vrijdag 17 augustus 2018

Margaret Atwood - Het verhaal van de dienstmaagd


Recensie door Roosje
Uitgeverij Prometheus


Feministisch vrouwonvriendelijke dystopie

Dienstmaagd Vanfred probeert haar levensgeschiedenis te memoreren. We schrijven ongeveer late jaren tachtig, 20e eeuw. Ze woont in Gilead, voorheen de Amerikaanse staat Maine, in een samenleving waarin vrouwen totaal ondergeschikt zijn aan de mannen. Mannen zijn de baas, mannen hebben de machtsposities, vrouwen zijn Echtgenotes, Dienstmaagden, Martha’s of leraressen; onaangepaste vrouwen verdwijnen naar de goelags in de Koloniën of verrichten hoerenwerk in club / bordeel Izebel. De bijbel, het Oude Testament, is het morele fundament en een soort orthodox protestantisme is de staatsgodsdienst; andere geloven zijn strikt verboden; religieuze dissidenten en politieke tegenstanders, vaak onder het mom van godsdienstige afvalligen, worden gemarteld, veroordeeld tot de strop en openbaar tentoongesteld.

De Dienstmaagden zijn broedmachines, baarmoeders, bevallingsmachines voor de Echtgenotes van de Bevelvoerders en andere machtige mannen. Milieuvervuiling, kernrampen en ziektes als aids en ‘R-syfilis’ hebben ervoor gezorgd dat de meeste mannen onvruchtbaar zijn en dat 25% van de baby’s mismaakt is of doodgeboren wordt. Baby’s zijn een schaars goed. Abortus is vanzelfsprekend een doodzonde en wordt bestraft met de dood van de Dienstmaagd en de aborteur. Ondanks alle strenge regels en restricties is er een ondergronds netwerk van opstandigen, die pogen de grens over te steken en de vrije wereld te bereiken.

Het lijkt erop dat de Dienstmaagd Vanfred, naar wier oude naam we moeten gissen, gehersenspoeld is en/of drugs krijgt toegediend, want ze herinnert zich niet altijd goed wat er gebeurd is en hoe haar vroegere leven met Luke en hun dochter eruit heeft gezien. Ze spreekt regelmatig van een ‘reconstructie’. Haar naam was misschien May, zoals haar vriendin Moira, lesbo en hoer, suggereert: ... zoals in Mayday, jouw naam (mijn woorden, rdv). Of misschien is haar naam Grace, wanneer ze zingt: Amazing, Grace... Per slot heeft Atwood ook een boek genaamd Alias Grace (1996) geschreven.

Hoewel de gebruikte taal niet erg ingewikkeld is, is de structuur dat wel. Aanvankelijk lijkt het erop dat je in het lopende verhaal leest, het verhaalde ‘nu’, noem ik dat maar, terwijl er flash backs zijn naar het verleden; dat zijn verhalen over haar feministische moeder en jeugd, haar feministische en lesbische vriendin Moira, over haar vriend en man Luke en hun dochter, die natuurlijk ook naamloos blijft, en over haar opleiding, samen met Moira, tot Dienstmaagd, die in rood gekleed gaan, de kleur van hoeren en overspelige vrouwen. De Echtgenotes gaan gekleed in blauw, de kleur van de moeder-maagd Maria, die natuurlijk in Gilead niet meer bestaat, want een rooms-katholieke uitvinding (dat verzin ik erbij, dat staat niet in het boek, maar dat lijkt wel een logische gevolgtrekking, rdv).
Maar je krijgt wel een paar aanwijzingen in de tekst dat wat zij hier memoreert ook achteraf is; de term die Vanfred gebruikt ‘reconstructie’ suggereert dat ook. Dus dan zou ook het lopende verhaal één grote achteraf-vertelling zijn. Het open einde wijst ook in die richting. Het ik-perspectief duidt vaak op een ‘onbetrouwbare verteller’, dat is een literair-technische term die niet per se aangeeft dat de verteller een leugenaar is - dat denken veel mensen - maar dat de verteller wellicht niet helemaal de waarheid vertelt en de werkelijkheid juist weergeeft. Je moet als lezer altijd op je hoede zijn voor de ik-verteller, terwijl je eerste neiging is die op zijn woord te geloven; dat is een vorm van empathie, denk ik.

Ik was van plan direct met de deur in huis te vallen en te zeggen dat ik deze dystopie van Atwood een beetje vind tegenvallen, dat ik er meer van verwacht had. Maar dat is ook wel erg demotiverend, meteen aan het begin van een bespreking.
Nu dan, welaan, ik had iets meer verwacht van deze dystopische roman van Atwood. Ik zal het niet snel zeggen, maar ik vond het verhaal een beetje saai. Tweederde van het boek is een soort van inleiding en uitleg van hoe de zaken ervoor staan in Gilead. Eenderde is wat spannender, want dan gebeuren er dingen en denk je als lezer: oei, zal dat wel goed aflopen?

Ook vind ik de roman een haast gedateerde indruk maken, dat is ook iets dat ik zelden vind. Ik lees er stante pede het jaren-tachtig-feminisme in. Het is echt een soort van-dik-hout-zaagt-men-planken-feminisme: totale uitbuiting en onderwerping van vrouwen en totale overheersing van de mannen. Toegegeven, Atwood komt met heel kleine nuances, maar zo weinig dat het mij niet overtuigt; en misschien is ook deze nuance bedoeld om de overheersing van mannen extra te benadrukken. Ik spreek in raadsels, dat begrijp ik. Het gaat om de omgang van de Bevelvoerder met Vanfred. Lees zelf maar. Ik acht dat een spoiler. En dat alles terwijl ik mezelf afficheer als feminist. Dat van dik-hout-feminisme stond me echt tegen. Nuances maken de kwestie echt veel interessanter. Ik snap wel dat je in een dystopisch verhaal de zaken moet oprekken tot het uiterste.

