vrijdag 17 januari 2020

Burhan Sönmez - De onschuldigen

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Orlando



Weemoed, wraak en liefde 

Waar het boek 'Istanbul, Istanbul' de politieke situatie in Turkije aanhaalt, verhaalt Burhan Sömnez in 'De onschuldigen' over meer nostalgische herinneringen en overleveringen uit de jeugd van de Koerdische vluchteling Brani Tawo. Zijn verhaal dient als het ware als de omlijsting voor de verhalen die hij vertelt, waardoor het hier, in de ruimste zin van het woord, om een raamvertelling gaat.

Burhan Sönmez (1965) is een Turks-Koerdisch auteur, die als jurist werkzaam is geweest, maar om politieke redenen zijn land heeft verlaten en tien jaar in ballingschap heeft geleefd in Engeland. Tegenwoordig pendelt hij tussen Turkije en Engeland. In 2017 heeft hij de onderscheiding ontvangen met de Disturbing the Peace-prijs, die wordt toegewezen aan auteurs die door hun werk gevaar lopen.

Al twee jaar loopt de fotograaf Tatar over de vlakten van Anatolië om dorpjes te bezoeken waar hij tegen betaling foto's maakt van de bewoners. Wanneer hij dezelfde route nogmaals loopt om de foto's bij hen af te leveren, stuit hij op de uitgemergelde Ferman die zich al zestien jaar verborgen houdt in de grotten van de verlaten rotsgebieden. Tatar maakt contact met hem, vertelt over zijn missie en laat hem enkele foto's zien. Hierop reageert Ferman geschokt als hij een foto van Aysa ziet, zijn verloren geliefde en de reden waarom hij zich al zolang verborgen houdt voor de buitenwereld. Maar Asya is ook een goede vriendin van Tatar, een innige vriendschap die lang geleden is ontstaan toen Asya nog een klein meisje was.

'Wie zich neerlegde bij zijn lot hoefde alleen nog maar op het moment van de dood te wachten. Ferman groef een graf voor zichzelf. Ernaast ontstak hij een vuur en zong volksliedjes. Alsof zijn verstand verliezen hem enige troost bood, raakte hij gewend aan zijn eenzame bestaan. Hij leefde zo voort tot zijn kennismaking met Tatar de fotograaf. De poort naar de tuin van het lot was nog niet dicht.'

Hiermee begint deze caleidoscopische roman vol weemoedige verhalen van Brani, die zijn land is ontvlucht en zich inmiddels een jaar of zeven geleden in Cambridge heeft gevestigd, nadat hij een aanvaring met de Turkse politie heeft gehad. Daardoor lijdt hij aan een slaapstoornis, die hem behoorlijk uitput, maar vindt zijn troost in de filosofie van Wittgenstein.

'Maar Wittgenstein wilde niet als zodanig (als filosoof tt) bekendstaan. Soms was hij een communist, andere keren racist en weer andere keren een krijgsgevangene van het Italiaanse leger. Naar zijn overtuiging was hij een groot zondaar en hij zei altijd dat God, die hij met een kwaadaardige rechter vergeleek, hem niet zou sparen.'

In een antiekwinkel is Brani op zoek naar eenzelfde camera als Tatar vroeger gebruikte en die hij zijn moeder cadeau wil doen. Daar ontmoet hij een jonge vrouw. Het toeval wil dat de Iraanse studente Feruzeh die dag op hetzelfde bruiloftsfeest uitgenodigd is en ze maken opnieuw contact met elkaar. Vanaf dat moment zijn ze vrijwel onafscheidelijk, waarbij hun vriendschap zich verdiept in de poëzie die zij Brani voorleest en de vele herinneringen en verhalen over de mensen uit zijn jeugd die hij Feruzeh vertelt. Totdat... Feruzeh op een dag per sms vertelt naar Iran te moeten gaan en hij te laat komt om afscheid te nemen.

Langzaam maar zeker ontrolt zich het leven van Brani zich door middel van de vele verhaallijnen over diverse personages, die steeds meer in elkaar grijpen en een gestaag een completer beeld geven van zijn leven, met als leidmotieven de dood en weemoedig terugkijken op dat wat is geweest. De auteur heeft deze schitterende, melancholieke roman een voorzichtig magisch realistische twist gegeven, die zich uit in de voorspellende gave van de - met de helm geboren - kleine Asya.
Ondanks de afgrijselijke ervaring die Brani heeft meegemaakt, blijft de liefde voor zijn vaderland overeind staan.

'Toen ik hier aankwam, was er een redelijk grote kans dat ik zou sterven,' zei ik. 'Nu ben ik een tak die opnieuw uitloopt.'

Heel mooi is de slotscène die eerder in het boek ook al is voorgekomen. De dialogen zijn heel helder en drukken de diepste gevoelens uit, zonder ze uit te kauwen. Show, don't tell!
Geheel ten onrechte is er aan deze briljante, gelaagde roman nog veel te weinig aandacht besteed en mijn dringende advies is dan ook; léés dit wonderschone, filosofische en indrukwekkende boek. En boek met vele verhalen die om elkaar heen draaien en in die verhalen reist de protagonist tussen heden en verleden.

Titel: De onschuldigen
Auteur: Burhan Sönmez
Vertaling: Rene van Veen
Pagina's: 224
ISBN: 9789493081208
Uitgeverij Orlando
Verschenen: september 2019

donderdag 16 januari 2020

Claire Brentjens - Flardentango

Recensie door Mireille
Uitgeverij Palmslag



Een puzzel van herinneringen


Flardentango verhaalt van Evelien die als kind in de jaren 1970 in Argentinië heeft gewoond. Vijftig jaar later beseft ze dat in het gezin weinig over die tijd is gesproken en gaat ze op zoek naar ontbrekende antwoorden. Claire Brentjens maakt er een wervelende roman van.

Je wordt direct het verhaal ingetrokken met de diefstal van Eveliens handtas. Als ze haar bejaarde moeder over deze gebeurtenis vertelt, maakt zij een opmerking die bij Evelien een gedachtestroom over haar tijd in Argentinië losmaakt. 


In haar jeugd woonde ze met haar ouders van 1969-1972 in Buenos Aires vanwege vaders baan bij Unilever; haar broer en zus bleven op kostschool achter in Nederland. Het was een voor Evelien een fijne tijd, die helaas eindigde. Terug in Nederland werd er niet meer over Argentinië gesproken.


Vijftig jaar later woont Evelien in Antwerpen en bezoekt regelmatig haar licht dementerende moeder in Den Haag. Tijdens het opruimen van de zolder probeert ze meer te weten te komen over haar Argentijnse tijd. Ze was te jong om de politieke situatie te begrijpen. Onder het militaire regime was veel corruptie en verdwenen er mensen. Achteraf gezien had Eveliens vader regelmatig regeringsgasten op bezoek; had hij soms banden met het regime?

