donderdag 31 maart 2022

Lydia Sandgren - Verzamelde werken

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Oevers


Freud zou graag zijn tanden gezet hebben in deze roman 

Op de vloer ligt de man tussen vijfentwintig jaar aan herinneringen in smoezelige aantekeningen; het onvoltooide verhaal van een bewogen leven. Martin Berg is een uitgebluste vijftiger die de troosteloosheid van zijn leven overloopt. Het succes van zijn kleine uitgeverij is nooddruftig, zijn zoon en dochter zijn inmiddels uitgevlogen en jaren daarvoor is ook zijn vrouw uit zijn leven verdwenen. Meer dan af en toe een kortdurende affaire heeft hij er al die jaren niet uit weten te peuteren en diep in zijn hart beseft dat hij er beter bij gedijt door als alleenstaande door het leven te gaan.

Met dit tafereel opent de Zweedse Lydia Sandgren (1987) haar prijswinnende debuutroman Verzamelde werkeneen bedrieglijke titel, want het is wel degelijk een roman – waar ze maar liefst tien jaar aan heeft gespendeerd; met als resultaat een ontzagwekkende saga van 784 bladzijden.

Wanneer Martin Berg en Gustav Becker bij elkaar in de klas komen, is dat het begin van een levenslange vriendschap. De gedreven Martin studeert filosofie, maar heeft al jong de ambitie om schrijver te worden. Gustav is meer het kunstenaarstype; schilder in hart en nieren, die zichzelf regelmatig verliest in het drinken van overmatige hoeveelheden alcohol. Toch blijkt er tussen hen een blijvende chemie te zijn. In hun beider leven verschijnt de mooie Cecilia Wikner, geboren en opgegroeid in Ethiopië doordat haar vader daar als arts was gestationeerd.

Vol ambitie vertrekken de mannen naar Parijs; elk met het plan om aan een persoonlijke droom te werken. Cecilia voegt zich later bij hen en wordt de muze en model van Gustav. Ze is behept met een sterke wil, maar worstelt met haar afkomst en verleden. Wanneer ze zwanger blijkt te zijn van Rakel, trouwen Martin en zij in Göteborg, waar een aantal jaar later ook hun zoon Elis wordt geboren. Steeds meer lijkt Cecilia zich terug te trekken van haar moederlijke verplichtingen; ze blijft dagen achtereen in haar bed liggen, toont openlijk haar onvermogen om lief te hebben en is niet te vermurwen om deel te nemen aan het gezinsleven.

'Dat mama hele dagen in de kamer boven doorbracht met de deur dicht leek iets te maken te hebben met de geboorte van Elis. [...] Als hij huilde droeg iemand – meestal papa – hem rond door het Atelier, de minst gebruikte en best geïsoleerde kamer van de benedenverdieping, en Rakel hoefde alleen maar naar de andere kant van het huis te gaan om in stilte te kunnen lezen.'


Cecilia is echter nog niet klaar met haar studie en met grote hartstocht stort ze zich op haar proefschrift. Haar vrije momenten vult ze haast dwangmatig met hardlopen, waardoor er steeds minder tijd vrijmaakt wordt voor haar gezin en huishouden. Martin weet de boel draaiende te houden, ondanks dat hij hierdoor zelf niet verder komt met zijn eigen plannen.

Wanneer ze op een dag – met medeneming van slechts wat persoonlijke spullen en zonder achterlating van een afscheidsbrief – verdwijnt, dringt het tot de achterblijvers maar langzaam door dat ze niet meer van plan is om terug te keren.

'Cecilia’s moeder was ervan overtuigd dat het ‘gewoon weer een van haar grillen’ was. Vroeg of laat zou ze thuiskomen. Ze was altijd al egoïstisch geweest. [...] Ze had zich nooit iets aangetrokken van het effect dat haar daden op andere mensen hadden.'


De tweede laag verhaalt over het leven van Martin en zijn volwassen kinderen. Van haar vader krijgt Rakel het verzoek om een Duitse roman te vertalen. Tot haar grote verbazing leest ze allerlei aanwijzingen die haar aan haar moeder doen denken en ze besluit naar haar op zoek te gaan, in de hoop antwoord te krijgen op vele vragen. Op een overzichtstentoonstelling van Gustav ziet Rakel billboards met de beeltenis van haar moeder. Stukje bij beetje groeit de duidelijkheid wie Een jaar van liefde heeft geschreven en komen de losse draadjes bij elkaar.

Een interview met Martin, dat gefragmenteerd door het boek is verweven, zorgt voor een diepere laag. Hierin wordt het duidelijk wat zijn onzekerheden zijn, zijn fascinatie voor de auteur William Wallace en dat hij nooit de kans heeft aangegrepen om een succesvol auteur te worden. Hij wist wat hij wilde en hoe hij het wilde, maar hij heeft het nooit in daden kunnen omzetten.

De personages zijn psychologisch sterk en realistisch uitgewerkt. Sandgren heeft overduidelijk niet de drang gehad om ze sympathieker te maken. De behoefte om lief te hebben en liefde te ontvangen wordt niet vervuld. Ze draaien rond in hun eigen wereldje, vinden het moeilijk om relaties aan te gaan, te voeden of in stand te houden, en kunnen zich maar moeilijk naar buiten richten of invoelend communiceren met de ander.

De vraag of Cecilia een persoonlijkheidsstoornis heeft, of misschien een postnatale depressie, wordt niet beantwoord, maar Freud had er waarschijnlijk graag zijn tanden in willen zetten. Het feit dat de auteur psychologie heeft gestudeerd komt in ruime mate naar voren door het vakjargon en de existentiële thema's die ze in haar boek heeft verwerkt.

Doordat de auteur haast in extenso het leven van haar personages beschrijft en menig onderwerp over meerdere pagina's uitspint, is het een omvangrijke roman geworden. Sandgren is er evenwel in geslaagd om de aandacht van de lezer vast te houden. Verzamelde werken is een rijke en gelaagde ontwikkelingsroman over onvoorwaardelijke vriendschap, de zin van het bestaan, een levenslange zoektocht naar verloren liefde, en vol vingerwijzingen naar grote namen uit de psychologie en filosofie, literatuur, klassieke muziek en kunst, met gebruikmaking van veel metaforen en verwijzingen. De lichte schrijfstijl en ironische toetsen maken het een plezier om te lezen.

--

Eerder verschenen op Tzum

Titel: Verzamelde werken
Auteur: Lydia Sandgren
Vertaling: Eline Jongsma en Janny Middelbeek-Oortgiesen
Pagina's: 786
ISBN: 9789
492068859
Uitgeverij Oevers
Verschenen: september 2021

maandag 28 maart 2022

Douglas Stuart – Shuggie Bain


Onvoorwaardelijke liefde

Ik zag er eigenlijk tegenop om mij weer door zo’n gruwelijk jeugdbeschrijving te moeten ploegen. Na Het smelt en De avond is ongemak had ik er een beetje genoeg van om constant te worden overladen door verwaarlozing, ontberingen en misbruik. Omdat de media al veel over Shuggie Bain had prijsgegeven werd mijn nieuwsgierigheid getemperd. Maar uiteindelijk moet ik concluderen dat in dit geval mijn vrees onterecht is gebleken. De reden dat dit verhaal mij wel aanspreekt, is dat in dit boek de onvoorwaardelijke liefde voelbaar blijft in alle ellende. De liefde van de hoofdpersoon voor zijn moeder tot het bittere einde, zonder klef of melodramatisch te worden. Hoe heftig dit boek ook is, deze warmte maakt het dragelijk om te lezen, vertedert en is invoelbaar. En, zoals de internationale pers al heeft verkondigd, is het op een schitterende manier geschreven. Deze warmte ontbreekt echter voor mij bij de bovenstaande Nederlandse debuten.

