zaterdag 4 december 2021

Bodo Kirchhoff - Wedervaring

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij Lebowski


De ervaring van een spontane autorit

Wedervaring is de onvertaalbare Nederlandse titel van het boek dat in 2016 de Deutscher Buchpreis heeft gewonnen. De vertaling van de originele Duitse titel geeft het woord 'incident'. Maar ook dit geeft geen uitsluitsel over de betekenis. Pas op de website van de uitgeverij vinden we een uitleg: een boek waar het niet zozeer gaat om wat er gebeurt (om het wedervaren, zogezegd), maar om de ervaring.

Al met al is het lezen van dit boek een ervaring op zich omdat de schrijfstijl je dwingt om heel zorgvuldig te lezen. Vanuit de derde persoonsvorm wordt de hoofdpersoon Reither beschreven zonder afstand. Al zijn observaties, gedachten, overpeinzingen en herinneringen komen langs en vermengen zich met de dialogen. Dat is wennen. Maar als de lezer hieraan gewend is resulteert het wel dat de lezer dicht op de huid van Reither komt te zitten. Je voelt de twijfels en je ervaart wat er in hem omgaat. Dat maakt het verhaal sterk.

En het verhaal op zich is ook uniek te noemen. Een spontane road novel van twee Duitse pensionado's zou ik het noemen. Het begint in hun appartementencomplex. De uitgever en vooral corrector Julius Reither ontdekt in de gezamenlijke openhaardkamer een boek zonder titel dat zijn aandacht trekt. Het blijkt te zijn geschreven door Leonie Palm die ook in het complex woont. Maar daar komen we later pas achter. Het zijn twee ouderen die na een werkzaam leven en hun sociale leven zich hebben teruggetrokken uit het leven. Reither heeft in ieder geval zijn leven opgegeven. Alleen wijn en sigaretten zijn nog belangrijk. In het hele verhaal worden de hoofdpersonen aangegeven door hun achternaam. Bij hun ontmoeting wordt Palm in een lange zin minutieus beschreven:

"Want hij keek in het soort gezicht dat de vraag opriep hoe het in de vroegere jaren moest zijn geweest, verbluffend knap, gewoon omdat het nog steeds iets verbluffends had, met ogen van blauwachtig grijs, losjes opgestoken haar in de tint van pistacheschillen, een stevige neus, niettemin met tere vleugels, en bleke, volle lippen, vol doordat ze bleek waren; ze was jonger dan hij, maar niet schrikbarend."


Reither heeft zijn uitgeverij verkocht omdat er bijna geen vraag meer is naar verfijnde literatuur en de dame in kwestie is failliet gegaan met haar hoedenzaak omdat praktisch niemand meer een hoofddeksel draag. Het verhaal begint dat zij voor zijn deur staat met de vraag of hij, als deskundige, lid wil worden van haar leesclub. Vanaf het begin is er een spanning tussen deze twee. Zeker van zijn kant. Hij komt letterlijk en figuurlijk tot leven en is gefascineerd door Palm. Hij heeft moeite om te bekennen dat hij verliefd is geworden. Zelfs vriendschap is een grote stap. Ze besluiten in een opwelling om 's nachts met de auto naar de Achensee te rijden om daar de zonsopgang te aanschouwen. En zo begint deze hedendaagse en bijzondere autoreis. Uiteindelijk rijden ze verder tot aan Sicilië. Spraakzaam zijn ze niet. Toch leren we door kleine flarden van persoonlijke informatie de hoofdpersonen kennen. Het verlies hun zaak, hun wederhelft, hun kind.

"… - wie zijn kind verliest, Leonie, die is door de goden verlaten! Het scheelde maar een haar of hij had ook dat nog tegen haar gezegd, maar in plaats daarvan zei hij iets anders, zachtjes weer en naar haar toegebogen…"


In Sicilië worden ze direct in alle hevigheid geconfronteerd met de Europese migratiecrisis. Vooral Palm neemt het initiatief om hier iets aan te doen. En dat gaat helemaal mis. Door samenloop van omstandigheden beland Reither flink gewond tijdens de terugvaart en verdwijnt Palm uit zicht. Aangekomen op het vaste land wordt hij tot zijn geluk gered door een immigrant. Bij toeval kruizen de wegen van Reither en Palm elkaar. Pas aan het eind van het verhaal komt de lezer erachter waarom Leonie Palm besluit om alleen verder te reizen. Reither keert terug naar huis en neemt de immigrantenfamilie mee naar het beloofde land.

Wat dit verhaal zo leuk maakt, is de beroepsdeformatie van Reither. Zijn hele leven heeft hij manuscripten doorgelezen en, naar eigen inzicht, het verhaal verbeterd, gecorrigeerd of gewoon teksten verwijderd omdat deze niet voldeden aan zijn kwaliteitseisen. Alle gesprekken uit het dagelijks leven weegt hij alsof ze uit een manuscript komen. Zijn rode potlood altijd paraat. Maar steeds meer komt hij erachter dat clichés toch echt van toepassing zijn in het echte leven.

" … alleen was het leven geen nieuwe uitgave van uitgeverij Reither, zeker nu die niet meer bestond."

"Vreemd, dat was een nietszeggend woord waar hij altijd een kringeltje onder had gezet."

"Alleen het gesteun en gekreun bij bedscènes was erger, behalve in je eigen herinnering, daar hoor het ook thuis."


Wedervaring
is een opmerkelijk boek. Een boek dat je niet snel zal vergeten. Een bijzonder inkijkje van twee wildvreemden die op de bonnefooi een avontuur aangaan, elkaar aftasten, leren kennen en weer kwijtraken. En dat in een schrijfstijl die, als je er eenmaal als lezer aan gewend bent, de onverwachte opbloei van Reither laat meemaken. Van voorzichtige genegenheid en liefde tot het ontfermen over ontheemden. Mooie en lange zinnen uit een reisverslag tot aan de rand van Europa. Een uithoek waar zich nog steeds een humanitaire ramp afspeelt. Een bijzonder decor van deze terechte prijswinnaar.

Titel: Wedervaring
Auteur: Bodo Kirchhoff
Vertaling: Josephine Rijnaarts
Pagina's: 176
ISBN: 9789048838578
Uitgeverij Lebowsky
Verschenen: oktober 2018

dinsdag 30 november 2021

Iris Wolff - De onscherpte van de wereld

Recensie door Roosje
Uitgeverij Signatuur


Of je nu door de kat of de hond gebeten wordt

Veel weet ik niet van Roemenië, het land waarin een groot deel van deze roman van Iris Wolff zich afspeelt. Het is niet toevallig dat ik zo nu en dan aan de romans van Herta Müller moet denken, een Roemeens auteur die in het Duits schrijft. De min of meer verhuld beklemmende sfeer hebben de romans gemeen.

In het kort gezegd gaat deze roman over het leven onder het communisme en over het leven na het communisme. De plaatsen zijn het Banaat, de uiterste westhoek van Roemenië waar een veelheid aan culturen en talen elkaar ontmoeten: men spreekt er Duits, Slowaaks, Hongaars, Roemeens, Tsjechisch, Joods, Servisch en het eigen Banaatse dialect. Verder pikken we een beetje Duitsland en een heel klein beetje Hongarije mee.

