Posts gesorteerd op datum tonen voor zoekopdracht Meijgaard. Sorteren op relevantieAlle posts tonen
Posts gesorteerd op datum tonen voor zoekopdracht Meijgaard. Sorteren op relevantieAlle posts tonen

maandag 19 mei 2025

Rhijnvis Feith – Julia (hertaling uit 2024 door Arjen van Meijgaard)



Literatuur van weleer die niet vergeten mag worden

De destijds zeer populaire briefroman Julia van Rhijnvis Feith is oorspronkelijk verschenen in 1783. Feith heeft tijdens zijn leven viermaal een herdruk mogen beleven. Saillant detail is dat het zelfs toen al in het Duits, Frans en Russisch is vertaald.

Aan het eind van de 18e eeuw kwam er een einde aan de Republiek der Verenigde Nederlanden en de culturele stroming die bekend staat als de Verlichting. Deze stroming bloeide in Engeland en Frankrijk weliswaar meer, maar toch drong het in ons land voorzichtig door in de literatuur. Er werd meer nagedacht over sociale rechtvaardigheid en vrijheid van meningsuiting, en in de tweede helft van de 18e eeuw streefde de politieke stromingen naar meer democratie. Als tegenhanger van dit rationalisme richtten de romantische schrijvers zich meer op de innerlijke beleving, de ideale geliefde, intense melancholie, het onbevredigde verlangen, onbereikbaar geluk en ongerepte natuur, en ontstond het sentimentalisme dat maar een korte periode bloeide. 

Marjon Nooij

Rhijnvis Feith (Zwolle, 1753-1824; hij stierf een dag na zijn 71ste verjaardag) was vrijmetselaar en advocaat. In 1787 werd hij gekozen tot burgemeester van Zwolle. Hij schreef het toneelstuk De Patriotten, maar allereerst was hij dichter en met Julia debuteerde hij als romancier. Hij was een ware influencer van het sentimentalisme dat hoogtij vierde aan het einde van de 18e eeuw, hoewel hij na de hypersentimentele Julia ook – naar verluidt – oersaaie verhandelingen uitgaf over ‘het sentimentele, over de waarde der zinnelijkheid en de navolging der natuur’ (bron: Marita Mathijsen –  L, de lezer van de 19e eeuw). Feith trad niet naar buiten in de literaire wereld en de meeste lezers hadden hem dan ook nooit gezien. Dichter Hiëronymus van Alphen (1746-1803) - van het bekende kindergedicht over Jantje die eens pruimen zag hangen - was een groot bewonderaar van Rhijnvis Feith.

Het mag opvallend genoemd worden dat er heden ten dage vrij weinig aandacht wordt besteed aan Feith’s Julia. Zo plaatst J.A. Dautzenberg alleen de cover van de eerste uitgave van Julia in Literatuur, geschiedenis en theorie, maar wijdt hij geen woord aan de inhoud en context van de roman. Zelfs Pieter Steinz schrijft er maar één zin over in Gids voor de wereldliteratuur. Marita Mathijsen stipt Rhijnvis Feith wel een aantal maal aan in L, de lezer van de 19e eeuw, hoewel Eduard daar Ferdinand wordt genoemd.

De roman begint met een inleiding van de auteur waarin hij schreef aan zijn goede vriendin Sophie met wie hij het ‘op een hoger niveau over de liefde had(den)’. Hierop vroeg ze hem om zijn ‘gedachten over de liefde in een verhaal over twee gevoelige zielen te gieten’ en het verhaal te publiceren. Zelf betwijfelde Feith of zijn ‘eenvoudige verhaal’ geschikt zou zijn voor de 18e eeuw. Andere dichters en tijdgenoten staken de draak met het sentimentalisme van hun collega. Als antwoord hierop verscheen er in 1793 een (k)luchtige parodie die achterin de hertaling is opgenomen.

Feitelijk is het verhaal van Julia vrij klein: twee vrome jongelingen vinden elkaar en raken verliefd, maar kunnen elkander niet krijgen.
In een van de brieven aan zijn vriend Alceste vertelt Eduard dat hij op een zoele zomernacht in ‘aangename droefgeestigheid’ in het bos loopt en mijmert over het grote gemis dat hij voelt.

‘Ik moest liefhebben om gelukkig te zijn, maar ik had niet lief! Meer dan eens had ik met de grootste genegenheid naar vrouwen gekeken. Meer dan eens had ik met de grootste sensatie de blosjes op de wangen van een lief meisje zien verschijnen en meer dan eens had ik twee onschuldige borstjes verleidelijk op en neer zien gaan door een hart dat van opwinding klopte. Vaak, verleid door de uiterlijke schoonheid en afgeleid door een onweerstaanbaar lachje, had ik me ingebeeld lief te hebben. Maar ach, zodra ik met mijn geliefde intiem was geweest, verdween de betovering die mij voor een moment zoveel plezier had gegeven.’

Die nacht stuit hij op een biddende jonge vrouw en is meteen verkocht van het hemelse meisje. De smachtende liefde blijkt geheel wederzijds. Ze zijn er zelfs van overtuigd dat hun liefde de dood zal passeren en dat ze elkaar ook in het hiernamaals weer zullen vinden. Maar omdat de vader van Julia hem veel te min vindt voor zijn dochter is een huwelijk ondenkbaar. (Of Julia wel toestemming van haar vader heeft om ’s nachts het bos in te gaan om daar tot God te bidden, wordt niet duidelijk.) Wat hen rest is een platonische liefde; een ware tantaluskwelling voor de ‘twee tedere zielen, die elkaar oprecht beminnen’. Eduard verdwijnt daarop van het toneel om zich in het buitenland op te werken, terwijl de geliefden elkaar hartstochtelijke brieven blijven schrijven. Na verloop van tijd kan hij terugkeren, omdat zijn Julia hem schrijft dat ze toestemming heeft gekregen met hem te trouwen. Wat hem bij terugkomst echter te wachten staat, is een passerende rouwstoet en het nieuws dat zijn geliefde is heengegaan. De voorzienigheid heeft het niet zo goed met hen voor. Hij kan alleen het graf van zijn geliefde nog bezoeken en betrekt een huis in de nabijheid van het kerkhof, waarbij hij de hoop uitspreekt zich later bij haar te kunnen voegen.

Het is een typisch voorbeeld van weltschmerz, wat inhoudt dat immense hunkering kan leiden tot de doodswens. Het bekendste gedicht hierover is De zelfmoordenaar van François HaverSchmidt – die onder het pseudoniem Piet Paaltjens schreef –, hoewel dit gedicht ruim honderd jaar later dan Julia is verschenen in het verzamelde werk Snikken en grimlachjes. Ook aan het einde van de 18e eeuw verscheen Goethe’s Het lijden van de jonge Werther. In Julia spreekt Eduard een aantal maal over zijn vriend en lotgenoot Werther. ‘Werther is van al zijn ellende verlost. Hij is niet meer.’ Het kan niet anders dan dat Feith hier refereert aan de hoofdpersoon uit Johann Wolfgang von Goethe’s werk.

