een verhalenbundel en zijn eerste roman De Witte garde. Hier was zijn toneelstuk De dagen der Toerbins aan voorafgegaan, waarvan de roman een bewerking is. Achteraf beschouwd heeft het toneelstuk wellicht voorkomen dat Boelgakov, als zoveel schrijvers uit de Sovjetperiode (1917 - 1989), in de vernietigingskampen van dictator Stalin is omgekomen: deze laatste was zó enthousiast over het stuk, dat hij er vele opvoeringen van heeft bijgewoond, en dit is vermoedelijk ook de reden waarom hij Boelgakov spaarde. De Witte garde behandelt op aangrijpende wijze de ondergang van de ‘Witten’, die zich verzetten tegen de ‘Roden’ (de bolsjeviki onder leiding van Lenin, Trotski én Stalin), die als overwinnaars uit de Russische revolutie van 1917 tevoorschijn kwamen.

Hoewel hij zijn werk gepubliceerd noch opgevoerd kreeg bleef Boelgakov schrijven. In de laatste vijftien jaar van zijn leven kwamen talloze toneelstukken en vijf romans tot stand zoals De eieren der Rampspoed en Hondenhart, twee vroege voorbeelden van Russische science-fiction, maar tegelijk satires op de Sovjetsamenleving. Vlak voor zijn dood voltooide Boelgakov zijn grote roman De meester en Margarita, waaraan hij twaalf jaar gewerkt heeft. Daarin wist hij de tragiek van zijn geteisterde vaderland schitterend te vervlechten met die van zijn persoonlijk leven als monddood gemaakte schrijver. De eerste publicatie van dit werk in 1966 in West-Europa maakte hem in één klap wereldberoemd. Tegenwoordig wordt Boelgakov beschouwd als een van Ruslands beste 20ste-eeuwse schrijvers. (van Oorschot)

Titel: De meester en Margarita
Auteur: Michail Boelgakov
Uitgever: G.A. van Oorschot
ISBN: 9789028242555
Vertaling: Marko Fondse en Aai Prins
Pag.: 448
Genre: fictie
Verschenen: 1997

Tomás González - Ontij

Recensie door Truusje
Uitgeverij Atlas Contact
'Ach, wilde wervelwind
jij die van de wereld
meevoert al wat je vindt,
voer ook mijn smarten mee
de angels van mijn verdriet
die snijden o zo diep.'
- Javier Solís

De vader en de zee *

Locatie: Santiago de Tolú, Colombia, een plaatsje aan de Caribische kust, met kokospalmen, amandelbomen en mangroven. Dit is een verhaal over haat, maar ook over liefde. Over een mentale oorlog, een strijd over het recht van de sterkste.

Een zeer eenvoudig resort - met zo mogelijk nog eenvoudiger strandhuisjes, een levensmiddelenzaakje en een restaurant waar het menu nooit wisselt - wordt gerund door de zesentwintigjarige tweeling Mario en Javier, en hun vijfenzeventigjarige vader. Dé vader, want gedurende het verhaal blijft de afstandelijke en dominante man verder naamloos. De relatie tussen de tweeling en de vader is, op zijn zachtst gezegd, niet liefdevol, wederzijds respect is ver te zoeken en minachting wordt niet onder stoelen of banken gestoken. Dat hun vader consequent 'de vader' wordt genoemd, maakt duidelijk dat er sprake is van een afstandelijke relatie.

Mario en Javier verschillen behoorlijk van elkaar. Waar Mario de meest introverte en gevoelige van het stel is, is Javier degene die voorheen openlijk de strijd met zijn vader aanging. Zijn grote passie voor boeken en lezen heeft hem geholpen zich te leren beheersen. Beiden gebruiken ze verdovende middelen, om de verveling en een leven dat hun nog maar weinig verrassingen biedt wat draaglijker te maken.
Het grote verdriet van de jongens is de gesteldheid van hun moeder Nora, die ze liefkozend 'ons gekkie'  noemen. Ze woont in een eigen huisje en wordt geplaagd wordt door stemmen, een koor van profeten. Met name de gevoelige, zwijgzame Mario heeft het daar heel moeilijk mee. De jongens verwijten het hun vader dat hij de oorzaak is van haar wanen.

