zaterdag 22 februari 2020

Simone Grimberg - Onkruid


Recensie door Mireille
Uitgeverij Lima Books



Geduld wordt beloond

Dit boek is voor mij een verrassing: zonder de tip van een andere lezer had ik dit boek niet gekend. Op mijn beurt geef ik Onkruid graag door als aanrader!

Een jeugdtbs’er ontsnapt uit een survivalkamp en raakt vermist, terwijl hij zijn straf bijna uitgezeten had. Het rechercheduo Liesbeth Ligthart en Inge de Wit stort zich op de zaak om de jonge zedendeliquent zo snel mogelijk terug te vinden. Dan blijkt Liesbeths man gearresteerd, omdat hij als tbs-begeleider mogelijk met de ontsnapping te maken heeft.

Direct in het begin is duidelijk dat Onkruid geen rechttoe-rechtaan spannend boek is. Grimberg vertelt het verhaal door middel van verschillende personages die in hun gedachten regelmatig teruggaan naar cruciale momenten in het verleden. Zo worden vele lijntjes uitgezet en komen meerdere bepalende zaken, als familierelaties in Barneveld, een schimmig Duits psychiatrisch instituut en een nieuwe identiteit naar boven.

Mij beviel het wel, als lezer in een zaak gestort te worden zonder veel uitleg. Je wordt getriggerd verder te lezen en uitgedaagd mee te denken; van de lezer wordt een actieve houding verwacht!

Naast dit denkwerk verwerkte Grimberg ook veel gevoel in het verhaal. Rechercheur Inge heeft namelijk een soort helderziendengevoel, wat haar in een eerder verhaal ook van pas kwam. (Onkruid is het vervolg op Niemand die me ziet, en er wordt soms aan gerefereerd, maar het stoort niet.) Op sommige momenten leek de rationelere Liesbeth wel erg veel beïnvloed door Inge, maar toch ontstaat er een balans tussen de collega’s.

Deze psychologische roman met thrillertrekken zit goed in elkaar, mede door het grondige achtergrondonderzoek dat de auteur geleverd heeft, getuige meerdere juridische details en de lijst namen achterin.

Pas helemaal op het eind wordt het laatste stukje in de gigantische puzzel op zijn plaats gelegd. Wie net als de rechercheurs geduld heeft, wordt beloond.

Titel: Onkruid
Auteur: Simone Grimberg
Pagina's: 368
ISBN: 9789082695816
Uitgeverij Lima Books
Verschenen: oktober 2019

vrijdag 21 februari 2020

Peter W.J. Brouwer - Het siamees moment

Recensie door Truusje
Uitgeverij In de Knipscheer



Voor alles wat we nastreven betalen we een prijs

Thomas; een verdienstelijk musicus, vader van drie kinderen, getrouwd met Isa.

Eva; tolk, samenwonend met Erik, een zorgzame dochter voor haar moeder, nu deze ouder wordt, maar ook de liefhebbende vriendin van de homoseksuele Silke.

2017

Wanneer Thomas een prijs in de wacht heeft gesleept voor zijn arrangementen, krijgt hij na de receptie een briefje met de tekst: 'Spreken we elkaar zaterdag?'

'Lezend, herlezend, hij heeft haar stem jaren niet gehoord.De begrafenis. Waarom zo lang gewacht? Was er een aanleiding nodig, was het overlijden van haar vriendin een voorwaarde? Een straatlantaarn licht de nieuwe woorden bij, hij verslindt ze stuk voor stuk. Een kattenbelletje, meer is niet nodig om de anderen te vergeten en compleet te zijn.Laten we elkaar zaterdag spreken, staat er. Er staat niet: Weet je zeker dat je erbij wilt zijn? Er staat: Ik weet dat je me zaterdag wilt zien. Nee, feitelijk staat er: Ik wil dat we elkaar zaterdag zien. Ja, dat is het. Ze heeft moeite gedaan hem over te halen.'

2002

Thomas heeft de liedjes van Brel opnieuw gearrangeerd en diens voormalig muzikale begeleider wordt uitgenodigd voor een interview, waarbij Eva wordt ingezet als tolk.
Dat is het moment dat Thomas en Eva elkaar ontmoeten en na het interview raken ze met elkaar in gesprek.
Thomas is onder de indruk en zoekt na korte tijd contact. Eva houdt het in eerste instantie wat af, maar zwicht toch. Vanaf dat moment ontmoeten ze elkaar regelmatig - het voelt als vanzelfsprekend - met de afspraak dat het zuiver platonisch zal blijven. 'Geen seks, wij zijn "alleen lezen".'

