dinsdag 23 april 2019

Joke van Leeuwen - Hier


Recensie door Roosje
Uitgeverij Querido

Genomineerde op de Longlist Libris Literatuurprijs 2019

            “Sometimes I feel like a motherless child...”
- een spiritual

In een land, hier niet zo ver vandaan leefden eens een vader, een moeder en een zoon....

-- Sorry, een *spoilertje* hier en daar --

‘Stamvader kan niet meer staan. Sinds hij vervroegd met pensioen is gestuurd, dijt zijn lichaam onstuitbaar uit en dragen zijn knieën de kilo’s niet langer. Zijn zoon Bardo heeft al een bed voor hem getimmerd dat bijna de helft van de achterkamer in beslag neemt. Hij wil de dokter van het naburige dorp erbij roepen, maar zijn vader duldt geen dokters aan zijn lijf, hij noemt ze allemaal kwakzalvers.
Wantrouwen is altijd zijn werk geweest.’ (2018:9)

Bardo’s vader heeft geen naam, hij wordt Stamvader genoemd, als de wrekende en wrakende God uit het Oude Testament: zijn wil is wet, zijn wil geschiede*. Een patriarch, maar wel een beetje een zielige, zijn vrouw overlijdt vroeg en zijn zoon stelt hem teleur, in alles eigenlijk. Geen echte man wil hij worden, een slappeling is Bardo, net als zijn slapie Kors later tegen hem zegt. Een slappeling he will be.

Bardo’s moeder heeft ondanks haar vroege verscheiden wel een naam: Onna. Zij is verongelukt toen ze over de grens boodschappen ging doen. Een andere vader reed haar van de weg. Daarom wil diens zoon Julus aanvankelijk, uit schuldgevoel Bardo’s vriendje zijn. Het botert niet tussen de twee. Hond wordt daarvan het slachtoffer. Hond is de hond van Stamvader, een waakhond.

Stamvader is grenswachter en hij neemt zijn taak überserieus. Hij is gebrand op smokkelwaar. Daarbij roept hij de hulp in van zijn vrouw, die de dames moet visiteren. Sinds zij dood is, heeft Stamvader andere methoden om bijvoorbeeld gesmokkelde pakjes boter op t sporen:

‘Toch vertrouwde hij het niet, hij meende iets schichtigs in haar zwijgen te bespeuren, en nu Onna er niet meer was en hij de regels niet wilde overschrijden, vroeg hij haar haar jas uit te trekken, een soepele dunne regenjas met epauletten en sierknopen (zoals de regenjas die Onna droeg op de dag dat zij dodelijk gewond raakte, rdv). Eronder droeg zij een moderne jurk in bonte kleuren, die in zijn getailleerde eenvoud de zomer al aankondigde. Er was geen verdachte verdikking aan haar lichaam te zien, maar er kon nog iets tussen haar dijen verstopt zitten, want haar voeten stonden te ver van elkaar. Hij beval haar haar jurk uit te trekken en keek toe hoe ze het lipje probeerde te vinden van de rits die over het midden van haar rug liep. Met haar armen langs haar oren trok ze het achterpand iets omhoog om erbij te kunnen, daarna zag hij haar handen langs haar middel naar haar rug gaan, zoekend waar dat lipje was gebleven. Ze trok het tot op haar heupen, haalde haar armen uit de halflange mouwen en liet de jurk op het vette kleed vallen, als een krans rond haar voeten.
Al die tijd was ze hem zwijgend blijven aankijken.
Hij kon zien dat in haar witte beha alleen de volte van haar borsten zat.
Haar even witte onderbroek zat strak om haar huid.
Net onder haar navel ontwaarde hij een kinderlijk strikje dat niets bij elkaar hield.’ (ibidem: 21-22)

Aan deze scène wordt gerefereerd wanneer Mara en Bardo voor het eerst vrijen. Mara had overwogen een jurk aan te trekken maar besloot tot rok en bloes omdat dat minder gedoe zou geven bij het ontkleden, het openen van een rits in een strakke jurk is geen sinecure; dat kennelijk in een tijd dat de jurken strak om een vrouwenlichaam pasten.
Verder vind ik dit een van de prachtigste stukjes uit dit boek. Het getuigt van onverholen en toch zeer verborgen erotiek - een opgelegde striptease - versus de volledige onschuld van een onaangeraakte maagd. Dat strikje op een witte onderbroek! Het uitdoen van een jurk via een ritssluiting in een strakke jurk, dat je dan die jurk een stukje op moet trekken, etc. Zo beeldend! 

We volgen Bardo in zijn leven. Op school, voortgezet technisch onderwijs, Bardo is daar niet heel handig; zijn relatie met schoolvriendje Julus; zijn ontmoeting met zijn toekomstige vrouw Onna; de geboorte van hun dochtertje Onna, die Kleine genoemd wordt; zijn dienstplicht in het leger en zijn relatie met Kors, die enorm gepest wordt en Bardo die het niet voor hem opneemt; zijn baan als grenswachter elders; de verwording van en vervreemding in zijn relatie met Mara.

