dinsdag 22 januari 2019

Jacqueline Zirkzee - De eerste priesteres


Recensie door Truusje
Uitgeverij London Books


De twee die een zijn

Met De eerste priesteres heeft Jacqueline Zirkzee een prachtige historische roman geschreven die op meerdere niveaus te lezen is. Op een geloofwaardige manier beschrijft Zirkzee de rituelen die gebezigd werden. In het nawoord geeft ze aan dat ze dit verhaal heeft gebaseerd op de geschiedenis van de Sumeriërs. De namen die ze gebruikt zijn allen terug te vinden in de kleitabletten van Mesopotamië, maar daar kom ik later op terug.

Het is het verhaal van de tweeling Inanna - de spreekbuis van de goden - en Eridu, die geluk heeft gehad om nog in leven te zijn. Een dubbelgeboorte zou namelijk ongeluk brengen en het jongetje ziet er bovendien anders uit met zijn langgerekte hoofd. De moeder van de jonge vrouw geeft hun vader Anu een dramatische opdracht;

'Het is geen kwestie van een keuze maken. [...] Dat begrijp je toch wel? Je kunt niet één kind naar het dodenrijk zenden en het andere behouden. De Aardemoeder heeft ze gevormd als één wezen, ze delen één ziel. De dood van de een betekent de dood van de ander. Je hoeft alleen de jongen maar te doden, het meisje zal hem vanzelf volgen. Dat kan niet zo moeilijk zijn.'

Maar Anu weigert zich te schikken in de rituelen van het geloof in Moeder Aarde en het offeren om haar tevreden te stellen. Hij loopt weg met zijn kinderen.
Aan de oever van Het Serpent die meandert door het landschap, in het Dorp van de Reiger groeien ze op. Eridu voorziet een vloedgolf die het dorp zal teisteren. 'Er wordt een gat in de wereld geblazen'. Bruisend en kolkend water van Het Serpent overspoelt de nederzetting en aanhoudende regen is er de oorzaak van dat het water zich lange tijd niet terug trekt.

Ziggoerat in Mesopotamië
'[...] de kinderen, ziek en ondervoed, verloren sneller de greep op het leven dan de volwassenen. Zij die bleven leken steeds meer op trieste kleine versies van Eridu, vond Ianna: broos en spichtig, met hoofden die te groot leken voor hun lijfjes.'Je moet niet verdrietig zijn om de doden', zei grootmoeder. 'Ze gaan naar huis. De Moeder zal bij hen zijn. De voorouders zullen voor hen zorgen.'

Wanneer Eridu last krijgt van hoofdpijnen en toevallen lijkt hij het onheil over zichzelf af te roepen. De jongen met het lelijke uiterlijk wordt tijdelijk opgesloten in een kooi.
Een groep herders doet het geteisterde dorp aan en omdat de tweeling zich danig in het nauw gedreven voelt, vertrekken ze samen met de leden van de stam van de Gehoornde God, waar ze zich goed op hun gemak gaan voelen. De jonge Tammuz steelt bovendien het hart van Inanna.
Maar... de stam gaat op pad met de belofte terug te keren en de tweeling blijft achter om het vuur in de grot te blijven voeden. Als de terugkomst van de stam op zich laat wachten, vertrekken ook Inanna en Eridu.

Via omzwervingen komen ze een andere vluchteling uit het Dorp van de Reiger tegen, die een nieuwe nederzetting heeft gebouwd. Inanna noemt het; Spiegeldorp, maar ook deze stam ontvluchten ze. Hoe het ze verder vergaat laat ik aan de lezer over.

Nu wil ik even terugkomen op mijn bewering dat dit boek op meerdere niveaus te lezen is. Als een heerlijke historische roman die, zoals op de achterzijde heel terecht staat vermeld, zich heel goed laat vergelijken met de boeken over De stam van de holenbeer.
Toch is er een prachtige verdieping te vinden voor de lezer die zich interesseert voor de geschiedenis van de Sumeriërs in de tijd voor onze jaartelling.

