dinsdag 21 oktober 2025

Peter Brouwer – Afdruk

 


Het beslissende moment wanneer tijd en beeld samenvallen

Met zijn overstap naar Uitgeverij Nobelman is van Peter Brouwer onlangs zijn vierde roman Afdruk verschenen. Eerder verschenen Het Siamees moment (2017), Het oog van de kraanvogel (2021), Op alles wat ik ben (2024) en drie dichtbundels.

Afdruk is een roman over herinneringen en gemiste kansen, en de impact daarvan op de rest van je leven. Het bestaat uit drie delen, waarvan het eerste en het laatste deel zich in 2023 afspelen en als boekensteunen fungeren voor het middelste deel dat zich afspeelt in 1985. 

Marjon Nooij

We maken kennis met Carl: fotograaf, docent en man van middelbare leeftijd. Tijdens een vakantiereis naar Corsica springt hem een bevreemdend portret van een meisje in het oog. Ze heeft een masker voor, maar de oogkassen blijken leeg. ‘Het portret van het meisje zit vastgeklonken in zijn hoofd. Alsof hij toch zijn camera had gericht en had afgedrukt.’ Maar hij heeft die gelegenheid niet gepakt. Fotograaf Henri Cartier-Bresson sprak over le moment décisif als het beslissende moment waarop – vaak in een fractie van een seconde – patronen van lijnen en beweging samenvallen in een moment waarin alles klopt. Wanneer je die kans niet aangrijpt en vergeet af te drukken, is dat moment voorgoed voorbij. De dagen daarna kan Carl het beeld niet van zich afzetten en vraagt hij zich af wat het verborgen houdt. Het roept herinneringen op aan een ontmoeting in zijn studententijd en aan de haarkam die hij sinds zijn twintigste in zijn bezit heeft. Hij beseft dat hij meerdere ‘beslissende momenten’ in zijn leven heeft gemist.

In 1985 is Carl student aan de fotoacademie. Hij ontmoet de twintig jaar oudere Mara die de nacht bij hem doorbrengt en hem nogal raadselachtig toefluistert dat ze hem in zijn slaap zou kunnen vermoorden. Haar overduidelijk oude celluloid haarkam fascineert hem door de rode gloed, de gesmolten rand en de vorm van een vogel met uitgeslagen vleugels. Mara geeft hem de kam met de vraag of hij die tegen iets wil ruilen. Wanneer ze de volgende morgen als bij toverslag is vertrokken, beseft hij dat hij het beslissende moment heeft gemist, omdat hij is vergeten een foto van haar te maken; een gevoel dat hij een belangrijke kans voorbij heeft laten gaan en dat hij zijn verdere leven met zich mee zal blijven dragen. Carl ontdekt na het vertrek van de mysterieuze Mara dat ook zijn kostbare camera is verdwenen. De haarkam is het enige wat hem nog rest van hun ontmoeting, en hij blijft achter met vragen over het verhaal achter het voorwerp. 

‘’Mensen proberen graag hun zelfbeeld over te brengen.’ […] ‘Ik zie meestal een verbrokkeld beeld voor me. Mensen nemen hun leven mee. Hun aan elkaar gelijmde leven. De kunst is om dat vast te leggen, ze daarop te betrappen. Ik zie het leven als een verbrokkeld geheel waarin iedereen de stukken aan elkaar probeert te lijmen.’’


In het najaar van 2023 krijgt Carl het aanbod om naar de Dordogne te gaan en een paar weken in het huis van een oud-studente te verblijven. ‘Reizen was voor hem als terugkeren naar een plek waar een tijdelijk verblijf mogelijk was.’ Een mooie kans om een doos negatieven – zijn leven – door te spitten en zijn herinneringen de vrije loop te laten. Hij vraagt zich nog steeds af wat de herkomst is van de haarkam, waarvan de beschadiging als een symbool is voor zijn gehavende herinnering. Zijn vrouw is kunsthistorica en heeft de kam laten onderzoeken. Ze oppert dat het misschien roofkunst kan zijn en dat hij zou kunnen onderzoeken wat het verhaal achter de kam is. Zijn zoektocht leidt hem naar Oradour-sur-Glane, het dorp waar zich in de Tweede Wereldoorlog een bloedbad heeft voorgedaan en waar hij deels gesmolten, stille getuigen van de wreedheden uitgestald ziet. Carl krijgt door de parafernalia als het ware gezichten op zijn netvlies van de vergeten mensen: ‘alsof er beelden over elkaar schoven’. Carls zintuiglijke belevingen, zoals geuren, kleuren en beelden, roepen die herinneringen bij hem op. In de hoop antwoorden op prangende vragen te vinden bezoekt hij Patrick Rosier, zijn voormalig docent die hem een dilemma voorschotelt.