Aanvankelijk heb je als lezer veel sympathie voor de arme Bardo, die al jong zijn moeder moet missen en wiens vader een bullebak is met opgeklopte ideeën over het Vaderland en hoe een jongen zich dient te gedragen. Daarom vond ik heel misschien het eerste stukje van het boek het mooist. Als lezer geloof je in de onschuld van die arme jongen, en voel je mededogen omdat hij het zo slecht getroffen heeft. Maar wanneer je verder komt in het verhaal blijft er steeds minder over van die sympathieke jongen. Steeds vaker begint hij trekjes te vertonen van iemand die wel erg op zijn vader gaat lijken. Dat is best shockerend. Tenminste dat is iets waar ik mezelf toch regelmatig op betrap, ook bij het zien van een film of serie. Je wilt als mededogend mens je hoofdfiguur wel sympathiek vinden of op zijn minst begrijpen. Als je begrijpt waarom een personage een klootzak is, of gewoon een lafaard of zoiets, dan heb je minder een hekel aan hem. Als je hem niet begrijpt ga je zelfs (bijna) de hoofdpersoon haten. Dat is hier bijna het geval, of misschien ook helemaal. Dat moet iedereen zelf beslissen, ook met het einde in gedachte.

Het is een kenmerk van de romans van Joke van Leeuwen, van haar romans voor volwassenen, dat zij vaag is over de geografische plek waar het verhaal zich afspeelt en over de tijd wanneer. In dit geval vermoed je Oost-Duitsland of misschien elders in Oost-Europa, aan de hand van de vaker genoemde bruinkool die gestookt wordt, en de wijze waarop het winkelen in zijn werk gaat en de minder rijke hoeveelheid consumentenartikelen die in die winkels te koop zijn. De strenge grensbewaking. Ze vieren er een onbeholpen vorm van carnaval.  Tijd? Ergens jaren 50 of 60 of iets later, want in dat land lopen ze wat achter, aan de hand van de strakke jurken met ritsen en het smokkelen van boter.

Immigratie en emigratie komen verholen aan de orde; zeker omdat het verhaal zich afspeelt aan de grens en omdat Bardo en zijn vader beiden grensbewakers zijn, de term ‘douanier’ komt niet voor. De ouderwetsheid en de soberheid sijpelen tussen de regels door. Mensen verdienen niet veel. Het is sappelen. Ze eten voornamelijk stampotten met een kuiltje jus.
Dat uiterlijke verbeeldt de innerlijke gesteldheid van de mensen om wie het gaat; het uiterlijke staat ten dienste van die innerlijke gesteldheid.

Enerzijds schrijft Van Leeuwen heel afstandelijk en tegelijk komen het verhaal en de emoties daardoor juist heel dichtbij. Met eenvoudige woorden weet Van Leeuwen een enorme vervreemding tussen mensen en binnen de mensen gestalte te geven.
Ik moet nu spontaan aan A. Alberts denken, die daar ook een meester in was: eenvoudige woorden die gelijktijdig een afstand en een nabijheid scheppen. Dat is bijna tovenarij.

Geschiede is hier aanvoegende wijs, conjunctivus, vandaar die rare vorm, met een ‘e’ en met maar één ‘d’.

Auteur

Johanna Rutgera (Joke) van Leeuwen (Den Haag, 24 september 1952) is een Nederlands auteur voor kinderen en volwassenen, dichter, illustrator en cabaretière. Ze woont sinds 2002 in Antwerpen.
Haar vader was theoloog en het grote gezin verhuisde regelmatig. Ze woonde onder meer in Amsterdam, Brussel, Zetten en Maastricht. In haar ouderlijk huis werd veel gelezen, muziek gemaakt en toneel gespeeld. Van haar tiende tot haar dertiende schreef en tekende ze een eigen huiskrant.

Van Leeuwen studeerde grafische kunsten aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen en de Hogeschool Sint-Lukas Brussel in Schaarbeek. Daarna studeerde ze geschiedenis aan de Vrije Universiteit Brussel waarover ze vertelde: "In die tijd moest zo'n studie juist ook exacte componenten hebben, dus ging het over manuren staking, waarbij je over tien uren staking niet weet of tien mannen een uur gestaakt hebben of één man tien uur...". Uitgebreider komt haar opleiding (zowel geschiedenis als kunst) aan de orde in Het moet een beetje huppelen in mijn hoofd, een portret.

In 1978 debuteerde Joke van Leeuwen als kinderboekenauteur met De Appelmoesstraat is anders. In hetzelfde jaar won ze ook alle prijzen op het Camerettenfestival en kwam daarmee terecht in het officiële cabaretcircuit. Vanaf 1984 staat ze minder frequent op de planken, maar kwam in 2004 officieel terug met een combinatie van cabaret, literatuur en beeld. Ze treedt op met Mario Paric en haar vaste begeleidster Caroline Deutman op piano.

