maandag 21 oktober 2019

Kent Haruf – Onze zielen bij nacht

Recensie door Tea van Lierop
Hollands Diep





Weemoedig en universeel menselijk verhaal


Deze roman is het laatste werk van Kent Haruf, hij overleed een dag nadat hij het typoscript had ingeleverd bij zijn uitgever, dit geeft het boek iets extra’s mee. Het thema lijkt hiermee een voorbode van zijn eigen einde.

Een ogenschijnlijk vanzelfsprekend verhaal van twee mensen die door het lot verbonden worden krijgt een bizarre wending. De twee, Addie Moore en Louis Waters kennen elkaar al jaren, het zijn buren. Hun partners leven niet meer en op een dag trekt Addie de stoute schoenen aan en stelt Louis voor de nacht bij haar door te brengen, om te praten. Een opmerkelijk voorstel, maar zoals het de auteur de boodschap brengt klinkt het heel natuurlijk, de nacht kan lang en eenzaam zijn wanneer je alleen bent.

[…] ‘Ja. Ik heb een soort voorstel. Oké. Geen aanzoek zei ze. Dat had ik ook niet gedacht. Maar het lijkt er wel op. Ik weet alleen niet of ik het over mijn lippen kan krijgen, ik heb ineens koudwatervrees. Ze lacht een beetje. Dat lijkt ook wel een beetje op getrouwd zijn, hè? ‘[…]

Louis verschijnt op een avond met een logeertasje bij zijn buurvrouw. Het begin is wat ongemakkelijk ondanks de souplesse waarmee Hafur het proces beschrijft, aan de ene kant is er de vanzelfsprekendheid en aan de andere kant de ongewoonheid van de situatie.
Enige discretie is gewenst, want wat zal de buurt denken wanneer Louis ‘s avonds laat op bezoek gaat bij Addie? Geroddeld wordt er toch, oplettende buurtbewoners merken heus wel dat hun buurman erg veel energie heeft wanneer hij de hele nacht niet thuiskomt. Langzamerhand laten ze hun voorzichtigheid varen.

Tijdens hun gesprekken komt hun verleden tot leven. Het decor is Holt, een fictief stadje in Colorado. Beiden durven zich uit te spreken.

‘Wat zou je verder nog willen weten? Waar je vandaan komt. Waar je bent opgegroeid. Hoe je als meisje was. Wat je ouders voor mensen waren. Of je broers en zusters hebt. Hoe je Carl hebt leren kennen. Hoe je relatie met je zoon is. Waarom je in Holt bent komen wonen.’

Ook zaken die gevoelig liggen komen aan de orde, af en toe wordt een vraag ervaren als te dichtbij en veroorzaakt irritatie en onzekerheid. Dit kan echter niet verhinderen dat de logeerpartijen door blijven gaan, hun relatie verdiept zich. Al die gesprekken geven een intieme blik op de levens van de twee geliefden, wat eerst slechts een gerucht was wordt nu een coherent verhaal over echtbreuk, dit betreft een escapade uit Louis’ verleden. Maar zo in het veilige donker kan hij erover vertellen. Genegenheid is er, seks speelt geen enorme rol, het gaat meer om andere intimiteit en verbondenheid.


Hun samenzijn was allang niet meer beperkt tot nachtelijke sessies, er kwamen uitstapjes met Addies kleinzoon en er kwam een hond. Deze gebeurtenissen worden zorgvuldig ingeleid, voorbereid en uitgevoerd en zorgen voor een sterke verbondenheid tussen Louis, Addie en haar kleinzoon. Dat de buurt lucht zou krijgen van hun relatie en hierover schande uitroepen wisten ze, maar dat familie ook problemen zou hebben met de situatie was niet voorzien. Hoe het proces van die afkeuring in zijn werk gaat is uiterst gewiekst en meedogenloos. Eigenlijk is het een universeel gegeven, maak mensen afhankelijk en schuw daarbij geen enkel middel, puur machtsmisbruik. Des te schrijnender is dan ook de brute kracht waarmee de zoon van Addie de zaak op scherp stelt. Hij misbruikt zijn macht als zoon en maakt hiermee de liefde van Louis en Addie onmogelijk.
De twee hebben hierop in eerste instantie geen antwoord. Door omstandigheden moet het tot een breuk komen en aan hun fijne tijd komt een einde.

Dit boek is een echte parel, eentje waarin je je mee laat trekken de diepte in en waarin je volledig kunt meeleven. Alle gevoelens komen aan bod: verbazing, vreugde, liefde, warmte, boosheid en vooral compassie. Het is een staaltje van verbeelding van de auteur en ik ben benieuwd naar zijn andere romans, deze stijl smaakt beslist naar meer Hafur, hij laat de mens laat zien in al zijn kwetsbaarheid en macht. 



De auteur

Kent Haruf is de auteur van vijf eerdere romans. Hij werd onderscheiden met o.a. de Whiting Foundation Writers' Award, de Mountains & Plains Booksellers Award, de Wallace Stegner Award en begiftigd met een eervolle vermelding van de PEN/Hemingway Foundation. Hij stond op de shortlist voor de National Book Award, de Los Angeles Times Book Prize, en de New Yorker Book Award. Hij overleed in november 2014 op 71-jarige leeftijd.(bron)


Titel: Onze zielen bij nacht
Auteur: Kent Haruf
Uitgever: Hollands Diep
Vertaling: Irving Pardoen
ISBN: 9789048841370
Pag.:176
Genre: fictie
Verschenen: 2017

vrijdag 18 oktober 2019

Oek de Jong - Zwarte schuur

Recensie door Roosje
Uitgeverij Atlas Contact



De kraaien, de klei, het lijden en de seks

Maris Coppoolse is een gevierd Nederlands schilder. Hij is met zijn vrouw Fran op weg door een klef en benauwd Amsterdam naar zijn overzichts-tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Veel hoger kun je als beeldend kunstenaar in Nederland niet stijgen.

