woensdag 19 januari 2022

Geert Mak - Hoe God verdween uit Jorwert

Recensie door Roosje de Vries
Uitgeverij Atlas Contact


Het verandert allemaal zo snel…


Vijfentwintig jaar na de eerste druk in 1996 verschijnt de vijftigste druk van Hoe God verdween uit Jorwert; een monografie van een veranderend Fries dorp: in 24 drukken heette het dorp Jorwerd met een ‘d’, de jubileumuitgave geeft het dorp zijn trotste Friese naam terug: Jorwert met een ’t’ - waarover niet evenzo trots een aantekening over gemaakt door de uitgeverij? -. Het duurde eventjes voor ik dát doorhad, en dat het geen typefout was…. Maar dat ligt natuurlijk gewoon aan mij. Ik mag dan Friese voorouders hebben, kennis van de Friese taal hebben zij mij niet meegegeven.

Nu niet meteen op de zeurzak plaatsnemen en gewoon Geert Mak en de uitgever feliciteren met de mijlpaal van dit boek. En gek genoeg stond dit boek nog op mijn telezenlijst. De meeste boeken van Mak heb ik gelezen. 

Ik heb wat historische kennis en daarom houd ik over het algemeen niet van historische romans: kort door de bocht, ik weet het. Ik heb er een haat-liefdeverhouding mee, met historische romans. Daar ga ik nu niet op in, een andere keer wellicht. 
Er zijn historische roman die ik wel waarder, onder andere die van Yourcenar, maar zij is een ongelooflijk stilist natuurlijk. Niet van Hella Haasse - oei dat voelt wel als een zware bekentenis -, maar wel Nico Dros’ roman over Willem die Madoc maakte - in welke spelling je ook maar wil -: fantastisch gedaan!

Deze uitweiding is volkomen niet ter zake doende want Maks boeken zijn geen romans. God en Jorwert - zo mag ik het wel even oneerbiedig noemen, toch? - is een non-fictieboek. Een geschiedenisboek dus. Nou ja, voor een groot deel is God en Jorwert ook een min of meer diachroon antropologische case study. Moeilijk woorden, dat klopt. Het wil zeggen dat het vooral een monografie is van een veranderend dorp. Een deel van de literatuur die Mak gebruikt is van antropologische en historiserend sociologische aard. Een vorm van sociologie - of antropologie, zo je wil - die in Amsterdam veel aanhangers had - en misschien nog -. Eventjes tussendoor: waarom geen literatuurvermelding van antropoloog Robert Redfield *, en wel van anderen?

Nou, ik kom moeilijk van mijn zeurzak af. Enfin, dan hebben we gewoon wat mindere puntjes gehad en kunnen we over tot bewieroking van boek en schrijver.

De studie die in 2020 over Urk verscheen van de Vlaamse journalist Matthias Declercq, is wel te vergelijken met Jorwert. Tenminste, ik kreeg er associaties mee. Toen ik Urk aan het lezen was dacht ik: waarom schrijft een Vlaming over Urk? Maar dat is nou net wat antropologen ook altijd deden: mensen en culturen bestuderen die erg ver van hen afstonden. In het vreemde herken je namelijk ook jezelf en je eigen cultuur sneller. Bovendien is er de opvatting dat jouw opmerkingsgave minder gekleurd zal zijn - iets wat geloof ik antropological bias genoemd wordt, maar ook dit doet niet ter zake -. 

Ik heb gezocht naar een opmerking van Mak wat hem zo aantrok in een dorp als Jorwert, maar die niet gevonden. Hij is van Friese afkomst. Dat is misschien voldoende.

Mak heeft een hele poos in Jorwert gewoond en hij had mensen met wie hij speciaal optrok, die hem van alles vertelden over het dorp, de mensen, de cultuur. Centraal staat toch wel het boerenleven, zoals ook in veel oudere antropologische studies. Vanaf de neolithische revolutie, die tijd waarin mensen gewassen gingen verbouwen en niet meer alleen afhankelijk waren van jagen en verzamelen, is de boerenstand millennia lang de meest belangrijke geweest. Echter, de industriële revolutie heeft dat totaal veranderd. En daar gaat dit boek over. Zo vat ik jaren en jaren van ontwikkeling maar even bondig samen.

Mak schrijft goed en prettig. Niet al te simpel, niet al te moeilijk. Met veel inzichten en doorzichten. Met veel sympathie voor de mensen. Hij is warm en meelevend. Jorwert staat model voor de veranderende situatie op alle gebied van Nederland, en zelfs van de hele wereld. Zo noemt Mak het niet, maar dat zit er wel achter; dat voelt je gewoon. En hij vindt dat het wel erg snel gaat en hij vraagt zich voortdurend af: is dit nu wel goed? Worden er niet te veel en te snel  wisselende besluiten genomen? Door de nationale en gewestelijke overheden? Door bedrijven en de alsmaar veranderende economische omstandigheden? Mak is geen optimist. De wereld met haar gigantische problemen van wereldformaat verliest de menselijke maat. Nostalgisch is Mak ook wel een beetje. Maar dat zijn we allemaal: heerlijke nostalgie, naar de gezelligheid vroeger en wat al niet meer.

Toch geeft Mak een paar prachtige doorkijkjes door onze geschiedenis. Daar is hij groot en groots in: verbanden leggen tussen verschillende tijden, gebeurtenissen, culturen, leefomstandigheden, etc. Niet te pietepeuterig door archieven heen schuimen. Een ouderwetse geschiedenisleraar van de goede soort. Ik had vroeger op school ook zo’n meester. Hij kon heerlijk vertellen en voorlezen over de vaderlandse geschiedenis; hij heeft ongetwijfeld mijn keuze voor dit vak mede beïnvloed.

Eigenlijk was ik van plan een heel ander stukje te schrijven. Veel inhoudelijker over boek en studie. Maar ja, dat heeft gewoon niet zo veel zin. Ga zelf lezen! Dat is de beste aanbeveling die ik kan doen. En velen zijn mij al voorgegaan. 
Het boek heeft ook prachtige platen, van onder andere een lokale tekenaar.

Een zeer sympathiek boek, een geschiedenisboek, dat je gewoon moet lezen. Je leert er het een en ander van en dat ik wat kleine puntjes heb, moet je gewoon terzijde schuiven. Ik zou bijna zeggen: lees liever Mak dan veel zogenaamde historische romans. Mak brengt je de mensen ook zeer dichtbij. Zijn mensenliefde is enorm groot.

Vette aanrader! En een dikke felicitatie aan het adres van Geert Mak en uitgever Atlas Contact!! 

    • Robert Redfield (4 december 1897 - 16 oktober 1958) was een Amerikaanse antropoloog en etnolinguïst, wiens etnografisch werk in Tepoztlán, Mexico, wordt beschouwd als een mijlpaal van de Latijns-Amerikaanse etnografie. Hij was zijn hele carrière verbonden aan de Universiteit van Chicago : al zijn hoger onderwijs vond daar plaats, hij trad toe tot de faculteit in 1927 en bleef daar tot zijn dood in 1958 (Bron: https://en.wikipedia.org/wiki/Robert_Redfield)

Titel: Hoe God verdween uit Jorwert (Jubileumeditie met een nieuw nawoord)
Auteur: Geert Mak
Pagina’s: 422
Uitgeverij Atlas Contact
ISBN: 9789045045320
Verschenen:  december 2021: de 50e druk; eerste uitgave 1996

dinsdag 18 januari 2022

Susan Abulhawa - Ochtend in Jenin

Recensie door Robert Van der Meiren
Uitgeverij De Geus


Palestijnen zijn dus óók mensen!