De moderne lezer zal het origineel van de mierzoete roman Julia misschien niet meer als zodanig kunnen waarderen, omdat de sentimentaliteit bijna letterlijk van de bladzijden afdruipt door de vele tranen die er door beide geliefden worden geplengd. De clichés en het bombastisch taalgebruik – hoogdravend en gezwollen – werden door Feith gebruikt om de verheven gevoelens van zijn personages uit te drukken. In een briefroman kunnen de personages in alle vrijheid hun gevoelens naar elkaar uiten en derhalve krijgt de lezer niet altijd voldoende informatie. De karakters blijven in Julia echter plat en eigenlijk is het alleen hun wederzijdse liefde waarover wordt geschreven.
Interessant echter is het verhaal achter dit literair-historisch belangrijke werk. In het nawoord gaat Van Meijgaard dieper in op onder andere de typografie en de context van de roman.

Met het recent verschijnen van de zeer vlot leesbare hertaling, die tevens is ontdaan van al te veelvuldig gebruik van uitroeptekens en gedachtestreepjes, stelt Van Meijgaard zichzelf de vraag: ‘redt Julia het in de eenentwintigste eeuw?’ Als docent Nederlands weet hij als geen ander hoe belangrijk het is om je klassiekers te kennen. Elk schooljaar behandelt hij de korte briefroman in zijn lessen en hij spreekt de hoop uit dat hij, doordat het archaïsch taalgebruik is omgezet naar moderne, meer toegankelijke taal en soepeler zinnen, zijn leerlingen ertoe kan verleiden om de moeite te nemen Julia in zijn geheel te lezen. 

Vestdijk schreef het al: ‘alle contemporaine romans worden op den duur historische romans.’ Daar heeft hij in het geval van Julia helemaal gelijk in.

--

Arjen van Meijgaard is te boeken voor een enthousiasmerende lezing over Rhijnvis Feith en Julia. Hierin gaat hij dieper in op de achtergrond van de roman en de parodie, het sentimentalisme en de tijd waarin de roman is geschreven.

--

Titel: Julia
Auteur: Rhijnvis Feith
Hertaling: Arjen van Meijgaard
Pagina’s: 132
ISBN: 9789493323520
Uitgeverij kleine Uil
Verschenen: november 2024

donderdag 7 december 2023

Interview – Arjen van Meijgaard over Pretpark Paradijs



‘Mijn verhalen zijn meestal gebaseerd op iets wat ik gezien heb’

Over de auteur

Arjen van Meijgaard (Den Haag, 1973) is docent Nederlands op de School voor Jong Talent, onderdeel van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Na zijn middelbare school woonde en werkte hij een jaar in Parijs als au pair en als straatmuzikant. Hij studeerde Nederlands en Frans aan de Universiteit van Utrecht. Tijdens zijn studie verbleef hij een half jaar in Coimbra (Portugal) om les te geven bij de vakgroep Nederlands. Voor zijn docentschap was hij boekverkoper in Utrecht en Den Haag en werkte hij als onderwijscoördinator aan de Universiteit Leiden. 

In 2017 debuteerde hij met de roman We hebben alles bij ons, in 2022 gevolgd door De laatste klanken van Icarus. Onlangs verscheen bij Uitgeverij kleine Uil de verhalenbundel Pretpark Paradijs, met daarin een twintigtal zeer uiteenlopende korte verhalen die eerder zijn gepubliceerd in diverse literaire tijdschriften. Een deel daarvan werd ook genomineerd voor literaire prijzen.

Over het boek

Van Meijgaard weet de lezer in Pretpark Paradijs stante pede zijn verhalen in te trekken door met een sterke zin af te trappen en zich te beperken in het weggeven van hints. Het verhaal wordt binnen de kaders getoond, maar door spanningsvelden te creëren en spaarzaam te zijn in het beschrijven van details, wordt de lezer uitgenodigd om out-of-the-box te gluren. 

Het overgrote deel van de verhalen eindigt met een sterke pointe, die verrassend is en soms zelfs een spannende toets of een plottwist aan het verhaal geeft. De auteur weet in een relatief beperkt aantal bladzijden een krachtig verhaal neer te zetten.


Interview

Amsterdam, 21 november 2023; voor het interview hebben we afgesproken elkaar nog eens halverwege te treffen in de sfeervolle, gezellige wijnbar van Auberge Jean & Marie in de Albert Cuypstraat.

Marjon Nooij

Vorig jaar verscheen je roman De laatste klanken van Icarus, en onlangs je verhalenbundel Pretpark Paradijs. Waarin verschilt het schrijven van roman en verhaal? Waar kun je je ei in kwijt?

‘Een roman is een veel langer proces. Omdat ik naast mijn baan maar een paar keer per week kan schrijven, is een roman dan lastiger, de verhaallijn moet je goed in de gaten houden, de plot, de personages. Dat moet allemaal niet ontsporen. Bij een kort verhaal kun je die lijntjes sneller afronden en kun je bij wijze van spreken in één dag de grove schets op papier zetten om die daarna uit te werken.’

Bereid je je daar op een andere manier op voor?

‘Een roman begint met een groter een idee, met allemaal vertakkingen in aanleg die onderweg verder uitgroeien of juist gesnoeid worden. Mijn verhalen zijn meestal gebaseerd op iets wat ik gezien heb. Het verhaal ‘Nocture’ kwam tot stand nadat ik in een restaurant een wat oudere pianist in een hoekje achter een vleugel zag zitten spelen. Eigenlijk net als ‘Nachtvlinder’, ook die hoofdpersoon heb ik als het ware ergens een keer echt gezien. Dan wil ik iets met zo’n personage en ontstaat een verhaal met een kop en een staart. Tenminste, dat hoop ik.’

Een aantal verhalen is al eerder verschenen. Hoe gaat zo’n selectie voor een bundel in z’n werk?

‘De verhalen zijn inderdaad voor een deel eerder verschenen in verschillende literaire tijdschriften (De Tweede ronde, Deus Ex Machina, Lava Literair). Het leek me mooi die te bundelen, er is, denk ik, zeker een lijn in te ontdekken. De hoofdpersonen proberen een weg te vinden in de wereld die best veel van hen verlangt. Ze zijn allemaal op zoek naar geluk en die zoektocht herkennen we denk ik wel. 

Aan een paar verhalen was ik al wat langer geleden begonnen, die heb ik voor deze bundel afgemaakt. ‘Activist’, het verhaal over een ontmoeting met Gerrit Komrij, heb ik in 1998 geschreven nadat ik een dag met de schrijver en zijn vriend in Coimbra had doorgebracht. Afgelopen mei was ik weer in Coimbra, deze herontmoeting met de stad heb ik door het bestaande verhaal heen gevlochten.’