Als schrijver en illustrator van (kinder)boeken is ze veelvuldig bekroond. Zo werd Een huis met zeven kamers in 1980 bekroond met een Gouden Penseel en een Zilveren Griffel en Deesje in 1988 met een Gouden Griffel en een Zilveren Penseel. Van Leeuwen leverde het Kinderboekenweekgeschenk in 1988 (Duizend dingen achter deuren) en in 1993 (Het weer en de tijd). In 2013 werd ze in Duitsland bekroond met de James Krüss-prijs voor internationale kinder- en jeugdliteratuur en ze wordt al enige jaren genomineerd voor de Astrid Lindgren Memorial Award. Haar hele oeuvre werd in 2000 bekroond met de Theo Thijssenprijs, in 2010 met de Gouden Ganzenveer en in 2012 met de Constantijn Huygens-prijs. Voor volwassenen schreef ze onder meer Feest van het begin (AKO Literatuurprijs) en De onervarenen (shortlist Libris Literatuur Prijs). Ze publiceert ook dichtbundels zoals Het moet nog ergens liggen en werd in 2007 gelauwerd met de Herman de Coninckprijs voor haar gedicht Andermans Hond.
In januari 2014 werd Joke van Leeuwen benoemd tot voorzitter van PEN Vlaanderen als opvolger van David Van Reybrouck. Onder haar voorzitterschap kregen allochtone auteurs een groter podium en focuste PEN Vlaanderen zich op politieke situatie in Turkije. In 2018 werd ze in deze functie opgevolgd door theatermaker Erik Vlaminck.

Titel: Hier
Auteur: Joke van Leeuwen
Pagina's: 232 pagina's
EAN: 9789021409580
Uitgeverij Querido
Verschenen: april 2018

zondag 21 april 2019

Johan de Boose-Het Vloekhout

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij De Bezige Bij






                                       Op de shortlist van de Libris Literatuurprijs 2019



Het woord is aan...


Het boek is uit en verwacht een antwoord. Welnu, daar moest even over nagedacht worden, maar hier is het dan, het antwoord op het verhaal van een stuk hout dat een groot deel van de geschiedenis beslaat en zijn herinneringen optekende in ‘Het Vloekhout’. Het is een veelkleurige mozaïekvertelling geworden, de verhalen zijn bijna separaat te lezen, zo heb ik het boek ook gelezen, elke dag een hoofdstuk. 

De stukken hebben wat bezinktijd nodig, er gebeurt veel in een korte verteltijd, maar de werkelijke tijd is vele malen langer. Het oerverhaal, de mooie cover met de ‘Olijfgaard’ van Vincent van Gogh is een Bijbels verhaal en laat ons kennismaken met Maryam, de vrouw die verkracht wordt onder de ogen van de boom. We horen het getuigenverslag van de brute verkrachting van de olijfboom zelf, want ja, een sprekende boom is het. Nu nog als boom, later zal hij als gedeelte verder optreden als personage. Een antropomorf personage dus, een ding waaraan menselijke eigenschappen zijn toegedicht. Ik hoor een mooie donkere stem, eentje waarbij het hout doorklinkt.



Johan de Boose vertelde in een interview dat hij door de hele geschiedenis vanaf de jaartelling wilde gaan en dan heb je een personage nodig dat langer meegaat dan een mensenleven. Hij koos voor een houtspaander die ontsprong aan een boom, de getuige van de verkrachting en luisterend oor voor menig ontredderde ziel.
In twaalf – Bijbels getal, de maanden van het jaar en het vroeger gebruikte rekenstelsel – hoofdstukken wordt het ‘vloekhout’ elke keer in een ander historisch decor geplaatst. Het verplaatsen in de historische situaties gaat vrij eenvoudig, het zijn bekende gebeurtenissen en door er een verhaal met personages van te maken worden ze filmisch neergezet. Het hout maakt erg veel mee, hij heeft het zwaar lijkt me, dat blijkt uit de getuigenverslagen van het hout zelf, maar ook uit de dialogen die hij voert met andere sprekende voorwerpen.

Het is meteen duidelijk dat wij iets belangrijks gemeen hebben, de eerbiedwaardige mevrouw lijkwade en ik. We hebben die rebelse snaak Jesjoea op bijzondere momenten vergezeld, ik vlak voor zijn dood, zij erna.
‘Wat vond jij zo fascinerend aan hem?’ wil ik weten, nadat ik haar heb verteld hoe ik de jongen in zijn laatste uur tegen me aan heb gedrukt om hem te helpen sterven.
‘Ach, wat vreselijk, maar tegelijk is het prachtig. Weet je, men beschouwde hem als een heilige, en daarom zocht men na zijn dood een voortreffelijk stuk lijnwaad, dat wil zeggen mijzelve, om zijn lichaam mee te bedekken. Hij voelde aan als een profeet. Zijn bloed en zijn zweet hebben mij helemaal doordrenkt.’
Ha, die ijdele mevrouw lijkwade.’ (2018-65 ebook)
De verschijningsvorm van het hout reist ook mee met de tijd, stond hij eerst nog geworteld op een berg, later wordt hij gekapt en dient hij als kruis voor Jezus. De volgende metamorfose is een deel van het kruis, opgemerkt door Gaius, de ‘dikkespaanderzoeker’. Met hem beleeft het hout hachelijke avonturen aan het hof van keizer Nero. Als lezer word je zo ongeveer in een bad met beschrijvende beelden uit de oudheid gelegd, hoewel de gebeurtenissen soms gruwelijk zijn doet het vertoeven in die tijd weldadig aan. Net of de tijd past bij het hout. Het eerste deel van het het boek kon mij enorm bekoren. 