Het is fijn als je een boek met een bewonderend wauw-gevoel kunt dichtklappen. Een goed boek blijft dan een tijdje nazinderen, en verdwijnt daarna geruisloos naar de achtergrond, bijvoorbeeld omdat we alweer aan een volgend boek zijn begonnen. Maar heel af en toe krijgen we een boek in handen waar we zo van onder de indruk zijn dat het zich voor heel lang ‒ of zelfs voor altijd ‒ in ons geheugen vastzet. Voor mezelf noem ik bijvoorbeeld Dokter Zjivago van Boris Pasternak, The Lord of the Rings van J.R.R. Tolkien, Het achtste leven (voor Brilka)  van Nino Haratischwili, bijna alle (vertaalde) romans van Halldór Laxness, Oorlog en Vrede   van Lev Tolstoj, en ik kan hier nog wel even doorgaan...

In het begin van vorig jaar las ik Ochtend in Jenin  van de Palestijns-Amerikaanse schrijfster Susan Abulhawa, en ik weet nu al dit werk mij voor de rest van mijn leven zal bijblijven. De roman tekent een schokkend, onthullend, onthutsend, ontnuchterend en verbijsterend beeld van de Israëlisch-Palestijnse kwestie, en is voor mij dé ontdekking van 2021.

Het verhaal

Het is 1941, en in Palestina is alles peis en vree. De Palestijnse bevolking leeft vreedzaam samen met joodse en christelijke minderheden, er wordt onderling handel gedreven en van gemengde vriendschappen kijkt niemand op. De eerste hoofdstukken van Ochtend in Jenin zijn idyllisch, pastoraal, lieflijk, romantisch, bijna idealistisch zelfs.

Alles verandert echter als de Verenigde Naties in 1948 het Joodse volk toestaan om op Palestijns grondgebied de staat Israël te stichten. Vrijwel onmiddellijk nemen de nieuwe bezetters de wapens op om "hun" land te confisqueren. De Palestijnen worden massaal uit hun dorpen en steden verdreven naar vluchtelingenkampen in (bijvoorbeeld) Gaza of de Westoever.

Dat overkomt ook de familie Abulheja uit het kleine olijfboerendorp Ein Hod, als op een dag de hele dorpsgemeenschap door Israëlische soldaten gedwongen wordt te verhuizen naar een vluchtelingenkamp in Jenin. In de chaos van haar vlucht raakt de familie een van haar kinderen, Ismail, een baby nog, kwijt. Het jongetje wordt meegenomen door een Israëlische soldaat die het kind de Joodse naam David geeft, en het als Israëlische jood zal opvoeden.

De achtergrond

Dit dramatisch voorval (1) loopt als een dunne draad door het verhaal dat verteld wordt door vier opeenvolgende generaties moeders van de familie Abulheja. De oude maar moedige Basima, haar schoondochter Dalia die haar zoontje verliest en daarna apathisch en bijna woordeloos door het leven gaat, Dalia's dochter Amaal, de hoofdpersoon in de roman die erin slaagt naar de Verenigde Staten te emigreren maar toch nooit van Palestina loskomt, en Amaals dochter Sara staan symbool voor het getergde Palestijnse volk dat na decennia van terreur, arbitraire behandeling, vernedering, onderdrukking en bureaucratische en economische pesterijen vanwege de Israëlische machthebbers emotioneel en maatschappelijk totaal ontredderd en ontwricht is geraakt.

Israël, Palestina, Gaza, de Westelijke Jordaanoever, Jeruzalem… Bijna dagelijks hebben onze media er wel iets over te berichten. Israël komt doorgaans naar voren als de legitieme rechtsstaat, terwijl de Palestijnen dan de rol van opstandige terroristen toebedeeld krijgen. Kortom, het conflict tussen Israëli's en Palestijnen is er een tussen goed en kwaad, of zo tracht men ons toch te doen geloven. De Israëlische stem klinkt het luidst, en het is alsof de (westerse) wereld na de genocide door de nazi's een eeuwig lopende schuld heeft af te lossen bij het Joodse volk.

Van dat schuldgevoel blijft na het lezen van deze roman nog weinig over. Ochtend in Jenin confronteert ons met de keerzijde van de medaille, en die keerzijde is zonder meer afschuwelijk, maar ook moeilijk te begrijpen. Hoe kan het dat een volk, dat eeuwenlang werd vervolgd ‒ denk maar aan de pogroms tijdens de middeleeuwen, en later in Rusland ‒ en dat tijdens WO II ei zo na werd uitgeroeid, zich vandaag tegenover de Palestijnen net zo gedraagt als destijds de nazi's tegenover hen? Ochtend in Jenin geeft geen antwoord op die vraag, maar stelt wel uitdrukkelijk vast.

De roman vertelt over het leven van de Palestijnen dat door de Israëlische bezetters zo goed als onmogelijk wordt gemaakt. Ochtend in Jenin gaat over wraakroepende menselijke tragedies die zich nu al ruim zeventig jaar afspelen in een oorlog waar nooit een einde aan schijnt te kunnen komen. Op een indringende manier laat Susan Abulhawa ons kennismaken met háár volk, en dat volk is vandaag banger voor de liefde, dan voor de dood.

Hoewel de roman een verwoestend beeld ophangt van de Israëlische machthebbers, is Ochtend in Jenin toch géén antisemitisch pamflet. Het boek beschrijft en veroordeelt de wandaden en de onmenselijkheden, maar dat die begaan worden door Israëlische joden doet Abulhawa veeleer voorkomen als toeval.

De taal

Ochtend in Jenin is echter ook een prachtig geschreven en zeer leesbare roman. Susan Abulhawa's taalgebruik is om van te snoepen. Romans met een tragische thematiek als dit trappen gemakkelijk in de val van gratuite sentimentaliteit, maar daar meandert Abulhawa mooi omheen. Ze schrijft poëtisch en uitermate fijngevoelig, zonder ook maar één keer te vervallen in onnatuurlijke emotionaliteit of goedkope meligheid, zelfs niet als het hoofdpersonage Amaal op een dag meedogenloos wordt getroffen door cupido's liefdespijl!

Als ik Abulhawa's taalgebruik in één woord zou moeten kenschetsen dan is het dit: vriendelijk! In haar roman Het blauw tussen hemel en zee vond ik een passage waarmee ze zelf ‒ wellicht ongewild en onbewust ‒ haar manier van schrijven typeert. Ze schrijft:

"Verhalen zijn belangrijk. We bestaan uit onze verhalen. Het menselijk hart is gemaakt van de woorden die we erin stoppen. Als er ooit iemand iets gemeens tegen je zegt, laat die woorden dan niet in je hart terechtkomen en zorg ervoor dat je geen gemene woorden in het hart van de andere mensen stopt…"

Zo is Abulhawa's vertelstijl: in weerwil van de inhoudelijke gruwel wordt ze nooit polemisch en mijdt ze extreem taalgebruik voortdurend. Cassante uitspraken zijn zeldzaam, in alles wat ze schrijft zit een vriendelijke of begrijpende ondertoon, waardoor de afschuwelijke realiteit nog scherper uit de gitzwarte verf komt. Naar het einde toe toont het hoofdpersonage Amaal zich zelfs grootmoedig, haar goodwill is bewonderenswaardig, ze toont zich groots in haar machteloosheid, maar vooral overstijgt haar ethisch normbesef in sterke mate dat van de Israëlische onderdrukkers. Ze voedt haar dochter Sara op in het volle besef van al de onrechtvaardigheden die het Palestijnse volk moet ondergaan, maar leert haar tegelijk dat begrip en verzoening ten allen tijde de voorkeur moeten krijgen op wraakgevoelens en vijandigheid.