Een intrigerende en beetje paradoxale titel, Pretpark Paradijs. Komt dat overeen met het verhaal?

‘De hoofdpersoon van het titelverhaal zit in een lege kamer, een soort inrichting, en begrijpt niet goed waarom hij daar zit. Het verschil tussen goed en kwaad is hem niet helemaal duidelijk. Dat is misschien de link met het paradijs, waar het allemaal goed en mooi hoort te zijn, maar waar ook de verleiding en het kwaad in de vorm van de slang rondkruipt. De hoofdpersoon vraagt zich af waarom er nog geen pretpark is dat het Paradijs nabootst. Op zich een terechte vraag, denk ik.’

Twee van je verhalen zijn winnende verhalen voor Duizend woorden. Hoe ging dat in z’n werk?

‘Die wedstrijd was een samenwerking tussen VPRO, NRC en Uitgeverij Nieuwe Amsterdam. De enige restrictie was het maximum van duizend woorden. Uit alle inzendingen werd per week iemand uitgenodigd die zijn/haar verhaal bij het radioprogramma De avonden van de VPRO mocht voorlezen. Daar zaten dan twee schrijvers die feedback gaven op het verhaal. Ik heb twee keer meegedaan en mocht twee keer komen voorlezen (‘Camping’ en ‘Goudvis’ uit de bundel). Wim de Bie had een gesproken column aan het eind van het programma. Het was bijzonder om je eigen verhaal voor te lezen, terwijl je niet wist wie je publiek was.
Het verhaal ‘Camping’ verscheen ook nog in NRC en in een uitgave van Bulkboek.

Sommige andere verhalen zijn genomineerd. Stimuleert dat, ook al win je misschien niet de eerste prijs?

‘Het is natuurlijk al heel fijn om genomineerd te zijn. Je krijgt dan een uitnodiging om bij de bekendmaking van de winnaar te zijn, maar ik vermoedde dan altijd wel dat als je niet specifiek gevraagd werd, je niet bij de eerste drie zat. Maar goed, je hoort bij de shortlist van bijvoorbeeld de laatste 5 of 10. Zo ben ik naar Arnhem, Antwerpen en Utrecht gereisd. Soms was er een literair tijdschrift aan verbonden of een kleine uitgave, daar stond ik dan wel in. En ja, dat is zeker stimulerend, om je eigen tekst gedrukt te zien. Nu ik in de redactie van Elders literair zit, kan ik me goed voorstellen hoe de drie genomineerden van de laatste poëziewedstrijd zich voelden. Ze waren gekozen uit ruim 400 inzendingen en mochten op het podium voor een volle zaal hun gedicht voordragen.’

Waaruit bestaan je bezigheden voor onder andere het literaire tijdschrift Elders?

‘Samen met auteur Kees Ruys ben ik redacteur proza. We beoordelen de ingezonden verhalen en kijken of die voor plaatsing in aanmerking komen, op de website of in het papieren nummer dat twee keer per jaar verschijnt. Je leert enorm veel van het lezen van andermans werk. Waarom zijn bepaalde zinnen mooi en andere juist niet, wat blijft hangen, wat is cliché. Soms is de verhaallijn goed, maar de stijl minder. Andersom komt natuurlijk ook voor. 

Voor Tzum recenseer ik literatuur, dat is vergelijkbaar, ook daar leer ik van. Waarom laat een boek een bepaalde indruk achter? Beklijft het verhaal, doet het iets met je als lezer. Bij het Letterenfonds beoordeel ik af en toe een boek voor een subsidieaanvraag, dan moet je vooral kijken naar het literaire gehalte en hoe ingewikkeld het duiden daarvan soms ook is, je voelt als lezer wel of iets potentie heeft of niet.’

Het lijkt me lastig om te combineren: een baan en schrijven. Ben je ook daadwerkelijk minder gaan werken om meer te schrijven, zoals je in het vorige interview aangaf?

‘Tot de zomervakantie werkte ik op twee scholen. Dat heb ik 6 jaar gedaan, maar het kostte uiteindelijk te veel energie. Met een van de twee scholen ben ik gestopt, hoe jammer ik dat ook vind. De leerlingen inspireerden en het was leuk om met hen over literatuur en poëzie te praten en ze een beetje wegwijs te maken in die wereld. Nu kan ik meer tijd vrijmaken voor mijn volgende roman. Het verhaal gaat over de ballast die je als kind meekrijgt van je ouders. Je erft van alles: herinneringen, gewoontes, gedrag, normen en waarden, maar ook spullen. En daar moet je iets mee. Het is voor mezelf interessant om daarover na te denken en dat in een verhaal te gieten.’ 

En wanneer is het af. Volgend jaar?

‘Nee, dat zou wat veel zijn, drie boeken in drie jaar. Voor mezelf heb ik twee tot drie jaar uitgetrokken. Ik ben al aardig op weg, maar het kan nog alle kanten uit. Dat is tegelijk fijn en onzeker. Het is een proces, niets staat vast tot het af is.’ 

--

Titel: Pretpark Paradijs en andere verhalen
Auteur: Arjen van Meijgaard
Pagina's: 156
Uitgeverij kleine Uil
ISBN: 9789493323100
Verschenen: november 2023

zondag 12 november 2023

Arjen van Meijgaard - Pretpark Paradijs en andere verhalen


Suggestieve, onorthodoxe verhalen, met soms een macaber tintje en een sterke pointe

‘De zwemmer zwemt niet meer.’ Met deze sterke en suggestieve zin begint Van Meijgaard het eerste verhaal in deze bundel. De voyeuristische dame bespiedt de man dagelijks, genietend van zijn jonge lichaam, maar ook ietwat gegeneerd. ‘Op het moment dat hij zijn zwembroek uitdoet, draait ze discreet de verrekijker de andere kant op.’ De grote vraag is of zíj zich eigenlijk wel onbespied mag wanen.

Arjen van Meijgaard (Den Haag, 1973) is docent Nederlands op de School voor Jong Talent, onderdeel van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. In 2017 debuteerde hij met de roman We hebben alles bij ons, in 2022 gevolgd door De laatste klanken van Icarus. Onlangs verscheen bij Uitgeverij kleine Uil de verhalenbundel Pretpark Paradijs, met daarin een twintigtal zeer uiteenlopende korte verhalen die eerder zijn gepubliceerd in diverse literaire tijdschriften. Een deel daarvan werd ook genomineerd voor literaire prijzen.

Marjon Nooij

Het schrijven van een bespreking van een verhalenbundel kost soms wat hoofdbrekens, omdat er meerdere kleine plots te lezen zijn en je nooit aan alles aandacht kunt besteden. De verhalen zijn zeer divers van opzet, setting, onderwerp, perspectief en sfeer; soms geestig, dan weer absurdistisch. Subtiele aanwijzingen vallen bij overdenken of herlezing goed op zijn plaats. Er wordt mooi gebruik gemaakt van de techniek show, don’t tell. Het gebruik hiervan is geen wet van meden en perzen – soms móet je gewoon iets vertellen ter verduidelijking –, maar het geeft duidelijk meer kracht aan het verhaal.