Zoals Beatrice in De Goddelijke komedie het morele kompas is, lijkt ook de aardse en ongrijpbare Mara het hoofdpersonage aan te sporen zich te ontdoen van ballast, aan te sporen tot zelfreflectie en de zoektocht naar zichzelf. Een zoektocht naar hoe herinneringen uit het verleden van invloed blijven op je verdere leven. Herinneringen die als beelden worden vastgezet in je geheugen; afdrukken in je ziel waar je de negatieven niet van hebt. Een belangrijke vraag is hoe betrouwbaar herinneringen zijn? Het cruciale moment in het leven van Carl is het niet afdrukken van een foto, waardoor hij de kans laat liggen om een tastbare herinnering te hebben. 

‘‘Het verhaal begint nooit bij de weg waarlangs het voorwerp is gekomen,’ […] ‘Een verhaal begint bij tijd en uur, een mens aan wie het voorwerp ooit toebehoorde.’’


Brouwer werkt op subtiele wijze zijn verhaal rustig uit, mede door zijn zintuiglijke en ingetogen schrijfwijze en de symbolen die hij opvoert. De vogel is hierin een belangrijk element en komt meerdere keren in verschillende gedaanten langs. Ze vliegen letterlijk door het verhaal, maar ook symbolisch met ambigue betekenissen. 

De roman eindigt met een open einde en vragen waar geen antwoord op komt. Het laat de lezer nog flink kauwen en zoeken naar zijn persoonlijke herinneringen uit het verhaal. Brouwer gebruikt als motto heel treffend een zin van Pascal Mercier uit Nachttrein naar Lissabon; ‘Is de ziel een plek van feiten? Of zijn de veronderstelde feiten slechts bedrieglijke schaduwen van onze verhalen?’ Herinneringen zonder foto kunnen door de jaren heen vervormen, net als de kam vervormd is.

Brouwer laat zijn hoofdpersonage Carl laveren tussen hoogstpersoonlijke herinneringen en een collectief geheugen. Carls verleden heeft een gezicht gekregen in de foto’s die hij maakte. Maar hoe zit het met de naamlozen, de vergetenen zonder gezicht? Brouwer verwoordt ze achter een gebruiksvoorwerp en in tal van symbolen in een wat de kunstenaar Armando ‘schuldig landschap’ zou noemen. Kijken we weg, of laten we die beelden toe? Een vraag die bij Brouwer nieuwe invulling geeft aan het moment décisif.

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Afdruk
Auteur: Peter Brouwer
Pagina’s: 162
ISBN: 9789083503059
Uitgeverij Nobelman
Verschenen: september 2025

Judit Neurink – Rahila’s geheimen

 


Verborgen en vergeten familiegeschiedenis verbonden door een zwarte kat

Judit Neurink (1957) is journalist en heeft een grote liefde voor het Midden-Oosten. Als correspondent voor de Nederlandse en Belgische media (onder andere Trouw en De Standaard) woonde en werkte ze van 2008 tot 2019 in het Koerdische gedeelte van Irak, waar ze – gesteund door de Nederlandse organisatie Free Press Unlimited – het mediacentrum IMCK opzette. Voor Koerdische en Arabischtalige Iraakse journalisten organiseerde ze trainingen ter verbetering van de kwaliteit van pers en democratie. Tot het moment dat ISIS Irak binnenviel begeleidde ze daarnaast reizen door de regio. Haar specialiteiten zijn de radicale groep ISIS, Irak, Yezidi’s en Koerden.  Ze geeft expliciet aan dat ze geen oorlogsverslaggever is en zich laat leiden door nieuwsgierigheid naar drijfveren, culturen en levensverhalen. Momenteel woont ze in Athene.

Neurink's jongste roman Rahila’s geheimen is een vervolg op De Joodse bruid uit 2014, maar is daar los van te lezen. Eerdere werken zijn onder andere Mijn Iraakse familie (2011), De oorlog van ISIS (2015), De vrouwen van het kalifaat (2015), Vrouwen overleven ISIS (2017), Geweld is nooit ver weg (2020) en DNA liegt niet (2025).

Het Iraakse Koerdistan huisvestte ruim drieduizend jaar een Joodse gemeenschap die geheel verweven was met de Koerdische gemeenschap, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam daar een kentering in toen ook in Irak het antisemitisme opkwam, wat in 1948 leidde tot Jodenvervolging waardoor de Joden noodgedwongen de wijk kozen, veelal naar Israël.