Die conciliërende toon wordt nog sterker benadrukt als Amaal en haar verloren gewaande broer weet krijgen van elkaars bestaan. Bij allebei groeit een sterk verlangen om de wereld van de ander te ontdekken en te begrijpen. Ismail of David, Palestijnse Jood of Joodse Palestijn, symboliseert de mens die de handen uitsteekt naar beide volksgemeenschappen en zo de deur opent naar een 'entente cordiale' die er ooit moet komen (3).

Met Ochtend in Jenin heeft Susan Abulhawa zonder meer een meesterwerk geschreven, een eenvoudig verhaal en tegelijk een literair juweel dat de lezer vanaf de eerste zinnen meesleept naar een wereld die hij niet of amper kent, de wereld van de Palestijnen, en naar mensen die hem diep en diep raken. Toch vrees ik dat haar uitzonderlijke verteltalent en haar literair vakmanschap Susan Abulhawa nooit een of andere belangrijke literaire prijs zullen opleveren, laat staan een nominatie voor de Nobelprijs (2). In de westerse wereld hebben we al lang geleden bepaald wie in dit verhaal de goeden zijn, en wie de slechten, en vanuit die optiek verdedigt Abulhawa helaas de verkeerde zaak.

Besluit

Ochtend in Jenin is een echte eyeopener die mij trof als een slag van een zware moker! Ik heb er bewust voor gekozen geen al te gedetailleerde samenvatting van de roman te schrijven, in de hoop dat zoveel mogelijk lezers de stap zullen zetten om dit verhaal zelf te ontdekken. Maar iedereen die het boek leest zal zijn of haar mening over Joden en Palestijnen gegarandeerd bijstellen, of zelfs helemaal omgooien: die impact had het boek in elk geval op mij!

Om het boek enigszins te situeren in de mondiale literatuur: het mag worden gezien als de (Arabische) tegenhanger van bijvoorbeeld Exodus van Leon Uris (1958), of De bron van James A. Michener (1965).

Tenslotte nog dit: het is moeilijk niet te gaan haten na het lezen van dit boek. Maar misschien is dat wel de boodschap die Susan Abulhawa ons wil geven: dat haat niets oplost, dat haat nooit iets oplost.

De auteur

Susan Abulhawa is een Palestijns-Amerikaanse schrijfster en activiste voor de mensenrechten. Ze werd geboren op 3 juni 1970. Haar ouders, vluchtelingen na de Zesdaagse Oorlog (1967), scheidden kort na haar geboorte waarna Susan een turbulente kindertijd kende. Enkele jaren woonde ze in een weeshuis in Jeruzalem, maar werd op haar 13de door de Israëlische overheid uitgewezen. Ze week uit naar de Verenigde Staten, leefde er korte tijd bij haar vader maar kwam toch weer in het circuit van de pleeggezinnen terecht.

Ze studeerde biomedische wetenschappen, en had een succesvolle carrière als researcher in de farmaceutische industrie. Ze woont in Pennsylvania.

Haar debuutroman, The Scar of David (Het litteken van David) uit 2006 kende weinig succes, maar nadat ze de roman herwerkte en in 2010 opnieuw uitgaf als Mornings in Jenin (Ochtend in Jenin) kwam de wereldwijde appreciatie op gang. De roman werd in 27 talen vertaald.
Susan Abulhawa is initiatiefneemster en bezielster van "Playgrounds for Palestine", een project dat probeert speeltuinen te bouwen in oorlogsgebieden en vluchtelingenkampen.

Eindwoord

Ik wil eindigen met een recent citaat van de schrijfster, dat ik meegeef zonder er een oordeel over uit te spreken of zonder controverse te willen uitlokken, maar gewoon als iets om over na te denken. Dit twitterde ze op 24 december 2021:
"Israel is the moral filth of human consciousness."
Waarvan akte…

(1) In zijn novelle A'id lla Hayfa uit 1970 vertelt de Palestijnse activist en schrijver Ghassan Kanafani (1936-1972) over een Palestijns echtpaar dat op een nacht in april 1948 door Israëlische bezetters gewapenderhand uit zijn woning wordt verdreven. De vijf maanden oude baby van de vluchtende Palestijnse familie blijft in de woning achter. De nieuwe Israëlische bewoners nemen het jongetje in hun gezin op. Twintig jaar later ontdekken de Palestijnse ouders dat hun zoon nog leeft en soldaat is in het Israëlische leger. Dit waargebeurde faits divers inspireerde Susan Abulhawa tot het schrijven van Ochtend in Jenin.
(2) Vooral vanuit de Arabische wereld werd Susan Abulhawa meermaals onderscheiden, en in de Verenigde Staten, waar ze woont, kreeg ze ook enkele (minder bekende) literaire prijzen.

(3) Dat zo een 'hartelijke verstandhouding' ook echt mogelijk is bewijzen de Palestijn Bassam Aramin en de Israëliër Rami Elhanan die allebei een kind verloren in deze oorlog. Ze vonden elkaar in hun verdriet, en hun verhaal wordt schitterend verteld in Apeirogon, een prachtige roman en een bijzonder tijdsdocument geschreven door de Ierse auteur Colum McCann.

Oorspronkelijke titel: Mornings in Jenin, in 2010 verschenen bij Bloomsbury, USA, New York
Nederlandse titel: Ochtend in Jenin, in 2012 verschenen bij De Geus
Eerder bij De Geus verschenen onder de titel Het litteken van David (2007)
Auteur: Susan Abulhawa
Nederlandse vertaling: Marianne Gaasbeek en De Geus bv
Pagina’s: 348
Categorie: literaire roman
Genre: historische roman
ISBN: 9789044522273

vrijdag 31 december 2021

Hervé Le Tellier - Anomalie

Recensie door Marjon Nooij
Xander Uitgevers

Wanneer alles wat onmogelijk lijkt toch kan gebeuren 

Met zijn roman 
Anomalie won Hervé Le Tellier vorig jaar de prestigieuze Prix Goncourt. De verwachtingen zijn dus hooggespannen. De auteur gooit lezer in het diepe met een tiental hoofdstukken, waarin hij even zovele personages van zeer diverse pluimage en verhaallijnen introduceert. Wat het verband is tussen hen is blijft vooralsnog ongewis, maar de algemene deler is dat de personages bij elkaar komen wanneer ze eind juni 2021 in dezelfde Boeing 787 van Air France met vluchtnummer 006 stappen met New York als eindbestemming.

Het toestel belandt in zwaar weer dat gepaard gaat met hagel en een flinke turbulentie. Aan boord bevinden zich ruim tweehonderd levende zielen en de luchtverkeersleiding sommeert de gezagvoerder om uit te wijken naar een andere luchthaven. Na de landing worden het toestel en alle inzittenden geïsoleerd in een hangar. Niemand begrijpt waarom ze worden vastgehouden. De CIA, FBI en defensie zijn in opperste staat van paraatheid gebracht. Protocol 42 – waarmee nog niemand ooit te maken heeft gehad en dat in werking treedt bij aangelegenheden 'met beperkte waarschijnlijkheid' – is onder het stof vandaan gehaald. Dit is het moment waarop de titel van het boek duidelijk wordt. Anomalie; een verschijnsel dat men niet kan verklaren aan de hand van bestaande wetten.

Reden van de paniek is dat het een soortgelijk toestel betreft als bij een voorval van bijna vier maanden eerder. Op zich geen alarmerend argument, ware het niet dat zowel passagiers als bemanning én de beschadigingen door het front van hagelstenen identiek zijn aan die van de vlucht van maart. Een onderzoek wordt opgestart, zowel psychologisch als wetenschappelijk, waarbij een team psychologen vraaggesprekken aangaat met alle personen, die met strikvragen worden geconfronteerd om een zo duidelijk mogelijk antwoord te krijgen op de vraag wat hun werkelijke identiteit is. Er lijkt sprake te zijn van een miraculeuze verdubbeling.

