maandag 29 januari 2024

Autran Dourado - Het mensenschip

 

Het pathos van een verdoemde

In vertaling van Harrie Lemmens is deze week Autran Dourado’s Het mensenschip (A barca dos homens) uit 1961 verschenen bij Uitgeverij Koppernik. Ook Dourado’s roman Ópera dos Mortos – die onder de titel Opera der doden in 1997, eveneens in vertaling van Lemmens, werd uitgegeven bij Uitgeverij Coppens & Frenks – zal dit jaar in een heruitgave bij Koppernik verschijnen.

Waldomiro Freitas Autran Dourado werd in 1926 geboren in Brazilië, schreef meerdere romans en essays en liet een respectabel oeuvre na. Ook is hij meerdere malen in de prijzen gevallen, zoals de Jabuti-prijs in 1982 en de Camões-prijs in 2000. Voor A barca dos homens werd hem de Fernando Chinaglia-prijs uitgereikt. In 2001 verscheen de op Uma Vida em Segredo gebaseerde film A hidden life.

Over Het mensenschip zei Dourado zelf dat het ‘een verhaal van jagen en vissen’ is. De chronologisch opgezette roman speelt zich af op het fictieve eiland Boa Vista aan de Braziliaanse kust. Luzia woont met haar vaderloze, volwassen zoon Fortunato – ‘zijn geest was gedoemd om niet te rijpen’ – bij het gezin van Maria en Godofredo. Ze is het kindermeisje van Maria geweest en zorgt nu voor de drie kinderen van het echtpaar. Een van Luzia’s mysterieuze beloftes aan het drietal is om een bezoek te brengen aan het Strandkerkhof: ‘toverwoord, wondermysterie aan de donkere kant van de wereld waarin ze leefden.’ Het huwelijk van de bevallige Maria en de autoritaire Godofredo is op zijn zachtst gezegd sleets geraakt. Hij krijgt op relationeel en seksueel gebied niet veel meer gedaan bij Maria, die zich op haar beurt mag verheugen op de aandacht van de afgunstige luitenant Fonseca; ‘de man van wie iedereen afhankelijk was, de man die instond voor handhaving van orde en wet’ en die er lustig op los fantaseert haar het hof te maken.

Wanneer Fortunato op strooptocht gaat in de slaapkamer van Maria en haar ladekast doorzoekt, verliest hij zich in haar lingerie. Hij wordt echter gesnapt door Godofredo, waarop hij het op een lopen zet. De heer des huizes komt tot de conclusie dat de jongen zijn Smith-Wesson .36 ontvreemd moet hebben en doet hier aangifte van; het startsein van een heksenjacht. De hermandad is in rep en roer en samen met soldaten kammen ze het eiland uit. Om de voortvluchtige niet de kans te geven te vluchten, zijn de veerboten stilgelegd. De straten zijn leeg en uit angst dat er iets gruwelijks zou kunnen gebeuren, wordt de bevolking gesommeerd binnen te blijven. Ondertussen voert Luzia haar voodoo-rituelen uit door kruiden te verbranden in de hoop haar zoon te kunnen redden.

De gedetineerde Tonho – een mislukte visser en van cachaça afhankelijke dronkaard, die door Fortunato als zijn beste vriend wordt gezien – is een van de weinigen die de jongen begrijpt en heeft een zwak voor hem. Omdat hij het eiland kent als zijn broekzak, wordt hij vrijgelaten om achter de verblijfplaats van zijn vriend te komen. ‘Ik vind hem, laat dat maar aan mij over.’

‘Fortunato was niet gek, snapte de stad dat dan niet? Alleen wat zwakbegaafd. De stad snapte het niet, de mensen snappen van niemand iets. Net zoals hij was Boa Vista bang en ging het gebukt onder de druk van de angst. Er was een gewapende gek gevlucht. Tonho weigerde aan de revolver te denken, hij geloofde niet dat Fortunato ooit zou schieten. Maar hoe moet je een hele stad ervan overtuigen dat een revolver geen vuur spuwt?’


In het eerste deel van deze caleidoscopische roman wisselt het perspectief voortdurend tussen de verschillende personages. De besloten gemeenschap is bevooroordeeld, mede omdat Fortunato een kleurling is. De auteur laat de lezer kennismaken met hun existentiële angsten, bedenkingen en standpunten. Zo is er onder andere de met zijn geloof worstelende pater Miguel (‘De ergste zonde was niet die van het vlees, zoals leken en naïevelingen dachten, maar de bekoring van de geest. […] Ze moesten eens weten wat er met hem gebeurde. Een heilige, zeiden ze. […] Als ze de waarheid wisten zouden ze hun gezicht waarschijnlijk van hem afkeren of hem stenigen, dacht hij.’), de vertier biedende prostituees, de medegevangenen van Tonho, de masculiene, door machtswellust gedreven leden van politie en de soldaten. Allemaal hebben ze een eigen visie op Fortunato en de gebeurtenissen. Dourado weet dit op meesterlijke wijze psychologisch uit te werken en de diverse karakters een eigen stem te geven door zijn woordkeuze en verteltrant steeds weer aan te passen.

In het tweede deel is de onfortuinlijke Fortunato meer in beeld. Door middel van interne monologen die de passages over de besognes en standpunten van de overige eilandbewoners geregeld onderbreken, maakt hij ons deelgenoot van zijn angsten, twijfels en zijn koortsachtige, meanderende gedachtestroom. Zijn grote zorg is dat hij onder geen beding terug wil naar het gesticht. Dat verklaart zijn haast dierlijke reactie om op de vlucht te slaan en zich schuil te houden. Hij denkt met weemoed terug aan de tijd dat hij met zijn vriend Tonho op diens boot Madalena mee mocht ‘om op volle zee te kijken naar het glinsterend oppervlak van de zee, als schubben in het schelle daglicht’ en hoopt dat zijn vriend hem uit zijn benarde positie zal halen. Fortunato personifieert Madalena door de boot als mens te zien. ‘’s Avonds, als de boot met de kiel omhoog in het zand lag, was hij net een vrouw die lag te slapen met haar buik vol kinderen.’

‘[…] hijzelf zou naar de diepten van de hel gaan, zoals ze zeiden, dona Maria probeerde hem al die dingen bij te brengen uit het boek met het prentje van Jezus erop, doorboord met de lansen van de soldaten, ze zaten achter hem aan, zojuist nog had hij het schot in de nacht gehoord, het zware lood, nee, niet van lood maar van staal met lood erin, op de trap voor het stadhuis wreef de soldaat met poetskatoen de loop van zijn geweer op, toen had hij fluitend de kogels weggepakt, Tonho had ze hem afgepakt, want hij had ze aan Tonho gegeven, Tonho had altijd schone ogen als hij het vergeten was, hij vergat het altijd, de enige die het vergat, zijn vadertje, als hij dronken was droeg hij hem op zijn rug naar de Madalena, zijn hele leven had hij een vader gezocht, hij had hem gevonden, [...]’


Het mensenschip is een barokke roman die zich kenmerkt zich door de vele tegenstellingen, paradoxen en herhalingen. Autran Dourado is, bijna onopvallend, uiterst zuinig met interpuncties en bewijst met deze roman één van de grootste schrijvers te zijn van de vorige eeuw.

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Het mensenschip
Auteur: Autran Dourado
Vertaling: Harrie Lemmens
Pagina’s: 300
Uitgeverij Koppernik
ISBN: 9789083347103
Verschenen: januari 2024

zondag 7 januari 2024

Emmelien Kramer – Woestijnpassages

 

Worstelen met verlangens en lessen in blind zijn

Op het moment dat er in de Biblioteca Jaume Fuster te Barcelona een cursus Vedische Astrologie wordt gehouden, wordt deze bestormd, waarbij agenten van de Guàrdia Civil het gebouw omsingelen. Àngel en Rodrigo proberen zich in de veroorzaakte paniek het vege lijf te redden door te vluchten, terwijl ‘de Guàrdia Civil op hun laarzen rondslopen, zachtjes om de boeken niet wakker te maken, geruisloos om de teksten niet te wekken.’ De fills de puta weten Àngel te pakken te krijgen en voeren hem af; voor Rodrigo – ‘zijn haar [...] leek te bloeden, het bloed van anderen, van degenen die al jaren vochten voor hun onafhankelijkheid, om te kunnen doen wat ze wilden, het bloed dat uit wanhoop was gaan dichten’ – het moment om zich te bezinnen op een plan om Àngel terug te halen.

Emmelien Kramer (1980) debuteerde in 2015 met De koortstuinen gevolgd door De dagen met Fortunat (2020). Met Woestijnpassages neemt de auteur de lezer wederom mee naar Spanje en beschrijft ze de handel en wandel van de Catalaanse dichter en onafhankelijkheidsstrijder Àngel Or en de Latijns-Amerikaanse journalist Rodrigo Torres. De setting is de Catalaanse hoofdstad Barcelona, ten tijde van de onafhankelijkheidsstrijd eind vorige eeuw; een reeks van maatschappelijke en politieke opstanden die moest leiden tot de zelfstandige Catalaanse Republiek, een eigen identiteit en absolute vrijheid voor de Spaanse autonome gemeenschap Catalonië. Kramer woonde zelf ook een aantal jaar in Barcelona en las voor het onderzoek en ter voorbereiding getuigenverklaringen van slachtoffers van de martelingen. Ze draagt het boek op aan alle slachtoffers van de martelingen tijdens Operación Garzón in de zomer van 1992, aan alle slachtoffers van de martelingen in Via Laietana 43, aan alle slachtoffers van alle martelingen. 