‘Zwijgend zaten ze in de taxi. Damp steeg op van het drogende asfalt. Door de halfopen ramen, kwam een vochtig-warme lucht naar binnen. Bij een stoplicht staken drie natgeregende meisjes lachend over, hun jurkjes klevend aan hun lichaam. De taxi vorderde langzaam in de namiddagspits van Amsterdam, de chauffeur hing verveeld opzij.’ ( 2019: 9)

Oei, dat wordt geen vrolijke vernissage, denk ik, daar is iets grondigs loos. En dat blijkt ook vrijwel ogenblikkelijk zo. Fran en Maris (ongetwijfeld naar de broers Maris: Matthijs, Willem, Jacob, in willekeurige volgorde, ik moet altijd hard nadenken over hun voornamen; negentiende-eeuwse schilders, Haagse school; dank dat dit niet wordt uitgelegd!), Fran en Maris dus, zijn compleet uit elkaar gegroeid. Ze hebben geen seks meer; ze ergeren zich aan elkaar over alles wat ze doen, denken en ondernemen. Frans dochter en Maris’ oogappel Fran komt over uit Syrië/Irak, waar ze als fotograaf werkt. Pleegzoon Thijs, werkzaam op de buitenlandredactie van een grote krant, is er natuurlijk ook. De directeur, Beatrix Ruf - ze wordt niet met name genoemd, maar ik vul dat toch maar even in -, en 800 gasten wachten hem op.
Maris raakt van streek door een eigen schilderij: een Japanse schelpdierduikster wordt levenloos met een touw rond haar lijf uit het water gehaald. Het is een schilderij naar een foto. Een onheilsgevoel neemt direct de controle over. Dood, touw, vrouw, naakt, vrijwel naakt.
Een groot artikel over hem in een tijdschrift maakt zijn ellende compleet. Het gaat over een noodlot dat geschied is in zijn jeugd op een Zeelands eiland.

Ik zal niet veel prijs geven over de inhoud van deze roman. Door middel van flashbacks -  back and forth, zo noem ik dat altijd maar, dus uit verschillende periodes van het hoofdpersoon en die niet op een chronologische wijze tot ons komen - raken we als lezer op de hoogte van Maris’ moeilijke leven: een existitiële buitenstaander - zoiets als de hoofdpersoon van Doeschka Meijsing, Robinson, maar dan vele malen dramatischer, schilderachtiger en kleurrijker.

Natuurlijk speelt de schilderkunst een grote rol: Picasso, Van Gogh, de middeleeuwse religieuze schilder Grünewald. Als Maris diens triptiek in Colmar gaat zien en daar helemaal ondersteboven van raakt, heeft hij ‘de heilige leeftijd’ van 33 jaar bereikt; zijn leven kan niet ellendiger zijn dan dat van de getormenteerde Christus, die op 33-jarige leeftijd aan het kruis het leven liet, voor ons, arme schapen in grote nood; agnus dei qui tollis peccata mundi.

Al van jongs af aan voelt Maris zich anders, anders dan iedereen om hem heen. Hij is zijn moeders oogappel maar ook is hij haar mislukkeling; zij straft hem hard; hij doet altijd anders dan zij wil; hij stelt haar teleur; juist nog meer stelt hij haar teleur omdat hij haar lieveling is. Als kind al kan hij goed tekenen, maar dat is op een dorp tussen boerderijen en kleiïge akkers een soort van kaïnsteken.

De thema’s uit deze roman spreken me geweldig aan: immens schuldgevoel; het gevoel er niet bij te horen; niet weten wat met het leven aan te vangen; de zwaarte van dat leven; de verlammende werking van seksualiteit die feitelijk beleefd wordt als zondig en die daarom niet genoten kan worden; het moeilijke schildersleven; nadruk op lijden en religieuze vervoering, hoop op verlossing, wanhopen dat de verlossing nooit komt; kortom totaal verloren lopen.
De dubbele gevoelens met betrekking tot seksualiteit en de beleving ervan, het schuldgevoel dat hiermee samenhangt; de hoop of wanhoop op verlossing, al die thema's ‘schopt’ De Jong als het ware en op een geweldige wijze bij ons binnen; hij duwt ons er ruw met onze neus in. Het is dan ook niet de thematiek die mij dwars zit in deze roman. Ik had me enorm verheugd op dit nieuwe boek, want ik ben altijd een liefhebber van Oek de Jongs werk geweest. Maar het valt me tegen, en dat schrijf ik met lood in mijn schoenen en schaamrood op de konen.

Het kan zijn dat mijn smaak veranderd is. Ik heb immens veel gelezen de laatste jaren, laten we zeggen, sinds ik De Jongs Pier en oceaan gelezen heb. Ik zie een duidelijke overeenkomst in beide boeken. Een kind dat het met zijn ouders, of een der ouders maar moeilijk kan vinden. Een kind dat zich letterlijk misplaatst voelt. Deze thematiek is majestueus, een beetje taboe ook. Wie durft er toe te geven dat hij het met zijn moeder slecht kan vinden; wie durft te erkennen dat zij haar kind eigenlijk niet bemint?

Wat mij tegenstaat in deze roman is dat mij, de lezer, te veel wordt uitgelegd. Een gebeurtenis met betrekking tot de dood wordt voorafgegaan door een beleving van Maris in kleuren: zwart, blauw en geel; zwart van de kraaien. De schilder Van Gogh, die ook een niet al te vrolijk leven heeft gehad en een geobsedeerd schilder was, is dan al ter sprake geweest. Dan denk ik bij kraaien, akker, geel en blauw direct aan Van Gogh laatste schilderij. De Jong wil het zekere voor het onzekere nemen en noemt de Franse Brabander toch even bij naam. Voor mij is dat een beetje een zwaktebod. Maar het kan ook aan mijn leeservaring liggen. Onlangs (her)las ik bijvoorbeeld Robinson van Doeschka Meijsing. Een van Meijsings opvallende manieren van schrijven is dat zij intertekstualiteit gebruikt om haar verhaal een enorme diepte te geven. Maar zij legt de lezer niets uit. Ik geef toe dat niet iedere lezer alle verwijzingen zal herkennen. Ik zal zeker ook niet al haar ‘puzzeltjes’ oplossen.