Philipp van Ekeren

Het verhaal is simpel. Het beschrijft nauwgezet het leven van Agnes, een alcoholische moeder van drie kinderen in een achterstandswijk in Glasgow. Een tijdsbeeld van bittere armoede tijdens de regeringsperiode van Margaret Thatcher waar de economie instort en de werkeloosheid toeneemt tot drie miljoen Britten. Mede door sluitingen van de kolenmijnen. Shuggie, het jongste kind en oogappel van zijn moeder staat centraal en is van jongst af aan duidelijk anders dan andere jongens. Meisjesachtig. De reactie van de (buurt)kinderen en volwassenen op zijn ‘anders zijn’ is ijzingwekkend tot wreed aan toe. Zijn opa, oma, vader, zuster en broer haken, naarmate het verhaal vordert, af door de alcoholverslaving van Agnes. De blinde moederliefde en trouw van Shuggie is aboluut.

 

'Nee hoor,’ zei Shuggie trots. ‘Mijn moeder heeft nog geen dag in haar leven gewerkt. Daar is ze veel te mooi voor.'


De kracht waarmee Shuggie zich staande weet te houden en het overleeft maakt een diepe indruk. Daar begint en eindigt het verhaal dan ook mee in 1992. Dat zijn leven is begonnen na de dood van zijn moeder met een baantje en een eigen kamer. Met dit begin weet de lezer dat het uiteindelijk redelijk goed zal komen met deze arme jongen. Daartussen spelen de hoofdstukken zich af in 1982, 1983 en 1989.

De stijl van Douglas Stuart is beeldend. Je ziet het allemaal voor je. Zoals het wekelijkse kaartavondje waarbij alle vrouwen zich steevast een dilerium drinken om vervolgens hun mannen thuis te bespringen.

'Ze zouden zich tot op hun kapotte panty uitkleden en hun zwiepende borsen bevrijden.
Niets dan dronken opengesperde monden, warme tongen en zwaar, log vlees. Puur vrijdagavondgeluk.'


Maar ook zitten er hele leuke scenes in zoals het moment dat de familie noodgedwongen naar een aftandse mijnwerkersbuurt moeten verhuizen. Shuggie die toch al vroegwijs is en bij aankomst in het bijzijn van de hele buurt tegen zijn moeder zegt:

'Wij moeten even praten. Ik denk niet dat ik hier kan wonen. Het stinkt naar groene kool en batterijen. Het is gewoonweg ondoenlijk.' […] Alle toehoorders draaien zich vol ongeloof naar elkaar toe. … 'Krijg nou wat. Liberace komt hier wonen' riep een van de vrouwen. […] 'O hemeltje! Ik hoop maar dat de vleugel in de salon past!'


Of als Agnes een tijdlang van de drank is en een relatie heeft met Eugene. De broer van haar abjecte overbuurvrouw met de volgende reactie:

Rot toch op! Ik kreeg zowat ’n hartverzakking toen onze Eugene doodleuk kwam vertellen dat-ie ’t had aangelegd met die hoer in d’r paarse jas! En m’n arme ma zich daarboven in de hemel maar zitten verbijten as ze jullie hier beneeën zag krikken.’
Agnes schudde haar hoofd. ‘Dan had ze wel een heel sterke verrekijker.’


Uiteindelijk moet ook Shuggie erkennen dat zijn moeder niet meer te redden is. Zijn oudere zus Catherine is zo snel mogelijk gevlucht in een huwelijk en geëmigreerd naar Zuid-Afrika. Zijn broer Leek blijft zo lang mogelijk thuis tot het ook voor hem niet meer te harden is. Shuggie blijft eenzaam en alleen achter met zijn moeder tot het bittere einde.

Pas op het eind van het verhaal sluit Shuggie vriendschap met Leanne, een deelgenoot wiens moeder ook alcoholiste is. Dat schept een band. Hij herkent namelijk de aftakeling van een alcoholistische moeder als geen ander. Dus ook Leanne’s trouw, zorg en liefde.

Shuggie Bain is een mooi geschreven autobiografie van Stuart. En het brengt alle misère van een verslaving naar boven vanuit een kinderperspectief. En vooral de machteloosheid, de verwaarlozing en het leed van kinderen. Maar heeft dit indrukwekkende overlevingsverhaal van een jongen uit Glasgow eind vorige eeuw genoeg terecht de Booker Prize gekregen? Dezelfde vraag stelde ik mij trouwens ook bij De avond is ongemak van Rijneveld. We hebben het toch hier over een van de grootste literaire prijzen?

Het debuut dat leest als een meesterwerk” schreef de Washington Post staat er prominent op de omslag van het boek. Maar ís het een meesterwerk? “Een verhaal zo uniek dat er niet aan te ontkomen valt” schrijft The New York Times. Zonder meer fantastisch geschreven, maar ik vind het onderwerp niet echt onderscheidend en uniek. Daarbij denk ik aan bijvoorbeeld Wees onzichtbaar van Murat Isik uit 2017 of het indrukwekkende debuut Dorsvloer vol confetti van Franca Treur uit 2009.

Het is in ieder geval een boek dat ik niet snel zal vergeten. Het heeft indruk gemaakt. Het heeft mij beroerd. En dat criterium maakt het voor mij een goed boek.

--

Eerder verschenen op De Leesclub van Alles

Titel: Shuggie Bain
Auteur: Douglas Stuart
Vertaling: Inger Limburg en Lucie van Rooijen
Pagina's: 448
ISBN: 9789046827574
Uitgeverij Nieuw Amsterdam
Verschenen: 2021

vrijdag 25 maart 2022

Chrétien Breukers - Praag aan zee

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Vleugels


'Al wie behouden wil blijven, heeft vóór alles het geloof nodig. Daaraan moet hij zich vasthouden.'


In Praag aan zee voert Chrétien Breukers (1965) de lezer mee in de lotgevallen van de getormenteerde Thomas Meerman, 'een personage dat alleen is en alleen achterblijft'. Eerder al, in En in de nacht een riem uit 2019, kwamen we dezelfde protagonist tegen die raakvlakken blijkt te hebben met de auteur. 'Het personage Thomas Meerman, dat ben ik.'

Vanuit het Ik-perspectief kruipt de lezer in zijn hoofd en wordt deelgenoot gemaakt van zijn hersenspinsels. De vijfenvijftigjarige Meerman is, na een gesprek over En in de nacht een riem bij een VPRO Boeken – Breukers doelt hier met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op zijn eigen optreden van medio december 2019 –, weer op weg naar Praag waar hij woont. Zijn huwelijk met Leonie is op de klippen gelopen, omdat hij haar vertrouwen heeft beschaamd 'en hoewel ik nooit volledig trouw was geweest, bleek de status van vrijgezel me een scala aan mogelijkheden te bieden. Dit was ongekend. Dit was werken in een snoepwinkel.' Zijn twee dochters houdt ze zoveel mogelijk bij hem vandaan.

In Praag wacht Vera; wel sex, geen verbintenis. Een relatie die is gestoeld op een vriendschappelijk houden-van, maar Vera blijft niet verschoond van een precaire vorm van jaloezie. Toch blijft ze zijn overhemden strijken. 'iets wat me elke keer verlegen maakt '.

Net als in En in de nacht een riem staat Thomas Meerman ook nu weer garant voor broeierige scènes en is hij niet echt een innemend personage. Hij houdt van seksuele machtsspelletjes. Zijn (on)lusten kan hij botvieren op Lena, die hij met enige regelmaat 'bestelt' voor betaalde seks. Ze laat zich door hem aftuigen en verlaat hem steevast met rode striemen op haar achterste. 'Bye. Yes, see you next time. No more hard sex, not that hard.’ […] 'Ik moffel een fooi in haar tasje. Ze bedankt er niet voor. Ze heeft er hard genoeg voor gewerkt.'