Marjon Nooij

Na de dood van zijn uit Spanje gevluchte ouders, is Rodrigo vanuit Zuid-Amerika teruggekeerd naar zijn geboortehuis in Barcelona, waar hij zich onderdompelt in Catalaanse poëzie en ‘zijn fascinatie voor het wegglippen van de tijd’ ontstaat. Groot is zijn verbazing wanneer een brandende kaars niet lijkt op te branden. Kramer gebruikt dit gegeven ingenieus als metafoor van eeuwigheid en onsterfelijkheid versus vergankelijkheid.

‘Na twee weken was het hem duidelijk dat de kaars zich in een soort tijdsvacuüm moest bevinden, waar vacuüm niet het gebrek aan materie betekende, maar het stilstaan, het ontbreken van het verloop van de tijd, en omdat hij wilde weten hoe ver dit vacuüm zich om de kaars heen uitstrekte, begon hij te experimenteren.’


Flor de Mel, de redactrice van de krant, komt hem opzoeken met de vraag waar zijn briljante reportages blijven, maar hij zegt haar dat hij niet terugkomt en besluit de cursus Vedische Astrologie te volgen waar hij Àngel met ‘zijn diamantvormige gebruinde gezicht’ ontmoet. Àngel zegt dichter te zijn en te schrijven over de onafhankelijkheid van Catalonië, ‘op zoek naar een dekmantel om zijn soevereine poëzie te kunnen voeden‘. Hij vertelt Rodrigo dat hij zijn politieke gedichten heeft ingemetseld in een muur – ‘geelrood geschilderd als de woestijn’ – totdat ze nodig mochten zijn, omdat ze niemand onder ogen mogen komen. De auteur heeft de held iets etherisch gegeven. Hij zit met zijn waarheden in zijn eigen cocon.

Àngel was een lief en bedachtzaam kind. Hij huilde nooit, sprak als tweejarige al hele volzinnen. Hij bekeek alles om zich heen heel bedachtzaam en met een starende blik. ‘Het komt erop neer dat het voor dat kind op de een of andere manier compleet onmogelijk was om schoonheid te kunnen zien.’ Alles wat hij zag was vergankelijkheid, zelfs als iets niet lelijk was. ‘En naarmate zijn leeftijd vorderde, werd de wereld in zijn ogen alleen maar lelijker.’ Op zijn dertiende kreeg hij het verlangen om blind te zijn en hij vroeg de Blinde van Lesseps of die hem wilde leren wat het is om blind te zijn en te ‘kijken zonder te zien’. Om de lelijkheid te doen stoppen sloot Àngel zijn ogen af met plakjes klei en een blinddoek. Hierdoor hoorde en voelde hij ook de mooie dingen om zich heen en leerde hij hoe hij zijn andere zintuigen kon ontwikkelen en erop te vertrouwen. Zelfs het oversteken van een drukke straat werd een peulenschil.

‘Het was niet Mozes die de rode zee in tweeën splitste, nee, het was Àngel Or die wist welke auto’s hij moest ontwijken, die kon kijken zonder iets te kunnen zien, die zich tussen de voertuigen manoeuvreerde omdat hij precies wist wat hij deed, omdat hij nu eindelijk blind was.’


Het wordt antiheld Rodrigo al snel duidelijk dat er door de geheime dienst op Àngel gejaagd wordt en dat hij wel eens kan worden gezien als terrorist. Dit zet hem danig aan het twijfelen en hij kan Àngels vluchtige gedragingen maar met moeite volgen. Zijns ondanks gaat hij na de verdwijning toch op zoek naar zijn vriend en hij gaat te rade bij Flor de Mel – separatiste in hart en nieren en die, net als Àngel, rond Plaça de Lesseps heeft gewoond. Rodrigo besluit een stuk te schrijven over de onafhankelijkheidsstrijd van Catalonië, gaat de gevangenissen langs en volgt ondertussen de sporen van Àngels leven in het labyrint van Barcelona. Op zoek naar aanknopingspunten bezoekt hij verschillende bekenden van zijn vriend, hoort hun individuele verhalen aan en zelfs de noodkreet om vooral te stoppen met zoeken. ‘[…] ga niet op zoek naar Àngel, je zult hem niet vinden, wij leefden met hem, en vonden hem nooit.’

Ondertussen wordt Àngel blootgesteld aan sadistische martelingen door de Guàrdia Civil. Ze blinddoeken hem – wat hem natuurlijk niet vreemd is –, slaan hem op zijn voetzolen en rug, delen stroomschokken uit, trekken een plastic zak over zijn hoofd waarin ze rook blazen en onthouden hem van voedsel en slaap, terwijl ze hem aan ondervragingen onderwerpen. ‘[…] een onschuldige die op het punt stond schuldig te worden bevonden door deze schertsvertoning van een geheime dienst.’ Maar Àngel was door de Blinde van Lesseps op dit moment voorbereid, ‘[…] om het meest lelijke en afschuwelijke te zien zonder te kijken, zonder met zijn ogen te knipperen en het te begrijpen, het te nemen voor wat het was.’ Na een aantal dagen gooien ze hem vanuit de hel op straat; ‘[…] zijn lichaam was gesloopt, maar zijn ziel was perfect intact.’

Woestijnpassages is een beeldschone en caleidoscopische roman die het dik verdient om opgemerkt te worden in boekenland. Het onderwerp doet heel on-Nederlands aan, door de Spaanse setting en de aangrijpende beelden die het verhaal uit de tijd van de bloedige onafhankelijkheidsstrijd oproepen. Een intelligent verhaal over een harde confrontatie, dat ondanks de zware lading, evenzogoed ook iets dromerigs en ontroerends heeft meegekregen, door de Spaanse – en vertaalde – gedichten die hier en daar in de tekst zijn verweven, en door gebruik te maken van ravissante motieven als vlinders en bijen.

‘Wat de mensen hier zeggen is dat de bijen slapen in de bloemen van Lesseps, de weinige bloemen, want er zijn er niet veel, een enkele clematis, een enkele bloesem van de jacaranda, waar bijen rusten, begraven in de nectar, een deken van stuifmeel.’


De auteur heeft kans gezien om ook melancholie en surrealistische aspecten te verweven in de samengestelde zinnen die het verhaal doorspekken. Het vertelt over een raadselachtige zoektocht met verscheidene invalshoeken, naar de beweegredenen van een mijmerende, idealistische, maar volhardende onafhankelijkheidsstrijder; een martelaar die zich jarenlang bewust blind heeft gehouden om zich te behoeden voor lelijkheid en vergankelijkheid. De lezer krijgt door de gesprekken van Rodrigo met de mensen die iets over de ondoorgrondelijke Àngel vertellen, steeds meer kennis van het leven, de verlangens en beweegredenen van de verdwenen dichter, aangezien de draadjes uiteindelijk ontwarren en samenkomen. Met het verhaal van Àngel Or heeft Kramer een gezamenlijke stem willen geven aan alle slachtoffers van martelingen.

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Woestijnpassages
Auteur: Emmelien Kramer
Pagina’s: 166
ISBN: 9789493290594 
Uitgeverij Oevers
Verschenen: september 2023

donderdag 21 december 2023

Herman Rohaert – PLEK


Een plek om thuis te komen

Op de avond van de presentatie, toen iedereen aan het woord was geweest, was het de beurt aan de dichter zelf om te spreken over zijn nieuwste bundel. Na alle lovende woorden, beelden en muzikale ondersteuning, verwoordde Herman Rohaert (Ninove, 1958) ingetogen en glashelder waar PLEK vooral over gaat: ‘thuiskomen’. Het klonk zo eenvoudig. Nu, na herlezing, voegen allerlei elementen zich voor mij samen tot dit ogenschijnlijk vanzelfsprekende woord: thuiskomen – een woord dat glans geeft aan het al even vanzelfsprekend klinkende Plek.

Peter Brouwer

Bij de presentatie van een eerdere bundel van Herman Rohaert mocht ik al eens iets zeggen over zijn dichtwerk en waarin het zich volgens mij onderscheidt. Ik noemde toen het ‘eigen idioom’. Woorden als ‘ziek sikkelschip’, ‘alles overspoelende jurk’, ‘verdrinkingsdurf’. Woordsequenties als ‘bestegen-bereden-belegen’. En vooral: zelfstandige naamwoorden die werkwoorden worden: ‘hoe je afstandt’, ‘straatschuimt’, ‘ik vingerkaart je huid’. En niet te vergeten woordsamenstellingen als ‘duizeldronken’, ‘verteverlangen’, ‘mompeldroom’ 1).

In zijn nieuwe bundel PLEK heeft Herman woorden en woordsamenstellingen toegevoegd aan zijn idioom, als ‘geenplek’, ‘holle nergensheid’, ‘halfnijverheid’, ‘halflandelijkheid, ‘mijn mond muit’, ‘mijn speeksel ruift’, ‘de klif van je schouders’, ‘richt mij’, ‘rijg mij’.
Ik zou Rohaert echter tekort doen als ik hem alleen op zijn idioom zou beoordelen, want de wijze waarop hij met taal speelt, heeft niets maniëristisch.