Mijn bezwaar tegen Zwarte schuur is, zoals ik al schreef, dat de auteur mij te veel uitlegt. Dat Maris lijdt aan zijn leven, aan zijn seksualiteit, dat zijn schuld op hem drukt als het zware kruis van Christus, hoeft De Jong niet voortdurend uit te schrijven. Te vaak lees ik zinnen als: Maris dacht aan zijn schuld of woorden van gelijke strekking. Verhaaltechnisch heet dat: te veel ‘tell’ en te weinig ‘show’. Het tonen is er wel degelijk en er zijn wondermooie stukken in deze roman, maar te weinig naar mijn gevoel. En op zich vind ik ‘tell’ ook niet altijd ‘verkeerd’, ‘fout’; het is de manier waarop een auteur dat doet. De Jongs schrijfstijl is niet te moeilijk, bij het karige, het journalistieke af, maar dat bekoort me in deze roman niet.

Psychologisch is het boek heel sterk en ik ben een grote liefhebber van zware thematiek, ook bijvoorbeeld bij Jeroen Brouwers, bij tal van Nederlandse auteurs natuurlijk, het lijkt haast een Nederlands thema, maar de uitwerking ervan en vooral het vele expliciteren - begrijp je wel, lezer, wat ik bedoel? - storen mij.  Ook het religieuze aspect kan mij bekoren.

De herhaling van motieven vind ik in Zwarte schuur ook een beetje aan de opzichtige kant. Ik snap dat niet helemaal van mezelf, want ik ben behoorlijk tuk op motieven en hun herhaling, zoals bij bijvoorbeeld Jeroen Brouwers of Thomas Mann.

Ik sta een beetje alleen in mijn opvatting, in mijn matige waardering van Zwarte schuur, maar dat is dan maar zo.
Ik ga het oudere werk van Oek de Jong herlezen, en hoop op verlossing.

‘Hij hoorde de stem van het bleekblonde meisje: een hese stem. De stem van Matty* was van nature een beetje hees geweest. Hij staarde naar de broodjes in de glazen buffetkast. Het was of Matty hem in een nieuwe gedaante verscheen - in de rij voor het buffet op een veerboot. Zij, het meisje met de hese stem dat jongens uitdaagde en voor ze wegrende. Het meisje dat hij had bewonderd omdat ze zo hard kon lopen en met abrupte wendingen alle jongens van zich afschudde, terwijl ze lachend over haar schouder keek. Het stoere meisje dat zich geen raad wist met de ondoorgrondelijke jongen op wie ze verliefd was geworden.’ (ib.: 489)

*Matty is het meisje om wie alles draait in deze roman; een omgekeerde muze, een zwarte muze.

Auteur

Oebele Klaas Anne (Oek) de Jong (Breda, 4 oktober 1952) is een Nederlandse schrijver en de zoon van voormalig staatssecretaris Klaas de Jong Ozn. en Dies Windig. Zijn jeugd bracht hij door in Dokkum en Goes. Hij studeerde kunstgeschiedenis in Amsterdam.

Hij debuteerde in 1975 met "De onbeweeglijke Tze" in het Hollands Maandblad. In 1977 verscheen De hemelvaart van Massimo, een verzameling korte verhalen waarvoor hij de Reina Prinsen Geerligsprijs kreeg. In 1979 volgde zijn doorbraak met Opwaaiende zomerjurken, een roman die positief ontvangen werd door de pers en door lezers en die met de Ferdinand Bordewijk Prijs beloond werd. Zes jaar later, in 1985, verscheen Cirkel in het Gras. Deze roman was in vergelijking met de bildungsroman Opwaaiende zomerjurken van een heel ander slag, veeleer een ideeënroman. Dit boek werd ook goed ontvangen.

Hierna volgde er een stillere periode rond De Jong. De periode tussen 1985 en 1995 werd door De Jong in interviews een ‘donkere tijd’ genoemd. In deze tijd maakte hij – samen met Chris Rutenfrans, Yoeri Albrecht, René van Hezewijk, Peter Nelissen, Joost Vroege en Jaap Verraes – deel uit van de zgn. "Platoclub", een kring rond de schrijfster Andreas Burnier. Wel gaf hij in deze periode gastcolleges aan de universiteit van onder andere Amsterdam (1986) en Leiden (1993) en later ook nog in Berlijn (2000). Hij gaf les in het prozaschrijven (onder meer aan de nog niet gedebuteerde Joost Zwagerman en Marcel Möring). Daarnaast begon hij aan het schrijven van zijn dagboek en deed vrijwilligerswerk met geestelijk gehandicapten.

In 1993 verscheen een kleine bundel van hem: De inktvis. Door het merendeel van de critici werden deze novellen afgewezen. In een essay met de titel Niet-handelen, niet-weten deed De Jong een poging zijn verhalen te verklaren. Dit essay werd opgenomen in een bundel met essays en reisverhalen die tussen 1995 en 1997 geschreven werd: Een man die in de toekomst springt. In 1998 won dit boek de Busken Huetprijs. De Jong was van 1998 tot 2000 redacteur van De Revisor.

Er verscheen weer een grote roman van De Jong in 2002, namelijk Hokwerda's kind, een boek dat hem weer in de belangstelling bracht. Dit werk is in 2006 op het toneel gebracht in een bewerking van Productiehuis Brabant in een regie van Madeleine Jutten-Matzer met Wendell Jaspers in de hoofdrol.

Hokwerda's kind werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs en de Gouden Uil.

Titel: Zwarte schuur
Auteur: Oek de Jong
Pagina's: 496
ISBN: 97899025457679
Uitgeverij Atlas Contact
Verschenen: augustus 2019

donderdag 17 oktober 2019

Iris Murdoch – Een afgehouwen hoofd

Duobespreking door Wilma van der Stap en Tea van Lierop
Atlas Contact




*Spoilers*
Een afgehouwen hoofd is Murdochs vijfde roman en werd in 1961 gepubliceerd als A Severed Head



  
Flaptekst

'De symbolische sleutelfiguur van de roman Een afgehouwen hoofd is de vrouwelijke professor in de antropologie, Honor Klein. Zij wordt vergeleken met de afgesneden kop waaraan primitieve stammen het vermogen toeschrijven tot het doen van voorspellingen. Deze vrouw en de heen en weer zwenkende mannelijke hoofdfiguur, Martin Lynch-Gibbon, schokken elkaar, maar herkennen elkaar ook op onderbewuste gronden en vinden zo wellicht de weg naar zelfverwerkelijking, naar geluk.’ * (het vervolg staat onderaan)