Qua thema en onderwerpen en qua dystopische verhalen, moest ik direct denken aan de evenzeer antiutopische* roman van Kazuo Ishiguro Never let me go **, misschien is hij enigszins geïnspireerd geweest door Atwood. Zijn boek verscheen jaren later dan het hare. Het boek van Ishiguro is zo veel fijnzinniger en ook mysterieuzer en daardoor ook gruwelijker. Atwood legt te veel uit. Dat blijkt ook al uit haar Epiloog, waarin er nog het een en ander verklaard wordt of eigenlijk is het zo dat zij de zaak nog eens extra raadselachtig maakt. Dat lijkt met elkaar in tegenspraak: enerzijds te explicatief anderzijds te bewust schimmig doen. Atwood doet telkens moeite erg vaag te zijn, te suggereren dat de dingen misschien niet zijn zoals ze zijn. Vanfred droomt heel veel, waarbij ze soms fictie en werkelijkheid door elkaar haalt. Zo wordt (bijna) nooit verteld hoe verkrachting, ophanging, seks, marteling, maar ook haar vlucht en leven met Luke en dochter nu precies in zijn werk gaan / zijn gegaan. Sterker nog, de dienstmaagd Vanfred zegt dat ze het er niet over wil hebben. Er zijn een paar uitzonderingen: ik denk bijvoorbeeld aan wat er met hun poes gebeurt, die ze op hun vlucht niet mee kunnen nemen. Je zou bijna zeggen: te veel telling, te weinig showing. Ishiguro legt niets uit terwijl je er als lezer toch achter komt hoe de vork in de steel zit.
Anderzijds is het ook overduidelijk Atwoods bedoeling: die opgelegde vaagheid: het verhaal is een - fictief - ‘egodocument’ van iemand die door brainwashing en - misschien - drugs en door hevig verlangen naar vroeger feit en fictie door elkaar haalt.

Die ingewikkelde structuur van het verhaal vind ik het aantrekkelijkste aspect van dit boek.

Ik weet dat er een serie van dit boek is gemaakt. Ik weet niet of ik die ga zien. Het trekt me niet heel erg. De serie Alias Grace heb ik wel gezien; die speelt ook met het thema fictie-werkelijkheid; die vond ik goed. Alias Grace is ook een boek van Atwood, zoals ik al zei, uit 1996.
Film/serie en boek zijn heel andere media, maar wat je het eerst gezien of gelezen hebt bepaalt wel de waardering voor het andere medium. Dat schreef ik ook al in mijn bespreking van de film The bookshop naar de gelijknamige roman van Penelope Fitzgerald.

*  Van Dale zegt: dystopie is antiutopie. Dat vind ik op de een of andere manier heel grappig.

** Laat me niet alleen van Ishiguro heb ik op deze plaats ook besproken. Een tijdje geleden alweer. https://metdeneusindeboeken.blogspot.com/search?q=ishiguro

Auteur

Margaret Eleanor Atwood OC (Ottawa, 18 november 1939) is een van Canada's belangrijkste hedendaagse schrijvers. Ze is dichteres, romanschrijfster, literair criticus, feministe en politiek activiste. Ze krijgt zowel nationale als internationale erkenning.
Margaret Atwood heeft boeken geschreven met veel verschillende thema's en in verschillende genres en tradities. Ze wordt vaak beschreven als een feministisch schrijver, en seksevraagstukken komen prominent voor in haar werk. Haar werk concentreert zich ook onder andere op de identiteit van Canada, de relaties tussen Canada en de Verenigde Staten en Europa, mensenrechten, milieuvraagstukken, de voorstelling van het vrouwelijke lichaam in kunst en de relatie van vrouwen met elkaar en tegenover mannen.

Titel: Het verhaal van de Dienstmaagd
Oorspronkelijke titel: The handmaid's tale
Auteur: Margaret Atwood
Vertaling: Gerrit de Blaauw
Categorie: Literaire roman
Pagina's: 329
ISBN: 9789044613087
Uitgeverij Prometheus

donderdag 16 augustus 2018

Elizabeth Taylor-Angel

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Karmijn




Verbeeldingskracht in optima forma


De vrouw die de prachtige cover siert lijkt inderdaad op het hoofdpersonage. Een krachtige vrouw, die recht op haar doel afgaat en zich door niemand de les laat lezen, hoewel…. Laat dat dan de verrassing zijn die de lezer zelf mag ontdekken. Op de cover staat een spetterend citaat van Hilary Mantel:

‘Elisabeth Taylor is een schrijfster van onberispelijke smaak, Angel is de koningin van de pulp’

Deze aanbeveling maakte me meer dan nieuwsgierig naar deze roman, geschreven door één van de vier ‘Britse Grandes Dames’, onlangs vermeld in een artikel in het NRC.*
Bij het horen van de naam Elizabeth Taylor denk je niet in de eerste plaats aan een auteur, maar aan de beroemde actrice. Door het dragen van deze naam werd auteur Elizabeth Taylor altijd beschouwd als ‘de andere’.

Het boek gaat over een vrouw die schrijfster wil worden. Nu is het zaak om de auteur en het hoofdpersonage niet met elkaar te verwarren. Niets wat Angel meemaakt lijkt op het rustige leven dat de auteur leidde. Zij schept Angel helemaal uit haar verbeelding. Dit personage deed in de jaren ‘50 van de vorige eeuw menig wenkbrauw fronsen vanwege de nogal onverbloemde stijl. Angel laat zich niet makkelijk ompraten, wat ze op papier heeft staan blijft zoals het is. Dit is zowel een zegen als een straf, want aan de ene kant wordt er heimelijk gesmuld van haar romans, maar er is ook forse kritiek op haar ‘verdorven’ romans.
Angel blinkt uit in verbeelding, dat blijkt direct uit het begin wanneer ze een opstel inlevert op school waarin de zin ’...in de onmetelijke openheid van het empyreum’ voorkomt. Deze zin - tevens de openingszin van het boek - wekt de argwaan van de onderwijzeres, maar ze vindt nergens een bewijs van plagiaat.

Angel woont met haar moeder boven de kruidenierswinkel, waar haar moeder zich een slag in de rondte werkt om haar dochter naar een school voor middenstanders te kunnen sturen. Angel steekt thuis nooit de handen uit de mouwen, het zegt haar allemaal niets, ook haar tante Lottie kan haar gestolen worden. Deze tante werkt in het Paradise House en hoewel Angel dit landgoed nog nooit heeft gezien, wordt dit de plek die ze gebruikt voor haar verhalen. Elk detail dat ze opvangt over het leven in dat huis gebruikt ze om haar karakters vorm te geven. In haar hoofd is ze al schrijfster. Wanneer ze vijftien is simuleert ze een ziekte en schrijft in bed haar eerste roman.'