Toren van Babel
Er wordt gedacht dat de Sumeriërs de eerste stedelijke beschavingen hebben gevormd. Ze zijn de stichters van de ziggoerats - tempeltorens in de vorm van een piramide met gelaagde terrassen om de goden te eren -, zoals die te vinden zijn in het oude Mesopotamië (Irak) en Perzië (Iran)Om een draadje te trekken naar de Bijbel, ook de Toren van Babel is gebouwd in de vorm van een ziggoerat

Bij Ninevé en Ur zijn kleitabletten met wigvormige tekens gevonden die worden toegeschreven aan de beschaving van de Sumeriërs, de oudste beschaving die bekend is en ongeveer leefde van 4500 tot 1700 voor Christus.
De aarden heuvels waarin de kleitabletten zijn gevonden bevatten ruïnes van een stad. Een stad bestaande uit meerdere lagen, omdat het steeds weer herbouwd werd. Lange tijd hebben de wigvormige tekens op de kleitabletten hun geheime betekenis niet prijsgegeven, maar drie eeuwen na de vondst is het spijkerschrift dan toch nog ontcijferd en onthulde de tekst de beschaving van de Sumeriërs. Hiermee is dit volk het eerst bekende dat een schrift had ontwikkeld.
Ook voor cijfers werden tekens ontworpen en ze maakten gebruik van het getal 60 als basis en niet 10 zoals wij dat nu gebruiken. Het getal 60 is nu nog terug te vinden in onze seconden en minuten en de 360° van een cirkel.

Kleitablet van Sumeriërs
Ze geloofden in de krachten van natuurverschijnselen, goden en demonen. De mens had de taak om de goden te dienen, die hen zouden beschermen en het onheil te keren. Er zijn in de geschriften veel overeenkomsten te vinden met de Bijbel, zoals de zondvloed, het meest bekende verhaal uit de Bijbel en in 
De eerste priesteres beschreven wordt als het overstromen van Het Serpent.

De teksten op de kleitabletten zijn helaas alleen professioneel vertaald in het Engels, maar wie nieuwsgierig is naar de teksten, kan deze HIER lezen in een vertaling van De Ware Wereld. Het is fascinerend om te zien hoe de genoemde namen terugkomen in het boek De eerste priesteres. Op een geloofwaardige manier beschrijft Zirkzee de rituelen die gebezigd werden.

Als laatste wil ik nog even de aandacht vestigen op de prachtige cover van het boek en de uitvoering in soft-touch laminaat, dat een hoge aaibaarheidsfactor heeft, en de duidelijke lay-out van de rug.

Auteur

Jacqueline Yvonne Zirkzee (Leiden, 30 juni 1960) is een Nederlandse auteur en historicus.
Na haar debuutroman Mykene (2001), een historische roman over de Trojaanse Oorlog, schreef ze een bewerking van de legende van Tristan en Isolde: Het Boek van Tristan en Isolde (2004). Ze was co-auteur van de briefroman Iris & Valentine. In 2008 verscheen Het Heksenhuis, een historische roman gebaseerd op de heksenvervolgingen in Bamberg. Na een verhalenbundel in 2011 volgde in 2013 de roman Reimer over de beginjaren van de VOC en de Gouden Eeuw. In 2014 werd Het Boek van Tristan en Isolde uitgebracht in vertaling als The Book of Isolde, onder het pseudoniem J.J. Circe.
Ze groeide op in Oegstgeest en studeerde sociale en economische geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Haar romans zijn gebaseerd op historisch onderzoek.


Titel: De eerste priesteres
Auteur: Jacqueline Zirkzee
Pagina's: 372
ISBN: 9789492883483
Uitgeverij London Books
Verschenen: 20 januari 2019







zondag 20 januari 2019

Jón Kalman Stefánsson-Het hart van de mens

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Ambo|Anthos








Zinderende finale van de trilogie




Einde…. ongelooflijk hoe deze magnifieke trilogie eindigt!
De jongen, Jens en de knecht Hjalti zijn gestrand. Zij waren op weg - door weer en wind - een kist weg te brengen, een doodskist met het lichaam van Asta, een dode Joodse vrouw. Een ongeluk doet hen stranden en de jongen vraagt zich af of hij nog leeft. Dan komt de vrouw met het rode haar en vraagt of de jongen wil leven of sterven en kust hem, een kus waarin het leven zit.
Zo begint deel drie en gelukkig gaat het verhaal nog vele pagina’s door met verhalen over de jongen, de blinde kapitein, Geirthrud, Jens, Gisli en al die anderen die deel uitmaken van de afgelegen dorpsgemeenschap in IJsland. Dit deel zou afzonderlijk gelezen kunnen worden las ik ergens, maar dat is geen aanbeveling, het boek wordt zoveel mooier wanneer de namen al een geschiedenis hebben.