Over de titel (Wilma)

Door de titel verwachtte ik eigenlijk een letterlijke onthoofding en ik was er ook bang voor dat dat ging gebeuren toen Martin naar Palmer’s huis ging en daar Honor aantrof bij de eettafel met een samurai-zwaard. Mede door de achternaam van Martin: Lynch-Gibbon. Een naam waarvan ik me afvraag hoe toevallig die is gekozen, zeker als er op een gegeven moment een verwijzing wordt gegeven naar de (mens-)apen van Köhler. Gelukkig viel het alles mee en werden er alleen een paar servetten het slachtoffer. ‘Men smeedt ze niet alleen met grote zorg, maar met grote eerbied. En het gebruik van zo’n zwaard is niet slechts een kunst, maar een geestelijke oefening’. Waarop Martin reageert met:’ Het denkbeeld om mensen te onthoofden bij wijze van geestelijke oefening vind ik overigens niet bepaald aantrekkelijk’.

Later zegt Honor tegen Martin:

‘Ik ben een afgehouwen hoofd, zoals de primitieve stammen en de oude alchemisten dat vroeger wel gebruikten; ze zalfden het met olie en legden het een stukje goud op de tong om het profetieën te laten uiten. En wie weet of iemand die zo’n afgehouwen hoofd lang gekend had, er geen vreemde kennis van kon opdoen.’

Dit is, na Bruno’s droom, het tweede boek dat ik van Iris Murdoch heb gelezen en er zijn wel een aantal overeenkomsten. Zo lijkt het bij beide boeken af en toe alsof je in een toneelstuk of zelfs een klucht bent beland. Dit effect wordt versterkt door de weinige protagonisten en ook de plekken van handeling zijn beperkt. Dit geeft een soort geconcentreerd gevoel, er is weinig wat van het verhaal afleidt, maar dit maakt het zeker niet saai. Heel knap hoe ze met weinig middelen een verhaal kan smeden.

Een andere opvallende overeenkomst is de afwezigheid van kleine kinderen, net zoals in het leven van Iris Murdoch zelf. Wat in dit boek opvalt, toevallig of niet, is dat Antonia vijf haar ouder is dan Martin - Iris was zes jaar ouder dan haar echtgenoot.

En wat moet je dan denken van het stukje waarin Antonia aan Martin vertelt dat ze wil scheiden: 

‘Een huwelijk is een avontuurlijke onderneming, iets dat zich moet ontwikkelen’, zei Antonia, ’en ons huwelijk is eenvoudig tot stilstand gekomen. Daar was ik me al van bewust, voordat ik verliefd werd op Anderson. Het komt voor een deel, doordat ik zoveel ouder ben dan jij en een soort van moeder voor je geweest ben. Daardoor heb ik je verhinderd volwassen te worden. We moeten dit alles vroeg of laat onder de ogen zien.’

Je kunt aan alles merken dat Iris Murdoch geletterd is, er zijn continue verwijzingen naar schrijvers, mythologie, symboliek, noem maar op. Vooral Dante kwam regelmatig voorbij, en een grappig detail is dat zijn dochter Antonia heette, net zoals de vrouw van Martin. Een leuk stukje zelfspot van Iris Murdoch bevindt zich in de beschrijving van Honor Klein, de halfzuster van Palmer Anderson. ‘Ik heb haar zeer onlangs ontmoet’, zei ik, ‘maar ik kan me niet veel meer van haar herinneren. Ik vond haar de Vrouwelijke Don in persoon. Waarom moeten die vrouwen er toch zo uitzien?’
Even later blijkt dat hij met ‘zo’ een vogelverschrikker bedoelt.

Een mooi voorbeeld van symboliek vond ik het stukje waarin Martin op een mistige dag, al lopend door Londen, zijn problemen overdenkt:

‘Het was te koud om te gaan zitten, maar nu en dan bleef ik toch even staan en leunde over de borstwering en telkens als ik langs een vochtige lantaarnpaal kwam, waarom zich een dolfijn kronkelde, had ik het gevoel, dat ik ergens dichterbij was gekomen.’


Een dolfijn staat voor bescherming en wordt beschouwd als een teken van geluk en hoop, steun en kracht. (Het typefoutje? heb ik maar letterlijk overgenomen)

Ik vond het een geweldig boek om te lezen, er staan zoveel dingen in die je kunt napluizen, zoals de legende van Psyche, die wordt aangehaald. Medusa, Ares, Aphrodite en Hephaistos komen voorbij. En ook in de beschrijving die Martin van zichzelf geeft, schuilt weer van alles: hij heeft het over zijn uiterlijk als een kruising tussen Hume en Garrick. Garrick heeft op de school van Samuel Johnson gezeten, die eerder genoemd wordt op pagina 14. Zo wordt je als lezer lekker bezig gehouden, als je dat tenminste wil. Voor degenen die daar niet van houden, is het verhaal zelf ook vermakelijk genoeg en de ontknoping is toch weer anders dan je eerst zou denken.
.
Kluchtig? (Tea)

De foto op de cover en het gegeven dat het verhaal ook als toneelstuk bewerkt is maakt nieuwsgierig. Ergens in het achterhoofd zie je tijdens het lezen het open-en dichtslaan van deuren, ruzieachtige scenes, heimelijke ontmoetingen en sfeervol ingerichte woningen of de desolate aanblik van een woning die half leeggeplunderd plaats biedt aan een dronken personage. Dit wat betreft de passages die zich binnenshuis afspelen. Daarbuiten is het helemaal niet kluchtig, integendeel! De mist, het gelige schijnsel van straatlantaarns, de geur van zwavel en sulfer zorgen voor de typische Murdoch-ambiance, spookachtig, verlaten en angstig.

Binnen deze uitersten speelt dit bizarre verhaal zich af. Wat is dit ontzettend genieten! Alle registers worden opengetrokken om van dit verhaal een groot verschuivend mozaïek te maken. Stel je voor dat er maar een paar personages zijn, maar met hun broers en zusters kunnen er heel wat constellaties gevormd worden. Driehoeken, vierhoeken, wisselingen, incest, geweld en liefde, zo ongeveer moet Murdoch het zich voorgesteld hebben. Om het verhaal kracht bij te zetten maakt ze gebruik van hemel en hel, Griekse helden, literaire grootheden en ontzettend wervelend proza. De protagonist Martin is het personage waar het allemaal om draait, hij is elke keer slachtoffer van weer een gril van één van zijn tegenspelers. Hoewel ook hij niet zonder zonde is – zijn motieven zijn nogal berekenend en hij reageert heel primair – kun je hem toch niet onsympathiek vinden.