Marjon Nooij

In De Joodse bruid heeft de Iraaks-Koerdische Zara het dagboek van haar grootmoeder Rahila gevonden die haar memoires vastlegde in de turbulente jaren ‘40 van de vorige eeuw. Daarin schrijft Rahila dat ze van oorsprong Joods is; een groot familiegeheim. ‘In de jaren vijftig mochten de Joden naar Israël emigreren, maar ze moesten vrijwel al hun bezittingen achterlaten en verloren de Iraakse nationaliteit’. Doordat de Joden zich in Irak niet meer veilig voelden, hielden ze hun geloof geheim. Kostbare voorwerpen, zoals het sabbatszilver, werden begraven. Zelfs Zara heeft nooit geweten dat ze eigenlijk Joods is; haar vader was moslim. Het dagboek staat symbool voor de herinnering en het verleden.

Net als in vele andere landen waren er ook in Koerdistan ‘gestolen kinderen’, veelal baby’s die na de geboorte dood werden verklaard en ter adoptie aangeboden, waardoor de verzwegen wortels het uitzonderlijk ingewikkeld maakten om familiebanden te herleiden. Zara’s grootmoeder Rahila – de moeder van Zara’s vader – was als negenjarig gestolen kind met Joodse wortels, gedwongen om met een streng religieus en antisemitisch moslim te trouwen, waardoor haar verleden werd uitgewist en zij verder leefde met een verborgen identiteit. Zara’s vader was locoburgemeester en seculier, maar zijn carrière werd geschaad toen uitkwam dat hij met een Joodse was getrouwd. Ook Zara’s moeder groeide op als moslima en heeft haar Joodse afkomst stelselmatig verzwegen.

Zara is politicoloog en woonde tot 2014 in Koerdistan. Ondanks haar ambivalente gevoelens ten opzichte van Israël vluchtte ze daar met haar moeder naartoe toen ISIS de stad Mosul binnenviel. In Jaffa, op zoek naar een nieuw thuis, veiligheid en rust, ontmoet ze Abram, ‘maar ze noemen me Bram’, en ze vertellen elkaar hun levensverhaal. Hij vertelt haar over de grote rol die zijn afwezige vader heeft gespeeld en hoe hij vanuit Irak naar Israël is gekomen, met een tussenstop in zijn jeugd in Nederland waar hij niet kon aarden. Door al die veranderingen wist hij niet meer wie of wat hij was. Hij blijkt psycholoog en therapeut te zijn. 'Iedereen heeft hier last van trauma's. We zijn in het land van de beschadigde mensen.' [...] ‘Trauma's worden via de genen doorgegeven, van ouders naar kinderen en kleinkinderen.'

De angstaanvallen van Zara’s moeder, ten gevolge van het moslimextremisme en de ontsnapping daaraan, nemen in Israël grote vormen aan. ‘Bram heeft gewaarschuwd dat haar moeders angstaanvallen slechts een kleine uiting zijn van de vele trauma's van een beschadigd volk. Dat die dicht onder de oppervlakte liggen.’

Wanneer een zwarte kat Zara’s pad kruist, lijkt dit in beginsel een onheilsprofeet; Bram raakt zwaar gewond bij een aanslag, wat Zara’s twijfel en ambivalentie nog meer aanwakkert. Hij noemt Israël zijn thuis, maar zij voelt zich ook daar niet veilig. Uiteindelijk blijkt de kat de verbindende factor tussen meerdere familieleden in de diaspora. Hij laat haar nadenken over de keuzes die haar familie al generatieslang heeft moeten maken; keuzes die haar familiegeschiedenis overschaduwen. Ook een ontmoeting met haar oom Ayub werpt een nieuw licht op haar verleden en geschiedenis.

‘Zara luisterde naar zijn uitleg. Dat de Koerdische president Barzani ISIS tegen de haren in had gestreken door alle betwiste gebieden op te eisen waar ook Bagdad recht op meende te hebben. Veel van de ISIS-leden hadden onder dictator Saddam Hoessein gediend en vonden het onterecht dat de Koerden na diens val een autonome regio hadden gekregen. 'En de Koerden verwachtten het niet, die dachten dat ISIS ze met rust zou laten, dat die alleen aasde op Arabisch land. Daarom ging het zo snel in Sinjar.
'Ze werd rustig van zijn stem en zijn uitleg. Zo had hij haar ook verteld over de geschiedenis van de Joden in Irak. Hoewel ze hem pas een paar jaar kende, was hij haar favoriete oom. Al was hij strikt genomen haar achterneef, de zoon van haar oma's broer. Dat haar moeder het contact met hem had verbroken omdat hij vasthield aan een Joodse manier van leven en een Joodse identiteit, had ze haar nog lang niet vergeven. Zara had hem in haar jeugd willen hebben, om zijn wijsheid, zijn inzicht en zijn hartelijkheid.’


Het chronologische verhaal wordt een aantal maal onderbroken door een hoofdstuk dat zich in het recente verleden afspeelt. Neurink heeft kans gezien om in deze turbulente tijd in het Midden-Oosten een urgent, maar integer verhaal te schrijven met thema’s als migratie, liefde, herinnering, loyaliteit, (verlies van) identiteit, religie, trauma, familiegeheimen, afkomst en de vraag waar je precies thuis hoort en waar je je veilig kunt voelen.

