dinsdag 15 september 2020

Simone de Beauvoir - De schone schijn

Boekbespreking door Roosje
Uitgeverij Agathon


‘De tweede sekse’

Laurence* wordt met haar neus op de feiten gedrukt als haar oudste dochter Catherine op de drempel van de puberteit staat. Een veelheid aan gebeurtenissen overspoelt Laurence. In de dagelijkse vloedgolf aan werkzaamheden voor een reclamebureau, de afspraakjes met haar minnaar, de opzichtige feestjes van haar mondaine moeder, de twisten met haar man om de opvoeding van hun dochter en over andere huiselijke zaken - het in elkaar rijden van de gezinsauto - , het gemis aan haar vader, de minnaar van haar moeder die Laurence wil betrekken in zijn amoureus gekonkelefoes, de religieuze praatjes van haar zus, zij allen en hun gepraat brengen Laurence van haar stuk.
Ze weet niet meer wie zij is, waar zij eigenlijk voor staat en heeft het gevoel met alle winden te kunnen meewaaien maar tegelijkertijd iedereen van het tegendeel willen te willen overtuigen. Een burn-out zouden we dat in deze tijd noemen, of een dreigend empty-nest-syndroom of een vroege midlife-crisis. Op een oudejaarsfeestje zegt Laurence: hebben jullie gisteravond het nieuwsoverzicht gezien van dit jaar? Het schijnt wel een heel vreemd jaar te zijn geweest. Daar ben ik me nu helemaal niet bewust van geweest. Een kennis antwoordt: zo zijn alle jaren; we zijn ons er nooit bewust van (1973: 139). Deze korte dialoog is typerend voor Laurences gevoel over zichzelf: ze zeggen van alles maar ik ervaar het toch allemaal anders. Hoe moet ik me eigenlijk voelen, hoe moet ik me opstellen?

De roman speelt zich af in een kort tijdsbestek van oktober tot net voor Pasen het volgend jaar, ongeveer een half jaar. We vallen wel heel erg in medias res in Laurences verhaal. Dat betekent dat we midden in het verhaal binnenvallen; er wordt ons niets uitgelegd noch worden personages aan ons voorgesteld; we komen er al lezend achter; in een dergelijk geval helpt het meteen een lijstje te maken van voorkomende personen en hun functie. Zulke verwarrende eerste pagina’s moet je later nog een keertje teruglezen, dan wordt alles duidelijk.

Er is veel actie vanaf het begin. De auteur schrijft in een tamelijk ongebruikelijke werkwoordstijd: de ott, de onvoltooid tegenwoordige tijd. We leven heel direct mee met Laurence en haar twijfels. De actie vindt plaats door middel van gesprekken die Laurence voert met de mensen om haar heen, familieleden, collega’s, haar minnaar. Het deel in februari, waarin zij met haar vader in Griekenland is, is in de de ovt, onvoltooid verleden tijd, en in het ik-perspectief (de rest van de roman is niet in de ik-vorm). Deze periode blijkt doorslaggevend voor haar gedrag en haar besluiten naderhand. Ik vermoed dat de auteur het op deze - structureel andere - wijze heeft willen verduidelijken. Het slot is een beetje verwarrend in het gebruik van de tijden. Vermoedelijk wordt hierin terugverwezen naar een eerdere crisis van Laurence. Het gebruik van de verschillende werkwoordstijden deed mij weer denken aan het verschil in het gebruik van die werkwoordstijden in het Frans en in het Nederlands. Het Frans is nauwkeurig in het gebruik van die tijden: tegenwoordige tijd, verleden tijd, futur, conditionnel na gebruik van bepaalde lidwoorden. In het Nederlands kijken we niet zo nauw waar het de werkwoordsvormen betreft; in het Nederlands is het gebruik van bepaalde bijwoorden veel belangrijker: misschien, morgen, mogelijk, wenselijk etc.

Het is een erg Fráns boek, vind ik, zoals je aan Franse films ook direct kunt zien dat ze Frans zijn. Het opmerkelijkst is dat Laurence, die immers niet uitblinkt in zelfbewustheid, een minnaar heeft. En geen one-night-stand (wat is de Franse term hiervoor?). Maar al een tijdje, een paar jaar; het is een knipperlichtrelatie (ik schreef in mijn klad: stoplichtrelatie: ook best grappig): aan, uit, aan, uit. Minnaar Lucien wil dat zij weggaat bij haar gezin maar dat is geen optie. Zij is verknocht aan haar dochters en haar man. Ze weet dat haar man niet op de hoogte is van haar overspel, daar heeft hij het voorstellingsvermogen niet voor. Ze vertrouwt er blijkbaar ook op minnaar Lucien niet uit de school klapt.
De introverte, niet zo zelfbewuste Laurence heeft een minnaar, en zij als er een heeft dan moet wel bijna iedere Franse vrouw er een hebben. Onwillekeurig speelt het liefdesleven van De Beauvoir zelf door mijn hoofd.

