zondag 15 oktober 2023

Laure Murat – Proust, roman familial


Het ideale dessert (madeleine) na de ‘Recherche’

Het voordeel van het lezen van de romancyclus Op zoek naar de verloren tijd, of beter À la recherche du temps perdu, is dat je dan zonder schuldgevoel allerlei essays die over dit werk verschijnen kan lezen. Sedert ik dit monumentale werk heb gelezen, is het alsof hij, Marcel Proust, een deel van mezelf is geworden. De boeken van Proust staan te pronken in de boekenkast en telkens ik er even naar kijk, is dat toch wel met enige voldoening. Gelezen! Voor degene die dit nog niet deed; ik kan het u enkel maar aanraden.

En nu dus mijn eerste echte essay over dit monumentale werk. De keuze is gevallen op dit net verschenen werk van Laure Murat: Proust, roman familial.

Eric Waut

In dit verslag van een experimentele lezing van de ‘Recherche’ introduceert de auteur ons in de wereld van de personages uit deze romancyclus. Een wereld die ze kent daar haar familie heel wat van deze personages, of eerder personen die model stonden hiervoor, uit dit werk of de omgeving van Proust heeft gekend. Tijdens haar jeugd hoorde ze namelijk over hen praten alsof het familieleden waren die elk moment op visite konden komen. Zinnen van de hertogin van Guermantes verrijkten of verstarden de dagdagelijkse gesprekken. Een leven dat zich afspeelde op een flinterdunne barrière tussen fictie en werkelijkheid.

De auteur begint dit werk met een verwijzing naar een bepaalde scène in de bekende reeks Downtown Abbey, waarbij de butler met een meetlint de afstanden controleert tussen de couverts. Zij zag enig verband met de sociale structuur van het milieu waarin ze zelf was opgegroeid en begon zich te verdiepen in dit wereldje van gewoonten, normen en aristocratische manieren. Veel studie diende ze niet te doen daar ze zelf van adel is. Ze is de dochter van Napoleon Murat en Inès d’Albert de Luynes.

Ze beschrijft dan ook haar jeugd, het opgroeien in een soort van fictie van erfelijkheid en prestige met lange titels, waarbij ze klaar werd gemaakt om mee te werken aan het bewaren hiervan. Maar alles draaide anders uit toen ze haar moeder confronteerde met haar geaardheid. Haar moeder kon het niet aanvaarden dat haar dochter lesbisch bleek te zijn. De passage waarin de auteur vertelt over de reactie van haar moeder is hartverscheurend. In een eerste reactie omschrijft ze haar dochter als ‘fille perdue’ en later via een brief, de enige die de koude en afstandelijk moeder aan haar dochter ooit schreef, wordt elk contact verbroken.

‘Ta relation n’est pas assimilable à un lien familial.’


Vanaf deze passage besef je dat literatuur voor de auteur een uitweg of een verklaring was voor het leed dat haar was aangedaan. Het feit dat haar eigen identiteit niet werd aangenomen door haar omgeving. Met die woorden van haar moeder werd haar onverbiddelijk een deel van haar legitimiteit ontnomen.

Het boek beschrijft hoe Proust het wereldje van de aristocratie en rijkere burgerij heeft opgenomen in zijn ‘Recherche’. Was het kritiek op de aristocratie of op sommige personages zelf? Hun afstandelijkheid, snobisme en het ijveren voor behoud van hun genealogische legitimiteit lijkt volgens de auteur de rode draad te vormen van de analyse van Proust. Of toch niet? Een passage die de auteur omstandig heeft beschreven, tevens één van de meest opmerkelijkste volgens mij uit gans de ‘Recherche’, lijkt misschien wel een kantelmoment. Het betreft de passage op het eind van deel III, De kant van de Guermantes, waar Charles Swann aan de Guermantes komt vertellen dat hij ongeneeslijk ziek is. De afstandelijke reactie, bijna ergernis dat ze moeten kennis krijgen van dit leed, is mij steeds bijgebleven. Maar wat Proust hier deed is niet echt duidelijk, kritiek op de adel of een bepaalde karaktertrek van de Guermantes?

Verder is dit boek ook fascinerend om te lezen daar het bijna een sociologische studie is van de adel in Frankrijk alsook de houding van de Franse maatschappij ten aanzien van homoseksualiteit. De adel die zijn positie, met enkele heropflakkeringen, verloor ingevolge de Franse Revolutie, maar deze probeerde te behouden; en homoseksualiteit die ten tijde van Proust op illegale wijze diende te worden beleefd.

Naar het einde toe lijkt ze toch positief bepaalde gebeurtenissen te benaderen. Mooi wordt het wanneer ze een beschrijving geeft van haar vader. Deze was onder andere actief in de kunstwereld, zoals producer van enkele films. Soms weet ze op grappige wijze haar vader als wereldvreemd te omschrijven. Zo is er de passage waarbij deze voor de eerste keer gebruik maakt van een lijnbus en bij het instappen tegen de chauffeur gaat zeggen waar hij dient te zijn, alsof hij een taxichauffeur aanspreekt.

Maar dat ze nog met veel liefde terug kan kijken naar haar familie bewijst bijvoorbeeld de passage waar ze vertelt over het lezen van de ‘Recherche’. Dit, in de oude Pléiade van haar vader waarbij ze de aanduidingen in de marge ontdekt. Alzo ontmoet ze een man die net als zij kon wegduiken in een magische wereld van fictie. Vader en dochter hadden onmiskenbaar iets gemeenschappelijk: de literatuur.

Voor de auteur lijken de opzoekingen dan ook een helend effect te hebben om de reactie van haar familie een plaats te kunnen geven. Proust informeerde haar over haar achtergrond. Bij het lezen van zijn werk is ze samen met Proust een observator die leest over zijn/haar leven en die hem/haar wist te troosten en verzoenen met een zoektocht naar een verloren tijd.

Ik heb dan ook bijzonder van de diverse observaties en analyses van dit egodocument kunnen genieten. Het ideale dessert (madeleine) na de ‘Recherche’. Hopelijk komt het op termijn uit in een Nederlandse vertaling.

Over de auteur

Laure Marie Caroline, princes Murat, is geboren op 4 juni 1967 te Neuilly-sur-Seine. Historicus van opleiding en docent aan de University of California-Los Angeles. Ze heeft al enkele werken op haar naam zoals: L'homme qui se prenait pour Napoléon. Pour une histoire politique de la folie en La maison du Docteur Blanche. Histoire d’un asile et de ses pensionnaires, de Nerval à Maupassant...

Titel: Proust, roman familial
Auteur: Laure Murat
Pagina's: 252
ISBN: 9782221271308
Uitgeverij Robert Laffont Foreign Rights
Verschenen: augustus 2023

zaterdag 30 september 2023

Louis Spohr – Levensherinneringen. Zelfportret van ‘de Duitse Paganini’

 

Hoort echt in de betere verzameling!

Het levensverhaal van de Duitse muzikant-componist-orkestleider Louis Spohr (1784-1859) leek een veelbelovende aanwinst te zijn voor de reeks van Privé-domein bij de Arbeiderspers. En het deed ruimschoots aan de verwachtingen. Eindelijk nog eens een autobiografie waarbij ook zijdelings een schets van een bepaalde periode in de geschiedenis wordt weergegeven. Na het lezen van deze biografie heb je een goed beeld gekregen van een maatschappij die ondergedompeld werd in een sfeer van vooruitgang. Een maatschappij die herstelde van de Napoleontische oorlogen.

Eric Waut

Louis Spohr wordt in 1784 te Braunschweig geboren als oudste kind van Karl Heinrich Spohr (doctor in de geneeskunde) en Ernestine Henke. Zijn ouders waren muzikaal aangelegd en hij vergezelde hen op gelegenheidsconcerten.

‘Ik was begiftigd met een heldere sopraanstem en ik begon eerst met zingen, en op mijn vierde of vijfde jaar mocht ik al tijdens de muziekavonden met mijn moeder duetten zingen. Het was rond deze tijd dat mijn vader voor mijn verlangen zwichtte en op een jaarmarkt een viool voor me kocht, waar ik vanaf dat moment onophoudelijk op speelde.’

Hij kreeg dan ook de nodige opleiding, mede dankzij zijn beschermheer: de hertog van Braunschweig (Karel Willem Ferdinand van Brunswijk-Wolfenbüttel). Kaderend in zijn opleiding vergezelde hij als leerling een andere violist, Franz Eck (1776- ca. 1810), op een reis naar Sint-Petersburg. Bij deze reis (1803-1805) ontwikkelde hij zich verder als violist en componist. Tussen 1805 en 1812 was hij aangesteld als hofkapelmeester te Gotha bij de hertog August van Saksen-Gotha-Altenburg. Hij trad in deze periode nog op andere plaatsen op en organiseerde ook de Frankenhäuser Musikfeste.