Met de verdubbeling als het centrale thema, haakt de auteur aan bij de zogenaamde snaartheorie die in de laatste decennia van de twintigste eeuw werd onderzocht. Men kwam toen tot de slotsom dat er vier krachten bestaan, in plaats van de twee – zwaartekracht en elektromagnetisme – die Albert Einstein destijds kende en heeft beschreven in zijn algemene relativiteitstheorie. Met deze snaartheorie hoopte men te kunnen verklaren hoe het heelal in elkaar steekt. Op het wereldwijde web zijn er legio sites te vinden met uitleg voor dummies. Kwantummechanica, elektromagnetisme, zwarte gaten, zwaartekracht en parallelle universa; de grote vraag blijft voorlopig hoeveel dimensies er bestaan en of het al dan niet mogelijk is om de tijd te kunnen terugdraaien.

'Veronderstel dat de ruimte zich kan dubbelvouwen zoals dit vel papier... Maar in een dimensie die voor ons niet toegankelijk is, die niet behoort tot de drie die wij kennen. Als ons heelal inderdaad wordt bepaald door de snaartheorie, dan is het een hyperruimte met tien, elf dimensies. In dat model is ieder elementair deeltje een snaartje, dat anders trilt dan de andere, in om zichzelf gerolde dimensies.'

De inzittenden van vlucht 006 krijgen de kans om 'zichzelf' te ontmoeten en wanneer ze oog in oog komen te staan met hun andere 'ik', zal het voor iedereen een andere ervaring zijn. Zo weet één persoon ongemerkt de hangar te ontvluchten om direct de confrontatie met zichzelf aan te gaan. Hij probeert zichzelf zijn wachtwoorden te ontfutselen. Een ander krijgt te maken met zijn eigen overlijden, een kind krijgt twee identieke moeders en iemand kiest ervoor om als tweeling verder door het leven te gaan. Weer een ander blijkt zwanger te zijn van haar geliefde, maar wie van hen tweeën hoort bij deze geliefde?

Hoe kun je keuzes maken waarbij je zelf de grote verliezer bent? Hoe kun je omgaan met het feit dat je precies weet wanneer je zult overlijden aan een dodelijke ziekte? Wat doe je wanneer je oog in oog komt te staan met jezelf en er ineens dingen aan je eigen gedrag opvallen? Hoe ga je om met de wetenschap dat je zelfmoord hebt gepleegd? Waar overheerst de realiteit en waar komen er andere dimensies om de hoek kijken? Grote onderwerpen en dilemma's die existentiële vragen en zelfreflectie oproepen.

En passant wordt er aangestipt dat er zich in China eenzelfde situatie heeft voorgedaan, maar dat het voorval daar door de autoriteiten strikt buiten de actualiteiten wordt gehouden. Dit gegeven blijft bij een constatering en wordt niet verder uitgewerkt.

De auteur speelt met diverse literaire stijlen die hij heeft aangepast aan de verschillende omstandigheden en personages. Waar het ene hoofdstuk een onderdeel van een thriller zou kunnen zijn, ligt bij een ander personage de nadruk meer op een psychologische roman of heeft het kenmerken van wetenschappelijke en scifi literatuur. 

Ook het implementeren van humor is niet vergeten. Zo wordt de president van Amerika neergezet als een karikatuur – hij 'vertoont een sterke gelijkenis met een dikke tandbaars met een blonde pruik' –, mokkend en zich simplistisch uitend. De auteur geeft ook Macron een rol in het geheel, dus qua tijd is één en één twee.

Wie misschien schrikt van de theoretische toevoeging van onder andere de eerder vermelde snaartheorie, hoeft niet te schromen om deze roman toch te lezen, daar het niet (expliciet) nodig is om deze wetenschappelijke kennis te hebben om te genieten van het verhaal, dat op meerdere niveaus is te lezen. 

Een kleine kanttekening is dat het concept en de personages die worden opgevoerd - in de 300 bladzijden die het boek telt - niet dieper worden uitgewerkt. Dit is de keuze van de auteur en hij vond het blijkbaar voldoende, maar het is een gemiste kans om nog meer diepgang te creëren en het literaire genre 'psychologische roman' naar een hoger niveau te tillen. Het verhaal heeft de potentie om enkele passages spannender neer te zetten. Dat het geen thriller is, is evident, er staat immers 'roman' op de cover, die daarentegen wel die indruk kan wekken. Dit verhaal laat de lezer op twee benen hinken, met het idee: heb ik belangrijke aanwijzingen gemist? Het nodigt echter uit tot herkauwen en is bij uitstek geschikt om over van gedachten te wisselen in een leesclub.

Desalniettemin is Le Tellier erin geslaagd een boeiend verhaal met een origineel en uiterst actueel plot te scheppen, voorzien van vele verwijzingen naar de wereldliteratuur en met een verbijsterend einde.

Titel: Anomalie
Auteur: Hervé Le Tellier
Vertaling: Andreas Dijkzeul
Pagina's: 304
ISBN: 9789401615891
Uitgeverij Xander
Verschenen: november 2021

donderdag 23 december 2021

Charles Dickens - Een Kerstverhaal

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Lalito

Hoe een klassiek verhaal anno 1840 nog altijd zo mooi kan zijn


Londen: Het is ongeveer 1840 en de Kerstdagen zijn in aantocht. Een tijd waar iedereen naar uitkijkt. Dagen van vreugde, liefde, samenzijn en een gezellige familiesfeer.

Ebenezer Scrooge - die alleen maar denkt aan werken en veel geld verdienen, zodat hij zoveel mogelijk kan oppotten - is een verzuurde, inhalige en gierige man. Hij gunt een ander nog minder dan niets en daardoor heeft hij geen enkele vriend. Ebenezer vindt Kerst eigenlijk maar onzin en hij baalt er enorm van dat niemand met Kerst gewoon aan het werk is.

Zijn neefje komt bij hem langs om hem uit te nodigen voor het Kerstdiner, maar Ebenezer heeft daar vanzelfsprekend geen zin in en stelt zijn neefje de vraag;

'Wat is Kerst meer voor jou dan een tijdstip om rekeningen te betalen zonder dat je geld hebt, om vast te stellen dat je een jaar ouder bent geworden en geen uur rijker; een tijd om je boeken af te sluiten en te zien dat elke post erin twaalf maanden rond volstrekt in je nadeel is.'

De Geest van Marley komt waarschuwen

Zijn zakenpartner Jacob Marley is zeven jaar geleden overleden en zijn geest komt spoken in het donkere en koude huis van Ebenezer. De Geest heeft eindelijk de kans om hem de les te lezen en hem te waarschuwen dat, wanneer hij zichzelf niet gaat veranderen, hij hetzelfde lot zal moeten ondergaan als Marley; veroordeeld zijn om over de aarde te zwerven na zijn dood.

'Hoor mij aan!' riep de Geest. 'Mijn tijd is bijna om.'
'Dat zal ik doen,' zei Scrooge. 'Maar wees niet hardvochtig voor me! Niet te bloemrijk, Jacob! Alsjeblieft!'
'Hoe het komt dat ik nu voor jou verschijn in een zichtbare vorm kan ik je niet zeggen. Ik heb vele, vele dagen onzichtbaar naast je gezeten.'
Dat was een aangenaam idee. Scrooge huiverde en wiste het zweet van zijn voorhoofd.
'Dat deel van mijn straf is niet licht te dragen,' ging de Geest verder. 'Ik ben vanavond hier om jou te waarschuwen, zodat je wellicht nog een kans en wat hoop hebt om aan mijn lot te ontkomen. Een kans en wat hoop door mijn toedoen, Ebenezer.' 
'Je bent altijd een goede vriend voor me geweest,' zei Scrooge. 'Dank je!'
'Je zult gekweld worden,' ging de Geest verder, 'door Drie Geesten.'
Scrooge's mond viel bijna even ver open als die van de Geest gedaan had.'