'Warmte van huid. Oneindigheid van een streling, openheid en het oneindige. Een taal, dacht ze, dit is de taal om te verstaan. [...] Eva en Thomas, op zomaar een dag. Ze ondergingen elkaar, voordat ze elkaar hadden begroet.'

Wat hen in die periode bindt is het brievenboek waarin ze hun gedachten, herinneringen, dingen die ze meemaken beschrijven. Bij elke ontmoeting wordt dit schrift discreet aan de ander gegeven.

'Op weg naar huis voelden ze beiden de grootst mogelijke verbondenheid en de grootst mogelijke eenzaamheid.'

Wanneer Thomas Eva de vraag stelt of ze het ziet zitten om het samen licht te zien worden, aarzelt ze geen tel en reist naar Brussel, waar Thomas op dat moment voor zijn werk verblijft. In het appartement wacht ze hem op en realiseert ze zich uiteindelijk wat ze eigenlijk wil.......

'Voor alles wat we nastreven, de keuzes die we maken, betalen we een prijs'.

Het boek is opgebouwd uit vier delen, voorspel en naspel. Meestal kiest een auteur voor de termen proloog en epiloog. De gekozen termen kunnen hier als hoogst suggestief worden opgevat.
Het verhaal meandert door de tijd, het ene deel handelt in het heden, het andere deel is een flashback. Mede hierdoor is het verhaal gelaagd, maar de gelaagdheid uit zich ook in de perspectiefwisselingen. 

Met name in het eerste deel van het boek gooit de auteur een ruime hoeveelheid bommetjes, met steeds een klein beetje informatie. De gedoseerde opbouw houdt de nieuwsgierigheid groot.

De auteur weet heel handig gebruik te maken van het point of view. Wanneer het perspectief bij Thomas ligt, is de sfeer opvallend anders dan wanneer het perspectief bij Eva ligt. Denk hierbij aan de mannelijke en vrouwelijke eigenschappen, die duidelijk verschillend weergegeven worden. De personages zijn goed uitgewerkt en hebben een psychologische diepgang gekregen. Gevoelens van angst, vertwijfeling, verlangen worden heel invoelbaar met de tekst verweven en de onvermijdelijke verschillen tussen de hoofdpersonages worden helder beschreven. Het geeft duidelijk weer dat er sprake is van een aanzienlijk leeftijdsverschil en dat beiden uiteindelijk tóch uit een heel andere wereld komen. 

Op geheel natuurlijke wijze is de schrijfstijl aangepast aan in de verschillende passages. Wanneer een ruimte of omgeving worden beschreven, zijn de zinnen korter, staccato met meerdere komma's en veel informatie. - Deze passages lieten me beseffen; Natuurlijk!!!....Brouwer heeft eerder ook poëzie geschreven!!! -. In andere passages is de stijl meer beschrijvend, verhalend en komt wonderschoon proza om de hoek kijken, met prachtige zinsopbouw en oog voor details.

Een mooi motief is de muziek van Jacques Brel, zijn chanson 'Les désespérés' (De radelozen). Hoe toepasselijk! Gérard Jouannest maakt ook acte de présence. Dit is de Franse pianist die als vaste begeleider van Brel optrad.

Dit boek heeft me prettig verrast, zowel qua opbouw, als het intermenselijke thema. De dialogen zijn soepel en nergens geforceerd. Er valt veel te ontdekken en de schrijfstijl, die net zo wisselend is als de omstandigheden zijn, is poëtisch, stemt tot nadenken en zindert door.
De titel 'Het siamees moment' en wat dit inhoudt voor de personages, wordt beschreven in het verhaal. Een heel mooi gevonden thema in deze gelaagde en geslaagde roman.
Deze debuutroman doet me absoluut verlangen naar een volgend werk van Peter W.J. Brouwer.

Auteur

Eerder publiceerde Peter W.J. Brouwer drie dichtbundels.
Hij verzorgt lezingen en interviews tijdens literaire bijeenkomsten, in boekhandels, leeskringen, voor radio en TV.

Met 'Het siamees moment'  preludeert de auteur op een drieluik, waarvan dit het eerste deel is. Momenteel schrijft hij aan een tweede roman die zowel een vervolg als een op zichzelf staand verhaal wordt.