Tussen 1813 en 1814 was hij dirigent te Wenen waar hij onder andere bevriend raakte met Ludwig von Beethoven. Vervolgens begon hij aan een grote concertreis door Duitsland, Zwitserland en Italië. In 1817 vertoefde hij als dirigent te Frankfurt. Echter, later was hij weer op rondreis (België, Londen, Parijs,..). Pas in 1822, leek hij wat tot rust te komen en werd hij hofkapelmeester aan het hof van keurvorst Willem II van Hessen-Kassel. Hij ondernam vanaf dan geen grote concertreizen meer. Hij bleef te Kassel tot aan zijn dood.

Louis Spohr huwde in 1806 met de harpiste Dorette Scheidler (1787-1834). Ze kregen drie dochters. Zijn vrouw vergezelde haar man op zijn concertreizen. Ze traden ook regelmatig samen op. Na de dood van Dorette hertrouwde Spohr in 1836 met de dochter van een vriend: Marianne Pfeiffer (1807-1892).

Van Spohr wordt beweerd dat hij de eerste was die als dirigent gebruik maakte van het bekende stokje.

Schets van het leven van een muzikant

De verdienste van deze autobiografie is het beeld dat wordt geschetst van de uitdagingen voor een succesvol muzikant-componist aan het begin van de 19de eeuw. Het is reizen van de ene plaats naar de andere in moeilijke omstandigheden. Dikwijls is het aanpassen aan plaatselijke gebruiken en moet men met de nodige diplomatie, gebruikmakend van introductiebrieven, de plaatselijke notabelen vragen of men concerten mag organiseren. Daarbij diende hij te worden bijgestaan door plaatselijke orkesten. Soms waren de leden hiervan niet zo talentvol.

Meermaals lezen we dat de kritieken aangaande concerten positief waren, doch dat hij amper iets kon overhouden na betaling van de kosten. De rondreis door Italië was bij momenten wel succesvol, met onder andere een optreden in de Scala van Milaan, doch er zijn enkele passages waar je echt medelijden krijgt met Spohr. Maar vooral met zijn vrouw en kinderen.

‘’s Nachts was er sneeuw gevallen, dus bij het vertrek de volgende ochtend was het bitterkoud. Daarom stuurde ik drie paarden terug en liet Dorette en de kinderen ook maar lopend verdergaan [...].’

 

Vergezeld van vrouw en kinderen heeft hij op de terugreis uit Italië op gegeven moment totaal geen inkomsten meer en dient hij geld te lenen van een kennis. Men kan zich de vraag stellen of dit wel verantwoord was tegenover zijn gezin. Maar dat was blijkbaar de manier hoe men aan de bak kwam.

Eens hij op een bepaalde plaats vertoeft komen kandidaat-leerlingen zich aanbieden, wat dus zorgde voor extra inkomsten. Dan diende hij nog de tijd te vinden om te componeren, blijkbaar dikwijls op bestelling van plaatselijke notabelen. Het is dan ook opmerkelijk dat we daarbij ook nog dikwijls verslag krijgen van uitstapjes, wandelingen, beklimmingen van bergen en bezoek aan musea. Waar haalde hij de energie?

Schets van een maatschappij

Het bijzondere van deze autobiografie is het verhaal dat zijdelings aan bod komt van een maatschappij die op sociologisch en politiek vlak enorm aan het wijzigen is. We zien bijvoorbeeld hoe Louis Spohr durft in te gaan tegen bepaalde conventies. Hij lijkt als het ware symbool voor de burger die in opstand durft komen tegen de gezagsdragers.

Knap is het verhaal van een voorval te Engeland waar hij op gegeven moment uitgenodigd werd voor een muziekavond bij een lid van de koninklijke familie. Hij gaat daarbij in tegen het gebruik dat muzikanten niet mochten aanwezig zijn tussen de gasten. Hun taak was voor muziek te zorgen en voor de rest konden ze in een afzonderlijke plaats wachten tot ze aan de beurt kwamen. Spohr weigerde dit resoluut; met succes. Later krijgt hij het ook aan de stok met zijn broodheer te Kassel, wanneer een toestemming voor een kleine concertreis er maar niet komt. Hij vertrekt dan maar zonder toestemming.

We zijn tevens getuige van een kantelmoment te Kassel waar de hertog zich verplicht zag een Grondwet aan te nemen (1831). Periode van de revoluties. Louis Spohr is zeer gedetailleerd in zijn biografie over deze gebeurtenissen. De kleine verhaaltjes, roddels, van het hofleven komen daarbij uitgebreid aan bod.

Opvallend is dat Spohr heel wat te vertellen heeft over de plaatsen die hij bezocht. Bij sommige passages had ik de indruk dat ik reisbrochures aan het lezen was. Zijn we getuige van het ontstaan van het moderne toerisme? We krijgen van Spohr zelfs tips over de beste strategie voor een bezoek aan het Uffizi te Firenze.

‘Op de eerste dag dat ik de galerie bezocht bekeek ik alle kunstwerken van de vaste collectie lang en aandachtig, voordat de kamers geopend werden waarin de geselecteerde kunstwerken staan.’

 

Bij een volgende reis naar Italië zal dit boek een ideale reisgids zijn. Spohr weet ons hier prima te onderhouden en sommige plaatsen zijn intussen toegevoegd aan mijn 'bucketlist'.

In de marge

Gaandeweg begint men toch de persoon Louis Spohr te doorgronden. Het is uiteraard niet evident, daar zelfkritiek niet zijn beste kant is. Ik stel mij bijvoorbeeld de vraag hoe het moet geweest zijn voor zijn gezin; al dat reizen. Dikwijls in niet al te beste omstandigheden.

Opvallend zijn de passages waar hij gedetailleerd verslag brengt van lovende kritieken aangaande concerten en composities. Je zou kunnen vermoeden dat hij toch een beetje ijdel was. Verder lijkt hij zeer negatief voor gevestigde namen zoals Beethoven en Paganini. Je zou kunnen stellen dat hij een koele bewonderaar is met vooral veel aandacht voor hun mindere eigenschappen. Jaloers?

Ook kunnen we regelmatig lezen hoe Spohr best autoritair kan zijn voor de leden van zijn orkest. Soms neemt hij bewust wat afstand, ten einde zijn gezag te kunnen bewaren. Maar hij lijkt wel een neus voor talent te hebben en overtuigt zijn werkgevers hen aan te werven.

Maar het beeld dat ik van Spohr heb gekregen is dat van een harde werker. Ambitieus, gedreven en met zin voor avontuur.

Tenslotte

Niet elke uitgave in de reeks Privé-domein kan ons bekoren. Echter, deze is een aanrader. De vertalers, Casper Bleumers en Frits Wagenvoorde, hebben prima werk geleverd. Het voorwoord van Maarten ’t Hart is de ideale introductie.

Hoort echt in de betere verzameling!

--

Titel: Levensherinneringen. Zelfportret van “de Duitse Paganini”
Auteur: Louis Spohr
Vertaling: Casper Bleumers en Frits Wagenvoorde
Pagina's: 611
ISBN: 9789029547925
Uitgeverij Arbeiderspers
Verschenen: augustus 2023

Pieter Bierhaus - Rotzak


Knock-out

Het boek Rotzak stond al een tijd lang te schreeuwen in de huiskamer om gelezen te worden. De knalgele omslag met de opmerkelijke vette typografie had zich al lag en breed in mijn onderbewustzijn genesteld. Er was geen ontkomen aan. Afijn, na het lezen van de 415 pagina's zit ik nu versuft bij te komen van de hoeveelheid bier, geweld, gevechten, boksscholen, (natuurlijk) de voetbalwedstrijden van Vitesse, het leven in Ernum en de talrijke kletspartijen. Wat een boek. Een eerlijk en bewogen levensverhaal van een tijdgenoot.