‘Laks en lethargisch zat ze op haar solitaire avonden te dromen. Ze sloot haar ogen om de duisternis te creëren waarin Paradise House gestalte kon krijgen, dat dag in, dag uit mooier en groter werd – met zuilengalerijen en koepelgewelven, poorten en trappen – meer dan haar tante ooit voor de geest had geroepen. Hebzuchtig voegde ze het ene detail na het andere toe, dat ze uit foto’s en tekeningen uit geschiedenisboeken haalde.' (blz. 18)

De tegenstelling is enorm. Angel leest nooit, maar schept vanuit haar verbeelding een wereld die mijlenver van haar werkelijke omgeving afstaat. Haar moeder moet sappelen, zelfs tante Lottie draagt bij aan de kosten voor Angel’s school, hun huis ontbeert alle comfort.
Ze beseft heel goed dat ze eigenlijk in haar eigen droomwereld leeft. Af en toe wordt ze wreed wakker geschud.
Angel stevent recht op haar doel af en gaat door met schrijven ondanks afwijzingen van uitgevers. Wanneer er dan toch iemand is die in haar schrijven gelooft, breekt er een tijd aan van euforie, als een femme fatale slaat ze alle goede raad in de wind en gaat volledig haar eigen gang.
Met één facet gaat het minder vlekkeloos, de liefde.
Hoe ze dit denkt op te lossen strookt helemaal met haar eigengereide karakter. Natuurlijk loopt ze iemand tegen het lijf, maar…, ja er is een maar en daar kan in de recensie niet zoveel over verteld worden.

Om de ‘koningin van de pulp’ te kunnen begrijpen is niet eenvoudig, ook niet wanneer het boek uitgelezen is. Dit komt door haar dwarse karakter. Wat rest is een beeld van een zeer excentrieke, ondoorgrondelijke vrouw die zich omringt met even excentrieke vrienden, die zich allemaal staande proberen te houden in een wereld waarin roem en afgrond elkaar afwisselen, afgunst en onbegrip aan de orde van de dag zijn en er en passant ook nog twee wereldoorlogen voorkomen. Helemaal in de stijl van Angel mag er over leed niet gesproken worden, de oorlog wordt doodgezwegen. 

Eerlijk gezegd kon ik me totaal niet identificeren met Angel, ik vind haar een anti-held. Maar juist daarom is dit verhaal zo bijzonder. De manier waarop er iedere keer weer een truc uit haar hoge hoed getoverd wordt om een situatie naar haar hand te zetten is zowel tragisch als verwonderlijk, soms zelfs zelf humoristisch. Ook Esmé en Nora, broer en zus, zorgen voor voldoende stof tot nadenken. Wat willen zij van haar en hoe pareert Angel haar zwakheden? Deze ménage à trois wordt geweldig goed uitgewerkt, met alle ingrediënten die nodig zijn voor een ‘pulproman’.
Liefde, jaloezie, homoseksualiteit met een vraagteken, bedrog, loyaliteit en drama.

Geniet van dit ogenschijnlijk oppervlakkig verhaal, het venijn zit in het prachtige taalgebruik en de manier waarop de lezer keer op keer op het verkeerde been gezet wordt. Een prachtig gespiegeld portret van een 'grande dame.'

De auteur

Elizabeth Taylor (1912 UK – 1975 UK)
Ze ontkwam er haar hele leven niet aan, steeds maar weer was ze ‘de andere Elizabeth Taylor’. Elizabeth Taylor, de Britse romanschrijfster, stond haar leven lang in de schaduw van de actrice met dezelfde naam.
Maar misschien kwam het niet alleen door hun identieke naam, maar ook door haar persoonlijkheid dat deze Elizabeth altijd wat ondergewaardeerd bleef. Elizabeth de romanschrijfster leidde een rustig bestaan op het Engelse platteland met man en twee kinderen en publiceerde eens in de zoveel jaar een nieuwe roman, maar ze hield zich verre van het society-leven.
Ze werd geboren in een modaal gezin en werkte als bibliothecaresse en gouvernante, voordat ze trouwde. Tijdens haar leven schreef ze twaalf romans, vier verhalenbundels en een kinderboek. Vlak voor haar dood in 1975 vernietigde ze bijna al haar persoonlijke correspondentie, maar desondanks verscheen in 2009 een uitmuntende biografie over haar leven, The other Elizabeth Taylor.
Ze was volgens Antonia Fraser, Kingsley Amis, Hilary Mantel, Sarah Waters en vele anderen een van de meest ondergewaardeerde schrijfsters van de 20ste eeuw.





Titel: Angel
Auteur: Elizabeth Taylor
Vertaling: Mieke Prins
Uitgever: Uitgeverij Karmijn
ISBN: 9789492168085
Pag.: 320
Genre: literaire roman
Verschenen: juni 2016

dinsdag 14 augustus 2018

Marita Coppes - De laatste verhalenweefster


Recensie door Truusje
Uitgeverij Ambo Anthos



El ritmo propio*

De in Colombia geboren Marita Coppes is verhalenverteller en dat talent heeft ze ten volle gebruikt in haar debuutroman 'De laatste verhalenweefster'.

Het boek opent met een tekening van een heupweefgetouw. Een systeem van weven dat een grote en belangrijke plaats in dit verhaal heeft gekregen.

Kate Baker, topadvocaat en dochter van één van de directeuren van T-Petrol - een oliemaatschappij in Guatemala - , komt in gewetenswroeging wanneer ze na de dood van haar vader ontdekt dat hij medeverantwoordelijk is geweest voor de genocide op de inwoners van het fictieve Maya-dorp El Sede de Ixchel. 
Bij T-Petrol werd hier het eufemisme 'Het klaarmaken van de grond' voor gebruikt. Er was olie gevonden en voor financieel gewin moest letterlijk álles wijken.
Het dorp werd overvallen, de inwoners vermoord, de lemen huizen verbrand en het dorp verdween gewoonweg letterlijk van de kaart.
Kate's zeer geliefde nanny Calixta - die altijd antwoorden had op de vragen van Kate - en haar dochter Lupe zijn de enige overlevenden van het drama dat zich afspeelde op 1 mei 1985 - 'El dia de la violencia'. Zij vonden niet terug wat ze die ochtend hadden achtergelaten.

'De paramilitairen spaarden zelfs de kinderen niet; ze werden in hun spel verrast en ik heb ze al honderden malen zien neervallen. Hun moeders blijven in mijn hoofd onmachtig gillen. Zelfs baby's heb ik gevonden in het hart van ons dorp, onder de ceiba. [...] Niemand heb ik kunnen begraven. Niemand. In mijn dromen roepen mijn verwanten mij terug omdat ze hun rust niet kunnen vinden, en ze niets meer herkennen van het land waar ze zijn geboren.'

