vrijdag 11 oktober 2019

Doeschka Meijsing - Robinson

Recensie door Roosje
Uitgeverij Querido
*misschien een spoilertje hier en daar*

Alleen op de wereld

Robinson is een meisje van 17, dat net verhuisd is naar een provinciestad  - ik veronderstel dat dat Haarlem is, waar Meijsing in haar jeugd woonde.

‘En plotseling was alles anders dan vroeger. De zomer was wel zo warm als ze zich herinnerde, de mussen vielen als vanouds van de daken, maar daar bleef het bij. Deze stad was nieuw. Voorbij het stadsbos waar de school en haar moeders huis aan grensden, lag de binnenstad, knus en gezellig in elkaar getimmerd, zodat men kleine geheimpjes kon doorfluisteren. Verderop kwamen alle straten uit op een groot plein waar muziek gemaakt werd, zomerse muziek, met veel zonnen die zich in het koper spiegelden.’ (1988: 7)

Zo begint deze roman. Eens kijken wat we hier al uit kunnen opmaken voor we ons in het verhaal storten. Er is een tegenstelling tussen vroeger en nu; een tegenstelling tussen nieuw en oud (‘de mussen vielen als vanouds van de daken’); tussen vertrouwd en onbekend (terra incognita; onbewoond eiland); tussen stad en bos; tussen centrum en buiten-het-centrum; tussen beschutting en openheid; tussen menselijke en natuurlijke muziek; knusheid en - niet genoemd maar gesuggereerd - gevaar; tussen huis en school; tussen moeder en - de niet genoemde - vader.
De toon is gezet en ook nog een meisje, alleen, geen deel uitmakend van, op een moeilijke leeftijd verhuisd; een tienermeisje met een jongensnaam - dat is ook een tegenstelling -. Daarover later.
Eerst even het verhaal vertellen: zo’n meisje dus, dat is vragen om problemen; misschien zijn er *spoilers*.

Een meisje in de bovenbouw van het gym verhuist met haar moeder, door haar moeder, naar een kleine stad ,waar zij niemand kent, ook op school is zij nieuw, ze is een buitenstaander. Daniël, een mede-loner, trekt haar aan. Zij worden vrienden. Er is geen verliefdheid in het spel, al denkt haar moeder dat dat wel zo is. Zij zijn beiden buitenstaanders, dat gegeven verbindt hen. Daniël rebelleert, hij is op de een of andere wijze bezeten door en van de duivel of hij koketteert ermee. Hij is dwars en wil iedereen tegen zich in het harnas jagen. Robinson laat zich met hem meevoeren.
Robinsons vader is kapitein op de grote vaart en is weinig thuis. Maanden achtereen is hij op zee. Thuis is haar moeder de baas, haar moeder, die ‘door muren kan kijken’. Tussen moeder en dochter botert het niet zo.
Aanvankelijk is Robinson een goede leerling, vooral in de beta-vakken. Daniël schrijft zijn huiswerk van haar over.

Dan is er de docente Johanna Freida, de juffrouw Duits, die een eigentijdse wind door het evenzo moderne schoolgebouw laat waaien. Het gebouw is dan wel modern, de stof, omgang tussen docenten en leerlingen en lesmethoden zijn dat niet (weer een tegenstelling). Daniël trekt veel op met Johanna Freida (zo wordt zij consequent genoemd) en daardoor en haar ondanks raakt Robinson ook betrokken. Een wankele driehoeksrelatie, die op een later tijdstip een soort vierhoeksrelatie wordt, namelijk op het moment dat Robinsons vader thuiskomt.

‘Niets vond onregelmatiger plaats dan de thuiskomst van Robinsons vader. Haar moeder mocht hem al vijftien jaar smeken toch een baan aan de wal te nemen, hij luisterde naar de stem van zijn zeemanshart, en bleef bij de grote handelsvaart. Weken, soms maanden was hij van huis. Zijn terugkeer in de haven kwam altijd vrij onverwacht en de laatste jaren ook steeds ongelegener, als Robinson haar moeder mocht geloven. Na vijftien jaar grote handelsvaart was er van hun huwelijk niet veel meer over dan kortstondige vrijpartijen in de kamer naast die van Robinson en avondjes uit, waar haar moeder steevast versteend van terugkwam.’ (ib.: 52)

Robinson en Daniël ontdekken de betrekking tussen de vader en de juffrouw Duits. Zij vieren trekken veel met elkaar op: varen op het IJsselmeer, schaatsen, dat soort uitstapjes. Vader en juffrouw doen niet geheimzinnig en verhullen niets. Johanna Freida bekent Robinson, die verhaal komt halen, dat verliefdheid een te heftige macht is; daar kan geen mens zich tegen verzetten.

Het einde zal ik dan maar in het ongewisse laten. Anders hoef je het boek niet meer te lezen, misschien; dat zou jammer zijn.

‘En alles, alle mensen en alle kinderen, en de honden, zetten zich op die muziek in beweging, zelfs de huizen en de terrasstoeltjes en de toren van de grote kerk. En op hetzelfde moment dat alles op marsmuziek in beweging kwam, was het Robinson of dat koperen plein wegliep van haar, in deze of gene richting, dat deed er niet toe, maar weg van waar zij stond, zonder dat ze het plein nog kon inhalen, steeds verder weg marcheerde dat plein, in een richting die ook zij zo graag was gegaan.’ (ib.: 116 - einde boek)

Het lijkt een vrij eenvoudige roman, verteld in vrij eenvoudige taal en geschikt op een zeker niveau als Young Adult-roman, maar dat is slechts ten dele het geval. Hierboven heb ik een kleine analyse losgelaten op de tegenstellingen die het boek openen. De toon is gezet: dit is geen happy teenager. Een meisje dat verscheurd wordt tussen allerlei krachten buiten en binnen haarzelf. Alleen al haar naam: Robinson. Een jongensnaam voor een meisje, omdat haar vader liever een zoon had gehad. Dat heeft iets met gender te maken. Een meisje dat zich misschien niet helemaal een meisje voelt, hoewel haar moeder alsmaar aanspraken doet op haar meisjesachtigheid. Ze voelt meer voor haar vader, maar die is er bijna nooit. Maar die vader had in plaats van haar liever een jongen gehad. Voelt ze zich door haar vader afgewezen? Of is er (nog) meer aan de hand? Voelt zij zich diep in haarzelf niet helemaal een meisje? Is zij jongensachtig, is haar seksuele geaardheid misschien niet helemaal zoals van die van de anderen, met wie zij totaal geen connectie voelt? Homoseksualiteit lijkt gesuggereerd, maar kan een hineininterpretatie zijn. Ik opteer toch voor de suggestie van het lesbisch zijn.
Dat Robinsons seksuele identiteit afwijkt, blijkt ook uit de mislukte vrijpartij met Daniël. Hij overrompelt haar - hij verkracht haar niet echt, maar haar instemming is eerder het gevolg van zijn verbale overreding dan van haar eigen behoefte -. Bovendien zijn Daniëls gevoel en bedoeling hier niet eerlijk. Feitelijk is hij verliefd op Johanna Freida, maar haar kan hij niet krijgen, want zij is van Robinsons vader. Dan neemt hij genoegen met de dochter van de minnaar van Johanna Freida, en misschien doet hij het ook als wraakoefening.

De naam Robinson doet natuurlijk direct denken aan Daniël Defoe’s roman - o, ja, zó komt vriendje Daniël dus aan zijn naam - dat realiseer ik me nu pas, nu ik het opschrijf; betekent dat Daniël de figuur van Robinson verzonnen heeft?; nee, zo ver gaat het niet; Robinson is in alle opzichten de hoofdfiguur van de roman - . Defoe’s Robinson is aangespoeld op een eiland en is helemaal alleen, totaal geïsoleerd. Het meisje Robinson is aangespoeld - als in een schipbreuk - in een kleine provinciestad - terwijl hij vader de zeeënbedwinger is, Poseidon gelijk, zou je bijna denken -.
Ook kreeg ik de associatie met Janneman Robinson, de Nederlandse vertaling van het jongetje uit Winnie de Poeh; oorspronkelijk heet hij Christopher Robin. Een jongetje dat leeft in de natuur met zijn dierenvriendjes.