'Als ze terugkwamen van zee of van de mangroven dook de jongen de wereld van zijn moeder is, dan ging hij van het ene uiterste in het andere, dan betrad hij een domein van louter hallucinaties: de zangen van de koorschaar, die haar in het begin alleen kwam bezoeken, maar daarna voor altijd bleef en die hijzelf soms hoorde, de gestalten die kwamen en gingen in die twee slaapkamers, in de woonkamer en de keuken, op het dak en in de badkamer, en die hij soms kon zien. Maar vooral de dingen die ze zei - 'als het kind geboren is ga ik het huis uit'- en die hem dermate verbijsterden en schrik aanjoegen dat Javier, om hem te sussen, tegen hem moest zeggen dat hij zich niet alles wat ze zei zo moest aantrekken, [...]'

Santiago de Talú, Colombia
In de belangrijkste verhaallijn volgen we ruim vierentwintig uur de vader en de tweeling, die uitvaren om een nieuwe voorraad verse vis te vangen voor het restaurant. In deze microkosmos is de sfeer broeierig en lopen de spanningen hoog op. Het heeft kenmerken van de Bijbelse strijd tussen Kaïn en Abel. De uitdrukkelijke vermelding dat Mario twee uur ouder is dan Javier, maakt de vergelijking aannemelijk. De strijd met hun vader en de liefde voor hun moeder geven ook raakvlakken met het verhaal over Oedipus.

In wisselende perspectieven komen de achterblijvende personages, door middel van innerlijke monologen aan het woord. Allemaal geven ze een stukje informatie prijs over het vakantieleven, hun gedachten over het gezin van de beheerder en het gevaar van het naderende onweer.

Op de boot wordt de rivaliteit uitgevochten, zwijgend of verbaal, ze staan elkaar letterlijk naar het leven. De hoeveelheid gevangen vis wordt snel groter, maar ook de zwarte wolken, donder en bliksem naderen met grote vaart. De auteur weet de minachting, haat, boosheid, verachting en dreigende sfeer prachtig en invoelbaar te beschrijven. De dreiging van het onweer spat heel onheilspellend van het papier af. Helaas dooft deze dreigende sfeer ineens uit als een nachtkaars en vervolgt het verhaal zich. 
De rollen verschuiven zich langzaam. De rustige Mario wordt de meest boze en nu is het Javier die de gemoederen probeert tot bedaren te krijgen. Toch komt er, heel verrassend, ook een kleine kentering in het gedrag van de vader, - hij weet er op bladzijde 183 zelfs nog een complimentje uit te persen - nadat hij door omstandigheden in het nauw is gedreven.

'Ineens is hij moederziel alleen. De pijn in zijn enkel is nu net zo uitwendig als de donder en de bliksem, [...] Uit de afgrondelijke diepte komt er iets naar de oppervlakte, iets naar hem toe, iets wat de vader niet kent en wat hem angst inboezemt, maar wat hij binnenboord moet halen. Het is geen vis. Hij ijlt. Door de hoge golven is hij zijn oriëntatie kwijt en vergeet hij dat ze maar een meter of vijftien boven het koraal zitten en niet boven een afgrond. 'Mij krijgen jullie niet klein, stelletje schijtluizen, Maar hij is bang. Hij is haast nooit bang geweest in zijn leven.'