De drie Geesten

Wanneer Scrooge later gaat slapen komen de drie Geesten één voor één bij hem langs en laten hem drie dingen zien; de gebeurtenissen in het leven van Scrooge die hem tot deze onaangename man hebben gemaakt, de armzalige Kerstdagen van het gezin van zijn boekhouder Bob Cratchit en zijn zieke zoontje Tim, en als laatste, zijn grafsteen met de tekst: 'Hier rust een gierige en onaardige man'. Ook ziet hij dat het gezin Cratchit zonder Tim het volgende Kerstfeest zal vieren.

Langzaam maar zeker lijkt Ebenezer Scrooge toch te beseffen dat hij zijn leven moet veranderen ook voor hem wordt de Kerst een feest van saamhorigheid. In wezen is Scrooge toch ook een eenzaam man en de ontmoeting met de zieke Kleine Tim Cratchit laat zijn koude hart ontdooien. Hij gaat alsnog in op de uitnodiging van zijn neefje, geeft een flink bedrag aan de collectanten, zijn boekhouder Cratchit krijgt loonsverhoging en voor Kleine Tim, die gelukkig niet is doodgegaan, zal hij als een tweede vader zijn.

Dit verhaal is een Victoriaanse allegorie van de eenzame en zure Ebenezer Scrooge.
Ernst van Altena heeft 'The Christmas Carol' prachtig vertaald en heeft de sfeer van het verhaal niet veranderd. Het gebruik van de frisse, moderne taal maakt het minder stijf en formeel, zodat de kinderen van nu ook nog kunnen genieten van dit Klassieke Kerstverhaal.

De cover is kleurrijk en fris. Het is echter wel een gemis dat er geen illustraties in het boek verwerkt zijn. Mooie plaatjes spreken kinderen juist tot de verbeelding, zodat het niet alleen een voorleesboek is, maar ook een kijkboek geweest zou zijn.

Maar, eerlijk is eerlijk, dit Klassieke Kerstverhaal is nog altijd actueel en het blijft prachtig om te lezen en voor te lezen. Een toepasselijk cadeau voor de feestdagen.

Charles John Huffam Dickens (07 februari 1812 - 09 juni 1870) was tijdens het Victoriaanse tijdperk één van de belangrijkste Engelse auteurs. Hij was de eerste literaire kroniekschrijver en hij bleef de populairste schrijver in Engeland tot na de Eerste Wereldoorlog.

De kroniek 'The Pickwick Papers' verscheen vanaf 1836 elke maand en daar verwierf hij grote bekendheid mee.
Andere werken van zijn hand zijn: 'Oliver Twist', 'Nicholas Nickleby', 'The Old Curiosity Shop' en 'Barnaby Rudge'. 
In 1849 verscheen het, deels autobiografische, 'David Copperfield', 'Great Expectations', en 'A tale of two cities'. 

Zijn verhalen zijn doorspekt met humor en cartooneske karakters. Dickens haalde in zijn verhalen vaak sociale misstanden aan.

Titel: Een Kerstverhaal
Auteur: Charles Dickens
Vertaling: Ernst van Altena
Illustratie omslag: Maayke Kleinbussink
Pagina's: 92
ISBN: 9789491982354
Uitgeverij Lalito Klassiek
Verschenen: september 2017

dinsdag 21 december 2021

Godfried Bomans - In alle ernst

Recensie door Bas Aghina
Uitgeverij Meulenhoff


Humor is overwonnen droefheid

Soms weet je na het lezen van een hoofdstuk of zelfs al de openingszin, zoals deze bundel In alle ernst, dat er iemand bezig is die de moeite van het luisteren waard is. Ja, luisteren, want een goed schrijver of schrijfster vertelt een verhaal, terwijl hij of zij naast of tegenover je zit, als een familielid of goede vriend. De toon, woordkeus, beschrijvingen, wendingen, een subtiele balans tussen vrolijkheid, enthousiasme, melancholie en humoristisch/ironische afstand; ze vormen een talig verhaal dat ‘strak’ als een ‘huid’ om de begrippen en dingen heen zit. Om geboeid door te blijven lezen, blijkt het onderwerp er dan soms verrassend weinig toe te doen. Godfried Bomans, die 21 december 50 jaar geleden overleed.

Als columnist en verhalenverteller van De avonturen van Pa PinkelmanErik of het kleine insectenboek en Sprookjes – voor volwassenen, wel te verstaan – was Bomans ook een oer BN-er. Waarschijnlijk kenden de meesten hem van zijn mediaoptredens, waaronder de roemruchte uitreiking van de Edison aan Marlène Dietrich. Tegelijkertijd zei collega Simon Carmiggelt ooit: 'Bomans is een groot schrijver. Je mag het alleen niet zéggen.' Hij kreeg nimmer reguliere literaire erkenning.

Joost Prinsen, acteur, zanger en Bomansliefhebber, selecteerde uit 6.000 (!) pagina´s van Bomans’ verzameld werk een kleine 40 essays, die nu nog de moeite van het lezen waard zijn en die bovendien een goed beeld van zijn oeuvre geven. Thematische bundels had Prinsen kunnen samenstellen met Bomans´ essays over het politieke leven in naoorlogse jaren, het rijke Roomse leven, Haarlem, Bomans’ buitenlandse reizen – hij was een veelgevraagd spreker voor Nederlandse expats – Charles Dickens, Nicolaas Beets, maar gelukkig heeft Prinsen zich aan zijn opdracht gehouden. Met een duidelijke knipoog naar de volksschrijver besluit hij zijn inleiding met: 'Als u deze bundel had samengesteld, waren er grosso modo dezelfde stukken in opgenomen, denk ik. Ik heb alleen uw huiswerk gedaan, daar komt het eigenlijk op neer.'

En wat lezen we dan zoal in deze columns en essays voor bladen zoals Elseviers Weekblad, Volkskrant – toen nog katholiek – en gelegenheidsstukken, zoals toespraken? Prikkelende recensies van bijvoorbeeld Reves De Avonden in 1947. Of van Dickens’ Christmas Carol, over Scrooge, die we allemaal zijn 'voortdurend bezocht door geesten en voortdurend twijfelend', die vooral uit geldnood blijkt te zijn geschreven – Bomans spaart zijn helden soms niet. Poëtische bespiegelingen over bijvoorbeeld het nut van de eerste maanlanding in 1969:


'Ik begrijp nooit goed de argumenten voor of tegen deze gigantische onderneming en het klinkt mij allemaal als de stem van iemand, die het nut van een bloem bewijzen wil. Ook die bloem bewijst zichzelf.'


Maar ook maakt Bomans scherpe analyses van de verwerking van de oorlog of van gebruik van stereotypen over landen en volkeren in Het gevaar van het etiket (1968) over de statisticus die, ondanks – of juist dankzij? – zijn berekening van de gemiddelde diepte van een rivier bij het doorwaden verdronk. Ronduit geestig en helaas nog steeds actueel is Een vacature bij de reiniging (1966) waarin Bomans het ambtelijk taalgebruik van overheidswege fileert, zoals van de belastingdienst (!) en een opensollicitatiebrief schrijft aan de regering om van het gebezigde taalgebruik goed ‘die stal eens uit te mesten’.