De tijd verstrijkt, zo ook het uiterlijk van het ‘hout’. Zijn gestalte als icoon zal menig (on) gelovige ziel doen sidderen, de gesloten ogen van de afgebeelde vrouw spreken tot de verbeelding en een ieder hoopt getuige te kunnen zijn van het ogenblik dat zij haar ogen open zal doen. Door de wereldgeschiedenis in vogelvlucht te beschrijven worden her en der gebeurtenissen uitgepikt. De weldadigheid die ik voelde in het begin in de tijd van de jaartelling kreeg de neiging weg te ebben, alsof de metamorfose van het hout bij mij als lezer ook een verandering teweegbracht en die liep niet synchroon met de verwachtingen. Misschien was het teveel van al het mooie, te compact misschien voor de bijzondere onderwerpen? Ik weet het niet, maar ik werd bij het hoofdstuk dat zich afspeelde in Brussel, ik zal geen spoilers weggeven, helemaal afvallig, ik haakte af en van het mooie concept bleef weinig meer over.

Nu is het niet zo dat er niet te genieten valt in dit boek, er staan heel mooie passages in en het taalgebruik is soepel, af en toe raadselachtig. De uitdaging alles ook werkelijk op te nemen, te bevatten en eventueel dingen op te zoeken is redelijk groot en ook zal iemand die gelovig is misschien af en toe de wenkbrauwen even fronsen. De auteur zegt in een interview dat hij een schelmenroman wilde schrijven. Dat is misschien inderdaad een goede beschrijving:

De schelmenroman is een literair genre dat in Spanje ontstond in de 16e en 17e eeuw. Schelmenromans worden ook picareske romans genoemd (naar het Spaanse picaro, dat schelm betekent). De schelmenroman is een subtype van de roman.



Een schelmenroman brengt het verhaal van een sociale verschoppeling van zijn geboorte en kindertijd tot zijn jonge volwassenschap. De schelm, die meestal als ik-verteller optreedt, is soms een wees en altijd iemand die zonder de bescherming van een normale gezinssituatie opgroeit. Hij verhuist meermaals en komt van de ene in de andere situatie terecht, wat het verhaal een episodisch karakter geeft. De schelm is gewiekst; zijn opeenvolgende werkgevers is hij vaak te slim af. Ondanks zijn kwajongensstreken heeft hij een goed hart. In dit genre krijgt men een scherpere kijk op het leven, de zeden en de leefgewoonten van een bepaalde tijd (bron Wikipedia)



Het Vloekhout is deel drie van een trilogie, hij kan heel goed los gelezen worden omdat de eerdere twee boeken beide een hoofdstuk krijgen in Het Vloekhout, toch lijkt me zeker niet ondenkbaar dat ik Gaius en Jevgeni, deel een en twee van de trilogie, ook nog eens ga lezen. 

Afbeelding gemaakt door Koen Broos


De auteur

Johan de Boose (1962) is doctor in de slavistiek en verwoed Oost-Europareiziger. Hij werkte voor theater, televisie en radio. Voor De grensganger (2006) kreeg hij de Henriette Roland Holstprijs en voor De poppenspeler en de duivelin (2009) de Cultuurprijs van de Provincie Oost-Vlaanderen. Zijn dichtbundel Geheimen van Grzimek (2010) werd genomineerd voor de Herman De Coninckprijs. In het voorjaar van 2011 verscheen de roman Bloedgetuigen. Voor dit imposante werk ontving De Boose de Halewijnprijs. In zijn trilogie Het Vloekhout verschenen al Gaius (2013) en Jevgeni (2014).


Titel: Het Vloekhout
Auteur: Johan de Boose
Uitgever: De Bezige Bij
ISBN: 9789403129105
Pag.: 216
Genre: fictie
Verschenen: 2018

vrijdag 19 april 2019

Linda Polman - Niemand wil ze hebben


Recensie door Truusje
Uitgeverij Jurgen Maas


Europa en zijn vluchtelingen

Met 'Niemand wil ze hebben' schreef Linda Polman een boek met uiterst urgente strekking. Het is een zeer leesbaar relaas over het vluchtelingenbeleid en met name over die in Europa. Leuke of ontspannende lectuur is het niet te noemen. Het is het resultaat van onderzoek en de bevindingen van de auteur. Wanneer je alles, wat zo geconcentreerd tussen de kaften is gedrukt, in ogenschouw neemt is het veel, heel veel ellende bij elkaar.

Van het vluchtelingenbeleid bakt Europa heden ten dage nog steeds niet zoveel. Polman stelt dit aan de kaak en steekt meteen van wal, benoemd veel precaire punten en neemt geen blad voor de mond, deelt links en rechts behoorlijk venijnige sneren uit. En terecht!!! 

Ze begint haar relaas met de internationale conferentie van 1939 over de Europese vluchtelingencrisis in het Franse Evian. Door de dreiging in Duitsland en Oostenrijk ontvluchtten grote groepen Joden het land en er waren met spoed opvangplaatsen nodig. Nederland zou slechts als doorgangsland fungeren en wilde zekerheid dat de vluchtelingen binnen afzienbare tijd weer zouden vertrekken. Polman benoemt de angst voor een ongewenste 'aanzuigende werking'. Wanneer je één vluchteling 'over de dam' laat gaan, volgen er meer. Overzeese gebieden en kolonies werden voorgesteld, maar de ervaring leerde dat slechts enkelingen daar welkom waren en het schip rechtsomkeert moest maken, om uiteindelijk bij Rotterdam aan te meren. De Joden werden in opvangkamp Westerbork ondergebracht, maar de Duitsers namen het later in, de vluchtelingen werden gevangenen en afgevoerd naar vernietigingskampen.