Wanneer ik PLEK naast zijn eerdere bundels Som, Lust, Last, Liefde, en Beyond here lies nothin’ leg, dan springen voor mij de volgende thema’s in het oog: verlangen, liefde, verlies, loutering, natuur. Rohaert varieert naar mijn idee eindeloos op deze thema’s, zoals Rutger Kopland dat ook wel in zijn gedichten deed, die dikwijls het karakter van een psalm hadden. Je kunt hierop kritiek uiten, zoals die Kopland ten deel viel. Maar is herhaling niet de kracht van een boodschap? Mij vallen in het werk van Rohaert vooral de consistentie en lange adem op. Alsof de dichter steeds opnieuw thema’s behandelt waarin hij zich thuis weet, en deze in een stilaan herkenbaar idioom brengt. Een onvervreemdbaar idioom omdat het zijn idioom is, dat uitdrukking geeft aan thema’s die hem passen. Met een herhalingseffect dat muzikaal aandoet, namelijk in het terugkeren van thema’s en de uitwerking ervan in motieven.
Ik bespeur bij Rohaert geen maniertjes. Evenmin is er sprake van een ‘wij-gevoel’, een schrijven over de waan van de dag in het idioom van een generatie. Herman is een klassieke dichter.

PLEK is opgedeeld in een aantal afdelingen. In de eerste twee afdelingen is sprake van een je, een ik, een zij en een we, maar nog niet heel expliciet. De derde afdeling, ongeveer halverwege de bundel, heet 'LA MER'. Daarin staat een gedicht met de titel Marine. Het begint met meeuwen, Rohaert benoemt hun ‘barnstenen oog, hun gestipte snavel, // hun krijten gehuil’ en daarna de golven van de zee. Dan, vrij abrupt volgen de woorden ‘dijen zilt en koel’. De dichter lijkt een wending te nemen, een richting te kiezen, namelijk naar de fysiekmenselijke liefde, die vanaf dan ook niet meer wordt losgelaten.
Hetzelfde ervoer ik het gedicht 'Dit', in dezelfde afdeling. Het begint met kleuren, natuur en geluiden. Het eindigt met ‘dit is gestuw, / dit is gezuig, / dit is gesteun en / dit gehijg.’ Wederom een overgang naar het intieme, wat de indruk wekt dat dit een bewuste keuze is binnen de structuur van de dichtbundel, het grote thematische geheel.

Ik noemde daarnet Rutger Kopland, die in een verzameling essays over kunst in het algemeen en poëzie in het bijzonder sprak over een ‘mechaniek van de ontroering’ 2). De associatie met Koplands ‘plek om te blijven’ kwam niet voor niets bij mij op. In het openingsgedicht Zegt ze benoemt Rohaert voor mij het onuitgesprokene, het ongezegde, dat zich ‘aanbiedt’:

‘Als ze spreekt dwarrelt as, het legt zich op je huid tot
flinterdun tapijt, mat, grijs sediment.

Haar hese, doorrookte stem.

Ze heeft het je voorgedaan, het verbrokkelen van het woord
tot gruis, tot schurende korrels op een tafelblad, je kan
ze met de hand bijeenvegen, afkloppen,

ze heeft je verleid, gedwongen om vanaf hier verder
te gaan,
verder,
en opnieuw,
voorbij aan

tot het nog ongezegde, het niet uitgesprokene
zich aanbiedt, wankel op wit, leeg, roerloos papier,
als een kalfje op te hoge poten, nog niet
schoongelikt, zonder plek:

‘Neem het in je armen!’ zegt ze.’

 

Het beeld van een kalfje op hoge poten heeft poëtische zeggingskracht en vond ik roerend. En de slotregel, ‘Neem het in je armen!’ zegt ze’, is ijzersterk.

Even overtuigend is het gedicht April, cruelest month, het is intiem, op het expliciete af: ‘(…) het stormweer van april, / het jaagt ons onder de lakens.’
‘Als een schicht vlucht ik in je vlees, / je snee die al mijn zeuren smoort, // stelp mijn witte bloeden’.
Maar daar waar je het wellicht het minst verwacht, laat de dichter het gedicht sereen eindigen, in het Bijbelse: ‘(…) ik / woon in jou als een rib.’

Dan over de omgeving. In de gedichten in deze bundel is veel ruimte en oog voor de natuur: die is alom aanwezig, concreet in de zee, wolken, dieren (een ree, meeuwen, een kalf), wintergras, bruin gerand riet, regen, een eindeloos bos, donderslag en bliksem, de roep van een uil, de stilte in het landschap. De natuur als een decor, een natuurlijke habitat en… aanlegplaats voor geliefden, zoals in het gedicht 'Schroeiwind':

'In dit kurken landschap zie ik je uitvloeien, / loom en vochtig je ogen achter het riet van je / wimpers'. 


Rohaert schrijft even krachtig over vervulde liefde als over verloren liefde en het herdenken van de geliefde, zoals in het lamento-achtige 'Kwijt' (P17)

'Waar zijn de dagen, de talloze dagen, dagen / zonder naam en niet geteld, al de dagen waar / de wolken overheen gesneld'.


Daarnaast is er de stedelijke ruimte, dikwijls een desolate plek met een eigen geschiedenis en betekenis. In Achterkant uit de afdeling met de (veelzeggende) titel 'AFGESCHREVEN LAND', verwordt ruimte tot een niemandsland dat zich schier aan het oog onttrekt: 'Een huis, geplant in het midden van een volledig leeg betonnen vierkant, een / paar voetbalvelden groot, twee gele strepen leiden kaarsrecht en evenwijdig / naar de dichtgemetselde voordeur.' Ook hier suggereert de ruimte, door middel van een deur, het menselijke. In dit geval de afwezigheid van mensen, door het dichtmetselen van die deur.

Daarnaast speelt de dichter met ruimte en fysica en probeert hij die zo exact mogelijk te beschrijven. In het gedicht 'Doordringen' staat er: ‘Als jij niet door mij geraakt, niet voelt / de frequenties, de wolken geladen deeltjes / jou toegestuurd, // als mijn afwezigheid jou niet een / leegte, tocht, huivering, // lanceer ik woorden, niet uitgesproken, / of letters pulserend op een scherm (…)’. Voor mij mogen abstracties als ‘afwezigheid’ en ‘leegte’ in een gedicht ontbreken, beelden ontstaan vanuit de taal zelf en Rohaerts idioom is beeldend genoeg en rijk van zichzelf.

De invloed van natuur en fysica op het persoonlijk-intieme, het metaforische karakter ervan, is evident. Toch eindigt een experiment bij Rohaert nooit in een hermetisch construct of een geïsoleerde gedachte. Ik heb eerder de indruk dat natuur, ruimtes, abstracties dienstbaar zijn aan het persoonlijk intieme. Alsof de dichter zich wil verhouden, steeds de mens zoekt, bij een ik en een jij wil uitkomen en eindigen. Hierdoor is Rohaerts poëzie op een vanzelfsprekende manier toegankelijk: een dichtgemetselde deur als metafoor voor eenzaamheid.

PLEK bevat veel originele metaforen waar je als het ware aan blijft haken. Ook in een gedicht als Leestekens benoemt de dichter twee zaken. Leestekens, uiteraard, maar ook hier is het intermenselijke nooit ver weg: 

‘(…) ik wil krabben aan de film van krijt tussen jou / en mij tot ik ontdek: de zwarte stippen, de komma’s, / de punten, je hebt ze, jouw dialect van zwijgen, / niet overdekt, // leestekens reik je mij aan.’


Ik begon deze bespreking met de duiding die Herman Rohaert zelf aan zijn nieuwe dichtbundel gaf: thuiskomen. Ik merkte op dat bij herlezing allerhande zaken samenvielen. Thuiskomen is een ogenschijnlijk vanzelfsprekend woord dat glans geeft aan het al even vanzelfsprekende Plek. Thuiskomen betekent echter ook dat men dat huis ooit heeft verlaten, of dat het huis zijn deuren heeft gesloten – ik roep hier nog eens de afwezigheid van mensen, door het dichtmetselen van die deur in herinnering.

Ik had bij lezing van deze bundel associaties met Schuberts Winterreise 3), vanwege het aspect van de omzwervingen van de protagonist, de wisselende landschappen, soms liefdevol dan weer desolaat en schrijnend, een inzicht dat gaandeweg ontstaat en dat zich moeilijk laat verwoorden.

Er valt veel te ontdekken in deze kloeke bundel poëzie. Door het eigen(zinnige) idioom en het herhalingseffect van thema’s en motieven, doet ze muzikaal aan. Alles overziend, gaat deze dichtbundel voor mij vooral over catharsis, loutering. In mijn beleving wordt de vanzelfsprekende plek herwonnen, nadat deze leek te zijn verloren.

Voetnoten
1) Herman Rohaert: Beyond here lies nothin’, 2019 Uitgeverij P
2) Rutger Kopland: Het mechaniek van de ontroering, 1995 Uitgeverij Van Oorschot
3) Liederencyclus van Franz Schubert (op. 89, D 911) voor zang en piano op gedichten van Wilhelm Müller.


Titel: PLEK
Auteur: Herman Rohaert
Pagina’s: 64
Uitgeverij P
ISBN: 9789464757125
Verschenen: oktober 2023

donderdag 7 december 2023

Interview – Arjen van Meijgaard over Pretpark Paradijs



‘Mijn verhalen zijn meestal gebaseerd op iets wat ik gezien heb’

Over de auteur

Arjen van Meijgaard (Den Haag, 1973) is docent Nederlands op de School voor Jong Talent, onderdeel van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Na zijn middelbare school woonde en werkte hij een jaar in Parijs als au pair en als straatmuzikant. Hij studeerde Nederlands en Frans aan de Universiteit van Utrecht. Tijdens zijn studie verbleef hij een half jaar in Coimbra (Portugal) om les te geven bij de vakgroep Nederlands. Voor zijn docentschap was hij boekverkoper in Utrecht en Den Haag en werkte hij als onderwijscoördinator aan de Universiteit Leiden. 