De zoektocht is een puzzel met flarden van herinneringen van haar moeder en haarzelf, verhalen die haar zus heeft gehoord en de dia’s op zolder. Brentjens neemt je mee in dit proces van heden en herinnering. Als in een dans verandert de auteur in één alinea tijd en locatie, maar dat is niet chaotisch. Van het hedendaagse Den Haag ga je naar de basisschool in Buenos Aires en de kostschool in Amersfoort. Op die manier krijg je een indruk van zowel de jaren 1970 in Argentinië en Nederland als het huidige decennium. Het boek leest zoals het leven zelf is: het beluisteren van een radio-interview en bekijken van dia’s roept herinneringen op; tijdens het boodschappen doen zie, hoor en ruik je veel om je heen. De vele details worden opgenomen in een vloeiend verhaal. In enkele scènes lijken uitgebreide details overbodig, bijvoorbeeld wanneer een Argentijnse vriendin van Eveliens moeder wordt opgevoerd die weinig toevoegt aan het verhaal, maar voor het grootste deel hinderen de details niet. Dit is te danken aan de vlotte vertelstijl en relatief onbekende geschiedenis met autobiografische elementen. De auteur heeft namelijk zelf als kind in een expatgezin in Argentinië en later in Antwerpen gewoond.

Flardentango is een prachtig verhaal over familie en cultuur. Dit debuut van Claire Brentjens smaakt zeker naar meer. Een boek om te herlezen!

Auteur

Claire Brentjens (1959) woonde als kind veel in het buitenland, omdat ze deel uit maakte van een Nederlands expatgezin. Tussen 1969 en 1972 woonde ze in Argentinië, de tijdsperiode waarin ook een deel van haar boek zich afspeelt. Brentjens volgde de Schrijversacademie in Antwerpen, na haar afstuderen in 2015 bleef zij verbonden als voorlezend lid van de Literaire Loge. Daarnaast was ze twintig jaar vrijwilliger en ambassadeur voor Trias, een Vlaamse organisatie die ondernemers ondersteunt in de armste landen ter wereld. Onlangs legde zij deze functies neer om zich volledig op haar schrijverschap te kunnen richten.

Titel: Flardentango
Auteur: Claire Brentjens
Pagina's: 390
ISBN: 9789493059283
Uitgeverij Palmslag
Verschenen: november 2019

woensdag 15 januari 2020

Yoko Tawada - De laatste kinderen van Tokyo

Recensie door Roosje
Uitgeverij Signatuur

‘De rivier was als een bundel zilveren linten.’ (2019: 6)


De laatsten der Mohikanen

Mogelijk *spoilers*.

Yoshiro is de overgrootvader van de jongen Mumei, voor wie hij zorgt met een toewijding die zijn weerga niet kent. Maar er is iets vreemds aan de hand tussen deze twee Japanse mannen, die in Tokyo wonen. De oude man is dik over de honderd jaar en lijkt in een veel betere fysieke conditie te zijn dan zijn nazaat. Mumei heeft een zwak gestel, hij heeft vrijwel altijd koorts, zijn tanden vallen uit en zijn bros, eten en drinken gaan moeilijk, zich voortbewegen gaat moeizaam, maar zijn verstand is helder en geest opmerkzaam.

‘De schuifdeur begon te ratelen als een goederentrein en Mumei deed zijn ogen open, waarop het zonlicht kwam binnengestroomd, geel als gesmolten paardenbloemen.’ (ib.: 5).

Met die paardenbloemen is iets ongewoons aan de hand, de bloemen zijn inmiddels groter dan die van chrysanten, de keizerlijke bloem. Er woedt een discussie of paardenbloemen gelijkgesteld mogen worden met de keizerlijke bloem.

Langzaam ontrolt zich een samenleving - en het verslag van die samenleving - die in weinig aspecten nog op de onze lijkt. Wat nog wel hetzelfde lijkt is de liefde van een ouder voor een kwetsbaar kind, de liefde tussen kwetsbare mensen en de hoop op een beter leven. Gebeurtenissen worden van de hak op de tak verteld, zo lijkt het: Yoshiro, Mumei - hardlopen met huurhonden - de veranderde en veranderende taal - de bakker met zijn kaars en verschillende soorten broden - de tandarts voor de jongen, de kinderarts, de oncoloog - dieren, prehistorische dieren - vervuilde grond - Duitsland, Hildegard - reizen - Shinjuku - treinen - luchthaven - spinnen zo groot als handpalmen - steeds nieuwe feestdagen - staatsgeheimen - dode katten - in het geheim gefokte konijnen, kuikens, pieren - kranten en krantenpapier - gezondheid van de kinderen - elkaar tegensprekende berichten in de kranten - de messenverkoper, met ook een kaars - sinaasappels, ander fruit, vaste verkoopprijs voor de sinaasappel - voedseltekort? - isolationisme etc.

Wie is toch de verteller van al de ontwikkelingen en veranderingen van de laatste jaren? Dat begon ik me op een gegeven moment wel af te vragen? Dat moet welhaast Yoshiro zijn; en het is Yoshiro die aan een kroniek schrijft; zijn roman is ooit geflopt, hij is schrijver, en nu schrijft hij aan een kroniek van het veranderde Japan, van Tokyo, van de wijk in Tokyo waar hij en Mumei wonen. En een kroniek is het, Yoshiro heeft de roman de das omgedaan; misschien is een roman ook niet meer toegestaan in het isolationistische Japan waarin de oude man en de jongen wonen. Een kroniek is een verslag van de feiten, de gebeurtenissen, eventueel heel voorzichtig de gevoelens van hemzelf en Mumei. In een roman zijn andere verhaalaspecten toegestaan: spanning, flashbacks en vooruitzichten, uitweidingen, uitgebreide karaktertrekken, ontwikkeling van personen, een catharsis misschien ook wel.
Hoe poëtisch Yoshiro’s verslaglegging ook is en secuur, vooral daar waar het de taalverandering betreft, heel erg spannend is het niet. Poëzie lijkt nog steeds toegestaan. Is de poëzie ongevaarlijk? Over de taal om ik nog te spreken; dat aspect doet enigszins denken aan Orwells 1984, de ‘newspeak’.