Onder het communisme met narigheid als hongersnood, de genadeloze anti-abortuswet, ondervraging door de Securitate, de Roemeense geheime dienst (lees hiervoor ook Herta Müller) en ontsnappingspogingen naar het vrije Westen was het leven niet makkelijk. In het vrije Westen is het leven evenmin altijd prettig. Misschien is het ook zo dat beklemming en tegenspoed in wat voor een vorm ook deel uitmaken van een mensenleven.

De opbouw van de roman is bijzonder. Het eerste hoofdstuk, waarin moeder Florentine en zoontje Samuel centraal staan vind ik het mooiste. In dit hoofdstuk komen bijna alle mensen voor die in de volgende verhalen een rol spelen. De hoofdstukken hebben een losse samenhang. Ze volgen niet op en niet uit elkaar (een milde vorm van zeugma vermoed ik; niet op letten en gewoon doorlezen). De verschillende verhalen hangen onvast aan elkaar, zelfs zodanig onvast dat ik op enig moment dacht meer met een verhalenbundel te maken te hebben, maar toch is de samenhang wel zodanig hecht dat je van een roman kunt spreken.

In het eerste hoofdstuk maken we kennis met Florentine, die zwanger is; ze heeft sproeten en is mager; ze draagt een broek met wijde pijpen en een jak met borduursel (type hippiemeisje, denk ik). Ze is opgegroeid in de stad maar is haar man, die predikant is, gevolgd naar het Bataat, een landelijk gebied. Haar man heeft een baard en lang haar; behoorlijk ongewoon in dat plattelandsgebied dat meer gedomineerd wordt door schapen, een heilig dier in Roemenië, zegt de auteur, natuurlijk niet zonder ironie, maar evenmin gespeend van liefde. De dorpelingen is dit stel niet op voorhand goedgezind. Er gebeuren een paar zeer droevige zaken, maar ook heel mooie en lieve dingen. De sfeer is dromerig, poëtisch maar ook verhuld beklemmend. Niet overal wordt die beklemming heel erg expliciet gemaakt, maar zij is meer dan voelbaar.

In de volgende hoofdstukken komen onder anderen voor het voetlicht: Florentines man Hannes, die misschien wel liever voetballer was geworden dan dominee en die graag gitaar speelt. En dan is er Hannes’ moeder Karline; Florentines zoon Samuel, die eigenlijk herder wil worden (schapen spelen op meerdere plekken een grote rol); Samuels vriendinnetje Sana; Samuels vriend Oz (Oswald) en de draak; Bene (Benedict), die in het eerste hoofdstuk komt aanwaaien bij Florentine en Hannes, en die Samuel vele jaren later opnieuw ontmoet.

Een mooie anekdote is hoe de Zwarte Zee, waarnaar Bene en zijn vriend Lothar op weg zijn, aan zijn naam komt: De Perzen gaven de windrichtingen de naam van een kleur. Het Westen is wit; het Oosten is groen; het Zuiden is rood en het Noorden is zwart.

De werkelijkheid is bizar en weerbarstig. Als Florentine na een helse tocht op een slee met vaten gezouten vis in het ziekenhuis van de stad komt - treinen rijden er door dichte sneeuwval niet meer -, verdenkt de dienstdoende arts haar van een mislukte abortus. Florentine heeft al eerder een kind verloren en hoopt innig dat dit kind voor haar behouden blijft. De arts is zo gefocust op vrouwen die een abortus willen plegen dat hij alle vrouwen met zwangerschapsproblemen als potentiële misdadigers beschouwt. Gruwelijk is wat zij ziet als zij naar de wc moet. (Dat verklap ik niet natuurlijk….)

‘Je had het grijs van de lucht.
De rivier en de weilanden.
De uitgestrekte vlakte en de eenzaamheid.
Je had de rand en het midden.
Het ja en het nee.
De onzekerheid.
En toch, dacht Florentine, laat dit landschap je zoals je bent.’ (2021: 37)


In dit alles, tussen mensen, hun arbeid, de dieren (schapen) en het land (fruitbomen, akkers), de lucht (vliegtuigjes, draken) speelt het water (vissen) een fundamentele rol: het vruchtwater, de sneeuw, de beken waarin de kinderen zwemmen, de rivieren en als toppunt de zeeën: de Zwarte Zee en de Oostzee. Het water geeft en het water neemt.

Een indrukwekkende, beklemmende en poëtische roman.

Iris Wolff (1977) werd geboren in Hermannstadt (Duitstalig Roemenië) en is onder andere opgegroeid in het Banaat, de uiterste westelijke hoek van Roemenië. In de jaren tachtig verhuisde haar familie naar Duitsland. Ze studeerde taal- en letterkunde, religie en kunst. Zij publiceerde hiervoor al drie romans. Zij oogstte daarmee veel lof en won een aantal literaire prijzen.

Titel: De onscherpte van de wereld
Auteur: Iris Wolff
Vertaling: Chiara Tissen
Pagina's: 214
ISBN: 9789056726874
Uitgeverij Signatuur
Verschenen: september 2021

maandag 8 november 2021

Peter Sloterdijk - Theopoëzie. De hemel tot spreken brengen

Recensie door Erik Waut
Uitgeverij Boom

Een filosofisch detectiveverhaal


In zijn recent verschenen boek,
Theopoëzie, dat
zeker niet te omschrijven is als ‘geestelijke amusementsliteratuur’, lijkt de Duitse filosoof Peter Sloterdijk religie als een soort letterkundig verschijnsel (theopoëtische constructies die zich willen onderscheiden van mythen, culten en ficties van andere culturen) te willen aanduiden. Hij introduceert hierbij het begrip theopoëzie.

Het werk bestaat uit twee delen en begint bij de Griekse antieke cultuur waar de ‘Olympische kliek’ door Homerus als sprekende goden worden voorgesteld. Dit concept werd ook gebruikt in de Griekse theatercultuur waar de goden door een ‘theologeion’ worden geïntroduceerd (techniek om personages van boven af met een kraan te doen verschijnen). Het concept van de toespraak van de goden komt later in diverse vormen terug, denk maar aan de preek vanaf de kansel. Plato (ca. 427 v. Chr. – 347 v. Chr.) slaagde er in fictie en waarheid los te koppelen. Dit effende later het pad voor Augustinus (354-430) met zijn concept van ‘vera religio’, de ‘ware religie’. Een ‘modus vivendi’ waarbij de christelijke grondbeginselen tot hun recht komen. Na een kort intermezzo over het Oud-Egyptisch model om toenadering tot de goden te zoeken – waarbij de farao vanuit zijn paleisvormige ‘theologeion’ signalen de wereld instuurde – gaat hij dieper in op de gevolgen van de tussenkomst van Plato.

Sloterdijk komt halverwege het eerste deel met een belangrijke tussenconclusie, meer bepaald dat men religie dient te zien als de resultante van verbeelding, gebundelde fabels. Zo zal hij verder Dante zijn De Goddelijke komedie aanduiden als theologisch bewerkte dichtkunst. Goddelijke dingen worden vanaf nu toegeschreven aan de zogenaamde “openbaring”.