Rahila's geheimen is een meeslepende roman, waarin Neurink's recente non-fictiewerk DNA liegt niet resoneert. Haar uitgebreide kennis van het Midden-Oosten maakt het tot een helder en vooral genuanceerd verhaal - zonder wijzende vinger - over tal van gebeurtenissen, geheimen en misstanden. Knap geconstrueerde fictie, gebaseerd op waargebeurde feiten. 

--

Eerder verschenen op Tzum


Titel: Rahila’s geheimen
Auteur: Judit Neurink
Pagina’s: 280
Uitgeverij Mosae Libro
ISBN: 9789695692608
Verschenen: oktober 2025

dinsdag 14 oktober 2025

Uwe Johnson - Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage

 Door Robert Van der Meiren


Een historische wervelwind

'Wie vertelt hier eigenlijk, Gesine
Wij allebei. Dat hoor je toch, Johnson'


In 1961 riepen enkele grote uitgevers uit de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Spanje, Italië, Frankrijk en Duitsland twee nieuwe literaire prijzen in het leven die een frisse wind door de literatuurminnende wereld moesten jagen, en een alternatief moesten worden voor de ‘stoffige’ Nobelprijs: The Formentor Prize bekroonde nog onuitgegeven werk, en The International Prize ging naar werk dat al in omloop was. In het ontstaansjaar 1961 ging de prijs in die laatste categorie naar twee auteurs met naam en faam: de Argentijn Jorge Luis Borges en de Ier Samuel Beckett. Het jaar daarop, in 1962, ging The International Prize naar de zo goed als onbekende zevenentwintigjarige Duitse schrijver Uwe Johnson(1) voor zijn debuutroman Vermoedens omtrent Jakob (1959)(2).

De toekenning van The International Prize stuwde de verkoop van zijn twee volgende romans de hoogte in, en in 1966 kon Johnson het zich veroorloven uit te wijken naar New York. Met zijn vrouw en driejarige dochter betrekt hij er een appartement op 243 Riverside Drive, Apt. 204. Daar begint hij te schrijven aan zijn grootste creatie: Jahrestage. Aus dem Leben von Gesine Cresspahl. 

Het werk is wereldwijd beroemd geworden onder de verkorte (onvertaalde) titel Jahrestage. Uitgeverij Van Oorschot heeft met die traditie niet willen breken en de Nederlandse vertaling nu uitgebracht als Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage. Hierna wordt deze Nederlandse editie dan ook gewoon Jahrestage genoemd.

De wereld van Gesine Cresspahl

Het (fictieve) hoofdpersonage Gesine Cresspahl wordt op 3 maart 1933 geboren in het (fictieve) Duitse stadje Jerichow(3), in het noorden van Mecklenburg. Als Duitsland na WO II wordt gesplitst behoort deze historische streek vanaf 1945 tot de communistische DDR. In het begin van de jaren zestig, nog net voor de Sovjets Berlijn met een muur isoleerden, ontvlucht Gesine de DDR. Na wat omzwervingen verhuist ze op 28 april 1961 met haar driejarig dochtertje Marie Cresspahl naar New York. Ze gaan er wonen op… 243 Riverside Drive, Apt. 204. Gesine gaat er aan de slag als vertaler bij een Amerikaanse bank.

Gesine is een kritische, zeer trouwe ‒ haast verslaafde ‒ lezeres van The New York Times. Haar drang naar nieuwsgaring grenst aan het obsessieve, ze wil nooit een editie missen:

‘Als ze door een dag aan het strand de krant gemist heeft, houdt ze ’s avonds in de metro de vloer in de gaten, en alle afvalbakken onderweg, op zoek naar een weggegooide, gescheurde, vlekkerige New York Times van die dag, alsof de dag dan pas definitief bekrachtigd is. Ze is de New York Times gaan beschouwen als een mens, en het bestuderen van die grote, grauwe bundel geeft haar het gevoel dat er iemand aanwezig is met wie ze in gesprek kan gaan, naar wie ze luistert en die ze antwoord geeft met de hoffelijkheid, de verholen twijfel, de verborgen grimas, het toegeeflijke lachje en meer van dat soort gestes die ze tegenwoordig richting een tante zou maken, een algemene tante, geen familie, een imaginaire: haar concept van ‘tante’.’


De vierdelige roman beschrijft elke dag van haar leven in New York vanaf maandag 21 augustus 1967 tot en met dinsdag 20 augustus 1968: één hoofdstuk per dag. Omdat de roman opent met een ongedateerd inleidend hoofdstuk en er na het tweede deel een aanhangsel is ingelast, én omdat 1968 een schrikkeljaar is, telt deze roman in totaal 368 hoofdstukken. Marie is dan tien jaar oud, en Gesine voelt de tijd gekomen om tegenover haar dochter te reflecteren over haar verleden in Duitsland en over hun beider familiale achtergrond. 