Het wordt al vrij snel duidelijk dat Japan zich bevindt in een neerwaartse spiraal: de bodem is vervuild, er is geen contact meer met de rest van de wereld, Japan zelf is verdeeld in aparte regio’s waartussen geen vrijheid van beweging bestaat. Het wordt niet duidelijk of dat gebeurt door een autoritaire staatsvorm, alles gebeurt onder het mom van ‘democratie’, dus dan is die vermoedelijk niet aanwezig. Net als in 1984 spreken de officiële berichten elkaar tegen maar er wordt in dit geïsoleerde Japan geen werk van gemaakt de geschiedenis te herschrijven - zoals in 1984.
Dat is ook helemaal niet nodig want de samenleving lijkt zijn laatste stadium bereikt te hebben: vernietiging. De bejaarden zijn gezond en gaan niet dood, de kinderen zijn zeer ziekelijk, al worden ze vertroeteld en staan ze onder voortdurend medisch toezicht, en ze sterven jong. Wat is er nu eigenlijk aan de hand? Yoshiro probeert met behulp van zijn kroniek duidelijkheid te scheppen in de chaos van de dingen en de processen: wat is er nu werkelijk aan de hand? Hij raakt meer en meer verstrikt in zijn verdriet en zorg om Mumei.
Het zou zelfs denkbaar zijn dat er alleen nog maar een deel van Tokyo bestaat en dat de rest van de wereld al verloren is. Eigenlijk doet dat er niet toe, het verregaande isolationisme zorgt ervoor dat mensen van elkaar af raken, dat contacten verloren gaan.

De taal en de verandering daarvan is een van de hoofdthema’s van deze roman. Op een bepaald niveau is dat goed te volgen: alle buitenlandse termen, met name de Engelse, verdwijnen, moeten veranderen. Dat is nog te volgen, maar hoe het Japans als taal daarmee omgaat is lastiger te begrijpen. Het Japans is een taal die geschreven wordt in en met karakters; heel anders dan bij ons; wij schrijven in en met een beperkt aantal fonetische lettertekens.
De Japanse karakters hebben verschillende betekenissen en verschillende uitspraakmogelijkheden. Daardoor gaat een deel van de subtiele en intelligente uiteenzettingen van Yoshiro/Tawada (de auteur) voor ons verloren.
Dat is in onze taal toch heel anders. Wel is het bij ons zo dat letterlijke betekenissen een overdrachtelijke betekenis kunnen krijgen; en ook zijn er woorden die je hetzelfde uitspreekt maar die iets anders betekenen, bijvoorbeeld ‘beer’: een steunbeer van een gebouw; een mannetjesvarken; een groot harig zoogdier (er zijn er nog meer, denk ik).

‘Ook al werden de leenwoorden dan niet langer gebruikt, bij de hondenverhuurder waren de fonetische tekens waarin de namen van de buitenlandse rassen werden geschreven nog overvloedig aanwezig.’ (ib.: 6) ‘Op die manier zomaar zonder reden hardlopen op de weg noemden de mensen vroeger ‘joggen’ maar met het verdwijnen van de leenwoorden werd het vanaf een bepaald moment ‘weglopen’ genoemd. Eerst was het een modewoord dat voor de grap werd gebruikt, in de zin van: ‘Als je hard loopt, gaat je hoge bloeddruk weg’, maar na een poosje was het ingeburgerd.’ (ib.: 6)

Een dystopie is deze roman, een tamelijk zwarte onheilsroman, alles lijkt naar de gallemiezen te gaan, al is er misschien een mogelijkheid tot een spoortje hoop maar het ontbreken van gezonde jonge mensen lijkt de hoop teniet te doen. Voorzichtiger kan ik het niet zeggen.
In onze tijd, waarin milieuproblematiek, wereldmigratie en oorlogen overal ons ook niet vrolijk stemmen, lijkt de dystopische roman voortdurend te kunnen rekenen op een groot lezerspubliek.

Auteur


Yoko Tawada (Tokyo, Japan) verhuisde op haar 22e naar Duitsland. Ze studeerde literatuur aan de Universiteit van Hamburg, de Universiteit van Zürich en de Waseda Universiteit. Ze schrijft zowel in het Japans als in het Duits en ontving vele prijzen voor haar werk. Tawada woont in Berlijn.

Titel: De laatste kinderen van Tokyo
Auteur: Yoko Tawada
Vertaling: Luk van Haute
Pagina's: 192
ISBN: 9789056726362
Uitgeverij Signatuur
Verschenen: september 2019

dinsdag 14 januari 2020

Lara Prescott – Wat we niet vertelden

Recensie door Tea van Lierop

The House of Books

                                                 ‘We vroegen ons af hoeveel Rusland nog in haar zat.’

                                                                                                                 (blz.71)

De pen is machtiger dan het zwaard 


Wie Dokter Zjivago van Boris Pasternak las heeft zal in Wat we niet vertelden een aantal bekende personages en situaties tegenkomen. De Russische kou, de omzichtigheid waarmee het geschreven woord gepubliceerd wordt en de heimelijke liefdes. Ook zonder deze voorkennis is dit boek een spannende eyeopener. Lara Prescott weet de juiste toon te treffen in het verweven van deze elementen in haar debuutroman en schrijft hiermee fictie over fictie op basis van non-fictie (onder andere de problemen rond het uitgeven van Dokter Zjivago).

Het boek speelt zich af in de jaren ‘50, de tijdgeest wordt in dit boek schitterend weergegeven. Niet alleen het CIA gebouw waarin typistes aan het werk zijn op hun ratelende typemachines, maar ook de manier van leven in het tijdperk, waarin het Amerikaanse schoonheidsideaal nauwkeurig voorgeschreven is, wordt haarfijn uit de doeken gedaan. Het lijkt alsof het hier om volgzame jonge vrouwen gaat, dit is echter schijn. Achter hun maskers schuilen vaak ongekende talenten waarnaar de CIA op zoek is.

‘We wachtten even tot ze weg was en bespraken toen haar Russischheid (vooral het gebrek eraan), haar haarkleur (niet geverfd), haar vreemde manier van praten (als een goedkope Katharine Hepburn), haar kleding die net niet meer in de mode was (uitverkoop of zelfgemaakt?)’ (blz. 63)

Het thema waarin het in deze roman allemaal om draait is de verspreiding van de in de Sovjet-Unie verboden roman Dokter Zjivago van Boris Pasternak. Pasternak uit in zijn boek kritiek op de Oktoberrevolutie en vestigt de aandacht op het individu in plaats van het volk. In de V.S. wordt in de jaren '50 het idee geboren de onderdrukte Russische bevolking te informeren en wakker te schudden door hen toegang te verschaffen tot Pasternaks roman. Dat moet zeer omzichtig gebeuren, de controle in de Sovjet-Unie is streng en door de mogelijkheid dat de V.S. beticht zal worden van propaganda worden er omwegen gezocht. De CIA is daarin zeer bekwaam en al snel worden er twee typistes geselecteerd die elk hun eigen verhaallijn krijgen.