Vervolgens bespreekt Sloterdijk de doctrine van de Zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968). Religies worden door deze gezien als kuiperijen van mensen in het belang van hun zelfzekerheid en zelfverheffing. Hij behoort tot de zogenaamde dialectische theologie die benadrukt dat er een tegenstelling bestaat tussen God en de mens. Dit deel van het boek is niet gemakkelijk te doorgronden.

Bij het einde van het eerste deel komt, met toch een ironisch toontje, de zogenaamde Enchiridion symbolorum, definitionum et declarationum de rebus fidei et morum” aan bod. Dit is een soort van compendium van geloofsbelijdenissen en kerkelijke uitspraken. Ze werden opgetekend, initieel vanaf ca. 1854, door de theoloog Heinrich Joseph Dominicus Denzinger (1819 - 1883) en later aangevuld. Diverse standpunten worden weergegeven die inmiddels achterhaald zijn of op zijn minst als opmerkelijk kunnen worden aangeduid. Voorbeeld is het bericht van het Heilig Officie op verzoek van de aartsbisschop van Tarragona dat men het natuurlijk alcoholgehalte van de miswijn mocht verhogen door er ‘geestwijn’ (spiritus) aan toe te voegen, zolang het alcoholgehalte niet hoger werd dan 17 tot 18 procent. Heilige zelfcitaten vanwege de theologeion van de Heilige Stoel.

In het tweede deel keert Sloterdijk terug naar zijn uitgangspunt: de innerlijke relatie tussen godsdienst en poëzie. Hij ziet deze als het ware als middel om de gemeenschap, de sociale cohesie, te versterken. Later heeft volgens Sloterdijk het christendom zijn plaats gekregen in het Romeinse rijk omdat Constantijn de Grote (ca. 280-337) dit als raamwerk zag voor zijn imperium.

Hoogtepunt van dit werk, dat evenwel bij momenten gaat verglijden in filosofische anekdotiek, is toch wel het zeventiende hoofdstuk: “Poëzie van de overdrijving: de religievirtuozen en hun excessen”. Zo zijn er onder andere de boetedoeningen, vertraagde executies en kluizenaarschap. Religie bleef opmerkelijk zolang ze in staat was – via betoveringen die ver afstaan van de rede, door bizarre rituelen en goed gedoseerde absurditeiten – de aandacht te trekken.

Sloterdijk onderzoekt aan het einde van zijn werk de zogenaamde religieuze propaganda. Diverse religieuze systemen gaan in de hedendaagse maatschappij aan de slag alsof een product moeten worden verkocht. Hij komt finaal vrij triomfantelijk met de bedenking dat religie voor een groot deel aan belang heeft ingeboet. Na de verlichting was het initieel voor de mens namelijk onmogelijk om ongelovig te zijn. Zelfs tijdens de Franse revolutie werd er kunstmatig één of andere religie in elkaar geknutseld. Maar religie, en dit is zowat een eindconclusie (of deze terecht is, durf ik te betwijfelen), is stilaan zijn greep op de maatschappij aan het verliezen. Illustratief is volgende observatie:

In de onvoltooide verlichting moet de ‘religie’ zich beperken tot een terrein waarvan ze kan beweren dat het haar specialisme is. Ze heeft echter geen volmacht te bepalen waar de grens van dit terrein loopt, (..). Vallen er Duitse soldaten in Afghanistan, dan zal een staatsminister de ereceremonie leiden, eventueel bijgestaan door een vertegenwoordiger van deze of gene geloofsgemeenschap. Breekt er een pandemie uit, dan worden kerken, synagogen en moskeeën gesloten en interpreteren ministers van gezondheid en virologen de situatie.”


De auteur lijkt zijn standpunten absoluut te willen verbergen achter een parade van wat aangedikt taalgebruik. Allerlei termen worden geïntroduceerd (wat dacht je van: dithyrambisch opgewonden) waarbij de bedenking overheerst of hij nu aarzelt om standpunten in te nemen of gewoon probeert indruk te maken. Eens je door de mistbanken van het taalkundig bochtenwerk raakt, valt alles wel best mee…. soms. Je staat versteld over de kennis van deze filosoof, over de hoeveelheid historische en filosofische weetjes die hij op je loslaat. Erudiet, maar waar zijn de grote ideeën?

Maar, ik heb niet altijd behoefte aan de grote dogma’s, het waren gewoon leuke verhalen. Filosofische toogpraat die mij allerlei nieuwe werken heeft leren ontdekken (voorheen nooit gehoord van Karl Barth en een paar gedichten van Friedrich Hölderlin (1770-1843) zal ik toch eens grondig bestuderen). Dat is mij best. Zo leerde ik bijvoorbeeld via dit werk het prachtige kortverhaal Prometheus van Franz Kafka kennen dat op het eind van dit boek aan bod komt. Dit citaat van Kafka is opmerkelijk:

(..) De sage probeert het onverklaarbare te verklaren. Daar zij uit een grond van waarheid is ontstaan, moet zij weer in het onverklaarbare eindigen.”


Kortom, een mooi maar vrij moeilijk te lezen tussendoortje dat ik vrijpostig als een filosofisch detectiveverhaal zou willen omschrijven.

Over Peter Sloterdijk

Peter Sloterdijk (1947) wordt beschouwd als één van de tenoren van de hedendaagse Duitse filosofie. Hij is een controversiële denker en auteur van diverse filosofische bestsellers. Hij werd geboren te Karlsruhe en studeerde wijsbegeerte, geschiedenis en germanistiek aan de universiteiten van München en Hamburg. Bekende werken zijn: Kritiek van de cynische rede, Sferen en Globen.

Over de vertaling

De zeer degelijke Nederlandse vertaling is van Mark Wildschut. Af en toe zorgt hij in een eigen voetnoot voor enige verduidelijking. Hij vertaalde eerder reeds andere werken uit het Duits. Bekendste is toch Zijn en tijd van Martin Heidegger.

Titel: Theopoëzie. De hemel tot spreken brengen (vertaling uit het Duits: Den Himmel zum Sprechen bringen. Über Theopoesie
Auteur: Peter Sloterdijk
Vertaling: Mark Wildschut
Pagina’s: 320
ISBN: 9789024433360
Uitgeverij Boom
Verschenen: oktober 2021

dinsdag 2 november 2021

Arnold Jansen op de Haar - Schurft

Recensie door Mireille Bregman
Holland Park Press


Heleboel vragen over één boek


Schurft is een boek dat niet direct makkelijk leest, maar wel gespreksstof biedt. In dagboekachtige stijl, wat ik pas snapte toen ik doorkreeg dat elk hoofdstukje op een nieuwe pagina begon, wat een late constatering lijkt, maar te rechtvaardigen is door het ontbreken van tijdsaanduidingen, zet Arnold Jansen op de Haar zijn gedachten op papier. Dat gaat soms in zinnen met gedachtesprongetjes. En soms ook in best korte zinnen. In het begin kwam ik er niet doorheen, het duurde tot pagina 70 voor ik de cadans van het boek had en erin mee kon gaan. Waarom toch doorlezen? Ik kreeg het van iemand toegespeeld en de auteur zet interessante vragen op de achterflap die ik eigenlijk wilde beantwoorden. Soort experiment dus waarbij ik niet wilde opgeven.