Het siamees moment
Auteur: Peter W.J. Brouwer
Pagina's: 278
ISBN: 9789062659678
Uitgeverij In de Knipscheer
Verschenen: september 2017

woensdag 19 februari 2020

Cola Debrot – Mijn zuster de negerin


Recensie door Cies
Uitgeverij De Bezige Bij



Zus of geen zus. Doet het er toe?


In 1934 en 1935 verscheen de novelle 'Mijn zuster de negerin' in het vooraanstaande literaire tijdschrift Forum. Een jaar eerder had Debrot zijn prozadebuut gemaakt in datzelfde Forum met het verhaal 'De Mapen'. In 'De Mapen' was Debrot nog op zoek naar zijn eigen stijl, los van naturalistische elementen en zwaar aangezet gepsychologiseer. In 'Mijn zuster de negerin' heeft hij die eigen stijl gevonden. Een haast sobere en tot de kern gereduceerde beschrijving van hetgeen dat wordt waargenomen en het ervarene. Ondanks, of wellicht dankzij, deze eenvoudige en beknopte stijl is Debrot in staat om zijn novelle veel diepgang te geven. Hij is in staat om in relatief weinig zinnen helder te vertellen waar het om gaat. Veel auteurs hebben hier een hele roman voor nodig. Dit is een kwaliteit die Debrot deelt met bijvoorbeeld de veel bekendere Willem Elsschot, ook een auteur die in Forum publiceerde.

Het (gedeeltelijk) autobiografische 'Mijn zuster de negerin' begint met de terugkeer van Frits Ruprecht (Cola Debrot?) naar zijn geboorteplaats, een niet nader genoemd Nederlands West-Indisch eiland (Debrot is op Curaçao geboren). Zijn ouders zijn overleden en Frits is het leven in Europa meer dan beu:

“Ik haatte in Europa de bleke gezichten met hun visachtige kilheid, hun gebrek aan broederlijke sympathie.”

Bij zijn aankomst wordt hij ontvangen door de notaris die de erfenis van zijn ouders met Frits regelt en hem de sleutels overhandigt van het huis in de stad en van de plantage in het binnenland. In plaats van op het aanbod van de notaris in te gaan om bij hem thuis wat te eten (zijn echtgenote rekent er op) en te overnachten zoals gebruikelijk is op het eiland wanneer er een oude bekende langskomt, kiest Frits om naar zijn huis in de stad te lopen. Is Frits meer Europeaan geworden dan hij zelf had gedacht? Het boek staat vol met dergelijke ongemakkelijkheden. Zij kunnen elkaar niet (meer) begrijpen, omdat ze de leefwereld van de ander niet (meer) kennen zonder dat ze dit van elkaar weten. Zowel Frits als de eilandbewoners reageren gaan daar iedere keer net iets anders mee om. De ene keer denkt Frits dat het hele eiland een wrok tegen hem koestert, om kort daarna het gevoel te hebben dat hij wordt binnengehaald als de verloren zoon. Een andere keer roept hij (bijna) uit:

“Ik wil hebben: mijn zuster de negerin. Geen geklets meer. Maar zwartheid en aanhankelijkheid.”

Frits is niet meer dezelfde als de jongen die zestien jaar geleden het eiland verliet en het eiland is ook niet meer hetzelfde als toen. Dit zorgt voor een innerlijke strijd bij Frits, kan hij op het eiland wel zijn levensgeluk vinden? Deze strijd bereikt een climax wanneer hij op de plantage Maria tegenkomt, een vriendinnetje uit zijn kindertijd. Is zij of is zij niet zijn halfzus? En maakt het eigenlijk iets uit?

De thematiek van de gescheiden leefwerelden en de ongemakkelijkheden die dit geeft in 'Mijn zuster de negerin' is nog steeds actueel. Misschien wel meer dan ooit. In een tijd waar er steeds meer mensen in twee culturen opgroeien en met regelmaat het gevoel hebben in geen van die twee werelden (nog) welkom te zijn of thuis te kunnen zijn.
Het feit dat "Mijn zuster de negerin" in Forum werd gepubliceerd en recensenten in 1935 erg te spreken waren over, zijn voor mij belangrijke redenen geweest om het te lezen. Victor van Vriesland noemde het "een werk van betekenis", Ter Braak noemde het zonder aarzelen "meesterlijk". Dit schepte verwachtingen. Verwachtingen die 'Mijn zuster de negerin' waarmaakt.