De titel, Een afgehouwen hoofd, wordt prachtig uitgewerkt. Allereerst is Honor Klein, een antropologe, het symbolische afgehouwen hoofd. En dan is er het autoritje in de zeer dichte mist waar Honor met haar hoofd buiten het raampje hangt om Martin te helpen de weg te vinden. Martins broer Alexander is beeldhouwer en heeft een buste staan van Antonia, de vrouw van Martin. Maar ook het hoofd van Medusa speelt een rol.

‘”Ik houd, geloof ik, niet van alleen maar een gebeeldhouwd hoofd” zei ik. “Het doet me denken aan een oneerlijk voordeel, aan een onwettige en onvolledige verhouding.”
“Een onwettige en onvolledige verhouding”, zei Alexander.”
“Ja. Misschien wel een obsessie. Freuds mening over Medusa. Het hoofd kan dan de vrouwelijke geslachtsdelen voorstellen, die gevreesd, maar niet begeerd worden.“’ (1964-46)

Het blijkt dat wij ongeveer evenveel genoten hebben van de typisch Murdochiaanse elementen in dit boek. Dat is waarschijnlijk ook de kracht en de charme die je als lezer moet aanspreken. Het quasi kluchtige en de motieven die in haar ander werk ook terugkomen zorgen voor een herkenbaar en vertrouwd weerzien met deze originele en verrassende auteur. 



De auteur 

Dame Jean Iris Murdoch (Dublin, 15 juli 1919 – Oxfort, 8 februari 1999), was een filosofe, die haar grootste bekendheid dankt aan haar werk als romanschrijfster. Iris Murdoch werd geboren in Dublin, als enig kind van Wills John Hughes Murdoch en Irene Alice Richardson. Op jonge leeftijd verhuisde ze met haar ouders naar Londen, waar haar vader als ambtenaar werkte. Haar moeder volgde een zangopleiding, maar brak die af toen ze zwanger was van Iris en ze pakte het zingen daarna nooit meer op.

Murdoch had een voor die tijd erg vrije moraal. Ze had relaties met veel verschillende mannen, vaak met meerdere tegelijk, ook na haar huwelijk met John Bayley. Dat waren zonder uitzondering invloedrijke mannen, vaak afkomstig uit de wereld van wetenschap en cultuur. Er gingen geruchten dat Murdoch ook relaties met vrouwen zou hebben, maar dat ontkende ze altijd.
Iris Murdoch leidde een productief leven. Naast het schrijven van romans en ander werk gaf ze vaak lezingen, in binnen- en buitenland, vooral over haar werk als schrijfster, maar ook over filosofie.

In 1978 kreeg ze de Booker Prize voor haar roman The Sea, the Sea. Het boek gaat over een gepensioneerde regisseur die zich op het platteland terugtrekt. Daar ontmoet hij zijn eerste liefde, van wie hij zijn hele leven is blijven dromen en die zich zonder een spoor achter te laten uit zijn leven heeft teruggetrokken. Zijn verlangen naar haar laait weer op, wat tot noodlottige verwikkelingen leidt.
In 1987 kreeg ze de onderscheiding Commander of the Order of the British Empire, waardoor ze zich Dame Iris Murdoch mocht noemen. (Wikipedia)


Titel: Een afgehouwen hoofd
Auteur: Iris Murdoch
ISBN: niet
Uitgever: Atlas Contact
Vertaling: DRS. H J W Schaap
Genre: fictie
Pag.: 215
Verschenen: 1961, deze editie 1964

* Behalve deze hoofdpersonen spelen in dit spel der verwikkelingen Antonia, de 'fladderige' echtgenote van Martin, Georgie, zijn vriendinnetje en de fraseur Palmer Anderson, psychiater, huisvriend en huisvrede-breker een grote rol. Het moeizame streven naar het vinden van de juiste liefdespartner wordt in Een afgehouwen hoofd op bijzonder indringende en geestige wijze in beeld gebracht.

Naar deze roman is door Iris Murdoch in samenwerking met J.B. Priestley een toneelstuk gemaakt dat in Engeland al meer dan een jaar lang furore maakt en ook in Nederland met veel succes is opgevoerd door De Nederlandse Comedie, met Ellen Vogel, Andrea Domburg en Guus Oster in de hoofdrollen.

H.A. Gomperts schreef in Het Parool over de roman en over het toneelstuk: 'Een afgehouwen hoofd is het lugubere en tegelijkertijd lichtzinnige verhaal van een zachtmoedig echtgenoot, die er een vriendinnetje op na houdt en die zijn kleine wereld langzamerhand ziet vollopen met onverwachte en gecompliceerde overspelige situaties. Er is een ongewone, ingehouden maar woeste humor in het boek.'

woensdag 16 oktober 2019

Ian Kershaw - Adolf Hitler: een biografie

Recensie door Robert Van der Meiren
Uitgeverij Spectrum


'Fascisme en racisme kun je alleen maar aanpakken door ze te begrijpen.'
-Herman de Coninck, Vlaams dichter en journalist (1944-1997)


Hoe had het ooit zo ver kunnen komen?

Hoe had dit in onze geciviliseerde wereld kunnen gebeuren?
Hoe had één man de bevolking van een hele natie zover kunnen krijgen dat die uiteindelijk gewillig bereid was een ander volk uit te roeien?

Het zijn vragen die in hoofdzaak eigen zijn aan de generatie babyboomers. We werden kort na de Tweede Wereldoorlog geboren ‒ ikzelf nog geen drie jaar ‒ en groeiden op met de sporen van die wereldbrand nog zichtbaar. We zagen de kapotgeschoten huizen, de kraters van de bominslagen, de zwarte hakenkruisen in woede gepekt op de gevels van sommige huizen. We hoorden onze ouders praten over de honger, angst en ontbering, over familieleden, vrienden of buren die waren omgekomen of verdwenen, over wat een monsters die Duitse soldaten waren, over wie met de vijand hadden geheuld, over een duivel die Adolf Hitler heette en “een belachelijk snorretje” had, over nazi’s, Gestapo en SS, maar ook over de onbeschrijfelijke vreugde van de bevrijding, over het verzet (1), over de heldhaftigheid van de geallieerde soldaten, over nylonkousen, chocoladerepen, filtersigaretten, enz… We waren kinderen, begrepen er meestal niks en soms een beetje van, maar absorbeerden het allemaal en stelden geen vragen.