Is het een liefdesverklaring of verraad van de verteller? Geheimen bewaren of vertellen? Is het boek feit of fictie? Want ondanks dat er roman op het omslag staat, wordt de schijn van werkelijkheid gewekt. "Je moet altijd oppassen met waargebeurde dingen." en "Ik luisterde, ben vertrouwenwekkend, mensen vertellen mij alles. Als ze mijn boeken goed zouden lezen, zouden ze dat niet doen." De auteur vertelt dat zijn debuut 'De koning van Tuzla', waarin legerervaringen verwerkt zijn, aan een kolonel de kop gekost heeft (als ik het goed onthouden heb). En zo meer van die dingen.

Waar gaat Schurft nu eigenlijk verder over? Over de relatie van de hoofdpersoon/auteur met ene Lizzy, die in Nijmegen woont. Hij reist regelmatig op en neer vanuit Malmesbury naar Nederland of andersom. Zij blijkt er echter meerdere losse relaties op na te houden, waaronder met die-asielzoeker-van-tegenover, die hem indirect schurft bezorgd heeft. In het verhaal komt ook de relatie met de andere belangrijke vrouw in zijn leven voor: zijn zus. Met haar deelt hij een huis en een uitgeverij, maar niet de badkamer. Verder wordt er veel geschreven over bezigheden (inclusief alle gedachtesprongetjes) en andere mensen, die niet bepaald altijd goed van de pagina's spatten. Als dit bestaande personen zijn, zijn ze te herkennen voor wie in de kring van de schrijver verkeert. (Mag je mensen zo portretteren? Of spreekt hier een groot wantrouwen in de mensheid?)

Hoop vragen, weinig antwoorden. Schurft schuurt (om de achterflap, maar eens te herhalen) in zowel schrijfstijl als vragen die het oproept. En toch had ik het niet willen missen. Onbewust heb ik dit stukje in dezelfde stijl als het boek geschreven. Tja, waar je mee omgaat, word je mee besmet... (ahum)


vrijdag 29 oktober 2021

Jackie Polzin - Broed

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact


Een toom kippen

In onze eerste week als kippenhouders, nu vier jaar geleden, kwam Helen langs om het curieuze gebeuren met eigen ogen te aanschouwen.’ (2021: 7)


Het is altijd interessant en vaak ook veelzeggend om na afloop van een verhaal de eerste zin of het begin van een roman te herlezen. Zo ook met deze roman Broed.

Wat kunnen we eruit leren? Het is vier jaar geleden dat dit verhaal begon; de gebeurtenissen liggen in het verleden en wellicht is het hoofdpersonage haar verleden ontgroeid. Kippen en het houden ervan is het centrale gegeven. Het houden van kippen ligt niet in de lijn der verwachtingen; er is iets buitenissigs mee. De vriendin krijgt een naam, Helen - de ik wellicht niet? Nee, de ik krijgt geen naam; de wederhelft van de ik, de echtgenoot wel. Het houden van kippen wordt ongetwijfeld veroorzaakt door iets ingrijpends; anders begin je niet aan huisdieren als kippen, wordt er gesuggereerd. En dus staat het beginnen aan een toom kippen symbool voor iets anders.

Een heel heel klein beetje hineininterpretieren is het misschien wel, of laat ik het zo zeggen: als je het weet zie in de eerste zin het hele verhaal al in een mini notendop aanwezig.

De ik is een vrouw; ze heeft een man, Percy, en een vriendin, Helen. Ze gaat kippen houden en Helen vraagt haar de oren van het hoofd: weten kippen hoe ze heten; vinden ze het fijn om geaaid te worden - uit ervaring weet ik: een enkeling wel, de meeste niet -; worden ze verdrietig als je hun eieren weghaalt; komt er uit elk ei een kuikentje?. Natuurlijk heeft de ik geen idee; ze is er nog maar net aan begonnen en staat met haar mond vol tanden en met lege handen tegenover zoveel enthousiaste vragen van haar vriendin.

Mijn inleiding is aan de lange kant omdat ik vind dat een ieder de rest zelf moet lezen. Een boekbespreking schrijven is tricky business. Als ik het een geslaagd boek vind wil ik er zo veel mogelijk over kwijt. Bij een mondelinge uitwisseling vraag ik altijd: hoeveel wil je weten, mag ik spoileren? De een vindt het prima - onder wie ik mezelf ook reken: een roman is geen thriller per slot van rekening -; de ander wil helemaal niets weten behalve of ik het een geslaagd boek vind en of ik denk dat die ander dat ook zal gaan vinden. Maar voor een schriftelijke bespreking gelden andere regels, en terecht. Er wordt in kranten en tijdschriften best veel gespoilerd, misschien wel iets te veel.

Dus besef ik nu, ik ga gewoon niet zo verschrikkelijk veel zeggen over deze debuutroman. Het gaat over een jonge vrouw, nou ja, vermoedelijk niet heel erg jong; ze is in zichzelf gekeerd - je leert al snel hoe dat komt - en ze probeert doekjes voor het bloeden te vinden. Ze woont ergens op het platteland van Amerika, waar het in de winter stervenskoud is en waar niet iedereen goed in de slappe was zit. Percy houdt het midden tussen een lamme goedzak en een pleaser (of is dat een tautologie?). Zij maakte vroeger huizen schoon - dat doet me direct denken aan de Netflix-serie Maid, die ik net gezien heb. Nu houdt ze kippen. Percy wil eigenlijk graag westwaarts verhuizen, waar hij hoopt een betere baan te krijgen.

Je volgt de ik een jaar lang in haar wel wee met haar kippen. De kippen zijn haar raison d’être. Niet opgewassen tegen de harde slagen van het bestaan houdt het toom kippen (het Engelse brood betekent ook toom; de vertaling Broed vind ik te vaag) haar in leven; andersom ook?

Het is absoluut een pre als je van kippen houdt. Vroeger heb ik ook kippen gehouden en ik kan me goed inleven in de situatie van de ik. Mijn tuin was een stuk kleiner, mijn kippenren ook, en ik hoefde geen 30 mijl te rijden om kippenvoer in te slaan. Kippen zijn heel leuke huisdieren. Ze stinken een beetje en kunnen vrij snel ziek worden. Ze zijn verschrikkelijk grappig om naar te kijken. Een enkeling laat zich aaien. Die zijn meestal als kuiken door mensen grootgebracht. Ik ken een haantje op een kinderboerderij, die ook zo is. Als hij mij ziet, komt hij even buurten en wil vaak geaaid worden. Zijn mensen moesten hem wegdoen omdat de buren zijn matineuze gekraai niet verdroegen. - -Wat een flauwekul denk ik dan altijd; als mijn buren een haan hadden zou ik er geen bezwaar tegen hebben - -.