De vrouwen lijken complementair als de heilige drie-eenheid; maagd, moeder en vrouw. De drie-eenheid die tevens terugkomt in zijn ex en twee dochters. Dit wordt nog eens versterkt wanneer Breukers het religieuze aspect naar voren brengt.

'Waarin geloof ik? Kan ik, zonder ironie, zeggen dat ik geloof? Durf ik dat zonder ironie te zeggen?'

De ironisch, spottende manier van schrijven houdt het verhaal voor een deel luchtig, waardoor er af en toe wat mededogen voor Meerman aan de horizon gloort. Met name in de delen waarin zijn dochters ten tonele worden gebracht, komt zijn onvoorwaardelijke liefde naar voren.

Niet alleen 'zijn' vrouwen hebben een rol gekregen. Ook het vader-zijn neemt een belangrijke plaats in, wanneer zijn eigen vader komt te overlijden. 'Ik ben, sinds hij dood is, verlamd.'

'De herinneringen aan mijn vader lijken op een heelal.' […] 'Een heelal dat straks, nog steeds zonder geluid, zal imploderen en verdwijnen, tot een zwart gat zal samenklonteren. Van zwarte gaten heb ik geen verstand. Misschien omdat ik er al in zit. Of er een ben.'

Breukers toont zich in zijn aforistische roman geen auteur die metaforen gebruikt, eerder zet hij motieven in, zoals bijvoorbeeld zijn gestreken overhemden en de vader-zoonrol.

Zoals het motto aangeeft; 'Fragments... pieces... of a man', is Praag aan zee fragmentarisch opgebouwd en deels voorzien van cursieve druk, waarin Meerman zich richt op de flarden van zijn gedachten en herinneringen. Als tegenhanger van de harde scènes weet Breukers, die bekend staat als snedig en scherp, ook ontroerend uit de hoek te komen wanneer hij, met zijn lyrische taalgebruik, zijn eigen rol als vader tegen het licht houdt en zelfs even surrealistische toetsen beroert.

De roman nodigt uit tot herlezen en herkauwen, om te trachten steeds een beetje meer begrijpen van wat de complexe Meerman drijft.

Titel: Praag aan zee
Auteur: Chrétien Breukers
Pagina's: 128
ISBN: 97899493186538
Uitgeverij Vleugels
Verschenen: maart 2022

zondag 20 februari 2022

Otto de Kat - Het uur van de olifant

Recensie door Eric Waut
Uitgeverij Van Oorschot


De gruwelen van het herbeleven van een oorlog 

'Eindelijk hoorde hij schieten. Het was begonnen, ze zouden overlopen worden. Thuis sliepen zijn moeder en broer nu waarschijnlijk.'


Een oorlog begint, maar eindigt nooit. Nadat de wapens zwijgen en de puinhopen liggen te smeulen, moet de geschiedenis worden opgetekend of dient deze te worden herschreven. Het verwerkingsproces begint voor de soldaten en de bevolking. Niet iedereen slaagt erin de ellende te vergeten. Posttraumatische stress is nu algemeen aanvaard, al blijven de gevolgen voor de persoon in kwestie en zijn omgeving vrij ernstig.

In de roman Het uur van de olifant wordt het verhaal verteld van zo’n verwerkingsproces. Maximiliaan Christiaan 'Max' Van Oldenborgh en Wilhelmus Arnoldus 'W.A.' van Oorschot zijn twee oud-officieren die hebben gediend bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Dit was het Nederlands koloniale leger in Nederlands-Indië, het huidige Indonesië. Ze dienden er tijdens de zogenaamde Atjeh-oorlog (1873-1914); een koloniale oorlog die het Koninkrijk der Nederlanden voerde met het aanvankelijke oogmerk om de zeevaart door de Straat van Malakka te beveiligen tegen zeerovers. Later was het doel het Sultanaat Atjeh onder Nederlands koloniaal gezag te brengen en te houden. (*)

Na hun terugkeer van de oorlog hebben beiden ogenschijnlijk zo hun manier gevonden om het verleden een plaats te geven. Max, die gewond terugkeert, wordt burgemeester van een dorp op het eiland Texel. Ver van het oorlogsgeweld gaat hij op in de dagdagelijkse ambtelijke beslommeringen en heeft ogenschijnlijk een zorgeloos leven met zijn gezin. Zijn vrouw, Johanna 'Roy' ’t Hooft, is duidelijk zijn steun en toeverlaat. W.A. daarentegen lijkt in opstand te komen tegen het optreden van Nederland in Atjeh. Onder het pseudoniem 'Wekker' heeft hij een reeks vernietigende artikelen gepubliceerd in een krant, waarbij het optreden van het leger tegen de lokale bevolking aan de kaak werd gesteld. Deze pamfletten zorgden uiteraard voor grote opschudding. Tot in de Tweede Kamer. Het stilzwijgen over het optreden van het leger werd hiermee doorbroken. Doet een beetje denken aan Multatuli.

In de zomer van 1909 ontmoeten deze vrienden elkaar opnieuw op het eiland Texel. Tijdens dit bezoek bespreekt Roy haar ongerustheid met W.A. Zeer openhartige gesprekken die een langzame opbouw krijgen wanneer ze ook over haar eigen jeugd begint te vertellen. Het verhaal van de liefde voor haar broers die zo mooi is doorgegroeid naar haar man. Haar noodkreet is dan ook zeer aangrijpend.

'Soms maak ik me grote zorgen om hem. In zo’n nacht waarin hij versteend wakker ligt nadat hij die droom heeft gehad, altijd diezelfde droom.'


En zo komen er dan gesprekken tussen de twee vrienden over de oorlog. Max moet daarbij bekennen dat hij met twijfels zit over iets wat zou zijn gebeurd aan het front, iets ergs waaraan hij heeft deelgenomen. Evenwel kan hij zich dat niet meer exact herinneren. Het lijkt allemaal te gruwelen ver van hem af. Op aansturen van zijn vriend en Roy neemt hij de moedige beslissing een zogenaamde 'zenuwarts' te gaan opzoeken bij wie hij als het ware in therapie gaat. Zeer uitzonderlijk voor die tijd. Zo ontdekt hij wat hem al jaren ’s nachts achtervolgt. Het echte verwerkingsproces kan alzo eindelijk beginnen. Dit heeft tijd, onderzoek en waarheid nodig. Net als een natie haar verleden dient te onderzoeken en aanvaarden.

Voor W.A. verloopt het herstel van de oorlog anders. De woede die hem beproeft, heeft hij voor een deel van zich kunnen afschrijven. Maar het is echter geen gewonnen strijd. Verder herstel lijkt hij te willen bekomen door een definitieve terugkeer.

Dit is een boek dat handelt over het omgaan met het verwerken van het oorlogsverleden. Als individu en als natie. Het is weliswaar een blik op een koloniale oorlog die momenteel in de literatuur de nodige aandacht heeft gekregen, maar kan even goed over eender welke oorlog gaan. Het vormt tevens een aansporing om met open vizier naar het verleden te kijken. Oorlog is gruwelijk en brengt het slechtste in de mens naar boven. En niet alleen voor de soldaten aan het front, maar ook voor de familie die achterblijft of net als Roy getuige zijn van het herbeleven door hun geliefden van de gruwel aan het front. Het lijkt alsof Max dit beseft wanneer hij bij de herdenking van reddingsoperaties van gestrande schepen als burgemeester – zoals het een leider past om bij herdenkingsmomenten zijn toehoorders tot bezinning aan te zetten – deze mooie woorden weet te vinden.