De reizigers worden opgevangen in Vlakbank, vanuit het huis heeft de jongen uitzicht op de witte bergen en de ‘pikzwarte rotsgordels als de deuren van de hel.’ Daar mag hij op krachten komen en horen wat er gebeurd is. Jens heeft bevriezingsverschijnselen en is er minder goed aan toe dan de jongen. De Odyssee van Jens en de jongen duurde zes dagen, een reis vol ontberingen en toen dat afschuwelijke ongeluk. Wat een drama, de dode knecht kan niet gemist worden in het moederloze gezin waarin vader Bjarni nu alleen de zorg heeft over de kinderen en zijn oude moeder. In prachtige bespiegelingen wordt de nieuwe situatie beschreven zoals hij is, met al zijn pijn, verdriet en verlangen. Het is volstrekt onmogelijk weer te geven hoe Stefánsson ons vertelt hoe het is te leven, lief te hebben, te lijden en te sterven. Om dat te kunnen moet je de auteur zelf aan het woord laten. Elke bladzijde is gevuld met woorden die de mooiste en diepste beelden oproepen. Het zal voor iedere lezer anders zijn welke het meeste aanspreken, maar wat te zeggen van deze:

‘Toen stierf Hjalti. De meeuw klaagt weer. Ergens staat geschreven dat degene die van de kou omkomt niet helemaal sterft, maar in een meeuw verandert, een klaagzang in de lucht wordt.’

Dat woorden een belangrijke rol kunnen vervullen is duidelijk, sterker nog, woorden uit het verleden zijn in dit boek een leidmotief. De herinneringen van de doden komen als gedichten en verhalen tot ons.

‘Arbeid adelt. Spreekwoorden en stijlfiguren bewaren in zich de wijsheden van de loop der tijden, het destillaat uit het leven van vele generaties, de bondige boodschap van het verleden naar het heden, in de juiste woorden gekerfd en gepolijst zodat ze niet worden vergeten, niet verloren gaan, door de tijd heen dringen en waar zouden we ook zijn zonder de kennis van het verleden, arbeid adelt, heel juist, maar ook gevaarlijke nonsens.’

In dit deel komt na de lange, koude winter de lente. Maar in deze streken komt de lente laat en is kort van duur. Lente is niet alleen maar groen, licht en lucht gevuld met het vrolijke getjilp van vogeltjes. De lente is ook het jaargetijde waarin de doden begraven worden, waarin alles vochtig wordt door de smeltende sneeuw en waarin wit en zacht grauw en nat wordt. ‘Als sneeuw het verdriet van de engelen is, dan is natte sneeuw het spuug van de duivel, alles wordt nat, zwaarder, de sneeuw een smerige smurrie.’ Lichamen van de doden zullen als voedsel dienen voor de vos en de raaf. Lente betekent voor de jongen ook liefde, de hunkering naar een vrouw is bijna niet te dragen. Waar blijft ze, wanneer zal hij de liefde mogen omarmen? Deze trilogie beslaat vier seizoenen, in dit jaar is behalve de wisseling van de jaargetijden ook de coming-of-age van de jongen te zien. Was hij eerst nog schuchter en onder de indruk van hen die weten en van vrouwen met hun enorme aantrekkingskracht, langzamerhand ontpopt hij zich letterlijk tot een jongeman die zelf weet en durft naar zijn instincten te luisteren. Prachtig hoe hij de vrouw met de rode haren ontmoet:

‘Hij praatte en onderwijl nam hij een beslissing of hij gaf er veeleer aan toe. Een bootje zien te krijgen, noordwaarts naar Vlakbank roeien, roeien in de richting van het rode haar, in de richting van wat hij niet wist wat het was. Het moest gewoon gebeuren. Het hart beval het.’

En dat het hart ’het’ beval, is het bewijs dat ‘het’ de juiste hartkamer gevonden heeft. De kamer van het geluk in plaats van die van de wanhoop. Het staat allemaal in dit boek én in een oud Arabisch handboek, zodat zij die dit boek lezen weten hoe gevoelens werken, waar wij invloed op hebben en waarop niet, hoe krachten gemobiliseerd kunnen worden. Helaas lezen we ook dat de doden betreuren dat alles wat nu gebeurt, elke fout die nu gemaakt wordt, lang geleden ook al gemaakt werd.
Aan iedereen die graag ondergedompeld wordt in een omgeving waaruit niet te ontsnappen valt, metaforen kan waarderen en niet schuwt in zijn eigen ziel te kijken: 'Lees deze geweldige trilogie, ik las hem in hartje winter en vond dat een perfecte timing!'