Philipp van Ekeren

De schrijfstijl van Peter Bierhaus is kaal, krachtig en recht voor z’n raap. Geheel vanuit de eerste persoon enkelvoud verteld in de taal van een doorsnee burger uit Arnhem. Geen bijvoeglijk naamwoord te vinden, geen metafoor te bekennen, geen taalverfraaiing of poëtische omschrijving. Alleen doorspekt met Arnhem's dialect dat steevast Ernums wordt genoemd. Van Vitesse afgekort tot ‘Vites’ tot ‘Kiek je een bietje uut’ of de kleuren van Vitesse 'geelswert'. Niets ontziend beschrijft het hoofdpersonage Robbie zijn leven. Alles wat hij denkt en voelt, wordt opgeschreven. Je gaat zijn onmacht voelen, zijn keuzes en opportuniteit begrijpen. Tot zijn woede aan toe. ‘Hard worden’ is zijn devies om te overleven. In staccato geschreven, zodat het ook bij de lezer extra hard aankomt. Geen woord is overbodig. Maar het maakt wel indruk. Heftig soms, erg heftig. Als een bokswedstrijd:


‘De Finale. Vijf rondes. We rossen elkaar helemaal af, We zijn even sterk. Hij valt aan, ik neem over. Ik val aan, hij neemt over. Het gaat op en neer. Ik moet steeds goed uitkijken, want hij komt soms fel en hard door. 'Blijven bewegen!' schreeuwt ome jan. Dat doe ik. Maar hij ook.’


Vanuit een jeugd in Presikhaaf, een nieuwbouwwijk van na de oorlog in Arnhem, tot Amsterdam-Noord, London, Parijs en tenslotte weer terug in Arnhem. Een vader die op een harteloze wijze zijn zoon onderwijst in het leven. Gelukkig daarentegen ook een gelovige moeder die veel liefde kan geven. Twee zusters die zo snel mogelijk het ouderlijk huis ontvluchten. In Robbie's leven is de liefde voor Vitesse een constante factor. Ook al heb je zelf misschien niets met voetballen, Peter Bierhaus geeft op een geweldige manier het clubgevoel weer. Om zich te harden in zijn jeugd gaat Robbie op boksen. De puberteit slaat in alle hevigheid toe en daarmee ook de belangstelling in seks. Op een dag belandt hij zelfs tussen de lakens bij zijn buurvrouw Marjan. School maakt hij niet af en door zijn houding, uitstraling en bravoure komt hij bij toeval terecht bij de Arnhemse Courant als leerling-journalist. Vervolgens neemt het weekblad Panorama hem in dienst en belandt hij in de hoofdstad. Mooi wordt het verschil tussen Arnhemmers en Amsterdammers uitgelicht. Na de plotselinge dood van zijn vader, sluit zijn moeder zich aan bij een extreem gelovige sekte in Zwitserland. Ook beide zusters gaan hun eigen weg.

Robbie heeft vanaf het begin last van woede-uitbarstingen. 'Een donkere wolk in zijn hoofd'. Het boksen is daarom een uitlaatklep. Maar niet voor alles. Vanwege zijn keiharde instelling bij het boksen, maakt hij ook kennis met de onderwereld. Daar verdient hij enorm veel geld naast zijn journalistieke werk. Toch voelt Robbie zich leeg, kan hij nergens aarden en voelt zich nergens thuis. De 'donkere wolk' brengt hem vaak in problemen, totdat het op een keer helemaal misgaat. Met zware consequenties. Dan gaat zijn leven rücksichtslos bergafwaarts. 'Nog harder worden' is nu zijn devies. De leegte wordt zonder resultaat bestreden door bier, heel veel bier. Of door boksen en kickboksen.

Geluk bij een ongeluk heeft Robbie echte trouwe vrienden en weer contact met zijn lieve zuster Ineke. Zij leven verandert radicaal als hij zijn oude buurvrouw Marjan weer tegenkomt en er plotseling een onbekende jonge vrouw voor zijn deur staat. Het geluk wordt in één klap vernietigd en de leegte slaat weer spijkerhard toe. Alleen nog het kampioenschap van Vites (Vitesse) kan nog blijdschap geven. Als zestigjarige beseft ook Robbie dat de oude vertrouwde wereld, dus ook Arnhem, is veranderd. In het laatste gedeelte van zijn leven leert hij een Afghaanse taxichauffeur Amar kennen. Deze voormalige vluchteling die terdege beseft hoe waardevol vrijheid is, maar is verbijsterd over de Nederlandse mentaliteit en politiek. Robbie biedt deze taxichauffeur zijn eigen woning aan tegen de wil van zijn familie. Ja, de Rotzak heeft toch een goed hart. Zijn 'donkere wolk' is inmiddels een 'heldere wolk' geworden met af en toe toch nog wat blikseminslag.


‘Eén keer per week ga ik eten bij Amar, z'n vrouw Fariha, die net als Amar afgestudeerd ingenieur is, z'n gymnasiumzoon Abdel en dochter Samira. Fariha stond erop dat ik dat zou doen toen ze introkken in mijn pand aan de Boulevard Heuvelink.'


Zoals Robbie ben ik ook geboren in 1956. Dus hebben we alle muziek en belangrijke gebeurtenissen op hetzelfde moment meegemaakt. Ik kan mij nog goed herinneren dat op mijn middelbare school in Amsterdam-Noord de Arnhemse rockband Long Tall Ernie en de Shakers in de gymzaal optraden die na de pauze waren getransformeerd in de popgroep Moans. Zelfs die komen langs in het verhaal. Ook de rellen tijdens de kroning van Beatrix, de krakersrellen rond de Nieuwmarkt, bekende Amsterdamse kroegen, het poppodium Paradiso en de opkomst van de Punkbeweging. Dit alles en vooral de herkenbare muziek uit die tijd brengen ook mijn jeugd weer boven. Van Deep Purple, de Ramones tot John Lee Hooker. Maar ook veel wereldgebeurtenissen worden aangestipt. De Molukse gijzeling, de aanslag op de Twin Towers, Aids en de kortgeleden Covid-uitbraak. Dat laatste maakt het boek actueel, maar het zal daardoor ook snel gedateerd zijn.

Ook al heb ik niets met boksen, voetballen of Arnhem, toch spreekt dit boek mij aan. Juist omdat het mij zo goed kennis laat maken met een wereld die ik mij nauwelijks kon voorstellen. Door dit persoonlijke en bewogen levensverhaal laat Peter Bierhaus ons een volslagen ander leven ervaren. En dat komt keihard binnen. Dat wel.

--

Titel: Rotzak
Auteur: Pieter Bauhaus
Pagina’s: 416
ISBN: 9789493183148
Afdh Uitgevers
Verschenen: november 2022 

dinsdag 26 september 2023

Martijn Couwenhoven - Het gebed van Jonathan Simmers


Hoe kan iemand je missen wanneer hij nooit heeft geprobeerd je te raken?

Het is tien jaar na het overlijden van zijn moeder. Sinds de crematie heeft Jonathan – inmiddels de veertigjarige leeftijd bereikt – zijn vader niet meer gezien, en nu staat deze op neutraal terrein op de komst van zijn zoon te wachten met in een plastic zak de urn met de as; of Jonathan daar zorg voor wil dragen, nu de grafrust inmiddels is verstreken. Ze hebben elkaar voor het laatst gezien op de crematie. ‘Mijn vader is de oudere versie van wie ik ben geweest.’ Eerder had zijn vader hem gebeld en gezegd dat hij hun contact weer nieuw leven in wil blazen. Hij nodigt zijn zoon uit om zijn vijfenzeventigste verjaardag te komen vieren, maar die voelt zich overweldigd door dit verzoek. ‘Armoedig, had mijn vader gezegd, armoedig hoe we langs elkaar heen leven.’ 

Marjon Nooij

‘Het was ergens gedurende de dagen na het telefoongesprek dat ik spontaan een gebedje deed, of een gebedje, ik weet niet of je het zo mag noemen, ik stelde een vraag, en niet aan God of een god, maar aan mijn moeder, en wat nieuw is de afgelopen dagen, sinds ik vragen stel, is dat het licht boven de eettafel soms knippert, niet dat ik daar iets achter zoek, het licht heeft waarschijnlijk altijd zo nu en dan geknipperd, maar nu valt het me pas op, of ineens een lichtflits, een vuurvliegje in mijn ooghoek dat altijd weg is als ik kijk [...]’


Zo trapt Martijn Couwenhoven (1972) – auteur, redacteur, kunstenaar en uitgever bij Uitgeverij Oevers – af met zijn bij Thomas Rap uitgebrachte debuutroman Het gebed van Jonathan Simmers. Eerder bracht hij onder zijn eigen naam in 2015 De schatkaart van Monet uit. Dit was het startsein om een eigen uitgeverij te beginnen en zelf dit kinderboek uit te brengen. In 2018 verscheen van zijn hand de novelle kLEINE HELLEN die hij schreef onder het pseudoniem Anne Moon Disko. Het met subsidie van Schwob uitgeven van hervertalingen van de klassiekers van Maurice Leblanc over Arsène Lupin, de gentleman-inbreker, bleek een goede zet om in de boekhandels te belanden. In zeven jaar tijd is zijn fonds geëxpandeerd tot respectabele omvang. Couwenhoven brengt boeken uit met het thema schilderkunst, Frankrijk, Italië en Scandinavië, en de laatste jaren tevens werk van Nederlandse auteurs. Ook schuwt hij het uitgeven van dichtbundels en non-fictie niet. De naam Oevers verwijst naar de columns die hij vroeger schreef voor het Noordhollands Weekblad.