'Achterblijven met angst is ook dapper.'


Het personage W.A. van Oorschot, alias ‘Wekker’, heeft blijkbaar echt bestaan. Maar er is niet veel over hem bekend. Met dit boek wordt deze klokkenluider als het ware in ere hersteld. Voor Max Van Oldenborgh stond de grootvader van de auteur model. Ook sommige andere personages hebben echt bestaan.

Een zeer degelijk geschreven roman. Een onderwerp dat mij tot op heden weinig bekend was.

Geraadpleegde bron

(*) https://www.nederlandsekrijgsmacht.nl/index.php/militaire-zaken/143-onderdelen-nederlandse-leger/koninklijk-nederlandsch-indisch-leger/expedities-van-het-knil/knl-expedities-tussen-1873-en-1950/277-atjeh

Over de auteur

Otto de Kat (1946), pseudoniem voor Jan Geurt Gaarlandt, is een Nederlandse auteur. Hij was directeur van uitgeverij Balans en voorheen literair criticus. Zijn eerdere romans zijn vertaald in het Duits, Engels, Frans, Italiaans en Zweeds.

Titel: Het uur van de olifant
Auteur: Otto de Kat
Pagina’s: 224
ISBN: 9789028213043
Uitgeverij Van Oorschot
Verschenen: januari 2022

vrijdag 11 februari 2022

Daan Cartens - Mijn vriend herinnering

Recensie door Dietske Geerlings
Uitgeverij Kievenaar


'Blijf dan ridderen in mijn hoofd, liefste’

‘Voordat je de wereld verlaat, sta dan op en verlaat nog eenmaal het bed, ga van kamer tot kamer en werp je blik in elke kamer op de deuren en ramen, de tafels en hoeken, de kalk op de muren en ga dan weer liggen. Jouw plek zal blijven.’ 


Dit is, in vrije vertaling uit het Duits, het motto van Joachim Sartorius, waarmee de bundel Mijn vriend herinnering van Daan Cartens begint. Het is de stap voor het verdwijnen, die uitgerekt wordt, die maakt dat je blijft. Het proces van herinneren heeft baat bij herhaling. Het wonderlijke in het motto is echter dat niet degene die de herinnering koestert, nog eenmaal door het huis gaat, maar degene die straks herinnerd zal worden, alsof je bij het heengaan de herinnering voor de ander alvast kunt vastleggen, door heel nadrukkelijk nog even alles langs te gaan.

De eerste afdeling van de bundel heeft dezelfde titel als de hele bundel en bevat achttien gedichten die stuk voor stuk de grenzen van de herinnering aan een overleden geliefde aftasten. De steen waaronder de geliefde ligt, is hard en definitief, maar het hart van de geliefde lijkt nog te kloppen in de ik. Doof voor de woorden van anderen, luistert hij alleen nog naar de stem van de herinnering die hem elke nacht aanroept. De stenen komen steeds weer terug: ‘Bij stenen leef ik, allerwegen / het pad des doods’. De ondoordringbaarheid van de steen, de hardheid ervan staat in contrast met de herinnering die nog leeft, hart heeft en stem: ‘Bij de liefste blijven hart en / gebeente en stemmen, altijd / stemmen rondom je steen’.

Verder leven is een voortdurende slingerbeweging tussen het verlangen de dode geliefde zo dicht mogelijk te naderen, en kiezen voor het leven, tussen de schuif van een schop in de aarde, of de bloei en bloesem:

'Dat ik, zoals jij, dood
en begraven, diep gekelderd
ben, het zal me behagen,
want dichter bij jou, maar
hoe diep is dit naderen,
de schuif van een schop, van
aarde voor bloei en bloesem,
het zachte van stemmen, je stem –'


In die worsteling is er troost te zoeken bij lotgenoten, zelfs uit het verre verleden, zoals de auteur van het Egidiuslied, in ‘Jij die de zomer koos / om mij het leven te laten’, maar misschien zelfs de mystica Hadewijch, die met haar beroemde Natureingang in diverse gedichten haar ellendige situatie spiegelde aan de natuur. In eenzaamheid verlangde zij naar eenwording met de onbereikbare. Ook in Cartens’ poëzie is de kou uit de winter voelbaar in het dode lichaam van de geliefde, want als ‘de winter is gekomen / ben jij van koude grond / en keldergruis, van bloedarme / verstijving.’ Wat kan de ik hier anders tegenoverstellen dan de geliefde bedekken ‘met veren van het dunste schrift?' Het verdriet van de ik ligt verankerd in het diepste lijden dat in het christendom gesymboliseerd wordt door het kruis op Golgotha: hij wil de steen wegrollen, maar ‘niet op Stille Zaterdagen’, hij wil de rots splijten, en ‘de blik zet zich vast op de muren van dit Golgotha.’ De poëzie schrijnt en ontroert in elke regel.

Cartens poëzie is muzikaal. In ‘Mantra’ zorgt de herhaling van ‘lumen de lumine’ voor een meeslepende cadans, waarin het verlangen naar het licht voelbaar is, alsof de dichter de dood aan het bezweren is en ritmisch zijn geliefde nadert. Ook ‘Dansante’ is een sterk ritmisch gedicht waarin onwankelbare vrouwen in het zwart achter de baar gaan. Als de dichter met de beelden en het ritme niet al overrompelt, dan wel met woorden als kazuifel, hartwindsel, keldergruis, nachtasiel, dodentred, en pauwenkussens.

Na de eerste afdeling volgen nog vier kleinere: ‘Radslag tijd’, ‘Ach Berlijn’, ‘Tijdgenoten’ en ‘Envoi’. ‘Radslag tijd’ begint en eindigt met een dialoog, die de ervaring van een déjà vu oproept. Soms kun je een gesprek voeren dat lijkt op een gesprek dat je eerder hebt gevoerd. Je weet misschien niet meer met wie, en waar. De tijd heeft een radslag gemaakt. In ‘Ach Berlijn’ komen diverse Berlijnse plekken langs, zoals de dierentuin, het Holocaust Monument en de Muur.

De bundel staat vol juwelen van regels, die je vast zou willen houden, en die daarom uitnodigen om de bundel te herlezen: ‘de hand maar zoeken blijft / naar pen, brillen en hart - / de tikkende specht elk uur / in wikkende stilte hapert.’

Het mooist blijft de eerste afdeling, waarin de slingerbeweging tussen verlangen en berusten het ene moment hoogdravend, het andere moment eenvoudig ontroert in ritme en klank:

 

'Als je –
als je er dan toch niet meer
bent, blijf dan ridderen
in mijn hoofd, liefste,
het dagelijks gekletter te lijf,
dat is je toevertrouwd, als je,
als je er dan toch weer bent,
neem mee wat me bevreemdt,
spuugsel waar ik omheen
moet stappen, houten afbraak,
gebroken deernis. En, als je
toch bezig bent, ruim het pad,
de tuin, de kamers leeg, veeg
wat hondenhaar van treden,
maar laat ons, laat ons hart
onverlet.' 


Eerder verschenen op Tzum

Titel: Mijn vriend herinnering
Auteur: Daan Cartens
Pagina's: 64
Uitgeverij Kievenaar
ISBN: 9789083046747
Verschenen: oktober 2021

woensdag 9 februari 2022

Joep van Helden - Jerrycan

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact

Onrustbarende verhalen

Deze verhalenbundel is het boekdebuut van Joep van Helden en heet: Jerrycan. De prachtige omslag toont een foto van jongen die in een industriële toren klimt, van onderaf; de brandweerauto-rode letters van de titel van het boek lopen in een zwarte baan enigszins schuin-verticaal. Foto en zwart-rode baan wijzen de lezer er meteen op dat dit boek misschien gevaarlijk is, of op zijn minst verontrustend, en in ieder geval geen leesvoer voor doetjes. Ik let meestal niet heel erg op omslagen en als ik ze zie, vind ik ze vaak niet mooi, maar deze is echt schitterend.