Naarmate Bomans persoonlijker wordt, groeit de impact van zijn woorden, bijvoorbeeld als hij zijn herinnering terughaalt van het zien binnentrekken van de Duitsers, mei 1940 in Nijmegen: 'Ik wantrouw de man, die zegt dat hij met gebalde vuisten het binnentrekken der Duitsers gadesloeg; hij vult een leeg glas met de ondervindingen van later.' Of, minder (zelf)kritisch en beladen, maar des te ontroerender, in zijn schoolherinneringen, waarin de ergernis en soms angst voor de bijna dogmatisch-sektarische priester voor de klas afgewisseld worden met scheuten gelukzaligheid:

'Alles bemin ik en niets apart. Ik bemin de met fijnheid doorgloeide oorschelpen van een meisje, haar griffeldoosje, haar sponsje en het tedere dons, dat kroezelt in haar nek, juist op het plekje waar haar twee vlechtjes zich scheiden gaan. Ik bemin dit alles niet afzonderlijk, met de liefde der begerigheid en van het bezit, maar met een alles omhelzende genegenheid, omdat het deel is van het dompige samen, dat wij zijn. Geluk is het en ik heb het gekend.'


In dit soort stukken en passages is Bomans op zijn best en vergeet je compleet dat dit een column uit 1956 is die gaat over een ervaring van nu ruim 80 jaar geleden. Het is bij dit soort passages en na Bomans’ laatste column De man met de das (1971) over een vroege herinnering aan zijn vader, dat je onwillekeurig begint te mijmeren: hoe zou Bomans’ roman eruit hebben gezien als hij deze geschreven zou hebben? Soms krijg je ronduit on-Nederlandse associaties met de wendingen die Bomans maakt in zijn essays, zoals in Een nutteloos levenswerk (1952) over het zoeken naar het enige woordenboek van een uitgestorven Patagonische taal in de ‘readers-room’ van het Brits museum: 'Rond hem heen, in een kleine kring, zit een aantal mannen, ook gebrild en vermoeid, die vragen beantwoorden. Zij weten bijna alles. Zóveel weten zij, dat het slechts eenmaal in een aantal jaren voorkomt, dat zij het niet weten. Dan buigen zij achterwaarts en fluisteren de vraag naar de kleine, grijze man in hun midden. Dit is in 1938 voorgekomen en in 1947 geschiedde het weer. Het is ook gisteren gebeurd. En wel door een vraag van mij.' Alsof dezelfde geest rondgaat die Borges inspireerde, ook zo’n auteur die net als Bomans nimmer gepaste literaire waardering.

Bomans is lang in de 19e eeuw gebleven met zijn voorkeur voor Dickens en Bilderdijk en, aldus Prinsen in zijn inleiding, bereikte pas laat de 20ste eeuw. De hamvraag is natuurlijk: kunnen wij in de 21ste eeuw nog zo van Bomans genieten, zoals hijzelf kon genieten van 19e-eeuwse literatuur? Een aantal columns over bijvoorbeeld (studenten)literatuur rond Piet Paaltjens en Nicolaas Beets zijn soms voer voor liefhebbers van de betere Engelse Victoriaanse drama’s. Maar ook – of misschien wel juist? – in die stukken blinkt Bomans vaak uit in stijl en compositie, waardoor hij ons in onderwerpen meesleurt waar we niet snel uit onszelf iets over zouden googelen. Een mooi voorbeeld hiervan is het essay over de rivaliteit tussen de wereldberoemde Charles Dickens en diens redelijk onbekend gebleven collega en generatiegenoot Thomas Thackerey, dat zich als een bijna Shakespeareaanse drama ontvouwt. Zonder veel moeite laat het zich lezen als een eigentijds verhaal over onze socialmediaperikelen, vol ijdelheden, gekrenkte ego’s en de bitterzoete cocktail van bewondering en jalousie de commerce. Door eigenzinnige onderwerpkeuzes en zijn stijl, waarin hij achter de anekdote op zoek gaat naar een glimp van inzicht in de condition humaine, verdient Bomans een plaats in de top 25 van de Nederlandse en Vlaamse literatuur. Al met al, zou de bundel In alle ernst als ondertitel kunnen hebben: hoe schrijf je columns die de tand des tijds glansrijk doorstaan?

En misschien hebben wij juist in deze opnieuw hijgerige pandemische tijd Bomans’ regels nodig voor relativering, verwondering, ontroering. En ja, ook voor die o zo nodige glimlach. Immers, 'Humor is overwonnen droefheid.'

Titel: In alle ernst
Auteur: Godfried Bomans
Samengesteld door Joost Prinsen
Pagina's: 260
ISBN: 9789029094849
Uitgeverij J.M. Meulenhoff
Verschenen: november 2021

vrijdag 10 december 2021

Frits Bosch - De tromslager

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij De Brouwerij


Boeiende reconstructie van het leven van een voorvader

Tijdens genealogisch onderzoek in archieven naar de stamboom van zijn familie, stuitte Frits Bosch op zijn Zwitserse voorvader die als huursoldaat heeft gediend in het Staatse leger tegen de Fransen en later in het Bataafse leger onder Napoleon. 

Hij bezocht zijn geboortedorp, kreeg inzage in kerkboeken en verzamelde informatie uit archieven van de burgerlijke stand, doopregisters, militaire archieven, krantenberichten en dagboekaantekeningen van soldaten en legerleiding. Zo werd het idee geboren om De Tromslager te schrijven; een historische roman, over het leven van Adam Bösch (1762-1824), gebaseerd op waargebeurde feiten. De familienaam werd in de loop der jaren verbasterd tot het huidige Bosch.

Bosch (1952) studeerde psychologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en vestigde zich als eerstelijnspsycholoog. Vanuit zijn ervaring met de veranderingen binnen de GGZ schreef hij in 2019 Help, de psycholoog verzuipt!

Adam wordt als oudste zoon van het gezin van Paulus en Maria Barbara Bösch geboren in het Zwitserse dorpje Stein. Hij leert lezen en schrijven, maar de kosten van school zijn te hoog voor het gezin en er wordt van hem verwacht dat hij taken verricht op de boerderij. Er worden na Adam nog tien kinderen geboren, maar daarvan zijn er zeven doodgeboren of al op jonge leeftijd overleden. Het dagelijks leven is hard door armoede, kindersterfte, oorlogsdreiging en epidemieën. Paulus is – net als zijn vader en grootvader – , werkzaam als dagloner in het graafschap Toggenburg en ook Adam zal zich moeten laten inhuren om zijn aandeel te leveren aan de financiën van het gezin. Hij wil echter zelf ook sparen voor een eigen huis en ambieert een ander leven. Het idee dat zijn oom opperde om naar Holland te reizen en zich aan te sluiten bij het Zwitserse regiment, spreekt hem wel aan. Als tromslager welteverstaan, want hij wil onder geen beding schieten en vechten.

'Omdat het belangrijk is dat de soldaten in de pas blijven lopen, geef jij met je trommel het loopritme aan en tijdens gevechten geef je de bevelen van de generaal door met trommelslagen. De infanteristen weten dan precies, wanneer ze moeten laden en schieten. Je speelt ook samen met pijpers: dat zijn trompetters en fluitisten die de melodie spelen.'


Met zijn doopbewijs op zak vertrekt hij in het voorjaar van 1789 naar de Zuidelijke Nederlanden, in de hoop er een betere toekomst op te kunnen bouwen en een gezin te stichten. De lange tocht leidt hem te voet naar Basel, waar hij zijn weg zal vervolgen langs de Rijn. Bij Keulen moet hij de weg nemen naar Breda. In ruil voor het doen van klusjes, kan hij onderweg altijd wel ergens een slaapplaats bemachtigen en kan hij vanaf Basel op een rijnvlot meevaren naar Dordrecht, waarna hij te voet de laatste 30 kilometer naar Breda aflegt.