Vrijwel elke dag vindt Gesine in de berichtgeving van de New York Times wel een kapstokje om er een hoofdstuk van haar eigen levensverhaal aan op te hangen. In min of meer chronologische volgorde ontrolt Gesine tegenover Marie haar leven dat zich afspeelde in de woeligste periode die Duitsland ooit kende. Ze vertelt over haar jeugdjaren in Jerichow, over hoe Hitler in haar geboortejaar 1933 de macht greep, over de tragische en complexe levensloop van haar ‒ en dus ook Maries ‒ familie, over de opkomst en de val van nazi-Duitsland, over de Joden, over het antisemitisme en hoe sterk het haar beschaamt, over de concentratiekampen, over de communistische onderdrukking in Oost-Duitsland, over haar moeder die in de nacht van de novemberprogroms (9 november 1938) zelfmoord pleegt, over haar vader die tijdens WO II voor de Engelsen spioneerde (met haar medeweten), nadien door de Russen tot burgemeester van Jerichow werd benoemd, in ongenade valt, en verbannen wordt waarna Gesine zelf in de gevangenis van de Oost-Duitse geheime dienst belandt, over haar ontgoocheling omtrent ‘het mislukken van de communistische utopie’(4) wat haar doet besluiten de DDR definitief te verlaten, over de moordaanslag op de Duitse studentenleider Rudi Dutschke, over het naziverleden van bondskanselier Kiesinger en sommige van zijn kabinetsleden, enz…

Maar er zijn ook dagen dat ze in de Times geen berichten vindt om er wat van haar eigen levensverhaal aan vast te knopen, of ze heeft er die dag gewoon geen zin in. Dan bestaat het hoofdstuk uitsluitend uit quotes uit de krant.

Het pikzwarte antisemitische verleden van haar geboorteland hangt als een donkere sluier over haar leven in New York. Ze wéét wie ze is: “ik weet dat ik een kind ben van een vader die wist dat de Joden systematisch werden vermoord” bekent ze tegenover Marie, “ik behoor tot een nationale groep die een excessief aantal leden van een andere groep afslachtte.” Ze gaat de confrontatie met dat verleden niet uit de weg en zoekt voortdurend naar verklaring en begrip. Op haar wandelingen door de stad ontmoet ze geregeld twee Joodse dames, overlevers van de Holocaust. Bij hen zoekt Gesine bevestiging van haar schaamte. De gesprekken zijn vaak gênant, omdat Gesine zich geneert over het naziverleden van haar volk, en omdat deze dames pijnlijk begrijpend en vergevingsgezind zijn, maar ook ontwijkend alsof ze de hele toestand vooral willen vergeten.

Met de New York Times als leidraad komen uiteraard ook actuele gebeurtenissen voorbij die toen niet zelden de wereld schokten of verbijsterden. De oorlog in Vietnam komt vaak ter sprake, vrij veel hoofdstukken openen met koude statistische gegevens, meestal zonder commentaar weergegeven:

'6 oktober 1967, vrijdag 

Tot nu toe 13.643 Amerikanen gesneuveld in Vietnam. Kan het zijn dat dit nog niet in verhouding staat tot de tweehonderd miljoen burgers in de VS?

20 oktober 1967, vrijdag

De verliezen van de VS van de laatste week in Vietnam leveren een totaal op van 13.907 doden en 88.502 gewonden sinds 1 januari 1961.

5 januari 1968, vrijdag 

De wekelijkse opsomming van de verliezen maakte melding van 185 Amerikanen, 227 Zuid-Vietnamezen en 37 overige geallieerde soldaten, die afgelopen week in de strijd zijn gesneuveld. De Amerikaanse verliezen tot 30 december brachten het aantal dodelijke slachtoffers van 1967 op 9.353 en het totaal van in de oorlog gesneuvelden op 15.997.'


De protestmarsen tegen die oorlog krijgen ruime aandacht, net als de moorden op Robert F. Kennedy en Martin Luther King, de gewelddadige onderdrukking van de Praagse Lente, de rassenrellen en rassendiscriminatie in de Verenigde Staten, de koude oorlog met de USSR… Soms zijn het ook gewoon heel banale faits divers die haar aandacht trekken, alledaagse onbenulligheden die ze niet zelden met enig zelfgenoegzaam cynisme becommentarieert:

'24 oktober 1967, dinsdag

Toen gistermiddag Robert Smith, 470 Sheffield Avenue in Brooklyn, luidkeels ruzie maakte met zijn vrouw Clarice, ging hun zesjarige zoon de garderobe in, haalde zijn vaders geweer, kaliber 22, laadde het, legde aan en schoot zijn vader in de borst. Die maakt nooit meer ruzie met zijn moeder.'