De twaalf verhalen gaan over mensen, veelal maar niet uitsluitend jonge mensen, die niet helemaal ‘passen’, het Engelse: they do not fit in. Ze bewegen zich buiten de burgerlijke veiligheid en dus aan de rand van de samenleving: de buitenstaanders. Zij ervaren hun leven bovendien als anders dan dat van de meeste mensen.

Van Heldens verhalen ontregelen de lezer. Hij laat je voelen dat er veel gebeurt en dat dat gebeuren een beetje vreemd is. Je kunt je vinger er niet precies opleggen. Je leest gebeurtenissen en daarvan denk je op jouw beurt: gebeurt dit nu echt, in de werkelijkheid zoals wij die aannemen dat zij is, of zijn het de fantasieën in het hoofd van die vreemde of getormenteerde hoofdpersoon?

Je krijgt als lezer weinig aanwijzingen en moet op die manier uit wat verhaalfragmenten je eigen plaatje maken. En heel vrolijk zien die plaatjes er niet uit. Wel roepen die vaag verontrustende plaatjes gevoelens op van ontzag, van verwondering terwijl je tegelijkertijd vreest: dit gaat niet goed aflopen of dit is volgens mij niet goed afgelopen. Net zoals de jongen op het omslag, die de ijzeren toren inklimt en je denkt: die gaat vallen… of springen…of er gaat iets anders engs en naars plaatsgrijpen. De auteur neemt je in geen geval bij de hand.

Een bundel is het die je langzaam moet lezen. Zeker moet je niet alle verhalen achter elkaar erdoorheen jassen. Die neiging heb ik zelf altijd wel, maar doe het hier niet! En ik heb het deze keer dan ook niet gedaan.

Het is ook een bundel die niet iedereen zal bekoren. Daarvoor doen de verhalen te veel een beroep op je puzzelvermogen. En dan soms moet je toch constateren: ik kan deze puzzel niet afkrijgen. Wat vermoedelijk ook meespeelt, is dat de verhalen nogal onrustbarend zijn, dat je er de leesvinger niet op kunt leggen. Dat zint niet iedereen.

Voor mij: een fijne bundel verhalen, heel goed geschreven ook, verontrustend… dat zei ik al een paar keer. Voor de fijnproever.

Titel: Jerrycan
Auteur: Joep van Helden
Pagina's: 176
ISBN: 9789025454661
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: januari 2022

donderdag 20 januari 2022

Clarice Lispector – Mijn lievelingen. Brieven 1940-1959

Recensie door Eric Waut
Uitgeverij De Arbeiderspers


Een psychologisch zelfportret van een gevoelige vrouw

Mocht je mijn handschrift niet kunnen lezen: kalm blijven. Tel tot tien, loop een rondje door de tuin en probeer het in een geest van christelijke offervaardigheid opnieuw.”

Over deze uitgave, – Mijn lievelingen van brieven die Clarice Lispector stuurde aan haar zussen Tania Kaufmann en Elisa Lispector, had ik hoge verwachtingen. Deze Braziliaanse auteur verbleef gedurende geruime tijd in het buitenland. Zij vergezelde haar echtgenoot, Maury Gurgel Valente, die als diplomaat vanaf 1945 was uitgezonden. De eerste post was Napels, net aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Zo had ik gehoopt mooie beschrijvingen te krijgen van het prachtige Italië, maar dat was dan weer een teleurstelling. Bij een uitstap naar Firenze had ze onder meer volgende bedenking.

Ik heb het paleis van de Medici gezien, hun vertrekken, duizend-en-een dingen. Het is al met al nogal veel en ik kreeg zelfs een gevoel van opluchting toen ik hoorde dat een bepaalde galerij vanwege de oorlog gesloten was...”

Neen, we maken kennis met een zeer gevoelige vrouw, die net na het verschijnen van haar eerste werk als auteur haar land verlaat. Ze heeft weinig of geen contact met het literaire wereldje. En bovenal, ze mist haar familie enorm. Over datzelfde Firenze had ze de bedenking dat ze dit samen met haar zussen had willen zien. Voortdurend vraagt ze, soms zelfs op het agressieve af, naar brieven en foto’s. Er worden allerlei nieuwtjes aangehaald over gezondheidsproblemen, lichaamsverzorging en een hond die ze toevallig heeft opgevangen. In wat er ondertussen in de wereld aan de gang is lijkt ze amper of geen interesse te hebben.

En over atoombom gesproken, het einde van de oorlog heeft de Italianen geschokt, niemand heeft er veel aandacht voor, er werd niet gefeest, er was geen blijdschap.”

Vanaf 1946 heeft Maury een andere post en vestigen ze zich in Zwitserland, meer bepaald Bern. De oorlog is afgelopen en het lijkt aanvankelijk dat ze het er meer naar haar zin heeft. Ook hier hoop je dan weer op allerlei beschrijvingen van het land, maar ze benadert het allemaal weer vrij sober.

Zwitserland is een solide land en als de mensen hier ’s morgens hun ogen opendoen weten ze dat alles nog net zo is als toen ze in slaap vielen.”

Ze heeft prettige vooruitzichten zoals uitstapjes naar Parijs. Op gegeven moment kopen ze zelfs een auto en gaan al eens meer naar de film. Ze blijkt hier meer werk te maken van haar werk als auteur. Af en toe vraagt ze naar recensies over verschenen werk. Duidelijk een auteur die haar publiek mist. Allerlei ergernissen komen aan bod omtrent te verzenden of toegestuurde manuscripten. Via tussenpersonen worden deze dan aangeboden aan uitgevers die dan weer niet of laattijdig reageren. Nu kan je in een mum van tijd teksten naar de andere kant van de wereld sturen. Toen was alles veel moeilijker. Zelfs het versturen van een brief of pakjes geeft aanleiding tot allerlei kopzorgen. Via een occasionele koerier, reguliere of diplomatieke post, regelmatig gaat er wat mis. Defecte typemachines, de aankoop van een radio, platenspeler en later een wagen, lijken de wereldproblemen voor Clarice. Duidelijk een heel ander tijdperk. Dit doet je beseffen wat een luxeleven we nu hebben. Maar de verhalen over allerlei gezondheidsperikelen, over te nemen middeltjes tegen diverse kwaaltjes en geestelijke beslommeringen komen ook ruimschoots aan bod. Het lijkt misschien een beetje saai. Neen, ik vond het bij momenten ontroerend mooi. Zeker als ze het uitvoerig heeft over haar zwangerschap. Nadien komen er de kopzorgen over het vinden van een oppas. Opvallend is dat de toon van haar brieven wat opgewekter lijkt.

Vervolgens reist het gezin door naar Engeland. Er zijn uitstapjes, onder andere naar Londen, waar ze wat vrolijker lijkt. Heeft dit te maken met een terugkeer naar Brazilië die af en toe aan bod komt? Terugkeer die uiteindelijk niet doorgaat, want finaal komen ze terecht in de Verenigde Staten. Ze wordt er voor een tweede keer moeder.
Stilaan wordt het duidelijk dat ze het leven als vrouw van een diplomaat maar niks vindt. Ze ontmoet wel bekende personen, gaat naar recepties en feestjes, doch lijkt alles vrij saai te vinden.

Het diplomatieke milieu boeit me niet, de gesprekken boeien me niet, de problemen boeien me niet.”