Een verrukkelijk schurend verhaal is ‘Mannen’, waarin Lucas opgroeit zonder vader. Hij hoort zijn moeder tegen iedereen vertellen dat hij is overleden, maar Lucas weet donders goed wie het is en hij volgt hem soms. Bij Lucas thuis komen er regelmatig mannen over de vloer, soms eenmalig, soms frequenter, maar meestal ontwijkt hij de heren door uren door de stad te slenteren. Geleidelijk ontstaat er in zijn kinderlijke logica een vertederend plannetje om zijn moeder in bescherming te nemen tegen de lange rij vreemde bezoekers.

‘Wie zijn vader is, is hem bekend, maar daar blijft het ook bij. Het is de man die drie straten verder woont en getrouwd is met een vrouw met één arm. Lang heeft Lucas gedacht dat zijn vader bij die vrouw bleef, omdat hij medelijden met haar had, maar als hij zijn moeder mag geloven, is het een ongevoelige man die alleen aan zichzelf denkt. Bij de eenarmige vrouw heeft zijn vader een tweeling. Twee meisjes die drie jaar jonger zijn dan Lucas. Hij groet de meisjes als hij ze op straat tegenkomt en weet dat zij niet weten wie hij is. Hij is er trots op hun halfbroer te zijn, ook al zal hij dat nooit zeggen.’


In het morbide, maar humoristische verhaal ‘De barbier’ hoopt Willem zichtbaar op te knappen van een goedgeknipte coupe. De klassieke eenmanszaak lijkt een weldaad van rust en oprechte aandacht, maar een kopje koffie weigeren lijkt uit den boze. De kapper gaat er prat op om het hele hoofd onder handen te nemen en het vandaag helemaal af te maken: oor- en neusharen, wenkbrauwen, snor én baard. En ook dat kan Willem niet weigeren…

Het titelverhaal ‘Pretpark Paradijs’ vertelt over iemand die een aantal weken opgesloten zal worden. Waarom dat is, wordt heel langzaam duidelijk. Maar niet voor de ik-figuur. ‘Omdat ik geen grens zie tussen werkelijkheid en fictie. Nooit gezien heb. Dat is tenminste wat ze denken.’

Het motto dat uit Kroniek uit een leven dat voorbijgaat van Fernando Pessoa komt, geeft eigenlijk al aan dat er in deze bundel sprake is van een varia van verhalen met een wat onorthodox karakter. 

‘Spring niet te lichtvoetig om met alles wat er maar aan trivialiteit en banaliteit in het leven moge zijn, met wat tragisch is en triest, met wat blijdschap brengt of onbeduidend lijkt.’


Het verhaal ‘Expositie’ is een knipoog naar het hoofdpersonage uit Van Meijgaard’s laatste roman De laatste klanken van Icarus. De ik-figuur wordt door een passante opgemerkt, wanneer hij als straatmuzikant bij de ingang van een museum viool staat te spelen. Tegen een riante vergoeding wordt hij ingehuurd om op een expositie voor de muziek te zorgen. ‘Misschien klinkt het af en toe te melancholisch, maar trieste vrolijkheid bestaat ook.’ Wanneer ze hem na afloop nog even thuis uitnodigt voor een afzakkertje, ziet hij nogal macabere schilderijen hangen met bloederige taferelen. Door dit gegeven als een spiegelplot in zijn korte verhaal te verwerken, rondt de auteur het verhaal af met de illusie van een femme fatale.

Van Meijgaard weet de lezer stante pede zijn verhalen in te trekken door met een sterke zin af te trappen en zich te beperken in het weggeven van hints. Het verhaal wordt binnen de kaders getoond, maar door spanningsvelden te creëren en spaarzaam te zijn in het beschrijven van details, wordt de lezer uitgenodigd om out-of-the-box te gluren.

Het overgrote deel van de verhalen eindigt met een sterke pointe, die verrassend is en soms zelfs een spannende toets of een plottwist aan het verhaal geeft. De auteur weet in een relatief beperkt aantal bladzijden een krachtig verhaal neer te zetten.

Een verhalenbundel leent zich over het algemeen niet voor binge-reading, daar elk verhaal het verdient om er nog even op te kauwen. Ondanks dat we net één verhaal tekort komen om er de adventsdagen mee te vullen, lenen de verhalen zich bij uitstek om in de donkere dagen te lezen of te worden voorgelezen. 

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Pretpark Paradijs en andere verhalen
Auteur: Arjen van Meijgaard
Pagina's: 156
Uitgeverij kleine Uil
ISBN: 9789493323100
Verschenen: november 2023


vrijdag 9 december 2022

Interview – Arjen van Meijgaard over De laatste klanken van Icarus


"Schijnbaar zijn gebeurtenissen die je rond je twintigste levensjaar beleeft het indrukwekkendst”


Over de auteur

Arjen van Meijgaard (Den Haag,1973) is docent Nederlands in Den Haag. Na zijn middelbare schooltijd woonde en werkte hij een jaar in Parijs als au pair en als straatmuzikant. Hij studeerde Nederlands en Frans aan de Universiteit van Utrecht. Tijdens zijn studie verbleef hij een half jaar in Coimbra (Portugal) om les te geven bij de vakgroep Nederlands. Voor zijn docentschap was hij boekverkoper in Utrecht en Den Haag en werkte hij als onderwijscoördinator aan de Universiteit Leiden.

Al met zijn eerste bijdrage aan het literair tijdschrift Extaze maakte hij indruk met zijn precieze beschrijvingen en zijn economisch taalgebruik, zoals in het verhaal ‘De zwemmer’: Een vrouw bekijkt vanuit haar huis aan de zeekant een zwemmer die elke dag op hetzelfde tijdstip naar het strand komt.

“De zwemmer loopt langzaam naar de vloedlijn, zijn rug recht, zijn armen losjes langs zijn lichaam. Tussen de witte schuimkoppen in de branding bukt hij zich, maakt zijn polsen en borst nat en loopt vertraagd verder tot het water om zijn middel golft.” We zien deze bewegingen door de verrekijker van de vrouw, die van verre het gebeuren nabij en intiem maakt.

Behalve aan Extaze leverde Van Meijgaard literaire bijdragen aan o.a. Deus Ex Machina, De Tweede Ronde en De beste verhalen uit duizend woorden, (Nieuw Amsterdam, 2008). Op dit moment staat hij voor de klas op de Vrije School Den Haag en de School voor Jong Talent, onderdeel van het Koninklijk Conservatorium.

Hij schrijft recensies voor o.a. Tzum, NBD/Biblion en boekhandel Athenaeum. 