De opbouw van het boek is spitsvondig. Een grove verdeling bestaat uit afwisselende delen Oost en West, de betekenis spreekt voor zich, en wordt aangevuld met een tijdsaanduiding. De onderverdeelde hoofdstukken hebben titels, daar is iets mee aan de hand, hoe verder in het boek, hoe meer doorgestreepte titels. Deze vorm zegt alles over de metamorfoses die de hoofdpersonages ondergaan. Gestuurd door omstandigheden of door het gezag verandert hun rol regelmatig en laat zien hoe veerkrachtig de vrouwen zijn. Zeker, er zijn ook mannen in het spel zoals Boris Pasternak en een stel kopstukken bij de spionagedienst, maar de vrouwen doen het échte werk.

De liefde is eveneens een belangrijk thema, natuurlijk is er het liefdesleven van Boris met zijn muze Olga, maar ook de uitverkoren typistes Irina en Sally en hun collega’s maken het nodige mee. De auteur neemt hiermee geen blad voor de mond en schetst het beleid zoals er in de jaren ‘50 omgegaan wordt met homoseksualiteit.

Deze onderhoudende roman laat zich het best omschrijven als interessant vanwege de politieke situatie zoals die zich voordeed in de Koude Oorlog (Red Scare) en door de uitwerking van menselijk handelen op situaties die geen fouten dulden. Verder krijgt het verhaal de nodige spanning door de spionage-elementen en wordt het gevoelig wanneer de liefde offers en eerlijkheid verlangt. Het lot van vooral Olga is schijnend en maakt de meeste indruk, de beschrijving van het verblijf in de goelag gaat je door merg en been. Tot slot een geweldig mooi citaat dat in al zijn ruigte zo poëtisch is; ik moest hierbij denken aan een passage uit Verre jaren waarin Konstantin Paustovskij vertelt dat zijn klasgenoten aanvankelijk dweepten met Franse auteurs, maar dat ze later toch teruggingen naar Russische schrijvers omdat ze die meer ‘ziel’ vonden hebben.

‘De angstige rendieren waren dicht op elkaar gaan staan, daarom werden er zoveel gedood. Een herder uit Norilsk had ze gevonden. Hij zei dat het leek alsof ze als dobbelstenen waren geschud en daarna over de besneeuwde berghelling waren uitgeworpen. Ook een herder kan een dichter zijn.’(blz. 273)

De auteur

Lara Prescott is vernoemd naar het vrouwelijke hoofdpersonage uit Dokter Zjivago en stuitte op het verhaal achter haar roman toen de CIA 99 dossiers vrijgaf met betrekking tot hun rol in de publicatie en de clandestiene verspreiding. Ze reisde naar Moskou, Washington, Londen en Parijs om research te doen. Schrijven doet ze thuis in Austin, Texas, waar ze woont met haar man. (bron)

Titel: Wat we niet vertelden

Auteur: Lara Prescott

Vertaling: Ellis Post Uiterweer en Renée Zwijsen

ISBN: 9789044355239

Uitgever: The House of Books

Pag.: 400

Genre: fictie

Verschenen: 2019

maandag 13 januari 2020

Stephan Enter – Pastorale

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Van Oorschot





Verlangen naar vrijheid


Een prachtig historisch landhuis te midden van weelderig groen, water en een overvloed aan vogels en insecten is het decor van een verhaal waarin twee jonge mensen op zoek gaan naar de juiste richting. Parallel in een andere setting verlangt men naar hereniging met de geboortegrond.
Oscar en Louise, broer en zus, zitten niet op één lijn wat betreft hun wensen, wat hen bindt is de behoefte aan verandering. Het meisje komt net terug uit de stad waar ze studeerde, verleden tijd, want ze heeft besloten te stoppen. Oscars verhaal begint in de klas waar hij een bromvlieg bestudeert die keer op keer probeert door een ruit te vliegen.
De vlieg komt, net als vele andere insecten, vogels en de kat te veelvuldig terug om niet als motief te worden gezien. 

Voor de vlieg zijn meerdere verklaringen te vinden, maar aangezien hij (dood door verveling) terugkeert in het laatste gedeelte van het boek staat hij als symbool voor Oscars coming of age. Net als de vlieg probeert hij ‘uit te vliegen’ op zijn manier en probeert binnen zijn mogelijkheden te ontsnappen uit zijn positie. Het lot helpt hem een handje, want hij komt in aanraking met een Moluks gezin. Jonkie Matupessy, één van zijn klasgenoten, ligt in het ziekenhuis en Oscar moet hem zijn huiswerk brengen. Behalve de Molukse wijk, daar komt verder nooit een niet-Molukker, is ook het huis waar Jonkie woont een Eldorado van curiositeit. Tevens ontmoet hij er Dona, een schoonheid die hem onmiddellijk betovert. Een kist roept Oscars nieuwsgierigheid op, maar daar mag hij niet eens naar kijken!

Louise zwoer op haar twaalfde haar geloof in God af. Heel stellig keerde ze zich tegen haar Gereformeerde omgeving. Schitterend zijn de passages waarin ze zich probeert af te zetten, maar deze rebellie toont tegelijkertijd aan hoe diep haar gereformeerde vorming geworteld is.

‘Met de eerste zin die er, geestdriftig en in verrassende harmonie, uitrolde, voelde ze haar tot glimlach geplooide mond verstijven. Het was of er gedurende een paar seconden een grauw waas voor haar stemming schoof en daarna was het tafereel dat ze voor zich zag veranderd. Want hier zag ze het in werking, en voor het eerst in haar volwassen leven zag ze het zo duidelijk: de machinerie – die zij dus deze keer zelf had aangezet.’

Louise is niet mals in haar kritiek op degenen die haar gelovig hebben opgevoed, ze schuwt geen enkel argument. Dat deze tegenspraak stevige discussie en teleurstelling oplevert behoeft geen uitleg en de auteur beschrijft deze breuk met het geloof met gepast geweld. Voor een gelovige lijkt het geen eenvoudig te verteren boek, tenslotte komt er wel een aanval op het geloof en hen die geloven. Maar misschien dat de discussie die het boek oproept ook verheldering brengt.

Oscar verkeert in een heel andere situatie. Hij zit nog op school en verveelt zich eigenlijk een beetje. Vandaar ook die vlieg als metafoor. Door zijn kennismaking met het Molukse gezin wordt zijn wereld compleet op zijn kop gezet. Hij komt in aanraking met de liefde, een enorm cultuurverschil, het verdriet en de woede van de Molukkers en voelt zich zo betrokken dat hij obsessief alles wil weten van de historische achtergrond van deze groep ontheemden. Verhelderend is het betoog over de geschiedenis van deze misleide mensen en de maatschappelijke gevolgen hiervan. Met ontroerende pen beschrijft de auteur over beloftes die de Nederlandse regering deed en nooit nakwam. Het boek speelt zich af in de jaren tachtig, de acties van de Molukkers liggen dan nog vers in het collectief geheugen.