Die kwamen later. Naarmate we opgroeiden gingen veel van mijn generatiegenoten op zoek naar begrip, verklaring, antwoord. Ikzelf begon begin jaren zeventig over de oorlog te lezen, maar vooral toch over die baarlijke duivel genaamd Adolf Hitler, want wat mij het sterkst intrigeerde was: hoe was die man erin geslaagd de Duitse natie ervan te overtuigen dat de vernietiging van het Joodse volk de definitieve oplossing,  de ‘Endlösung’ was voor alle economische en maatschappelijke problemen… Ik zocht geen uitleg over bijvoorbeeld militaire aspecten van de oorlog, maar over een van de gruwelijkste uitwassen ervan: het antisemitisme en, bij uitbreiding, het racisme in het algemeen.

De zoektocht naar antwoorden

In de periode tussen 1945 en 1975 verschenen enkele biografieën van Hitler. Doordat alles nog maar kort achter de rug lag, misten die werken soms enige mate aan perspectief, aan een brede blik op het grotere geheel, en waren ze niet altijd vrij van ‒ gewilde of ongewilde ‒ emotionaliteit die de objectiviteit niet ten goede kwam. Bovendien mag aangenomen worden dat die historici toen te maken kregen met institutionele censuur: veel gevoelige documentatie werd na de oorlog voor vele decennia achter slot en grendel opgeslagen in de nationale archieven van de geallieerde overheden.

Adolf Hitler: Legende, mythe, werkelijkheid (2) van de Duitse historicus Werner Maser was de eerste biografie die ik destijds te pakken kreeg. Met 22 vertalingen was dit boek toen een wereldwijd succes, maar veel van Masers bevindingen werden in latere studies afgedaan als sensatiezucht, en ontkracht (3). Toch vermeld ik dit werk omdat het mijn nieuwsgierigheid definitief aanscherpte.

Degelijker was Hitler: Leven en ondergang van een tiran (4) van de Britse historicus Alan Bullock. Hoewel kort na het einde van de oorlog verschenen (in 1952) was het historisch waardevol omdat de auteur toegang had tot de Duitse archieven die door de Amerikanen in beslag waren genomen. Latere historici als Kershaw en Ullrich beschouwen dit boek nog altijd als een standaardwerk. Het bevat ook een interessante (poging tot) karakterstudie van ‘der Führer’.

De biografie die in die jaren op mij de meeste indruk maakte was echter Hitler: een biografie (5) van de Duitse historicus Joachim C. Fest. Het werk was niet alleen goed geschreven ‒ Fest was in de eerste plaats journalist en schrijver ‒ maar was belangrijk omdat hierin een ernstige poging wordt ondernomen een sociologische interpretatie te geven aan het fenomeen nazisme.

Na 1975 blijft het lange tijd stil, maar rond de eeuwwisseling ontstaat een biografische heropleving rond de figuur van Adolf Hitler, op gang getrokken door de Britse historicus Ian Kershaw met de publicatie van zijn tweedelige biografie Hitler 1889-1936: Hoogmoed en Hitler 1936-1945: Vergelding, waarover dit artikel gaat. Van bij de publicatie werd dit monumentale werk (ruim 2000 bladzijden in de Nederlandstalige versie) wereldwijd terecht bejubeld als dé ultieme, definitieve Hitler-biografie. Ook ik twijfelde er niet aan: deze fenomenale krachttoer zou nooit worden overtroffen.

Of toch wel? Ongeveer vijftien jaar na Kershaw publiceert de Duitse historicus Volker Ullrich een nieuwe tweedelige biografie: Adolf Hitler: Opkomst 1889-1939 en Adolf Hitler: Ondergang 1939-1945 (6). Wat ik niet mogelijk achtte, gebeurde toch: het werk bevatte een massa aan nieuw historisch materiaal, en dus ook nieuwe, soms verrassende inzichten. Was Kershaw, naar wie ik zo opkeek, dan in gebreke gebleven? Ullrich geeft in elk geval nooit de indruk zich tegen Kershaw af te willen zetten. Integendeel zelfs, hij verwijst voortdurend naar Kershaws werk, citeert hem veelvuldig en benadrukte meermaals dat veel van het nieuwe documentatiemateriaal ten tijde van Kershaw nog niet was vrijgegeven. Waar de biografie van Volker Ullrich wél wezenlijk die van Ian Kershaw aanvult is aangaande Hitler als privépersoon. Kershaw besteedt veel aandacht aan Hitler in relatie tot het Duitse volk, Ullrich in relatie tot de mensen uit zijn naaste omgeving.

De biografie van Ullrich is dus breedschaliger én vollediger. Waarom ik dan toch verkies om hier het werk van Ian Kershaw te bespreken en niet dat van Ullrich zal, naar ik hoop, aan het eind van deze bijdrage duidelijk worden.

Voor ik de bespreking aanvat, even nog het volgende voor de volledigheid: in 2015 verscheen bij uitgeverij Siedler Verlag de biografie Hitler, geschreven door de Duitse historicus en Holocaust-specialist Peter Longerich. De Nederlandstalige editie Hitler, biografie (1552 pagina’s) werd gepubliceerd door Overamstel Uitgevers bv. Ik heb dat boek niet gelezen en kan er dus ook niks over vertellen, maar vermeld het vanwege de positieve kritieken.

Hoogmoed en Vergelding: de inhoud

In het eerste deel, Hitler 1889-1936: Hoogmoed, onderzoekt Kershaw de sociale, sociologische, economische en psychologische indicatoren die het pad effenden naar Hitlers despotische machtspositie.