In ieder geval is de Robinson uit de literatuur een jongen. Anderzijds roept de vader, die zeekapitein is, associaties op met Pippi Langkous, die heel alleen is en wier vader zeekapitein en ook piraat is; Pippi is evenmin een doorsnee-meisje. Robinson noemt haar vader ook piraat. Hij is een vrijbuiter in alle opzichten, dus ook waar het de huwelijkse trouw betreft. Pippi lijkt dan wel een vrolijk, inventief en niet kapot te krijgen meisje, maar in feite is ze super eenzaam; ze zoekt het gezelschap van een paard en een aap, net als Janneman Robinson dat doet met zijn dieren: beer, ezel, biggetje. Pippi zoekt evenzeer het gezelschap van de heel gewone jongen en het meisje, Tommy en Annika, in haar stadje.

Meijsing schrijft met behulp van intertextualiteit. In haar teksten zijn altijd verwijzingen verstopt, soms duidelijk, soms minder evident, naar andere literaire teksten. Het boek dat ik best van haar ken is Over de liefde en dat is zowat topzwaar van de grote aantallen verwijzingen. Je hebt er een behoorlijke puzzel aan die allemaal te vinden. Ik denk dat ik ze niet allemaal uit het water gevist heb. O, ja, in Over de liefde speelt water ook een grote rol.

Hierboven ben ik uitgebreid ingegaan op de naam Robinson. Twee andere verwijzingen zijn: de naam Johanna Freida, die direct in relatie gebracht wordt door Robinson met een fregatschip en dus niet te vermijden met Arthur van Schendels Het fregatschip Johanna Maria, dat ik geloof ik nog steeds niet gelezen heb, oei - wel een hele hoop andere romans van Van Schendel. Omdat de juffrouw Duits in verband wordt gebracht met een fregatschip - het boegbeeld van een oud schip was altijd een rondborstige juffrouw - is haar relatie met de zeekapitein een onafwendbaar noodlot.
En nog een opmerkelijk ding: bij het opmaken van een bio van Meijsing zie ik dat haar doopnamen Maria Johanna zijn. Dat is geen toeval! Dat is zeer doelbewust gedaan.

Het kopergeschetter in oor en oog in het begin én aan het eind van het boek roept direct beelden op van Vestdijks De koperen tuin. De hoofdpersoon uit die roman voelt zich eveneens afgescheurd van de wereld; hij heeft een onmogelijke liefde opgevat voor een meisje. In Meijsings roman is ook de liefde onmogelijk. Niemand kan de ander bereiken: vader en moeder bereiken elkaar niet; Daniël en Robinson elkaar niet; vader en Johanna Freida elkaar uiteindelijk ook niet; maar ook Daniël bereikt Johanna Freida niet; en Robinson bereikt Johanna Freida niet, op wie zij wellicht ook verliefd is, misschien zonder dat zij zich daarvan bewust is.
Dit laatste: Robinson is verliefd op Johanna Freida, is suggestief, maar volgens mij te verdedigen. Een meisje dat niet goed weet waar haar seksuele voorkeur ligt, is verscheurd. Dat de vrijpartij met Daniël niet goed verloopt, ligt voornamelijk aan hem, maar ook aan haar. Hun gemeenschappelijk doel is de juffrouw Duits, die voor beiden onbereikbaar is.

De elementen - die van vuur, aarde, lucht en water - spelen een grote rol in deze roman. Aggregatietoestanden van H2O: water en ijs - ik geloof dat gas geen rol speelt, maar misschien zie ik dat over het hoofd - : varen, zee, IJsselmeer, schaatsen, ijs. Robinson heeft veel belangstelling voor natuurkunde maar die verliest zij gaandeweg. Haar vader is het water, haar moeder de aarde. Daniël met zijn ongezonde interesse voor het duivelse is het vuur, dan zou Robinson de lucht (aggregatietoestand ‘gas’) zijn. Dat zie ik nu niet direct zo, maar misschien is het wel zo. *

Daniël is eigenlijk een heel egocentrische puber. Hij lijkt aanvankelijk een goede vriend en een lotgenoot, maar ontwikkelt zich steeds meer tot een grote egoïst, een typische jongen, die het enerzijds goed met zichzelf heeft staan en anderzijds te kwetsbaar is om een handreiking naar de ander te doen. Robinson is eigenlijk precies zo: haar onvermogen tot contact maken betekent ook dat zij geen idee heeft van haar eigen verlangens, zoals bijvoorbeeld haar voorkeur voor vrouwen.

Het thema van deze roman is ongetwijfeld het alleen staan in de wereld, je geïsoleerd voelen van anderen, geen connectie kunnen maken met de wereld. Heel misschien is er de liefde, de verliefdheid die mensen tot elkaar kan brengen, maar hoe lang duurt die verliefdheid? Het spitst zich in dit boek toe op pubers en ook op hun seksuele geaardheid en de roman is daarom uitermate geschikt voor lezers van diezelfde leeftijd, al ben ik bang dat jonge mensen van anno 2019 dit een saai boekje zullen vinden.

*In de loop van de tijd heb ik geleerd dat wanneer een auteur een vergelijking gebruikt, een metafoor, een motief of iets dergelijks, die vergelijking niet perse helemaal hoeft te passen op het geschrevene. Bijvoorbeeld, niet iedere auteur gebruikt het Orfeus-motief op precies dezelfde wijze, noch wordt dat motief precies zo gebruikt als de mythe (of misschien wel mythes) ‘voorschrijft’. Ieder doet dat naar eigen behoefte en inzicht.

Auteur


Maria Johanna (Doeschka) Meijsing (Eindhoven, 21 oktober 1947 – Amsterdam, 30 januari 2012) was een Nederlands schrijfster en essayiste.
Ze was een oudere zus van schrijver Geerten Meijsing. Toen ze drie was verhuisde het gezin naar Haarlem; daar zat ze op het Lyceum Sancta Maria. Ze studeerde Nederlands en literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1971 tot 1976 gaf Meijsing les aan het St.-Ignatiusgymnasium. Daarna was ze tot 1978 wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. In 1978 werd Meijsing redactrice voor de boekenbijlage van Vrij Nederland en in 1989 literatuurredactrice van Elsevier.

Vanaf 1969 publiceerde Meijsing in Podium, later ook in De Revisor, waardoor zij tot de stroming van de Revisor-auteurs wordt gerekend. In 1974 verscheen haar eerste verhalenbundel De hanen en andere verhalen. De gastcolleges die zij aan de Universiteit van Groningen gaf, zijn gebundeld in Hoe verliefd is de toeschouwer? (1988). Meijsing schreef ook poëzie (Paard Heer Mantel, 1986). In 1997 won zij de Opzij Literatuurprijs (die toen de Annie Romeinprijs heette).

Belangrijke thema's in Meijsings werk zijn de relatie tussen verbeelding en werkelijkheid, de fascinatie voor een bewonderde persoon – met jaloezie als gevolg – en de tijd. Haar hoofdpersonages zijn kwetsbare buitenstaanders die vluchten in de fantasie.

Meijsing was lesbisch en heeft verschillende relaties met vrouwen gehad. Voor haar laatste roman Over de liefde uit 2008, die werd bekroond met zowel de AKO Literatuurprijs als de F. Bordewijk-prijs en de Opzij Literatuurprijs, vormde haar relatie met Xandra Schutte de inspiratiebron. Deze relatie was stukgelopen omdat haar vriendin haar had verlaten voor een man. Meijsing liet zich ondanks haar homoseksualiteit negatief uit over homoseksuele relaties, waarin voortplanting en gezinsvorming onmogelijk zouden zijn. Ook had zij haar bedenkingen bij het homohuwelijk.