Bijzonder is dat je kan vaststellen, met het nodige geduld, hoe Clarice zich verder ontwikkelt als auteur. Er zijn af en toe publicaties en ze analyseert zichzelf als auteur. Grappig is het als ze zich ergert aan een slechte vertaling van haar werk. Die arme zussen krijgen het allemaal tot in het detail te lezen.

Bij momenten heb je toch de indruk dat ze niet beseft in welke luxe ze kan leven. Ze doet enkele opvallende, ogenschijnlijk overbodige uitgaven. Soms geeft ze zelfs de indruk dat ze uit verveling geld verkwist. Op een gegeven ogenblik besef je dat ze in feite overbodig personeel in dienst houdt. Ongemakkelijk voelt het als ze zeer toevallig in de marge spreekt van kalmeringspillen. We bevinden ons bij het lezen van deze brieven echt op privé-domein. Zoals de vertaler het in zijn nawoord treffend weet te kaderen, door te stellen dat men de brieven moet lezen als een psychologisch zelfportret. Het einde is dan ook niet zo verrassend.

Over de auteur

Clarice Lispector (1920-1977) kwam als jong kind naar Brazilië als dochter van vluchtelingen uit Oekraïne. Dit boek is een opvallende verzameling van brieven en geeft een zeer mooie introductie van een veelzijdig auteur. Het lijkt trouwens alsof men aan een hoog tempo een jarenlange miskenning van het talent van deze Braziliaanse auteur wil goedmaken. Er verschijnen allerlei vertalingen. Eerder verscheen, en dit ook in de reeks privé-domein : De ontdekking van de wereld

Over deze uitgave

Dit is een uitgave die deze reeks, privé-domein, alle eer aandoet. Prachtig gekozen foto voor de cover trouwens. Proficiat aan de uitgeverij. De vertaling en nawoord van Adri Boon zijn zeer degelijk met heel wat aantekeningen. Een aanrader!

Titel: Mijn lievelingen. Brieven 1940-1959 (originele titel : “Minhas Queridas”)
Auteur: Clarice Lispector
Vertaling: Adri Boon
Pagina’s: 346
Uitgeverij De Arbeiderspers (reeks privé-domein)
ISBN: 9789029523653
Verschenen: november 2021

woensdag 19 januari 2022

Geert Mak - Hoe God verdween uit Jorwert

Recensie door Roosje de Vries
Uitgeverij Atlas Contact


Het verandert allemaal zo snel…


Vijfentwintig jaar na de eerste druk in 1996 verschijnt de vijftigste druk van Hoe God verdween uit Jorwert; een monografie van een veranderend Fries dorp: in 24 drukken heette het dorp Jorwerd met een ‘d’, de jubileumuitgave geeft het dorp zijn trotste Friese naam terug: Jorwert met een ’t’ - waarover niet evenzo trots een aantekening over gemaakt door de uitgeverij? -. Het duurde eventjes voor ik dát doorhad, en dat het geen typefout was…. Maar dat ligt natuurlijk gewoon aan mij. Ik mag dan Friese voorouders hebben, kennis van de Friese taal hebben zij mij niet meegegeven.

Nu niet meteen op de zeurzak plaatsnemen en gewoon Geert Mak en de uitgever feliciteren met de mijlpaal van dit boek. En gek genoeg stond dit boek nog op mijn telezenlijst. De meeste boeken van Mak heb ik gelezen. 

Ik heb wat historische kennis en daarom houd ik over het algemeen niet van historische romans: kort door de bocht, ik weet het. Ik heb er een haat-liefdeverhouding mee, met historische romans. Daar ga ik nu niet op in, een andere keer wellicht. 
Er zijn historische roman die ik wel waarder, onder andere die van Yourcenar, maar zij is een ongelooflijk stilist natuurlijk. Niet van Hella Haasse - oei dat voelt wel als een zware bekentenis -, maar wel Nico Dros’ roman over Willem die Madoc maakte - in welke spelling je ook maar wil -: fantastisch gedaan!

Deze uitweiding is volkomen niet ter zake doende want Maks boeken zijn geen romans. God en Jorwert - zo mag ik het wel even oneerbiedig noemen, toch? - is een non-fictieboek. Een geschiedenisboek dus. Nou ja, voor een groot deel is God en Jorwert ook een min of meer diachroon antropologische case study. Moeilijk woorden, dat klopt. Het wil zeggen dat het vooral een monografie is van een veranderend dorp. Een deel van de literatuur die Mak gebruikt is van antropologische en historiserend sociologische aard. Een vorm van sociologie - of antropologie, zo je wil - die in Amsterdam veel aanhangers had - en misschien nog -. Eventjes tussendoor: waarom geen literatuurvermelding van antropoloog Robert Redfield *, en wel van anderen?

Nou, ik kom moeilijk van mijn zeurzak af. Enfin, dan hebben we gewoon wat mindere puntjes gehad en kunnen we over tot bewieroking van boek en schrijver.

De studie die in 2020 over Urk verscheen van de Vlaamse journalist Matthias Declercq, is wel te vergelijken met Jorwert. Tenminste, ik kreeg er associaties mee. Toen ik Urk aan het lezen was dacht ik: waarom schrijft een Vlaming over Urk? Maar dat is nou net wat antropologen ook altijd deden: mensen en culturen bestuderen die erg ver van hen afstonden. In het vreemde herken je namelijk ook jezelf en je eigen cultuur sneller. Bovendien is er de opvatting dat jouw opmerkingsgave minder gekleurd zal zijn - iets wat geloof ik antropological bias genoemd wordt, maar ook dit doet niet ter zake -. 

Ik heb gezocht naar een opmerking van Mak wat hem zo aantrok in een dorp als Jorwert, maar die niet gevonden. Hij is van Friese afkomst. Dat is misschien voldoende.

Mak heeft een hele poos in Jorwert gewoond en hij had mensen met wie hij speciaal optrok, die hem van alles vertelden over het dorp, de mensen, de cultuur. Centraal staat toch wel het boerenleven, zoals ook in veel oudere antropologische studies. Vanaf de neolithische revolutie, die tijd waarin mensen gewassen gingen verbouwen en niet meer alleen afhankelijk waren van jagen en verzamelen, is de boerenstand millennia lang de meest belangrijke geweest. Echter, de industriële revolutie heeft dat totaal veranderd. En daar gaat dit boek over. Zo vat ik jaren en jaren van ontwikkeling maar even bondig samen.

Mak schrijft goed en prettig. Niet al te simpel, niet al te moeilijk. Met veel inzichten en doorzichten. Met veel sympathie voor de mensen. Hij is warm en meelevend. Jorwert staat model voor de veranderende situatie op alle gebied van Nederland, en zelfs van de hele wereld. Zo noemt Mak het niet, maar dat zit er wel achter; dat voelt je gewoon. En hij vindt dat het wel erg snel gaat en hij vraagt zich voortdurend af: is dit nu wel goed? Worden er niet te veel en te snel  wisselende besluiten genomen? Door de nationale en gewestelijke overheden? Door bedrijven en de alsmaar veranderende economische omstandigheden? Mak is geen optimist. De wereld met haar gigantische problemen van wereldformaat verliest de menselijke maat. Nostalgisch is Mak ook wel een beetje. Maar dat zijn we allemaal: heerlijke nostalgie, naar de gezelligheid vroeger en wat al niet meer.

Toch geeft Mak een paar prachtige doorkijkjes door onze geschiedenis. Daar is hij groot en groots in: verbanden leggen tussen verschillende tijden, gebeurtenissen, culturen, leefomstandigheden, etc. Niet te pietepeuterig door archieven heen schuimen. Een ouderwetse geschiedenisleraar van de goede soort. Ik had vroeger op school ook zo’n meester. Hij kon heerlijk vertellen en voorlezen over de vaderlandse geschiedenis; hij heeft ongetwijfeld mijn keuze voor dit vak mede beïnvloed.