Over het boek

Nog steeds oogst de hoofdpersoon veel bewondering wanneer hij vertelt over zijn successen als straatmuzikant in Parijs, ook al was dat in de jaren ’90. In metrogangen en op het plein voor Musée d’Orsay verdiende hij als negentienjarige met zijn vioolspel bakken met geld. Hij ontmoette boeiende figuren, zoals Milan de fagottist en de aantrekkelijke Julie, een studente aan de kunstacademie.

Wanneer Julie na vijfentwintig jaar weer contact met hem zoekt en naar Nederland wil komen, raakt hij in paniek. Klopt het wat hij zich herinnert? Zal zij zaken boven water halen die beter onder water hadden kunnen blijven? Om gebeurtenissen helder te krijgen, probeert hij het verhaal van toen te reconstrueren. En om Julie te vinden voordat het misgaat, blijkt een bezoek aan Parijs onvermijdelijk.

De laatste klanken van Icarus is een psychologische roman vol kleurrijke en muzikale herinneringen, een verhaal over verlangen en hoogmoed, over waarheid en fantasie. 


Interview

Amsterdam, 22 oktober 2022; we treffen elkaar in de wijnbar van Auberge Jean & Marie in de Albert Cuypstraat. Een sfeervolle, gezellige entourage en veel toepasselijker kan het natuurlijk niet wanneer we spreken over zijn prachtige tweede roman De laatste klanken van Icarus die zich afspeelt in Parijs.

Marjon Nooij

Tijdens het lezen van je roman zag ik berichten van je voorbijkomen op Facebook en kreeg ik het idee dat je uit eigen herinneringen hebt geput. Kun je iets vertellen over het eventuele autobiografische gehalte van je verhaal? 

“Inderdaad zijn het decor van het verhaal en een aantal belevenissen van de hoofdpersoon gebaseerd op mijn eigen ervaringen als au pair en straatmuzikant. Na mijn eindexamen in 1992 wilde ik nog niet aan een studie beginnen, bovendien wist ook niet welke dat dan moest zijn. Daarom besloot ik naar het buitenland te vertrekken. Ik had kunnen gaan reizen of druiven plukken, maar ik wilde graag een jaar in een andere stad wonen. Bordeaux leek me wel wat, niet te groot en niet te klein, Franstalig en zuidelijk. De vader van een vriend van mij kende de Nederlandse consul in Bordeaux, die mocht ik bellen. Maar hij kon niets voor me regelen. Toen besloot ik au pair te worden. Niet veel jongens werden dat, dus dat was nog redelijk origineel. Alleen kon het bureau voor au pairs waar ik me had ingeschreven geen gezin vinden voor een jongen in Bordeaux, wel in Parijs, of beter gezegd, vlak buiten Parijs. Ik zou op een jongetje van acht moeten passen.”

“Eenmaal daar viel het oppassen een beetje tegen. Ik was personeel en moest koken, schoenen poetsen en met het jongetje buitenspelen. In Parijs volgde ik een taalcursus en ook in het weekend ging ik vaak naar Parijs. Dwalend door de stad zag ik een hoboïst op straat spelen. Toen kreeg ik het idee, waarom zou ik dat ook niet proberen met mijn viool? En van het een kwam het ander. De hoboïst is in het boek een fagottist geworden en verschillende anekdotes zijn in meer of mindere mate echt gebeurd, zoals de regels rondom het spelen op straat en de expositie bij het Grand Palais. 

En de andere personages uit het boek, liepen die ook rond in het Parijs van toen?

“De meeste personages zijn samengesteld uit meerder personen die ik toen ontmoet heb, uiteraard aangevuld met verzonnen uiterlijke en innerlijke kenmerken. Dat is het mooie van schrijven: je creëert, vervormt, versterkt en verdraait personen en situaties zo totdat ze in het verhaal passen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik van sommige dingen niet meer weet of het zo gegaan is of dat ik het bedacht hebt. En dat is uiteindelijk ook waar het verhaal om draait. Wat weten we nog van vroeger, wat is echt zo gegaan en wat is in de loop der tijd aangevuld met fragmenten van anderen of met je fantasie? Ik heb een paar boeken van Douwe Draaisma gelezen. Het is boeiend wat hij schrijft over de werking van het geheugen. Schijnbaar zijn gebeurtenissen die je rond je twintigste levensjaar beleeft het indrukwekkendst. Ook schrijft hij dat een herinnering verandert in de loop van de tijd. En daarmee de gebeurtenis waarnaar de herinnering teruggrijpt dus misschien ook wel.”

Ik vermoed dat het boek niet in een andere stad had kunnen spelen. Het verhaal zit verweven in het stratenplan, in de Parijse sfeer. Kreeg je heimwee naar Parijs, naar de tijd dat je er gewoond had, terwijl je met het boek bezig was?

“Zeker. Vlak na mijn jaar in Parijs wilde ik niet terug omdat ik bang was dat de nieuwe ervaringen zich zouden vermengen met dat ene jaar. Maar goed, dan zou ik er nooit meer heen kunnen. Door erover te gaan schrijven kwamen mijn belevenissen allemaal weer terug, ook details die ik vergeten was. Ik voorkwam dat Parijs steeds verder het verleden in dreef. Ik bevond me wekelijks weer in de stad die zoveel indruk op me gemaakt heeft, dat was mooi om mee te maken, terwijl ik gewoon thuis achter mijn bureau zat. 
Het is in zekere zin jammer dat het boek nu af is, want daarmee sluit ik op een bepaalde manier dat jaar in Parijs af, wat ik eigenlijk niet wil. Daar ligt wellicht ook een parallel met de hoofdpersoon. Kun je iets wat voorbij is toch laten voortduren? Ik ben bang van niet.”

Je speelt heel mooi met illusie en laat de lezer in het tweede deel van je roman flink twijfelen over de positie van de personages. Zelfs bij het dichtslaan van het boek zijn er geen pasklare antwoorden en verdient het verhaal het om nog eens flink na te denken over de ontwikkelingen die de personages hebben doorgemaakt. Hoe is dit tot stand gekomen in het schrijfproces? Heb je het hele verhaal al in grote lijnen in je hoofd of ontwikkelt zich dit gaandeweg?

“Toen in Parijs woonde, op negentienjarige leeftijd en daar als straatmuzikant door de stad liep, beleefde ik alles heel intensief. Zeker nadat ik het au pairgezin buiten de stad verruild had voor een gezin met drie kinderen in de stad, waar ik alleen maar van 16.00 – 18.00 hoefde op te passen. Ik kreeg niet betaald, maar wel de beschikking over een eigen kamer een eind verder in de straat. Die tijd was eenzaam, maar ook vol vrijheid. De cursus Frans was afgelopen en in de tijd buiten het oppassen om, dus ook in de weekenden, kon ik doen wat ik wilde. Dat was vooral vioolspelen op straat en met andere muzikanten afspreken. 
De klarinettist die mij de kneepjes van het vak heeft geleerd, adviseerde me wel om te gaan studeren, anders zou ik voor de rest van mijn leven op straat blijven staan, net als hij. Hij was toen rond de veertig.”