Heupweefgetouw
Coppes heeft op een heel eigen wijze voor het voetlicht gezet hoe kwetsbaar een inheemse bevolkingsgroep kan zijn wanneer het belang van het grote geld om de hoek komt kijken.
De draden van de familie van Kate en de familie van Calixta en Lupe zijn op velerlei manieren met elkaar verweven, waar Ixchel - de godin van de Maya's - een grote rol in speelt.

In de weefsels van de verhalenweefsters worden de verhalen van personen gelezen en dit is het magisch realistische element dat in dit verhaal is verweven. De weefsters lezen veel uit de kleuren die gebruikt worden en wanneer er een weeffout is gemaakt, kan er sprake zijn van een maldición familiair**. Verhalenweefsters hadden zo'n grote reputatie, dat ze zelfs door mensen van buiten de grenzen werden geraadpleegd bij familievraagstukken. Lupe ziet ook dingen gebeuren in het leven van haar zoon Ashil.
Omdat Lupe, na Calixta's dood, de enig overgebleven verhalenweefster is die deze traditie kan doorgeven - verdrietig genoeg is de dochter van Lupe ook omgekomen - ziet ze in Kate een goede opvolger en leidt haar op om in 'el ritmo propio' te komen.

Maya-godin Ixchel
'Dat al mijn voormoeders tegelijkertijd weefden is lang geleden. Meestal begint een verhaal bij Maya, bij de eerste verhalenweefster, waar de familievloek is ontstaan, en dan weven wij de herhalingen van die vloek in de generaties die volgen. Meestal weet ik wanneer een familiegeschiedenis geweven moet worden. Ik krijg als enige nog levende verhalenweefster vragen over problemen in families, en dan zorg ik ervoor dat mijn voormoeders daar met mij voor gaan zitten. Het verbaast me dat mijn voormoeders nu zonder mij zijn begonnen en ik heb dan ook geen idee met welke familiegeschiedenis ze bezig zijn. [...] Aan de kleuren en patronen zie ik dat het onze familiegeschiedenis is die ze aan het weven zijn.'

De wezenlijke gelaagdheid van het verhaal wordt direct zichtbaar in de aanduiding van de hoofdstukken. De verhalen van Kate en Lupe zijn ronde karakters en wisselen elkaar af, waarbij Chris, de broer van Kate, als antagonist, af en toe 'inbreekt'. Ook een aantal andere personages worden geïntroduceerd en beschreven.
Dit bijzonder originele verhaal is van een bedrieglijk eenvoud, maar wanneer je het aandachtig leest, zie je de meerdere lagen die het verhaal zijn diepgang geven.
Ixchel-motieven
De uitwerking van de personages is mooi, de plot misschien hier en daar wat voorspelbaar, maar dat is het gevolg van de samensmelting van de twee families en doet aan het verhalenweefsters-verhaal an sich niets af.
Een heerlijk boek dat buiten dat het spannend is, ook nog iets te vertellen heeft.

*   'el ritmo propio' betekent 'het juiste ritme' 
** 'maldición familiair' betekent 'familievloek'

Auteur
Marita Coppes (1974) is geboren in Cali, de hoofdstad van het departement Valle del Cauca in het zuiden van Colombia, waar ze tot haar vijfde heeft gewoond.
Ze zegt over zichzelf dat ze schildert, maar in al haar bezigheden verhalenverteller is. Nadat ze als creatief therapeut is afgestudeerd gaat ze op reis door Zuid-Amerika, waar ze met eigen ogen ziet wat de resultaten zijn van de oliewinningen in de jungle. Dit heeft haar geïnspireerd tot het schrijven van dit debuut.

Titel: De laatste verhalenweefster
Auteur: Marita Coppes
Pagina's: 248
ISBN: 9789026341359
Uitgeverij Ambo Anthos
Verschenen: juni 2018

maandag 13 augustus 2018

Mary Shelley-Mathilda

Recensie door Tea van Lierop
L.J. Veen Klassiek




Stille wateren…..



Zinnen die je meteen leiden naar landschappen die zich ontvouwen door de gedetailleerde beschrijvingen. Dat is een van de redenen om dit vervolg op Frankenstein te lezen. Dé gelegenheid om nogmaals te genieten van Shelley’s schitterende proza.
Beide boeken hebben meer overeenkomsten dan alleen de stijl, ook de thema’s zijn herkenbaar. Met de kleine kanttekening dat enige kennis van het privéleven van de auteur beide romans een extra dimensie kan geven.

Mathilda is geschreven in 1820, maar werd pas in 1959 uitgegeven. De verantwoordelijkheid bij het niet eerder publiceren berust bij Mary’s vader. Mary stuurde hem het manuscript ter beoordeling en hij was geschokt door het thema waarna hij weigerde het terug te sturen. Juist door het achterhouden zou het boek als ‘schandaalroman’ bekend komen te staan. 
Nu wil iedereen natuurlijk weten wat het schandaal zou kunnen zijn. Hoewel incest niet het absolute hoofdthema is, spreekt het wel het meest tot de verbeelding. 

Na de opbouw, waarin de achtergrond van Mathilda’s vader verteld wordt, komt het moment waarop de tragedie begint. Mathilda’s moeder overlijdt in het kraambed. Daarmee stort de wereld van de jonge vader in, vervolgens kan hij zijn dochter niet meer verdragen. Hij vertrekt naar het buitenland. Het meisje groeit op bij een tante en ontbeert elke vorm van genegenheid. Na 16 jaar meldt de vader zich weer en al die tijd heeft Mathilda het droombeeld van haar vader gekoesterd.