Ik vind beslist dat veel mensen dit debuut moeten gaan lezen. Een debuut dat totaal niet aandoet als een debuut. Polzin schrijft vol overgave, trefzeker maar terughoudend, en met een groot inlevingsvermogen en met een fijnzinnige humor. Ik zie de film al voor me; meestal is het boek beter dan de film.

Ik geef tot slot nog een paar citaten. Die zijn gewoon te leuk, lief, aandoenlijk of wat dan ook.

'De wereld van de kippen dreigde al ontelbare keren op precies dezelfde manier te vergaan, maar een kip onthoudt dat niet. Een kip beleeft ieder moment maar een keer en nooit weer.’ (ib.: 74)

Ik heb het altijd ongemakkelijk gevonden, maar te vertrouwen op het proces, waarbij de belofte van resultaat in de plaats komt van de verwezenlijking ervan.’ (ib.: 90)

Elk geluid dat een kip maakt heeft een betekenis. Niemand weet of deze geluiden informatie bevatten, zoals onze woorden, of dat de geluiden van een kip gewoon aanzetten tot actie in de wereld om haar heen.’ (ib.: 112) (beetje kromme vertaling, of ben ik te kritisch?)

We eten gewoon kip, hoor,’ zei ik.’ (ib.: 168) 


Jackie Polzin woont in St. Paul, Minnesota, USA, met man en twee kinderen. Ze combineert schrijven, lesgeven en de opvoeding van haar kinderen.
Ze wordt in één adem genoemd met bijvoorbeeld Helen Macdonald en Elizabeth Strout.

Titel: Broed (Engels: Brood)
Auteur: Jackie Polzin
Vertalers: Kees Boelens en Helen Zwaan
Pagina's: 216
ISBN: 9789025470166
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: oktober 2021

zondag 24 oktober 2021

Imme Dros - Gisterland

Recensie door Eric Waut
Uitgeverij Van Oorschot


Een prachtige roman van liefde, woorden en taal

William Shakespeare (1564-1616) is één van de grote namen van de wereldliteratuur. Hij is niet alleen bekend door zijn toneelwerk, doch ook door zijn sonnetten. Over zijn leven is minder geweten en in het bijzonder niet over mevrouw Shakespeare, Anne Hathaway (1555 of ’56-1623). Bekend is evenwel volgende passage uit het testament van Shakespeare:
 

'Item I gyve unto my wife my second best bed with the furniture'


Ze huwden in november 1582. Ze was acht jaar ouder dan haar echtgenote. Op dat moment zwanger van hun eerste kind. Het was dus ‘van moeten’. Twee jaar na de geboorte van Susanna, in 1585, beviel Anne van een tweeling: Hamnet en Judith. Hamnet overleed op 11-jarige leeftijd.

Maar wat is er dan met deze zin? Was er dus iets verkeerd gegaan in dit huwelijk? 
Niets is minder waar. Onder het toenmalig common law (Engels recht) had een weduwe recht op één derde van de nalatenschap van haar overleden echtgenoot. Er hoefde hiervan zelfs geen vermelding te worden gemaakt in het testament. De term second best bed is ook te verklaren. Het was immers de gewoonte dat het beste bed in huis voorbehouden was voor de gasten. En dit ging dan ook naar de erfgenaam. Dit was hier de oudste dochter Susanna. Het zou dus eerder gaan om een liefdevol berichtje van William Shakespeare aan zijn vrouw.*

In de roman Gisterland brengt de auteur Imme Dros ons, met enkele van de bekende gegevens, het leven van Shakespeare. 

We maken kennis met de eigenzinnige Anne Hathaway die zich als jong meisje niet kon verzoenen met het feit dat haar oudere broer naar school mocht, en zij niet. Haar broer zou het grootste deel erven van hun ouders, en zij niet. Het leven kent dus zijn geschiedenis reeds door gewoonten, religie en wet. Om die reden is het misschien dat ze haar man wil stimuleren andere dingen te doen dan wat van hem verwacht werd. Hij vertelt haar over een toneelstuk dat hij aan het schrijven is. Ze moedigt hem aan, luistert naar zijn verhalen. Je leest als het ware hoe de werken van Shakespeare ontstaan. Hoe hij op zoek gaat naar inspiratie. Af en toe geeft ze opmerkingen en stuurt ze onrechtstreeks de verhalen wat bij.

Zij maakt gebruik van haar eigen talenten en zorgt, door verkoop en verstellen van kledij, voor een bijkomende bron van inkomsten voor het gezin. Zo kan Shakespeare zijn talenten ontplooien en komt zijn carrière goed op dreef. Ondertussen vertelt de auteur ons het verhaal van dit gezin. Het opgroeien van de kinderen, verlies van geliefden, ramp en onheil, omgang met familie en vrienden, het kopen van een woning… een levensverhaal. Niets speciaals eigenlijk. Shakespeare wordt hier ontdaan van alle legendes. Men toont hem als een gewoon man, toevallig met een bijzonder talent voor de letteren en een neus voor zaken.

Toch is er in de herfst van het leven van Anne tijd voor bezinning. Eigenlijk hebben ze gewoon dezelfde dingen nagestreefd. Wat de kinderen hiervan vonden, was in feite bijzaak. Anne realiseert zich bijvoorbeeld dat haar jongste dochter net als zij de dood van een geliefde, haar tweelingbroer, alleen heeft moeten verwerken. Voor Anne was dit haar moeder. Soms wordt men geconfronteerd met gewoontes die je, tegen al je principes in, niet hebt doorbroken.

Als ze de gezondheid van haar man ziet achteruitgaan wil Anne dat alles ‘goed geregeld’ is, geen kopzorgen over erfeniskwesties in de familie. Heel subtiel kan ze haar man overtuigen om een testament op te stellen. Ze weet ook net op tijd de ‘kladjes’ van de toneelwerken te verzamelen en staat dus aan de basis van de samenstelling van de zogenaamde First Folio – de verzamelde toneelwerken van William Shakespeare – dat in 1623, zeven jaar na zijn dood, verscheen. Hij had zich nooit beziggehouden met de publicatie van zijn toneelwerken. Tijdens zijn leven circuleerden er diverse edities, samengesteld door theatergezelschappen of drukkers. Deze gingen vaak slordig te werk. Soms was de naam van de auteur zelfs niet vermeld. Het is dus volgens dit verhaal voor een deel door zijn vrouw dat zijn werk werd verzameld.

Imme Dros laat ons in deze roman uiteraard ook kennis maken met het werk van Shakespeare. Een boeiend verhaal over hoe het zou kunnen geweest zijn. Mij stoort het niet dat de werken van Shakespeare worden naverteld. Ik ben trouwens gauw op zoek gegaan naar mijn eigen verzamelwerk van Shakespeare. 

Misschien was een en ander af en toe een beetje anders. Nooit had ik hierover enig voorbehoud. Het is gewoon een verhaal. En verhalen van vroeger, daar luister je naar zonder te vragen of wat men vertelt waar is of niet. Niet alleen naar het verhaal luistert men, maar ook naar degene die ze vertelt.

'En elke middag als ik bij het bed van mama voor het open raam zat, wilde ze vertellen van vroeger, van gisterland.
‘Waarom noem je het gisterland?’ vroeg ik, want er was niemand die dat woord gebruikte.
‘Omdat al onze gisterens daarheen gaan,’ zei ze.'