Dan vergeet ik bijna te benoemen dat Laurence leeft in een intellectueel en vermogend milieu. Haar vader is een studeerkamerintellectueel, met een voorkeur voor de klassieke Oudheid. Haar moeder is mondain. Laurences man is gesteld op zijn goede baan in de architectuur en zijn ruime inkomsten en zijn goede smaak. Hij weegt alles precies af. Hij is rationeel, en ook een beetje koud. In ieder geval geen warme man zoals Lucien, Laurences minnaar.

Het probleem dat doorheen het boek speelt is oudste dochter Catherine, die een bestie heeft in Brigitte, een moederloos meisje met alleen een vader en een oudere broer, en daardoor vroegwijs en vroegrijp. Brigitte leest de krant en brengt de naïeve Catherine, die beschermd wordt opgevoed, op allerlei gedachten. De oudste dochter wordt gezien als te gevoelig, net als haar moeder Laurence trouwens, door vrijwel iedereen maar vooral door echtgenoot Jean-Charles, die architect is en gewoon een ouderwetse male chauvinist. Hij maakt ruzie met zijn vrouw en maakt het weer goed met een te dure bos rode rozen en te dure opzichtige halsketting. Laurence voelt zich daar niet goed bij omdat ze weet dat zijn berouw maar schijn is, ‘schone schijn’, maar omwille van de lieve vrede voegt zij zich. Het probleem zit hem in te volgen ouderlijke gedragslijn. Jean-Charles wil het kind naar een psychiater sturen en het liefst Laurence ook. Laurence is het daar eigenlijk niet mee eens. Ze is bang dat haar kind ‘geproblematiseerd’ wordt en met te harde hand in het gareel gedwongen (dat zijn mijn woorden, rdv). Charlotte presteert op school minder en lijkt snel van slag door dingen van buiten, het harde wereldnieuws en dergelijke.

Laurences moeder wordt geteisterd door liefdesverdriet, nu ja, was het maar liefdesverdriet. Dominique is door haar rijke minnaar Gilbert in de steek gelaten voor een meisje van achttien, dat Gilbert perse wil trouwen; zij is de dochter van een vroegere minnares; het meisje weet niet dat haar moeder vroeger Gilberts geliefde was. In de Franse liefde is alles geoorloofd.

Met haar vader, die heel opmerkelijk in deze roman geen naam krijgt, wellicht omdat hij als persoon te vaag blijft voor zijn dochter, wil Laurence eigenlijk een beter contact. Zij vindt dat zij hem te weinig ziet. Voor een deel maakt zij daarom weer een einde aan haar relatie met Lucien, dan heeft ze meer tijd om haar vader te bezoeken. Zo blij is ze wanneer hij haar uitnodigt voor een reisje naar Griekenland. Laurence verwacht er heel veel van: rust, ruimte, innig contact met haar vader, inzicht in zichzelf en het ervaren van de wereld als écht, authentiek, vol, intens: kortom het tegenovergesteld van ‘de schone schijn’ thuis in Parijs. Maar dat valt tegen. Haar vader leeft te veel in het antieke Griekenland; met het land van 1966, het dictatoriële kolonelsregime - weet je het nog? - heeft hij niets; dat de mensen arm zijn, nou, dat maakt hen juist gelukkig. Laurence ziet het tegenovergestelde. Ze raakt gedesillusioneerd.

Thuis in Parijs adviseert de psycholoog haar Catherine los te weken van haar vriendin Brigitte. Jean-Charles is er een grote voorstander van. Op dat moment stort Laurence echt in en ligt op bed; ze kan niet anders dan braken. Er is al eerder heel voorzichtig op gewezen: vijf jaar geleden had ze ook een inzinking.

Het einde is een beetje mat: ‘Maar de kinderen moeten hun kans hebben. Welke kans? Dat weet ze (=Laurence) zelf niet.’ (1973: 173; dat is grappig!)

Ik vind dit wel een roman van het ‘klassieke’ soort: een compact geheel, nog geen 200 pagina’s (kom daar tegenwoordig nog maar om), hij beslaat ongeveer een half jaar; er is een duidelijke hoofdpersoon en die maakt van alles mee; het centrale thema wordt snel duidelijk: de vrouw in kwestie verkeert in een soort van crisis, met als motief ‘de schone schijn’. Het motief wordt esthetisch her en der opgeroepen. Waar die crisis uit bestaat wordt gaandeweg uit de doeken gedaan. De crisis wordt alsmaar nijpender en is op het laatst op zijn hoogtepunt. Er volgt een soort van catharsis.
De stijl van De Beauvoir is zeer leesbaar en zorgvuldig, voorzichtig intellectueel.