Herhalingen werken versterkend in een verhaal, maar wanneer ze in de vorm van 'de zon beukte' een paar keer letterlijk terugkomen stoort het mij soms.
Bevreemdend consequent wordt de schrijfstijl van de gedachten van alle personages doorgevoerd. Denk hierbij aan 'hij heb', 'geeneens', 'lou loene' en dergelijke. Dit maakt dat de personages zich allemaal op dezelfde manier uitdrukken.
Dit, samen met de snel verdwijnende dreiging, laat me een beetje op mijn honger zitten en nog een poos kauwen op het verhaal.
Het verhaal an sich is mooi en leest fijn. Tussen de krachttermen door, is het beeldend proza prachtig, wanneer over de natuur, de zee, het weer wordt geschreven. Een verhaal met potentie, dat ik gewoon nogmaals ga lezen.

* Vrij naar 'De oude man en de zee' van Ernest Hemingway

Auteur

Tomás González (geboren in Medellín,1950) is een Colombiaanse schrijver. Hij studeerde filosofie aan de Universidad Nacional de Colombia . Hij is vooral bekend om zijn debuutroman 'In the Beginning Was the Sea' (1983) die Pushkin Press in het Engels vertaalde. González woonde twintig jaar in de Verenigde Staten, als journalist en vertaler, voordat hij terugkeerde naar zijn geboorteland Colombia in 2002.Hij is de neef van de schrijver Fernando Gonzalez



Titel: Ontij
Auteur: Tomás González
Vertaling: Jos den Bekker
Pagina's: 192
ISBN: 9789025451158
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: februari 2019

dinsdag 12 maart 2019

Bart Van Loo - De Bourgondiërs


Recensie door Koen de Jager
Uitgeverij De Bezige Bij



Verhalen die er toe doen

De Bourgondiërs hadden al mijn warme belangstelling. Ik had al gelezen waar ze vandaan kwamen bij Norman Davies, ik heb het boek 'De graven van Vlaanderen' nog staan van Edward De Maesschalck en ik heb 'Herfsttij der Middeleeuwen' van Johan Huizinga, 'Het Woud der Verwachting' van Hella Haasse, 'De waanzinnige veertiende eeuw' van Tuchman en de boeken van Thea Beckman gelezen. Dit boek van Bart Van Loo voelde dus een beetje als thuiskomen.

Dat wil niet zeggen dat alles gesneden koek was, verre van zelfs. Van Loo begint zijn turbulente geschiedenis ook op het eilandje Bornholm in de Oostzee, waar de Bourgondiërs oorspronkelijk vandaan kwamen. Vervolgens reizen we door de tijd en komen we snel aan bij Filips de Stoute en Margaretha van Male. Dat sloot voor mij naadloos aan op 'De Graven van Vlaanderen' dat juist eindigde met dit koppel. Hun nazaten, zoals Jan zonder Vrees, Filips de Goede, Karel de Stoute, Maria van Bourgondië enz. ben ik ook ooit wel tegengekomen, maar nergens is hun verhaal met zoveel verve verteld als hier door Van Loo. Nu kan je ook iedere Wikipedia-pagina openslaan en al snel wat wijzer worden, maar ik wil verbanden en feiten. Hoe obscuurder hoe beter en ik word op mijn wenken bediend. De slag bij Azincourt en de Guldensporenslag zijn redelijk bekend, maar ik wist niks van het beleg van 's Gravenbrakel. Jacoba van Beieren en Humphrey van Gloucester contra Jan van Brabant en Filips de Goede;
Margaretha van Male
(1350-1405)

'Tijdens het beleg van 's Gravenbrakel... kwam Humphrey in allerijl aanzetten om de vijandelijke strijdkrachten te verjagen. Zijn komst leverde een surrealistisch tafereel op. Met trompetgeschal kondigde men een veldslag aan. De twee legers stelden zich op. Iedereen hield zijn adem in. En bleef dat lange tijd doen. Tot het sein werd gegeven om terug te trekken. De honderden banieren die net nog trots in de wind waren geheven gingen neer. Even later herhaalde dit merkwaardige schouwspel zich een tweede keer. Uiteindelijk dropen beide legers af.'