In 2017 debuteerde hij met de roman We hebben alles bij ons, in 2022 gevolgd door De laatste klanken van Icarus. Onlangs verscheen bij Uitgeverij kleine Uil de verhalenbundel Pretpark Paradijs, met daarin een twintigtal zeer uiteenlopende korte verhalen die eerder zijn gepubliceerd in diverse literaire tijdschriften. Een deel daarvan werd ook genomineerd voor literaire prijzen.

Over het boek

Van Meijgaard weet de lezer in Pretpark Paradijs stante pede zijn verhalen in te trekken door met een sterke zin af te trappen en zich te beperken in het weggeven van hints. Het verhaal wordt binnen de kaders getoond, maar door spanningsvelden te creëren en spaarzaam te zijn in het beschrijven van details, wordt de lezer uitgenodigd om out-of-the-box te gluren. 

Het overgrote deel van de verhalen eindigt met een sterke pointe, die verrassend is en soms zelfs een spannende toets of een plottwist aan het verhaal geeft. De auteur weet in een relatief beperkt aantal bladzijden een krachtig verhaal neer te zetten.


Interview

Amsterdam, 21 november 2023; voor het interview hebben we afgesproken elkaar nog eens halverwege te treffen in de sfeervolle, gezellige wijnbar van Auberge Jean & Marie in de Albert Cuypstraat.

Marjon Nooij

Vorig jaar verscheen je roman De laatste klanken van Icarus, en onlangs je verhalenbundel Pretpark Paradijs. Waarin verschilt het schrijven van roman en verhaal? Waar kun je je ei in kwijt?

‘Een roman is een veel langer proces. Omdat ik naast mijn baan maar een paar keer per week kan schrijven, is een roman dan lastiger, de verhaallijn moet je goed in de gaten houden, de plot, de personages. Dat moet allemaal niet ontsporen. Bij een kort verhaal kun je die lijntjes sneller afronden en kun je bij wijze van spreken in één dag de grove schets op papier zetten om die daarna uit te werken.’

Bereid je je daar op een andere manier op voor?

‘Een roman begint met een groter een idee, met allemaal vertakkingen in aanleg die onderweg verder uitgroeien of juist gesnoeid worden. Mijn verhalen zijn meestal gebaseerd op iets wat ik gezien heb. Het verhaal ‘Nocture’ kwam tot stand nadat ik in een restaurant een wat oudere pianist in een hoekje achter een vleugel zag zitten spelen. Eigenlijk net als ‘Nachtvlinder’, ook die hoofdpersoon heb ik als het ware ergens een keer echt gezien. Dan wil ik iets met zo’n personage en ontstaat een verhaal met een kop en een staart. Tenminste, dat hoop ik.’

Een aantal verhalen is al eerder verschenen. Hoe gaat zo’n selectie voor een bundel in z’n werk?

‘De verhalen zijn inderdaad voor een deel eerder verschenen in verschillende literaire tijdschriften (De Tweede ronde, Deus Ex Machina, Lava Literair). Het leek me mooi die te bundelen, er is, denk ik, zeker een lijn in te ontdekken. De hoofdpersonen proberen een weg te vinden in de wereld die best veel van hen verlangt. Ze zijn allemaal op zoek naar geluk en die zoektocht herkennen we denk ik wel. 

Aan een paar verhalen was ik al wat langer geleden begonnen, die heb ik voor deze bundel afgemaakt. ‘Activist’, het verhaal over een ontmoeting met Gerrit Komrij, heb ik in 1998 geschreven nadat ik een dag met de schrijver en zijn vriend in Coimbra had doorgebracht. Afgelopen mei was ik weer in Coimbra, deze herontmoeting met de stad heb ik door het bestaande verhaal heen gevlochten.’

Een intrigerende en beetje paradoxale titel, Pretpark Paradijs. Komt dat overeen met het verhaal?

‘De hoofdpersoon van het titelverhaal zit in een lege kamer, een soort inrichting, en begrijpt niet goed waarom hij daar zit. Het verschil tussen goed en kwaad is hem niet helemaal duidelijk. Dat is misschien de link met het paradijs, waar het allemaal goed en mooi hoort te zijn, maar waar ook de verleiding en het kwaad in de vorm van de slang rondkruipt. De hoofdpersoon vraagt zich af waarom er nog geen pretpark is dat het Paradijs nabootst. Op zich een terechte vraag, denk ik.’

Twee van je verhalen zijn winnende verhalen voor Duizend woorden. Hoe ging dat in z’n werk?

‘Die wedstrijd was een samenwerking tussen VPRO, NRC en Uitgeverij Nieuwe Amsterdam. De enige restrictie was het maximum van duizend woorden. Uit alle inzendingen werd per week iemand uitgenodigd die zijn/haar verhaal bij het radioprogramma De avonden van de VPRO mocht voorlezen. Daar zaten dan twee schrijvers die feedback gaven op het verhaal. Ik heb twee keer meegedaan en mocht twee keer komen voorlezen (‘Camping’ en ‘Goudvis’ uit de bundel). Wim de Bie had een gesproken column aan het eind van het programma. Het was bijzonder om je eigen verhaal voor te lezen, terwijl je niet wist wie je publiek was.
Het verhaal ‘Camping’ verscheen ook nog in NRC en in een uitgave van Bulkboek.’

Sommige andere verhalen zijn genomineerd. Stimuleert dat, ook al win je misschien niet de eerste prijs?

‘Het is natuurlijk al heel fijn om genomineerd te zijn. Je krijgt dan een uitnodiging om bij de bekendmaking van de winnaar te zijn, maar ik vermoedde dan altijd wel dat als je niet specifiek gevraagd werd, je niet bij de eerste drie zat. Maar goed, je hoort bij de shortlist van bijvoorbeeld de laatste 5 of 10. Zo ben ik naar Arnhem, Antwerpen en Utrecht gereisd. Soms was er een literair tijdschrift aan verbonden of een kleine uitgave, daar stond ik dan wel in. En ja, dat is zeker stimulerend, om je eigen tekst gedrukt te zien. Nu ik in de redactie van Elders literair zit, kan ik me goed voorstellen hoe de drie genomineerden van de laatste poëziewedstrijd zich voelden. Ze waren gekozen uit ruim 400 inzendingen en mochten op het podium voor een volle zaal hun gedicht voordragen.’

Waaruit bestaan je bezigheden voor onder andere het literaire tijdschrift Elders?

‘Samen met auteur Kees Ruys ben ik redacteur proza. We beoordelen de ingezonden verhalen en kijken of die voor plaatsing in aanmerking komen, op de website of in het papieren nummer dat twee keer per jaar verschijnt. Je leert enorm veel van het lezen van andermans werk. Waarom zijn bepaalde zinnen mooi en andere juist niet, wat blijft hangen, wat is cliché. Soms is de verhaallijn goed, maar de stijl minder. Andersom komt natuurlijk ook voor. 

Voor Tzum recenseer ik literatuur, dat is vergelijkbaar, ook daar leer ik van. Waarom laat een boek een bepaalde indruk achter? Beklijft het verhaal, doet het iets met je als lezer. Bij het Letterenfonds beoordeel ik af en toe een boek voor een subsidieaanvraag, dan moet je vooral kijken naar het literaire gehalte en hoe ingewikkeld het duiden daarvan soms ook is, je voelt als lezer wel of iets potentie heeft of niet.’

Het lijkt me lastig om te combineren: een baan en schrijven. Ben je ook daadwerkelijk minder gaan werken om meer te schrijven, zoals je in het vorige interview aangaf?

‘Tot de zomervakantie werkte ik op twee scholen. Dat heb ik 6 jaar gedaan, maar het kostte uiteindelijk te veel energie. Met een van de twee scholen ben ik gestopt, hoe jammer ik dat ook vind. De leerlingen inspireerden en het was leuk om met hen over literatuur en poëzie te praten en ze een beetje wegwijs te maken in die wereld. Nu kan ik meer tijd vrijmaken voor mijn volgende roman. Het verhaal gaat over de ballast die je als kind meekrijgt van je ouders. Je erft van alles: herinneringen, gewoontes, gedrag, normen en waarden, maar ook spullen. En daar moet je iets mee. Het is voor mezelf interessant om daarover na te denken en dat in een verhaal te gieten.’ 

En wanneer is het af. Volgend jaar?

‘Nee, dat zou wat veel zijn, drie boeken in drie jaar. Voor mezelf heb ik twee tot drie jaar uitgetrokken. Ik ben al aardig op weg, maar het kan nog alle kanten uit. Dat is tegelijk fijn en onzeker. Het is een proces, niets staat vast tot het af is.’ 

--

Titel: Pretpark Paradijs en andere verhalen
Auteur: Arjen van Meijgaard
Pagina's: 156
Uitgeverij kleine Uil
ISBN: 9789493323100
Verschenen: november 2023

maandag 27 november 2023

E.M. Forster - Maurice


Een misdadige ziekte

De bildungsroman Maurice van E.M. Forster (Londen, 1897-1970) is een Britse klassieker die werd geschreven in 1913-1914. Het is misschien niet Forsters beste werk – eerder werk van zijn hand bestaat uit Where angels fear to tread, The longest journey, A room with a view en Howards end –, maar wel het meest privé. Het beschrijft de ontluikende homoseksuele geaardheid van de hoofdpersoon, de bewustwording van de eigen identiteit en zijn worsteling daarmee.