Meijsing overleed op 64-jarige leeftijd aan de complicaties van een zware operatie. Ze woonde tot haar dood in Amsterdam-Zuid.

Titel: Robinson
Auteur: Doeschka Meijsing
Pagina's: 116
Uitgeverij Querido
ISBN: 9789021413556
Verschenen: april 2012

woensdag 9 oktober 2019

Gabriele Tergit – Käsebier verovert de Kurfürstendamm

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Van Maaskant Haun





Een scherpe blik laat niets onverhuld


Nog nooit van Käsebier gehoord? Toch was deze zanger, entertainer een hype in Duitsland. We hebben het over 1931, in dat jaar zag romanpersonage Käsebier het licht in Tergit’s debuut. Het boek gaat over Berlijn, vele personages passeren de revue, maar Berlijn is waar het allemaal om draait. Vertaler Kees van Hage schreef een helder nawoord waarin tijdsbeeld en achtergrond aan de orde komen, tevens legt hij accenten op enkele details die misschien niet elke lezer opvielen.

In een tijd waarin internet haar intrede nog niet gedaan heeft gaat nieuwsverspreiding via kranten en de radio. Hoofdstuk één zet je meteen middenin een Berlijnse wijk waar de Berliner Rundschau zetelt, het gonst er van de medewerkers en de berichten. Het gebouw is getooid met grote beelden van Mercurius en Minerva en staat gedeeltelijk leeg. De wijk zelf begint wat in het slop te raken, er hangen plakkaten met ‘Seizoensopruiming’ en ‘Nu nog goedkoper!’. In enkele zinnen weet de auteur een sfeer op te roepen waarin je je in de stad waant en graag een kopje koffie meedrinkt in de konditorei. Trefzeker schetst de auteur verder; de belangrijkste personages komen in beeld, de stoet met minder prominente voorbijgangers wordt bij naam genoemd, maar speelt vaak een bijrol. Het duurt even voordat het duidelijk is welke namen de regie uitmaken en op welke manier.

De stijl is net als de krantenberichten, vaak kort maar krachtig en er zijn vele dialogen. Het is even wennen aan de flitsende manier van vertellen, vooral de vele wisselingen van ‘decor’ vergen een dynamische manier van lezen. Deze schrijfstijl zorgt er ook voor dat het even duurt voor het duidelijk is wie de protagonist zou kunnen zijn. In het nawoord wordt over de personages een suggestie gedaan. Ik kon me goed inleven in Miermann, een iets oudere auteur die in tegenstelling tot vele anderen, een menselijk gezicht heeft. Echt gewaardeerd wordt hij niet, er zijn steeds anderen die hem zijn succes niet gunnen, misschien is hij te goed voor deze wereld.

Het enorm dichtgeweven Berlijnse web zit vol individuen, gezinnen, familie, zakenrelaties, sociale relaties, rivalen en gehuwden die het met echtelijke trouw niet zo nauw nemen. De titel doet vermoeden dat Käsebier het hoofdpersonage is. Hoewel hij belangrijk is lijkt hij meer op een ster die tijdens het rijzen al gedoemd is te vallen. Hij wordt vooral gebruikt als middel om geld mee te verdienen. Wanneer iemand hem bij toeval ontdekt wordt hij een product dat gekneed kan worden en uitgeperst. Als een waaier zwermen de profiteurs om Käsebier heen, de projectontwikkelaars, de recensenten, de politiek en ook zijn vrouw – die zo tevreden was in haar keuken waar je gezellig kan vertoeven en eten – wordt hebberig.

Intussen zijn de nieuwsberichten niet zo rooskleurig, er zijn niet mis te verstane signalen dat het nazisme aan invloed wint. Ook de personages hebben een mening over waar het naar toe moet met het land. Grote groepen mensen leven in armoede, zijn werkloos, je merkt het aan warenhuizen die minder verkopen, aan grote huizen die leeg komen te staan. De beurskrach van 1929 was de genadeslag voor de toch al kwetsbare Duitse economie na het verlies van WOI. In dit Duitsland, in dit Berlijn blijft de auteur inzoomen op menselijke, maatschappelijke en zakelijke relaties. Soms ironisch, soms vilein, maar ook met humor. Wanneer er een feest gegeven wordt bij de chique Margot Weissmann is het een drukte van belang bij de garderobe en wordt een geweldig beeld geschetst van vrouwen die elkaar ‘observeren’

‘[…] Zo had mevrouw Muschler gesproken aan de telefoon, maar al in de garderobe begon de teleurstelling, niet alleen voor mevrouw Muschler. Een vrouw alleen is altijd mooi. Maar veel vrouwen bij elkaar, dat geeft problemen. Voor de spiegel thuis is alles betoverend. In het roze met parels, gepoederd voor de toilettafel thuis, zegt ieder Eva: ‘Heel goed’ tegen zichzelf, maar daar werd ze verre overtroffen door Käte, de Messalina in zwarte tafzijde, en zeker door de in lichtblauwe ruches gehulde tulelampion Hannelore! Erger nog: de helft droeg roze. Dertig vrouwen dachten: roze was een vergissing.’

Käsebier moet een eigen theater hebben vinden projectontwikkelaars. Er zou een megalomaan project komen met een theater, winkels en een fors aantal grote woningen voor de verhuur. Rendement verzekerd! In het traject van de besluitvorming komt de ware aard van de mens naar boven. Alles wordt uit de kast getrokken om zichzelf te verrijken, meestal ten koste van anderen. De auteur fileert nauwgezet de stappen die betrokkenen zetten en laat zien hoe zelfverrijking in zijn werk gaat. Vriendjes bij de gemeente, huwelijksbanden, bij iemand in het krijt staan zijn voorbeelden van instrumenten die helpen bij het bereiken van het doel: kapitaal en macht. Het hele proces laat zich vergelijken met de opkomst van het nazisme, mensen die je tegen kunnen spreken worden uitgeschakeld en er wordt een stevig, profijtelijk netwerk op gebouwen met mooie praatjes. 

Hoe het project afloopt en wie de winnaars en de verliezers zijn staat allemaal aan het einde van de roman en het laat zich raden hoe dit ongeveer zal geschieden. Maar de auteur heeft behalve haar, soms wat zakelijke, stijl nog wat andere munitie. In de noten staan per hoofdstuk verklaringen en verwijzingen, naar literatuur, mythologie, politiek enzovoort, deze geven het boek een extra laag mee en wat ik opvallend vind is het omgaan met de dood en ook dat de dood een erg belangrijke plaats heeft in het verhaal. Je zou hem als metafoor zien voor Duitsland dat meerdere malen de dood in de ogen zag.

In het nawoord staat een opmerking die de auteur zo raakte dat ze besloot deze roman te schrijven en dat ze gedreven werd blijkt uit het feit dat ze het boek in slechts 6 weken schreef. Tijdens het herstellen van een operatie in Vorarlberg:

‘Ik lag in de lighal. De dame naast mij zei:’ Mooi hotel, hè?’
‘Ja’, zei ik, ‘heel mooi hotel. Ik wou eigenlijk naar Zwitserland.’
‘Daar kunt u niet naartoe, Zwitserland is helemaal verjoodst.’

Raad ik het boek aan? Ja, niet voor een snelle lezing, maar een verhaal waarin je gaat zitten, meeloopt door de straten en pleinen van Berlijn, de dreiging voelt van het naderend onheil en waarin je met bewondering kijkt naar het werk van een krachtige vrouw die geweldig kon observeren. 


De auteur

Gabriele Tergit (1894-1982) werd geboren in Berlijn als Elise Hirschmann in een welgestelde joodse familie. Ze studeerde geschiedenis, filosofie en sociologie en promoveerde in 1925.


