woensdag 4 maart 2020

Frans Coenen – Onpersoonlijke Herinneringen


Recensie door Cies
Uitgever: L.J. Veen




Conformisme tot de dood er op volgt

Het is alsof Frans Coenen (1866-1936) zijn einde voelde naderen toen hij begon aan Onpersoonlijke Herinneringen. Het werk werd eerst in vijf delen gepubliceerd in het literaire tijdschrift Groot-Nederland. In 1936, kort na zijn dood is Oorspronkelijke Herinneringen in boekvorm gepubliceerd. Nog één keer rechtte Coenen zijn rug om ons, zijn lezers, een boodschap mee te geven. Niet dat Onpersoonlijke Herinneringen een zwaar moralistische roman is, maar Coenen neemt wel degelijk afstand van het conformeren aan wat ‘men’ gepast gedrag vindt.

Onpersoonlijke Herinneringen is zijn eerste fictie sinds Burgermensen in 1905. In de tussenliggende jaren schreef hij essays, recensies en literaire kronieken. Hij groeide uit tot een van de voornaamste critici in Nederland. Zijn vroege romans zijn naturalistisch met een stevige scheut Tachtigers sensitiviteit en worden gekenmerkt door uitzichtloosheid en verveling. In zijn kritisch proza is hij een scherp observator die met een milde ironie (soms bot sarcasme) kijkt naar politiek-maatschappelijke ideologieën en literaire theorieën. In Onpersoonlijke Herinneringen komen deze twee kanten van de auteur op evenwichtige wijze samen. Hierdoor is dit boek voor een hedendaagse lezer, die (nog) niet gewend is om naturalistische romans te lezen, een goede introductie in het oeuvre van Coenen.

De (auto-)biografische roman begint met een vertellende ‘ik’ die voor het eerst op de Amsterdamse Herengracht door het (voormalige) huis van de familie Diefenbach – Le Roy. De laatste bewoonster, Louise, is onlangs overleden en heeft het huis aan de gemeente Amsterdam geschonken om als museum ingericht te worden. De verteller is Frans Coenen die in 1895 wordt aangesteld als conservator-directeur van het dan net gestichte museum Willet-Holthuysen. De weduwe S.L.G. Willet-Holshuysen heeft de zeventiende-eeuwse patriciërswoning in legaat aan de gemeente Amsterdam overgedragen.

Het huis stinkt naar kattenpis en het is er een rommeltje. In die rommel doet testamentair executeur de heer Bekking zijn werk.

Deze van huis uit zo infatsoenlijke en correcte Amsterdamse burger…leek wel een volkomen misverstand en een ellendig toeval”.

Er volgen nog veel van dergelijke rake typeringen van Coenens hand in Onpersoonlijke Herinneringen. Tegen het einde van de rondgang door het huis neemt ‘ik’ de reisdagboeken van de heer Diefenbach, de vader van Louise, ter hand. Deze reisdagboeken zijn gespeend van enig persoonlijk gevoel. Dat kan ook niet anders, want de heer Diefenbach doet precies wat ‘men’ van hem verwacht wanneer hij met vrouw en dochter door Europa reist. Op die enkele momenten dat Diefenbach bij zichzelf iets van een eigen persoonlijkheid dreigt te ervaren kan hij er nauwelijks mee om gaan.

Wanneer Louise er als tienermeisje achter komt dat zij “niet geheel een meisje” is en ze zich toch conformeert aan ‘het meisje’ zijn, is dat niet eens tegen wil en dank of tegen beter weten in. ‘Men’, inclusief Louise, doet niet anders, kan niet anders, dan conformeren aan wat er door ‘men’ verwacht wordt. Dus trouwt Louise op 34-jarige leeftijd met de verlopen bon vivant Abraham Le Roy. Hierdoor voorkomt ze dat ‘men’ gaat vermoeden dat er iets mis is met haar en hij krijgt toegang tot haar geld om zijn hobby’s en drankgelagen te financieren. Niet dat een van tweeën door dit arrangement ook maar iets van levensgeluk gaat ervaren. Daar zijn ze alle twee niet (meer) toe in staat.

Na het overlijden van haar echtgenoot trekt Louise zich steeds verder terug in haar kamers in de woning op de Herengracht omringt door haar katten die zij en een oude huishoudster niet meer goed kunnen verzorgen. Waar Louise nog wel voor zorgt is haar testament, waarin is opgenomen dat de woning als museum aan de gemeente Amsterdam wordt geschonken. Het is deze woning die ‘ik’ een paar maanden na het overlijden van Louise binnen stapt.