De auteur

Nicolaas (Cola) Debrot (Kralendijk, 4 mei 1902 – Amsterdam, 3 december 1981) was een Antilliaans schrijver, dichter, arts, diplomaat, jurist, minister, filosoof en balletcriticus. Hij wordt als de grondlegger van de Antilliaans-Nederlandse literatuur beschouwd. Debrot debuteerde in 1935 met de novelle Mijn zuster de negerin. De cultuurprijs van Curaçao is naar hem vernoemd. 
(Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Cola_Debrot)

Titel: Mijn zuster de negerin
Auteur: Cola Debrot
Uitgeverij: De Bezige Bij
ISBN: 9789023406518
Pag.: 66
Genre: Fictie
Verschenen: deze editie 1982, oorspronkelijk 1935

dinsdag 18 februari 2020

Ivo Weyel - Oorlogszoon. De onderduikjaren van mijn vader en het leven daarna

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact



Altijd maar de oorlog

Hoe lang werkt een oorlog door op mensen die hem hebben meegemaakt en op hun nageslacht? Veel langer dan de betrokkenen in 1945 dachten, terwijl de hoop op een betere toekomst hen aanzette hun schouders er eens flink onder te zetten. De verschrikking was achter de rug, het leeggeplunderde land, Ons Land, moest opgebouwd. We lieten ons niet kennen, wat gebeurd was was gebeurd, nu met alle kracht in het magere lijf vooruit: aan de slag, opbouwen, opbouwen, opbouwen….

Er is nog altijd een enorme belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog, door mij vrijwel altijd WOII genoemd. Die interesse wordt ook gedeeld door leerlingen in het voortgezet onderwijs, zo ondervinden docenten geschiedenis nog altijd. Waar komt die fascinatie vandaan? En waarom hebben anderen dat nu juist niet? Moet het Kwaad gekend worden om het voor altijd buiten de deur te houden? Prijzen we ons gelukkig omdat het bij ons geen oorlog is? En wat te denken van al die gebieden in de wereld waar het nog steeds oorlog is? Het zijn vragen die ik niet kan beantwoorden en Ivo Weyel, journalist en schrijver van onderhavig boek, evenmin.

De ouders van Ivo Weyel gingen dood. Het ouderlijk huis moest worden ontruimd, zo begint dit boek, een cliché bijna, want je weet als lezer dat er grote onthullingen gaan volgen. Hebben wij zelf herinneringen aan onze ouders, hun dood en het leeghalen van hun/ons huis? Hebben wij toen ook zaken gevonden waarvan wij niet op de hoogte waren? Vonden wij familiegeheimen die altijd voor ons verborgen waren gebleven? Een cliché inderdaad maar daarom of juist daarom niet minder interessant en heftig. De mensen die de oorlog hebben meegemaakt zijn bijna allemaal dood maar hun nageslacht niet. Op welke wijze leven de verschrikkingen, de trauma’s van die oorlog voort in hun kinderen en kleinkinderen?

Ivo Weyel en zijn broer vonden de trouwjurk van hun moeder en het verstofte bruidsboeket. Dat zo’n boeket zeventig jaar kan overleven! De  stoffige en verbleekte ruiker is maar een melkmat symbool voor de gevoelens die Weyel daarna gaan overrompelen.

‘We vonden ook een dagboek, drie ordners dik, dicht opeen getypt op duizend pagina’s flinterdun luchtpapier, een ‘Dagboek Onderduik’ zoals erop staat, van zaterdag 18 juni 1943 tot donderdag 23 juni 1945, 736 dagen lang, twee jaren en vijf dagen om precies te zijn. Mijn vader begint met de woorden van Erasmus: ‘Dulce Bellum Inexpertis’, mooi is de oorlog voor hen die hem niet meegemaakt hebben. En dan - als hoop?, als wens? - ‘was Mir nicht tötet, macht mich stärker’. En toen moest het allemaal nog beginnen.’
(2018: 6; rdv: laatste uitspraak is van Nietzsche.)