Titel: Käsebier verovert de Kurfürstendamm
Titel oorspronkelijk: Käsebier erobert den Kurfürstendamm
Auteur: Gabriele Tergit
Uitgever: Uitgeverij Van Maaskant Haun
ISBN: 9789083007601
Vertaling: Kees van Hage
Pag.: 318
Genre: Fictie
Verschenen: Deze vertaling 2019
Verschenen oorspronkelijk: 1931

dinsdag 8 oktober 2019

Tommy Orange - Er is geen daar daar

Recensie door Truusje
Uitgeverij J.M. Meulenhoff
In duistere tijden
zal er dan ook gezongen worden?
Dan zal er ook gezongen worden.
Over duistere tijden.
– Bertolt Brecht

Altijd weer die verentooi

Het gebeurt soms dat een boek me compleet van de sokken blaast. In dit geval viel de eer te beurt aan Er is geen daar daar. Al vrij in het begin greep het me bij de lurven en dat gevoel werd nog even versterkt in de laatste hoofdstukken.
De titel heeft iets troosteloos, iets ontluisterends, want in mijn beleving is er altijd een daar. Van een geromantiseerd 'indianenverhaal' is niets terug te vinden. Geen Kevin Costner in Dances with wolves, maar Native Americans in Oakland, California.
De auteur heeft de titel, - wat meteen ook het overkoepelende thema van het boek is - ontleend aan een citaat uit Gertrude Steins Autobiografie van Alice B. Toklas.

 '[...] ze beschrijft dat de plek in Oakland waar ze opgroeide zo veranderd was, dat er zo veel was gesloopt en nieuw gebouwd dat het ‘daar’ van haar kindertijd, het ‘daar daar’, er niet meer is, er was daar geen daar meer.'

Tommy Orange (1982), zelf ook geboren in Oakland, heeft Indiaanse roots van Cheyenne en Arapaho-stammen en dat is precies waar het hier om draait. Als opmaat wordt in de proloog de toon direct gezet met de volgende inleiding;

'Tot laat in de jaren zeventig zonden ze in Amerika op tv nadat alle programma’s waren afgelopen een indianenhoofd uit, het hoofd van een indiaan, een afbeelding, een tekening van het hoofd van een langharige indiaan met verentooi, ontworpen door een onbekende tekenaar in 1939: het testbeeld met het indianenhoofd. Liet je de tv aanstaan, dan hoorde je een piep op 440 hertz – de toonhoogte waarop instrumenten worden gestemd – en zag je die indiaan, omringd door cirkels die leken op een geweervizier. In het midden van het scherm was iets als een roos, met cijfers als coördinaten. Het indianenhoofd bevond zich vlak boven de roos, alsof je met slechts een opwaarts instemmend knikje het doel in het vizier kon krijgen. Het was maar een test. '

Twaalf personages voert hij op. Dat is een gedurfde, maar geen onoverkomelijke hoeveelheid. In aparte hoofdstukken worden de hoofdrolspelers één voor één ten tonele gebracht en naarmate het boek vordert grijpt alles steeds meer in elkaar.

Alle personages zijn Native American, mensen van Indiaanse afkomst, allen woonachtig in Oakland. 'Stedelijke indianen zijn de generatie die in de stad geboren is.' Allemaal torsen ze de littekens van rassenhaat, slachtpartijen, vervolging en minachting met zich mee, om uiteindelijk te eindigen als een totem, een veralgemeend beeld. Mede hierdoor en het gevoel minderwaardig te zijn, wordt het idee er nooit helemaal bij te horen van generatie op generatie doorgegeven. En dan zijn deze gebeurtenissen nog helemaal niet van zo lang geleden.

'En zo heb je ook de indiaan die huilt om een vervuild Amerika, in het reclamespotje (eveneens Iron Eyes Cody), de geesteszieke indiaan die met een wastafel gooit en Jack Nicholson redt, de verteller, de stem in de roman One Flew Over the Cuckoo’s Nest. En al die logo’s en mascottes. De kopie van een kopie van een afbeelding van een indiaan in een schoolboek. Van het uiterste noorden van Canada, het uiterste noorden van Alaska tot helemaal onder in Zuid-Amerika werden de indianen eerst verwijderd en vervolgens gereduceerd tot een gevederde afbeelding.'

Orange maakt gebruik van meerdere vertelperspectieven en wisselt regelmatig tussen ik-, jij- en hij-perspectief, afhankelijk van het personage dat wordt belicht. Deze wisselingen van perspectief maken het geheel spannend, omdat tevens de betrouwbaarheid van de personages wisselt.

Een klein gedeelte van de personages;
Tony Loneman draagt de gevolgen met zich mee van een aan alcohol verslaafde moeder. Op school wordt hij zich er op zijn zesde ineens van bewust, wanneer zijn vriendje hem vraagt waarom hij zo'n vreemd gezicht heeft. Zijn ogen hangen slap, zijn mond hangt steeds open en de proporties zijn nou niet wat we noemen standaard. Als eenentwintigjarige loopt hij geestelijk wat achter. Hij heeft foetaal alcohol-syn-droom, wordt hem door oma verteld.

'Het enige wat ik hoorde was ‘Droom’, en daar zat ik, voor de tv die uitstond, en staarde ernaar. Mijn gezicht breeduit op het scherm. De Droom. Ik probeerde van het gezicht dat ik daar zag weer mijn eigen gezicht te maken, maar dat lukte niet. [...] de Droom. Mijn kracht en mijn vloek. '

Met een 3D-geprint, plastic pistool weet zijn vriend Octavio indruk op hem te maken en worden er plannen gesmeed om het in te zetten bij een beroving om daarmee schulden in te kunnen lossen.

Dene Oxedene stelt zich ten doel om de klus van zijn overleden oom af te maken, door de verhalen van indianen in Oakland voor de camera te krijgen, zodat deze worden doorgegeven en hopelijk de native ook voor vol wordt aangezien.
Opal Viola Victoria Bear Shield en Jacquie Red Feather zijn zussen, maar beiden van een andere vader. Met hun moeder verhuizen ze naar Alcatraz, waar Harvey bij hen intrekt en Jacquie zwanger maakt, nadat hun moeder is overleden. De baby wordt ter adoptie afgestaan. De internetverslaafde Edwin Black, wordt alsmaar dikker, kampt met een voortdurende constipatie, is bijna 24/7 online en op Second life doet hij zichzelf beter, slanker en actiever voor dan hij in werkelijkheid is.


Stuk voor stuk zijn het geen optimistische verhalen. Elk huisje heeft zijn kruisje, maar de kruizen zijn zwaar om te dragen; drugs, drank, criminaliteit, mishandeling, psychische problematieken en in acht maanden tijd zijn er zeventien zelfmoorden te betreuren. En dat alles door een voortdurende strijd met het zoeken naar een eigen identiteit.

In het midden van het boek komt Orange met een Intermezzo, een rustpunt waarin hij het feest Powwow verklaart en uitleg geeft over het ontstaan van hun achternamen. Na dit informatieve stukje komt Orange goed op stoom en zet de eerder geïntroduceerde personages snel achter elkaar in, verweeft hun verhalen met elkaar door in steeds kortere hoofdstukken naar het einde toe te werken. Dit laat hij mooi gelijk opgaan met de spanning die de natives voelen in aanloop op het feest waar ze naar uitkijken.

De jaarlijkse Big Oakland Powwow is het evenement waar alle natives naar uitkijken en naartoe werken. Dat is ook de plek waar de twaalf personages onafhankelijk van elkaar samen zullen komen en hun verhalen zich met elkaar versmelten in een verpletterende apotheose.


Dit caleidoscopische verhaal is rauw, schokkend, maar glashelder. De auteur geeft de lezer geen afgerond einde en laat je er nog even een poosje op kauwen. Dit past echter geheel in het verhaal van de Native American, want ook hún verhaal is nog lang niet afgerond.

De originele opzet van de verhaallijnen lijkt misschien complex, maar dit is literatuur, een debuut dat staat als een huis.