De verhaallijnen van Oscar en Louise worden losjes om en om verteld, telkens vanuit hun perspectief. Het boek bestaat uit drie delen met een bijzonder aantal hoofdstukken, 8-4-8. Zou de auteur hiermee een bepaalde bedoeling hebben? Even gedacht aan een Bijbeltekst, maar dat biedt geen duidelijkheid. Het boek heeft als titel Pastorale, deze benaming doet denken aan landelijk, herderlijk. Herder associeert weer makkelijk naar De Heer is mijn Herder. Daarmee is de titel met zorg gekozen en kun je als lezer mijmeren over de verschillende betekenissen en uiteindelijk concluderen welke er het beste past of misschien hangt het van de passage af. De prachtige schrijfstijl en de bijzondere verhaallijnen zorgen voor een erg mooi evenwichtig boek dat vragen oproept en de blik op geloof en gelovigen doet veranderen.

De auteur

Stephan Enter debuteerde in 1999 met de verhalenbundel Winterhanden, die lovend werd ontvangen en genomineerd werd voor de Libris Literatuurprijs 2000. In april 2004 verscheen zijn eerste roman, Lichtjaren, die eveneens een Librisnominatie in de wacht sleepte. Beide boeken werden ook genomineerd voor de Gerard Walschapprijs. Eind april 2007 verscheen Enters tweede roman Spel.

Enters derde roman, Grip (2011), werd bejubeld in de media, was genomineerd voor de Librisprijs, voor de AKO Literatuurprijs en won de Gouden Boekenuil Lezersjuryprijs. Het boek is tevens bekroond met de F. Bordewijk-prijs. In 2012 is de C.C.S.Croneprijs, de tweejaarlijkse oeuvreprijs van de stad Utrecht, aan Stephan Enter toegekend.
In 2015 verscheen de roman Compassie, eveneens goed ontvangen:
‘Enter heeft er, ook dankzij zijn nooit falende, indringende stijl, een klein meesterwerk van gemaakt met een bespiegelend slot dat van grote schoonheid is.’ – NRC
‘een wanhopig mooi boek’ – De Groene Amsterdammer

Titel: Pastorale
Auteur: Stephan Enter
Uitgever: Uitgeverij Van Oorschot
ISBN: 9789028293304
Pag.: 288
Genre: fictie
Verschenen: december 2019

vrijdag 10 januari 2020

Charles-Ferdinand Ramuz - De grote angst in de bergen

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Van Oorschot
Schwob



Een raadselachtig spookverhaal

Al een twintigtal jaren ligt, hoog in de Zwitserse bergen, de weelderige alpenweide Sasseneire ongebruikt te verpieteren. Eigenlijk weet niemand precies wat zich daar toen heeft afgespeeld en de angst voor het onbekende houdt de dorpsbewoners daar weg. Wat ze wél weten is dat er destijds van de groep herders maar één heelhuids het dorp heeft weten te bereiken, terwijl de anderen daarboven de dood hebben gevonden, evenals de koeien die een geheimzinnige ziekte onder de leden kregen.
Wanneer tijdens een urenlange dorpsvergadering wordt aangegeven dat er een stuk grasland voor zeventig koeien wordt gezocht, komt de voorzitter met een plausibele oplossing; de koeien kunnen naar Sasseneire geleid worden. De jongere generatie ziet er wel een been in, maar, zoals te verwachten valt, stuit deze mededeling op veel weerstand onder de oudere aanwezigen; zij hebben hun angsten immers nog vers in het geheugen en vrezen met deze onheilspellende actie hun leven op het spel te zetten.

Zo begint de novelle van de Franstalige Zwitser Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947), een auteur die buiten zijn eigen land niet zoveel bekendheid genereerde.
In het uitgebreide nawoord van de vertaler wordt meer achtergrond over de auteur gegeven.
Voor de Eerste Wereldoorlog woonde hij in Parijs, waar binnen de elitaire literaire schrijvers weinig bewondering was voor de bijzondere schrijfstijl en het ongebruikelijke Frans waarin Ramuz schreef. Zoals dat bij 'nieuwigheden' gaat heeft hij bewonderaars en collega's die zijn stijl verguizen. Er werd destijds een bundel essays uitgegeven met de titel Pour ou contre C.F. Ramuz. Deze diende hen echter van repliek en weerlegde de kritiek door zijn geheel eigen schrijfstijl te benoemen als 'openluchtfrans'.

Ondertussen in het dorp wordt er onder de bewoners gestemd en besloten toch de alm in gebruik te nemen, waarop een groep van zeven herders de runderen, feestelijk versierd met bloemen, de lange weg de bergen in leidt. Daar aangekomen wordt er uitbundig gefeest, de berghut wordt opgeknapt en in gebruik genomen. Alles lijkt dik in orde te zijn en de koeien grazen tevreden rond.

In het lagergelegen dorp gaat alles verder zoals het altijd al ging en niemand heeft enig idee welke taferelen er zich daarboven afspelen, totdat de verloofde van een van de herders ongerust wordt en op pad gaat, om zich bij hem te voegen. De beesten raken stuk voor stuk besmet met een ondefinieerbare ziekte en bezwijken eraan, 'zoals bij de plagen van Egypte in de Bijbel'. Een van de mannen heeft een geheimzinnig papier bij zich; een beschreven vel, dat in een wijwatervat is gehouden. In een bundeltje op het lichaam gedragen, zou het bescherming moeten geven. Bescherming tegen wat... onheil?

'Onder hem, tussen de bomen, leek het alsof alle sterren die niet meer aan de hemel stonden naar beneden waren gegleden. Hij zag ze tussen zijn knieën, die hij niet zag. Hij ziet ze tussen zijn knieën, in de richting van zijn voeten, die hij niet kon zien; en buiten die sterren was er vóór ons geen hemel of aarde meer, niet boven en niet onder: niets dan de grote, donkere, mateloze en onmetelijke massa van de nacht, waarin Joseph nog een keer de lichtjes van het dorp ziet glinsteren; dan wordt hij als het ware door zijn schouders voorwaarts geduwd, want hij begint weer bergop te gaan.'

Dat zijn 'openluchtfrans' een bijzondere schrijfstijl is, wordt al snel duidelijk in deze novelle. Het meest bijzondere zijn de vele opsommingen, gefragmenteerde zinnen en herhalingen, die iets van regelmatigheid geven en situaties en emoties benadrukken.

'Maar er waren daar geen kinderen, geen vrouwen, geen mannen, er was daar geen geluid van stemmen, geen geluid van zagen of zeisen, geen gekakel van kippen, geen spijkers die worden ingehamerd, geen planken die worden geschaafd; en als Joseph om zich heen keek, stootte hij met zijn ogen alleen maar op stenen, altijd weer op stenen, op niets dan stenen; en altijd weer op niemand, op niets wat bewoog en niets wat zich liet horen. Niets dan stenen, met wat gras hier en daar, een paar struiken, de hoge stelen van gentianen; niets dan stenen en water, water als een slang die kronkelt; het verschijnt, het verdwijnt, verschijnt opnieuw.'