Er gebeurde dus niets, maar ik wil het allemaal wel weten. De grotere veldslagen worden even beeldend beschreven, geen zorg daarover. Wat ook beeldend wordt beschreven zijn de copieuze maaltijden die af en toe geserveerd worden. Het woord Bourgondisch moet ergens vandaan komen, nietwaar? Een gigantische pastei waarin 28 muzikanten verborgen zitten is maar één van de vele voorbeelden.
Los van de grote lijnen der geschiedenis die de auteur haarfijn uitlegt houd ik van al die uitstapjes die gemaakt worden. Over het grote kanon de Dulle Griet, dat ik in Gent zag, over de oorsprong van het woord 'Holland' en het woord 'miniatuur' (een eye-opener voor mij) of over de prachtige kunst uit die periode. Geen mooier pleidooi dan in dit boek, om het praalgraf van Filips de Stoute in Dijon te bezoeken, met de 'pleurants' van de Nederlandse beeldhouwer Klaas (of Claus) Sluter.

Maria van Bourgondië
(1457-1482)
Die grote lijnen dan, daar gaat het natuurlijk ook om. Langzaam zie je de contouren van de Lage Landen en Van Loo trekt de gebeurtenissen van vroeger door naar het heden, zoals bij de vorming van de Staten-Generaal;

'Voortaan zou in onze contreien geen enkele vorst meer kunnen regeren zonder de Staten-Generaal, die tussen 1464 en 1576 gemiddeld een keer per jaar bij elkaar kwamen...In het Polygoon-journaal van 9 januari 1964 konden Nederlandse bioscoopbezoekers een reportage zien van de plechtige herdenkingsdienst inde statige Ridderzaal van Den Haag.  Geflankeerd door koningin Juliana en prinses Beatrix sprak Jan Jonkman, voorzitter van de Eerste Kamer, de volgende woorden; 'Onze Kamers hebben besloten heden de dag te herdenken dat vijfhonderd jaar geleden in de Nederlanden een statenvergadering is gehouden die geacht kan worden een grondslag te hebben gelegd voor onze volksvertegenwoordiging van 1964.'

Zo deed Karel de Stoute gruwelijke dingen, vraagt u even na in Dinant en Luik, maar voerde hij ook 'Pax et Justitia' door in de Lage Landen en stelde hij een centrale rekenkamer in; zaken die ons nog steeds bekend voorkomen. Dat alles trekt aan het oog voorbij in een met vaart en af en toe met humor verteld verhaal ('De strijd bleek zo goed als gestreden, toen Antoon van Brabant in allerijl kwam aangestormd. Veel te laat, maar net op tijd om te sneuvelen'). De stambomen, overzichtskaartjes en een chronologie zijn een welkome aanvulling, omdat de Karels en Filipsen je om de oren vliegen.

Karel de Stoute
(1433-1477)
Ik heb genoten van dit boek en ik ben nog lang niet klaar met die Bourgondiërs. Brugge staat dit jaar op het programma (restaurant-tip ook in dit boek), maar ik wil ook Dijon zien en lopen in het Zoniënwoud. Gewoon, zwerven waar de grote Filips de Goede ooit verdwaalde;

'Na lang zwerven bereikte Filips het hutje van een arme drommel. Vol verwachting klopte de meest gefortuneerde vorst van het Westen op de gammele deur in. In het Diets smeekte hij om onderdak. Zonder te weten wie hij precies hielp, serveerde de gastheer hem enkele sneden grof brood en wat eenvoudige abdijkaas. Zonder voorsnijder, schenker of voorproever stortte de hertog zich op de sobere maaltijd.'

Dat zijn de verhalen die er toe doen.