Titel: Onpersoonlijke Herinneringen
Auteur: Frans Coenen
Uitgever: LJ Veen Amstel Klassiek
ISBN:9789020452877
Pag.:124
Genre: fictie
Verschenen: deze editie 1983, oorspronkelijk 1936

dinsdag 3 maart 2020

Eva Vriend - Eens ging de zee hier tekeer

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact



Het hart van Nederland


Het hart van Nederland bestaat uit water. Dat is de werkelijkheid, fysiek, sociaal en economisch. Waternatie. Watervolk. Flevomeer. Zuiderzee. IJsselmeer. Marken. Urk. Wieringermeerpolder. Noordoostpolder. Flevoland. Markerwaard. Schokland. Volendam. Bunschoten-Spakenburg.
Daar gaat dit boek van Eva Vriend over. Over dat water in het midden van Nederland en het volk dat dat water bevaart, bevist, bevolkt, betreedt als het ware.

Voorin twee duidelijke aardrijkskundige kaarten van de Zuiderzee rond 1900 en het IJsselmeer anno 2019. In ruim honderd jaar is dat landschap totaal veranderd. Door mensenhanden aangepast en opnieuw geschapen. Jullie kennen het grapje? God schiep de wereld en de Nederlanders schiepen Nederland.

Het gebied van de Zuiderzee - in de tijd van de Romeinen heette het Flevomeer - dus afgesloten van de Waddenzee, en de Waddenzee is zelfs voor moderne menselijke begrippen altijd een zeer dynamisch gebied geweest, waarin water en land met elkaar een eeuwig gevecht voerden. Deze strijd is overigens met de aanleg van de Afsluitdijk, in 1932, nog steeds niet van de baan. Kijk maar naar de afslag en aangroei van land bij en aan de Waddeneilanden.

Eva Vriend heeft haar onderzoek gebaseerd op archiefstukken en vooral op interviews met mensen uit Urk, Volendam, Spakenburg en Wieringen. Hun stambomen zijn voorin het boek afgedrukt. Thematisch en chronologisch schrijft Vriend haar bevinden op. Drie delen maken die geschiedenis wat overzichtelijker: Oude zee. Nieuw leven. Zonder meer (en dat is een grappige woordspeling).

‘Het Zuiderzeeproject is het meest indrukwekkende planologische project dat Nederland tot nu toe heeft gerealiseerd. De 32 kilometer lange Afsluitdijk transformeerde de Zuiderzee enerzijds in het strakke Flevoland, de grootste polder van de wereld, en anderzijds in het stille IJsselmeer, het grootste zoetwatermeer van West-Europa.’ (2020, 8): het is maar dat u het weet! Waar een klein land groot in kan zijn!

Alle levensgebieden van het oude, het nieuwe en voormalige vissersvolk komen aan de orde. Natuurlijk staan het vissen, de vissersschepen en het vissersleven centraal. De economie speelt een rol, het bestuur in de gedaante van de overheid en alle regels en bureaucratische rompslomp, de sociale verbanden, wel en geen ‘Zuiderzeemigratie’, ‘IJsselmeervluchtelingen’, het verschil tussen de verschillende gebieden die Vriend voor haar onderzoek heeft uitgekozen. Het verschil in godsdienst en de betekenis daarvan. Maar ook zaken die niet direct in ons geheugen liggen zoals fysische antropologie met schedelmetingen en iets dat aanschurkte tegen eugenetica: de Zuiderzeevissers zouden een ‘oerras’ vormen; een uitvloeisel van de sociale evolutieleer uit de negentiende eeuw.
Vissers zijn wel en geen andere Nederlanders. Hun ondernemerszin en vrijheidsdrang worden geroemd. Nog steeds zijn Nederlandse vissers, nu vanzelfsprekend meer op de Noordzee dan op het verkleinde en verpolderde IJsselmeer.

Een niet te onderschatten onderneming is natuurlijk de afsluiting van de Zuiderzee door de aanleg van de Afsluitdijk. Deels werd zij opgeroepen door gevaarlijk weer en waterrampen op die binnenzee, deels door behoefte aan nieuw land. Nederland veranderde van vissersnatie in een land van dijkenbouwers, waterbouwkundigen en ‘landveroveraars’ (mijn term, rdv): watermanagement dus kortweg. Conservatieve krachten hingen meer aan de Zuiderzee en de rijke visvangst; anderen, modernisten, roemden de moderne strijd tegen het water. Joris Ivens maakte er een film over, Nieuwe Gronden. ’Nederland maakte nieuw land uit water’ (ib.: 56). De nostalgische volkszanger Louis Davids trok zich het lot aan van de arme Zuiderzee en haar kustbewoners. Om maar een paar voorbeelden te noemen. Natuurlijk gooide de Duitse bezetting behoorlijk wat roet in het eten van de inpoldering en de grootschalige plannen. 
De Nederlandse overheid heeft in haar plannen en de uitvoering daarvan niet altijd een prettige rol gespeeld. Ik ben daar overigens niet verbaasd over.