Perspectiefwisselingen volgen elkaar hier en daar razendsnel op, soms verschuift het zelfs in één zin. In de literatuur is dat eigenlijk not done, maar Ramuz maakt zijn teksten hiermee geheimzinnig, waardoor hij appèl doet op de concentratie van de lezer. Als er vanuit de auteur wordt verteld, kan de tekst zomaar veranderen in de jij-vorm.
De gebeurtenissen worden niet uitgekauwd, maar laten het vaak aan de lezer om te bedenken wat er nu echt gebeurt. Het gebruik van personificatie geeft een speciale twist aan de tekst, zoals de voortdurende gehoest van de dodelijke gletsjer.

'Ze passeren een kleine samenscholing van hooischuren die je zien aankomen, die je zwijgend zien aankomen, waarna ze zich dicht tegen elkaar aan drukken alsof ze elkaar iets willen toefluisteren.'

Glorieus zijn de beschrijvingen van omgeving en natuur, waarbij de auteur speelt met het intens zintuiglijke en met wat kleur heeft en van tint verandert. De filmische beschrijvingen zijn soms gedetailleerd, maar dan weer zijn ze juist beknopt gehouden.

Hoedje af voor Rokus Hofstede voor de sublieme vertaling - het lijkt me geen sinecure -, waar de zeer eigen Ramuz-schrijfstijl zo mooi behouden is gebleven.

Een mysterieus rijk juweeltje dat geheel terecht is opgenomen in de Schwob-lenteactie van 2019.

Titel: De grote angst in de bergen
Auteur: Charles-Ferdinand Ramuz
Vertaling: Rokus Hofstede
Pagina's: 200
ISBN: 9789028290150
Uitgeverij Van Oorschot
Verschenen: maart 2019

donderdag 9 januari 2020

Leonid Andrejev - De zeven gehangenen

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Thomas Rap
Schwob



In het aangezicht van de dood

De Russische Leonid Andrejev, geboren in 1871 en, na veel omzwervingen, overleden door suïcide in Finland in 1919, was een expressionistisch auteur. Hij schreef toneelstukken en korte verhalen. De zeven gehangenen kwam uit in 1908 en verscheen in 1909 in een Nederlandse krant als feuilleton, zoals toentertijd gebruikelijk was.
Honderd jaar na zijn dood is de novelle hertaald door Jan Robert Braat en opnieuw uitgegeven door Uitgeverij Thomas Rap. Het is tevens opgenomen in de Schwob-herfstactie van 2019.  

Het expressionisme in de eerste decennia van de twintigste eeuw uitte zich in de literatuur door het schrijven over het innerlijke en emotionele van de mens, zoals: gevoelens van angst, isolatie, hulpeloosheid en de dood. Deze kenmerken, samen met realisme en enige kenmerken uit het dadaïsme, zoals maatschappijkritiek, zijn duidelijk van toepassing op de thematiek in Andrejevs werk De zeven gehangenen.

Het eerste hoofdstuk zet een minister in het tsaristische Rusland centraal, over zijn naam of zijn politieke verantwoordelijkheden blijft de lezer in het ongewisse. Van het hoofd van zijn lijfwachten krijgt hij het alarmerende bericht dat er 'om één uur 's middags' een aanslag op zijn leven is beraamd door een groepje terroristische bommengooiers en hij krijgt het advies om met zijn gezin elders onder te duiken. Het zijn echter niet de bommen die hem zullen vellen, maar zijn angsten en nervositeit die zijn slechte gezondheid ondermijnen.

Vijf terroristen - drie mannen, twee vrouwen - worden opgepakt, voorgeleid en veroordeeld tot de doodstraf, die voltrokken zal worden door ophanging. Deze veroordeling horen ze ernstig, maar kalm en gelaten aan - met duidelijke minachting voor de arm der wet -, hoewel ze niet allemaal gevrijwaard zijn van doodsangst. In ongeveer hetzelfde tijdsbestek krijgen een naïeve, ongeletterde gelegenheidsmoordenaar en een zelfingenomen beroepsmoordenaar/-dief ook de doodstraf door ophanging opgelegd.

'In de vesting waar de terroristen gevangenzaten, bevond zich een klokkentoren met een oude klok. Elk uur, elk halfuur, elk kwartier sloeg de klok iets slepends en droevigs dat traag wegsmolt in de hoogte, als een klaaglijke roep van trekvogels. [...] Dan kwam het weer, bedroog het oor, klonk zacht en klaaglijk, brak af en klonk opnieuw. De uren en minuten vielen als grote, doorzichtige druppels van een onbekende hoogte in een zacht klinkende metalen schaal. Of vlogen voorbij als trekvogels.'

De laatste dagen van hun leven brengen alle gedetineerden door in afzondering, elk in een aparte en mistroostige cel. Slechts twee van hen krijgen de gelegenheid aangeboden om bezoek te ontvangen om afscheid van te nemen. Maar waar de een afscheid neemt van liefdevolle ouders, krijgt de ander slechts bezoek van een droeve moeder vol verwijten, 'zijn vader [...] had geen zin gehad'.

Alle zeven gedetineerden krijgen van Andrejev in de kleine hoofdstukken een podium en hij beschrijft hoe ze individueel omgaan met de vaste wetenschap dat hun leven snel zal eindigen. Ieder van hen vecht op zijn eigen manier een strijd met zichzelf uit, ieder overgeleverd aan eigen hersenspinsels: vergoelijken om als betekenisloos mens een mooie martelaarsdood tegemoet te mogen gaan in de vaste veronderstelling onsterfelijk te zijn, ongeloof, primair reagerend, schaamte, bezinning, angst voor dat wat gaat komen, serene rust en doodsangst, om uiteindelijk tot het besef te komen van het onomkeerbare lot. 
Inderdaad, ze wachten op dezelfde onvermijdelijke strop, maar beleven het op zeer individuele manier.

'Hij ging niet meer waarheen hij wilde, maar gebracht  waar anderen wilden. Hij koos niet zijn eigen plek, maar werd weggestopt in een stenen kooi, achter slot en grendel, als een ding. Hij kon zelf niet meer kiezen tussen leven en dood, zoals iedereen, maar werd onherroepelijk en onontkoombaar ter dood gebracht. In één ogenblik was hij, de belichaming van wilskracht, leven en sterkte, een droevig voorbeeld geworden van unieke machteloosheid, veranderd in een dier dat wacht op zijn slacht, een hol stemloos ding dat verplaatst, verbrand en gebroken kon worden.'

De novelle leest als een hedendaags verhaal en zou zo ook op kunnen gaan voor de hedendaagse gevangenen die in een dodencel wachten op... de dood. De wetenschap op welk moment je zult overlijden, is beklemmender dan de wetenschap dat je ooit zult overlijden. Of je nu een hoge functie bekleedt, of als misdadiger in de kerker zit.