Deze roman is een ideeënroman, een feministische roman. Hij kwam uit in 1966, en dat is nog een beetje te vroeg om te horen tot het hoog-feminisme, denk ik, maar ik ben wel voorzichtig. Germaine Greer schreef in 1970 The Female Eunuch. Laurence is ook nog te veel afhankelijk van haar man, ook al heeft ze een baan en een eigen carrière. Deze roman loopt vooruit oude grote hoeveelheid van feministische bewustwordingsromans van een paar jaar later. Daarom heb ik denk ik het gevoel dat deze roman van De Beauvoir toch een beetje uitgaat als een nachtkaars. Het voelt alsof de roman te voorzichtig is. Het had ons vrouwen van de 21e eeuw beter gepast als Laurence haar man zijn congé had gegeven.
Maar misschien was Laurence in verhouding tot haar moeder al veel zelfbewuster. Wat haar moeder doet als haar minnaar haar aan de kant heeft gezet, was te voorspellen en kundige auteur De Beauvoir kookt het al voorzichtig voor: moeder gaat terug naar vader. Laurence had dat nooit verwacht, maar de goede lezer wel! Laurence is niet het emotionele wrak dat haar moeder is of - nog erger - speelt. Haar moeder kan niet zonder man, want dan vinden de mensen haar zielig en een soort van dégénéré. Een vrouw zonder man is niets. Laurence is verstandig, want ze gaat niet hals over kop naar haar minnaar. En last but not least: ze krijgt haar zin.

Getuigt de roman van het existentialisme? Vast wel, Laurence kiest haar eigen weg, neemt haar eigen verantwoordelijkheid. Laurence wil niet zoals haar ouders, haar zus met haar godsdienstobsessie, niet zoals haar man met zijn berekening en zakelijkheid in de wereld van ‘de schone schijn’ leven. Haar vader had haar diep teleurgesteld in Griekenland, toen hij alleen maar de oude tempels en beelden had gezien en niet de arme mensen die moesten buigen onder de dictatuur en armoede. Haar moeder had haar teleurgesteld door weer op hangende pootjes terug te gaan naar haar vader. Haar dochter Catherine is een puur wezen in haar ogen, een wezen dat gekoesterd moet worden, een wezen dat de mogelijkheid moet hebben zich te ontplooien. Laurence identificeert zich met haar dochter. Ze is bovenal een moeder. Kom haar niet aan haar kind.
Persoonlijk zie ik het feministische aspect duidelijker in deze roman maar de twee stromingen lopen in elkaar over. En het is maar net aan welke kant je staat: welk van de twee stromingen is in jouw optiek de meeromvattende: het feminisme of het existentialisme?

Een interessante roman, goed geschreven, maar misschien ook een heel klein beetje gedateerd qua ideeën over mannen en vrouwen en feminisme. Ik probeer me voorzichtig uit te drukken, want ik aarzel. Ik had eigenlijk gedacht dat De Beauvoir meer uitgesproken feministisch zou zijn. Haar essay over de vrouw La deuxième sexe dateert immers al uit de late jaren veertig van de twintigste eeuw.

* Ik vind Laurence een van de prachtigste Franse meisjesnamen. Zo gracieus, zo koninklijk.

Auteur: Simone de Beauvoir
Titel: De schone schijn
Vertaling: Jan Hardenberg
ISBN: 9789026957123
Uitgeverij Agathon, Bussum
Verschenen: 1973, vierde druk

zaterdag 12 september 2020

Agnita de Ranitz - Kom Atir kom

Recensie door Truusje (Marjon Nooij)
Uitgeverij de Brouwerij | Brainbooks


Voetreis naar Parijs met een gedisproportioneerd dier

Voor de historische roman Kom Atir kom is de veelzijdige auteur Agnita de Ranitz (1952) bijna tweehonderd jaar teruggegaan in de tijd, heeft ze honderden kilometers (gemotoriseerd) gereisd om in de voetsporen te treden van een giraffe - Zarafa genaamd - en heeft ze zich vier jaar lang gestort op het achterhalen van de details van deze buitengewone voetreis van Marseille naar Parijs. De feiten heeft ze, zoveel mogelijk conform de realiteit, gebruikt als geraamte voor het verhaal. Haar eigen fantasie voorziet het van meer psychologische verdieping. Hiervoor is ze teruggegaan naar het Frankrijk van 1827. 

In 1825 besluit Mehmet Ali Pasha, Pasja van het Ottomaanse Egypte, om de Franse Koning Karel X als diplomatiek geschenk een jonge giraffe te sturen, ter aansporing om de Franse steun aan Griekenland te staken. Zarafa is één van de twee giraffen die hij dat jaar naar Europese staatshoofden stuurt. Daartoe wordt er een schip geprepareerd door een gat in het dek te maken, zodat de lange giraffennek daar doorheen kan steken. Daar de giraffe vijfentwintig liter melk per dag nodig heeft, gaan er twee koeien mee. Ook een antilope, een paar mouflons en twee doorgewinterde verzorgers - de jonge, vrijgekochte Soedanese slaaf Atir en Hassan, een bedoeïen uit de woestijn - zullen meereizen.
Op 30 september 1826 varen ze de haven van Alexandrië uit om ongeveer een maand later voet aan wal te zetten in Marseille, waar het gezelschap met Zarafa de winter doorbrengt.