In de loop van de tijden hielden veel vissers vaak vast aan hun beroep; soms betekende dat een aantal van hen emigreerden binnen Nederland. Zo verhuisden, vaak tijdelijk, een aantal Urkers naar Breskens om er op de Noordzee te kunnen vissen. Maar niet iedere visserszoon voelde evenveel voor het vak. Sommigen werden boer, anderen vonden emplooi in de opgerichte industrie, die er mondjesmaat kwam in de loop van de twintigste eeuw omdat de visserij niet voor allen genoeg brood op de plank bracht.

‘De kustbewoners van de Zuiderzee voelden zich innig verbonden met hun woonplaats toen de Nederlandse overheid hen met het Zuiderzeeproject voor een monsterklus stelde: zichzelf opnieuw uitvinden. Door de ligging aan het water en de grote invloed die de visserij vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw op het welbevinden van alle bewoners verwierf, hadden ze die sterkte band opgebouwd.’ (ib.: 346)

Het is een zeer rijk gedocumenteerd boek, deze studie van Vriend, met foto’s en ook een bronnenvermelding achterin. Het is geen sinecure een samenhangend verhaal te maken uit een groot aantal en uit zoveel verschillende bronnen. De stambomen voorin heb je ook echt wel nodig, want vaak raakte ik toch wel verstrikt in de namen van de mensen die hier genoemd worden en wier levens beschreven worden. De namen kunnen erg verwarrend zijn omdat de kinderen vernoemd werden naar hun grootouders en andere familieleden. Iedere genealoog weet dat je daar erg mee moet uitkijken. In tamelijk besloten gemeenschappen als Volendam en Urk zijn heel veel mensen ook nog familie van elkaar.
De thematische aanpak zorgt voor veel afwisseling, maar soms had ik wel behoefte aan een wat langer verhaal, bijvoorbeeld over de sociaal-economische ontwikkelingen op langere termijn, of van een bepaalde vissersfamilie. Maar een kniesoor die daar op let.
Goed boek, goed gedocumenteerd, zeker niet overbodig, en ‘oer-Nederlands’.

Auteur

Eva Vriend (Emmeloord, 1973) is een Nederlands journalist en historicus uit Emmeloord.
Ze groeide als boerendochter op in Luttelgeest in de Noordoostpolder. Na haar middelbare school studeerde zij aan de Universiteit van Groningen en de universiteit in Rouen. Naast haar werk als schrijfster doceert zij aan de School voor Journalistiek Hogeschool Windesheim in Zwolle. Daarnaast werkt ze mee aan programma's van Omroep Flevoland.

In 2013 debuteerde Eva Vriend met Het nieuwe land, over de ontstaansgeschiedenis van Flevoland. Zij beschrijft dit aan de hand van haar eigen familiegeschiedenis. Haar grootvader kreeg als pionier in de nieuwe polder in 1952 een bedrijf toegewezen. In het boek wordt aandacht besteed aan het selecteren van geschikte landbouwers die het nieuwe land zouden gaan ontginnen. Maar ook teleurgestelde landarbeiders die werden afgewezen komen aan bod. Het boek vormde het uitgangspunt voor het programma Superboeren van Andere tijden dat op 13 januari 2013 werd uitgezonden door de NPO.

In 2016 verscheen haar tweede boek De Helpende Hand. Het boek beschrijft de ontwikkeling vanaf de begindagen van de Nederlandse verzorgingsstaat in de jaren vijftig. Het beschrijft de ontwikkeling van de gezinsverzorgsters van het begin in de jaren vijftig naar de thuiszorgvoorziening van de participatiewet in deze eeuw. Het boek is deels autobiografisch. Het gezin waarin Eva opgroeide kreeg tien jaar lang gezinszorg van de staat toen de moeder overleed. Vriend kreeg voor het boek een debutantenbeurs van het Nederlands Letterenfonds. De Helpende Hand stond 16 januari 2016 centraal in het televisieprogramma Andere Tijden van de NPO.