“Eenmaal terug in Nederland en braaf aan de studie kon ik nog lang teren op dat jaar en langzaam groeide het idee om er een verhaal van te maken. Zo’n 15 jaar geleden ben ik losse anekdotes gaan opschrijven en ontstond de eerste versie. Die is nog vele malen aangepast. Andere perspectieven, andere verhaallijnen, maar het decor bleef steeds Parijs en het leven als straatmuzikant. Dat leek me uniek en interessant genoeg voor een verhaal.”

“Mijn eerste boek, We hebben alles bij ons (2017), kwam tussendoor en toen lag het Parijs-verhaal een lange tijd stil. Dat is ook wel goed, dan kon ik er afstand van nemen en er met een frisse blik weer aan beginnen. Ik denk dat toen de uiteindelijke plot pas vorm kreeg, de verwikkelingen van de personages, de obstakels die de hoofdpersoon moet overwinnen om te bereiken waar hij naar op zoek is.”

“In het schrijfproces vind ik het begin het lastigst, die lege bladzijde waar woorden en zinnen op moeten komen die ergens toe leiden. Als er eenmaal iets staat, kan ik veel makkelijker verder, schaven en schuren aan een ruwe opzet werkt voor mij het beste. Maar er moet natuurlijk op een bepaald moment weer een nieuw hoofdstuk geschreven worden, dan ga ik zitten en typen. Met die tekst kan ik dan weer aan de slag.”

Op verschillende vlakken houd je je bezig met literatuur. Naast auteur, redacteur van Eldersliterair, recensent voor Tzum en boekhandel Athenaeum, ben je docent aan de School voor Jong Talent van het Koninklijk Conservatorium. Hoe verhoudt deze baan zich met literatuur?

“De School voor Jong Talent is een kleine school voor havo en vwo, en ik geef daar Nederlands. We zijn onderdeel van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. De leerlingen besteden naast hun schoolvakken veel tijd aan muziek, dans of beeldende kunst, ze gaan bijvoorbeeld ook op zaterdag naar school. Eigenlijk doen ze twee opleidingen tegelijkertijd: het schooltraject en een soort vooropleiding voor het conservatorium of de kunstacademie. 
Over het algemeen kun je zeggen dat deze leerlingen wat meer geïnteresseerd zijn in literatuur en poëzie. We nodigen ook af en toe een schrijver uit die muziek of kunst in zijn of haar romans laat terugkomen. Zo heb ik samen met de leerlingen Arthur Japin en Anna Enquist geïnterviewd, dat heeft duidelijk een meerwaarde voor de leesbeleving van leerlingen. Het komt ook voor dat leerlingen meer boeken op hun eindlijst zetten dan de verplichte 12 voor het vwo-eindexamen. Maar ik moet eerlijk zijn, op de andere school waar ik lesgeef, de Vrije School, gebeurt dat ook. De leerlingen daar lezen soms ook meer dan van ze verwacht wordt. 
Op beide scholen start ik de les vaak met 15 of 20 minuten lezen. Dat werkt goed, het is dan doodstil en iedereen is verzonken in zijn of haar boek.”

“Tijdens de lessen literatuurgeschiedenis laat ik graag beeldfragmenten van schrijvers zien, zodat leerlingen ook de persoon achter de boeken te zien en te horen krijgen. In een interview zegt Harry Mulisch dat je voor het schrijverschap moet gaan. Je kunt het er volgens hem niet ‘bij doen’. Je doet het, of je doet het niet. Misschien heeft hij gelijk, ik heb maar een dag per week om te schrijven en op die manier gaat het in ieder geval veel langzamer. Maar het lesgeven vind ik ontzettend leuk en waardevol. Het contact met leerlingen, hun kijk op de wereld en op het leven zou ik niet willen missen. Ze houden je een spiegel voor en dankzij hen weet ik ook een beetje wat er in hun wereld speelt.”

“Het lesgeven inspireert, ik heb gebeurtenissen, gesprekken en mensen nodig om uit te kunnen putten voor een verhaal. Alleen op een kamertje, vijf dagen per week, is niets voor mij. Ik zal dus moeten bewijzen dat ik, naast het schrijven, er van alles bij kan doen. Maar iets meer tijd zou fijn zijn. Idealiter sta ik drie dagen voor de klas en kan ik twee dagen schrijven. Dat neem ik me alleen al een paar jaar voor…”

--

Eerder verschenen in Bazarow Magazine

dinsdag 29 november 2022

Arjen van Meijgaard - De laatste klanken van Icarus


Twee evenwijdige lijnen in een oneindig vlak

Arjen van Meijgaard (1973) is docent Nederlands op de Vrije School en de School voor Jong Talent, onderdeel van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. In 2017 debuteerde hij met de roman We hebben alles bij ons. Zijn langverwachte tweede roman De laatste klanken van Icarus is onlangs verschenen bij Uitgeverij kleine Uil.

Marjon Nooij

Je bent geslaagd voor de middelbare school en met je koffer, rugzak en viool vertrek je naar Parijs om in Villennes sur Seine als au pair in te trekken bij een jong gezin met een zoontje. Nerveus speur je het perron af en daar staat Mme Lefond op je te wachten. Je herkent haar meteen van de foto die je enige tijd daarvoor hebt ontvangen. 'Ik zal je eerst de stad laten zien, dan hebben we dat gehad.' Ze laat je het huis zien, een volle koelkast waar je alles uit mag pakken en een blocnote met instructies. Ze gaat de deur uit met de mededeling dat ze niet weet hoe laat ze thuis is. En daar zit je dan, 'in een grote witte villa op een heuvel'. In de logeerkamer tref je tot je verrassing een beslapen bed en een volle asbak aan. Het contact met Mme Lefond – 'noem me maar Louise' – geeft een bijna broeierige indruk, vooral wanneer ze haar boodschappen later afsluit met Loulou.

De naamloze ik-verteller die Van Meijgaard opvoert, voelt zich ontheemd in den vreemde en besluit eerst de stad te verkennen, waar hij vier schriften koopt om tijdens zijn verblijf de belangrijkste aantekeningen te maken. Van zijn docente Frans kreeg hij na zijn eindexamen Le solitaire van Ionesco, met de opdracht: 'Straks voel je je vaak genoeg eenzaam'.

Heel veel werk hoeft hij niet aan zijn au pair bestaan te besteden en op aanraden van Louise gaat hij naar een taalschool om zijn Frans bij te spijkeren. In zijn vrije tijd trekt hij Parijs in. Bij het Musée d'Orsay staat een fagottist te spelen en hij besluit de volgende ochtend zijn viool mee te nemen om ook zijn geluk te beproeven. Hij weet het op een akkoordje te gooien met de fagottist; ieder mag een dagdeel spelen.