In Het gebed van Jonathan Simmers loodst de auteur de lezer door de week die volgt op het telefoontje van de vader aan zijn zoon. Dit contact brengt herinneringen naar boven waar Jonathan mee worstelt en hij onderzoekt of hij het verleden wil oprakelen, banden wil aanhalen, of dat hij liever met rust gelaten wil worden. Zijn ouders zijn gescheiden toen hij een puber was en met zijn moeder woonde hij daarna in het huis van zijn oma. Het is hem nog altijd een vraagteken of de dood van zijn moeder een bewuste daad is geweest of domweg een onopzettelijke, maar fatale combinatie van antidepressiva en slaappillen. Zijn vader hertrouwde met de beduidend jongere Karin, waarna Jona’s halfzusje Lieke werd geboren. 

‘En tegelijkertijd vraag ik me af of ik dat wil, hem beter leren kennen. Een punt achter het verleden zetten en nieuwe herinneringen maken. Is hij misschien ziek? Is het einde in zicht? Heeft hij door de naderbij kruipende dood beseft dat hij een afwezige vader is geweest, of, nog erger, afzijdig tijdens zijn aanwezigheid?‘


De zwaarmoedige Lieke is een zorgenkind die de meeste tijd bij haar broer woont, waar ze zich rustiger voelt. Thuis, zegt ze, is 'geen goede plek voor haar'. Zij is de verbindende factor tussen hem en zijn vader. Lieke vindt de wereld ‘bespottelijk’, ervaart weinig veiligheid en neemt het haar moeder en hun vader kwalijk dat ze haar op de wereld hebben gezet. Ja, ze hebben dezelfde vader, maar kennen in hem een andere man; een man met twee vrouwen in wie ze beiden een andere moeder zien. In Jona’s ogen had Karin alles overgenomen; zijn vader, het huis en de moestuin van zijn moeder. Zelfs na achtentwintig jaar weet hij nog niets over Karin. ‘[…] ze kwam in de plaats van mijn moeder en dat was dat […]’. Jona wordt zijns ondanks terug gekatapulteerd naar zijn herinneringen aan de tijd dat hij alleen met zijn moeder woonde. ‘[…] ik heb nooit de moeite genomen haar werkelijk te leren kennen, haar tegemoet te komen in haar eenzaamheid. […] steeds besef ik dat ik niet veel meer dan haar schaduw heb gekend.’

Met Meindert, zijn teken- en schilderleraar aan de kunstacademie, heeft hij altijd een warm contact gehouden. Een vriend met wie ‘zware gewichten’ kon verplaatsen; iets wat hem met zijn vader nooit is gelukt. Dan bereikt hem het bericht dat Meindert onverwacht is overleden. Het afscheid van zijn vriend brengt hem echter, even onverwacht, ook
vreugde.

‘[...] ik probeer te zoeken naar de dans van de vuurvliegjes, zoals Pasolini het noemde, naar het moment van gratie dat weerstand biedt aan een wereld vol terreur, het is daarom dat ik schilder, met verf op zoek naar gratie, schilderen als meditatie [...]’


Hoewel Jonathan het anker is van zijn tienerzusje en daarin zijn verantwoordelijkheden neemt, is hij sinds het uiteenvallen van het gezin op zichzelf teruggeworpen en zit hij nu in een spagaat tussen zijn herinneringen en de gevoelens van miskenning. In het gezin was vaak ruzie en er werd weinig echt gepraat. De cruciale vraag waar Jona mee worstelt, is of hij wel de behoefte voelt om de banden met zijn vader aan te halen en hoe hij dat dan gestalte zou willen geven. Hij heeft zijn buik vol van de teleurstellingen die op zijn pad zijn gekomen, hoewel hij wel oog heeft voor het onvermogen van zijn vader. Het lezen van De elegieën van Duino van Rainer Maria Rilke geeft hem steun en biedt inzichten. ‘[…] Rilke en ik, wij verstaan elkaar [...]’, hoewel elke keer in ‘een ander woord’. 

Jonathan Simmers vertelt zijn verhaal vanuit het ik-perspectief. Couwenhoven weet dit perspectief af en toe heel geraffineerd te verschuiven naar de tweede en derde persoon enkelvoud, wanneer Jona teruggeworpen wordt op het verleden en niet alleen de rol van anderen, maar juist ook zijn eigen handelen in helicopterview waarneemt of overdenkt. In zijn gebedjes aan zijn moeder probeert Jona, buiten antwoorden en houvast, ook sturing te vinden voor Lieke.

De lange en samengestelde zinnen vol komma’s  – buiten de punt geen andere interpuncties – doen Proustiaans aan en zitten vol weemoedige reflecties en vertwijfeling, maar ook gloort er hoop. Parallel aan de chronologische opbouw van het verhaal neemt Couwenhoven de lezer kriskras mee door de tijd en de herinneringen van zijn hoofdpersonage. Hij maakt gebruik van flash backs en flash forwards, waarbij hij soms speelt met de tijd door te melden dat een voorval eigenlijk nog moet gebeuren.

Het gebed van Jonathan Simmers is een ontroerende roman over levensvragen die velen niet onbekend zullen zijn; vragen over het leven voor en na de dood van geliefden, nagedachtenis en herinnering, hoe alles met elkaar samen te brengen en je eigen amor fati te creëren. 

De laatste pagina’s zetten je aan het denken en laten je er nog uitgebreid op kauwen. Hoe de auteur het bedoeld heeft, is aan de lezer om te interpreteren, want alles is mogelijk. 

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Het gebed van Jonathan Simmers
Auteur: Martijn Couwenhoven
Pagina's: 208
Uitgeverij Thomas Rap
ISBN: 9789400410374
Verschenen: september 2023

donderdag 31 augustus 2023

Sarah Hall - Het atelier


Een nietsverhullende terugblik op een intens leven

Na het lezen van deze roman kwam de vraag bovendrijven hoe je dit boek zou moeten omschrijven. Een levensverhaal van een bevlogen kunstenares of een vurige liefdesgeschiedenis tijdens een wereldwijde epidemie? Ik ben er niet uitgekomen. Maar het boek heeft in ieder geval zo'n indruk achtergelaten dat ik het niet snel zal vergeten.

Het atelier, een eigentijdse roman uit 2021, is een terugblik van de 59-jarige hoofdpersoon die haar einde voelt naderen. Dat is dan ook gelijk de eerste zin van de roman: 'Wie verhalen vertelt, overleeft'. Het gaat over leven, overleven, liefde en de dood. Vooral dat laatste doet ons ongetwijfeld herinneren aan onze 'eigen' Covid epidemie. Het atelier telt slechts 190 pagina's, maar wel met grote impact. Diverse verhaallijnen zijn zorgvuldig door elkaar heen geweven.

Philipp van Ekeren

De eerste verhaallijn gaat over de jeugd van de hoofdpersoon Edith Harkness. Haar moeder, een schrijfster, krijgt een bloedprop in haar hersenen en keert terug naar huis als een geheel ander mens. Amper in staat om te spreken. In één treffende zin begint deze alinea:

'Toen ik acht was overleed mijn moeder en kwam Naomi.'

Vader neemt de benen en begint ergens anders een nieuw leven. Moeder, nu Naomi genaamd, en dochter trekken zich terug uit de bewoonde wereld door te gaan wonen in een cottage ‘Truss Gap’ op de hei in het hoogland. Ze leiden een kluizenaarsbestaan. Langzamerhand krabbelt de moeder enigszins op, leert weer praten en behoudt nipt het voogdijschap over haar dochter. Edith krijgt daardoor op jonge leeftijd al een grote verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid. Aansluiting met haar leeftijdsgenoten krijgt zij niet. Zij is een verschoppeling.

'Mijn klasgenoten waren nieuwsgierig, hun ouders speculeerden waarschijnlijk over ons.
We waren als vluchtelingen gekomen en zagen eruit als bedelaars.'