Na de oorlog was het echter niet gedaan met het antisemitisme en het leven voor de Joden werd niet voor iedereen makkelijker. Er zijn vele gevallen bekend van mensen nog lang in de kampen moesten blijven, verwaarloosd werden en niets anders hadden dan hun gestreepte kleding en mondjesmaat voedsel, terwijl ze om hen heen zagen dat het de niet-Joden steeds beter verging. Hun huizen waren ingenomen, pogroms vingen weer aan en velen zijn door Stalin naar Siberië gedeporteerd.

Je zou zeggen dat Europa hiervan heeft geleerd, maar uit het verhaal van Polman blijkt het tegendeel.

'In 1972 [...] spoelden de eerste Haïtiaanse 'boat people' aan op de stranden van Florida. [...] Tussen 1972 en 1988 slaagden 40.000 tot 50.000 Haïtianen erin in bootjes Miami te bereiken. Minstens zoveel werden zodra ze Amerikaanse wateren bereikten, door de Amerikaanse kustwacht onderschept en terug naar Haïti gebracht.'

De oprichting van de EU bracht de vrees voor de open grenzen en voor de aanzuigende werking met zich mee. Van idee dat je vooral niet te vriendelijk moest zijn tegen vluchtelingen, waren ze sinds de Evian-conferentie ook nog niet verschoond.

Polman benoemt de zogenaamde 'veilige enclaves' die onder bescherming vallen van de VN-blauwhelmen. De UNHCR zorgt voor tenten, de WFP voor voedsel. Vluchtelingen worden op die manier 'netjes' in eigen land gehouden, maar zijn nog steeds omsingeld door oorlogsgeweld. De UNHCR is afhankelijk van donorlanden, maar wordt financieel aan banden gelegd. De vluchtelingen in een veilige enclave hebben echter geen recht op het aanvragen van een asielprocedure. Ze vallen niet onder het VN-vluchtelingenverdrag, omdat ze 'veilig' in eigen land verblijven.

'In januari 2017 verdronk een tweeëntwintigjarige Gambiaanse asielzoeker in het Canal Grande in Venetië terwijl omstanders en passagiers aan boord van een voorbijvarende rondvaartboot lachten en joelden en zijn sterven filmden met hun mobieltjes. Het was zelfmoord zeiden sommigen achteraf, maar niemand wist het zeker, want niemand kende hem persoonlijk.'

Verontrustend is de passage waarin Polman de houding beschrijft van de EU ten opzichte van landen waar vluchtelingen vandaan komen. Ze stelt dat de EU deals sluit met dergelijke landen en dat ze flink financieel gespekt worden als ze ervoor zorgdragen dat ze de vluchtelingenstroom richting Europa binnen de perken weten te houden. Hoogst dubieus is dat wel te noemen. En ondertussen zijn er in de meest riskante landen - denk aan Soedan, Libië, Marokko, Turkije - opvangkampen, zogenaamde 'verdwijngaten', te vinden waar vluchtelingen onder hoogst precaire en barbaarse omstandigheden verblijven, verwaarloosd, gemarteld, psychisch gebroken of vermoord worden.

'De route naar Europa is de dodelijkste van alle reizen die mensen moeten maken als ze niet de juiste stempels in hun paspoort hebben. In vergelijking is de weg voor vluchtelingen en migranten naar de VS kinderspel, met op de grens met Mexico 'slechts' 10.000 doden in dezelfde periode. Terecht concludeerde de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in 2018 over het Europese 'vluchtelingenmanagement' dat 'Europa een beleid heeft ontwikkeld dat impliciet of expliciet de dood accepteert als een effectief anti-immigratie-instrument'. Dat is een treurige constatering over een continent dat zich na de Tweede Wereldoorlog met 'nooit meer' voornam om een baken van beschaving voor de rest van de wereld te zijn.'

In een interview kreeg premier Rutte de vraag wat Europa moet doen met vluchtelingen vanuit het Libië van Khadaffi. Zijn antwoord was: opvang regelen in eigen land en wanneer ze alsnog op Europese bodem belanden vallen ze onder de verantwoordelijkheid van het land waar ze voet aan wal zetten. Op de opmerking dat het dan vrijwel zeker steeds Italië zou zijn die alle vluchtelingen op moest vangen, zei de premier: 'Tja, dat is gewoon pech voor hun. Landen hebben voor- en nadelen van hun ligging.'

Het relaas van Polmans onderzoek is helder en uitstekend gedocumenteerd. De boodschap en analyse maken het geheel overzichtelijk en begrijpbaar. Een heel herdere uiteenzetting, maar ik als leek, zal de politieke beweegredenen hieromtrent waarschijnlijk nooit helemaal kunnen begrijpen. De uitkomst van haar onderzoek zouden kamervragen moeten oproepen, zodat er gezocht gaat worden naar oplossingen om de vaak mensonterende omstandigheden van de vluchtelingen drastisch te verbeteren. Polman zelf geeft die oplossingen niet, maar wellicht is dat ook niet haar bedoeling geweest.
Dit boek zou op middelbare scholen gelezen en besproken moeten worden, om zodoende dieper op de gevolgen het migratiebeleid in te gaan.