Auteur

Bart Van Loo (Herentals, 1 februari 1973) is een Vlaams auteur en conferencier. In zijn boeken benadert hij de Franse cultuur steeds via andere sluipwegen. Met zijn bestseller 'Chanson. Een gezongen geschiedenis van Frankrijk' raakte hij bekend bij het grote publiek.
De auteur wordt regelmatig in de media opgevoerd als Frankrijkkenner. In het voorjaar van 2012 was hij een centrale gast in De Laatste Show. Later volgde een reeks chansoncolleges in De Wereld Draait Door. Met zijn lezingen, optredens en voorstellingen doorkruist hij Vlaanderen en Nederland.

'Pleurant' van het praalgraf
van Filips de Stoute
Titel: De Bourgondiërs
Ondertitel: Aartsvaders van de Lage Landen
Auteur: Bart Van Loo
Pagina's: 560
ISBN: 9789403139005
Uitgeverij De Bezige Bij
Verschenen: december 2018







zaterdag 9 maart 2019

Hester den Boer-Onderdrukt door de verlosser (door Roosje)

Recensie door Roosje
Uitgever Atlas Contact




Russische toestanden


Ooit ben ik begonnen in De Goelag Archipel (1973, 1975) van Aleksandr Solzjenitsyn en ik weet niet meer waarom ik het niet heb uitgelezen. Ik vermoed de gruwelijkheid van de goelagkampen in Rusland, die ik bijzonder heftig vond, net zoals ik verslagen over concentratiekampen in WOII ook veel te heftig en te verdrietig vond om er veel over te lezen. Na Dostojevki’s Aantekeningen uit het dodenhuis en Primo Lévi’s Is dit een mens, heb ik het voornemen de boeken van Solzjenitsyn toch weer op te pakken. Het boek van Hester den Boer, Onderdrukt door de verlosser is hiertoe een meer dan goede voorbereiding.

Den Boer heeft een grote interesse opgevat, misschien is het zelfs wel liefde, voor het huidige en historische Rusland. Ze heeft een paar langere reizen gemaakt en raakte geboeid door de massagraven en herdenkingsplaatsen van de goelagkampen uit de tijd van Stalin en hoe met die vondsten omgegaan wordt in het huidige Rusland, door de mensen ter plekke en door de autoriteiten. Ze komt erachter dat het behoorlijk naïef is te veronderstellen dat mensen door die vondsten en ook omdat het communisme passé is de slachtoffers van de Stalin-terreur zullen gaan herdenken; of hun identiteiten aan de vergetelheid zullen onttrekken; of dat mensen de onvoorstelbare periode van het opsluiten en vermoorden van miljoenen landgenoten een plek in hun hart en in de geschiedenis zullen willen geven.

In verschillende stukken gaat Den Boer op zoek naar resten van de goelagkampen, executieplaatsen en massagraven op verschillende plekken in het uitgestrekte Rusland, in onder andere Kolyma, een onherbergzaam deel van Siberië, ‘dichterbij’ het westen want ten noord-oosten van Sint-Petersburg in Karelië.

Den Boer gaat nog verder, ze probeert te onderzoeken en verklaringen te vinden voor de omstandigheid waarom overheid en veel gewone Russen er weinig om lijken te geven: om die naamloze doden, om die gruwelijke overblijfselen van het Stalinistische terreur en repressie. Of hoe het kan dat sommigen die wel willen weten hoe het zat en welke slachtoffers het betreft, regelrecht tegengewerkt worden of zelfs gearresteerd worden. Je hoeft niet ver de diepte in te gaan of je komt erachter dat Stalin voor de meeste Russen helemaal geen boeman is, geen slechterik, geen crimineel. Stalin is nog steeds de Vader, de Verlosser van zijn Russische Volk. Sterker nog, de huidige situatie onder Poetin begint steeds meer te lijken op de tijd van Stalin met repressie en propaganda (fake news, noem ik het maar; wat vroeger propaganda heette. Deze term gebruikt Den Boer overigens niet), arrestaties en afrekeningen van en moorden op politieke tegenstanders. 