Op een schitterende en fijnzinnige manier weet Sarah Hall dit verhaal, in de eerste persoon enkelvoud, te verwoorden vanuit de gedachten van de dochter. Achter hun huis bouwt Edith haar eerste kunstwerk. Ze krijgt totaal geen aansluiting met haar medestudenten op de kunstacademie en gaat (weer) haar eigen weg. Vervolgens gaat ze stage lopen in Japan om de kunst van Shou Sugi Ban te leren van een Japanse grootmeester. Door hout te verbranden krijgen de celwanden een koolstoflaag. Hierdoor wordt het hout sterker, duurzamer en bovendien mooi qua structuur. Ook is deze techniek natuurlijk een krachtige metafoor voor de dood en overleven. Nog voor Edith de stage kan afronden overlijdt haar moeder en moet ze halsoverkop terug naar huis.

Als kunstenares heeft ze steeds meer succes en is zij in staat om een oude fabriekshal langs een rivier te kopen en volledig te renoveren tot woning en atelier. Edith heeft met haar kolossale kunstwerken steeds meer succes en dit leidt tot prestigieuze opdrachten van naam. Tijdens het begin van de virusepidemie leert Edith de Turkse restauranthouder Halit kennen. Ondanks hun grote verschil is er vanaf het eerste moment een spanning voelbaar tussen hen. In een aparte alinea, als een soort beschouwing, wordt de relatie samengevat.

'Nieuwe geliefden lijken blind. Ze bestaan in de zeldzame atmosfeer van hun eigen groep, vertrouwend op instinct en gevoel, wezens die elkaar verorberen, schuilplekken bouwen met hun hoop.'

Inmiddels slaat de besmetting onverbiddelijk om zich heen, de regering weet de pandemie niet in te dammen en het virus maakt miljoenen slachtoffers. Uit angst voor besmetting trekt Halit bij Edith in en sluiten ze zich zoveel mogelijk af van de buitenwereld. Die beklemming en de claustrofobie van de lockdowns doen denken aan het boek Stad der Blinden van de Portugese schrijver en Nobelprijswinnaar José Saramago. Het doet je tevens beseffen dat het ook helemaal verkeerd kan aflopen met een wereldwijde epidemie. Zeker na de Covid-epidemie.

Het laatste deel speelt zich af in de zelfgekozen isolatie met noodlottige voorvallen en uiteindelijk besmetting. Daardoor komt hun relatie onder intense druk te staan met heftige seksuele honger, aftakeling en ontreddering. Zo goed en expliciet geschreven dat je het er zelf benauwd krijgt.

'De intieme hitte van onze lichamen was een broeikas voor nachtmerries.'

De wanhoop en liefde strijden om de aandacht. Dialogen zijn spaarzaam, maar zeggen veel. Langzaam kom je meer over de getraumatiseerde Halit te weten die als soldaat in zijn geboorteland al een oorlog aan den lijve heeft meegemaakt. Alhoewel ik dikwijls in literatuur onverbloemde seksscènes niets vindt toevoegen aan het verhaal, passen ze hier perfect in deze bijzondere situatie. Maar vooral het contrast tussen de fysieke intimiteiten in het atelier van de geliefden en de hygiënische afstand buitenshuis om besmetting te voorkomen, wordt door Sarah Hall met finesse weergegeven. Het hele verloop van de ziekte wordt minutieus beschreven in bloed, angst, sperma, uitputting, braaksel, zorg, koorts, aftakeling, zweet en overgave. Vooral de reuk speelt hierin een grote rol. Nu klinkt dat misschien allemaal erg heftig en wellicht smerig. Maar dat is het niet. Het maakt dit gedeelte alleen maar extra intens. Rauw en realistisch.

'Ik stond erop neer te kijken, als naar een armoedelijder op straat of een aangereden dier. Ga gewoon naar hem toe, zei ik tegen mezelf. Ik hurkte en tilde je hoofd een stukje op. Je ogen gingen open, zwommen weg en gingen weer dicht.'

In het begin is het best pittig om wegwijs te worden in de verschillende verhaallijnen, personen en tijden. Het kost de lezer bijvoorbeeld best veel moeite om erachter te komen dat bepaalde passages over de kennismaking met Halit gaan. Een verklaring voor deze verhaalstructuur kan ook te maken hebben met het feit dat deze terugblik wordt vertelt door de hoofdpersoon die ook uiteindelijk ziek is geworden door het fictieve Hantavirus. Maar misschien is dat mijn interpretatie. Het past in ieder geval naadloos in dit verhaal. Uiteindelijk valt alles op zijn plaats en worden de onderlinge verhoudingen duidelijk. Niet voor niets heb ik dit boek twee keer achter elkaar gelezen. Dat was geen straf. Integendeel. Het blijft boeiend en intens.

Sarah Hall, een veelbelovende hedendaagse Britse auteur die op de eerste dag van 'onze' lockdown deze roman is gaan schrijven die een diepe en onvergetelijke indruk heeft achtergelaten. In een prachtig heldere stijl. Direct en krachtig. Zo heeft ook Covid ons ook iets moois opgeleverd. Ik kan iedereen deze roman aanraden.

--

Titel: Het atelier
Auteur: Sarah Hall
Vertaling: Karina van Santen en Martine Vosmaer
Pagina's: 192
ISBN: 9789026355189
Uitgeverij Ambo|Anthos
Verschenen: januari 2022

dinsdag 29 augustus 2023

Nuala O'Connor - Nora, vrouw en muze van James Joyce

 

'Voor Jim ben ik Ierland'

Wie kent hem niet, de eigenzinnige Ierse schrijver James Joyce (1882-1941)? Joyce had zijn hart verpand aan zijn muze Nora Barnacle (1884-1951). Ze ontmoetten elkaar in Dublin en hun relatie begon op 16 juni 1904 – Bloomsday zou deze dag later genoemd worden; de dag die wereldwijd wordt gevierd door Joyces fans; de dag die hij ook opvoerde in zijn modernistische werk Ulysses, waarin hij Leopold Bloom zijn avonturen liet doorlopen en waarin hij het personage Molly Bloom stoelde op Nora.

De Ierse Nuala O’Connor (1970), zelf ook geboren in Dublin met de naam Nuala Ní Chonchúir, heeft inmiddels vijf romans, diverse verhalen en poëziebundels op haar conto staan. Ze zegt in een interview dat ze is opgegroeid met het werk van James Joyce en altijd al geobsedeerd was door hem. Nora Barnacle was voor haar een inspiratiebron. Ze schreef een prijswinnend verhaal over haar, waarna ze het gevoel had dat ze Nora nog niet kon loslaten en ze verder ging met haar onderzoek naar deze muze.

Marjon Nooij

Nora, vrouw en muze van James Joyce is het gefictionaliseerde verhaal over de onstuimige liefdesrelatie van James en Nora, verteld vanuit het ik-perspectief van Nora. Het boek begint op Bloomsday met een scabreuze vrijscène. Ze schreven elkaar erotisch getinte brieven wanneer ze een poosje niet bij elkaar waren. O’Connor heeft voor haar onderzoek de gepubliceerde brieven van Joyce aan Nora geraadpleegd, waarin duidelijk naar voren komt hoe hij haar adoreerde. De brieven van Nora aan Joyce zijn nooit gevonden, dus daar heeft ze haar eigen creatieve geest op losgelaten. Het was een relatie die gekenmerkt werd door het grillige karakter, de losbandigheid, maar ook de grenzeloze liefde die de egocentrische Joyce koesterde voor zijn barnacle goose.

‘[…] hier in de stad kennen ze je alleen als Il Ubriacone, de zatlap. Niet als de leraar, niet als de schrijver. Als een ubriacone.’


Joyce keek zeer regelmatig te diep in het glaasje – hij liet zich makkelijk verleiden met grappa en absint om dan in de nacht dronken thuis te komen – en smeet met geld, waardoor ze het grootste deel van hun relatie in bittere armoede leefden. De duiven vlogen hen hierdoor niet in de mond. Hij was dan een draak voor de mensen om hem heen, terwijl zij juist beduidend betere contactuele eigenschappen had. Het was Nora die de brokstukken die haar Jim had veroorzaakt bij elkaar moest zoeken en lijmen. ‘Waardeloze Jim. Stomme Jim. Rot-Jim. Verkwistende Jim.’

‘Morgen ga ik met de kinderen naar de priester om ze te laten dopen. Geloof me, ik laat die kinderen niet opgroeien zoals jij, Jim Joyce. Het worden nette burgers. Fatsoenlijke mensen. Zij zullen een ander niet laten verhongeren.’


Nora had weinig scholing gehad. Ze was een meisje van het platteland uit Galway, door haar moeder ‘weggegeven’ aan haar grootmoeder waar ze opgroeide. Wegens aanhoudende dronkenschap werd haar vader door haar moeder het huis uitgegooid en het paar scheidde, waarna Nora weer bij haar moeder en diens vriend ging wonen.