Weyel ziet voor het eerst een okergele jodenster, en slaat het dagboek kokhalzend dicht. Ja, want de families van Weyels vader en moeder zijn joods. Pas een maand later durft hij dagboek weer te openen. Zijn vader was wat zijn gevoelens betreft een zwijgzame man, hij slikte en slikte en slikte alles in, zoals hij dat ook in de oorlog gedaan had. In het document zitten de originelen van kranten uit die tijd; blijkbaar om de waarheid te achterhalen.  Nauwgezet schreef zijn vader de feiten en veldslagen uit die dagen op. Zijn vader schreef over de feiten, de geschiedenis en weinig over zichzelf, hoe hij het allemaal ervoer. Maar naarmate de oorlog zich ontwikkelde schreef hij meer over zijn persoonlijk leed. Zijn eerder zorgvuldiger stijl wordt losser, schematischer: ‘Honger. Waar eindigt dit? Vader praat met niemand. Komt niet meer uit bed. We gaan dood. Laat het maar snel gebeuren. Dit is onhoudbaar.’ (ib.: 7)

Wat ik in dit boek heel bijzonder is dat de oorlog, de jodenvervolging, de onderduik het leven van Weyels vader en van Weyel zelf met dezelfde emotionele kracht getroffen heeft, zo vader, zo zoon. Er zullen ongetwijfeld boeken zijn waarin duidelijk wordt hoezeer het trauma van de ouders op de kinderen is overgegaan - ik denk direct aan Ischa Meijer; niet helemaal een goed voorbeeld want hij is zelf ook een direct oorlogsslachtoffer - maar in dit boek van Weyel wordt het duidelijk hoezeer dat nu nog steeds het geval is, anno 2018 verscheen het boek.
Niet alleen herbeleeft de zoon de verschrikkingen van onderduik, jodenhaat, jodenvervolging, Endlösung, via zijn vader maar ook realiseert hij zich wat dat, als zoon van een getraumatiseerde vader, voor zijn eigen emotionele en psychische ontwikkeling heeft betekend.
Zowel in zijn dagboek als in zijn latere leven houdt de vader zich groot. Nooit heeft hij het over de verschrikkingen van de onderduik en de oorlog. En dan laat ik hier de oorlogs- en onderduikervaringen van Weyels moeder en haar familie voor het gemak buiten beschouwing.
Vader en moeder doen na de oorlog alsof die oorlog voor hen persoonlijk opgehouden heeft te bestaan; ik zeg het maar eventjes in mijn eigen woorden. Vader staat op de joodse gebruiken, zoals besnijdenis en bar mitswa, moeder vindt dat niet zo nodig. Vader stort zich op zijn huisartsenpraktijk en loopt zich het vuur uit de sloffen voor zijn merendeels joodse patiënten; tot ongenoegen van de moeder; tot hij het bijltje er ver voor zijn pensioenleeftijd bij neer gooit en psychisch en emotioneel ontredderd raakt.

De vader kon een held en een ‘medicijnman’ zijn voor zijn patiënten, voor zijn eigen zoons kon hij dat niet. Luidruchtige vrolijkheid heerste in het gezin, maar die vrolijkheid moest het ongekend verschrikkelijke en onbenoemde gevoel door de oorlogservaringen op de vlucht doen jagen. Dat lukte niet. Die oorlog had ook op zoon Ivo, de gevoelige, de overgevoelige misschien, een vernietigende uitwerking.

Weyel vraagt zich ook steeds af waarom zijn vader niet meer opschreef over de onderduik, hoe dat precies in zijn werk was gegaan, wie er betrokken waren, hoe dat nu werkelijk geregeld was. Kregen de onderduikverschaffers daarvoor betaald? Hoe kon men wetend dat zij te vertrouwen waren? Meer details daarover. Voor een deel kon de vader daarover niet schrijven omdat zij verraden konden worden en het dagboek gevonden had kunnen worden. Namen en details konden in dat geval funest zijn voor de betrokkenen. Voor een deel wilde vader zijn eigen moraal hoog houden. Hij wilde zich moreel en psychisch wapenen tegen de verveling van de onderduik, de ontberingen, de honger, de angst ontdekt en verraden te worden.

Ongekend stuitend is het wanneer de vader en zijn familie horen hoe hun huis leeggeroofd wordt - zij zitten namelijk in het huis ernaast ondergedoken; hoe ongeremd de jodenhaat bij sommigen is. Ivo zelf kan zich in zijn leven nooit teweer stellen tegen de jodenhaat die nog steeds een enorme impact heeft. Tegen de ongehoorde stelling van kennissen dat de wereldwijde-jodensamenzwering het toch nog maar steeds goed voor elkaar heeft. Tegen de gelijkstelling van Israëliër en jood, en ga zo maar door.