Ondanks haar jonge leeftijd is Marie een pientere, geïnteresseerde en opvallend kritische toehoorster, met een scherp oog voor de allerkleinste details. Ze bombardeert haar moeder met vragen, ze relativeert geregeld wat haar moeder vertelt of brengt haar aan het twijfelen, en ze aarzelt niet om haar moeder bij momenten terecht te wijzen. Af en toe worden de rollen ook omgekeerd, dan leest Marie voor uit de krant en geeft ze zelf commentaar. Marie legt namelijk ook haar eigen ervaringen vast, ze knipt kleine artikeltjes en foto’s uit de krant en bewaart ze voor later. 

Het is een betekenisvolle vaststelling dat wat Gesine vandaag doet, Marie later zal voortzetten, en wie weet, wellicht ook Maries kinderen. Uwe Johnson drukt ons aldus op het hart om niet te vergeten dat de geschiedenis letterlijk on-eindig is…

De wereld van Uwe Johnson

Jahrestage is slechts een onderdeel van het grote universum dat Uwe Johnson rond zichzelf heeft geschapen. Al zijn romans, al zijn verhalen, al zijn geschriften vormen a.h.w. één organisme dat leeft en ademt, en vooral in Jahrestage pulseert het hart aan een duizelingwekkend ritme. Nooit in zijn leven heeft Johnson de personages uit zijn werken ‘fictief’ genoemd. In een interview met The New York Times vertelde hij dat hij op 18 april 1967 op Forty-Second Street een vrouw in westelijke richting zag wandelen, “recognizable by the way she held her head, by her relaxed yet vigilant way of swinging her right arm, with a small black purse in  her hand, the short-sleeved grey sweaterdress, the size-nine pumps… it was Gesine!” Hij vertelt in alle ernst dat hij haar aansprak en haar vroeg of hij haar een plezier kon doen met een gratis exemplaar van de Amerikaanse vertaling van een van zijn boeken.

Johnson gaat volledig op in de werkelijkheid van de door hemzelf gecreëerde wereld. Zo publiceerde hij in 1972, kort na het verschijnen van deel II van Jahrestage, een interview met Marie Cresspahl, en in 1983 werkt hij actief mee aan het Kleines Adressbuch für Jerichow und New York(6), opgesteld door journalist Rolf Michaelis, met een overzicht van alle locaties en personages uit voornamelijk Jahrestage, maar ook uit zijn andere werken.

Gesine Cresspahl speelde trouwens eerder al een rol in Vermoedens omtrent Jakob, zijn debuutroman. Daarin had zij een relatie met het hoofdpersonage Jacob Abs. Hij is de vader van Marie, maar overleed nog voor ze werd geboren.

Die bizarre verwevenheid van personages, plaatsen en gebeurtenissen is kenmerkend voor het hele oeuvre van Uwe Johnson. De auteur beschouwt zijn werk als één geheel waarin alles en iedereen op een of andere manier met elkaar verbonden of verwant is, en ‒ heel bijzonder ‒ ook met Uwe Johnson zelf. Als zijn personages allemaal échte mensen zijn, ziet hij geen reden waarom de schrijver zelf ‒ immers ook een échte mens ‒ geen deel van het verhaal zou mogen zijn. Hij duikt dan ook geregeld op als een derde persoon. 

Net als Gesine worstelt Johnson met de donkerste bladzijden van de Duitse geschiedenis, en nog sterker met het nazisme van zijn familie. Zijn dwangmatig verlangen om zich voortdurend te willen verontschuldigen voor dat scabreuze Duitse verleden ‒ alsof hij lijdt aan een soort van ‘wir haben es nicht gewüsst’-syndroom ‒ loopt als een rode draad door het verhaal. Zijn twijfel maakt hem onhandig, hij heeft vaak de indruk zijn publiek niet echt te kunnen overtuigen van de oprechtheid van zijn schuldgevoelens. 

De politieke ontwikkelingen in het thuisland zitten hem niet mee. Als hij op uitnodiging van het Jewish American Congress in januari 1968 in New York een voordracht geeft over de verkiezingen in Duitsland, is de uitkomst daarvan niet bepaald van aard om het Joodse publiek aan zijn kant te krijgen:

'Hij kreeg niet één keer applaus, zelfs niet toen hij niet langer voorbij kon blijven gaan aan de aanstelling van een nazi tot kanselier van West Duitsland (5). ‘It wasn’t meant as a slap in the face of surviving victims, though the world felt it was’.'


De reacties van het Joodse publiek drukken hem met de neus op de werkelijkheid, maar hij heeft geen weerwoord op de pijn die hem vanuit de zaal voor de voeten wordt gegooid:

'Mijn moeder. Theresienstadt. Mijn hele familie. Treblinka. Mijn kinderen. Birkenau. Mijn leven. Auschwitz. Mijn zus. Bergen-Belsen. Zevenennegentig jaar oud. Mauthausen. In de leeftijd van twee, vier en vijf jaar. Majdanek.'