Ze was optimistisch en pragmatisch en verafgoodde Joyce, maar voelde zich bij hem vaak de mindere op intellectueel gebied en kon behoorlijk onhandig zijn. Toch was zij het die hem bijstuurde waar dat mogelijk was, hoewel het lang duurde voor ze hem wettelijk aan zich kon binden. Het losbandige was voornamelijk de levenskunst van haar geliefde, maar hij is haar altijd trouw gebleven, al ging dit niet zonder slag of stoot.

In het jaar dat ze elkaar hadden ontmoet verlieten ze Ierland om naar Zürich te gaan waar hij leraar wilde worden, maar waar er geen vacature was. Nora had er alles voor over om haar Jim te volgen en ze heeft niet de moeite genomen om haar familie over hun vertrek te informeren. Ze leidden een zwervend bestaan – meestal in pensions – langs diverse steden in Europa. In 1905, een jaar na hun aankomst in Zwitserland, werd hun zoon Giorgio geboren, in 1907 gevolgd door Lucia. Zij was een zorgenkind voor haar moeder, omdat ze zeer onaangepast gedrag vertoonde en later gediagnosticeerd werd met schizofrenie, waardoor ze in een inrichting werd opgenomen en daar op hoge leeftijd ook stierf. Ruim twintig jaar woonden ze in Parijs, totdat de gevaren van de Tweede Wereldoorlog hen weer naar Zürich dreven.

O’Connor beschrijft levendig de onenigheid – onder andere over de kinderen, Joyces drankgebruik en geldsmijterij – die ze vaak hadden, waarbij ze Nora Joyce de huid vol laat schelden wanneer ze tot laat op hem heeft zitten wachten, hij stomdronken thuiskomt en haar flemend voor zich in probeert te nemen. Ze hadden een zeer gecompliceerde relatie, omdat ze zo verschilden van elkaar en in hun interesses.

Nora heeft haar grote liefde altijd gestimuleerd om te schrijven en in februari 1922 legde Jim de laatste hand aan Ulysses. ‘Die man heeft zestien jaar op Ulysses zitten broeden en er zeven jaar aan geschreven.’

Pas toen Giorgio in 1931 ging trouwen met een veel oudere vrouw en hij wettelijke status moest hebben, was dat voor Joyce een reden om ook met zijn grote liefde in het huwelijk te treden. Voor Nora was dat een deceptie; ‘[…] geen boeket, geen kerk, geen geglazuurde vruchtencake [...]. Het stoort niemand behalve mij dat ik zelfs geen trouwfoto heb gekregen.’

Zijn gooseen is ook hem trouw gebleven tot zijn dood in 1941. Hij stierf aan een buikvliesontsteking na een oogoperatie. Zelf stierf ze op 67-jarige leeftijd aan nierfalen, ze werd begraven op de begraafplaats in Flunteren te Zürich en in 1966 werden haar stoffelijke resten bijgezet in het graf van haar Jim.

‘Niet huilen, niet huilen Giorgio, mijn schat. Je vader wacht op me.’ […] ‘Ik steek mijn hand uit en Jim pakt hem, ik stort me in zijn armen en laat me verstikken door zijn liefde. Mijn enige, mijn Jim.
Samen lopen we verder.’


Deze biografische roman staat vol met spetterende en knetterende dialogen. De liefde is voelbaar, maar ook de ergernissen. O'Connor is er in geslaagd de verbeelding en de feitelijke gebeurtenissen vloeiend in elkaar over te laten lopen. Ze beschrijft op chronologische wijze het leven van Nora Barnacle van 1916 tot haar dood in 1951. De auteur heeft jaren grondig onderzoek gedaan en brengt Nora en haar onvoorwaardelijke liefde hiermee op werkelijkheidsgetrouwe en ontroerende wijze tot leven. ‘Voor Jim ben ik Ierland’

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Nora, vrouw en muze van James Joyce
Auteur: Nuala O'Connor
Vertaling: Jetty Huisman
Pagina's: 512
ISBN: 9789460686092
Uitgeverij Marmer
Verschenen: oktober 2022

zaterdag 26 augustus 2023

Chrétien Breukers - Het wonderjaar


Ketting van herinneringen aan een droevig jaar

Na zesentwintig jaar keert Thomas Meerman – geboren en getogen in Leveroy – in november 2020 met deze Nijmeegse meditatie terug naar het Nijmegen waar hij gestudeerd heeft en belandt in het isolement dat lockdown heet; een uitgelezen gelegenheid om in alle eenzaamheid zich te bezinnen en het op een fantaseren te zetten. Hij denkt terug aan het wonderjaar 1983 en komt tot de slotsom; ‘Het was gewoon een jaar van niks.’

‘[…] we waren studenten in de jaren tachtig van de vorige eeuw en onze garderobe bestond uit twee broeken (zwart), vier T-shirts (twee wit en twee zwart), een colbert (zwart), een overhemd (zwart) en vijf of zes sets ondergoed (zwart).’


Breukers voerde zijn alter ego Thomas Meerman in 2019 voor het eerst op in zijn roman En in de nacht een riem, waarna Praag aan zee (2022) en Hampelman (2022) volgden. Zelf zegt Breukers dat hij met deze reeks autobiografische fictie heeft geschreven en Meerman hiermee een eigen leven heeft gegeven. In 2024 zal een vijfde deel verschijnen, getiteld De pen in het hart.

Marjon Nooij

In een poging om, in navolging van Marcel van Roosmalen, door zelfbevlekking een CPNB-speldje te bemachtigen en Ambassadeur voor de Leesbevordering te worden, doet hij in de podcast De Nieuwe Contrabas, die hij wekelijks samen met Hans van Willigenburg presenteert, een ludieke oproep om vooral zijn nieuwe boek te lezen. ‘Wat ik schrijf, komt niet langer op de groslijst en is daarom niet langer literatuur, niet in het onder auspiciën van de Radboud Universiteit verrichte onderzoek. Ik heb vrede met een positie aan de zijlijn. Ik heb er echter nooit rekening mee gehouden over de rand te vallen.’

Eindelijk, zegt hij zelf, heeft hij zich ertoe heeft gezet om Het bureau en Bij nader inzien van Voskuil eens te lezen. Hoe eenzaam hij zich ook voelde, ‘lezen sneed me van de wereld af. Schrijven zou me er weer mee samenvoegen. Daar zette ik op in.’

‘Zijn ouders meenden, na het lezen van zijn eerste schrijverijen, dat hij het beter in de vuilnisbak kon gooien en zelf was hij ook niet bepaald trots op zijn eerste werk.’


Zijn ontmoeting met de corpulente burgervader Hubert Bruls wordt gevierd met Becherovka, ‘[...] achtendertig heerlijke procenten alcohol [...]’. De 72 geleverde flessen zijn ‘een goede manier om zonder gezichtsverlies het toneel te verlaten.’ Hij gaat met Bruls zelfs terug in de tijd dat Breukers als jochie in het ziekenhuis lag, waar hij zijn vader als medepatiënt en zijn moeder als hoofdzuster ziet. Hij 'maakt ze zelfs na hun dood nog een keer af' alvorens het ziekenhuis te verlaten en met de bus te vertrekken. Eigenlijk wil hij gewoon met rust gelaten worden.

‘Ik ben weggelopen uit een roman, of misschien ben ik juist van het ene op het andere moment in een roman terechtgekomen. […] Het is fictie. En in fictie mag alles. Daarom is fictie een stuk verwarrender dan wat gewoonlijk het echte leven wordt genoemd. Daarom is fictie alleen weggelegd voor mensen zonder ziel, of voor mensen met een ziel die gemakkelijk vergeet.’


De vaak korte fragmenten en plotloze overpeinzingen, die melancholische gedachteflarden – geen weemoed. ‘We zijn hier niet in een boek van Thomas Verbogt.’ –, brieven en dialoog bevatten, zijn soms wrang, sarcastisch, ironisch en cynisch, en doen in eerste instantie incongruent aan, maar gaandeweg haken de meeste ineen. Ze zijn ook niet gespeend van zelfreflectie. ‘Ja, ik ben vervelend en irritant, en wie ben ik, dat ik iedereen de maat zou mogen nemen, maar ik vind: als je op je achttiende een keuze maakt, moet je daaraan vasthouden.’

Wanneer er een Amerikaanse slee voor de winkel van zijn ouders in Leveroy stopt en de struise Kathy hem vertelt dat ze speciaal voor hem (Chrétien) is gekomen, pakt hij zijn koffer en stapt in. ‘Mijn ouders staan in de deuropening van de winkel. Ik wuif naar ze en probeer er geruststellend bij te kijken.’ Ze 'rijden het landschap van mijn jeugd uit.' Wat volgt is een labyrintische, avontuurlijke rit met hotelovernachtingen en vrijpartijen, waarna ze hem terugbrengt naar zijn oorsprong en zijn leven uitrijdt.