‘Aangezien ik de slaap niet kon vatten liep ik de hele nacht het vertrek op en neer en keek naar het vuurrode spoor van de zon die onder de noordelijke horizon door scheerde, een verschijnsel dat in Schotland hartje zomer is waar te nemen. Bij het aanbreken van de dag haastte ik me naar het bos; urenlang gaf ik me over aan wilde dromen die vleugels gaven aan de slepende tred des tijds en mijn grote ongeduld enigszins verdreven. Mijn vader werd rond het middaguur verwacht, maar toen ik hem tegemoet wilde gaan bleek ik verdwaald te zijn; bij elke poging de weg terug te vinden raakte ik verder verstrikt in de wirwar van bospaden, en de bomen onttrokken elk aanknopingspunt aan het zicht.’ (blz.26)

Wanneer de twee elkaar weer zien is er in eerste instantie een zorgeloze en verheugde stemming, die is echter van korte duur omdat de vader een geheim met zich meedraagt. Het lukt hem niet te blijven zwijgen over hetgeen hem tot wanhoop drijft omdat Mathilde niet rust voordat ze het weet. De tragedie gaat voort. Zonder teveel te vertellen over de inhoud gaat het verhaal nu verder met een totaal ontredderde Mathilda die als een kluizenaar op een hutje op de hei is gaan wonen.
Haar noodlot lijkt onafwendbaar:

‘Misschien zou ik voor iemand anders dankbaarheid kunnen voelen, maar ik zou nooit meer in staat zijn tot liefhebben of hopen zoals vroeger, want alles was nu even ellendig; zelfs mijn genoegens duldde ik slechts, ervan genieten kon ik niet. Ik was als een eenzaam plekje te midden van bergen, aan alle kanten ingesloten door steile donkere wanden, waartoe geen sprankje warmte doordrong, en zonder een uitweg naar zonniger weiden.’ (blz 95)

Eenzaam en depressief lijdt ze in stilte en op dit soort momenten zie je de schepping van Frankenstein terug, die ook helemaal alleen is en rouwt om wat hij niet heeft.
En dan is er een ontmoeting waardoor het verhaal kantelt. Hoe is het mogelijk in het onherbergzame land iemand te ontmoeten die ook nog eens onderhoudend en knap is? Maar het is de realiteit, de man is dichter en diepbedroefd omdat hij kort daarvoor weduwnaar is geworden. Er zijn gesprekken, er is genegenheid, maar helaas is Mathilda’s depressie weerbarstig, ze is ‘als door het medusahoofd van de misère versteend.’..


Medusa. Kunstenaar Carlos Schwabe  (1866–1926) (Wiki)

Deze vrij gecomprimeerde roman heeft niet veel pagina’s, maar wel veel inhoud. De manier waarop de natuur beschreven wordt is schitterend, je waant je in het historische Engeland en Schotland. De invloed van de Romantiek is duidelijk aanwezig zoals de onbereikbare liefde, de ongerepte natuur en het noodlot. Ik heb het idee dat dit boek net zo beklijft als Frankenstein. Vooral wanneer je weet dat haar eigen tragische leven zo’n grote stempel gedrukt heeft op haar werk. Mary's moeder stierf daadwerkelijk in het kraambed en zelf verloor Mary haar pasgeboren dochter.
Critici zijn het erover eens dat William Godwin- haar werkelijke vader- model staat voor de vader uit de roman en Percy Shelley- haar echtgenoot- voor dichter Woodville.
Dat de roman ook nog talloze verwijzingen heeft naar vooral de Griekse mythologie maakt het tot een onweerstaanbare klassieker.

Hoewel de roman is gebaseerd op een aantal autobiografische elementen hoeft het thema incest helemaal niet autobiografisch te zijn. In het nawoord door Hanna Bervoets wordt de mening van literatuurhistorica Elizabeth Nitchie weergegeven over dit onderwerp en speurend op internet zijn er meer interpretaties te vinden. De vraag: 'fictie of niet' mag iedereen voor zichzelf beantwoorden, mij intrigeert vooral het verhaal.

De auteur

Mary Shelley, geboren Mary Wollstonecraft Godwin (Londen, 30 augustus 1797 – aldaar, 1 februari 1851) was een Engels schrijfster.
Mary Shelley was de dochter van de feministe Mary Wollstonecraft en de filosoof William Godwin. Ze werd de tweede vrouw van de beroemde schrijver en dichter Percy Bysshe Shelley. Haar vijf jaar oudere echtgenoot organiseerde met regelmaat bijeenkomsten waarbij contemporaine literaire grootheden bijeenkwamen. Zij mocht daarbij als toehoorder aanwezig zijn. Geïnspireerd door de verhalen van de literaire kopstukken uit die tijd, schreef Mary Shelley op 19-jarige leeftijd – in het jaar zonder zomer – haar bekendste werk, de gothic novel Frankenstein (The Modern Prometheus).
Ze stierf op 1 februari 1851 te Londen. Op haar eigen verzoek werd ze begraven in Bournemouth op de begraafplaats van de Saint Peter's Church. (https://nl.wikipedia.org/wiki/Mary_Shelley)


Titel: Mathilda
Auteur: Mary Shelley
Uitgever: L.J. Klassiek
Vertaler: Marijke Versluys
ISBN: 9789020415360
Pag.: 160
Genre: Literaire fictie
Verschenen: 2017 (deze editie)

woensdag 8 augustus 2018

Thomas Rosenboom- Publieke werken

Recensie door Roosje
Uitgever Querido





Drie neven opgestuwd in de vaart der volkeren



Drie neven die elkaar aanvankelijk niet kennen, komen op ongewone wijze met elkaar in contact. Walter Vedder is vioolbouwer in Amsterdam; hem komt zijn verre neef Al uit Amerika, verblijvend natuurlijk in het pasgebouwde hotel American op het Leidseplein, opzoeken, gewoon om even kennis te maken. Die kennismaking krijgt een staartje.
Neef Chris Anijs is apotheker in Hoogeveen, die het verzoek krijgt een viool te verkopen van Pet Bennemin, een arme sloeber uit het veen. Anijs geeft de viool in consignatie bij neef Vedder.
Ondanks de trage verteltrant in het begin is het een ‘vol’ boek. Het is ook een boek waarin alles precies in elkaar steekt: vertelling, taalgebruik, psychologie, historische gegevens, motieven, thema’s, veelvuldig gebruik van passende en uitgewerkte metaforen. Rosenboom is de kunstenmaker die alle bordjes met vaart in de lucht weet te houden tot en met het laatste slotakkoord. Mijn metaforiek haalt het op geen enkele manier bij die van Rosenboom.


Neef Al, de Amerikaan, is hoewel onmisbaar in het verhaal, de minst belangrijke. Hij heeft het oude vaderland al lang geleden verlaten om zijn inkomen - niet geheel legaal - te verdienen in het Nieuwe Land, het land van de ongekende mogelijkheden.
Vedder (fiedelaar? rdv) en Anijs (what’s in a name: een echte drogisten-naam) zijn beiden van huis uit eenvoudige ambachtslui. Vedder was voorheen meubelmaker, Anijs was apotheker zonder universitair diploma, een drogist feitelijk. Beiden geplaagd door een minderwaardigheidscomplex pogen ze hun leven nog eenmaal tot grote hoogten op te stuwen. Anijs doet dat door zich gaandeweg voor te doen als dokter, omdat de echte dokter zich niet bekommert om de armen van het veld, in het veen. De armen zien allengs Anijs als hun redder, hun voorganger, hun spirituele gids, hun Mozes. Anijs laat dat zich enerzijds lekker aanleunen, anderzijds rechtvaardigt hij daarmee zijn bedrog en hoogmoed.