Met zijn vioolspel sprokkelt hij flinke bedragen bij elkaar. Heimwee maakt plaats voor een nieuwe bekoring; 'de straat is een magneet'. Omdat het au pair gezin hem niet elk weekend nodig heeft, biedt dat hem de kans om in Parijs bij een medecursiste te blijven slapen, zodat hij in alle vroegte, met zijn viool in de aanslag, op straat staat. Het succes van het musiceren werkt hallucinerend en de drang om te presteren wordt steeds groter. 'Onder het spelen gaat het goed, maar zodra ik mijn viool inpak komt de onrust opzetten.'

Wanneer zijn diensten bij het gezin niet meer noodzakelijk zijn, trekt hij, 'als een zwerver met een doel', in een pension in Levallois, dicht genoeg bij Parijs om 's morgens, op de meest lucratieve plekken, met zijn vioolspel te beginnen. Op straat ontmoet de straatmuzikant Julie; een kunstenares die hem portretteert, maar toch voelt zijn bestaan eenzamer dan ooit. Weemoed en twijfels doen hun intrede.

De compacte anekdotes van de ik-verteller worden afgewisseld met Hollandse intermezzo's, die zich vijfentwintig jaar na dato afspelen. In deel twee put de ik-figuur uit de schoenendoos met aantekeningen, adressen en parafernalia uit de Parijse periode van twee en een halve decennia geleden en wil ze uitwerken, 'om uit te zoeken wat er werkelijk gebeurd is.' Hier gaan de herinneringen uit het verleden spelen, 'al moeten die in evenwicht gebracht worden met wat je je nog herinnert.'

Julie stuurt de ik-figuur een ansichtkaart. Ze zal in Nederland exposeren en nodigt hem uit om elkaar te ontmoeten. Hij besluit schielijk om naar Parijs te gaan om oude bekenden op te zoeken die hem zouden kunnen helpen om alles op een rijtje te zetten.

De laatste klanken van Icarus is doordesemd met melancholieke thema's, als dromen, verlangen en herinneringen die in de loop der tijd aan verandering onderhevig zijn of zijn beïnvloed door je fantasie. De ik-figuur tracht de herinneringen aan de hand van de aantekeningen, die gaandeweg steeds vluchtiger worden, te reconstrueren. Zijn de dromen misschien vervlogen dromen? Waren het hoogmoedige dromen? Zoals Icarus zijn ondergang tegemoet vloog naar de zon, en neerstortte omdat hij zijn met was bevestigde vleugels in de hitte verloor. Hoe betrouwbaar zijn herinneringen? Wie zal het zeggen?

De auteur speelt geraffineerd met illusie en geeft stof tot nadenken. Het is aan de lezer om met het magnifieke einde zelf de gebeurtenissen te reconstrueren. De grande finale sluit in ieder geval heel mooi aan bij het motto van Philippe Lançon: 'Waarin verschilt verbeelding van herinnering? Hoe is dit alles met elkaar verbonden?'

'Soms sluiten dingen naadloos op elkaar aan, al zijn pas achteraf de overgangen logisch te verklaren.'

--

Eerder verschenen op Tzum en Bazarow


Titel: De laatste klanken van Icarus
Auteur: Arjen van Meijgaard
Pagina's: 176
ISBN: 9789493170858
Uitgeverij kleine Uil
Verschenen: oktober 2022

donderdag 18 maart 2021

Peter WJ Brouwer - Het oog van de kraanvogel

Recensie door Arjen van Meijgaard
Uitgeverij In de Knipscheer

Een vriendschap tot in Japan


Waarom voel je je meer aangetrokken tot de een dan tot de ander? Wat is de basis van een vriendschap? Is het altijd duidelijk wat de ander van je verwacht of wat je van jezelf verwacht? Rond deze lastig te beantwoorden vragen heeft Peter WJ Brouwer in Het oog van de kraanvogel een boeiend en gelaagd verhaal gesponnen. Brouwer publiceerde een aantal dichtbundels, zijn romandebuut Het siamees moment verscheen in 2017.

Arthur en Marcus ontmoeten elkaar tijdens hun studie aan het conservatorium van Amsterdam, eind jaren tachtig. Het verhaal wordt verteld vanuit Marcus, een wat onzekere jongen die piano studeert en zijn weg zoekt tussen de nieuwe mensen die hij leert kennen tijdens zijn studie. Arthur, violist, is een stuk eigenwijzer. Ze kruisen elkaar een paar keer en een voorzichtig contact gaat al snel over in een hechte vriendschap. 

Brouwer weet heel goed het ontstaan van deze vriendschap te vangen, het wat claimerige gedrag van Arthur en de naïeve houding van Marcus lijken toch goed samen te gaan. En dan is er ook nog het contact tussen Marcus en Carlijn, die zijn vriendinnetje wordt. De aanloop naar een vriendschap of relatie is achteraf moeilijk terug te halen. Waar begon het precies, wie zette de eerste stap, in welke context ontstond de eerste dialoog? Brouwer zet dat heel natuurlijk en ongedwongen neer. 

De lezer voelt de constante spanning tussen Marcus en Arthur, vooral die tweede lijkt meer te willen. Ook Carlijn voelt dat feilloos aan en wurmt zich tussen beide vrienden. Maar wat wil Marcus? Als de vrienden een paar dagen naar de moeder van Arthur in Bergen gaan, komt het tot een interessante confrontatie. Niet alleen tussen beide jongens, maar ook bij Marcus met zichzelf. 

De tijdsprong naar 25 jaar later, wanneer Arthur en Marcus elkaar weer tegenkomen in Japan, geeft een nieuwe dimensie aan hun contact. Beide mannen kijken op een andere manier terug op hun vriendschap van lang geleden. Marcus is in Japan als advocaat om een conflict tussen een dirigent en een muzikante glad te strijken, Arthur speelt in het orkest waar dit is voorgevallen. Aan de andere kant van de wereld zijn ze aan elkaar over geleverd. Wat is er over van hun vriendschap, waar ging er mis?

De stijl is prettig, op een soepele en ongekunstelde manier ontrolt het verhaal zich tussen de verschillende personages die om Marcus heen cirkelen. Ook de wat vreemde Sofie met haar amandelvormige ogen en haar aparte gewoonte overal waar ze komt iets in haar zak te steken, heeft invloed op de hoofdpersoon. Deze mensen vormen Marcus, dagen hem bewust en onbewust uit zichzelf te ontdekken.

Vaak genoeg staan er mooie observaties in de tekst om even bij te blijven hangen:

'De allereerste tram schoot om de hoek, ijzer op ijzer, een meeuw krijste, daarna was het weer stil. Het was het tijdstip waarop alles nog ontbrak.'

Een roman die je aanzet na te nadenken over je eigen vriendschappen van lang geleden, over de onzichtbare draadjes tussen mensen die als ze eenmaal gesponnen zijn, nooit meer lijken te breken.