In brieven aan ene Jack en een ‘Mevrouw’ – die nooit in het echt heeft gezien –, vertelt hij onder andere gefragmenteerd over zijn jonge leven en zijn fantasieën. ‘Een voorzichtige epifanie. Dát heb ik mijn hele leven gedaan, ik heb gezocht naar mijn ware ik. Ik heb geschreven over wie ik ben, over wie ik denk te zijn, over wie ik dacht te moeten zijn, over andere mensen die invloed hebben gehad op mijn ik; ik heb geprobeerd om een goed leven te leiden.’

De autofitcieve opzet zorgt ervoor dat de lezer steeds het gevoel heeft dat Meerman en Breukers continu en naadloos in elkaar overgaan. Het wonderjaar is een wirwar van gebeurtenissen en verdient het om te worden herlezen, om steeds meer te kunnen duiden. Wie weet, als De pen in het hart is verschenen, gewoon alle delen achter elkaar eens uitlezen.

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Het wonderjaar
Auteur: Chrétien Breukers
Pagina’s: 136
ISBN: 9789493186941
Uitgeverij Vleugels
Verschenen: augustus 2023

Erik Vlaminck - Iconen

 

Wat het daglicht niet kan verdragen

Erik Vlaminck (Kapellen, België, 1954) is docent aan de Antwerpse SchrijversAcademie. In zijn eerdere werkzame leven was hij hulpverlener in een Vlaamse psychiatrische instelling. In de inktzwarte roman Iconen, die een half jaar bestrijkt vanaf augustus 1975, heeft hij zichzelf een kleine rol gegeven als voorzichtige (interne?) klokkenluider van misstanden en machtsmisbruik. In die jaren werd er nog geen onderscheid gemaakt tussen mensen met een psychiatrische problematiek en zwakzinnigen (de destijds gebruikte term voor mensen met een verstandelijke beperking). Uiteraard werden ze over het algemeen goed bejegend, maar velen leidden een doelloos bestaan, zonder dagbesteding en werden gemakshalve op bed verpleegd.

Marjon Nooij

De zesentwintigjarige Guido Schrauwen richt zich in een lang monoloog tot zijn moeder die in een verpleeghuis ligt. Ze praat niet meer, maar zwijgen heeft ze toch altijd al gedaan. Wanneer ze komt te overlijden, begeeft de ik-verteller zich wekelijks naar haar graf om zijn verhaal voort te zetten. Het lijkt zijn biecht te zijn. 

‘Nooit hebt gij mij gevraagd waarom ik kloosterbroeder ben geworden. [...] Gij wist niet dat ik ben ingetreden omdat het de enige manier was waarop ik alsnog een man kon worden die er in uw ogen toe deed, een man naar wie de mensen opkijken. Zodat ze ook naar u opkijken omdat ik uw zoon ben.’


Nee, van roeping was geen sprake, maar als hij de keuze had gehad was hij liever priester geworden; hij draagt steevast ‘een zwart hemd met een collaar’. Het ‘streelt zijn ijdelheid’ wanneer hij met eerwaarde wordt aangesproken. De vraag rijst meteen of hij niet beter een andere weg had kunnen bewandelen.

Zijn ‘meneer-mijn-vader’ had een technisch beroep voor zijn zoon voor ogen, maar dat pakte anders uit, want zoonlief deed een tweejarige avondstudie boekhouden. Daar heeft hij veel profijt van bij zijn intreding bij de Broeders van Liefde als kloosterling broeder Medard; voortaan wordt hij ‘broeder-econoom’ genoemd. Hij beheert de financiën van Sint Anastasius én is bewindvoerder van alle patiënten, welke door hem steevast met de term ‘sukkelaars’ worden aangeduid.

Psychiater Block – ‘grote medicijnman’ – benadert Medard met het idee dat er een onderzoek opgezet moet worden om een ‘homologatie’ te verkrijgen voor een nieuw medicijn. Daarvoor zijn er zestig proefpersonen nodig die voorhanden zijn in twee zalen ‘die vol zitten met achterlijke tot zwaar achterlijke mannen.’ Bijkomend voordeel is dat er een ‘redelijke gift’ tegenover staat voor de kliniek. Block zit ondertussen op kosten van de ‘pillenfabriek’ tien dagen all-inclusive in Zwitserland.

De exorbitant grote hoeveelheden medicatie worden door de ‘dokter die niet wil dat hij dokter wordt genoemd’ onder de loep genomen en hij stelt de misstanden aan de kaak wanneer er twee patiënten sterven, nadat ze door grove nalatigheid brandwonden hebben opgelopen in de douche. Hij is een nagel aan Medards doodskist, die zijn goede bedoelingen saboteert uit angst dat de deksel van de doofpot gaat. De begrafenisondernemer – ‘wordt slapend rijk omdat onze instelling vaste klant bij hem is’ – geeft broeder-econoom een kostbaar icoon cadeau en een aanzienlijke korting op de kist van zijn moeder.

Medard leidt een dubbelleven. Hij heeft een appartement waar hij zich elke vrijdag een aantal uur in het geniep terugtrekt; men denkt dat hij die tijd gebruikt om te biechten. Daar kan hij alleen zijn en zich onbespied voelen. ‘Ik kan er doen wat ik nergens anders kan doen: me kleden in zacht satijn. Nylons. Poeders. Lippenstift.’ Zonder dat iemand in het klooster het weet heeft hij een Opel Commodore met een fiks aantal pk’s en een kluis bij de bank waar hij zijn verzameling kostbare iconen bewaart. Hij sjoemelt dat het een lieve lust is. Opportunistisch kunnen we hem wel noemen.

Dan worden de gemoederen beziggehouden door de nieuwe verpleegkundige – ‘een soort hippie’ – wanneer ze komt klagen over het plotseling veranderde gedrag van de patiënten. Ze maakt zich er hard voor dat haar patiënten tenminste nette kleding krijgen, zodat ze regelmatig mee naar buiten genomen kunnen worden voor frisse lucht. ‘Ze liggen of zitten altijd in een stinkende zaal. Geen wonder dat meer dan de helft doorligplekken heeft.’ Nutteloze kosten, vindt broeder Egbertus. Deze is overigens ook niet geheel van onbesproken gedrag. Hij knijpt er regelmatig ladderzat tussenuit en heeft de verpleegkundige zelfs bepoteld.

De ‘dwarse’ personeelsleden zijn Medard een doorn in het oog en de bizarre voorvallen worden met de mantel der Goddelijke liefde toegedekt. ‘Gevaarlijke geruchten moeten de kop worden ingedrukt vooraleer ze een eigen leven gaan leiden.’ Conservenblikken die over datum zijn worden van een nieuwe wikkel voorzien, zodat ze alsnog op het bord van de patiënten belanden. Krankzinnig slim idee van Medard.

‘Wat we missen in de ‘Tien geboden van God’ is de regel: “Er zijn ook dingen waarover nooit ofte nimmer gesproken wordt”’


De ‘biecht’ van Medard wordt een aantal maal onderbroken door brieven van de broer van een patiënt, waarmee hij zijn beklag doet over de beroerde omstandigheden waarin zijn broer moet leven. Tot overmaat van ramp is diens volledige gebit getrokken na een bijtincident. Deze broer gaat zelfs zover dat hij op onderzoek uitgaat en een officiële klacht indient.

Kloosteroverste Ludovic confronteert Medard met een inspectieverslag en de klacht die is binnen gekomen. Hij roept hem ter verantwoording over zijn verborgen rijkdommen, maar krijgt tijdens het gesprek een hartaanval.  Medard, die voelt dat het net zich om hem begint te sluiten, staat erbij en kijkt ernaar.

De griebels lopen je over de rug tijdens het lezen van de biecht van deze broeder-econoom. Vlaminck heeft het boek opgedragen aan een viertal ‘dappere mannen’. Wapenbroeders misschien?

Iconen kun je lezen als een aanklacht tegen belangenverstrengeling, omkoopbaarheid, slechte bejegening, en on-transparantheid; een hulpkreet van hen die niet kunnen roepen. Een verhaal van bescheiden omvang, maar ongelooflijk vol. Toch is het geen zwaar boek; de auteur voegt regelmatig ironische toetsen toe, waardoor je er bijna in gaat geloven dat het allemaal nooit zo gebeurd zou kunnen zijn. Maar..., schrijft hij voor in het boek: ‘Helaas overtreft de realiteit vaak de fictie’.