Tot slot nog dit gedicht dat volgens dit verhaal Shakespeare aan zijn vrouw gaf als huwelijksgeschenk. De auteur heeft dit mooi vertaald. Hopelijk neemt men het mij niet kwalijk als ik het bekende sonnet 18 hier in het origineel weergeef:

'Shall I compare thee to a summer's day?
Thou art more lovely and more temperate.
Rough winds do shake the darling buds of May,
And summer's lease hath all too short a date.
Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimmed,
And every fair from fair sometime declines,
By chance or nature's changing course untrimmed;
But thy eternal summer shall not fade
Nor lose possession of that fair thou ow'st,
Nor shall death brag thou wander'st in his shade
When in eternal lines to time thou grow'st.

So long as men can breathe or eyes can see,
So long lives this, and this gives life to thee.'


Over de auteur

Imme Dros (1936) is bekend voor haar kinderboeken, bewerkingen van de Griekse mythen en vooral de vertaling van de Ilias en Odysseia. Ik kan de uitgave hiervan van uitgeverij Van Oorschot sterk aanbevelen.

Veel van haar werk wordt uitgegeven met illustraties van Harrie Geelen, haar echtgenoot. Ook een beetje zoals William Shakespeare en Anne Hathaway?

Over de uitgave

Felicitaties aan de uitgeverij Van Oorschot. Zeer goed en matig geprijsd; uitgegeven in harde kaft.

* https://www.shakespeare.org.uk/explore-shakespeare/shakespedia/william-shakespeare/second-best-bed/

Titel: Gisterland
Auteur: Imme Dros
Pagina’s: 263
ISBN: 9789028212411
Uitgeverij Van Oorschot
Verschenen: oktober 2021

Elif Shafak - Het eiland van de verdwenen bomen


Hoe een verdriet in de genen van de volgende generatie blijft zitten

De in Straatsburg, Frankrijk, geboren Elif Shafak (1971) is van Turkse afkomst en heeft een niet gering oeuvre op haar naam staan. Het eiland van de verdwenen bomen is inmiddels haar twaalfde roman en ze mag zichzelf in Turkije de best verkopende vrouwelijke auteur noemen. De uitspraak van een van de personages in haar boek De bastaard van Istanbul – dat de moorden, waar de Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog slachtoffer van werden, als genocide konden worden gezien – werd haar niet in dank afgenomen. Dit werd opgevat als het beledigen van de Turksheid en leidde er in 2006 toe dat ze werd vervolgd, doch later werd vrijgesproken. In haar nieuwe roman beschrijft ze de bloedige segregatie van de Turkse en Griekse eilandbewoners.

Marjon Nooij

Na jaren van guerrilla, crises, een staatsgreep tegen president Makarios en een burgeroorlog met de nodige moorden en verdwijningen, vond in 1974 een tweedeling plaats van de voormalig Britse kroonkolonie Cyprus. De Turks-Cypriotische moslims bezetten het noorden van het eiland, de christelijke Grieks-Cyprioten werden naar het zuiden verdreven en de etnische segregatie op het eiland was hiermee een feit. Er is destijds letterlijk sprake geweest van gedwongen huizenruil. Het verboden niemandsland tussen de vijandelijkheden, met patrouillerende ‘soldaten […] op wacht met machinegeweren’, werd ‘De groene lijn’ genoemd.

'De tijd is een zangvogel, en net als elke andere zangvogel kan die worden gevangen. Hij kan worden opgesloten in een kooi, en wel veel langer dan je voor mogelijk zou houden. Maar de tijd kan niet voor eeuwig in bedwang worden gehouden.' 


In het Londen van 2010 rouwen Kostas Kazantzakis en zijn zestienjarige dochter Ada om de dood van hun vrouw c.q. moeder. Ada is vaak droevig en worstelt met haar gevoelens. Ze is als Britse opgevoed, spreekt de respectievelijke talen van haar ouders niet, er zijn geen familieleden in hun leven en haar ouders hebben nooit iets willen vertellen over hun verleden op Cyprus. Op school voelt ze zich een buitenbeentje en het gevoel niet begrepen te worden triggert haar angst, waardoor ze in de klas onbedwingbaar begint te schreeuwen en later niet kan verklaren wat de oorzaak was. De lezer echter zal al snel ontdekken dat er hier sprake is van overgeërfd verdriet.

Kostas ‘wist dat hij zijn moeder nooit zou kunnen vertellen dat hij verliefd was op een Turks moslimmeisje’. Ook Defne kan onmogelijk thuiskomen met deze boodschap. Ze ontmoeten elkaar regelmatig heimelijk in De Blije Vijg [sic], de taveerne van Yiorgos en Yusuf, maar wanneer de Turkse invasie het leven kost aan de vader en broer van Kostas, en Yusuf en Yiorgos plotseling verdwijnen, komt daar een abrupt einde aan. Uit angst om ook haar enig overgebleven zoon te verliezen stuurt Kostas’ moeder hem naar Londen. Zijn onbeantwoorde brieven aan Defne, die ook zo haar verliezen heeft te verwerken, betekenen het einde van hun relatie.

Wanneer hij in 2000 voor zijn werk terugkeert naar Cypres, treft hij Defne weer. Ze heeft zich aangesloten bij een commissie die zich inzet om (massa)graven te vinden. Lange dagen zoeken ze minutieus en haar persoonlijke missie is om eens de stoffelijke resten te vinden van Yusuf en Yiorgos.

'Menselijke resten… Wat betekent dat precies? Een paar botten? Kleren en accessoires? Dingen die massief en compact genoeg waren om in een doodskist te leggen? Of was het eerder het ontastbare, de woorden die we het hemelruim in sturen, de dromen die we voor onszelf houden, […] de leegtes die we proberen op te vullen en die we nooit goed onder woorden kunnen brengen; als alles was gezegd en gedaan, wat bleef er dan over van een heel leven, een mens… en kon dat echt uit de grond worden opgegraven?'


Een van de stijlmiddelen die Shafak gebruikt is de personificatie, waarbij ze een vijgenboom opvoert als getuige van de ontluikende liefde tussen Defne en Kostas, en die tussen Yiorgos en Yusuf. Ook de omineuze dreiging en misstanden op het eiland worden vanuit het perspectief van de boom uit de doeken gedaan. Het lijkt een overdreven magische en ontsierende keuze, maar gaandeweg blijkt dit wel degelijk functioneel en plausibel te zijn. De vogel- en vlindertrek gebruikt de auteur als tegenhanger voor de vrijheidsbeperkende tweedeling van het eiland en hoofdstad Nicosia.

'Ook wij bomen hadden te lijden, al sloeg niemand daar acht op. Het was het jaar waarin hele bossen in brand vlogen tijdens de jacht op rebellengroepen die zich schuilhielden in de bergen. Dennenbomen, ceders, coniferen… er restten enkel zwartgeblakerde stompjes van ze.'