Duitsland verloor ‘Den Grooten Oorlog’ van 1914-1918, maar had zelf weinig last gehad van verwoestend strijdgewoel. Geschiedenisboeken vertellen uitgebreid over de veldslagen om de IJzer, de slagen bij Ieper, de slag om Passendale, bij Verdun, om de Marne, aan de Somme, bij Cambrai, bij Arras enzovoort, maar geen enkele belangrijke veldslag werd op Duits grondgebied uitgevochten. Terwijl onder meer in België, in grote delen van Frankrijk en in een aantal Balkanstaten aan het eind van de oorlog nog amper twee stenen op elkaar stonden, kwam het verliezende Duitsland relatief ongeschonden uit de strijd: het was verslagen op alle fronten, maar geen enkel front had in Duitsland gelegen. Het echte nekschot kreeg het pas na de oorlog, als de overwinnende mogendheden hun schuldvorderingen op tafel legden. Het verdrag van Versailles zadelde Duitsland op met een hallucinant hoge oorlogsschuld die het land en zijn bevolking in een economische afgrond stortte.

De schaamte omdat Duitsland de ‘Alleinschuld’ voor de oorlog kreeg, de verontwaardiging en woede over de onredelijke oorlogsschuld, de ontbinding van het leger en het verbod om ooit nog te herbewapenen, de massale werkloosheid, de hyperinflatie, de schrijnende armoede met zelfs sterfte van honger en ontbering, de politieke chaos enzovoort, zijn allemaal elementen die Ian Kershaw haarfijn analyseert en samensmelt tot één collectief gevoel van ongenoegen en ontreddering dat de Duitse samenleving tijdens het interbellum typeerde. Voor Hitler kwam al dat maatschappelijk negativisme als een godsgeschenk. De meesterlijke strateeg bespeelt de malcontente Duitse bevolking tot die er uiteindelijk van overtuigd is dat haar maar één uitweg uit alle miserie meer rest: Adolf Hitler en zijn radicale ‘Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei’, de NSDAP.

'Nadat ze in april 1932 een toespraak van Hitler had bijgewoond, schreef de Hamburgse onderwijzeres Luise Solmitz in haar dagboek: “Hoeveel mensen kijken er niet in ontroerend vertrouwen naar hem op als hun helper, hun redder, hun verlosser uit grote nood; naar hem, die de verdeeldheid wegneemt tussen de Pruisische prins, de geleerde, de geestelijke, de boer, de arbeider, de werkloze en hen samenbrengt in één volk.' (7)

Als Hitler in 1933 aan de macht komt is Duitsland, hoofdzakelijk door kwijtscheldingen (8), al grotendeels verlost van de desastreuze oorlogsschuld. Niettemin wist Hitler het gevoel van ongenoegen levendig te houden, maar hij bood het volk nu ook opnieuw een positief eigenbeeld dat de vernedering van de Eerste Wereldoorlog moest wegspoelen: de Duitse Übermensch. En hij gaf het volk ook een schuldige om alle leed op af te wentelen: de Jood.
Eens hij het volk op zijn hand had, stond Hitler niets meer in de weg. Op 20 augustus 1934 overlijdt president Paul von Hindenburg en enkele weken later wordt Hitler met een overweldigende meerderheid (9) verkozen tot ‘Führer und Reichskanzler’ met ongelimiteerde macht.

In het tweede deel, Hitler 1936-1945: Vergelding, analyseert Kershaw de oorzaken en redenen van de teloorgang van het nazisme en de val van Hitler. Al in het midden van de dertiger jaren detecteert de auteur de eerste tekenen van verval. Om hun macht te consolideren grijpen de nazi's steeds uitdrukkelijker naar militaire middelen. Nationaal degradeert Duitsland stilaan van een stabiele samenleving naar een militaire dictatuur, en internationaal is het voor sommige Duitse militaire analisten al vrij vroeg in de oorlog duidelijk dat de strijd op zoveel fronten tegelijk niet kan gewonnen worden. Het is voornamelijk aan de hoogmoedige, waanzinnige machtswellust van Adolf Hitler te wijten dat tegenover de bevolking de schijn van onoverwinnelijkheid opgehouden blijft, dat Duitsland onverdroten doorgaat op het oorlogspad, en dat de Jodengenocide op volle kracht wordt voortgezet.
Uiteindelijk zal dit zich allemaal tegen hem keren, met de gekende afloop.

Kershaw vs. Ullrich

Vanuit het puur historische standpunt is de Hitler-biografie door Volker Ullrich vollediger dan die van Ian Kershaw, dat gaf ik eerder al toe. Bovendien besteedt Ullrich meer aandacht aan het persoonlijke leven van Hitler, en hoewel zijn psychologische benadering van de ‘mens’ Hitler voor een deel niet anders dan speculatief kan zijn, krijgt de studie er toch extra meerwaarde door.

Wie echter dieper wil graven naar de onderliggende oorzaken van dit mondiale drama, inzicht wil krijgen in de subversieve machinaties waarmee een hele natie jarenlang gemanipuleerd kon worden, of wie, kortom, antwoorden zoekt op de vragen die dit artikel openen, zal meer voldoening vinden in het werk van Ian Kershaw.

Kershaw toont feilloos aan dat de felle opstoot van antisemitisme en racisme in het Duitsland van toen als het ware een onvermijdelijk uitvloeisel was van omstandigheden die hij stuk voor stuk ontleedt. Hij slaagt erin een geloofwaardige voedingsbodem uit te tekenen waarop vrijwel niks anders kon groeien dan het nazisme, en waarop Hitler zich moeiteloos kon ontwikkelen tot de finale reddingsboei waaraan het Duitse volk zich kon vastklampen. Kershaw gaat daarbij niets of niemand uit de weg, en ook de rest van Europa moet het ontgelden. Door hun hautaine overwinnaarshouding van na WO I, door hun aanvankelijke wraakzuchtige bedoeling het Duitse rijk leeg te bloeden en zijn volk te straffen en te vernederen, hebben de overwinnende mogendheden onbewust ‒ maar sterk ‒ meegeholpen aan het ontstaan en de ontwikkeling van het nazisme.