Een groot enigma is ook dat vader zijn notities secuur heeft uitgetypt en netjes bewaart, maar wel verstopt achterin zijn boekenkast en er nooit over gerept heeft. Waren zijn notities wel of niet bestemd om te lezen? Of was het louter voor hemzelf, om hem te helpen de dingen op een rijtje te zetten om daarna te vergeten misschien? Of zijn sommige dingen eenvoudigweg te moeilijk om over te praten?

Ik ben enorm geraakt door dit boek en door Ivo Weyel en hoe kwetsbaar hij zich durft op te stellen, al vind ik de laatste opmerking ook zo’n gigantisch cliché. Maar clichés zijn soms gewoon ook heel erg waar.

Auteur

Ivo Weyel (1955) is freelance publicist, hij schrijft over het goede leven in binnen- en buitenlandse media. In maart 2018 verscheen zijn debuut Oorlogszoon, dat inmiddels al drie keer werd herdrukt.

Een ander boek van Weyel is: Het verleden ruist voorbij is een bundel van zestig columns die Ivo Weyel voor ‘Het Parool’ heeft geschreven, waarin hij vertelt over de geschiedenis van zijn familie. Sylvain Kahn, de overgrootvader van Ivo Weyel, opende in 1882 het modepaleis Hirsch & Cie in Amsterdam. Het succes was enorm, de familie werd rijk, er volgden vestigingen in Berlijn en Wenen en zelfs een parfumfabriek in Frankrijk, het geboorteland van Sylvain. Het waren jaren van overvloed, bewaard gebleven in honderden foto’s. Weyel schetst met zijn beschrijvingen en foto’s een prachtig beeld van het voortglijden van tijd.

Titel: Oorlogszoon. De onderduikjaren van mijn vader en het leven daarna
Auteur: Ivo Weyel
Pagina's: 190
ISBN: 9789045035842
Uitgeverij Atlas-Contact
Verschenen: maart 2018

zondag 16 februari 2020

Max Frisch – Homo Faber

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij L.J. Veen




Metamorfose  

Twee etappes, zo is deze roman van Max Frisch ingedeeld. De lange eerste etappe begint ook echt met een reis. Het vertrekpunt is een vliegveld in New York waar Walter Faber op weg gaat voor zijn werk als ingenieur in dienst van Unesco. Door een ontmoeting met een familielid van een vriend uit het verleden en een noodlanding van het vliegtuig krijgt het boek een grillig verloop. Door flashbacks komen we meer te weten wat zich heeft afgespeeld tussen Walter en Hanna. een vroegere vriendin die jaren geleden plots uit zijn leven verdween. In de tweede, veel kortere etappe, ligt Faber in het ziekenhuis en reflecteert op zijn verleden en zijn transformatie.

De rationeel ingestelde Walter moet niets hebben van lotsbestemming, dromen en romans. Hij is de man van de techniek, de ratio en laat dat duidelijk merken wanneer hij in gesprek komt met zijn medepassagier, de broer van zijn vriend Joachim.

‘Ik heb me al zo vaak afgevraagd wat mensen eigenlijk bedoelen als ze het hebben over een belevenis. Ik ben technicus en gewend de dingen te zien zoals ze zijn. […] Ik weiger angst te hebben louter uit fantasie, of wel om fanatiek te worden louter uit angst, gewoonweg mystiek.’

Frisch schrijft met groot gevoel voor compositie. Elk woord, elke zin, elke pagina is essentieel voor het geheel. De oplettende lezer zal moeiteloos de meeste van de thema’s en motieven herkennen. Zo noemt Walter zijn typemachine zijn Hermes-Baby, een niet mis te verstane verwijzing naar Hermes een figuur uit de Griekse mythologie. Hij is een zoon van de oppergod Zeus en de bergnimf Maia en is met name bekend als god van de handel, de reizigers, de wegen en de dieven. Ook is hij de boodschapper der goden. Interessant is de relatie met de titel, Homo Faber 

'Het mensbeeld van de homo faber (Lat.: "werkende mens") stelt dat mensen wezens zijn met een aangeboren drang tot arbeid en creativiteit, met een aangeboren drang om werktuigen en techniek te ontwikkelen, gericht op het naar hun hand zetten van de eigen leefomgeving.' (wikipedia).