De roman staat vol met tegenstellingen, zoals verschillen in etniciteit, feminisme en masculinisme, hetero- en homoliefde, progressivisme versus conservatisme. Grote onderwerpen die aan de orde komen zijn homofobie, xenofobie, religie, afkomst en de mystiek van het soefisme. Hierdoor worden er diepere lagen gecreëerd en pregnante thema’s aangestipt met een waarheidsgetrouw tijdbeeld. Het lieflijke en tot de verbeelding sprekende Mediterrane eiland kende vrolijkheid en plezier, maar een burgeroorlog liet diepe wonden achter. Met haar prachtige zinnen weet Shafak het vermorzelen van het incasseringsvermogen en het terugvinden van veerkracht op begeesterde wijze te verbeelden. Het eiland van de verdwenen bomen is een verhaal over een inktzwarte geschiedenis, waarmee Shafak laat zien dat ze niet zelf vonnist, maar een kritisch waarnemer is.

Eerder verschenen op Tzum

Titel: Het eiland van de verdwenen bomen
Auteur: Elif Shafak
Vertaling: Manon Smits
Pagina's: 368
ISBN: 9789046829134
Uitgeverij Nieuw Amsterdam
Verschenen: oktober 2021

dinsdag 12 oktober 2021

Philippe Claudel - Een Duitse fantasie

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij De Bezige Bij

Duitslands adem ruikt naar zwavel

Bij een bezoek aan een ruim gesorteerde boekhandel te Den Bosch zag ik op mijn weg naar de kassa dit boekje liggen. Op Twitter had ik deze uitgave al bij menig literatuurliefhebber langs zien komen. Vooral de titel – Een Duitse fantasie – en de illustratie op de omslag deden mij in de winkel terstond besluiten om deze laatste publicatie van Philipp Claudel aan te schaffen. Gelukkig maar, want zoals De Volkskrant op de achterzijde meldt is 'Claudel een meesterlijke verhalenverteller'. Na het boek gelezen te hebben ben ik het daar hartgrondig mee eens.

Dit boek kent maar vijf hoofdstukken, ogenschijnlijk losse verhalen. Toch zal elke lezer ongemerkt verbindingen gaan leggen door de naam Viktor, een Wehrmachtsoldaat, die in drie verhalen opduikt. Het thema van alle verhalen is de doorwerking van het nazisme na 1945. Niemand kan er van loskomen. Van vage herinneringen tot levenslange trauma's. Het getuigt van superieur schrijverschap om het bittere gif van deze inktzwarte periode, tot in de vezel van de hoofdpersonen, zo raak te beschrijven. Notabene geschreven door een fransman die deze periode zelf niet heeft meegemaakt. Het is geheel fictief of, zoals hij het zelf aanduidt in de titel, een fantasie. De kijk van de Duitse buren wordt mooi weergegeven in het voorwerk door het gedicht van Pierre Mac Orlan, een Franse romanschrijver met het gedicht 'Voorbij de Rijn…' en de regel 'Duitslands adem ruikt naar zwavel' van de Oostenrijkse romanschrijver en dichter Thomas Bernhard voorin het boek. De stemming wordt hierdoor gezet.

Uitgezonderd 'Gnadentod' zijn het allemaal persoonlijke verhalen van, in eerste instantie, gewone mensen. Prachtig en indringend geschreven. Met één terloopse opmerking kan Claudel je beeld over de hoofdpersoon drastisch veranderen.


'Ze hadden hem gevormd. Ze hadden een efficiënt werktuig van hem gemaakt. Ze gaven hem bevelen. Hij voerde ze uit.'

'Een stokoude zwart-witfoto met daarop een groep glimlachende soldaten met aangelijnde honden en wagons op de achtergrond.'


Ontreddering, afhankelijkheid, aftakeling en wreedheid. En waar de factor tijd cruciaal blijkt te zijn. Speelt het verhaal zich af tijdens of vlak na de Tweede Wereldoorlog of in het heden, het kan een levensgroot verschil maken tussen dader of slachtoffer van de hoofdpersonen.

'Gnadetod' is anders van opzet. Dit deel vertelt, is op bijna een documentaire-achtige wijze, het leven van een getalenteerde kunstenaar die ernstige gewond aan zijn hoofd is geraakt bij een granaatinslag in de Eerste Wereldoorlog. Hij is daarna helemaal de weg kwijt en niet meer in staat is om te tekenen of schilderen. Vervolgens belandt hij regelmatig in een psychiatrische inrichting en


'[…] mag (hij) na een lang leven vol lijden, profiteren van het programma dat op bevel van de Führer in het leven is geroepen om de zwaarste gehandicapten van wie de gezondheidstoestand helaas geen hoop op remissie toelaat, verlichting te bieden. Heil Hitler!'


Programma Aktion T4: eliminatie dus. Dit wordt verteld aan de hand van 'officiële' verklaringen van medische geneesheren tijdens de wereldoorlog, krantenartikelen met betrekking tot een veiling van zijn werk, een interview met een biograaf en dergelijke. Een treffende verzameling van de documenten in de periode tussen 1940 en 2004 die op een fijne manier geschiedenis proberen te schrijven. Van huiveringwekkend afstandelijke nazi-bureaucratie tot huichelarij, hypocrisie en geschiedvervalsing voor eigen gewin.

Het laatste verhaal over een joods meisje dat een massa-executie overleeft heeft mij het meest geraakt. Claudel weet als geen ander de ontreddering van het kind te beschrijven. Ik moest het halverwege het verhaal het boek even wegleggen om op adem te komen.


'[…] dekens en lakens zijn vervangen door mannen- en vrouwenlichamen overal om haar heen, onbeweeglijk, die haar niet verstikken, die lange tijd hun warmte aan haar afstaan terwijl de koude sneeuw uit de grijze hemel valt, [...]'


En het is zeker niet alleen kommer en kwel. In het tweede verhaal bijvoorbeeld domineert een herinnering aan een ontmaagding van een onschuldige jongen. Dit souvenir blijkt niet in de vergetelheid te zijn beland. De passie en het verlangen naar dat moment komen in alle hevigheid terug als de ouderdom toeslaat.

Dat is wat goede literatuur behoort te doen. Inleving en beleven. Dat je de vochtigheid voelt, de geur herkent, totale afhankelijkheid ondergaat, dat de kille Endlösung von Fremdkörper begrijpelijk wordt of… de hel van het overleven doormaakt. En dat doet Claudel met verve. In een schitterende, beeldende schrijfstijl. Het heeft mij dan ook niet verbaasd dat hij ook scenarioschrijver en filmregisseur is. Een boek dat een groot publiek verdient.

Titel: Een Duitse fantasie
Auteur: Philippe Claudel
Vertaling: Manik Sarkar
Pagina's: 160
ISBN: 9789403122519
Uitgeverij De Bezige Bij
Verschenen: augustus 2021

donderdag 7 oktober 2021

Fernando Pessoa - Boek der eenzaamheid

Recensie door Erik Waut
Uitgeverij de Arbeiderspers – Privé domein

Boek der rusteloosheid

Dit Boek der rusteloosheid (Livro do Dessassosego) is een verzameling en transcriptie van nagelaten geschriften die voor het grootste deel in vijf enveloppen werden aangetroffen in de beroemde ‘arca’. Het betreft de befaamde kist met duizenden papieren die de auteur Fernando Pessoa (1888-1935) had nagelaten en gelukkig niet werden weggesmeten.