Forster heeft het bij leven nooit uit willen geven. Tijdens de jaren dat het in de kluis lag, heeft hij het nog regelmatig bewerkt en in 1960 schreef hij een nawoord. Het zou nog tot 1971 duren eer het postuum verscheen, daar Forster had aangegeven dat het boek pas uitgegeven zou mogen worden na zijn dood. In 1987 verscheen de roman op het witte doek met een hoofdrol voor Hugh Grant.

Het is te bewonderen dat Fortser deze roman heeft geschreven in een uiterst homofobe tijd, waarin homoseksualiteit werd gezien als een psychiatrisch ziektebeeld en het bij wet zelfs verboden was om een relatie aan te gaan met iemand van de eigen sekse. In 1957 werd in Groot-Brittannië het Wolfenden Report gepubliceerd met het dringende advies om homoseksualiteit tussen mannen niet meer te bestempelen als criminele activiteit of als ziekte. Het zou echter nog tot 1967 duren voor het in Engeland werd gelegaliseerd en gedecriminaliseerd. Pas op 15 dec 1973 schrapte de American Psychiatric Association homoseksualiteit uit het lijstje van psychiatrische stoornissen. Hoewel Forster zijn homoseksualiteit in zijn vriendenkring nooit onder stoelen of banken heeft gestoken, is het wel te begrijpen dat hij dit voor het grote publiek geheim hield.

Marjon Nooij

Maurice is een roman in Victoriaanse stijl, vol verlangen, vertwijfeling en zich verloren voelen, zich afspelend in de middle upper class, waarin de zoektocht naar identiteit en klassenverschil centraal staat. Leraar Ducie, die ervan op de hoogte is dat Maurice uit een vaderloos gezin komt, ziet het als zijn nobele taak om de bijna vijftienjarige ‘onwetende ziel’ in te wijden in de geheimen tussen man en vrouw, en het uit te tekenen in het zand. ‘Alles hangt met elkaar samen – alles – en de schepping zit werkelijk prachtig in elkaar. Man en vrouw! O, het is zoiets moois!’ Het is nou niet direct informatie waar de jongen warm voor loopt en het wonder der schepping lijkt ver van zijn bed.

Op Cambridge maakt Maurice kennis met medestudent Clive Durham. Ze voelen zich beiden gentleman; carrière maken, respect krijgen en aanzien hebben is belangrijk, hoewel met name Clive nogal snobistisch is en niet wars van pretenties. Ze vermaken zich met studentikoze criquetwedstrijden. Tussen hen ontstaat grote genegenheid.

Maurice is eerlijk tegen zichzelf over zijn gevoelens voor Clive, maar doet toch zijn best een meisje het hof te maken, die echter instinctief aanvoelt dat er iets niet klopt. Clive en hij stoeien wat en het begint tussen hen te broeien, waarop Clive hem zijn liefde betuigt. Maurice houdt hem echter nog op afstand. Hij is onervaren, weet niet goed wat hij met zijn verlangens aan moet en herinnert zich het proces tegen Oscar Wilde uit 1895. Hij tracht zich daardoor aan te passen aan de verwachtingen en de geldende mores. ‘[…] het is de ergst denkbare misdaad, en je mag er nooit meer over beginnen.’ Maurice kan echter niet lang meer ontkennen dat hij zijns ondanks verliefd op Clive is, maar deze wil hun relatie naar een hoger niveau wil tillen en het zuiver platonisch houden. Fysieke intimiteit zou hun relatie maar bederven. ‘Zij hadden hun leven volmaaktheid gegeven, in ieder geval voor korte tijd.’

Wanneer Clive na een periode van ziekte voor een vakantie naar Griekenland vertrekt, lijkt hij ook op het ‘andere’ vlak genezen en schrijft zijn vriend: ‘Tegen mijn wil ben ik normaal geworden. Ik kan er niets aan doen.’ Clive trouwt – met de gedachte in het achterhoofd dat hij zijn stamboom en familielandgoed moet veiligstellen en zich moet conformeren om aan alle verwachtingen te voldoen –, maar de huwelijksnacht is meer een verplichte en technische aangelegenheid, daar de beide echtelieden niet weten wat er van ze wordt verwacht en Clive zich daar waarschijnlijk gemakkelijk achter kan verschuilen. Hij ontkomt niet aan de gedachte dat het huwelijk hem slechts ‘geestelijke vaagheid’ heeft gebracht, maar ook een respectabel aanzien.

Maurice blijft een regelmatige gast in het tanende huis van de Durhams. Het rivaliteitsgevoel is echter groot en hun vriendschap verandert totaal na Clives huwelijk. Ten einde raad bezoekt Maurice een arts – ‘[…] ook al zouden zijn lichaam en ziel geweld worden aangedaan. In deze wereld moest men trouwen of wegkwijnen.’ – hopende dat die hem kan genezen. Doch de dokter wuift alles weg als onzin; ‘zorg dat je de juiste vrouw vindt… dan zijn de moeilijkheden voorbij.’ Dan laat hij zich door Lasker Jones onder hypnose brengen. ‘Ik heb het al zolang ik mij kan heugen, en weet niet waarom. Wat is het? Ben ik ziek?’ Volgens Jones ‘kunnen frisse lucht en sport wonderen verrichten.’ Zelfhaat en suïcidegedachten dringen zich door eenzaamheid en liefdesverdriet aan de innerlijk gekwelde jongen op. Het is aangrijpend om te lezen hoe hij zich probeert te confirmeren aan de geldende waarden en normen.

Met in het achterhoofd dat homofobie, zelfs gepaard gaande met fysiek geweld, nog altijd bestaat, is Maurice nog steeds een actueel verhaal. Het is eerder al in 1977 verschenen in een vertaling van Theo Kars en Uitgeverij Nieuw Amsterdam heeft het onlangs opnieuw uitgegeven, waarbij er niet voor is gekozen om het te laten hertalen in meer hedendaagse schrijftaal. De stijl komt wat gedragen en gedateerd over, maar past wel goed bij de tijd waarin het is geschreven. Ook de destijds geldende omgangsvormen op de universiteit worden hierdoor schitterend in beeld gebracht. De erotiek is alleen tussen de regels te lezen, de auteur blijft terughoudend in zijn beschrijvingen.

Door het voorwoord te laten verzorgen door Splinter Chabot heeft de uitgever er waarschijnlijk op gegokt om ook het jongere publiek geïnteresseerd te krijgen voor de roman, vooral omdat de emoties die bij ontluikende seksuele gevoelens om de hoek komen kijken nooit zullen veranderen; laat staan de onzekerheden die opduiken wanneer je ontdekt dat je op je eigen sekse valt. Chabot noemt het een ‘sprookjesachtig liefdesverhaal’, maar het overgrote deel van de ervaringen van de hoofdpersoon zijn allesbehalve sprookjesachtig te noemen. Omdat de homoseksuele gevoelens door wetenschap, maatschappij en kerk niet serieus werden genomen, leidde dit bij Maurice en Clive tot onzekerheid, schaamte, ontkenning en zelfs walging en zelfhaat.

Op het landgoed van de Durhams ontmoet Maurice jachtopziener Alec. Ondanks het klassenverschil bloeit er een relatie op tussen de twee. Tot afschuw van Clive biecht Maurice op dat hij alles aan Alec heeft gegeven, niet alleen emotioneel, maar ook seksueel.

In zijn nawoord schrijft Forster dat Maurice is ontstaan door een ontmoeting met Edward Carpenter die diepe indruk bij hem heeft achtergelaten door een aanraking. In één jaar tijd schreef hij het manuscript dat hij heeft opgedragen ‘aan een gelukkiger jaar’, met geluk als leidmotief. Zelfs Forster zegt in 1960 dat zijn verhaal van vóór de twee wereldoorlogen ontegenzeglijk gedateerd is, met name door de atmosfeer en diverse anachronismen die erin voorkomen. De vroeg 20e-eeuwse mores staat natuurlijk ver van onze moderne realiteit af. Dit neemt niet weg dat we het heden ten dage als een klassieker kunnen lezen, waarin vooral Maurice de lezer het meest zal raken met zijn tragiek en onschuldige onbevangenheid. Pas wanneer hij zijn homoseksuele gevoelens erkent, verzet hij zich tot groot ongenoegen van zijn moeder tegen de Heilige Drie-eenheid.

Van William di Canzio verscheen in 2021 zijn debuutroman Alec, waarmee hij het vervolg schreef op Maurice vanuit het perspectief van Alec Scudder aan de vooravond van en tijdens de Grote Oorlog.

Maurice is een diep ontroerende roman over emotionele worstelingen, de zoektocht naar de eigen identiteit en begrip.