De auteur

Jón Kalman Stefánsson (1963) werd geboren in Reykjavík. Hij behoort tot de grootste Europese schrijvers van deze tijd.In een poëtische en beeldende stijl schrijft hij over IJsland. Stefánsson werd genomineerd voor de Nordic Council Literature Prize en won de IJslandseliteratuurprijs en de Per Olov Enquistprijs.

Auteur: Jón Kalman Stefánsson
Vertaling: Marcel Otten
Uitgever: Ambo|Anthos
ISBN: 9789041422149
Pag.: 414
Genre: fictie
Verschenen: augustus 2013

vrijdag 18 januari 2019

Annemiek Recourt - Moralist van de ontrouw, Jan Greshoff (1888-1971)


Recensie door Koen de Jager
Uitgeverij Van Oorschot


Tijdschrift 'De Witte Mier'

Ik zal de naam Jan Greshoff vast in een boek al eens tegen zijn gekomen, maar eerlijk gezegd wist ik niet precies wie de man was. Toen ik de achterkant van dit boek las, wist ik dat 'Moralist van de ontrouw' van Annemiek Recourt onverwijld gelezen diende te worden.

Ik ben geïnteresseerd in geschiedenis én in Nederlandse literatuur en dan kan je niet om Greshoff heen. Hij stond bekend, zeker in het interbellum, als aanjager van menig literaire carrière, én was zelf ook actief als dichter en schrijver. Het verbaasde mij ook dat ik niet meer over hem wist, maar dat is met dit boek aardig goed gekomen.

Greshoff maakte geen opleiding af maar voelde zich dichter. Na school verzamelde hij al snel een ‘culturele’ kring om zich heen en bleef dat gedurende de rest van zijn leven doen. Hij was al jong fan van Albert Verwey en probeerde om zijn gedichten gepubliceerd te krijgen in diens tijdschrift De Beweging. Daar begon zijn tragiek eigenlijk al een beetje. Zijn vrienden Jacques Bloem en Piet van Eyck lukte het wel. Zijn tragiek, maar ook zijn dynamiek. Greshoff blijkt namelijk een onvermoeibaar aanjager van de verspreiding van kennis over literatuur en de literatuur zelf. Zo richt hij met De Zilverdistel de eerste 'private press' op. Ook begint hij zijn eigen tijdschrift, De Witte Mier. Dat blad oogst veel sympathie, behalve bij volksschrijver A.M. de Jong, die hem van kopie-gedrag beticht. Greshoff is niet onder de indruk:

'Ineens is daar uit de dikke duisternissen der onbekendheid een grove figuur op mij toegestoven. Hoewel ik maar een bleek en mager jongentje ben en heelemaal geen held, ben ik van déze literaire struikroover niet geschrokken.'

Jan Hendrik Greshoff (1888-1971)
Greshoff trouwt, reist veel, schrijft kritieken en krijgt gaandeweg een steeds grotere waarde voor de literatuur. Het accent verschuift van zijn eigen werk naar het begeleiden van jong talent. Voor de Tweede Wereldoorlog verhuist hij naar Zuid-Afrika omdat de sfeer in Europa hem benauwt. Toch kan hij ook daar moeilijk aarden. Hij verblijft enige tijd in Nederlands-Indië en werkt in New York, en overal is het patroon gelijk. Hij zoekt culturele kringen en moet zorgen dat hij aan het werk blijft, maar is nergens echt thuis.

Zij vrienden E. du Perron, Hendrik Marsman en Menno ter Braak overlijden kort na elkaar aan het begin van de oorlog. Greshoff heeft het daar moeilijk mee. Uiteindelijk merkt hij dat zijn invloed als literair zwaargewicht in Nederland tanende is. Dat weet hij zelf ook. Hij ziet niets in de nieuwe garde als Hermans, Reve en Lucebert. Zijn afkeuring is voor hen een aanbeveling geworden. Greshoff schrijft hier zelf het ironische maar toch zo serieuze gedicht over;

Tot wat ik nooit heb willen zijn
Ben ik tenslotte toch verworden
Een van die deftige verdorden
Eertijds verfoeid op ’t Velperplein

Ik wenschte mij, ver van de horden,
Een doelloos leven zonder lijn;-
Nu ben ik echter, braaf en klein,
Een moralist met ridderorden.

Soms voel ik nog een sterke drang
Iets geks te doen en los te breken,
Helaas te zelden en nooit lang.