Titel: Er is geen daar daar
Auteur: Tommy Orange
Vertaling: Jetty Huisman
Pagina's: 320
ISBN: 9789029091619
Uitgeverij J.M. Meulenhoff
Verschenen: februari 2019

maandag 7 oktober 2019

Joanna Cannon – Drie dingen over Elsie

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Orlando


Warm portret over Florence die haar verleden woorden geeft


De titel verwijst naar Elsie alsof zij een van de hoofdpersonages zou zijn, maar zo simpel ligt het niet. Florence is degene die terugdenkt aan het verleden terwijl ze – wachtend op hulp na een val – haar gedachten toevertrouwt aan de lezer. Daarbij speelt Elsie, haar vriendin, een sleutelrol. Florence is 84 en woont in een bejaardentehuis, beetje ouderwetse term, we noemen het tegenwoordig een verzorgingstehuis. Ze heeft haar eigen appartementje in Cherry Tree en krijgt de verzorging die ze nodig heeft. Het huis is niet enorm groot, het gaat er georganiseerd aan toe, soms een beetje streng.

Behalve Flo is er Elsie, een jeugdvriendin. Het is lastig om zonder spoilers iets vertellen over die twee, maar duidelijk is dat Elsie erg belangrijk is voor Flo. Hun verleden kent een grote tragedie, waarbij zij tweeën, enkele andere familieleden en een onbetrouwbare vrijer betrokken waren.

Deze herinneringen komen in alle hevigheid boven wanneer Flo een nieuwe bewoner herkent als de man uit de tragedie. De lichaamskenmerken komen wel heel toevallig overeen, hoewel de man in kwestie verdronken zou zijn.

Tja, dan komt de geestesgesteldheid van Flo om de hoek kijken. Het is niet altijd meer zo duidelijk wat er precies gebeurd is tijdens die avond. Herinneringen komen in flarden, in de vorm van een gebaar, een kleur, een kledingstuk…. Aan Elsie heeft ze steun, via haar komen herinneringen gedeeltelijk terug.

Door vreemde voorvallen waardoor er getwijfeld wordt aan Flo’s verstandelijke vermogens wordt haar toekomst bedreigd. Juffrouw Ambrose was gevraagd eens te komen kijken omdat er zomaar iets veranderd was in Flo’s kamer. In eerste instantie wordt gezegd, gedacht dat Flo zelf iets gedaan had en het niet meer wist. Wanneer het zo doorgaat met deze bizarre gebeurtenissen zal Flo overplaatst worden naar Greenbank een voorziening waar meer zorg verleend kan worden. Ze krijgt een proeftijd om te bewijzen dat ze prima functioneert in dit huis.

Het schimmige verleden loopt als een rode draad door het verhaal. Op een mooie, respectvolle manier lukt het de auteur een kwetsbaar personage te scheppen. Een vrouw die vele laatjes in haar geheugen heeft, maar niet altijd weet welke la voor welke gelegenheid open te trekken. Door haar werk als psychiater beschikt de schrijfster over inlevingsvermogen en kennis om dit boek te schrijven.

Behalve Flo, Elsie en de nieuwe bewoner zijn er andere personages, die niet alleen dienen als decor. Zo is er, de al genoemde, juffrouw Ambrose, een minimaal dertig jaar oude verzorgster

‘Elsie en ik hebben wel eens een discussie gevoerd over hoe oud juffrouw Ambrose zou kunnen zijn. Elsie gokte op eind dertig, maar volgens mij was dat schip al jaren geleden gepasseerd. Ze zag eruit als iemand met chronisch slaapgebrek die dat verdoezelde met een extra laag lippenstift en een flinke dosis enthousiasme, in de hoop dat het niemand zou opvallen. Ik keek maar weer eens naar de radiator, omdat juffrouw Ambrose de eigenaardigheid had om dingen in je ogen te zien die niemand anders ooit zou opmerken.’

De interactie tussen verzorging en bewoners wordt subtiel weergegeven. De dunne lijn tussen waarheid en waan blijft het hele boek een rol spelen en de plot wordt langzaam opgebouwd. Nu vind ik dat mysterie wel interessant, maar veel meer boeit me de gedachtegang van Flo. Haar twijfels, haar zorgen, haar verdriet en haar vriendschap met Elsie vormen samen de essentie van het boek, het raadsel geeft het verhaal de spanning mee waardoor het proces waar Flo doorheen gaat verteld kan worden.

Overpeinzingen zorgen voor een moment van reflectie bij de personages en laten de lezer meemijmeren. Het is tijdens een uitstapje op weg naar een plek uit het verleden en het gaat erom wie, net als vroeger, het eerst de zee zou zien

‘Hij ziet er nog exact hetzelfde uit,’ constateerde ik tevreden. ‘Er is niets veranderd sinds we kinderen waren’ Elsie ging iets rechterop zitten en keek naar de horizon. Juffrouw Ambrose ving haar woorden op en boog zich over ons heen om uit het raam te kijken. ‘En het zal nog steeds hetzelfde zijn, lang nadat we vertrokken zijn. Wij zijn slechts passanten, nietwaar?’ ’Gelooft u dat echt?’ vroeg ik. ‘Denkt u dat niemand van ons enig verschil maakt?' Ze wees naar de wandelaars, nu nog enkele rode en gele speldenprikken in de verte. ‘Dat zouden we wel graag willen, maar de meesten van ons laten niet eens een voetafdruk na.’ Ik wendde me af van het raam en sloot mijn ogen. Even later hoorde ik de stem van Elsie. ‘Ze heeft ongelijk hoor,’ fluisterde ze.

Het is beslist geen triest boek, er zit voldoende humor in om het verhaal wat lucht te geven. Ook de dialogen en de betuttelende toon die de verzorging zich soms aanmeet dragen bij aan de toegankelijkheid en herkenbaarheid van het boek. En die drie dingen uit de titel komen stuk voor stuk aan de orde, voor het derde ding is wat geduld nodig.

Foto: © PhilippaGedge.com
Auteur

Psychiater Joanna Cannon debuteerde met de roman Het probleem met bokken en schapen, die zij schreef tijdens haar lunchpauzes in de auto op het parkeerterrein van de instelling waar ze werkte. De roman werd een internationale bestseller: hij verscheen in meer dan vijftien landen in vertaling.

Titel: Drie dingen over Elsie
Auteur: Joanna Cannon
Vertaling: Elvira Veenings
Pagina's: 352
ISBN: 9789492086907
Uitgeverij Orlando
Verschenen: januari 2018

vrijdag 4 oktober 2019

Claudia Biegel - Bijna vernietigd. Drie generaties Jappenkamp

Recensie door Truusje
LM Publishers

'Dit verhaal is geboren uit verraad.
Het is gebaseerd op een dagboek
dat zij - mijn moeder - had willen vernietigen.'
- Claudia Biegel

Je kunt makkelijker een mens uit de oorlog halen, 
dan de oorlog uit een mens

De impact die het doormaken van een oorlog op een mens heeft, wordt veelal doorgegeven aan de volgende generatie en stopt niet wanneer deze persoon is overleden. Het sijpelt nog een aantal generaties na en zelfs de nazaten die deze oorlog niet aan den lijve hebben meegemaakt, kunnen de gevolgen van een dergelijke traumatische periode nog regelmatig voelen.

Biegel heeft dit verhaal gereconstrueerd aan de hand van het dagboek van haar moeder, wiens wens het was dat het dagboek vernietigd zou worden. Maar haar echtgenoot heeft het gered uit een vuilniszak en het kwam de auteur na het overlijden van haar moeder onder ogen.
Het betreft een  getuigenis van de drie-en-een-half jaar tijdens haar pubertijd die zij - Elleke Rosendaal - met haar moeder - Anneke - in het Tjideng-kamp, een Japans interneringskamp, hebben doorgebracht. Tjindeng, net als Kramat een wijk in Batavia (tegenwoordig Jakarta) die destijds alleen werd bewoond door Indischen, wordt door de Japanners ontruimd. In beginsel worden hele blanda-gezinnen gesommeerd om zich naar het kamp te begeven en worden achter de gesloten poort gezet. De volwassen mannen waren eerder al opgepakt en geplaatst in het manneninterneringskamp in Bandung. De jongere jongens bleven voorlopig bij hun moeders en zusjes. Eufemistisch noemden de Japanners het 'beschermde buurten' die omheind waren met bamboe, het gedek genaamd.