Vedder wil zich onder pseudoniem, Veritas, en later met een mombakkes voor, laten zien als een verstandige Amsterdammer, een kritisch en verlicht burger, met name waar het gaat om de nieuwe publieke werken van de stad: het American-hotel, het treinstation aan het Y, en vooral zijn Goliath - waarbij aangetekend dat Goliath werkelijk de reus blijft, en het dus een slechte metafoor is -: het nieuw te bouwen Victoriahotel op de hoek van de Prins Hendrikkade, precies op de plek waar Vedder woont. Vedder denkt er een enorme slag mee te kunnen slaan, dat de betrokken geldschieter zijn huis en dat van buurman Carsten nodig heeft. Vedders tragiek is dat hij te inhalig wordt en feitelijk niet onderhandelt, zo overtuigd is hij van zijn onoverwinnelijke positie. Hij gokt op het verkeerde paard. En nog tragischer is dat Vedder dat doet om Theo een flinke erfenis na te laten en ook wel een beetje om beroemd te worden. Theo is een weesjongen en Vedder beschouwt hem als zijn zoon, maar hij groeit op in een bevriend gezin, terwijl Vedder voor zijn opvoeding en onderricht betaalt. Theo denkt van zijn kant dat Vedder zijn biologische vader is, die hem heeft afgeschoven.

Het verhaal gaat over twee mannen die de tragiek in hun leven niet kunnen accepteren: hun bescheiden nering, hun ongewilde kinderloosheid, het gebrek aan zingeving in hun leven, hun minderwaardigheidscomplex. Ze blaaskaken, ze dromen, ze overspelen hun hand. Vedder doet dat nog meer dan Anijs, maar ook de apotheker krijgt niet de waardering die hij verdient, niet van de dokter, niet van de burgemeester en niet van de nieuwe apotheker, die in tegenstelling tot hemzelf wel universitair geschoold is en de moderne wetenschap omarmt.
Beiden zijn in zekere zin helden uit een Griekse tragedie: rampspoed overkomt hen maar zij hebben zelf schuld. Tegen een minderwaardigheidscomplex valt niet op te boksen, zo lijkt het.

Je kunt zeggen dat het hele verhaal een grote paradox is, opgebouwd uit tragi-komische verwikkelingen. Rosenboom verscherpt die contouren door het gebruik van ‘tegenstellingen’, van motieven die tegenstellingen aanduiden. Een structuurbegrip, dat heel vaak gebruikt wordt in moderne romans; het is niet alleen een structuurconcept maar het heeft terdege betekenis: de strekking van het tragikomische en het onvermogen van de neven in te zien dat zij meer willen dan waartoe zij in staat zijn. Je moet dat niet moreel-ethisch opvatten, maar juist als iets psychologisch, iets algemeen menselijks, iets wat wij allemaal wel kennen als we diep in ons hart durven te kijken.

In het begin van het boek ergerde ik me wel wat aan die emotionele brokkenmakers van neven. Ik kreeg even hetzelfde gevoel dat ik aanvankelijk kreeg bij het lezen van Jonathan Franzens De correcties, bij de loser Chip (ik geloof dat hij zo heet, het hoofdpersonage): het gevoel van samengeknepen tenen en een naar gevoel in mijn hart: o, nee, ik wil dit allemaal niet weten.... omdat het ook zo ‘zielig’ is.

Talloos zijn dan ook motieven die te maken hebben met de ‘tegenstelling’. Ik noem een voorbeeld: Vedder gaat op zoek naar de oorzaak van het minieme ruisje in Sijde-viool, die hij van opponent Ebert ter reparatie heeft gekregen, te midden van het onderwereldse kabaal van de slopers en bouwers van het Victoriahotel.
Vedder vermomt zich met een pseudoniem, waaronder hij kritische stukken in de krant schrijft over de publieke werken, en later met een mombakkes voor de mensen, omdat hij zich schaamt, terwijl hij juist erkenning zoekt. Hij wil te veel: hij wil dat mensen achter zijn vermommingen gaan kijken, wie het is die zo’n uitzonderlijk mening is toegedaan. Dat staat gelijk met je hand overspelen.
Anijs die de mensen van het veld wil redden, terwijl hij toelaat dat zijn eigen vrouw van hem wegglijdt. Zijn vrouw wil een ‘levensverzekering’ - terwijl ze geen kinderen kan krijgen: tegenstelling - en Anijs hoort haar niet eens. Zijn leven is al verspeeld, dat weet hij zelf misschien ook wel.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Publieke_Werken_(roman)#/media/File:Victoria_Hotel.jpg

Anijs wil de levens van de armen redden maar van het kleinste wezentje dat hem wordt toevertrouwd, is hij niet in staat de levensadem te laten stromen. Toch zijn de arme mensen hem dankbaar wanneer hij hun een nieuwe weg wijst, een nieuw land, met het imaginaire geld van Vedder. Als de bijbelse Mozes blijft hij achter in de woestijn. Tragi-komisch is hier ook weer de familie Bennemin, die, zoals hun naam al doet vermoeden van het Oude Volk zijn, Joods zijn. In het nieuwe Beloofde Land gaan zij weer over tot het geloof der vaderen: het jodendom. Het oude land versus het nieuwe land; het vaderland dat geen mogelijkheden meer heeft versus het nieuwe land, waarin iedereen in zijn levensonderhoud kan voorzien. Vedder laat zich wel een soort van aanbidden: wanneer hij de mensen onderzoekt, moet zij voor hem neerknielen en zegent hij hen, terwijl hij hun hoofd afspeurt naar luizen.
De oude ambachtslieden Vedder en Anijs, die wel opgeklommen zijn, versus de nieuwe garde, die het stokje van hen overneemt, hoewel dat stokje eigenlijk niet eens echt in hun handen is geweest.

Een paar schamele voorbeelden zijn dit van tegenstellingen, van de tragi-komische aspecten. Rosenboom is er een meester in die alsmaar onder woorden te brengen.