Ik heb de plooien glad gestreken
En met dit zweempje zwanenzang
Is het geheel afdoend bekeken.

Een onvermoeibare aanjager van literair Nederland, schrijver en dichter, maar uiteindelijk vooral herinnerd om dat wat hij naast dat schrijver- en dichterschap deed.

Ik heb het boek, ruim 670 pagina’s, met meer dan gewone belangstelling gelezen. Dat komt door bovengenoemde interesse, maar ook door de hoofdpersoon zelf. Recourt zet hem neer als een mens, soms zelfverzekerd en eigenwijs maar soms ook vol twijfel. Hij onderneemt steeds weer initiatieven om de literatuur op een hoger plan te brengen. Het boeide mij zo dat ik zelfs de eerste twee jaargangen van zijn tijdschrift De Witte Mier aanschafte. Het is geweldig om daar in te grasduinen en de stukken van Jan en zijn vrouw Aty te lezen. Zo neemt Greshoff in nummer 1 van jaargang 1913/1914 afstand van een stuk van één van zijn medewerkers;

'Aan de lezers. De Witte Mier is ontrouw geworden aan een van de principe, welke van af de oprichting van het tijdschrift bij de redactie hebben voorgezeten: in nummer twaalf van den eersten jaargang staat n.l. een kritisch opstel over binnenlandsche literatuur. Nu zou ten slotte deze uitzondering niet zóó belangrijk zijn, dat ik er hier nog eens de aandacht op vestigen moet, indien niet dit artikel een vrij streng, in ieder geval verwèrpend oordeel inhield over een schrijver, die juist mijn gehééle liefde en bewondering heeft. Mijn gewaardeerde medewerker Pauwels natuurlijk alle oordeelsvrijheid gunnende, de eerlijkheid van zijn uiting eerbiedigende, zal hij het mij zeker niet ten kwade duiden als ik hier verklaar dat mijn oordeel over J.J. de Stoppelaars werk zoo gehéél het tegenovergestelde is van het zijne, dat ik het betreuren moet dat dit laatste in mijn tijdschrift is verschenen.'

Tijdschrift 'De Witte Mier'
En zo heb je de literatuurgeschiedenis in huis gehaald en dat is wat mij betreft de verdienste van dit boek.

In deze video vertelt de auteur waarom ze precies over deze man wilde schrijven en wat hem zo bijzonder maakt.


Auteur
Annemiek Recourt (1981) is als cultuurhistoricus verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, en werkt daarnaast als freelance redacteur. Zij woont in en werkt vanuit Zuid-Afrika.

Over Greshoff:
‘Een stuk Noord- en Zuid-Nederlandse literatuurgeschiedenis is zonder Greshoff ondenkbaar: hij heeft ze mee helpen maken.’ Kees Fens
‘De man die onze plechtig indommelende literatoren wakker schudde, hen niet alleen hun heiligenkroontje ontnam maar hen ook “letterkundig” onthoofde.’ Louis Paul Boon


Titel: Moralist van de ontrouw
Auteur: Annemiek Recourt
Pagina's: 670
ISBN: 9789028282315
Uitgeverij Van Oorschot
Verschenen: oktober 2018

donderdag 17 januari 2019

Jón Kalman Stefánsson-Het verdriet van de engelen (deel 2 van de trilogie)

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Ambo|Anthos



Nu zou het mooi zijn om te slapen tot de dromen in de hemel veranderen, een stille hemel zonder wind, een paar engelenveren die omlaag dwarrelen, verder niets afgezien van de zaligheid van datgene wat van zichzelf geen weet heeft.’*


'De wrok van de bergen'


Dit tweede deel van de trilogie valt uiteen in twee gedeeltes. Het eerste deel Hemel en hel eindigde met het min of meer stabiele leven van de naamloze jongen. Het verdriet van engelen – wat een schitterende titel! - speelt zich af in de kleine dorpsgemeenschap. We zien Jens, de postbode, terugkeren van zijn loodzware tocht door de sneeuw, hij zit vastgevroren aan zijn paard. We
volgen de jongen tijdens zijn werkzaamheden bij Geirthrud en Helga en we zien hem hunkeren naar vrouwelijk schoon. Ook in dit deel is overdrijving een van de stijlfiguren. Dit maakt de lezer, mij tenminste wel, tijdelijk tot een nietig wezen.

Ze waren niet zo lang in het hotel gebleven. De jongen had bijna vierhonderdduizend kilometer afgelegd om een schouder te kussen, een oorlelletje, en werd vervolgens zelf gekust. Toen hij weer bij zinnen was gekomen, zat hij naast Helga aan tafel, die de kaarten neerlegde en zei: 'Zo, zo, nu gaan we.’'. 