Eigenlijk was ik van plan een heel ander stukje te schrijven. Veel inhoudelijker over boek en studie. Maar ja, dat heeft gewoon niet zo veel zin. Ga zelf lezen! Dat is de beste aanbeveling die ik kan doen. En velen zijn mij al voorgegaan. 
Het boek heeft ook prachtige platen, van onder andere een lokale tekenaar.

Een zeer sympathiek boek, een geschiedenisboek, dat je gewoon moet lezen. Je leert er het een en ander van en dat ik wat kleine puntjes heb, moet je gewoon terzijde schuiven. Ik zou bijna zeggen: lees liever Mak dan veel zogenaamde historische romans. Mak brengt je de mensen ook zeer dichtbij. Zijn mensenliefde is enorm groot.

Vette aanrader! En een dikke felicitatie aan het adres van Geert Mak en uitgever Atlas Contact!! 

    • Robert Redfield (4 december 1897 - 16 oktober 1958) was een Amerikaanse antropoloog en etnolinguïst, wiens etnografisch werk in Tepoztlán, Mexico, wordt beschouwd als een mijlpaal van de Latijns-Amerikaanse etnografie. Hij was zijn hele carrière verbonden aan de Universiteit van Chicago : al zijn hoger onderwijs vond daar plaats, hij trad toe tot de faculteit in 1927 en bleef daar tot zijn dood in 1958 (Bron: https://en.wikipedia.org/wiki/Robert_Redfield)

Titel: Hoe God verdween uit Jorwert (Jubileumeditie met een nieuw nawoord)
Auteur: Geert Mak
Pagina’s: 422
Uitgeverij Atlas Contact
ISBN: 9789045045320
Verschenen:  december 2021: de 50e druk; eerste uitgave 1996

dinsdag 18 januari 2022

Susan Abulhawa - Ochtend in Jenin

Recensie door Robert Van der Meiren
Uitgeverij De Geus


Palestijnen zijn dus óók mensen!


Het is fijn als je een boek met een bewonderend wauw-gevoel kunt dichtklappen. Een goed boek blijft dan een tijdje nazinderen, en verdwijnt daarna geruisloos naar de achtergrond, bijvoorbeeld omdat we alweer aan een volgend boek zijn begonnen. Maar heel af en toe krijgen we een boek in handen waar we zo van onder de indruk zijn dat het zich voor heel lang ‒ of zelfs voor altijd ‒ in ons geheugen vastzet. Voor mezelf noem ik bijvoorbeeld Dokter Zjivago van Boris Pasternak, The Lord of the Rings van J.R.R. Tolkien, Het achtste leven (voor Brilka)  van Nino Haratischwili, bijna alle (vertaalde) romans van Halldór Laxness, Oorlog en Vrede   van Lev Tolstoj, en ik kan hier nog wel even doorgaan...

In het begin van vorig jaar las ik Ochtend in Jenin  van de Palestijns-Amerikaanse schrijfster Susan Abulhawa, en ik weet nu al dit werk mij voor de rest van mijn leven zal bijblijven. De roman tekent een schokkend, onthullend, onthutsend, ontnuchterend en verbijsterend beeld van de Israëlisch-Palestijnse kwestie, en is voor mij dé ontdekking van 2021.

Het verhaal

Het is 1941, en in Palestina is alles peis en vree. De Palestijnse bevolking leeft vreedzaam samen met joodse en christelijke minderheden, er wordt onderling handel gedreven en van gemengde vriendschappen kijkt niemand op. De eerste hoofdstukken van Ochtend in Jenin zijn idyllisch, pastoraal, lieflijk, romantisch, bijna idealistisch zelfs.

Alles verandert echter als de Verenigde Naties in 1948 het Joodse volk toestaan om op Palestijns grondgebied de staat Israël te stichten. Vrijwel onmiddellijk nemen de nieuwe bezetters de wapens op om "hun" land te confisqueren. De Palestijnen worden massaal uit hun dorpen en steden verdreven naar vluchtelingenkampen in (bijvoorbeeld) Gaza of de Westoever.

Dat overkomt ook de familie Abulheja uit het kleine olijfboerendorp Ein Hod, als op een dag de hele dorpsgemeenschap door Israëlische soldaten gedwongen wordt te verhuizen naar een vluchtelingenkamp in Jenin. In de chaos van haar vlucht raakt de familie een van haar kinderen, Ismail, een baby nog, kwijt. Het jongetje wordt meegenomen door een Israëlische soldaat die het kind de Joodse naam David geeft, en het als Israëlische jood zal opvoeden.

De achtergrond

Dit dramatisch voorval (1) loopt als een dunne draad door het verhaal dat verteld wordt door vier opeenvolgende generaties moeders van de familie Abulheja. De oude maar moedige Basima, haar schoondochter Dalia die haar zoontje verliest en daarna apathisch en bijna woordeloos door het leven gaat, Dalia's dochter Amaal, de hoofdpersoon in de roman die erin slaagt naar de Verenigde Staten te emigreren maar toch nooit van Palestina loskomt, en Amaals dochter Sara staan symbool voor het getergde Palestijnse volk dat na decennia van terreur, arbitraire behandeling, vernedering, onderdrukking en bureaucratische en economische pesterijen vanwege de Israëlische machthebbers emotioneel en maatschappelijk totaal ontredderd en ontwricht is geraakt.

Israël, Palestina, Gaza, de Westelijke Jordaanoever, Jeruzalem… Bijna dagelijks hebben onze media er wel iets over te berichten. Israël komt doorgaans naar voren als de legitieme rechtsstaat, terwijl de Palestijnen dan de rol van opstandige terroristen toebedeeld krijgen. Kortom, het conflict tussen Israëli's en Palestijnen is er een tussen goed en kwaad, of zo tracht men ons toch te doen geloven. De Israëlische stem klinkt het luidst, en het is alsof de (westerse) wereld na de genocide door de nazi's een eeuwig lopende schuld heeft af te lossen bij het Joodse volk.

Van dat schuldgevoel blijft na het lezen van deze roman nog weinig over. Ochtend in Jenin confronteert ons met de keerzijde van de medaille, en die keerzijde is zonder meer afschuwelijk, maar ook moeilijk te begrijpen. Hoe kan het dat een volk, dat eeuwenlang werd vervolgd ‒ denk maar aan de pogroms tijdens de middeleeuwen, en later in Rusland ‒ en dat tijdens WO II ei zo na werd uitgeroeid, zich vandaag tegenover de Palestijnen net zo gedraagt als destijds de nazi's tegenover hen? Ochtend in Jenin geeft geen antwoord op die vraag, maar stelt wel uitdrukkelijk vast.

De roman vertelt over het leven van de Palestijnen dat door de Israëlische bezetters zo goed als onmogelijk wordt gemaakt. Ochtend in Jenin gaat over wraakroepende menselijke tragedies die zich nu al ruim zeventig jaar afspelen in een oorlog waar nooit een einde aan schijnt te kunnen komen. Op een indringende manier laat Susan Abulhawa ons kennismaken met háár volk, en dat volk is vandaag banger voor de liefde, dan voor de dood.

Hoewel de roman een verwoestend beeld ophangt van de Israëlische machthebbers, is Ochtend in Jenin toch géén antisemitisch pamflet. Het boek beschrijft en veroordeelt de wandaden en de onmenselijkheden, maar dat die begaan worden door Israëlische joden doet Abulhawa veeleer voorkomen als toeval.