In Parijs krijgt natuuronderzoeker en zoöloog Étienne Geoffroy Saint-Hilaire (15 april 1772 – 19 juni 1844) het opwindende nieuws te horen en wordt hem, uit hoofde van zijn functie als directeur van de Ménagerie du Jardin des Plantes (dierentuin Parijs. m.n.), gevraagd om de voetreis te begeleiden. Met zijn 55-jarige leeftijd en zijn reumatische klachten geen peulenschil, maar zijn besluit staat vast; hij gaat! Op weg naar het zuiden maakt hij zich zorgen over het koude, regenachtige weer.

´Stel dat de giraffe tijdens de reis kou vat. Daar moet ik niet aan denken. Het is wellicht verstandig een regenjas met capuchon te laten maken. Op maat natuurlijk! Van dat nieuwerwetse gegomde doek. (Mackintosh, de waterdichte stof die in 1824 voor het eerst op de markt kwam. m.n.) Het zal geen sinecure zijn zoiets te vervaardigen, maar de prefect weet vast en zeker wel een bekwame kleermaker in de stad.´

Saint-Hilaire ziet er in het begin weinig been in om de zwarte Atir mee te nemen tijdens de voetreis. Hij stelt meer vertrouwen in Hassan, maar gaandeweg wordt zijn band met Atir sterker en vriendschappelijk, en leert hij hem de Franse taal. En Hassan… gaat op een goed moment zijn boekje te buiten ten koste van Atir.

De personages zijn door de auteur voortreffelijk uitgewerkt. Atir´s verbazing over alles wat zo anders is als in zijn thuisland, zijn islamitische geloof, zijn eenvoudige taalgebruik. De Ranitz heeft zich kunnen uitleven in het kleur brengen aan dit personage, want over hem is hoegenaamd niets bekend. Zijn katholieke antagonist is de erudiete en geaffecteerde Saint-Hilaire, en omdat het een gerenommeerd en bestaand persoon was heeft de auteur kunnen putten uit wat er over hem bekend is. Doordat beiden in afwisselende, korte hoofdstukken aan het woord komen, is de tekst en het vocabulaire verschillend geschreven, passend bij het personage. De hoofdstukken overlappen elkaar geregeld, alle twee hebben hun eigen waarheid en de lezer wordt meegesleept in hun beider gedachtewereld. Zo is Saint-Hilaire bijvoorbeeld uiterst content met de regenjas en de in Lyon gemaakte schoenen voor Zarafa en vindt Atir het maar belachelijk dingen, waar hij zich voor schaamt. 'Ze moesten het in Soedan eens weten'. Saint-Hilaire heeft onderweg flink te kampen met zijn reuma en uit pure wanhoop dat hij de reis niet zal kunnen volbrengen gaat hij het bos in op zoek naar mierenzuur, in de hoop zijn pijnklachten ermee te verzachten. Atir volgt hem bezorgd en kijkt verbijsterd toe.

´Langzaam stroop ik mijn broek af en trap mijn voeten uit de pijpen. […] dan kijk ik naar mijn onderbroek. Wat zal ik doen? Aanhouden of uitdoen? Mijn hart klopt in mijn keel. Ik kijk om me heen en laat hem afglijden. Even blijf ik besluiteloos staan en sla een kruis. Een frisse wind waait langs mijn geslachtsorgaan.' 
'Van schrik sla ik mijn hand voor mijn mond. […] Zijn benen zijn zo wit als de ivoren slagtand van een olifant! Wie had dat kunnen denken!
Plots schiet hij naar voren, recht door een groep hoge planten die tot ruim boven zijn knieën komen. […] Dan laat hij zich neervallen en rolt met zijn lijf door het groen. Maar dat zijn die vreselijke prikplanten. Brandende netels zoals Youssef die noemt!'

De auteur trakteert de lezer bijna ongemerkt op allerlei wetenswaardigheden over de giraffe en over bijzonderheden van het Frankrijk aan het begin van de negentiende eeuw. Ze heeft daarvoor veel onderzoek gedaan. Zo heeft ze dagen doorgebracht in bibliotheken, is ze afgereisd naar Kenia om de giraffe te bestuderen, heeft ze geprobeerd in dezelfde auberges te logeren, stadspoorten opgemeten en vond ze in Macon een stal met vier meter hoge deuren - met luchtgat - waar de giraffe tijdens de voetreis heeft overnacht. Nog altijd zijn er op de route aanwijzingen te vinden die bewijzen dat de giraffe daar is gepasseerd. Het verdient aanbeveling om na het interessante nawoord ook de noten te lezen.