'Het is tijdelijk, zeiden de mensen tegen elkaar. Misschien is het beter zo. Nu zijn we tenminste beschermd tegen al die dieven van tegenwoordig.'

In Tjindeng had Nippon het voor het zeggen en Kapitein Kenichi Sonei zwaaide er het laatste oorlogsjaar de scepter met gewelddadige en sadistische hand.

'Dat ze sterk moesten zijn, zei haar moeder. Dat ze deze moeilijke tijd alleen doorkwamen als iedereen sterk bleef. Later, toen ze in het kamp zaten, zou diezelfde moeder Elleke verwijten dat ze geen traan had gelaten toen haar vader werd opgepakt. Tegen die tijd was moeder allang vergeten dat zij er zelf op had aangedrongen om sterk te zijn. Tegen die tijd was moeder veel vergeten. Niet in de laatste plaats degene die ze was geweest voor ze het kamp inging.'


Het leven in het kamp valt in eerste instantie nog mee en op de woensdagen mogen ze het kamp even verlaten, zodat Elleke naar Kramat kan gaan om haar vriend Jaap op te zoeken. Maar de omstandigheden worden nijpender, grimmiger. Steeds verplicht verhuizen in het kleiner wordende kamp, steeds minder ruimte en privacy, steeds meer bewoners in één ruimte. Onverwachte huiszoekingen maken de bewoners onzeker en angstig. Ongedierte doet massaal zijn intrede en er breken ziektes uit als geelzucht, beriberi, dysenterie en andere tropenziektes, als gevolg van de verzwakte gezondheid, waardoor er vele doden vallen. Mensen zonder eigen geld worden gesommeerd het kamp verlaten. Waarheen weet niemand op dat moment.
De vrouwen moeten fysiek hard werken. Het zelf koken is later niet meer mogelijk en de rantsoenen voedsel die ze krijgen worden steeds kariger. Bij wijze van straf worden sommigen kaalgeschoren, dagen opgesloten in een benauwd hok met golfplaten dak en het dagelijkse appèl onder de brandende zon gaat gepaard met scheldkanonnades en wreedheden van Sonei. Voor Elleke zijn de uren van het appèl bijna niet te doen, omdat ze vanwege haar klompvoeten lange tijd wankelend op haar tenen staat en steun moet zoeken aan de arm van haar moeder.

Heimelijk begint Elleke een dagboek bij te houden, waarin pijnlijk duidelijk wordt wat de impact van zoveel ellende teweeg kan brengen bij een eerder opgewekte, tierige tiener. Dit heeft ze niet vast kunnen houden, waardoor bitterheid en sarcasme hun intrede doen. Anneke begint uit pure frustratie en onmacht haar woede te botvieren op haar dochter en geslagen worden lijkt strijk en zet te worden. Als volwassene in vredestijd draagt Elleke nog altijd het verleden met zich mee.

'Bij iedereen kwamen er karaktertrekken naar boven die voor de oorlog veilig zaten weggeborgen in een of andere uithoek van de geest. Dat was wat de oorlog deed met mensen: het slechtste naar boven halen.'

Claudia Biegel - de dochter van Elleke - heeft het verhaal een tweede laag meegegeven, door in korte fragmenten te beschrijven hoe de kampervaringen van haar moeder, haar eigen jeugd omlijsten. In huis draait alles om het niet boos maken van haar moeder. Out of the blue kan Elleke ontsteken in een niets ontziende woede, waarbij ze haar oorlogservaringen in de strijd werpt. Veel stressmomenten, de oorlog hang immer in de lucht, afgewisseld met euforische momenten, omdat Elleke een vast voornemen had om van elke minuut na de oorlog een feestje te willen maken. Haar dochter, die de oorlog alleen van horen zeggen heeft, raakt erin getraind om haar succesvol te kalmeren. Op deze manier is ook zij een slachtoffer van de oorlogservaringen van haar moeder.

'De posttraumatische oorlogsstress had zich diep genesteld in haar ziel en nam steeds meer bezit van haar persoonlijkheid. [...] Posttraumatische oorlogsstress is hardnekkig en wordt doorgegeven aan kinderen en kleinkinderen. De optimistische kant van het verhaal is dat de intensiteit van de stress met elke volgende generatie afneemt. Langzaam maar zeker verstompen de scherpste kantjes.'

Het valt te bewonderen dat Ellekes echtgenoot tegen de uitdrukkelijke wens van zijn vrouw is in gegaan en het dagboek van de vernietigingsdood heeft gered. Daarnaast tevens dat Biegel de moed heeft gehad om haar moeders ervaringen te reconstrueren en haar eigen verhaal erin heeft verweven. De auteur heeft een mooi verhaal neergezet. De feiten die ze uit het dagboek heeft gehaald uitstekend weergegeven. Die feiten zijn bikkelhard, maar nergens worden de sentimenten overdreven, zodat het resultaat een realistisch beeld geeft van hoe Elleke de oorlog heeft ervaren en hoe ze heeft moeten leven met haar herinneringen.

Auteur aan het woord


Een leven lang schrijven

Zolang als ik me kan herinneren, ben ik al aan het schrijven.

Of het nu is achter de oude typemachine van mijn vader, waar ik niet mocht aankomen, of in schriftjes, bloknoten en papierfrutsels. Als zes jarige schreef ik het korte verhaal De Gierigaard en sindsdien ben ik niet meer gestopt.

Als oudste dochter van Indische ouders, ben ik niet alleen opgevoed met nassi goreng maar vooral ook met verhalen. Mijn vader vertelde iedere avond voor het slapen gaan over reus Kaalkop, draak Peichoen en bediende Falstaf. Bij het ontbijt volgden verhalen over kabouter Puntmuts en zijn stoute vriendje Sjabesje. Door alle spanning en humor heen, klonk altijd ook de stem van heimwee naar het geboorteland en van pijn over de uitgewiste jeugd. Gevoelens die, ongewild, werden doorgegeven aan de volgende generatie en misschien wel de bron vormen van mijn schrijverschap.

Op de lagere school begon ik met schrijven van korte verhalen en las die vervolgens voor aan mijn zusje en kinderen in de buurt. Vanaf die tijd loopt schrijven als een rode draad door mijn leven. Een continu leerproces want schrijven leer je door te schrijven en het kan altijd beter. Na een aantal cursussen aan de Schrijversvakschool om het roman genre beter in de vingers te krijgen, begon ik aan de roman Foute Sarah’s. Dit boek is in 2011 verschenen bij uitgeverij Mistral. Kort daarop is Foute Sarah’s omgewerkt tot muzikaal theaterstuk en opgevoerd in theaters verspreid door Nederland. Begin 2015 verscheen mijn tweede roman, Rusteloze Benen, bij uitgever Aerialmedia. In oktober 2015 is de verhalenbundel Verbrande levens, verschenen bij uitgeverij LetterRijn. In juni 2019 verscheen bij LM Publishers Bijna Vernietigd – drie generaties jappenkamp.

Naast mijn schrijfwerkzaamheden werk ik in het hbo onderwijs als communicatie adviseur. Tot slot, last but zeker niet least, heb ik twee kanjers van kinderen die op eigen benen het leven trotseren en een partner met wie ik al vele jaren samenwoon in de meest inspirerende stad van Nederland: Amsterdam.