Ook zeer opvallend is het enorme aantal metaforen dat Rosenboom gebruikt en hun uitwerking doet in de verte denken aan Homerische vergelijkingen, met dit verschil dat de vergelijkingen van Rosenboom steeds uitstekend passen bij de gebruikte motieven. Die sluiten naadloos op elkaar aan. Aanvankelijk dacht ik ook: nou ja zeg, zo veel uitgewerkte metaforen in een lopend verhaal... maar ook dat gevoel ging helemaal voorbij. Rosenboom doet dat zo verschrikkelijk goed.

De metaforiek lijkt het verhaal nog eens extra op te rekken, te vertragen. Dat verhaal is in het begin nogal langzaam om naar het einde toe te versnellen en aan complexiteit te winnen. Dat is een verhaalmethode die veel vaker voorkomt. Soms vind ik dat vervelend of een beetje vervelend. Een goede auteur weet mij op een gegeven moment toch helemaal in te palmen; dat gebeurde me met dit boek ook. Ik ben helemaal overstag gegaan

Het taalgebruik sluit goed aan bij de tijd, dat wil zeggen ogenschijnlijk. Ik ga niet uitzoeken of het ouderwets aandoende woordgebruik inderdaad precies past bij het einde van de negentiende eeuw. Het wordt hem wel verweten, heb ik begrepen, die ouderwetse woorden en begrippen. Wat mij betreft: ik vind het prachtig!

De historische contekst van het verhaal klopt helemaal. Rosenboom heeft aardig wat historisch onderzoek gedaan voor hij het boek ging schrijven.

Ik had van te voren niet gedacht dat dit zo’n geweldig boek zou zijn. In zijn andere grote historische roman, Gewassen vlees, ben ik al een paar keer begonnen maar raakte daar de weg kwijt. Na deze geweldig leeservaring ga ik het nogmaals proberen.




Over de auteur:

Antonius Henricus Rosenboom, geboren 8 januari 1956, Doetinchem.
Na zijn middelbare school in Arnhem studeerde Rosenboom drie jaar psychologie in Nijmegen. Daarna stapte hij over op de studie Nederlands in Amsterdam, die hij in 1983 cum laude afrondde. Als schrijver debuteerde hij in 1982 met de novelle Bedenkingen in het literaire tijdschrift De Revisor. In 1983 volgde de verhalenbundel De mensen thuis (drie verhalen, waaronder Bedenkingen) waarmee hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs won. In 1985 kwam zijn eerste roman Vriend van verdienste, een thriller. Zowel voor zijn roman Gewassen Vlees, als voor de roman Publieke Werken ontving Thomas Rosenboom de Libris literatuurprijs.

In 2004 schreef Thomas Rosenboom het boekenweekgeschenk Spitzen in het kader van de 69e editie van de Boekenweek. Naast zijn werk als schrijver gaf hij enige tijd les aan de universiteit van Michigan en verzorgde hij in Amsterdam cursussen prozaschrijven.

Zijn hoofdwerk Publieke werken werd in het Duits vertaald als Neue Zeiten en in het Deens als Offentlige arbejder. Ook vertalingen in het Hongaars (Közmunkák) en Slowaaks (Verejné práce ) zijn verschenen. (https://nl.wikipedia.org/wiki/Thomas_Rosenboom)



Auteur: Thomas Rosenboom
Titel: Publieke werken
Uitgever: Querido
Verschijningsdatum: november 2015
Druk 37
488 pagina's
ISBN13 9789021459141
Categorieën: Literaire romans

dinsdag 7 augustus 2018

A.H. Nijhoff - Twee meisjes en ik

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Cossee



'Wij waren eenvoudig een bond van drie'

'Leren wij ooit het eigen hart kennen? Of is zelfkennis wellicht niets anders dan een berusting, waartoe de ervaring van het leven ons dwingt? Ik heb leren inzien dat de rol die ik mezelf had toegedacht, een andere was dan het leven voor mij had beschikt en het is mij gelukt om mij zonder bitterheid daarnaar te voegen; maar heb ik daarmede ook mijn hart overwonnen? Is niet de herinnering sterker gebleken dan het heden en zijn niet mijn oude dwalingen mij zelfs nu nog dierbaarder dan de wijsheid van berusting?' (pag. 195)

A.H. Nijhoff is het pseudoniem van Antoinette Hendrika Nijhoff-Wind (1897-1971), getrouwd met de dichter Martinus Nijhoff. Het was haar bewuste keuze om een auteursnaam te kiezen die in het midden liet of de auteur een vrouw of een man was. Derhalve gonsde het van de geruchten en aannames.

Bij het verschijnen in 1931 maakte haar boek 'Twee meisjes en ik', al direct veel tongen los vanwege de nogal controversiële toespelingen en thematiek, zoals homoseksualiteit - zowel mannen als vrouwen -, de driehoeksrelatie van een arts en twee jongere meisjes, drugs, abortus en een gezin op vakantie zonder moeder. Vooral het schrijven over homoseksualiteit was toentertijd natuurlijk nog een gewaagde actie, als je bedenkt dat in Nederland pas in 1971 artikel 248bis - onderdeel van de Zedelijkheidswet - werd afgeschaft en de legale minimumleeftijd gelijkstelde met die van heteroseksuelen.

‘Het is geen pornografisch boek, er komen geen al te zwoele scènes in voor, de intens gemeene, smerige dingen er in worden slechts even, gevoileerd aangegeven.’ 
Het Vaderland, 30 augustus 1931

Het boek belandde niet direct op de lijst met bestsellers, wat hoogstwaarschijnlijk te wijten was aan het beschrijven van de destijds nogal gewaagde onderwerpen, die eigenlijk heel subtiel worden aangestipt door de auteur. Het verhaal zag in eerste instantie het levenslicht als feuilleton in 'De Gids' van juli tot en met december 1930. Het moge duidelijk zijn dat E. Du Perron er niet van onder de indruk was, toen hij zijn mening in een brief aan Henri Mayer verwoordde als:

'[...] bij zulk geschrijf van cosmopolieterig-doende-houten Klara's-met-ideeen-over-saphisme-en-pederastie voel ik mij een bewonderaar worden van het genre Boudier-Bakker. God-god, wat een rotrommel! Wat een vooze flauwe kul, opgelapt met wauwel-Engelsch en defectueus Fransch.' (Bron:https://www.dbnl.org/tekst/du_p001brie11_01/du_p001brie11_01_0571.php)

Netty en Martinus Nijhoff
Gelukkig heeft Uitgeverij Cossee besloten om dit boek toch weer een nieuwe kans te geven. Ondanks dat we hier te maken hebben met een klassiek werk, is het overduidelijk dat de beschreven thema's van alle tijden zijn. Een van de talenten van de auteur is het schrijven tussen de regels. Geen expliciete scènes, maar prachtig taalgebruik en nergens duikt er een moraliserende vinger op, want ze beschrijft de dingen des levens, zoals die er altijd zijn geweest. Een prachtig boek dat je de kans biedt om meer te lezen dan alleen letters.