Titel: Eens ging de zee hier tekeer
Auteur: Eva Vriend
Pagina's: 368
ISBN: 9789045036311
Uitgever: Atlas-Contact
Verschenen: februari 2020

zondag 1 maart 2020

Kurt Tucholsky – Hierna….zaten we op een wolk


Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Van Maaskant Haun



Vanaf je wolk nadenken over het mens-zijn, met gepaste humor


Stel je voor dat je vanaf een wolk commentaar mag leveren op wat geweest is in je bestaan als levende aardbewoner en dat je met schaamrood op de kaken beseft dat alles wat je deed bijgehouden werd door een bovenaardse boekhouder. Wat voor een gevoel zou het geven wanneer je leest dat je 393 keer de sleutel gezocht hebt en 11876 sigaretten gerookt hebt? En hoe zou het voelen wanneer je dit allemaal mag bespreken met een vriend waarmee jullie op een wolk zitten terwijl de benen vrij kunnen bungelen? In dialogen en beschouwingen deelt Kurt Tucholsky zijn zielenroerselen met ons. De bundel bestaat uit een aantal columns die de auteur schreef onder pseudoniem Kaspar Hauser voor Die Weltbühne tussen 1925 en 1928. 

Tucholsky was een van de belangrijkste publicisten van de Weimarrepubliek, zo is te lezen in het voorwoord. Hij maakte veel gebruik van schuilnamen omdat hij dacht dat men moe zou worden zijn werkelijke naam steeds weer tegen te komen. Opmerkelijk is dat de verschillende Tucholsky’s zelfs met elkaar in debat gingen. Het schijnt dat Nederlandse auteurs zoals Annie M.G. Schmidt, Karel van het Reve en Simon Carmiggelt zich lieten inspireren door Tucholsky’s werk. 

Een aantal columns begint met een beeldend, steeds ander zinnetje waarin hun situatie direct duidelijk wordt zoals: ‘We zaten op een wolk en lieten onze benen bungelen’ Meer hoeft er niet uitgelegd, het is duidelijk en hilarisch tegelijk. Wat is het heerlijker dan vrijblijvend te filosoferen over het leven dat achter de rug is en die gedachten te combineren met wat je nu weet. De columns zijn allemaal verschillend en de ene is nog origineler dan de andere. Een heel sterke is die waarin de auteur beschrijft hoe er opgewonden gereageerd wordt wanneer er opnames van de aarde gemaakt zijn die, achter elkaar gezet en door versnelling, interessante beelden opleveren.


‘Hij had het over timelapse of zoiets.. Je kunt daarmee de mensen uit de film weghalen – je ziet dan alleen de dingen.’ 

‘Wat voor soort dingen?’ vroeg ik? 

‘Dingen!’ zei hij. ‘Jurken, kostuums, hoedenspelden, kasten, boeken, stoomschepen, lantaarns, papier, antennes, wat je maar wilt. Die zie je dan. Je ziet ze in fabrieken in elkaar gezet worden, maar de mensen zijn niet te zien, begrijp je?’

Behalve humor en technische hoogstandjes is er de nodige tragiek wanneer de mannen hun aandacht vestigen op aardse goederen zodra het tijdelijke wordt ingeruild voor het eeuwige. Hoe anders kijken de nabestaanden naar de overledene wanneer ze diens spullen stuk voor stuk in de handen nemen en 
terugdenken aan hun dierbare. Het is alsof ze meer gaan houden van hun geliefde nu deze niet meer in hun midden is.

Zo statisch als de hemel lijkt schijnt er toch nog een ontsnappingsclausule te bestaan, dat ontdekt de man wanneer hij plotseling alleen is. Er waren voortekenen dat zijn vriend somber was, maar dat hij daadwerkelijk naar de aarde terugging kwam als donderslag bij heldere hemel. De hemelse technicus ‘O’ die aan knoppen draait, gaf de gelegenheid en daar zag hij zijn vriend op de commode liggen. Ook zijn toekomstige vrouw kon je zien, een klein meisje met een lappenpop. 

Het mooi uitgevoerde boekje met harde kaft heeft behalve een helder voorwoord van Meta Gemert een aantal zeer mooie afbeeldingen van wolken. Een oproep om wolkenfoto’s op te sturen resulteerde in kwalitatief prachtige opnamen in diverse kleuren en soorten. Op de foto van pagina negenenveertig heeft een gedeelte van de wolk een bijzondere gedaante, maar dit terzijde, het ontdekken van beelden in wolken is van alle tijden. De foto’s geven te denken en dat is bij deze columns geen overbodige luxe. De schrijver legt de vinger op het menselijk falen wanneer hij het heeft over vriendschap, eerlijk zijn en verval, maar weet met relativering (in De berg van het lachen staan de details) de balans weer in evenwicht te krijgen.

Titel: Hierna…zitten we op een wolk
Auteur: Kurt Tucholsky
Vertaling: Meta Gemert
Uitgeverij Van Maaskant Haun
ISBN: 9789083007618
Genre: Columns
Pag.: 72
Verschenen: Deze uitgave 2020 (in 1975 gebundeld in Gesammelte Werke in zehn Bänden)