Alexandr Solzjenitsyn
 

Tijdens Gorbatsjov in de jaren 80 en 90 leek Rusland vrijer te worden, de glasnost, de vrije economie. Maar de hulp uit het westen, waarop sommige Russen hoopten, bleef uit. De uitbreiding van de NAVO tot aan de Russische grenzen omdat de Oost-Europese staten nu bij het vrije westen hoorden, leek menig Rus een tegendeel van die westerse hulp die zij nodig hadden. Poetin verschafte velen het idee dat Rusland weer groot kon worden (waar hebben we dat meer gehoord: Make America great again...), dat Rusland net als onder Stalin de overwinning (op de nazi’s in WOII) gewoon weer kon opeisen. Rusland was groots en zou altijd groots en machtig blijven. Velen keren zich weer naar binnen en doen hun ding, proberen het economisch beter te krijgen. En bovendien, je kunt nooit weten of Poetin toch een tweede Stalin wordt: je kunt je maar beter indekken.

Een overlevende, een zeer oude vrouw, vertelt Den Boer over haar zware verleden in een kamp in Kolyma, en dat zij na haar vrijlating toen Stalin overleden was, niet naar Odessa mocht terugkeren, waar zij geboren was en dus maar terugreisde naar Kolyma, waar zij zich meer thuis was gaan voelen. Zij had niet gehuild bij de dood van Stalin, maar vele andere gevangenen deden dat wel. Zij was tamelijk kritisch gebleven en vooral ook heel verdrietig. Anderen konden zich niet voorstellen dat een leven zonder Stalin mogelijk zou zijn, zij leden/lijden aan een soort stockholmsyndroom.

Onvoorstelbaar hoeveel mensen onder Stalins terreur geleden hebben: de cijfers presenteert Den Boer ons koudweg. Ja, wat moet je anders? Het is niet te begrijpen hoe omvangrijk de misdaden tegen onschuldige mensen kunnen zijn: een waan van dat de goelagkampen ook nog eens economisch rendabel zouden moeten zijn en dat het oppakken van grote groepen mensen: bevolking, ook vrouwen en kinderen, koelakken, partijmensen, legertop, Stalingetrouwen, gewoon lekker preventief werkt. De wind er flink onder houden. Is het de waanzin van de machtige die vreest dat iedereen het tegen hem wil opnemen, dat je de macht die je hebt voortdurend moet consolideren? Dit zijn vragen die ik me ook nog stel bij het lezen van zulke bizarre feiten en onmenselijke gruwelijkheden. Macht en paranoia gaan altijd fijn hand in hand.

Zojuist heb ik ook het boek over Napoleon van Bart van Loo gelezen. Daarin worden natuurlijk ook miljoenen mensen over de kling gejaagd, eerst in de Franse Revolutie en de Terreur en diens uitwassen, later door Napoleon in zijn magnifieke oorlogszuchtigheid.
Poeh, deze twee boeken confronteren je wel met de harde, wrede kant van het bestaan. Maar het is van belang de geschiedenis te ‘kennen’. Wij kunnen de geschiedenis natuurlijk niet werkelijk kennen (rdv), altijd zullen wij haar interpreteren volgens de lijnen van onze huidige situatie. Nog verder doorgevoerd betekent het dat de wijze van ons geschiedenisonderzoek meer zegt over onze huidige samenleving dan over de situatie in het verleden. Den Boer citeert de filosoof George Santayana: ‘Wie de geschiedenis niet kent, is gedoemd haar te herhalen.’ (2019: 258). Dat geldt volgens mij maar ten dele want in de geschiedenis is elke periode anders ondanks de overeenkomsten (rdv: dat is nog eens een paradox ;-)). Toch is het belangrijk te weten, hoe incompleet je kennis dan ook is, hoe de dingen in het verleden zijn gegaan. De Franse Revolutie heeft met al zijn gruwelijkheden aan de wieg gestaan van de westerse democratie. De Russische Revolutie heeft hoe dan ook gezorgd voor de ‘emancipatie’ van de gewone Rus, al vind ik die opvatting steeds moeilijker vol te houden (maar dat zegt dus ook iets over mij, rdv). 