Het tweede gedeelte beschrijft de huiveringwekkende tocht van Jens en de jongen. Deze tocht vol hindernissen is werkelijk schitterend beschreven en voert langs de meest afgelegen plekken van het besneeuwde IJsland met alle obstakels die in dat onherbergzaam gebied nu eenmaal voorkomen.
De kracht van deze vertellingen zit in het contrast tussen het rauwe van de omstandigheden en het poëtische en filosofische van de dialogen, ontmoetingen en gedachten van de personages.
In de cursief gedrukte proloog spreken de doden. Zij vertellen hun herinneringen zodat er niets verloren gaat. Mooie gedachte is dat, door gedichten komen die opgeslagen herinneringen tot ons, de levenden. Eigenlijk kijken we naar een wereld van jaren geleden.

Literatuur geeft de jongen, net als in het eerste deel, houvast. Een van zijn taken is het voorlezen aan de oude blinde kapitein. Van hem is de verzameling boeken, een stuk of 400. De jongen leest Othello aanvankelijk zonder bezieling voor, flink oefenen is de boodschap en Engels leren. Dat doet hij, het is een pientere, leergierige jongen en net wanneer hij op het punt staat iets op te steken van de lessen van Gisli, de dronken rector, moet hij op pad met Jens. Naar het einde van de wereld. Omdat Jens watervrees heeft, moet de jongen mee en dan begint de barre tocht. Met proviand en drie posttassen gaan ze op weg. Warm aangekleed ook. 

Desdemona and Othello, by Antonio, Muñoz Degrain (publiek domein)

Dit tweede gedeelte is veel meer dan een reisbeschrijving. Het gaat over vertrouwen, vriendschap, liefde, de dood, de barre elementen en moed of het gebrek daaraan. De jongen – je kunt de hele trilogie zien als zijn coming-of-age – krijgt het zwaar te verduren. De watervrees van Jens blijkt niet overdreven, het wordt in het begin van de tocht direct spannend en vergt het uiterste van de jongen, niet alleen fysiek. Zijn optreden wordt hem in dank afgenomen. Een postbode is een graag geziene gast in een afgelegen gebied, ze zijn van harte welkom geheten bij de schaarse bewoners. Er zijn heel bijzondere ontmoetingen bij, zoals een paar kinderen die dolblij zijn met een vel wit papier dat ze van Jens krijgen om er naar believen op te tekenen. Dit was nog nooit vertoond, voorheen mochten ze alleen hoekjes van een brief gebruiken. De moeder van de kinderen vraagt de jongen of hij de volgende keer een paar boeken voor haar wil meenemen

‘'Ik zag hoe je las', zegt ze alleen maar en ze maakt haar lippen met haar tong vochtig, ze zijn gesprongen alsof de tijd er met grof schuurpapier overheen is gegaan. Ze wendt haar bruine ogen niet af van het gezicht van de jongen. 'Kies die boeken uit,' zegt ze een beetje hees, 'die… anders zijn… waar de woorden niet stom op de bladzijden zitten, maar opzweven en ons vleugels geven, zelfs al is de mensen de lucht niet gegeven om te vliegen.’'

Het woord ‘opzweven’ past zo prachtig bij de titel ‘Het verdriet van de engelen’ en de ‘engelenveren’ van de levenlozen in de proloog. Indianen in Noord-Canada zeggen dat er engelentranen vallen wanneer het sneeuwt.

Het verhaal krijgt een bizarre wending wanneer de postbode gevraagd wordt een bijzondere missie te vervullen. Lees vooral zelf wat er gebeurt en ervaar hoe het is wanneer je denkt dat je niet meer tot de levenden behoort, maar dan tot de ontdekking komt dat het wél zo is. Ook in dit deel wordt veel gesproken van hemel en hel, van de duivel en is bijgeloof heel normaal, net als drankmisbruik. Vrouwen hebben het helemaal niet gemakkelijk met de ruwe zeebonken als enig gezelschap. Gelukkig zijn er ook nog vrouwen met power en mannen met een goede inborst. Uiterst gevoelig is de gedachtestroom van de jongen wanneer hij terugdenkt aan zijn vader, zijn moeder, zijn zusje en broer. Keer op keer komt hij hier op terug en het is heel triest dat deze eenzame jongen in deel 1 zijn beste vriend moest zien sterven door de kou, de vergeten jas en de dichtregels….
Ik heb dit deel met veel genoegen en bewondering gelezen en ga verder met deel drie. 