Zarafa en Atir
Tweeënveertig dagen heeft het gezelschap erover gedaan om de 880 km te voet af te leggen en onderweg werd er zelfs een moufflonkalf geboren. Opzienbarend was de eerste giraffe op Franse bodem en de bevolking liep massaal uit, wanneer de optocht voorbij kwam. De middenstand haakte handig in op de ´giraffenhype´. Coiffeurs ontwikkelden zelfs een ´giraffencoupe´. Ondanks dat het monstrueuze dier als angstaanjagend werd beschouwd, was de bevolking ook zeer welwillend, want wanneer er onderweg een tekort aan melk dreigde te zijn, boden dorpsbewoners à la minute volle emmers aan. En Zarafa ondergaat het allemaal heel gemoedelijk.

De Ranitz heeft met deze roman een prachtige prestatie geleverd. Feit en fictie gaan vloeiend in elkaar over en het is duidelijk dat ze weet waar ze over schrijft. Nu kan het niet anders dan dat het boek ook in het Frans vertaald zou moeten worden (Door de auteur zelf? Ze woont immers al meer dan veertig jaar in Frankrijk). Voor de Fransen zal het een herkenbaar verhaal zijn, met de beschrijvingen van la campagne en de vele kunstenaars die genoemd worden.

En hoe is het Zarafa verder vergaan?
Ze is door de koning in ontvangst genomen en heeft haar onderkomen gevonden in de dierentuin van Saint-Hilaire, waar ze een kassucces bleek. Frankrijk liep uit om haar te bewonderen. Toen ze op 21-jarige leeftijd overleed, is ze opgezet tentoongesteld in Musée d´Histoire Naturelle te Parijs waar ze later,  door plaatsgebrek, ruimte moest maken en in de vergetelheid is geraakt, totdat een conservator van Musée d´Histoire Naturelle te La Rochelle bekend maakte dat ze vermoedelijk daar was. De vlekken op haar huid komen overeen met die op het schilderij dat Nicolas Huet van haar heeft gemaakt, maar het is niet duidelijk of deze tijdens het opzetten zijn bijgetekend.

De sprekende zwart-wit cover is een oude ansichtkaart, waarop iemand staat met een emmer melk voor de giraffe en ongedurige kinderen die niet lang in dezelfde houding konden blijven om - vanwege de lange sluitertijd - duidelijk afgebeeld te worden.

Een prachtig verhaal. Een interessante geschiedenis. Een schat aan wetenswaardigheden.

Titel: Kom Atir kom
Auteur: Agnita de Ranitz
Pagina´s: 350
ISBN: 9789078905196
Uitgeverij de Brouwerij | Brainbooks
Verschenen: februari 2020

woensdag 9 september 2020

Erich Maria Remarque – Van het westelijk front geen nieuws

Recensie door Cies
Uitgeverij J. Bijleveld


Wandelende doden

Van het westelijk front geen nieuws staat op alle lijstjes met grote belangrijke en invloedrijke romans over de Eerste Wereldoorlog. Terecht. Wanneer het boek eind 1928 eerst als feuilleton in een Berlijnse krant wordt gepubliceerd leidt dit tot een verdubbeling van de oplage bij de krant. De populariteit van het feuilleton trekt de aandacht van de Nederlandse uitgeverij Bijleveld die er dan ook direct bij is om de rechten voor Nederland te kopen. Een paar maanden na de publicatie in Duitsland eind januari 1929 verschijnt de roman in vertaling in Nederland halverwege april 1929. Vertalingen in andere landen volgen snel. De immense populariteit in de westerse wereld van Van het westelijk front geen nieuws wordt nog verder aangezwengeld wanneer het boek in 1930 in de Verenigde Staten wordt verfilmd en met een Oscar wordt bekroond. Zowel boek als film zijn internationale kaskrakers.

Van het westelijk front geen nieuws is een semiautobiografische roman. Remarque gebruikt zijn eigen ervaringen aan het front in West-Vlaanderen en de verhalen die hij hoorde als patiënt en als administratief medewerker in een militair ziekenhuis tegen het einde van de oorlog. De ik-verteller in het boek is Paul Bäumer (= Remarque) die samen met een groot aantal klasgenoten, aangemoedigd door een docent, besluit om vrijwillig dienst te nemen in het Duitse leger in de eerste jaren van de oorlog. Wanneer de groep jongens, mannen zijn het nog niet, aankomen bij het front hebben ze geen idee wat ze te wachten staat. In een verschrikkelijke korte tijd worden zij, die in leven blijven, geharde soldaten. De doden om hen heen, het nooit aflatende geknetter van mitrailleurs, het gebulder van kanonnen, de stank van rottend (mensen)vlees, het slechte eten, de geur van het eigen ongewassen lichaam en dat van de soldaten naast je, de luizen, het bloed van gewonde kameraden, de ogen van de vijand, een rondslingerend been, het is om gek van te worden. De enige manier voor Paul Bäumer en zijn kameraden om te overleven is door een beest te worden dat vertrouwd op zijn dierlijke instincten. Al is het (bijna) niet vol te houden om ieder keer weer in het heetst van de strijd de eigen menselijkheid uit te schakelen.