Er zijn ook Russen die zich wel verzetten tegen de huidige situatie van repressie en onvrijheid. Veelal kunstenaars en schrijvers uit de metropool Moskou. In een grote stad vallen ‘dissidenten’ iets minder op dat op het platteland, gewoon omdat er meer van zijn. Natuurlijk vrezen ook zij voor hun vrijheid en misschien wel voor hun leven. Met films, theaterstukken en discussies willen zij ook een andere stem laten horen: de kritische, dat er alternatieven zijn (rdv: denk ook aan Pussy Riot).

Eind jaren ’90 bezocht ik met een vriendin Rusland. We logeerden bij een kennis van haar, een ex-wielrenster uit Sint-Petersburg. Het was een culture shock. Ik sprak geen Russisch en kon ook de letters niet lezen, ik voelde me functioneel analfabeet. Toen ik terug was ben ik meteen Russische les gaan volgen, hetgeen niet geresulteerd heeft in het vloeiend spreken van die taal. Bijna niemand in het gezin sprak Engels, behalve een dochter, die een relatie met een Zweed had. De Russische gastvrouw sprak met mijn vriendin Italiaans, op het niveau van de ‘steenkolen’. Het was een voortdurende babylonische en culturele spraakverwarring. De kerken waren ook net open en de laatste tsaar was net met zijn familie herbegraven. Iedereen spoedde zich naar de kerk om te bidden. Nergens zag ik zo’n devotie als toen en daar. Maar geld was er niet, de inflatie was giga. Alles werd berekend in dollars. Geld wisselen deed de Zweed voor ons. Dat was veel te gevaarlijk. Goederen waren er ook niet; winkels waren compleet leeg. Spullen moest je dus hebben. Een vriendin van de familie deed in cd-spelers en dat soort dingen. Overal was chaos. Flatbewoners hadden hun appartement gewoon geconfiskeerd. De telefoon- en elektriciteitsrekening betaalde je niet, tot je werd afgesloten. Politiek leek hen niet te interesseren. We aten blini’s met kaviaar en we dronken wodka en bier en thee. Ze waren zeer gastvrij. En dan was er nog het avontuur dat we op het politiebureau kwamen vast te zitten en we ons niet verstaanbaar konden maken, maar dat is een prachtig verhaal voor een volgende keer. Wij wilden wel praten over hun vrijheid van het communisme en hoe dat nu was maar zij niet. Trots op hun land waren ze wel, en dat vond ik helemaal niet gek. Sint-Petersburg is als stad in no time uit het moeras van de Neva-delta gestampt door Peter de Grote. Ook dat staaltje van politiek en architectonisch machtsvertoon heeft veel mensenlevens gekost. Wat een pracht en praal... Het Winterpaleis... De kunstverzameling... Het goud...

Bijzonder onder de indruk ben ik van dit historische en sociaal-economische èn persoonlijke onderzoek van Den Boer en de wijze waarop zij het te boek gesteld heeft. Het is wellicht geen bundel om achter elkaar door te lezen. Omdat de verschillende stukken niet direct op elkaar volgen, kun je dat prima doen. 

 

De auteur

Hester den Boer (1981) is onderzoeksjournalist en fotograaf. Vanaf 2009 maakte ze regelmatig lange journalistieke reizen naar Rusland en publiceert hierover onder andere in De Groene Amsterdammer. Ze startte het platform Moeder Rusland, kleine verhalen uit een grootmacht en in 2015 werd ze genomineerd voor de prestigieuze European Press Prize.’ (achterflap)

 
Titel: Onderdrukt door de verlosser
Auteur: Hester den Boer
Uitgever: Atlas Contact
ISBN: 9789045033457
Pag.: 271
Genre: non-fictie
Verschenen: januari 2019