De taal

Ochtend in Jenin is echter ook een prachtig geschreven en zeer leesbare roman. Susan Abulhawa's taalgebruik is om van te snoepen. Romans met een tragische thematiek als dit trappen gemakkelijk in de val van gratuite sentimentaliteit, maar daar meandert Abulhawa mooi omheen. Ze schrijft poëtisch en uitermate fijngevoelig, zonder ook maar één keer te vervallen in onnatuurlijke emotionaliteit of goedkope meligheid, zelfs niet als het hoofdpersonage Amaal op een dag meedogenloos wordt getroffen door cupido's liefdespijl!

Als ik Abulhawa's taalgebruik in één woord zou moeten kenschetsen dan is het dit: vriendelijk! In haar roman Het blauw tussen hemel en zee vond ik een passage waarmee ze zelf ‒ wellicht ongewild en onbewust ‒ haar manier van schrijven typeert. Ze schrijft:

"Verhalen zijn belangrijk. We bestaan uit onze verhalen. Het menselijk hart is gemaakt van de woorden die we erin stoppen. Als er ooit iemand iets gemeens tegen je zegt, laat die woorden dan niet in je hart terechtkomen en zorg ervoor dat je geen gemene woorden in het hart van de andere mensen stopt…"

Zo is Abulhawa's vertelstijl: in weerwil van de inhoudelijke gruwel wordt ze nooit polemisch en mijdt ze extreem taalgebruik voortdurend. Cassante uitspraken zijn zeldzaam, in alles wat ze schrijft zit een vriendelijke of begrijpende ondertoon, waardoor de afschuwelijke realiteit nog scherper uit de gitzwarte verf komt. Naar het einde toe toont het hoofdpersonage Amaal zich zelfs grootmoedig, haar goodwill is bewonderenswaardig, ze toont zich groots in haar machteloosheid, maar vooral overstijgt haar ethisch normbesef in sterke mate dat van de Israëlische onderdrukkers. Ze voedt haar dochter Sara op in het volle besef van al de onrechtvaardigheden die het Palestijnse volk moet ondergaan, maar leert haar tegelijk dat begrip en verzoening ten allen tijde de voorkeur moeten krijgen op wraakgevoelens en vijandigheid.

Die conciliërende toon wordt nog sterker benadrukt als Amaal en haar verloren gewaande broer weet krijgen van elkaars bestaan. Bij allebei groeit een sterk verlangen om de wereld van de ander te ontdekken en te begrijpen. Ismail of David, Palestijnse Jood of Joodse Palestijn, symboliseert de mens die de handen uitsteekt naar beide volksgemeenschappen en zo de deur opent naar een 'entente cordiale' die er ooit moet komen (3).

Met Ochtend in Jenin heeft Susan Abulhawa zonder meer een meesterwerk geschreven, een eenvoudig verhaal en tegelijk een literair juweel dat de lezer vanaf de eerste zinnen meesleept naar een wereld die hij niet of amper kent, de wereld van de Palestijnen, en naar mensen die hem diep en diep raken. Toch vrees ik dat haar uitzonderlijke verteltalent en haar literair vakmanschap Susan Abulhawa nooit een of andere belangrijke literaire prijs zullen opleveren, laat staan een nominatie voor de Nobelprijs (2). In de westerse wereld hebben we al lang geleden bepaald wie in dit verhaal de goeden zijn, en wie de slechten, en vanuit die optiek verdedigt Abulhawa helaas de verkeerde zaak.

Besluit

Ochtend in Jenin is een echte eyeopener die mij trof als een slag van een zware moker! Ik heb er bewust voor gekozen geen al te gedetailleerde samenvatting van de roman te schrijven, in de hoop dat zoveel mogelijk lezers de stap zullen zetten om dit verhaal zelf te ontdekken. Maar iedereen die het boek leest zal zijn of haar mening over Joden en Palestijnen gegarandeerd bijstellen, of zelfs helemaal omgooien: die impact had het boek in elk geval op mij!

Om het boek enigszins te situeren in de mondiale literatuur: het mag worden gezien als de (Arabische) tegenhanger van bijvoorbeeld Exodus van Leon Uris (1958), of De bron van James A. Michener (1965).

Tenslotte nog dit: het is moeilijk niet te gaan haten na het lezen van dit boek. Maar misschien is dat wel de boodschap die Susan Abulhawa ons wil geven: dat haat niets oplost, dat haat nooit iets oplost.

De auteur

Susan Abulhawa is een Palestijns-Amerikaanse schrijfster en activiste voor de mensenrechten. Ze werd geboren op 3 juni 1970. Haar ouders, vluchtelingen na de Zesdaagse Oorlog (1967), scheidden kort na haar geboorte waarna Susan een turbulente kindertijd kende. Enkele jaren woonde ze in een weeshuis in Jeruzalem, maar werd op haar 13de door de Israëlische overheid uitgewezen. Ze week uit naar de Verenigde Staten, leefde er korte tijd bij haar vader maar kwam toch weer in het circuit van de pleeggezinnen terecht.

Ze studeerde biomedische wetenschappen, en had een succesvolle carrière als researcher in de farmaceutische industrie. Ze woont in Pennsylvania.

Haar debuutroman, The Scar of David (Het litteken van David) uit 2006 kende weinig succes, maar nadat ze de roman herwerkte en in 2010 opnieuw uitgaf als Mornings in Jenin (Ochtend in Jenin) kwam de wereldwijde appreciatie op gang. De roman werd in 27 talen vertaald.
Susan Abulhawa is initiatiefneemster en bezielster van "Playgrounds for Palestine", een project dat probeert speeltuinen te bouwen in oorlogsgebieden en vluchtelingenkampen.

Eindwoord

Ik wil eindigen met een recent citaat van de schrijfster, dat ik meegeef zonder er een oordeel over uit te spreken of zonder controverse te willen uitlokken, maar gewoon als iets om over na te denken. Dit twitterde ze op 24 december 2021:
"Israel is the moral filth of human consciousness."
Waarvan akte…

(1) In zijn novelle A'id lla Hayfa uit 1970 vertelt de Palestijnse activist en schrijver Ghassan Kanafani (1936-1972) over een Palestijns echtpaar dat op een nacht in april 1948 door Israëlische bezetters gewapenderhand uit zijn woning wordt verdreven. De vijf maanden oude baby van de vluchtende Palestijnse familie blijft in de woning achter. De nieuwe Israëlische bewoners nemen het jongetje in hun gezin op. Twintig jaar later ontdekken de Palestijnse ouders dat hun zoon nog leeft en soldaat is in het Israëlische leger. Dit waargebeurde faits divers inspireerde Susan Abulhawa tot het schrijven van Ochtend in Jenin.
(2) Vooral vanuit de Arabische wereld werd Susan Abulhawa meermaals onderscheiden, en in de Verenigde Staten, waar ze woont, kreeg ze ook enkele (minder bekende) literaire prijzen.

(3) Dat zo een 'hartelijke verstandhouding' ook echt mogelijk is bewijzen de Palestijn Bassam Aramin en de Israëliër Rami Elhanan die allebei een kind verloren in deze oorlog. Ze vonden elkaar in hun verdriet, en hun verhaal wordt schitterend verteld in Apeirogon, een prachtige roman en een bijzonder tijdsdocument geschreven door de Ierse auteur Colum McCann.

Oorspronkelijke titel: Mornings in Jenin, in 2010 verschenen bij Bloomsbury, USA, New York
Nederlandse titel: Ochtend in Jenin, in 2012 verschenen bij De Geus
Eerder bij De Geus verschenen onder de titel Het litteken van David (2007)
Auteur: Susan Abulhawa
Nederlandse vertaling: Marianne Gaasbeek en De Geus bv
Pagina’s: 348
Categorie: literaire roman
Genre: historische roman
ISBN: 9789044522273