Wanneer Bäumer een paar weken op verlof naar huis mag en wanneer hij kort na terugkeer aan het front gewond in een ziekenhuis komt te liggen, neemt de twijfel meer en meer toe; kan hij (en zijn kameraden) wanneer de oorlog over is weer het ‘gewone’ leven van alledag oppakken? Is hij nog in staat om terug mens te worden om zijn verhaal te vertellen aan anderen die niet in de loopgraven hebben gelegen? De enigen die Bäumer nog begrijpen zijn de kameraden met wie hij dag in dag uit in de loopgraven zit. In de zomer van 1918 nemen de geruchten over een op handen zijnde wapenstilstand en zelfs vrede toe. Om hem heen vallen steeds meer kameraden met wie hij al die jaren heeft gediend er lijkt geen einde te komen aan de oorlog.

Remarque schrijft in een afgemeten korte zakelijke stijl die (bijna) ironisch afstandelijk is, wat het allemaal nog aangrijpender maakt. Dat het boek in de jaren na publicatie zo’n succes was, is hierdoor te verklaren. Bäumer was er van overtuigd dat hij niet in staat zou zijn om zijn oorlogservaringen aan ‘gewone’ burgers te vertellen, ze zouden hem niet kunnen begrijpen. Remarque slaagde er wel in om zijn ervaringen te delen. Of iedereen het heeft begrepen? De Nazi’s gooiden zijn boeken in 1933 op de brandstapel en een aantal jaren later begon de Tweede Wereldoorlog.

Titel: Van het westelijk front geen nieuws
Auteur: Erich Maria Remarque
ISBN: 9789061317647
Uitgever: Uitgeverij J. Bijleveld
Vertaling: Ronald Jonkers
Pag.: 173
Genre: fictie
Verschenen: deze editie 2018

dinsdag 8 september 2020

Sander Kollaard - Uit het leven van een hond

Boekbespreking door Dietske Geerlings
Uitgeverij Van Oorschot


Ontwaken met een kloppend hart

Over Proust en over Uit het leven van een hond van Sander Kollaard

Net was ik begonnen aan het lezen van Proust, A la recherche du temps perdu, in een prachtige vertaling van Thérèse Cornips en Anneke Brassinga, en was het besef tot mij doorgedrongen dat ik hier wel een lange tijd zoet mee zou zijn, toen ik een berichtje zag langskomen van iemand die het wat teleurstellend vond dat de Librisprijs was gegaan naar ‘Uit het leven van een hond’ van Sander Kollaard. Deze lezer was blij dat hij geen recensie over het boek hoefde te schrijven, want het ging eigenlijk nergens over en hij had geen idee wat hij gemist zou hebben als hij het niet had gelezen. Er was geen enkele opwinding of ambitie in het boek te vinden, volgens hem. Ongemerkt had hij toch een oordeel gegeven over het boek en juist deze geringschatting bracht mij ertoe Proust even te onderbreken en dit heel wat minder omvangrijke werk ter hand te nemen, omdat ik zojuist bij A la recherche... weer had ondervonden dat literatuur op haar mooist is als zij ogenschijnlijk nergens over gaat en ik vooral zelf wilde ontdekken wat er in dit boekje te prijzen valt.

En zo kwam ik tot mijn grote verwondering op de eerste paar bladzijdes terecht in een langdurig proces van ontwaken. De eerste drie woorden ‘Het hart klopt’ zijn zelfs een restant uit een gesprek van de vorige dag dat in het hoofd van de ontwakende is blijven hangen en je maakt van dichtbij mee wat er in de verschillende laagjes van het bewustzijn van Henk van Doorn gebeurt, die langzaam wakker wordt. Mijn verwondering betrof niet zozeer dit proces van ontwaken zelf, maar het bizarre toeval dat ik net bij Proust ademloos een vergelijkbaar proces van ontwaken met de hoofdpersoon aldaar had meegemaakt, bladzijdes lang, diep onder de indruk, omdat dit ontwaken weliswaar elke dag bij iedereen plaatsvindt, maar dat Proust toch verbluffend knap dit ingewikkelde gebeuren heeft gevangen, waarbij bewustzijn en sluimer elkaar minutieus afwisselen, waardoor de beleving van tijd en plaats in enkele ogenblikken subtiel verschuift van herinneringen aan allerlei plekken en gebeurtenissen uit het verleden naar een steeds duidelijkere bewustwording van de omgeving en de dag in het heden. Hoe groot is de kans dat je op één dag twee boeken leest, die op deze manier in je handen ‘ontwaken’?

Los van dit toeval was ik ook getroffen door de verbondenheid die kennelijk tussen mensen bestaat, over de eeuwen heen, want Proust schreef deze ervaring ruim een eeuw eerder dan Kollaard. Beide schrijvers brengen tijdens dit ontwaken heel subtiel het karakter van de hoofdpersoon tot leven: overigens twee totaal verschillende karakters, gebonden aan hun eigen tijd wat betreft kleinigheden, maar - onbewust natuurlijk, want de kans is vrij groot dat Kollaard Proust nooit gelezen heeft - met elkaar verbonden in hun essentie, namelijk hun existentie.