De auteur heeft veel informatie kunnen achterhalen en verweeft deze interessante feiten in zijn romandebuut. Zo beschrijft hij Adams' toetreding in 1790 – als tromslager voor vijf stuivers per dag – tot het Staatse leger van Holland, dat na de Bataafse omwenteling in 1795, onder Franse leiding verder gaat. In de strijd tegen de Engelsen en de Russen loopt hij een geestelijk trauma op en raakt hij levensgevaarlijk gewond, waardoor hij in het Sint Elisabeth Gasthuis van Haarlem belandt. Als klap op de vuurpijl deserteert hij, na tien jaar te hebben gediend, uit het leger van Napoleon. In Haarlem blijkt hij de buurman te zijn van koning Lodewijk Napoleon en leert hij Keetje Hodshon kennen, die een pikante verhouding heeft met de vorst.

Wanneer hij de liefde van zijn leven vindt, wordt ook zijn wens om een gezin te stichten vervuld. Het gezin verhuist naar Huisduinen, gelegen aan de Noord-Hollandse kust, waar Adam voor 26 tot 48 stuivers per week aan het werk kan als aardwerker bij de bouw van de fortificaties nabij Fort Lasalle. In oktober 1811 reist Napoleon naar de Nederlandse kust om de bouw van de fortificaties te inspecteren en komt Adam alsnog letterlijk oog in oog met de keizer te staan.

Als snel weet hij het tot uitvoerder te schoppen en een ploeg aardwerkers aan te sturen. Wanneer dit werk hem te zwaar wordt, grijpt hij de kans om dienaar van politie te worden met beide handen aan. Het gezin verhuist naar Den Helder en krijgt er een huis aangeboden; droog, ruim en veel comfortabeler dan hun woonruimte in Huisduinen. Hun oudste dochter Cornelia zal dit huis blijven bewonen tot haar dood in 1862.

Het zijn bittere tijden voor de burgerlijke bevolking en ook de leden van de familie Bösch krijgen hun portie verdriet en armoede te verwerken. Daarbij blijft het geheim van zijn desertie een zware ballast, waardoor hij zich meer dan eens in lastige bochten zal moeten wringen om dit geheim niet prijs te geven. Op 2 november 1824 overlijdt Adam op de leeftijd van zesenvijftig jaar, een groot geheim meenemend in zijn graf.

'De tweeden dag in de maand november van ’t jaar 1824 ten elf ure voor de middag. Acte van overlijden van Adam Bösch, overleden den dag van heden. ‘Zesenvijftig jaren, wonende en overleden in Den Helder, van beroep Dienaar der politie geboren te Sint Gallen in Zwitserland, echtgenoot van Grietje Gode, nalatende vier kinderen.'

Niet alleen is deze roman gebaseerd op de levensloop van Adam, Bosch heeft ook onderzoek gedaan naar zijn bloedverwanten en de personen die een belangrijke rol hebben gespeeld tijdens zijn leven. De meeste personages in het boek hebben dan ook echt geleefd en waren belangrijk in het leven van Adam.
Concreet historisch feitenmateriaal dat Bosch heeft gevonden en verzameld, is gebruikt als raamwerk voor het verhaal. Om dit alles tot een prettig leesbare roman te creëren, heeft de auteur gebruik gemaakt van fictieve elementen.

Frits Bosch ging terug naar de achttiende eeuw en is daarmee op invoelende wijze in het bewogen leven van zijn voorvader Adam gedoken. De keuzes die Adam destijds tegen wil en dank heeft moeten maken, zijn door de auteur op boeiende wijze in De Tromslager gereconstrueerd.

Titel: De Tromslager
Auteur: Frits Bosch
Pagina's: 200
Uitgeverij De Brouwerij
ISBN: 978908314545
Verschenen: november 2021

woensdag 8 december 2021

David Foenkinos - De familie Martin

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts      


Het had nog doller gekund, maar de dosering is prima

Stel je voor dat je als auteur totaal geen inspiratie hebt voor je nieuwe roman, wat doe je dan? Nou ja, dan ga je de straat op en spreek je de eerste de beste aan als potentieel personage voor je nieuwe boek. Zo vergaat het de verteller in David Foenkinos’ laatste roman De familie Martin, of dat een mooi verhaal kan opleveren zal blijken. Wie eerder werk van de auteur las zal wellicht wat van de thema’s herkennen, maar dit concept is totaal anders dan zijn eerdere boeken. Hij debuteerde in 2002 met Inversion de l'idiotie: de l'influence de deux Polonais (dit tweetal zal in zijn latere oeuvre nog regelmatig terugkeren). Veel eer kwam hem toe met Charlotte, een ode aan een Joodse kunstenares die onsterfelijk werd door haar leven in schilderijen achter te laten. Voor dit boek ontving hij onder andere de Prix Goncourt des Lycéens.

De eerste persoon die aangesproken wordt is ene Madeleine Tricot, een dame op leeftijd die vroeger werkte voor Karl Lagerveld, een van de grapjes waarmee Foenkinos zijn verhaal verlucht. Soms legt hij ze uit, soms niet, wat zo zijn voordelen heeft. Madeleine hapt toe en vertelt openhartig over haar leven. In fragmentarische zeer korte hoofdstukjes krijgen we, bijna filmisch, een beeld van Madeleines dochter Valerie en haar gezin. Deze familie heet Martin en dat vindt de verteller een bijzonder geschikte, want veel voorkomende, naam. Geen kans op achteraf gedoe van lezers die zich aangesproken of benadeeld voelen.

Vrijwel meteen zit er vaart in de ontwikkeling van de roman. Onze verteller heeft natuurlijk zelf ook een leven, zijn verhaal mag geen belangrijke rol spelen, maar doet het toch. De gesprekken lenen zich voor het uitwisselen van gegevens en daarbij past geen eenrichtingsverkeer. Hoewel hij probeert de focus te houden op de personages komt de spot regelmatig op zijn eigen leven te staan. Dat kan zijn omdat Valerie oprecht geïnteresseerd is in het wel en wee van de schrijver, maar vaker nog roept de familie Martin vragen op over zijn eigen leven. Een abrupte beëindiging van zijn relatie met Marie houdt hem nog steeds bezig en loopt als een rode draad door de hoofdstukjes. Het liefst blijft hij stil omdat hij ‘zichzelf het beste kent’ en is geobsedeerd door schrijven:

'[…] dat blijft nu eenmaal de beste manier om ver weg van jezelf te reizen. En ik probeer mezelf liever te ontvluchten dan te begrijpen.’ (pag.45)


Het intensieve contact met de familie verloopt niet altijd even vlekkeloos, de ene keer krijgt hij totaal geen medewerking van de twee tieners of Patrick de echtgenoot, een andere keer wordt hij gevraagd als huiswerk begeleider of mag hij bemiddelen in een precaire liefdes kwestie van dochterlief. De vraag is of de personages hun gedrag aanpassen aan hun nieuwe status, want ze komen wel in een boek! Er zijn nogal wat verhaallijnen, niet dat het er teveel zijn, maar als lezer ben je wel benieuwd hoe die lijnen zich ontwikkelen. Alles oplossen is niet nodig in een roman, een aantal draadjes mag los blijven om de fantasie over de afloop te prikkelen. Hetzelfde geldt voor het verwachtingspatroon, het pleit voor de auteur wanneer hij weet te verrassen. En dat doet Foenkinos! Behalve dat hij met dit boek laat zien dat mensen met een ogenschijnlijk ‘onspannend’ leven wel degelijk in een stroomversnelling kunnen komen waarmee een kettingreactie ontketend wordt overdrijft hij deze mogelijkheid niet. Het had nog doller gekund, maar de dosering is prima.