De overdonderde Johnson verliest op dat moment zijn zelfcontrole: 'u krijgt mij niet zover dat ik ga schreeuwen schreeuwt hij door de microfoon, waarna alles in het honderd loopt.' 

Het is, naar mijn mening, een cruciale fase in de roman, en tevens een van de pijnlijkste: de schuldige doch ook berouwvolle Duitser en het overlevende Joodse slachtoffer staan hier dichter dan ooit tegenover elkaar, maar de filosofische kloof tussen beide is zo breed dat iedere poging tot wederzijds begrip erin verdwijnt. Als hij geen antwoorden meer heeft en hij zich in een uitzichtloze positie heeft gemanoeuvreerd, richt Johnson zich, nu voor het eerst, rechtstreeks tot Gesine die (in het boek) de voordracht bijwoont. Geheel vertwijfeld verontschuldigt hij zich voor zijn ongecontroleerde uitval:

'Het spijt me, Gesine.
Helemaal niet. Iets verstandigers heb je de hele avond niet tot stand gebracht.
Wilden ze zien of ik me zou verdedigen?
Ben je altijd zo traag van begrip?'


Vanaf dan weet de lezer dat Uwe Johnson zelf een deel van de fictie is. Hij zal Gesine geregeld aanspreken, haar om raad vragen, troost bij haar zoeken, enz. Hij is even echt als Gesine… Maar een schrijver ván een roman, die zelf ín zijn roman stapt om daar personages úít zijn roman aan te spreken, is zonder meer bijzonder.

De roman

Jahrestage is tegelijk een dagboek over het leven van een moeder met haar dochter in New York, én een kroniek van een van de turbulentste periodes uit de Duitse geschiedenis. The New York Times heeft een fundamentele functie in de roman. Johnson gebruikt de dagdagelijkse actualiteit tussen 21 augustus 1967 tot en met 20 augustus 1968 als het platform waarop hij zijn reflecties over een stuk uiteengespatte Duitse geschiedenis uitstalt, onverbloemd, ongenuanceerd en met scherpe blik.

Jahrestage overspoelt de lezer als een tsunami, een wervelwind, een storm. Het betoverend mooi geschreven boek zit vol leven, elk hoofdstuk opent met een nieuwe insteek, de variatie is eindeloos, het aantal verhalen niet te tellen. De dagelijks wisselende ‒ én controleerbare ‒ berichtgeving  en de onmogelijk nog te veranderen geschiedenis maken Jahrestage bovendien tot een roman met een extreem hoog realiteitsgehalte, een rijkgevulde epiek die een halve eeuw geschiedenis overspant. 

Die hoge werkelijkheidsgraad, in combinatie met Johnsons complexe vertelstructuur (dit is als compliment bedoeld), zijn vermogen om persoonlijke en historische verhalen met elkaar te verweven, zijn aandacht voor de allerkleinste details, zijn nooit ophoudende perspectiefwisselingen én zijn psychologische diepgang hebben de roman een unieke status gegeven: Jahrestage is ‘een eenzaam boek’(7), het is ‘een treurzang over de twintigste eeuw’(8) en ‘een oceanisch meesterwerk’(9), om maar enkele kwalificaties uit de recensiepers te citeren. In Duitsland heeft Jahrestage een canonieke status bereikt, en Duitsers noemen het werk respectvol een ‘Jahrhundertroman’.

Bijzonder is dat we nooit kunnen ontcijferen wie nu precies de verteller is: soms líjkt dat Gesine te zijn, soms Johnson, soms Gesine én Johnson samen, af en toe komt ook een soort van collectief geweten aan het woord, maar de belangrijkste verteller is toch de alomtegenwoordige ‘ik’, een mysterieuze, ongrijpbare entiteit die zich moeit met alles en nog wat, te pas en te onpas commentaar geeft, en vaak lange dialogen voert met Gesine. Ter verduidelijking wordt dit ‘spook’ weleens vergeleken met ‘de stem’ uit Heimat, de Duitse tv-trilogie van Edgar Reitz die tussen 1981 en 2004 half Europa met verstomming sloeg. Mij deed deze figuur denken aan de mysterieuze Jenta die in De Jacobsboeken van Olga Tokazczuk(10) net zo’n informerende, regulerende en arbitraire rol vertolkt.

Jahrestage is een unieke roman die met geen enkel ander werk uit de wereldliteratuur te vergelijken is, ook niet met Ulysses van James Joyce ‒ een verhaal van één dag ‒ waarnaar de literatuurpers soms verwijst om de complexiteit ervan te illustreren. Dat is, wat mij betreft, een ongepaste en enigszins te betreuren vergelijking. Ulysses staat bekend als extreem moeilijk te verteren, maar dat is Jahrestage geenszins.