Eigenlijk was mij op de eerste bladzijde al volkomen duidelijk waarom dit boek van Kollaard in de prijzen is gevallen en de bladzijdes daarna bevestigden steeds opnieuw mijn vermoeden: het boek raakt de essentie van het leven, met de bijbehorende levens- en doodsangst. Een goede schrijver heeft daarvoor geen spannende gebeurtenissen of spectaculaire personages nodig. Datzelfde zag ik bij de boeken van de Noorse auteur Jon Fosse, waarin nog veel minder gebeurt. Bij Kollaard beleven we één dag uit het leven van Henk van Doorn met zijn zieke hond Schurk, maar beland je ook via kleine associaties in herinneringen, o.a. aan het gestrande huwelijk met Lydia en de dood van zijn oudste broer, en via grote angsten of juist hoop zelfs in de toekomst, waaruit je dan wel weer teruggefloten wordt, want zo ver is het nog niet.

Hoe gelukkig word ik ook van de metafoor van het hart, dat steeds weer terugkomt in het boek: het hart dat leven door ons lichaam pompt, maar ook het hart dat liefde kan geven en ontvangen, en tenslotte het hart dat kan falen, net als bij Schurk, waardoor je ineens niet meer zo zeker bent van je leven. Niet alleen het hart, maar ook die ene dag, van ontwaken tot slapen, staat symbool voor het leven van geboorte tot sterven. Er zijn verschillende religies die onderschrijven dat de slaap een vorm van sterven is.

Waar de ironie van Proust bij mij een subtiele glimlach om de lippen tovert, doet die van Kollaard mij zelfs regelmatig hardop lachen. Dat heeft soms ook met de verschuiving van perspectief te maken, want ineens zie je Henk van bovenaf op de bank slapen met zijn net iets te dikke buik, een straaltje kwijl uit zijn mond. Het is maar goed dat hij dat zelf niet kan zien! Daardoor neem je automatisch wat meer afstand van Henk, ook als het perspectief allang weer bij hem ligt en dan zie je ineens -  hoe kan het anders, want uiteindelijk gaat het bij grote literatuur, hoe weinig bladzijdes zij ook omvat, om de catharsis! -  ook stukjes van jezelf, want laten we eerlijk zijn, zo bijzonder zijn wij zelf toch ook niet, en toch... en toch, we kunnen, zo goed en zo kwaad als het kan, best wat van ons bescheiden leven maken.

Wat zou ik nu gemist hebben als ik dit in de prijzen gevallen boekje niet gelezen had? Een grote glimlach van oor tot oor, de hand op mijn borst om mijzelf ervan te vergewissen dat mijn hart nog wel klopt, moed, om op te staan en mijn eigen leven weer eens vanuit een ander perspectief te bekijken, doorzettingsvermogen om verder te ontdekken wat Proust mij de komende duizenden bladzijdes nog te vertellen heeft, want het lezen zelf is genieten, van ontwaken tot slaap, van hoofdletter tot punt.

Titel: Uit het leven van een hond
Auteur: Sandar Kollaard
Pagina's: 192
ISBN: 9789028290082
Uitgeverij Van Oorschot
Verschenen: februari 2019

zaterdag 5 september 2020

Natalia Ginzburg – Al onze gisterens

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Meulenhoff


Door de ogen van Anna

Als een verslag zonder dialogen komt een tijd tot leven zoals Anna die beleeft en vertelt. Natalia Ginzburg, (geboren Natalia Levi 1916–1991), was een vooraanstaand Italiaans schrijfster. Zij gebruikte voor het schrijven van Al onze gisterens (1952) haar geheugen om een hele generatie te scheppen, hierin wordt ze vergeleken met Marcel Proust, wiens À la recherche du temps perdu door haar vertaald werd. 

Het decor is Italië, de tijd is rondom de tweede wereldoorlog. Alle elementen die een rol spelen komen aan bod door op een paar families in te zoomen waarvan de leden hun uitgesproken karakter hebben en hun keuzes maken. De opkomst van het fascisme, de klassenverschillen, de manier hoe men in het leven staat maakt van deze verweven verhalen een helder tijdbeeld. Door Anna te laten ‘spreken’ krijgt het boek een constante factor waardoor de lezer rustig mee kan kijken naar de ontwikkelingen zonder steeds te hoeven wisselen van perspectief. Niet dat het beeld eenzijdig wordt, integendeel, elk personage krijgt de aandacht die het verdient, door Anna.

In begin wordt meteen duidelijk dat Anna’s moeder kort na haar geboorte is gestorven. Bij het graf wordt niet gebeden door de kinderen, vader wist zelf wel wat er aan de hand was, daarvoor hoefde je je niet te wenden tot een al dan niet bestaande God. Vader heeft een duidelijke mening over het leven en de wereld,  zijn kritische ideeën over fascisten en de koning schrijft hij in een boek met de titel Niets dan de waarheid. In een tijd dat de muren oren hebben is dit natuurlijk niet zonder gevaar.
 