Hoe paradoxaal het ook is, de invoelende, beeldende en poëtische, haast barokke manier van schrijven, voorzien van krachtige metaforen en antoniemen, staat haaks op de inhoud van de beklemmende en zwaarmoedige strekking van het verhaal. Het gebruik van herhalingen maakt de boodschap van de auteur nog sterker.

Het door Bert Natter geschreven nawoord geeft een fantastisch inkijkje in het leven, doen en laten van Andrejev.
Een briljant, adembenemend juweeltje van een klassieker!

Titel: De zeven gehangenen
Auteur: Leonid Andrejev
Vertaling: Jan Robert Braat
Pagina's: 127
ISBN: 9789400405073
Uitgeverij Thomas Rap
Verschenen: september 2019

dinsdag 7 januari 2020

Jens Christian Grøndahl - De storm

Recensie door Philipp van Ekeren
Uitgeverij J.M. Meulenhoff


Daarna antwoordde de Heere Job uit een storm en zei:
    Wie is hij die Mijn raad duister maakt
    met woorden zonder kennis?
    Omgord nu als een man uw heupen
    dan zal Ik u ondervragen. Maak Mij eens bekend:
-Job 38.1


De onbedwingbare storm in Adam's leven

Er zijn van die schrijvers die je binnen enkele pagina's volledig in hun ban hebben. Jens Christian Grøndahl is daar één van. Met zijn laatste boek De Storm is hij er weer in geslaagd om mij helemaal te betrekken bij de hoofdpersoon Adam Huus, een oudere schrijver met een writer's block, in een korte maar enerverende periode van zijn leven. De hoofdpersoon is een denker, een in zichzelf gekeerde man op leeftijd. Geen hoogvlieger, iemand die niet veel meer heeft bij te dragen.

Een keur van verschillende vrouwen in zijn directe omgeving bepalen zijn leven. Allereerst zijn tweede vrouw Harriët, een doortastende carrièrevrouw, en zeker in deze periode zijn steun en toeverlaat. Als tweede zijn ex-vrouw Ruth, een joodse hippie met wie hij op jeugdige leeftijd het huwelijk in is gerold. Clare is zijn moderne schoondochter die in al haar, vaak feministische, denkbeelden tegengesteld is aan hem. Dan komt te pas en te onpas zijn verslaafde dochter Rebecca voorbij die volledig stuurloos door het leven schiet. En als klap op de vuurpijl de collega-schrijver van dezelfde uitgeverij, de sensuele Gudrun, die geen man onberoerd laat.

Een prominente rol is weggelegd voor zijn - voormalige - erudiete redacteur Eskild die in vele opzichten zijn tegenpool is. Meer in de tweede ring komen zijn schoonvader en zoon langs.

In de korte tijdspanne, gedurende een storm die Denemarken teistert, worden Adam en Harriët geconfronteerd met veel problemen. Hun eigen storm. Adam probeert zo goed en zo kwaad alles in goede banen te leiden terwijl zijn vrouw bij haar demente vader verblijft om hem te helpen. En dat lukt hem niet. Zonder dat hij zich er van bewust is, wordt hij betrokken in een heftige #metoo-affaire aan het eind van het verhaal. Het is een strijd tussen denken en handelen. Dilemma's over dementie, ouderschap, ouderdom, feminisme, verleiding en vooral wat niet gezegd wordt; tussen elkaar. "Wie is het die door onzinnig gepraat mijn besluiten onbegrijpelijk probeert te maken?" staat niet voor niets op de titelpagina. Er zitten heel veel lagen in zijn roman. En het zet je zeker aan het denken.

Grøndahl schrijft helder en pakkend. De roman is doorspekt met prachtige zinnen. Neem nou de beantwoordde liefde van zijn tweede vrouw Harriët:

"Mijn verlangen naar haar was de brandstof die mij losscheurde uit de zwaartekracht van mijn oude leven en zij ontving mij zonder enige aarzeling."

Duidelijk dat de schrijver beter kan schrijven dan communiceren. Eén zin over zijn schoondochter is genoeg om haar feilloos neer te zetten. Kijk, dat is nou genieten:

"Mijn schoondochter was van top tot teen de getrimde, op maat gemaakte perfectie en als ik in haar buurt was, kreeg ik altijd het gevoel dat ik over de uiterste verkoopdatum was."

De hele onrustige familiedynamiek deed me in de verte denken aan De Correcties van Jonathan Franzen. Een roman waarbij de gebrekkige communicatie en het geen aansluiting vinden binnen een familie, ook centraal staat. 


De storm is geschreven vanuit de eerste persoon en daardoor neemt de hoofdpersoon je mee in zijn denkproces, weloverwogen handelen en zijn twijfel. En hij laat duidelijk zien dat niet alles zwart/wit is. Bijvoorbeeld over schuldig en verantwoordelijk voelen. Wat betreft zijn eigen opvoeding van zijn dochter en de relatie met zijn ex-echtgenote. Maar ook zijn kritische vragen aan zijn schoondochter, wat betreft de opvoeding van kinderen, in deze tijd. Het ontbreekt hem duidelijk aan ambitie, in schril contrast met zijn vrouw die op het toppunt van haar carrière kiest om haar demente vader te gaan verzorgen. En een interessante uitwisseling van inzicht met zijn redacteur over de fijne grens tussen verleiden en ongewenste intimiteiten. En vooral de consequenties.

Ik kan iedereen deze prachtige roman aanraden. Alleen al om de storm in deze familie mee te maken. Neen, te voelen, te ondergaan.

Auteur

Jens Christian Grøndahl, (Lyngby, 9 november 1959) is een Deens schrijver. Zijn werk werd in binnen- en buitenland genomineerd voor, en bekroond met verschillende literaire prijzen. Zo ontving hij onder meer De Gyldne Laurbær voor zijn roman Lucca (in 1999) en stond hij met zijn boek An altered light in 2006 op de shortlist voor de International IMPAC Dublin Literary Award.

Grøndahl studeerde filosofie van 1977 tot 1979. Zijn eerste boek, het realistisch geschreven Kvinden i midten, verscheen in 1985. Daarna volgden met regelmatige intervallen een vijftiental andere romans. Hij schreef daarnaast echter ook essays, toneelstukken en teksten voor de radio. Liefde, en de relaties van moderne koppels, vormen de leidende thema's in zijn werk.