Uwe Johnson

Hij werd op 20 juli 1934 geboren in Cammin in Pommern, een gebied dat na WO II binnen de Duitse Democratische Republiek valt. Vanaf het midden van de jaren vijftig begint hij te schrijven, maar zijn modernistische experimenten botsen met de socialistische doctrine de DDR. Noodgedwongen probeert hij zichzelf te onderhouden met vertaalwerk. 

In 1959 verlaat hij de DDR, en in datzelfde jaar verschijnt Mutmassungen über Jakob waarmee hij succes oogst. In 1966 verhuist hij met vrouw dochter naar New York. Daar begint hij te schrijven aan Jahrestage. Aus dem Leben von Gesine Cresspahl, zijn levenswerk. 

In 1969 keert hij terug naar Duitsland. Deel I van Jahrestage verschijnt in 1970, de delen II en III in de loop van de drie jaren daarop.

In 1974 verhuist hij met vrouw en kind naar Sheerness in Engeland. Het werk aan Jahrestage wordt jarenlang onderbroken, deels omwille van gezondheidsredenen, maar ook doordat hij ontdekt dat zijn echtgenote al jarenlang een buitenechtelijke affaire heeft, wat hem zeer zwaar valt. Toch kan hij op 17 april 1983 eindelijk een definitief punt zetten achter het vierde deel. Het verschijnt nog datzelfde jaar. Alles bij elkaar heeft hij aan Jahrestage vijftien jaar gewerkt.

Op 22 februari 1984 overlijdt hij in zijn appartement in Sheerness aan een hartaanval. Zijn lijk wordt pas drie weken later gevonden. Johnson was 49 jaar oud.

“Je zou kunnen zeggen dat hij zich met dat boek de dood in heeft geschreven” zei de Duitse filmregisseur Margarethe von Trotta ooit. Zij probeerde in 2000 Jahrestage te verfilmen, maar dat mislukte.

Voor de lezer

Aanvankelijk was het plan het boek te lezen zoals Uwe Johnson dat in interviews meerdere keren aanraadde: traag! Mijn plan was: één hoofdstuk per dag. Dat heb ik echter niet lang volgehouden, en al na enkele dagen zat ik uren aan een stuk gebiologeerd te lezen. 

Zonder aanmatigend te willen zijn, wil ik de toekomstige lezer toch een kleine tip geven: laat dit werk je overkomen, en aanvaard de soms grillige vertelstijl van Johnson. Je zult personages tegenkomen die plots uit het niets opduiken en zonder enige uitleg even snel weer verdwijnen, je zult hele dialogen lezen zonder goed te weten wie er aan het woord is… Wees gerust, de verklaringen komen, soms pas enkele honderden bladzijden later, maar ze komen! 

Ik vond Jahrestage een fascinerend werk dat ik met enorm veel plezier heb gelezen. Ik kon er gewoonweg niet genoeg van krijgen, en als ik dan toch een keer moe werd, dan was dat in hoofdzaak van de ruim twee kilo die deze 1.596 pagina’s tellende kanjer weegt. Het is trouwens een kwaliteitsvolle uitgave van Uitgeverij Van Oorschot.

Ik wil hier ook een bijzonder compliment maken aan vertaler Marc Hoogma voor deze grootse prestatie, daarbij geassisteerd door Theo Veenhof.


(1) Spreek uit: oeve joonzon

(2) Mutmassungen über Jakob (Suhrkamp, 1959)

(3) Niet te verwarren met het echte Jerichow in Saksen-Anhalt.

(4) Recensie door Wim Michiel, De Reactor, 31.10.2020.

(5) Kurt Georg Kiesinger was van 1 december 1966 tot 22 oktober 1969 Duits Bondskanselier. Tijdens WO II was hij lid van Hitlers NSDAP. 

(6) Dit adresboek is interessant voor de echte diehard fans van Johnson, en is hier (in het Duits) te lezen: https://literaturlexikon.uni-saarland.de/lexika/kleines-adressbuch-fuer-jerichow-und-new-york

(7) Matthias Somers (Recensie Klassiek, 24 oktober 2020)

(8) Cyrille Offermans (Dichters en Denkers, 14 oktober 2020)

(9) Jan Dertaelen (De Tijd, 26 september 2020)

(10) https://www.hebban.nl/recensie/robert-van-der-meiren-over-de-jacobsboeken

--

Oorspronkelijke titel: Jahrestage. Aus dem Leben von Gesine Cresspahl
Nederlandse titel: Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage
Auteur: Uwe Johnson
Vertaling: Marc Hoogma en Theo Veenhof
Uitgeverij Van Oorschot, 2020
ISBN: 9789028280441