'Ippolito (broer van Anna tvl) sloeg hard op de schrijfmachine, en vader dicteerde, terwijl hij in pyjama door de kamer ijsbeerde, en niemand kon slapen, want het huis had dunne muren, en juffrouw Maria lag te woelen in bed, trillend van angst dat iemand op straat de opgewonden stem van vader en de gepeperde dingen die hij over Mussolini schreef zou horen. Maar dan verloor vader soms opeens de moed, want zijn boek leek niet meer zo mooi, en dan zei hij dat alle Italianen fout waren en dat je ze met een boek toch niet kon veranderen. Hij zei dat hij zin had de straat op te gaan en met zijn revolver te schieten, of helemaal niets, of dat hij alleen maar wilde liggen slapen en wachten op de dood.'

Voordat vader stierf moesten al zijn opruiende geschriften verbrand worden uit veiligheid, de spanning van het verbodene en het wantrouwen jegens (bijna) iedereen wordt subtiel weergegeven. Onderhuids worden signalen afgegeven, zo is ook het taalgebruik. Anna merkt veel van die signalen op en dat is een van de verdiensten van de auteur, de manier om een dreiging weer te geven en wie welke rol speelt ontrolt zich langzaam maar zeker gedurende het verhaal. 

Italië is voor WOII een bron van verdeeldheid, in één familie zijn vaak tegengestelde meningen te vinden die zorgen voor verscheuring van familiebanden. Passie laat zich niet makkelijk beteugelen en dat gebeurt dan ook met regelmaat. Anna’s oudere zus Concettina is favoriet bij de jongens, maar niet elke bewonderaar komt speciaal voor haar

'Anna vroeg wat Danilo dan wel aan zijn hoofd had. Giustino trok zijn neus en lippen op, kwam vlak bij haar met zijn gezicht in een steeds lelijker grimas. ‘Po-litiek,’ zei hij in haar oor, en hij rende weg. Po-litiek, dacht Anna. Ze liep door de tuin, tussen juffrouw Maria’s rozenstruiken, en herhaalde dat woord bij zichzelf. Ze was een mollig meisje, bleek en traag, in een plooirok en een verschoten blauwe pullover. Ze was niet erg groot voor haar veertien jaren. ‘Po-litiek,’ herhaalde ze zachtjes, en nu leek ze het opeens te begrijpen: daarom kwam Danilo zo vaak bij hen. Omdat hij aan politiek deed met Ippolito en Emanuele.'

Kleine meisjes worden groot, zo ook Anna. Het verhaal gaat verder, de tijd verstrijkt, kaarten worden geschud er wordt gekozen. De oorlog dringt in de haarvaten van de dorpen die een rol speelden in Anna’s leven, bewoners worden gedwongen een keuze te maken waarbij verraad dikwijls niet te vermijden is. En al die tijd komen de beschrijvingen als in een verslag, maar nergens wordt het daardoor afstandelijk, integendeel, het boek kruipt onder de huid. Dankzij de knappe beschrijvingen van de personages ontstaat een universeel beeld van gewone mensen in gewone dorpen die niets liever willen dan een gelukkig, vreedzaam leven. Door externe factoren en verkeerde keuzes worden hun levens echter compleet in de war gegooid en ontstaat vaak een domino-effect. 

Voor een bijzonder ontroerende verhaallijn zorgt Anna’s passie. De gevolgen hiervan verweven zich tot een kwetsbaar en puur geheel waarin verleden en toekomst tegelijk aanwezig zijn. Hierin komt het beste van de mens bovendrijven. Verwacht niet alleen somberheid in dit boek, de beeldende beschrijvingen van de personages en de humor  verzachten de zwaarte van het thema

'Toen begonnen ze allemaal te praten over Amalia’s nieuwe kapsel, à la fièvre typhoïde, en mevrouw zei dat zij ook zulk haar wilde, omdat ze een beetje genoeg kreeg van haar pony.'
En tot slot is het de moeite waard even stil te staan bij het motto dat het boek meekrijgt
'And all our yesterdays have lighted fools
The way to dusty death.' (Macbeth, V, v. 22-23)
Het citaat is te koppelen aan de slotpassage en laat stof tot nadenken achter, in hoeverre is er hoop tijdens het leven? 
'Ze lachten een beetje en waren zo samen met hun drieën heel goede vrienden, Anna, Emanuele en Giustino, en ze waren blij dat ze zo samen met z’n drieën waren om te denken aan al degenen die dood waren, aan de lange oorlog, de pijn, het lawaai en het lange, moeilijke leven dat nu voor hen lag en dat vol was met alle dingen die ze niet konden doen.'

Titel: Al onze gisterens
Auteur: Natalia Ginzburg
ISBN: 9789029092463
Uitgever: J.M. Meulenhoff
Vertaling: Hennie Vlot
Pag.: 336
Genre: fictie
Verschenen: deze editie 2018, oorspronkelijk 1952