Auteur

Linda Polman (1960) is onderzoeksjournalist en schrijver van boeken over humanitaire hulp en interventie. Eerder schreef ze 'De crisiskaravaan', 'K zag twee beren', 'Bot pippel' en 'De varende stad.

Titel: Niemand wil ze hebben
Auteur: Linda Polman
Pagina's: 279
ISBN: 9789491921537
Uitgeverij Jurgen Maas
Verschenen: februari 2019

woensdag 17 april 2019

Rob van Essen-De goede zoon

Recensie door Tea van Lierop
Uitgever Atlas Contact



                                     Op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2019


Een roadtrip in tijd en ruimte…


De flaptekst belooft een roman waarin niet meer gewerkt hoeft te worden, iedereen krijgt een basissalaris. Dat klinkt als een utopie voor de optimisten, dit boek vertelt iets over de consequenties van zo’n bestaan. Parallel aan deze nieuwe maatschappelijke orde loopt het verhaal van de verteller, een schrijver. Een bijzonder openhartig verhaal waarbij schuld, boete, religie, kunst en gemiste kansen een rol spelen. 

Deze twee verhaallijnen vormen een dicht weefsel en noopt de lezer tot aandachtig lezen om maar niets te hoeven missen. Opgepikte kleine aanwijzingen zullen liefdevol omarmd worden wanneer de tijd rijp is. Dit soort boeken zorgt voor een  aangename spanning, je weet nog niet waar de focus op gericht moet zijn, dus alles is belangrijk. Die roadtrip kan overigens heel breed geïnterpreteerd worden.



Het reizen verbindt  het verhaal. Allereerst staat op de omslag een gele tram met als bestemming ‘Remise’. Zoiets zegt al iets over de afloop van een gebeurtenis, maar de vraag rijst: hoe dan? 

Een oud model, kwetsbaar nog, hoog op de wielen, dun blik, een grille van chroom, kleine zwarte auto in de regen, ik zie hem en mijn hart breekt, hij rijdt langzaam, alsof landschap en tijd zich om hem heen steeds een beetje uitrekken zodat hij nooit zal aankomen, kleine zwarte auto in de regen, het is een titel voor iets, niet voor een boek of verhaal, daar is het te sentimenteel voor, eerder een lied, voor weer een andere musical.’ (2018-155) 

Behalve de tram komen er meer voertuigen voor, zo is er de elektrische rolstoel van Guido en de zelfrijdende, sprekende auto waarmee de verteller een echte band mee op weet te bouwen.
Al dat reizen zorgt voor een constante beweging. Met een behoorlijke gang vat de verteller de lezer in de kraag, in het begin traag zoals wel vaker aan het begin van een reis, maar zodra de versnelling is ingezet is er geen houden meer aan.

Er zijn nogal wat plaatsen van handeling. Eén ervan is het Archief van Amsterdam waar de verteller een tijdje gewerkt heeft en waar hij Lennox en De Meester leerde kennen. Het Archief roept beelden op van Het Bureau J.J. Voskuil. Hoewel het niveau bij Het Archief wat lager is, doen de sfeer, de bureaucratie, het geneuzel onderling, de grappen en grollen denken aan het Meertens Instituut. De verteller heeft zijn eindexamen vwo niet gedaan en is daardoor in een werkomgeving terechtgekomen waarin hij zich niet thuis voelt.

De titel De goede zoon wordt als verhaallijn sterk uitgewerkt, vooral de kwetsbaarheid van de 100-jarige moeder en de onzekerheid van de zoon geven de verhouding weer tussen die twee. Over de ouders van de protagonist, en het geloof in het bijzonder, valt veel te beschrijven:

Ja. Maar dat is maar een beeld. In werkelijkheid had ze altijd haast omdat ze wilde dat alles zo snel mogelijk voorbij was; behalve haar leven, want daarna kreeg je het laatste oordeel, met de kans dat je naar de hel ging.’(2018-327)

Er gebeuren vreemde dingen wanneer je ouders de kerk de rug toekeren om later weer terug te gaan naar de kerk. Voor kinderen is dat heel verwarrend, die zijn gebaat bij stabiliteit. De moeder was extreem bang voor de hel, branden en vuur is één van de motieven. In één van de mooiste passages van het boek komen de twee verhaallijnen in een apocalyptisch beeld samen en wanneer dit geen bijbels motief is…

Een roman die wat betreft de opbouw een scheppingsverhaal zou kunnen zijn, dat was m’n verwachting bij het zien van de indeling van de hoofdstukken. Er zijn zeven dagen waarin het leven van de verteller verteld wordt. Met dat idee in het achterhoofd ben ik het boek gaan lezen en wat is het dan treffend dat religie inderdaad een niet onbelangrijk thema is in het boek, motief is ook mogelijk, maar als thema krijgt het meer kracht.
De stijl is erg beeldend. Wanneer de verteller in de zelfrijdende auto zit en een reis maakt door een surrealistisch landschap moet je als lezer wel geraakt worden door dit soort beschrijvingen:

‘We rijden ernaartoe, we rijden het bos in. Hoge loofbomen, dik in het blad, overhuiven de weg. We rijden de schaduw binnen, langzaam, opeens is alles anders, koeler, beslotener, vochtiger, vruchtbaar. Tussen de oprijzende stammen liggen dikke plakkaten mos, donkergroen, bijna zwart, op plekken waar schuine balken zonlicht de bodem raken, gloeit het lichtgroen op.’ (2018-280)

Het hoe en waarom van de dystopische elementen in dit boek - zeer beklemmend, zo wil geen mens leven - en gebeurtenissen die deels berusten op waarheid mag iedereen zelf lezen en beoordelen, net als de prachtig gedetailleerde beschrijvingen van desolate gebieden aan de rand van een stad. Het is een roman met contrasten, hoogstaande technologie tegenover de queeste van een mens die zo graag de goede zoon wil zijn, en het eerder genoemde motief vuur tegenover water dat in al zijn verschijningsvormen zijn plaats opeist.
Deze roman is een aanrader voor een ieder die niet terugdeinst voor wat seks (soms karikaturaal en/of hilarisch), een verhaal dat luchtig omspringt met de tijd, en proza dat afwisselend poëtisch dan wel direct is. En of de zeven dagen een betekenis hebben als geheel laat ik graag over aan de interpretatie van de lezer, het zou jammer zijn hier iets over los te laten. Onbevangen en nieuwsgierig beginnen aan deze duizelingwekkende roadtrip is het devies!

De auteur

De romans en verhalen van Rob van Essen (1963) worden alom geprezen. Zijn werk stond op shortlists van verschillende prestigieuze prijzen, zijn laatste bundel 'Hier wonen ook mensen' werd bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs. Van Essen is zijn cultstatus ontgroeid en behoort tot de beste schrijvers van het Nederlands taalgebied. Hij is een meester in het verdraaien van de werkelijkheid met als gevolg dat we ons bestaan scherper waarnemen. Tzum schreef over hem ‘Er zijn schrijvers van wie je ongezien elk boek kunt kopen en Rob van Essen behoort tot die categorie auteurs’. In september 2018 verschijnt zijn nieuwste roman 'De goede zoon'. (Foto: Annaleen Louwes)


Auteur: Rob van Essen
Titel: De goede zoon
Uitgever: Atlas Contact
ISBN: 9789025453411
Pag.: 384
Genre: Roman
Verschenen: oktober 2018

dinsdag 16 april 2019

Adrian Stahlecker - De tovenaarszoon


Recensie door Truusje
Geldermalsen Publications

'Be faithful to that which exists within yourself'
- André Gide


Het bizarre leven van Klaus Mann

Vandaag, 16 april 2019, wordt op innitiatief van het Klaus Mann Initiative Berlin, het zeventigste sterfjaar van Klaus Mann herdacht in het Goethe Instituut met het stuk 'Überfällige Worte - Fiktives Gespräch zwischen Klaus und Thomas Mann'
In de dialoog op basis van nagelaten teksten, ook die van Thomas Mann, wordt de complexe vader-zoon relatie tot uitdrukking gebracht.
Een mooie gelegenheid om aandacht te schenken aan het boek 'De tovenaarszoon' van Adrian Stahlecker
Er is al veel geschreven over Klaus Mann, maar de mythe rond deze oudste zoon van Thomas Mann is nog altijd groot en interessant.

Stahlecker heeft - met deze fraaie hardcoveruitgave van Geldermalsen Publications - een uitstekend gedocumenteerde biografie geschreven, waarbij hij zich niet alleen heeft gericht op Klaus, maar onlosmakelijk ook op de rest van de familie Mann. De bijzonder gespannen omstandigheden in het gezin, zijn homoseksualiteit en de afstandelijke houding van zijn vader zijn van grote invloed geweest. Niet alleen Klaus plukte hier de wrange vruchten van, maar ook de andere gezinsleden.

Klaus - Essie genoemd door zijn broers en zussen - wordt in München geboren op 18 november 1906 als tweede kind van de niet onbemiddelde Thomas Mann en Katia Mann-Pringsheim. Hij wordt niet alleen vernoemd naar de tweelingbroer van Katia, maar ook naar de protagonist uit Königliche Hoheit, de pas voltooide roman van Thomas.
Bij de geboorte van Erika, het oudste kind, is Thomas hevig teleurgesteld dat het een meisje is. In een brief aan zijn broer Heinrich Mann beklaagt hij zich hierover. Een zoon zou volgens hem poëtischer zijn, 'meer als een voortzetting en nieuw begin van mijzelf onder nieuwe bedingingen'. Deze wetenschap rust als een zware last op de schouders van Klaus, een last die hij zijn verdere leven mee moet torsen en een opgave zal blijken die hij niet waar kan maken. Met zijn moeder heeft hij een liefdevolle relatie, zij staat immers altijd en onvoorwaardelijk voor hem klaar. Vanaf het moment dat hij zijn eerste woordjes kan schrijven, schrijft hij schriften vol verhalen en houdt een dagboek bij. Zijn eerste werk Kindernovelle komt uit in 1923. Hij is dan amper zeventien jaar oud.