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Maurice
Auteur: E.M. Forster
Vertaling: Theo Kars
Pagina's: 302
ISBN: 9789046831090
Uitgeverij Nieuw Amsterdam
Verschenen: september 2023

dinsdag 21 november 2023

Şaban Ol – De laatste voorstelling


Wanneer men een clown zijn circus afpakt

Je hebt eindelijk een dag voor jezelf om in alle rust te gaan schrijven aan een nieuw toneelstuk; geen afspraken in de agenda, maar je vergeet helaas de stekker van de voordeurbel uit het stopcontact te halen. En ja, dan gaat de bel. Dit overkomt ik-figuur Erhan Aksoy die al geruime tijd op de planken staat met het epische Turkse theaterstuk Droefheid der dingen. Voor de deur staat ‘een zeiknatte man met in zijn hand een bos anjers’ die zich voorstelt als Ender Soylu. ‘Is het toevallig dat mijn dag verstoord wordt door iemand wiens naam ‘zeldzaam’ betekent?’ Tot grote ergernis van Erhan stelt Ender zich wat al te voorkomend en bescheiden op, wanneer hij vertelt dat hij de voorstelling al 157 maal heeft gezien en bekent er zeer door te worden geraakt. ‘Ender heeft een liefde ontwikkeld door Droefheid der dingen. De spanning tussen Ender en mij verdwijnt.’

De nieuwsgierigheid van de ik-figuur naar de motieven van zijn uiterst trouwe bezoeker, nopen hem zijn fan binnen te nodigen. Ender steekt direct van wal met goede raad: meer visuele elementen, de pauze overslaan ten behoeve van het ritme van de voorstelling en derhalve de changementen op het toneel laten plaatsvinden, minder interactie met het publiek en vooral letten op dissonante intonaties. Gaandeweg worden zijn bemoeienissen dwingender. Ender Soylu lijkt het hele stuk naar zijn hand te willen zetten en hij ontpopt zich tot een heuse stalker.

Marjon Nooij

Şaban Ol (Aksaray, Turkije, 1962) groeit vanaf zijn zesde op in Bursa in een gezin met zes kinderen en een afwezige vader die als arbeidsmigrant in Nederland verbleef. Vanwege gezinshereniging verhuist het gezin naar Alkmaar, waarna Ol op zijn zestiende volgt. Hij raakt daar gefascineerd door Filmtheater Provadja en besluit een regisseursopleiding te volgen. In 2000 is hij één van de oprichters van de interculturele theatergroep Theater RAST – het huisgezelschap van Podium Mozaïek in Amsterdam West –, waarvan hij de artistiek leider is. Hij vertaalt toneelstukken van het Nederlands naar het Turks. Eerder schreef hij in het Turks twee dichtbundels, nu gevolgd door zijn, eveneens in het Turks geschreven, debuutroman De laatste voorstelling die zich afspeelt in Beyoğlu (vroeger Pera), een kosmopolitische wijk in Istanbul. Erhan Gürer heeft de roman vertaald naar een zeer levendig Nederlands. De hoofdpersoon van De laatste voorstelling is geïnspireerd op bestaande Turkse theatermaker Ferhan Şensoy (1951-2021).

Wanneer Erhan de suggesties van Ender ten uitvoer brengt, stuit dat op ongenoegen van Cafer, de uitbater van het theatercafé, die zijn omzet van de drankverkoop ziet dalen en vreest dat hij zijn gezin niet meer kan onderhouden. Cafer oppert om de versnaperingen te verkopen tijdens de changementen. ‘Het zou een perfect Verfremdungseffekt opleveren’ ten behoeve van de nostalgie. Dat Cafer uiteindelijk de traditionele Turkse koffie en bieren inruilt voor commerciële, westerse eenheidsworst-merken is Erhan, net als de goedbedoelde tips van Ender, een doorn in het oog.

‘Jullie hebben een figurant van me gemaakt op mijn eigen podium. Mijn stuk verkracht, verdomme. Rot op! Ga van mijn podium af!’

In Beyoğlu, waar het wemelt van de louche en onfrisse nachtclubs, belandt Erhan in de Moulin Rouge om zich te verpozen. Ook Ender duikt daar plotsklaps op. Aan het eind van de avond krijgt Erhan een exorbitante, maar dubieuze rekening voorgeschoteld, waartegen hij protesteert. Dit resulteert in het krijgen van klappen en trappen, en hij belandt in een cel met 15 andere mannen, met tegenover hen een cel met transseksuelen. Wanneer hij hoort dat er aangifte tegen hem is gedaan, is dat het begin van een reeks kafkaëske ervaringen die steeds beklemmender gaan aanvoelen. Zo krijgt hij ineens een brief van het Ministerie van Cultuur, waaruit blijkt dat de censuurcommissie ook zíjn theaterstuk in de smiezen heeft:

‘We hebben geconstateerd dat u in uw stukken bovenmatig gebruikmaakt van slang en scheldwoorden. Dat druist in tegen onze nationale en morele waarden, zeden en tradities en heeft een slechte invloed op de jeugd. We hopen dat u begrip zult hebben voor de situatie en het nodige zult aanpassen. […]. Als u niet gehoorzaamt, kunnen we u een boete opleggen en kan uw theater worden gesloten.’


Wat Erhan echter grote zorgen baart, is dat Ender – zijn trouwste fan – van de aardbodem lijkt te zijn verdwenen. Tot zijn opluchting staat zijn vriend na verloop van tijd ineens voor zijn deur en vertelt hij zíjn kant van het verhaal.

Ol heeft een aantal autobiografische elementen verwerkt in zijn roman, maar schroomt ook niet om maatschappijkritisch te zijn. Zo haalt hij de censuur in Turkije aan, de corruptie, het verbod op transseksualiteit, de gevaarlijke en rechteloze positie van de lhbti’ers en het oppakken van mensen die toevallig op de verkeerde plek waren, zoals hem zelf ook is overkomen toen er een bom ontploft was bij een synagoge. Ook in zijn moederland zal zijn roman verschijnen en hij zegt goede hoop te hebben dat zijn tekst niet gecensureerd zal worden.

In verband met zijn Poolse tournee belandt Erhan voor een festival in Krakau, waarna het gezelschap doorreist naar Amsterdam, waar hem het trieste nieuws bereikt dat de bevriende transseksueel Tutku onder verdachte omstandigheden dood is gevonden. Bij terugkeer in Istanbul wacht hem een onaangename verrassing. ‘Ze hebben de clown zijn circus afgepakt.’ Het maakt duidelijk dat het ook de artistiekelingen niet gemakkelijk wordt gemaakt om hun creativiteit op hun eigen manier tot uiting te brengen.

‘Na afloop is er een staande ovatie en nodigt Demir ons en de andere festivaldeelnemers uit voor een diner in het Turkse restaurant Beyoğlu. Ik heb mijn hele leven in Beyoğlu doorgebracht, het staat centraal in Droefheid der dingen, dus ik weet niet of ik een surrogaat kan verdragen.’


De laatste voorstelling is een strak gecomponeerde roman, met een compacte plot, maar door de gelaagdheid toch een volle roman. Het staat bol van absurdistisch symbolisme, waarbij het Turkse systeem op gitzwarte, maar humoristische wijze op de hak wordt genomen. Door de geraffineerde en stapsgewijze opbouw wordt langzaam maar zeker steeds duidelijker in welk wespennest de ik-figuur zich bevindt. De spetterende dialogen maken deze debuutroman tot een feest om te lezen.

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: De laatste voorstelling
Auteur: Şaban Ol
Vertaling: Ender Gürer
Pagina's: 160
ISBN: 9789083210896
Uitgeverij Jurgen Maas
Verschenen: augustus 2023

zondag 12 november 2023

Arjen van Meijgaard - Pretpark Paradijs en andere verhalen


Suggestieve, onorthodoxe verhalen, met soms een macaber tintje en een sterke pointe

‘De zwemmer zwemt niet meer.’ Met deze sterke en suggestieve zin begint Van Meijgaard het eerste verhaal in deze bundel. De voyeuristische dame bespiedt de man dagelijks, genietend van zijn jonge lichaam, maar ook ietwat gegeneerd. ‘Op het moment dat hij zijn zwembroek uitdoet, draait ze discreet de verrekijker de andere kant op.’ De grote vraag is of zíj zich eigenlijk wel onbespied mag wanen.

Arjen van Meijgaard (Den Haag, 1973) is docent Nederlands op de School voor Jong Talent, onderdeel van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. In 2017 debuteerde hij met de roman We hebben alles bij ons, in 2022 gevolgd door De laatste klanken van Icarus. Onlangs verscheen bij Uitgeverij kleine Uil de verhalenbundel Pretpark Paradijs, met daarin een twintigtal zeer uiteenlopende korte verhalen die eerder zijn gepubliceerd in diverse literaire tijdschriften. Een deel daarvan werd ook genomineerd voor literaire prijzen.

Marjon Nooij

Het schrijven van een bespreking van een verhalenbundel kost soms wat hoofdbrekens, omdat er meerdere kleine plots te lezen zijn en je nooit aan alles aandacht kunt besteden. De verhalen zijn zeer divers van opzet, setting, onderwerp, perspectief en sfeer; soms geestig, dan weer absurdistisch. Subtiele aanwijzingen vallen bij overdenken of herlezing goed op zijn plaats. Er wordt mooi gebruik gemaakt van de techniek show, don’t tell. Het gebruik hiervan is geen wet van meden en perzen – soms móet je gewoon iets vertellen ter verduidelijking –, maar het geeft duidelijk meer kracht aan het verhaal.

Een verrukkelijk schurend verhaal is ‘Mannen’, waarin Lucas opgroeit zonder vader. Hij hoort zijn moeder tegen iedereen vertellen dat hij is overleden, maar Lucas weet donders goed wie het is en hij volgt hem soms. Bij Lucas thuis komen er regelmatig mannen over de vloer, soms eenmalig, soms frequenter, maar meestal ontwijkt hij de heren door uren door de stad te slenteren. Geleidelijk ontstaat er in zijn kinderlijke logica een vertederend plannetje om zijn moeder in bescherming te nemen tegen de lange rij vreemde bezoekers.