Titel: Bijna vernietigd. Drie generaties jappenkamp
Auteur: Claudia Biegel
Pagina's: 192
ISBN: 9789460225109
LM Publishers
Verschenen: juni 2019

donderdag 3 oktober 2019

Clare Hunter - Levensdraden, een wereldgeschiedenis door het oog van de naald

Recensie door Roosje
Uitgeverij Balans



Een paardentand en een vrouwenhand willen geen stilstand

Zelfs als je als vrouw van adel was, van hoge adel, als de koningin van een land, moest je bezig zijn. Ledigheid is des duivels oorkussen; een paardentand en een vrouwenhand willen geen stilstand - dat laatste moest ik even opzoeken in Van Dale, want ik herinnerde het me het gezegde anders -. Die vrouwenhand was bezig met borduren, met naaien, met textiel. Dat was zo’n beetje mijn eerste gedachte. Hunter heeft me in no time op andere gedachten gebracht. Het is niet alleen dat vrouwen altijd bezig móesten zijn, door dat werk met textiel, naald, en draad konden zij wel degelijk invloed uitoefenen en hun leven vorm geven.

Ik aarzelde even voor ik me opgaf bij de uitgever om dit non-fictieboek te lezen en te bespreken. Tja, een boek over borduren en textiele werkvormen, is dat wat, kun je daar een interessant boek over schrijven? En, tja, zelf borduur ik niet; ik brei en haak en verstel wel - verstellen is een uitstervende bezigheid merk ik -; ja, dat wel. Ik weet wel een beetje wat het is om met je handen en textiel bezig te zijn. Borduren deed ik vroeger wel een klein beetje: mijn spijkerjasjes en indiakatoenen bloesjes. Ik had het op school geleerd maar de handwerkjuf had niet zo’n hoge pet op van mij naald- en draadvaardigheden. Ik kan haar nu verklappen dat zij daar toch ongelijk in heeft gekregen. Ik denk dat ze mij gewoon niet mocht, mijn ogen stonden verkeerd of zo, mijn haren waren te onstuimig, misschien deed ik haar denken aan iemand die zij niet aardig vond. Nou ja, dit soort dingen komen mij nog altijd in gedachten als ik denk aan handwerken. En borduren voelt voor mij dichterbij de verplichte steken, reeksen en figuren, de vaste patronen, de merklappen en dus het schoolse, het ‘zo hoort het’ dan het vrije haken en breien dat ik doe.
Ja, zulke overwegingen gaan me door mijn hoofd wanneer me een boek onder ogen komt.  Wat een mens al niet denkt op een dag.... Ik heb de gok gewaagd, Clare Hunters Levensdraden werd mij toegestuurd.

‘Je neemt een draad, maakt een knoop in het ene eind en steekt het andere door het oog van een naald. Je neemt een stuk stof en duwt de naald er aan de ene kant in en trekt hem door de andere kant weer omhoog, tot een knoop hebt, of een boogje, of een waaier van steken. Meer is het niet: draad, naald, stof en de patronen die de draad vormt. Dat is naaien.’ (2019: 7)

Hunter neemt me eerst mee naar het tapijt van Bayeux, dat geen geweven tapijt is maar een meters lang geborduurd wandtapijt, dat de Slag van Hastings in 1066 verhaalt. Voor Engelsen en Fransen is dat een grotere historische gebeurtenis dan voor ons Nederlanders. Een enkeling herinnert zich van de geschiedenisles dat in 1066 Willem de Veroveraar het Kanaal overstak en Engeland veroverde voor de Franse troon. Hunters ervaring met dit beroemde tapijt is fantastisch, aanstekelijk. Ik ben terstond gewonnen voor de naaldkunst en haar enorme historische impact. Terstond herken en erken ik dat we via de naaldkunst de geschiedenis ook als vrouwengeschiedenis kunnen zien.

De hoofdstukken in dit boek vormen geen doorlopende geschiedenis, geen vervolgverhaal, maar kunnen afzonderlijk gelezen worden. Op deze wijze verkent Hunter zeer uiteenlopende zaken die met vrouwen en hun naaldkunst samenhangen. Lees zelf, is mijn advies, alweer.

Het stuk over Maria van Schotland, Maria Stuart  - de eerste; de tweede was met ‘onze’ stadhouder Willem II gehuwd - geeft een kijkje in de keuken van de vrouwelijke politieke macht die door de naald en het borduurwerk kon worden uitgeoefend, subtiel maar zeer overtuigend. Maria Stuart kon op deze wijze een grote trots voelen en eveneens politieke macht blijven uitoefenen. Vrouwengeschiedenis pur sang!

Maar naald en draad verbeelden niet alleen vrouwengeschiedenis. Toen textiele werkvormen, in welke gedaante dan ook, maatschappelijk aanzien kregen, gingen ook mannen zich met het stiel bemoeien: wevers, borduurders, kleermakers.

Hunter heeft echt een prachtig boek geschreven over het sociale, emotionele en politieke belang van naaien, van textiel, van naald en draad (bijv. ib.: 253).
Haar mannelijke collega’s zien niet alleen hier geen brood in maar laten zich soms ook laatdunkend over haar onderwerp en onderzoek uit. Maar wanneer zij vertelt over haar onderzoek naar patchwork quilt en de verbinding die dat bewerkstelligt, zijn ook mannen onder de indruk.

Het begon allemaal met de uitvinding van touw, schrijft Hunter. De kunst om plantenvezels tot een draad te draaien maakte het makkelijker om bijvoorbeeld vis te vangen, grotere dieren gevangen te zetten en te domesticeren, baby’s op hun moeders rug te binden, zodat de vrouwen verder konden met hun werk.
Uit touw ontstond garen en uit garen kon dan weer stof geweven worden. Touw is al gevonden op een beeldje dat stamt uit 20.000 v.Chr.!
Ook borduren is een oud ambacht, zoals blijkt uit de vondst van versteende overblijfselen van kleren uit een periode van 30.000 v.Chr.

Denk aan eens de draad van Ariadne, waarzonder Theseus nooit uit het Minotaurische doolhof had kunnen ontsnappen, of aan de levensdraad die de Moirai, de oude Griekse Schikgodinnen, aan het spinnen waren. Als de draad op was, was het gedaan met je leven op aarde, dan kon je je obool gaan betalen aan veerman Charon en het dodenrijk betreden.

‘Je knipt je draad af, legt een knoop in het ene eind en haalt het andere eind door het oog van de naald. Je neemt een stuk stof en denkt na over wat je wilt gaan maken, wat je wilt zeggen, voor wie het zal zijn en wat anderen eruit kunnen opmaken.’ (ib.: 362)

Beslist niet alleen een uiterst interessant boek voor vrouwen, ook voor mannen. Deels omdat de geschiedenis ons allen toebehoort, deels omdat hiermee de rol, de positie, de machtsmiddelen, de uitdrukkingsvaardigheden van vrouwen
nu eens benadrukt worden.

Titel: Levensdraden, een wereldgeschiedenis door het oog van de naald
Oorspronkelijke titel: Threads of life, a History of the World Through the Eye of a Needle
Auteur: Clare Hunter
Vertaling: Willemien Werkman
Pagina's: 376
ISBN: 9789463820028
Uitgeverij Balans
Verschenen: augustus 2019

maandag 30 september 2019

Laura Broekhuysen - Winter-IJsland. Mijn eerste jaar in een verlaten fjord.

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Querido


Buigen of barsten in oogverblindend proza

IJsland, een land en eiland dat steeds tot de verbeelding blijft spreken en hierin ben ik zeker niet de enige. Als dit land je eenmaal in zijn greep heeft, is het niet gemakkelijk om je eraan te ontworstelen. Er een vakantie doorbrengen is een volledig eigen keuze en de liefhebber is elke dag druk doende met het zoeken naar en bewonderen van de vele fascinerende dingen die deze wonderschone natuur in petto heeft. De ervaringen die men opdoet tijdens vakanties zijn echter wel een hemelsbreed verschil met de ervaring die het wonen met zich meebrengt. In dit boek - met de ondertitel 'Mijn eerste jaar in een verlaten fjord' - laat de auteur de lezer beleven hoe het voelt om je aan te passen aan de cultuur en mores van de IJslanders, de strenge, donkere winter met een allesoverheersende koude en een diep verlangen naar het voorjaar met zijn licht en zon.