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Iconen
Auteur: Erik Vlamink
Pagina’s: 160
ISBN: 9789464341515
Uitgeverij Vrijdag
Verschenen: februari 2023

maandag 21 augustus 2023

Isabella Hammad - Geest komt op

 

'Het precaire kantelpunt tussen zijn en niet zijn'

In Geest komt op likt Sonia Nasir de wonden van een mislukt huwelijk, een miskraam en een relatie met een geflipte regisseur. Ze vliegt vanuit haar woonplaats Londen naar Haifa om haar oudere zus Haneen te bezoeken die daar woont en in Tel Aviv werkt als socioloog. Sonia is actrice, maar met het doen van audities wil het niet zo vlotten. Ze is de dochter van een Palestijnse vader en een Palestijns-Nederlandse moeder, en sinds de Tweede Intifada elf jaar eerder niet meer in Israël geweest, waar het gezin in haar jeugd hun vakanties doorbracht bij de Palestijnse grootouders, omdat haar baba wilde dat ze Israël ook leerden kennen. Na ondervraging en visitatie op het vliegveld, wordt ze welkom geheten in Israël. Allereerst zoekt ze de plekken op die ze zich herinnert uit haar jeugd, zoals Akka. 'Ik was niet voorbereid op dit lichamelijke effect, het geheugen van mijn zintuigen.'

Marjon Nooij

'Ik wist misschien niet precies wat ik verwachtte van mijn terugkeer naar Haifa, maar ik vermoed dat ik hoopte iets van mijn vroegere zelf terug te vinden.'


Eerder heeft ze de Westoever eenmaal met haar oom Jad bezocht, die daar werkte als arts. De ontmoeting met een hongerstaker staat haar nog altijd scherp op het netvlies.

'[…] Rashid, de hongerstaker in Bethlehem. Dat ik me verbonden met hem voelde, al kon ik niet precies uitleggen waarom. Dat mijn zuster en ik ooit waren meegenomen omdat we hem moesten zien en dat hij ons meteen had doorzien. ‘Hij is wat wij zijn geworden', zei zijn moeder tegen ons. Ik beschreef hoe die woorden me later hadden beziggehouden en dat het me niet lukte om in Rashids uithongering iets anders te zien dan een symbool van algeheel langdurig lijden. Ik noemde mijn emoties: schuldgevoel, verdriet, ongemak, angst en verlangen.'


Isabella Hammad (Londen, 1992) debuteerde met de veelgeprezen historische roman De Parijzenaar. Ook hierin beschreef ze het onderzoeken van identiteit en de gevoelens die spelen wanneer je eigenlijk niet weet in welk land je echt geworteld bent. Zelf is ze er altijd van doordrongen geweest dat ze voor de helft van Palestijnse afkomst is en heeft daar veel verhalen over gehoord, maar haar andere helft is die van een Europeaanse vrouw. Dat gegeven gebruikt ze om haar hoofdpersonage te laten onderzoeken waar zij zich het meest thuis voelt; een zoektocht die voor veel tegenstrijdige tussen-wal-en-schip-gevoelens zorgt.

Ze hangt haar verhaal op aan het toneelstuk Hamlet en laat Sonia de rol spelen van Gertrude, de moeder van Hamlet. Met de Engelse titel van Hammads boek – Enter ghost – refereert ze aan de uitspraak in het toneelstuk wanneer Shakespeare de geest van Hamlets vader opvoert.

Mariam, een vriendin van haar zus, is regisseuse en nog op zoek naar een invaller voor het in het Arabisch opgevoerde toneelstuk. Ze gedraagt zich wat geremd '[…] pas later kwam het bij me op dat ze waarschijnlijk niet wist of ze me wel kon vertrouwen.' Toch waagt Mariam haar kans om Sonia daarvoor te vragen, die daar aanvankelijk schoorvoetend op ingaat en aangeeft dat ze maar voor een bepaalde tijd beschikbaar zal zijn. Mariam vertelt dat haar broer is vastgezet in verband met beweringen dat hij betrokken is geweest bij het financieren van Palestijnse kunst in Palestijnse gebieden, dus ook die van haar. Dit werd 'gezien als samenwerking met mensen die de vernietiging van de Israëlische staat beoogden, dus als verraad.'

Het noodlijdende toneelgezelschap – met zijn diversiteit aan Palestijnse acteurs die allemaal een ander verhaal met zich meedragen en deels op Palestijns grondgebied en deels in Israël wonen – zal Hamlet gaan spelen op de bezette Westelijke Jordaanoever, terwijl de omineuze dreiging van de oorlog tussen Israël en Palestina om hen heen hangt; op de 'dag van de woede' ontploffen er granaten bij een moskee, waardoor er vijftig gewonden vallen en worden hun rekwisieten ingenomen. Ze kunnen elk moment verwachten dat het ze wordt verboden om het stuk verder op te voeren.

'Op het podium bestond Sonia Nasir niet meer. Het enige wat overbleef was een scala aan emoties en een lichaam om ze uit te drukken.' […] 'Ik, tragische geest met een wit geschminkt gezicht, raasde over het podium. Ik strekte me uit over de scherpe rand van mijn innerlijke duisternis en toonde die in de schijnwerpers om mijn euvele daad uit te voeren. Na de doodstrijd kwam het berouw. In me barstte het berouw los en de tranen stroomden over mijn gezicht. Elke avond begon ik opnieuw, ongerept en onvoorspelbaar. Mijn geest stuurde mijn lichaam en mijn lichaam was volkomen vrij.'


Sonia's verhaal is geschreven vanuit het ik-perspectief. De doorvoelde dialogen, die voor een deel geschreven zijn alsof het een toneelscript is, laten ook haar gesprekspartners aan het woord met hun emoties en hersenspinsels. Deze dialogen geven goed zicht op de ander en zorgen ervoor dat Hammad niet uitleggerig overkomt wanneer het gaat over de vele tegenstellingen. Hammad verstaat de kunst van show, don't tell, schrijft een aantal ontroerende scènes, maar blijft terughoudend en laat sentimentaliteit achterwege.

Sonia raakt ervan doordrongen dat de Palestijnse kwestie en de gevolgen van de diaspora altijd aan haar voorbij zijn gegaan en dat ze in de eerste weken niet de verbinding vindt die haar eigenlijk in het bloed zou moeten zitten. Ook het feit dat Haneen een op en top Palestijns leven leidt, maakt dat ze zich daar verward door voelt, een unheimisch gevoel krijgt niet welkom te zijn en beseft dat ze zoveel van elkaar verschillen dat daardoor de spanning tussen hen voelbaar in de lucht hangt.

De rivaliteit en pesterijen onder de acteurs symboliseren de rivaliteit in Shakespeares stuk (en visa versa), dat op zijn beurt het verhaal van Sonia laat zien. Zij wordt opgevoerd als een vrouw met haar twijfels en gevoelens die zich gaandeweg evolueren tot het moment dat zij haar gedachten op een rijtje heeft gezet. Haar grote vraag is: waarin verschillen de Arabieren eigenlijk van de Israëli?

Een triomf voor de spelers is het wanneer ze tijdens de opvoering worden bekeken door een groep Israëlische soldaten. Ze verwachten elk moment dat zij het stuk zullen afbreken, wat uiteindelijk niet gebeurt. Verbroedert kunst terwijl de geest van Hamlet rondwaart?

'Voor een kunstenaar is niets vleiender dan de illusie dat hij of zij eigenlijk een revolutionair is. Die openbare ontwikkelingen gaven de cast het gevoel dat we ons in een trainingskamp voorbereidden op een operatie met een hoger doel, dat we door de vertaalde tekst te analyseren en een subtekst te zoeken tegen de verdrukking in voor de Palestijnse zaak streden.'


Hammad neemt de lezer mee in de Palestijnse kwestie; nog altijd een actueel en urgent verhaal. Ze geeft een goed gedocumenteerde voorstelling van de geschiedenis van een verscheurd land. Alles is in deze rijke en uitzonderlijk gelaagde roman thematisch met elkaar verbonden; dromen, geschiedenis, politiek, kunst, identiteit, afkomst en intermenselijke relaties, maar ze dwingt de lezer niet om hierin stelling te nemen. Wanneer je bijvoorbeeld de Netflixserie Fauda kijkt, word je op listige wijze meegesleept in het gedachtegoed van de Israëli; de Palestijnen zijn verkeerd. Hammad doet dat omgekeerd niet. Een indrukwekkende prestatie.

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Geest komt op
Auteur: Isabella Hammad 
Vertaling: Gerda Baardman & Jan de Nijs
Pagina's: 384
ISBN: 9789026360343
Uitgeverij Ambo|Anthos
Verschenen: april 2023