‘Wie zijn vader is, is hem bekend, maar daar blijft het ook bij. Het is de man die drie straten verder woont en getrouwd is met een vrouw met één arm. Lang heeft Lucas gedacht dat zijn vader bij die vrouw bleef, omdat hij medelijden met haar had, maar als hij zijn moeder mag geloven, is het een ongevoelige man die alleen aan zichzelf denkt. Bij de eenarmige vrouw heeft zijn vader een tweeling. Twee meisjes die drie jaar jonger zijn dan Lucas. Hij groet de meisjes als hij ze op straat tegenkomt en weet dat zij niet weten wie hij is. Hij is er trots op hun halfbroer te zijn, ook al zal hij dat nooit zeggen.’


In het morbide, maar humoristische verhaal ‘De barbier’ hoopt Willem zichtbaar op te knappen van een goedgeknipte coupe. De klassieke eenmanszaak lijkt een weldaad van rust en oprechte aandacht, maar een kopje koffie weigeren lijkt uit den boze. De kapper gaat er prat op om het hele hoofd onder handen te nemen en het vandaag helemaal af te maken: oor- en neusharen, wenkbrauwen, snor én baard. En ook dat kan Willem niet weigeren…

Het titelverhaal ‘Pretpark Paradijs’ vertelt over iemand die een aantal weken opgesloten zal worden. Waarom dat is, wordt heel langzaam duidelijk. Maar niet voor de ik-figuur. ‘Omdat ik geen grens zie tussen werkelijkheid en fictie. Nooit gezien heb. Dat is tenminste wat ze denken.’

Het motto dat uit Kroniek uit een leven dat voorbijgaat van Fernando Pessoa komt, geeft eigenlijk al aan dat er in deze bundel sprake is van een varia van verhalen met een wat onorthodox karakter. 

‘Spring niet te lichtvoetig om met alles wat er maar aan trivialiteit en banaliteit in het leven moge zijn, met wat tragisch is en triest, met wat blijdschap brengt of onbeduidend lijkt.’


Het verhaal ‘Expositie’ is een knipoog naar het hoofdpersonage uit Van Meijgaard’s laatste roman De laatste klanken van Icarus. De ik-figuur wordt door een passante opgemerkt, wanneer hij als straatmuzikant bij de ingang van een museum viool staat te spelen. Tegen een riante vergoeding wordt hij ingehuurd om op een expositie voor de muziek te zorgen. ‘Misschien klinkt het af en toe te melancholisch, maar trieste vrolijkheid bestaat ook.’ Wanneer ze hem na afloop nog even thuis uitnodigt voor een afzakkertje, ziet hij nogal macabere schilderijen hangen met bloederige taferelen. Door dit gegeven als een spiegelplot in zijn korte verhaal te verwerken, rondt de auteur het verhaal af met de illusie van een femme fatale.

Van Meijgaard weet de lezer stante pede zijn verhalen in te trekken door met een sterke zin af te trappen en zich te beperken in het weggeven van hints. Het verhaal wordt binnen de kaders getoond, maar door spanningsvelden te creëren en spaarzaam te zijn in het beschrijven van details, wordt de lezer uitgenodigd om out-of-the-box te gluren.

Het overgrote deel van de verhalen eindigt met een sterke pointe, die verrassend is en soms zelfs een spannende toets of een plottwist aan het verhaal geeft. De auteur weet in een relatief beperkt aantal bladzijden een krachtig verhaal neer te zetten.

Een verhalenbundel leent zich over het algemeen niet voor binge-reading, daar elk verhaal het verdient om er nog even op te kauwen. Ondanks dat we net één verhaal tekort komen om er de adventsdagen mee te vullen, lenen de verhalen zich bij uitstek om in de donkere dagen te lezen of te worden voorgelezen. 

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Pretpark Paradijs en andere verhalen
Auteur: Arjen van Meijgaard
Pagina's: 156
Uitgeverij kleine Uil
ISBN: 9789493323100
Verschenen: november 2023


zondag 5 november 2023

Alexander Reeuwijk - Oog in oog met de goden


Uitzonderlijk gelaagd boek over de dansende Shiva en zijn makers

In 2013 loopt Alexander Reeuwijk in Amsterdam het Aziatisch Paviljoen van het Rijksmuseum binnen en kijkt hij ‘recht in de ogen van de Nataraja, de dansende Shiva, een grote bronzen sculptuur die op een sokkel midden in de zaal stond opgesteld. Ik kon er letterlijk en figuurlijk niet omheen en werd gevangen in zijn blik.’ Hij kijkt en beschrijft de god met het androgyne uiterlijk minutieus, waarbij er tal van vragen oprijzen naar de betekenis van de vele symbolen, de tegenstellingen – onder andere schepper en vernietiger – die de god vertegenwoordigt, de herkomst en gebruiken.

Die ontmoeting met het anderhalve meter hoge beeld resulteerde onlangs in het verschijnen van zijn boek Oog in oog met de goden, met als ondertitel: Een zoektocht naar Indiase bronzen en hun makers. De dansende vierarmige hindoegod Shiva, is in de hoedanigheid van Nataraja een van de meest aanbeden goden in voornamelijk het zuiden van India en maakte grote indruk op hem, hoewel hij op dat moment nog niet wist waar het beeld uit die andere cultuur voor staat.

Marjon Nooij

Alexander Reeuwijk (1975) studeerde fysiotherapie, maar na zijn afstuderen kreeg het reisvirus hem in zijn greep. Hij schreef over landen als Indonesië (o.a. Reizen tussen de lijnen en Varanen, orang-oetans en paradijsvogels) en Iran (Achter de sluier het land), en schreef hij over de geschiedenis van de evolutieleer in Darwin, Wallace en de anderen. Tevens is hij regelmatige gast in het radioprogramma Vroege vogels waar hij de mooiste en opvallendste internationale natuurboeken bespreekt en schrijft hij voor het literaire vogelaarstijdschrift De scharrelaar.

Zijn fascinatie voor de Shiva in de verschijningsvorm van Nataraja – de koning van de dans – en het plan om er onderzoek naar te doen, leidt hem naar India, waar hij zich jarenlang onderdompelt in zijn zoektocht. Een bezoek aan Vasanth, een bronzen beeldenmaker (stapathi) in het Zuid-Indiase dorp Bommayapalayam, in de deelstaat Tamil Nadu, resulteert in een hechte vriendschap met de familie die hem zelfs een appartement aanbiedt op de bovenste etage van hun huis. Gedurende de laatste zeven jaar bezoekt Reeuwijk het land met grote regelmaat en woont hij bij elkaar drieënhalf jaar bij de familie, waarbij hij alle perioden van het jaar van nabij meemaakt en ook de familie van binnenuit goed leert kennen. Heel bijzonder is hun vertrouwen in hem en dat de familieleden hem toestemming geven om ook over hen te schrijven. Dit resulteert in een dagelijks terugkerend ritueel; lunch met Vasanth.

Tijdens hun gesprekken leert hij de gebruiken en de geheimen kennen van het metier van de bronzen beeldenmakers, hoort hij niet alleen over Indiase tradities – hij laat bijna zijn haar afscheren tijdens een ritueel waarbij kinderen worden geschoren –, religieuze festivals en hun symbolisme, het gebruik van de zandtekeningen, de betekenis van de beelden en het leven op het platteland, maar tevens over de voortschrijdende modernisering, tegenslagen en politieke aangelegenheden. Waardevol en interessant is de openheid van Vasanth die intieme details met Reeuwijk deelt; zoals familieperikelen, zijn toekomstvisie, het despotisme van de pater familias, uithuwelijking versus liefdeshuwelijken en hoe hij aankijkt tegen rituelen en tradities, en daar een modernere visie op heeft. Over zijn kinderen zegt hij:

‘‘Het enige wat ik hoop is dat ze gelukkig worden. Van mij hoeven ze helemaal niets en mogen ze doen wat ze willen. Ik zal ze nergens om veroordelen. Ze mogen studeren wat ze willen en mogen later zelf hun partner zoeken, maar als ze liever willen dat ik het doe, zal ik het met liefde voor ze doen. Kanaga en ik proberen ze zo goed mogelijk voor te bereiden op de toekomst, voor zover we dat kunnen uiteraard. Het enige wat ik belangrijk vind, is dat ze weten waar de familie vandaan komt. Ja echt, het allerbelangrijkste in het leven zijn mijn kinderen, Yazhini en Dhiya.’’


D
aarnaast knoopt Reeuwijk op zijn zwerftochten gesprekken aan met allerhande mensen die de religie en gebruiken kennen of beleven, bezoekt hij musea en duikt hij veelvuldig in de archieven op zoek naar gebeurtenissen uit het koloniale verleden en naar de geschiedenis van de Chola-periode, waarin veel bronzen zijn vervaardigd. Een zoektocht naar handelaars in aziatica leidt hem naar Parijs, waar hij behoorlijk vasthoudend moest zijn om informatie te verkrijgen over de omstreden praktijken van de handelaars Gabriel Jouveau-Dubreuil en de Chinese C.T. Loo.