Een achtentwintigjarige, naamloze - later besluit één van de meisjes hem Bill te noemen -, (bijna-)huisarts, tevens belevend ik-verteller, reist na de verbroken relatie naar Cornwall in Engeland om even helemaal tot zichzelf te komen. Eenmaal dodelijk vermoeid op de plaats van bestemming aangekomen, vindt hij onderdak bij een landlady in het enige hotel in de stad. Een rustige stek waar hij hoopt bij te komen van alle spanning en hectiek.

Door middel van een dagboek, dat het gehele eerste deel beslaat, mag de lezer deelgenoot zijn van zijn belevenissen in het stadje aan de Engelse kust.
Wanneer de Bill 's morgens naar het strand gaat voor een zeebad en zonnebad, treft hij daar ook steevast twee andere gasten uit het hotel, het tienermeisje Juan en haar gemelijke nurse. Vanwege haar broze gezondheid heeft Juan dagelijks een verplichte rustkuur op het strand. Hij moet er wat moeite voor doen, maar uiteindelijk komt Bill met Juan in contact. Haar bijna transparante en breekbare verschijning gaat hem aan het hart.

'Kleine vriendin, hoe graag zou ik je zieke hand in de mijne willen nemen en je mijn hulp aanbieden, maar je wenst geen hulp. Ik weet dat je, in het neerslaan van je dunne oogleden, je geheim verdedigt, zelfs tegenover mij; en dat de smalle lijn van je dofrode lippen een beslissender grens vormt tussen jezelf en de buitenwereld, dan de grens die twee landen scheidt. Ik vrees, dat ik nimmer tot je spreken mag.' (pag. 51)

Diezelfde week ontmoet hij nog een tweede tienermeisje, Ann, die met twee oudere zussen en haar vader, de kolonel genaamd, vakantie houdt in een cottage. 
Waar Juan de keurig nette, ongenaakbare, introverte van het stel is, dartelt Ann er extravert, slordig en soms wat dubbelhartig omheen. Ze zijn als het ware complementaire persoonlijkheden. Er ontstaat een vriendschap tussen de drie die zich, eenmaal terug in Holland, zal voortzetten, met Bill als vriend, raadgever, steun en baken.

Dat een oudere (28!) man twee meisjes uitnodigt voor een lunch of logeerpartij wordt door geen enkel ander personage als onbehoorlijk ervaren. Heden ten dage zouden wij daar juist de wenkbrauwen bij fronsen.

Ondertussen zijn er nog twee gasten gearriveerd. De heethoofdige Cyril met zijn oudere Franse beschermheer en mecenas Jerome. Het wordt niet letterlijk beschreven, maar je proeft dat er meer is in de relatie tussen de heren. Met hun komst wordt de sfeer grimmiger en onberekenbaar.

In het tweede deel - Bill is inmiddels bijna twintig jaar ouder is geworden - begint hij een huisartsenpraktijk en blaast de contacten met, de inmiddels volwassen, Juan en Ann weer nieuw leven in. Hij voelt zich nog steeds verantwoordelijk voor hen. Cyril verschijnt opnieuw ten tonele en Bill krijgt op het familiaire vlak ook het een en ander voor zijn kiezen. Het melancholieke en liefdevolle verhaal begint dan wat te schuren, wordt beklemmender. De vier personages krijgen te maken met ingewikkelde en unfulfilling verliefdheden, die op zijn minst erg verwarrend voor hen zijn en tot veel verdriet leiden.

'Een enkel voorzichtig woord, in werkelijkheid niets anders dan een onbeheerste uiting van mijn jaloezie, had mij in haar ogen onherroepelijk gedegradeerd tot de horde van de vijandelijke ouderen en had mij voorgoed haar vertrouwen laten verspelen. Welke hoop bleef er voor mij dat ik dat vertrouwen ooit nog zou kunnen terugwinnen?' (pag. 197)

De karakters zijn psychologisch meesterlijk neergezet, hun verweven levens en de verhoudingen onderling zijn heel goed uitgediept. De overdenkingen van de verteller zijn filosofisch en het overlezen waard.

De kracht van Nijhoff is het duiden, zonder expliciet te zijn. Nergens is het banaal, steeds leef je mee met de gevoelens van de personages. Zolang de lezer ogen, hart en geest openhoudt, komt dit verhaal in al zijn finesses tot zijn recht.

Marlow Moss
Dit voortreffelijke werk is sinds de eerste verschijning meerdere keren uitgegeven, door diverse uitgeverijen. Bijna negentig jaar na dato kunnen we opnieuw kennismaken met de debuutroman van Netty Nijhoff. Het oogt en leest nog heel fris, maar het is en blijft een klassieker. Een parel en een waar genot om te lezen!
Volgens journalist en auteur Andreas Oosthoek (1942) - vriend van Netty, degene die literaire nalatenschap van de familie Nijhoff beheert én het boek van een uitgebreid nawoord heeft voorzien - is dit boek 'een monument van eigenzinnigheid' en verschijnt het nu, na al die jaren, 'nogmaals en opnieuw als een monument van eigenzinnigheid.'
Ik kan het alleen maar volkomen en uit de grond van mijn hart met Oosthoek eens zijn.

Auteur

A.H. Nijhoff
De excentrieke Netty Nijhoff (1897-1971) wordt als Antoinette Hendrika Wind in Den Haag geboren. Op haar achttiende ontmoet ze Martinus Nijhoff die een paar klassen hoger zit en ze raakt zwanger van hem. Het stel trouwt gedwongen en hun enige kind, zoon Faan, wordt geboren. Samen met haar inmiddels vierjarige zoon ontvlucht Netty haar benauwende Hollandse leventje en ze vertrekt in 1920 voor korte tijd naar Parijs. Het huwelijk van de Nijhoffs was vrij te noemen en Netty heeft een lange relatie gehad met de androgyne Miss Marlow Moss, een tomboy avant la lettre.
In 1950 werd het huwelijk ontbonden en Martinus Nijhoff stierf in 1953.

Titel: Twee meisjes en ik
Auteur: A.H. Nijhoff
Pagina's: 314
ISBN: 9789059367814
Uitgeverij Cossee
Verschenen: 10-06-2018