Geduldig zijn deze samengesteld, reeds meermaals herzien, en hier in een vertaling van Harrie Lemmens aangeboden. Het is één van de beste boeken in de reeks Privé-domein. Het nawoord van de vertaler is de spreekwoordelijke kers op de taart.

Het is geschreven vanuit het personage van Bernardo Soares, hulpboekhouder te Lissabon. Hij zit voortdurende te denken en ondergaat de sombere gedachten die onbekend zijn voor zijn omgeving. Omgeving is een breed begrip, want meer dan zijn arbeidsomgeving lijkt hij niet te dulden in zijn sombere bestaan.

Voortdurend was ik bij het lezen van dit boek bezig met het optekenen van citaten. Treffende uitspraken die je toch de indruk moeten geven dat er enige samenhang is tussen de verzameling essays en mijmeringen. Nu ik de afgelopen weken bij momenten tot rust kwam, terwijl ik ondergedompeld werd in deze woordenstroom, is er de vraag wat het resultaat is van mijn leesavontuur. Kunnen we niet een reeks begrippen verzamelen? Deze zijn dan het voorwerp van zelfstudie van deze ervaring die bij herlezing van bepaalde fragmenten vermoedelijk nog nieuwe impressies zullen oproepen.

Eenzaamheid

Bij het lezen van Boek der rusteloosheid ontmoet je het verrijkend element om alleen te zijn met je gedachten. “Mijn verbeeldingswereld is voor mij altijd de enige echte wereld geweest.” Pessoa brengt hier een personage aan het woord die voortdurend zijn “instinct van van onbelangrijkheid”, om het met zijn woorden te omschrijven, naar voor schuift.

Iedereen kan af en toe een momentje gebruiken waarbij de eenzaamheid in zijn gepeins overheerst. Dit boek ontmoet je meestal in zo’n moment en bevestigt de keuze voor de eenzaamheid. Om die reden is dit werk ideaal voor de eenzame zielen. Tal van foto’s van Pessoa laten hem zien hoe hij alleen door de stad wandelt of geniet van een drankje in een bar. Hier lijkt hij deze levenswijze te verantwoorden.

Ik verafschuw nieuw leven en onbekende plaatsen.”

Ik stoot mij aan het leven en aan anderen.”


Wie schrijft die blijft

De titel van één van de beste boekenprogramma’s dat ooit te zien was op t.v.; van een tijdperk waar de gasten langer aan het woord waren dan de presentatoren.

Pessoa heeft tijdens zijn leven amper iets gepubliceerd. Het Boek der rusteloosheid werd af en toe aangekondigd in brieven en gepubliceerde fragmenten (waaronder het wonderbaarlijke stuk In het woud der vervreemding) doch hij heeft het nooit kunnen afwerken. Er waren zelfs periodes dat hij er niet aan heeft gewerkt. Vraag is trouwens, die vertaler Harrie Lemmens terecht stelt, wat er zou nagelaten zijn. Misschien zou Pessoa enkele waardevolle stukken hebben weggelaten.

Er zijn ook sporen van enig besef dat het nooit tot enige publicatie van een meesterwerk zal komen.

"Wanneer ik denk aan de rijke literaire productie, of ten minste de omvangrijke, afgeronde geschriften van zoveel mensen die ik ken of van wie ik gehoord heb, voel ik een vage afgunst, een minachtende bewondering, een onsamenhangende mengeling van gemengde gevoelens.”


Deze nalatenschap voor de literatuur is dan als het ware ook een oproep om toch maar te blijven proberen. Het neerschrijven helpt trouwens de sombere momenten in het leven verdrijven.
“Wie de kunst van het schrijven beheerst, kan zijn dromen helder en duidelijk zien (..)” Gelukkig bleef Pessoa al zijn beschouwingen noteren en heeft hij ze nagelaten. Wie schrijft die blijft.

De stad

De stad is een belangrijke thema in de literatuur. Denk maar aan het Dublin van James Joyce en Londen van Charles Dickens. Boek der rusteloosheid niet hebben gelezen alvorens op reis te gaan naar Lissabon zou een vergissing zijn.

Pessoa verbleef het grootste deel van zijn leven in Lissabon. Er zijn heel wat fragmenten waarbij het personage het drukke leven van de stad beschrijft. Je ontmoet Lissabon in dit werk. Het is echter een ontmoeting vanop een zekere afstand. Pessoa geniet vooral wanneer alles rustig verloopt.
 

Het ontwaken van een stad, met of zonder mist, ontroert mij altijd meer dan het ochtendgloren op het platteland.”


Liever kijkt hij van ver en komt beschouwend tot rust.

Boven mij hangen zwarte boomtakken en ik draag de slaap van de hele stad in mijn ontmoedigde hart. Lissabon in het maanlicht en mijn vermoeidheid van morgen!“


Je zou er zo een weekendje door boeken. Toch?

Over de auteur

Fernando Pessoa wordt in 1888 geboren te Lissabon. Zijn vader sterft aan tbc in 1893. Ruim twee jaar later hertrouwt zijn moeder met een militair die aangesteld wordt als consul te Durban, Zuid-Afrika. Fernando loopt er school. Later keert hij terug naar Lissabon. Hogere studies die hij had aangevat heeft hij niet afgerond. Hij kiest uiteindelijk voor een eenvoudige baan als klerk opdat hij zich in zijn vrije tijd volledig kan concentreren op zijn grote project: schrijven. Er is het beeld van Pessoa die mensenschuw zou geweest zijn. Dat is echter niet volledig juist. Hij was gekend in literaire kringen en heeft zelfs enkele pogingen gedaan om als uitgever aan de slag te gaan. Af en toe publiceerde hij wel iets maar het is pas na zijn dood in 1935 (en het aantreffen van de inmiddels beroemde ‘arca’) dat hij uitgroeide tot één van de bekendste schrijvers van de 20ste eeuw. Hij is vooral gekend, behalve onder zijn eigen naam, onder de naam van een reeks imaginaire schrijvers, heteroniemen.

Over de uitgave

Deze uitstekende uitgave in de reeks Privé-domein (het betreft een herziene versie die eerder in deze reeks verscheen) hoort in feite in iedere boekenkast. Voor het geval het daar al een tijdje ongelezen staat, bij deze een warme oproep om dit eindelijk te lezen.

Alle lof voor de vertaler en bezorger Harrie Lemmens die ons Pessoa laat ervaren. De bijgevoegde vertaling van een selectie brieven zijn zeer verrijkend.

Het is een boek dat ik nog dikwijls ter hand zal nemen in mijn zoektocht naar Pessoa en zijn ode aan de eenzaamheid.

Titel : Boek der rusteloosheid
Auteur: Fernando Pessoa
Vertaling: Harrie Lemmens
Pagina’s : 612
ISBN : 9789029539579/NUR321
Uitgeverij de Arbeiderspers (reeks Privé-domein)
Verschenen : 2005