Walter reist nooit zonder zijn typemachine, zijn scheerapparaat en z’n filmcamera. De camera is als het ware zijn derde oog, in plaats van de wereld met zijn eigen ogen te beschouwen kijkt hij door de lens. Wanneer na verloop van tijd zijn inzicht verandert, verdwijnt ook behoefte aan de camera.

De noodlanding van het vliegtuig brengt de twee mannen tot elkaar. In de hitte van de woestijn doden ze de tijd met het spelen van schaak. Met rake beschrijvingen weet Frisch de sfeer weer te geven van een groep passagiers die strandt in de woestijn zonder concreet zicht op redding.
Herbert en Walter hebben oorspronkelijk niet dezelfde eindbestemming. Het lot brengt hen tot elkaar en daarmee komt Walter terecht op de plek waar zijn oude vriend Joachim werkt in plaats van zijn werkplek voor de Unesco. Het bereiken van de sinistere plek heeft heel wat voeten in de aarde en is gezien de transformatie die Faber ondergaat, misschien ook één van de obstakels die hem aan het denken zetten. Met een landrover proberen ze verblijfplaats te vinden van Joachim, een plek op een tabaksplantage. In een land waar niet overal wegen zijn, maar waar je aangewezen bent op wagensporen krijgt het zoeken een dolend karakter.

‘Wat Herbert niet verdroeg waren de gieren; terwijl ze ons zolang we leven helemaal niets doen, ze stinken alleen maar, zoals van aasvreters niet anders te verwachten is, ze zijn lelijk en je komt ze steeds in zwermen tegen, eenmaal aan het werk laten ze zich nauwelijks verjagen, hoe je ook toetert, ze fladderen alleen maar, huppen om het opengereten aas heen zonder het op te eten...’

De sfeer tijdens de rit in de verzengende hitte en de desolate omgeving is op z’n zachts gezegd gespannen. Behalve Faber en Herbert is er nog een passagier, een Fransman. Gesprekken tussen de mannen gaan over grote thema’s, de ondergang van het blanke ras, overbevolking en het uitsterven van de dood door de ontdekking van penicilline. 

Het verhaal heeft meerdere verwijzingen naar de mythologie, het wordt lastig hierover iets te vertellen omdat het teveel zou verraden over de inhoud. Wel is het zo dat zijn vroegere vriendin Hanna op het punt stond zijn vrouw te worden, op laatste moment zag zij er van af, dit is de verhaallijn die leidt tot een dramatische ontknoping. De setting – de tragedie vindt plaats in Griekenland – is perfect gekozen voor de ontwikkeling van het verhaal.
Hanna en Walter zien elkaar terug, wat er in het verleden plaats gevonden heeft wordt opgehelderd, deze prachtige ontwikkeling maakt dat het verhaal een dramatische wending krijgt.

Om te weten wat er precies gebeurd is, welke verwijzingen Frisch gebruikt om zijn verhaal tot deze schitterende klassieker te maken, is het boek zelf te gaan lezen het enige advies. O ja, het is ook een spannend boek, de plotwendingen zijn stuk voor stuk meesterzetten.



De auteur

Max Frisch (Zürich, 15 mei 1911 – aldaar, 4 april 1991) was een Zwitsers architect en romanschrijver.

Frisch wordt geboren als zoon van de architect Franz Bruno Frisch en Karolina Bettina Wildermuth. Tijdens zijn schooldagen begint Max al met het schrijven van korte toneelstukken die nooit echt gespeeld worden. In 1930 schrijft Max zich in aan de Universiteit van Zürich om daar Duitse literatuur en kunstgeschiedenis te studeren.

Zijn eerste roman verschijnt uiteindelijk in 1934 en heet Jürg Reinhart en wordt in 1936 opnieuw uitgegeven als Die Schwierigen. Andere bekende prozawerken zijn Homo faber uit 1957 en Mein Name sei Gantenbein uit 1964. In 1936 schrijft Max zich in voor de Architectenopleiding aan de Hogeschool van Zürich en studeert 5 jaar lang om in 1941 zijn diploma in architectuur te behalen.