Tijdens haar studietijd ontmoet Broekhuysen haar IJslandse man, ze krijgen een dochter en besluiten naar zijn geboortegrond terug te gaan.
Dat de emigratie toch ook zijn rafelrandjes heeft - als de eerste euforie getemperd is - wordt pijnlijk duidelijk in haar oprechte verhalen, waarin ook soms haar eigen ongeloof doorklinkt. Het gras lijkt elders altijd groener, maar tijdens de lange winter is er van dat gras niet veel te ontdekken.

Het is in de herfsttijd dat ze met hun dan bijna tweejarige dochter Esther vertrekken ze naar een houten huis aan het zwarte strand van Hvalfjörður. Het huis hebben ze tevoren niet gezien. Het is een verwarrende gewaarwording voor haar om het huis binnen te stappen. Nu is het écht, de emigratie een voldongen feit met de rauwe winter in aantocht en ze kunnen niet anders dan zich aanpassen aan de elementen, die hun wereldje steeds kleiner lijken te maken.

'Helling opwaarts, dicht bij de weg, staat onze brievenbus. Als de postbode is geweest, steekt hij naast de bus een ijzeren vlaggetje omhoog, dat lam is en op half zeven wordt gezwiept. We zien het alleen door onze verrekijker. Het is een klim, we wandelen erheen op windstille dagen. We binden ijzeren tanden met rubberbandjes onder onze laarzen voor grip. We smeren paardenzalf op onze lippen. We geven elkaar een hand en glibberen over bobbelig ijs, ingeklonken, verregende en opnieuw bevroren sneeuw. Het is een spannende tocht. Soms ligt er een pakje in de bus, soms niet. De postbode is onze Sinterklaas.'

IJslanders lijken soms wat afstandelijk en verlegen te zijn. Dat ondervindt ze ook bij haar schoonouders. Zelfs na meerdere bezoeken lukt het haar niet om meer vertrouwelijke gesprekken met hen te voeren. 'Elke ontmoeting is een herhaling van de eerste'. [...] 'Als draagmoeder van het nageslacht ben ik in waarde gestegen, toch wordt het nooit persoonlijk.'  Wanneer ze haar man vraagt hoe ze bepaalde dingen in het IJslands zegt is zijn antwoord steevast dat niemand dat hier ooit zegt.

'De zon. Een half oog dat na maanden boven de bergrand sluipt, laat het stof op de ruiten schitteren. We vinden onszelf terug als reptielen, doodstil verspreid over de vensterbanken op het zuiden. Onze oren gloeien. We bewegen alleen onze oogbollen. Ook de paarden staan versteend in de wei om hun bloed op te warmen. De vachten dampen. We zien het oranje van een scholeksterbekken. Het helle blauw van lucht. De kleuren zijn terug.'

De vroegwijze Esther, die drietalig wordt opgevoed,  weet niet beter dan dat het leven bestaat uit koude, sneeuw, zonder zon en wanneer die eindelijk in het voorjaar boven de einder en de bergen verschijnt, vindt ze het maar een raar fenomeen. Het boezemt haar zelfs wat angst in.
Broekhuysen beschrijft dat het voorjaar hen weer meer ruimte geeft, omdat de deuren en ramen weer opengaan. De frisse lucht en het hernieuwde licht maken echter duidelijk dat een voorjaarsschoonmaak onontbeerlijk is. De winter heeft nadrukkelijk zijn stof  in huis achtergelaten en vieze vingers hun afdrukken op ruiten en spiegels.

'We bakken zonnepannenkoeken, volgens Ama's recept. Flensen waar je doorheen kunt kijken, die nauwelijks schaduwen werpen, even zacht en doorzichtig als de roze oorschelpen van een tweejarige. We zitten aan de keukentafel naar elkaar te grijnzen, onze tanden blinken. Het fjord wordt met gesnater gevuld. De baai fonkelt. Ons kind zingt 'Maar het meel is zo duur, maar het meel is zo duur'. Ze rent, met in elke hand een opgerolde pannenkoek, achter haar schaduw aan, voor hem uit. Haar nieuwe vriendje dat haar op de hielen volgt.'

Met een flinke dosis zelfreflectie geeft ze haar bewuste en onbewuste gedachtestroom weer door middel van prachtige zinnen en fijnmazig proza.
Broekhuysen schrijft niet alleen in letters en woorden, ze weet ook in beelden te schrijven en haar zinnen zo op je netvlies te laten transformeren, dat je precies voor je ziet wat ze duidelijk wil maken. Tussen de zinnen door gloort er soms ook een beetje wanhoop en onzekerheid over wat de toekomst hen zal brengen, dat het noodzakelijk is om je te voegen naar de elementen. Het is buigen of barsten.

Niet alleen het zintuig 'zien' spreekt ze aan. Ook het horen van de stilte dat weldadig aanvoelt, maar in de donkere winterperiode ook een gevoel van isolement kan oproepen. Wanneer ze een beroep op je zintuig 'voelen' doet en de elementen van de winter benoemt, is het een hele kunst om de koude rillingen niet over je rug te voelen griebelen. De rit naar het ziekenhuis, wanneer de weeën zich aandienen, beschrijft ze deels met nuchterheid, deels met gedachten in het hoofd die aanstaande moeders maar al te goed herkennen. Een nieuwe spruit komt ter wereld. Ondanks de beschrijvingen van de moeilijke perioden, die gepaard gaan met toch wel wat vertwijfeling, is het geen zwaar boek. Absoluut een heel zintuiglijk, oprecht en invoelbaar werk.

Dit boek heb ik - na het gelezen te hebben - ook nog eens geluisterd, op IJsland tijdens een paar uur in de ijzige wind om het Noorderlicht te spotten. Toepasselijker kan natuurlijk niet.

Auteur

Tijdens de laatste jaren van het vwo schreef Laura Broekhuysen (1983) het jeugdboek Zand erover, dat in 2002 bij Lemniscaat verscheen en bekroond werd met een eervolle vermelding van de Zoenjury.

In datzelfde jaar startte zij haar vioolstudie aan het Conservatorium van Amsterdam, waar zij tot 2008 studeerde bij violist Ilya Grubert. Parallel hieraan volgde Laura gedurende anderhalf jaar de studie Writing for performance aan de theaterfaculteit in Utrecht.

Tijdens het conservatorium werkte zij aan de roman Twee linkerlaarzen, haar debuut voor volwassenen, dat Querido publiceerde in dezelfde week dat Laura afstudeerde als violist. Twee linkerlaarzen werd genomineerd voor de Selexyz debuutprijs en voor de tweejaarlijkse Vrouw & Kultuur DebuutPrijs.
In 2011 volgde Hellend vlak, een roman gesitueerd in de IJslandse Westfjorden.

Tijdens haar studie ontmoette Laura de IJslandse componist Einar Torfi Einarsson. Zij trouwden in Engeland, waar ook hun dochter werd geboren. In 2014 emigreerde het gezin naar IJsland. Vanuit hun nieuwe woonplek schreef Laura, in verwachting van hun zoon, voor literair tijdschrift De Revisor een reeks stukken die werd gebundeld in het boek Winter-IJsland, mijn eerste jaar in een verlaten fjord (Querido, 2016). Het werd genomineerd voor zowel de Bob den Uyl Prijs 2017 als voor de Confituur Boekhandelsprijs en stond op de longlist van de Fintro Literatuurprijs.

Naast het schrijven van een theatertekst in opdracht van LOD Muziektheater (Gent), werkt Laura Broekhuysen aan een gedichtenbundel, waarvoor zij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds.


Titel: Winter-IJsland. Mijn eerste jaar in een verlaten fjord
Auteur: Laura Broekhuysen
Pagina's: 136
ISBN: 9789021402178
Uitgeverij Querido
Verschenen: april 2016