De auteur

Jón Kalman Stefánsson (1963) werd geboren in Reykjavík. Hij behoort tot de grootste Europese schrijvers van deze tijd.In een poëtische en beeldende stijl schrijft hij over IJsland. Stefánsson werd genomineerd voor de Nordic Council Literature Prize en won de IJslandseliteratuurprijs en de Per Olov Enquistprijs.

Titel: Het verdriet van de engelen
Auteur: Jón Kalman Stefánsson
Vertaling: Marcel Otten
Uitgever: Ambo|Anthos
ISBN: 9789041417923
Pag.: 324
Genre: fictie
Verschenen: september 2012

dinsdag 15 januari 2019

P.F. Thomese - De weldoener


Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact


Van god los

Spoilers, vermoed ik,
maar het einde verklap ik niet.

Een indringer is hij geworden, een onbekende voor wie de rijen zich fluisterend sluiten. Alsof hij al is uitgewist. Na zijn vertrek uit het register geschrapt en bij zijn terugkeer niet meer ingeschreven - een dode is hij wiens geest hier nog rondwaart, samen met god weet hoeveel onzichtbare zielen. Danse macabre op klaarlichte dag.[...] Hij zou als een razende gek moeten huishouden in het hart van deze onverdraaglijke tevredenheid: laaiende branden stichten (sic!), bloed in kelen laten gorgelen, de dag der wrake voltrekken. Iets groots en gruwelijks verrichten En niemand zal ontkomen. Allen zullen het weten, want de Waarheid is gekomen. De tweesnijdende vrede van het Bloed. Net als in het Dies Irae van zijn vanwege allerlei gedoe nooit uitgevoerde Herdenkingsmis voor koor en orkest, met die hamerende zestienden die zo omineus tekeergaan.’
 (2010: 11-12)

Zo gaat dit poëtische gemor en gemopper nog bladzijden lang door. In het begin dacht ik nog: Nou nou, kan het niet een beetje minder, tot ik er op een gegeven moment niet alleen aan gewend raakte, maar dit lyrisch-kwade gekwaak zelfs zeer ging waarderen.

Het begin is al lekker somber, de stemming zit er meteen goed in. Componist Sierk Wolffensberger, een chique alias voor zijn werkelijke naam Theo Kiers, is op sterven na dood; in de Lijdensweek. Hij repeteert een zelf geschreven oratorium. Hij zit niet lekker in zijn vel, het wil niet zo lukken; het koor is ‘rubbish’, veel te slecht voor zijn delicate werk . Het is zo leuk om zijn gekanker te lezen op amateurkoren; ik zit zelf in zo’n koor: heel grappig. Hij is jaloers op zijn collega Lou Wehry, die het helemaal gemaakt heeft en hij moet het doen met een eenvoudig dirigentschap van een amateurkoor in de kerk te H: de Sint-Antonius van Padua. Zijn interne monoloog maakt overuren. Dan vindt hij op een avond vlak voor de uitvoering een bewusteloos meisje in een uithoek van de kerk, waar hij toevallig belandt omdat de gebruikelijke deur is gesloten. Dat meisje, Beertje, lijkt zelfmoord te willen plegen.

Als hij Beertje gevonden heeft op de stoffige kerkzolder is het alsof hij zijn jeugd hervindt, alsof hij opgestaan is uit de dood in plaats van haar en in plaats van de Heer. Zijn zelfvertrouwen krijgt een boost als een bombardementsvliegtuig. Als in een Lohengrintische zwanenzang leeft hij op in een te felle bliksem van levenslust en vlammend verlangen:

Zijn herinneringen zijn gekleurd door die van Ghislaine (zijn vrouw, rdv) en dan niet zozeer door haar feitelijke herinneringen, maar door zijn eigen fantasieën over haar glorieuze adellijke meisjestijd die hij evengoed bij Proust of Nabokov had kunnen lezen als hij daar op zekere dag de tijd voor genomen had. Een fantasie met om te beginnen net iets te veel witte jurkjes en sokjes en onderbroekjes en overal onwaarachtig groen gras. Die jeugd - het is als twee druppels water de jeugd die hij nooit had - die wil hij terug. En dat vleesgeworden meisjesbeen (van Beertje, rdv) die zijn vingertoppen nu virtueel voor hem uittekenen, is daarvan mogelijk een begin.’ (ib.: 39)

De dirigent redt haar door haar naar de eerste hulp te brengen. Dan slaat de weldoener in hem genadeloos toe en rijdt hij met het meisje van hot naar her maar uiteindelijk naar zijn hut en naar het chalet van zijn schoonzus en zwager in de Zwitserse Alpen.