Titel: Homo Faber
Auteur: Max Frisch
Vertaling: Margot Klaarhamer
ISBN: 9789045009049
Uitgever: L.J.Veen
Pag.: 235
Genre: Fictie
Verschenen: deze editie 2007, oorspronkelijk 1957

vrijdag 14 februari 2020

Dina Roebina - Ljoebka | Любкa

Recensie door Truusje
Uitgeverij Pegasus



Twee paria's verbonden door een heksenjacht

In januari van het jaar dat Dina Roebina (1953) wordt geboren verschijnt er in de Pravda een bericht van het Russische Persbureau TASS dat er een groep artsen - die wordt beschouwd als een terroristische cel - is ontmaskerd en gearresteerd op verdenking van medische sabotage en in opdracht zou werken van de Amerikaanse geheime dienst. Russische veiligheidsdiensten beweren dat deze groep het gemunt heeft op de levens van Russische machthebbers. Volgens uitspraak van TASS; een 'smerige zionistische spionnenorganisatie', met als gevolg dat er overal Joodse artsen worden ontslagen, die als een groot gevaar worden gezien. Amper acht jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog steekt het antisemitisme in alle hevigheid de kop weer op. Korte tijd later wordt Stalin geveld door een beroerte om uiteindelijk op 5 maart 1953 een enkele reis naar de eeuwige jachtvelden te nemen. Enkele weken later worden de artsen op vrije voeten gesteld. 

Roebina - die in september van dat jaar werd geboren in Tasjkent - heeft Joodse ouders en hangt de theorie aan dat Stalin niet toevalligerwijs een beroerte kreeg op de dag van het Joodse Poerimfeest. Als auteur heeft ze in haar vaderland haar sporen verdiend met haar omvangrijke oeuvre, werd ze beloond met enkele literatuurprijzen en is haar werk verfilmd. Toch dreef het antisemitisme haar en haar gezin eind 1990 naar Israël.

Haar novelle Ljoebka - onlangs in een tweetalige versie uitgebracht door Uitgeverij Pegasus - is een allegorie op de gruwelen van het Stalinbewind en het verhaal van de heksenjacht op de Joodse artsen. Het speelt zich ook af in 1953.

De ongehuwde Joodse Irina Michajlovna werkt als keuringsarts in een metaalfabriek. De antisemitische praktijken van Stalin nopen haar om zich te vestigen in een onopvallend stadje. Wanneer ze de magere en nog jonge Ljoebka heeft onderzocht voelt ze compassie met het meisje en biedt haar de mogelijkheid om haar zware baan te verruilen voor huishoudelijk werk en het oppassen op haar acht maanden oude dochtertje Sonja. Met haar zelfbewuste karakter ontplooit Ljoebka zich al snel tot meesteres van het huishouden. Kondakova, Irina's huisgenootje, heeft het zwaar te verduren onder het alziende en geoefende dievenoog van de door de wol geverfde Ljoebka.

Dan verschijnt het krantenartikel over de vermeende spionage- en vergiftigingspraktijken van Russische artsen. Dit komt niet alleen Irina ter oren, maar ook haar collega's en werkgever, wat onherroepelijk tot haar ontslag leidt.

'Ze hebben een bende ontmaskerd, een artsencomplot' [...] 'U heeft de Pravda toch wel gelezen? Het artikel Moordenaars in witte jassen? ... Gifmengers!'

Ljoebka's talent om meer met een roebel te doen dan Irina voor mogelijk houdt,  haar onvermoeibare inzet, de liefdevolle verzorging van Sonja en haar onverzettelijke doortastendheid, doen Irina besluiten om haar desondanks in huis te houden. Wanneer Ljoebka haar vertelt over haar afkomst uit een gezin van opgejaagde koelakken, vinden ze elkaar in hun beider ellende. 'Paria vond paria'.

Het verdient bewondering dat Roebina met deze kleine novelle, dit grote verhaal heeft kunnen schrijven. Een indrukwekkende beschrijving van een gruwelijke periode uit de recente geschiedenis, met compassie, een lichtvoetige, soepele schrijfstijl en een tikkeltje humoristisch. Dit is Roebina's eerste werk dat in een Nederlandse vertaling is uitgebracht en het smaakt absoluut naar meer. Een politiek getint juweeltje uit de serie Slavische Cahiers dat nog lang na blijft gonzen.

Titel: Ljoebka | Любкa
Auteur: Dina Roebina
Vertaling: Ad Winnubst en Hein Remmen
Serie: Slavische Cahiers 36
Pagina's: 84
ISBN: 9789061434634
Uitgeverij Pegasus
Verschenen: december 2019