Wanneer Klaus in 1915 door een buikvliesontsteking en totale darmafsluiting ernstig ziek wordt, verkeert hij op het randje van de dood. Deze ervaring leidt tot een bijzondere fascinatie voor de dood en hij schrijft daar later over:

'Ik geloof dat het belangrijk voor mijn verdere leven was dat ik op die leeftijd zo dicht bij de dood was. De schaduw heeft me duidelijk getekend.'

Klaus en Erika Mann
Met Erika en zijn jongere broertje Golo heeft Klaus een sterke band, maar met Erika ontwikkelt hij een soort geheimtaal. De grote afwezigheid van hun vader en de voortdurende dreiging dat ze zich in huis vooral niet mogen laten horen, leidt ertoe dat de kinderen een eigen universum creëren. Voor Klaus staat al heel vroeg vast dat hij een grote drijfveer heeft om beroemd te worden.

De biseksuele Erika en Klaus - die geen geheim maakt van zijn homoseksuele geaardheid - vormen, tot grote zorg van hun ouders, een nogal recalcitrant duo. Erika en Klaus tonen zich ware pacifisten en zijn niet in toom te houden. Hierop worden ze naar een internaat gestuurd. Een zware psychische crisis voor zijn examen maakte zijn ouders radeloos.
Later staan Erika en Klaus samen op het toneel en reizen de wereld over om lezingen en interviews te geven. Tijdens een bezoek aan Marokko komt Klaus in aanraking met verdovende middelen. Dit leidt ertoe dat hij een te grote hoeveelheid gebruikt en in het ziekenhuis belandt. Hij zegt hier later over dat het 'de hel' was, maar hij zal zijn verdere leven drugsverslaafd blijven.
Met de liefde wil het ook niet echt lukken en hij zoekt zijn seksuele vertier in allerhande artistieke gelegenheden. De depressieve trekken ontwikkelen zich steeds heviger.

'Overal zal ik een vreemdeling blijven, een mens met mijn aard is steeds en overal volkomen eenzaam.'

Na vele omzwervingen door onder andere Europa en Amerika, het verblijf in ballingschap in Amerika tijdens WOII en verscheidene betrekkingen, belandt de flamboyante Klaus in Frankrijk, waar hij op 21 mei 1949 in Cannes een einde aan zijn leven maakt.

Deze interessante biografie, rijkelijk voorzien van schitterende fotos, is bijzonder uitgebreid gedocumenteerd en beschrijft alle zijtakken en omstandigheden die van invloed zijn geweest op de ontwikkeling en het leven van Klaus Mann, zijn relaties, ontmoetingen, worstelingen die hem gedurende zijn (te korte) leven ten deel zijn gevallen. De auteur heeft ervoor zorg gedragen dat het geen droge opsomming van feiten is geworden. Het is zeer prettig leesbaar en een magnifieke verslaglegging van deze ongekend extravagante man/Mann.
De stamboom van de familie én het persoonsregister achter in het boek zijn van een grote aanvullende waarde.

Kortom: een absolute must read voor de Mann-liefhebber!

Auteur

Adrianus Johannes Petrus Stahlecker (Den Haag, 23 juli 1937) is een Nederlands kunstschilder en schrijver.
Stahlecker studeerde in Den Haag aan de Vrije Academie en kreeg privélessen van Hessel de Boer. In 1961 debuteerde hij in Kunstzaal Plaats in Den Haag en kort daarna verhuisde hij naar Barcelona waar hij tot 1973 woonde.

In Spanje deed Stahlecker mee aan de Salon de Mayo en de Salon de Hospitalet, had solotentoonstellingen in Madrid en Barcelona, maar ook in Londen, Berlijn en Parijs. In Madrid exposeerde hij een paar keer onder auspiciën van de Nederlandse Ambassade. Op 2 oktober 1964 werd in Galerie Grifé y Escoda in Madrid door prinses Irene en haar toenmalige echtgenoot Carel Hugo van Bourbon-Parma een van zijn tentoonstellingen geopend.

Naast bloemen en stillevens schildert Stahlecker ook portretten, waaronder veel bekende Nederlanders. Daarnaast kreeg hij bekendheid door zijn schilderijen van Mathilde Willink en leden van het Koninklijk Huis; en was eigenaar van de bekende Galerie Stahlecker in de Haagse Javastraat, die decennialang het trefpunt was van veel bekende kunstenaars en schrijvers.

Rond 2000 begon Stahlecker ook met schrijven. Hij schreef boeken als Filmkunst in Ballingschap (over Duitse acteurs en actrices die moesten vluchten voor het naziregime in de periode 1933-1945); Hildegard Knef,een ster en een tijdperk; Goebbels Droomfabriek; Een liefde tussen oorlog en vrede (over de stormachtige liefde tussen Marlène Dietrich en Jean Gabin); Schilderswijk en Society en de biografie over oud-ballerina en actrice Ine Veen.

Titel: De tovenaarszoon
Auteur: Adrian Stahlecker
Pagina's: 240
ISBN: 9789072370129
Geldermalsen Publications
Verschenen: mei 2018