Wat betreft de herkenbaarheid van de thema’s en stijl valt op dat in dit boek weer een oudere dame ten tonele verschijnt, een lieve dame met een sterk karakter, net zoals hij in Herinneringen zijn oma beschrijft. Ook zijn schrijverschap komt voor in zowel De familie Martin en Herinneringen. Verder zijn de speelse voetnootjes een soort signatuur van Foenkinos, deze keer levert hij op deze manier commentaar zoals je op tv soms ziet wanneer de acteur zich richt tot de kijker. Erg leuk om zo deelgenoot te worden van het hoe en waarom van bepaalde keuzes. Als intermezzo’s komen er het en der samenvattingen wat er tot nu toe verzameld is aan ‘materiaal’.

Tot slot levert Foenkinos nog wat kritiek op de maatschappij. Dat doet hij onder meer door het leiderschap van Patricks manager op de korrel te nemen. Het wordt bijna een slapstick, maar het uitvergroten geeft aan hoe machtsverhoudingen kunnen ontsporen en mensen tot marionetten gemaakt worden. De manager is een Zwitser, zou er tussen Frankrijk en Zwitserland een rivaliteit bestaan? Het is een van de vragen die opkomen bij dit onderhoudende boek. Vergeleken bij Charlotte en Herinneringen is dit boek wat luchtiger van toon, misschien ligt het iets dichter bij Delicatesse, een prachtig boek (verfilmd) waarin de liefde een thema is, maar ook hier heerst een heftige bedrijfscultuur waarin de machocultuur een tegenstelling vormt met de menselijke maat. Wie graag wil weten hoe het Madeleine vergaat, haar leven kreeg in haar jonge jaren een traumatische wending, zal het boek zelf moeten lezen en dat is zeker geen opgave. Het zou een prachtige kennismaking zijn met deze veelzijdige auteur!

Titel: De familie Martin
Auteur: David Foenkinos
Vertaling: Sanne van der Meij
Pagina's: 220
Uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts
ISBN: 9789463934268
Verschenen: september 2021

dinsdag 7 december 2021

Jos van Daanen - Liefde is een onwoord

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij In de Knipscheer  


Ik heb 't gedaan, mama. Kom je snel terug?

Jos van Daanen (1959) studeerde Nederlands en Algemene Literatuurwetenschap. Zijn schrijverscarrière begon hij met het schrijven van maatschappelijk geëngageerde poëzie. Hij bracht twee dichtbundels en een novelle uit. Met Liefde is een onwoord heeft hij zijn romandebuut geschreven. Hierin trapt hij af met een moeder die het woord richt tot haar ongeboren kind; een relaas dat nogal onbehaaglijk aanvoelt en een opmaat is naar de spanningsboog die continu aanwezig blijft.

Hans slijt zijn dagen in een psychiatrisch ziekenhuis. Zijn kamer is sober, zijn deur op slot. Het verschil tussen goed en fout is voor hem niet altijd even gemakkelijk te begrijpen. Hij leert vooral te doen wat er van hem wordt verwacht, al uit zich dat voornamelijk in gewenst gedrag. 'Een verbetering noemen ze dat hier.'

Op regelmatige tijden 'kijken de ogen door een luikje mijn kamer in', draait de sleutel in het slot en wordt Hans naar Bril gebracht, die met hem in gesprek gaat over zijn herinneringen en de moeilijkheden in zijn leven. De volwassen Hans kan zich soms nogal aandoenlijk uitten, is zeker niet dom, maar zijn kinderlijke logica zorgt voor grappige toetsen.

Wekelijks komt zijn zus Merle op bezoek. Zij zorgt ervoor dat er een familiecommode op zijn kamer wordt gezet. Tussen de spullen vindt Hans een dagboek dat van zijn moeder blijkt te zijn. De ontboezemingen daarin staan haaks op zijn herinneringen aan haar. Het is op zijn zachtst gezegd verwarrend voor Hans om te lezen dat haar zwangerschap van hem als gif in haar lichaam woekerde en dat ze het hem nog 'betaald zou zetten'. Minutieus staat erin beschreven hoe ze de vleugeltjes uittrekt bij een gewonde koolmees. Dan vertelt zijn zus hem dat hijzelf ooit de kop van zijn kat heeft getrokken. Hij knikt plichtmatig, maar eigenlijk kan hij zich dat voorval niet meer goed herinneren.

Hans denkt vaak terug aan de verwarrende tijd toen hij zeven was. Zijn moeder belandde – door een verlamming van haar ademhalingsspieren – in een ijzeren long, waar ze de rest van haar leven in door zou moeten brengen; ergo, een uitzichtloos bestaan.
Hij had niets verkeerd gedaan, daarvan was hij overtuigd. 'Een daad van liefde, zo had hij het lang geleden in een helder moment genoemd.' Omdat hij precies had gedaan wat zijn moeder hem had gevraagd, kón het niet anders dan een goede daad zijn, want ze wilde zo graag slapen.

'Maar mama had me een keer uitgelegd dat het einde niet bestond omdat het woordje 'einde' automatisch een nieuw begin inluidde. Zonder begin had einde geen betekenis. Ze noemde 'einde' daarom een onwoord, zoals er meer van die onwoorden waren waarin ze zich gevangen voelde. Liefde bijvoorbeeld, dat niet zonder haat kon bestaan, goed niet zonder kwaad, een streling die we enkel betekenis wisten te geven omdat we wisten hoe een klap voelde. Nadat ik haar gezegd dat dat ik dat allemaal niet begreep, glimlachte ze en aaide me teder over mijn wang. We hebben een gevangenis gemaakt van verzonnen woorden, zei ze nog. En ik kon alleen maar fantaseren over de oneindige wijsheid waarover ze moest beschikken.'


Zijn verblijf in de kliniek bestaat voornamelijk uit ledigheid, het trouw innemen van zijn medicatie, de gesprekken met zijn psych en het ombuigen van en inzicht krijgen in zijn gedrag, zodat er uiteindelijk kan worden toegewerkt naar de mogelijkheid om op weekendverlof te gaan; de bitterzoete kers op zijn taart waar hij zonder scrupules naar uitkijkt.

De personages Hans, Merle en hun vader Henk, – die ons ook ná zijn overlijden nog deelgenoot maakt van zijn hersenspinsels – komen als 'vertellende' of 'belevende ik' aan het woord. Een alwetende verteller doet het verleden van hun moeder uit de doeken en ook de sombere Bril kan zijn persoonlijke geschiedenis vertellen. Op die manier meanderen er meerdere verhaallijnen door elkaar en wordt het geleidelijk steeds duidelijker dat alle personages, ieder op zijn eigen manier, worstelen met hun demonen. Door het spelen met de verschillende verhaallijnen en de chronologie, komt er steeds een stukje informatie los vanuit een ander perspectief. Het is niet meteen duidelijk wie er geloofwaardig is, waardoor de spanning richting de climax listig wordt opgebouwd.

Een aandachtspuntje is dat Van Daanen zich op zeker moment (bladzijde 46/47) even verslikt in de vertelstructuur. In dat hoofdstuk ligt het ik-perspectief overduidelijk bij Hans, maar gaat het ineens over naar Merle, vervolgens verder als alwetende verteller en wordt dit hoofdstuk beëindigd vanuit het gezichtspunt van Merle.

Ondanks de diverse draadjes heeft de auteur het verhaal compact gehouden en heeft zich niet laten verleiden tot het toevoegen en uitkauwen van allerlei onnodige zijwegen. Hij weet de aandacht vast te houden en de lezer verscheidene keren op het verkeerde been te zetten. De broeierige spanning wordt goed gedoseerd opgebouwd richting een gruwelijke apotheose.

De hamvraag die gonst door het boek is: Wie heeft er nou eigenlijk een kronkel in de kop?

Titel: Liefde is een onwoord
Auteur: Jos van Daanen
Pagina's: 218
ISBN: 9789493214408
Uitgeverij In de Knipscheer
Verschenen: september 2021