Het stukje waarin hij Beertje vindt is van een genadeloze schoonheid; dat vindt hij zelf ook en daarvan raakt hij nog meer in de war. Hij laat zijn Luxemburgse Franssprekende vrouw en lapzwans want alleen maar in bed liggende en neukende zoon, in de steek. Hij wordt onwel tijdens de uitvoering van zijn oratorium en weet uiteindelijk te ontsnappen aan ziekenhuis, vrouw en zoon om met Beertje, die eigenlijk steeds onwilliger wordt, te ontsnappen naar Zwitserland.

Het verhaal is het loutere verhaal van een verongelijkte componist met grootheidswaan. Hij is tot op het bot onzeker en voelt zich verguisd. De vondst van het meisje, de dochter van zijn collega en tegenstrever en zijn direct ontspruitende romantische liefde voor dat meisje doen hem helemaal ontsporen. Hij raakt helemaal van het padje. Hoe moet dit aflopen?

In het begin kun je als lezer de hoofdpersoon nog goed volgen in zijn gedachten en in zijn beweegredenen, je merkt dat hij steeds meer ontspoort en dat er geen touw meer aan vast te knopen is aan zijn monologues interieures. Dat kun je ook opmaken aan de reactie van het meisje, dat eerst nog wel wat in hem ziet, ergens, of hij maakt zichzelf dat wijs, maar dat zich gaandeweg meer op zichzelf terugtrekt en hem uiteindelijk laat vallen als een baksteen. Maar er is voor haar waarschijnlijk geen andere mogelijkheid. Zij wil door haar familie niet gevonden worden, maar kan dat natuurlijk niet volhouden.

Sommige stukken zijn mateloos intrigerend en van een bovenwereldlijke schoonheid, maar een krankzinnig wordend mens is op een gegeven moment alleen nog maar een zielige, huilende en zeurende obsessieveling. Zielig, betreurenswaardig maar op geen enkele manier te pruimen. Hetzelfde geldt wellicht voor zijn muziek.

Ten overvloede is gezegd dat in de roman muziekmetaforen en muziekzaken de boventoon voeren.

Het is niet zozeer het spannende verhaal dat deze roman tot een schoonheid verheft, het is vooral de taal van Thomése, die je als lezer betovert en je laat stijgen tot lyrische hoogten. Vandaar de twee ruime citaten hierboven.

Auteur

Pieter Frans Thomése (Doetinchem, 23 januari 1958) is een Nederlands schrijver.
Van 1979 tot 1984 was Thomése redacteur en verslaggever bij het Eindhovens Dagblad. In 1984 pakte hij zijn geschiedenisstudie voor drie jaar weer op, maar voltooide deze niet. Daarna schreef Thomése voor het weekblad De Tijd en leverde hij bijdragen aan NRC Handelsblad, enkele regionale dagbladen en Vrij Nederland. Van januari 1998 tot april 2001 was Thomése redacteur van De Revisor.

Thomése publiceerde zijn eerste literaire verhaal in 1986 in het literair tijdschrift De Revisor. Dit verhaal maakte in 1990 deel uit van zijn debuut in boekvorm, de verhalenbundel Zuidland. In 1991 en 2003 ontving hij literaire prijzen. In september 2007 verscheen zijn roman Vladiwostok! over het politieke bedrijf in Den Haag, de media en andere valkuilen. Vladiwostok! werd genomineerd voor de Gouden Uil 2008. Een jaar later werd de bundel Nergensman. Autobiografieën genomineerd voor de Gouden Uil 2009.

In 2011 werd zijn roman De weldoener genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In het voorjaar van 2012 werd Grillroom Jeruzalem bekroond met de Bob den Uyl-prijs voor het beste reisboek van het jaar.

De roman De onderwaterzwemmer (2015) haalde de shortlist van alle drie de grote publieksprijzen: ECI Literatuurprijs 2015, Libris Literatuurprijs 2016 én Fintro Literatuurprijs 2016, en werd bekroond met de Fintroprijs van de Lezersjury.


Auteur: P.F. Thomése
Titel: De weldoener  
Pagina's: 352
ISBN: 9789025446628
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: oktober 2015