Eerder verschenen op Tzum

Titel: Het oog van de kraanvogel
Auteur: Peter WJ Brouwer
Pagina's: 304
ISBN: 9789493214224
Uitgeverij In de Knipscheer
Verschenen: maart 2021

vrijdag 9 augustus 2019

Arjen van Meijgaard - We hebben alles bij ons

'Il ne faut jamais compter sur personne
pour répondre à vos questions.'

- Patrick Modiano

Een ongemakkelijke worsteling

Arjen van Meijgaard (Den Haag, 1973) woonde begin jaren negentig in Parijs en verdiende de kost als au pair en straatmuzikant. Vervolgens studeerde hij Nederlandse taal- en letterkunde in Utrecht, waar hij ook zijn propedeuse Frans haalde. Tijdens zijn studie gaf hij Nederlandse les aan de Universiteit van Coimbra. Daarna was hij boekverkoper bij boekhandel Verwijs, docent Nederlands als tweede taal bij verschillende talencentra en onderwijscoördinator aan de Universiteit Leiden. Vanaf 2013 staat hij voor de klas op de Vrije School en de School voor Jong Talent (onderdeel van het Koninklijk Conservatorium) in Den Haag. Behalve aan tijdschrift Extaze leverde Van Meijgaard literaire bijdragen aan o.a. Deus Ex Machina, De Tweede Ronde, Ballustrada en De beste verhalen uit duizend woorden, (Nieuw Amsterdam, 2008). Hij schrijft recensies en houdt een eigen weblog bij met korte impressies van literaire fictie en non-fictie. (Bron: https://arjenvanmeijgaard.com/biografie/) We hebben alles bij ons is zijn debuutroman die in oktober 2017 verscheen bij uitgeverij In de Knipscheer.

Marjon Nooij

Victor, een man van net dertig, woont samen met Marjolijn, maar beseft de laatste tijd dat het frisse van hun relatie van drie jaar wat sleets begint te raken. Ze lijkt zelf ook te beseffen dat het verval is ingetreden.

“Af en toe hoop ik dat ze een ander heeft. Dat zou alles veel makkelijker maken.”


Dwanggedachten beheersen Victor. Hij probeert ze te negeren, maar blijft zoeken naar tekens die hem vertellen wat de dag voor hem in petto zal hebben. Wat is de betekenis van een dode duif voor de deur, een barst in de badkamerspiegel, kentekenplaten waarvan hij de cijfers door een rekensom uiteindelijk op honderd moet zien te krijgen, het schatten van het aantal tegeltjes - kijk eens naar de cover - op de wand van toiletten? In alles zoekt hij een betekenis. Een onzeker man, die veel bevestiging zoekt en grip probeert te krijgen op zijn leven.
 

“Ik had mezelf een mooi leven beloofd als ik het goed had en nog elke dag vraag ik me af of ik dicht genoeg bij de waarheid zat of niet. Wanneer zal ik weten of het leven dat ik leid mooi is? Of in ieder geval mooi genoeg?”


Van Meijgaard heeft ervoor gekozen het vertelperspectief bij de ik-figuur te laten en het verhaal ontwikkelt zich dan ook vanuit zijn point of view. De lezer zit als het ware in het hoofd van Victor, weet wat hij denkt en reist met hem mee. Bij dit perspectief is het echter belangrijk om te weten dat de verteller niet altijd betrouwbaar hoeft te zijn. De gebeurtenissen in het hier en nu worden afgewisseld met flashbacks waarin Victor overdenkt wat is geweest.

Buiten zijn onvrede over de relatie met zijn vriendin, heeft Victor het ook moeilijk in de relatie tot zijn vader. Zijn ouders zijn gescheiden toen hij tien jaar was en hij heeft nooit begrepen wat daar de reden van is geweest. Leo, zijn vader, heeft het na een aantal wekelijkse papadagen laten afweten en het contact werd nagenoeg verbroken. Regelmatig heeft Victor geprobeerd om Leo op te zoeken of tegen te komen, maar het regelmatige verhuizen van Leo maakt hem uiteindelijk niet traceerbaar. Hij ontbeert de leuke vader die hij voor de scheiding voor hem was.

Onlangs zijn ze elkaar echter onverwacht tegengekomen en Leo vertelt hem dat hij op het punt staat om naar Portugal te verhuizen. Wanneer Victor hem helpt met het opruimen van zijn spullen, komen er niet alleen allerlei herinneringen naar boven, maar ook vragen waar hij het antwoord niet op weet. Hij zal zijn vader naar Portugal rijden en hoopt hiermee hun band weer wat te verstevigen en antwoorden te krijgen op zijn brandende, onbeantwoorde vragen.

Voor Victor heeft de reis echter ook een ander doel. Hij heeft afgesproken met Valerie, zijn jeugdvriendin die nooit uit zijn gedachten is geweest en zijn verlangen weer heeft aangewakkerd bij een toevallige ontmoeting. Door het ontbinden van het huwelijk van zijn ouders is ook de vriendschap tussen hen en de ouders van Valerie verwaterd.
 

“Hoe kon het, dat ze nooit begrepen hadden dat hun scheiding meer gevolgen had gehad dan alleen het einde van hun relatie? Een scheiding veroorzaakt niet één grote barst, maar talloze barsten. Die tussen mij en Valerie bijvoorbeeld, alleen hebben ze daar niet bij stilgestaan, niet eens over nagedacht.”


De reis is mentaal gezien zwaarder voor Victor dan hij had verwacht. Leo neemt in alles het voortouw en zijn zoon kan niet anders dan hem volgen. Met name het flamboyante gedrag van zijn vader tegenover het vrouwelijk schoon, stoort hem meer dan eens - vrouwen waren altijd al belangrijk voor hem en uiteindelijk de reden waarom hij zijn zoon niet meer ophaalde. Zijn vader en zoon vreemden van elkaar geworden?

Dit alles leidt tot schurende situaties en een innerlijke strijd. In hoeverre verschilt Victor van zijn vader? Waarom mist hij belangstellende vragen? Hebben ze wel écht alles bij zich? Het resultaat is een filmische roadtrip, waarin de auteur laat zien dat een scheiding nooit alleen gevolgen heeft voor de echtelieden, maar zeker ook voor naasten. Zelfs wanneer ze allang volwassen zijn, de vragen blijven. Het fijnbesnaarde verhaal heeft de nodige geestige noten en de vileine humor maakt alles wat lichtvoetiger.

Het lijden van de ik-figuur is heel voelbaar. Van Meijgaard heeft me hiermee weten te raken. Zijn proza is licht, helder en bondig, maar daarentegen absoluut niet verstoken van details. Een herkenbaar en levendig geschreven verhaal, dat me bij de laatste bladzijde niet meteen losliet vanwege het open einde waarop het nog heerlijk een poosje kauwen is.

Heel erg mooi!

--

Titel: We hebben alles bij ons
Auteur: Arjen van Meijgaard
Pagina's: 182
ISBN: 9789062659647
Uitgeverij In de Knipscheer
Verschenen: oktober 2017