De ooit in tijden van gevaar begraven beelden worden nog dagelijks gevonden bij werkzaamheden. Veel beelden zijn in de koloniale periode geroofd, de grenzen over gesmokkeld en verhandeld. In 1972 ontstond er een wet die bepaalde dat het Indiase cultureel erfgoed beschermd dient worden. Hierdoor wordt er wereldwijd driftig gezocht en teruggehaald wat is opgespoord. Helaas verdwijnen de teruggekeerde bronzen in een Indiaas depot. Hoe controversieel het misschien ook is – of niet – dat er zich een bronzen Shiva in Amsterdam bevindt, maar menig lezer zal het met eigen ogen willen aanschouwen in ‘Het Rijks’.

Oog in oog met de goden is een uitzonderlijk gelaagd boek; het resultaat van een jarenlang onderzoek en de innige vriendschap met de familie van zijn vriend. Hij beschrijft het proces dat bij het beeldenmaken komt kijken, het fluweelzachte zand van de oevers van de rivier de Kaveri dat bij uitstek geschikt is om de kleinste details te verkrijgen, en het kastensysteem van de stapathi’s. Hij bezoekt in tempels het heilige der heiligen en festivals waarbij Nataraja, ritueel gewassen, aangekleed en behangen met bloemenkransen, in een processie aan touwen door de straten wordt getrokken.

‘Ik stap uit de haag van toeschouwers en loop naar het touw. Maar vlak voordat ik me tussen de trekkers heb gewurmd, het touw kan vastpakken en mee wil gaan trekken, wijst Kannan me op mijn slippers. ‘Die moeten uit, Alex!’ gilt hij boven de muziek, het gegil en gejoel uit. ‘Je trekt de wagen op blote voeten, uit eerbied voor de goden!’
Uiteindelijk help ik ruim twee uur mee met het trekken, tot we het platform bereiken waar de processie vanochtend om acht uur begon. Het is inmiddels donker geworden. Onder luid gegil en applaus en onder begeleiding van trommels, schellen en toeters wordt de praalwagen aan de aanlegplaats geparkeerd, na een paar minuten gevolgd door de tweede praalwagen met Sivakami. De rondgang heeft in totaal bijna negen uur geduurd. Sommigen hebben al die uren getrokken – terwijl mijn handen na een luttele twee uur al branden door het ruwe touw, mijn voeten zeer doen van het asfalt en ik mijn shirt kan uitwringen. Toch voelt het als een louterende ervaring.’

 

Reeuwijks schrijfstijl is zeer verzorgd en meeslepend, waarbij hij zijn eigen handelen af en toe humorvol op de hak neemt. Maar de verbondenheid met de familie en het zich openstellen voor alles wat het land hem biedt, doen ook iets interessants met hem en laten hem uiteindelijk ‘keel-dichtsnoerend’ reflecteren op zijn eigen handelen.

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Oog in oog met de goden
Auteur: Alexander Reeuwijk
Pagina's: 400
Uitgeverij Querido
ISBN: 9789021468518
Verschenen: augustus 2023


zondag 15 oktober 2023

Laure Murat – Proust, roman familial


Het ideale dessert (madeleine) na de ‘Recherche’

Het voordeel van het lezen van de romancyclus Op zoek naar de verloren tijd, of beter À la recherche du temps perdu, is dat je dan zonder schuldgevoel allerlei essays die over dit werk verschijnen kan lezen. Sedert ik dit monumentale werk heb gelezen, is het alsof hij, Marcel Proust, een deel van mezelf is geworden. De boeken van Proust staan te pronken in de boekenkast en telkens ik er even naar kijk, is dat toch wel met enige voldoening. Gelezen! Voor degene die dit nog niet deed; ik kan het u enkel maar aanraden.

En nu dus mijn eerste echte essay over dit monumentale werk. De keuze is gevallen op dit net verschenen werk van Laure Murat: Proust, roman familial.

Eric Waut

In dit verslag van een experimentele lezing van de ‘Recherche’ introduceert de auteur ons in de wereld van de personages uit deze romancyclus. Een wereld die ze kent daar haar familie heel wat van deze personages, of eerder personen die model stonden hiervoor, uit dit werk of de omgeving van Proust heeft gekend. Tijdens haar jeugd hoorde ze namelijk over hen praten alsof het familieleden waren die elk moment op visite konden komen. Zinnen van de hertogin van Guermantes verrijkten of verstarden de dagdagelijkse gesprekken. Een leven dat zich afspeelde op een flinterdunne barrière tussen fictie en werkelijkheid.

De auteur begint dit werk met een verwijzing naar een bepaalde scène in de bekende reeks Downtown Abbey, waarbij de butler met een meetlint de afstanden controleert tussen de couverts. Zij zag enig verband met de sociale structuur van het milieu waarin ze zelf was opgegroeid en begon zich te verdiepen in dit wereldje van gewoonten, normen en aristocratische manieren. Veel studie diende ze niet te doen daar ze zelf van adel is. Ze is de dochter van Napoleon Murat en Inès d’Albert de Luynes.

Ze beschrijft dan ook haar jeugd, het opgroeien in een soort van fictie van erfelijkheid en prestige met lange titels, waarbij ze klaar werd gemaakt om mee te werken aan het bewaren hiervan. Maar alles draaide anders uit toen ze haar moeder confronteerde met haar geaardheid. Haar moeder kon het niet aanvaarden dat haar dochter lesbisch bleek te zijn. De passage waarin de auteur vertelt over de reactie van haar moeder is hartverscheurend. In een eerste reactie omschrijft ze haar dochter als ‘fille perdue’ en later via een brief, de enige die de koude en afstandelijk moeder aan haar dochter ooit schreef, wordt elk contact verbroken.

‘Ta relation n’est pas assimilable à un lien familial.’


Vanaf deze passage besef je dat literatuur voor de auteur een uitweg of een verklaring was voor het leed dat haar was aangedaan. Het feit dat haar eigen identiteit niet werd aangenomen door haar omgeving. Met die woorden van haar moeder werd haar onverbiddelijk een deel van haar legitimiteit ontnomen.

Het boek beschrijft hoe Proust het wereldje van de aristocratie en rijkere burgerij heeft opgenomen in zijn ‘Recherche’. Was het kritiek op de aristocratie of op sommige personages zelf? Hun afstandelijkheid, snobisme en het ijveren voor behoud van hun genealogische legitimiteit lijkt volgens de auteur de rode draad te vormen van de analyse van Proust. Of toch niet? Een passage die de auteur omstandig heeft beschreven, tevens één van de meest opmerkelijkste volgens mij uit gans de ‘Recherche’, lijkt misschien wel een kantelmoment. Het betreft de passage op het eind van deel III, De kant van de Guermantes, waar Charles Swann aan de Guermantes komt vertellen dat hij ongeneeslijk ziek is. De afstandelijke reactie, bijna ergernis dat ze moeten kennis krijgen van dit leed, is mij steeds bijgebleven. Maar wat Proust hier deed is niet echt duidelijk, kritiek op de adel of een bepaalde karaktertrek van de Guermantes?

Verder is dit boek ook fascinerend om te lezen daar het bijna een sociologische studie is van de adel in Frankrijk alsook de houding van de Franse maatschappij ten aanzien van homoseksualiteit. De adel die zijn positie, met enkele heropflakkeringen, verloor ingevolge de Franse Revolutie, maar deze probeerde te behouden; en homoseksualiteit die ten tijde van Proust op illegale wijze diende te worden beleefd.

Naar het einde toe lijkt ze toch positief bepaalde gebeurtenissen te benaderen. Mooi wordt het wanneer ze een beschrijving geeft van haar vader. Deze was onder andere actief in de kunstwereld, zoals producer van enkele films. Soms weet ze op grappige wijze haar vader als wereldvreemd te omschrijven. Zo is er de passage waarbij deze voor de eerste keer gebruik maakt van een lijnbus en bij het instappen tegen de chauffeur gaat zeggen waar hij dient te zijn, alsof hij een taxichauffeur aanspreekt.

Maar dat ze nog met veel liefde terug kan kijken naar haar familie bewijst bijvoorbeeld de passage waar ze vertelt over het lezen van de ‘Recherche’. Dit, in de oude Pléiade van haar vader waarbij ze de aanduidingen in de marge ontdekt. Alzo ontmoet ze een man die net als zij kon wegduiken in een magische wereld van fictie. Vader en dochter hadden onmiskenbaar iets gemeenschappelijk: de literatuur.

Voor de auteur lijken de opzoekingen dan ook een helend effect te hebben om de reactie van haar familie een plaats te kunnen geven. Proust informeerde haar over haar achtergrond. Bij het lezen van zijn werk is ze samen met Proust een observator die leest over zijn/haar leven en die hem/haar wist te troosten en verzoenen met een zoektocht naar een verloren tijd.

Ik heb dan ook bijzonder van de diverse observaties en analyses van dit egodocument kunnen genieten. Het ideale dessert (madeleine) na de ‘Recherche’. Hopelijk komt het op termijn uit in een Nederlandse vertaling.

Over de auteur

Laure Marie Caroline, princes Murat, is geboren op 4 juni 1967 te Neuilly-sur-Seine. Historicus van opleiding en docent aan de University of California-Los Angeles. Ze heeft al enkele werken op haar naam zoals: L'homme qui se prenait pour Napoléon. Pour une histoire politique de la folie en La maison du Docteur Blanche. Histoire d’un asile et de ses pensionnaires, de Nerval à Maupassant...

Titel: Proust, roman familial
Auteur: Laure Murat
Pagina's: 252
ISBN: 9782221271308
Uitgeverij Robert Laffont Foreign Rights
Verschenen: augustus 2023