Titel: De storm
Auteur: Jens Christian Grøndahl
Vertaling: Femke Muller
Pagina's: 236
ISBN: 9789029093484
Uitgeverij J.M. Meulenhoff
Verschenen: oktober 2019

dinsdag 31 december 2019

Meta Gemert - Terug naar Mokum. Herinneringen van Henk en Wim Gemert 1896-1926

Recensie door Marjon Nooij
Uitgeverij Van Maaskant Haun


'I am he as you are he as you are me and we are all together'
-Uit: 'I am the Walrus' (Magical Mystery Tour), John Lennon, 1967

Heimwee overwint

Met Terug naar Mokum heeft Meta Gemert (Leiden, 1951) - historicus, auteur en uitgever bij Uitgeverij Van Maaskant Haun - een bijzonder fascinerend stuk familiegeschiedenis tot leven gebracht.

Al jong wist Gemert dat de broers Henk (1896-1979) en Wim Gemert (1904-1977, haar vader) bezig waren met het schrijven van hun memoires, maar pas lange tijd na het overlijden van de broers werd haar interesse gewekt en las ze het nagelaten manuscript, met als titel Tempo Doeloe*.
Zo'n 170 A4-tjes getuigen van hun turbulente levens en Gemert had een behoorlijke kluif aan het lezen ervan, omdat het niet altijd coherent geschreven bleek. Maar na herlezing van het pak papier kwam het idee bovendrijven om het te bewerken tot het boek dat ik met zoveel plezier heb gelezen.

Daar Henk zijn hele leven heeft beschreven en Wim op zijn zesentwintigste was gestopt met schrijven, beslaat Terug naar Mokum de periode van pakweg 1896 tot 1920. De uiteindelijke vorm van het boek is niet chronologisch, maar circulair, zodat het verhaal eindigt waar het is begonnen. De slang bijt zich in de staart en puzzelstukjes vallen naadloos op hun plaats.

De grote charme van dit boek is de klare taal die functioneel wordt gebruikt. Je hoort de jonge mannen daardoor hun verhaal vertellen, verhalen die je doen lachen om de strapatsen die ze uit hebben gehaald. Maar ook verhalen die een glimlach ontlokken, omdat het jongens waren die hun warme hart op de juiste plaats droegen.

Wanneer Wim in 1920 zestien jaar oud is, is het zeven jaar geleden dat het vaderloze gezin vanuit Amsterdam is verhuisd naar Drenthe, waar zijn moeder een pension in Frederiksoord bestiert en met strikte hand de kostgangers in het gareel houdt. De verhuizing van het stadsjongetje naar het platteland zorgt voor bittere herinneringen. Hij had er een moeilijke start.

'(Naar school) was een wandeling van twintig minuten. Op de eerste schooldag liep na vijf minuten al de hele school achter hem aan. Ze jouwden hem uit [...] Voordat hij bij school aankwam, was hij door de menigte als boksbal gebruikt. [...] Achteraf was het een beetje dom geweest van moeder om hem zulke stadse kleding aan te trekken. [...] De lokale jongens droegen manchesterbroeken tot ver over de knie, een boerenkiel, zwarte gebreide kousen en klompen en ze hadden een boerenpetje op hun hoofd.'

Als na een ziekbed van drie jaar zijn oudere broer Gerard overlijdt - Wim heeft gedurende die periode een groot deel van de zorg over moeten nemen - laat zijn dood een groot gat achter en besluit Wim naar Amsterdam terug te gaan om daar werk te zoeken. Tijdelijk trekt hij in bij zijn oudere zus Martha en hoewel het vinden van werk zo snel na het einde van de Eerste Wereldoorlog lastig blijkt, mag hij examen doen bij de marine, wordt daar aangenomen als leerling-monteur en, inmiddels zeventien jaar oud, tekent hij voor twaalf jaar en treedt in de voetsporen van zijn overleden vader. In november 1925 vaart Wim voor de eerste keer het zeegat uit, maakt snel promotie en vele reizen zullen volgen.

Voor zijn broer Henk wil het vinden van werk niet zo vlotten. Bij de marine is hij eerder afgekeurd, maar ook zijn eigen wangedrag in eerdere werkkringen heeft zijn sporen nagelaten. Hij besluit om zijn geluk te beproeven bij de koopvaardij. Deze bedrijfstak heeft flinke klappen opgelopen door de oorlog, waardoor er weinig vacatures zijn, maar wanneer hij het geluk aan zijn kant heeft en een baan vindt, ontpopt Henk zich tot een gedisciplineerde en harde werker. Met de SS Vondel vaart hij in 1911 - het jaar dat zijn vader overlijdt - het ruime sop tegemoet, op weg naar Indië. Hij heeft het hart op de juiste plaats, maar het blijft een baldadige knul die velen het hoofd laat schudden.

'Moeder was (vroeger tt) af en toe ten einde raad, want ondanks alle disciplinaire maatregelen was dit joch niet in het gareel te houden.
Hij had een prachtig pak gekregen en nieuwe schoenen. De eerste zondag ging hij er parmantig mee de straat op. Maar o, de aantrekkingskracht van het water. Aan de Van Lennepkade lagen altijd tjalken waar je zo makkelijk op en af kon springen. [...] Hij wipte van de ene boot op de andere en terug. Plotseling struikelde hij over een losgeraakte veter en dook voorover de plomp in. Alleen zijn voeten staken nog boven het water uit.'

Ook voor Henk volgen er vele reizen over de zeeën van de aardkloot. Het zijn turbulente tijden. De eerste keer dat hij de evenaar passeert, krijgt hij een behoorlijk heftige ontgroening met blijvende gevolgen. Onderweg loopt hij malaria op en hij ontduikt de plicht om het leger in te gaan. Bij wijze van detentie mag hij voor zes jaar tekenen bij de marine.

Het ongeluk van Gerard, die halsstarrig blijft weigeren om naar de dokter te gaan, met uiteindelijk als gevolg dat hij drie jaar lang op bed verpleegd moet worden en ten langen leste sterft, drukt een grote stempel op het gezin en aan het avontuur op het Drentse platteland komt een einde. De heimwee overwint.

Een grote buiging voor Meta Gemert die van een dikke bundel aantekeningen dit boeiende en beeldende boek heeft geschreven. De tijd waarin de gebeurtenissen zich afspelen en de mores die destijds gebruikelijk was, zijn magnifiek beschreven en daardoor een heel aangename leesbeleving. Van toegevoegde waarde zijn de vele foto's die in het boek zijn opgenomen.

Een kostelijke literaire bewerking van de memoires van twee broers die zoveel hebben beleefd en zoveel prachtige verhalen hebben vastgelegd. Meeslepende verhalen die de lezer bij de hand nemen terug in de tijd, naar Nederlands Indië, Amerika, Afrika en.... Mokum aan het begin van de twintigste eeuw.

*Tempo Doeloe; Maleis voor 'de oude tijd'

Titel: Terug naar Mokum
Ondertitel: Herinneringen van Henk en Wim Gemert 1896-1926
Auteur: Meta Gemert
Pagina's: 240
Illustraties: Zwart-wit foto's
ISBN: 9789081786102
Uitgeverij Van Maaskant Haun
Verschenen: november 2011