Hitler besefte dat hij het Duitse volk eerst zijn eigenwaardigheid moest teruggeven om zijn grootheidswaanzinnige plan ‒ het Derde Rijk ‒ te kunnen realiseren. Het volk een zondebok geven zou hem daarbij helpen, en het proces bovendien versnellen. Die zondebok vond hij in het Joodse volk, en er was niet eens veel nodig om het ontredderde, beschaamde, ontgoochelde, vernederde en uitgehongerde Duitse volk massaal op te zetten tegen medeburgers die bovendien schijnbaar minder te lijden hadden onder de algehele crisis (10). De snelle ontwikkeling die de Jood in de Duitse opinie van eerst een economische lastpost deed afglijden naar de Jood die tot een minderwaardig, verderfelijk en verwerpelijk ras behoort, weet Kershaw stap voor stap te ontplooien met een vanzelfsprekende, aanvaardbare en sterk beargumenteerde logica, en een diepgang die Ullrich nooit bereikt.

De titel van dit hoofdstuk kan de indruk wekken dat ik de twee biografieën tegenover elkaar wil afwegen, maar dat is niet zo. Trouwens, dat doen Ian Kershaw en Volker Ullrich zelf ook niet, gelet op de respectvolle waardering die ze openlijk voor elkaars werk hebben. Ik wil mij dus niet laten verleiden tot het vellen van een kwaliteitsoordeel, maar als ik beide biografieën van elkaar moet onderscheiden dan als volgt: van alle biografieën die ik heb gelezen heeft geen een  mij zoveel historische feitelijkheden bijgebracht dan die van Volker Ullrich, en heeft geen enkele mij zo dicht bij een antwoord op al mijn vragen gebracht dan die van Ian Kershaw. Beide werken zijn onderling niet concurrentieel, wel complementair. Omdat ik vooral begrip, inzicht en antwoorden zocht is het werk van Kershaw voor mij waardevoller dan dat van Ullrich… maar dat is natuurlijk zeer persoonlijk.

De morele les

De belangrijkste les die we uit die zwarte periode kunnen trekken is dat een stabiele maatschappij de beste garantie biedt tegen het ontstaan en de ontwikkeling van radicalisme. De babyboomers ‒ daar zijn ze weer ‒ hebben een vrij lange periode van economische, politieke en sociologische stabiliteit gekend. Democratie vierde hoogtij en was sterker dan ooit, en het collectieve enthousiasme om van deze wereld een hemel te maken kende geen grenzen. Niets leek in staat die stabiliteit te kunnen verstoren. Zelfs de hippiebeweging of de revoltes van mei ’68, hoe woelig ook, waren in feite uitingen van het volksverlangen naar nog meer gelijkheid, nog meer democratie, nog meer stabiliteit.

Het laatste decennium kwamen democratie en stabiliteit echter weer onder druk te staan. Het faillissement, in 2008, van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers luidde de wereldwijde bankencrisis in, gevolgd door de instorting van de Amerikaanse huizenmarkt. Daarna kwam de landencrisis waardoor zelfs hele naties (met Griekenland op kop) dreigden failliet te gaan. Daarop aansluitend kwam de intercontinentale migratie op gang, en nu trekken de donkere wolken van de klimaatproblematiek zich samen.

Al deze destabiliserende elementen leiden tot een toename van collectief ongenoegen, en dat, zo weten we intussen, is de ideale voedingsbodem voor het ontstaan en de groei van excessieve visies. Opvallend gelijklopend met wat tijdens het interbellum in Duitsland gebeurde, is dat de zich benadeeld of verongelijkt voelende mens van vandaag net als toen op zoek gaat naar een schuldige, een zondebok, iemand naar wie hij een beschuldigende vinger kan uitsteken. Die heeft hij gevonden: de allochtoon, de migrant, de buitenlander, de anders gekleurde … Hoe we hem willen noemen speelt geen rol, maar net als de Joden ten tijde van het nazisme treft ook hen géén schuld.  Integendeel, zij zijn in feite meer slachtoffer dan wie ook.

Jongeren die vandaag voor het eerst naar de universiteiten trekken zijn geboren na 2000 en hebben eigenlijk nooit stabiliteit gekend, of toch niet bewust. Misschien zijn zij daarom wel het meest vatbaar voor de revival van het extreemrechtse gedachtengoed dat, hoe men ook draait of keert, gestoeld is op de Hitleriaanse racistische ideologie. Toch denk ik dat het weinig zin heeft die jongeren met het verhaal van Hitler, nazisme en antisemitisme op andere gedachten trachten te brengen. Voor deze jongste generatie ligt Hitler even ver in het verleden als pakweg Julius Caesar… Het zijn verhalen, die geen kracht meer hebben, die geen effect meer ressorteren.

Ik wil toch eindigen op een positieve noot: dat er ooit nog eens een nieuwe Hitler zou opstaan is (denk en hoop ik) ondenkbaar. Ook al staat de democratie momenteel onder druk, ze zit nog altijd veel steviger in het zadel dan na de Eerste Wereldoorlog, en is in elk geval nog sterk genoeg om iedere opstoot van despotisme de kop in te drukken.

Auteur

Sir Ian Kershaw (Oldham, 29 april 1943) is een Britse historicus. Hij stamt uit een eenvoudig katholiek arbeidersgezin. 
Al vroeg in zijn jeugd ontwikkelt hij een grote belangstelling voor de middeleeuwen. Hij studeert geschiedenis aan de Universiteiten van Liverpool en Oxford, en specialiseert zich aanvankelijk in de middeleeuwen.
In 1972 maakt hij een rondreis door het Duitse Beieren, en de gesprekken die hij daar voert, onder andere met ex-nazi’s, hebben op hem een ingrijpende impact. Vanaf dan verlegt hij zijn interessegebied naar het nationaalsocialisme. Vandaag wordt Kershaw beschouwd als een van de meest vooraanstaande kenners van het nazisme, en van Hitler in het bijzonder.
Kershaw is hoogleraar moderne geschiedenis aan de universiteit van Sheffield.

(1)   Grappig detail: als kleine jongen zat ik geboeid te luisteren naar de oorlogsverhalen van mijn ouders en grootouders. Ze hadden het dan soms over “het verzet” en dat begreep ik niet… Het verzet, dat was toch een fietsversnellingsapparaat?
(2)   Originele titel Adolf Hitler: Legende – Mythos – Wirklichkeit (1971). De Nederlandse vertaling verscheen in 1972 bij De Arbeiderspers.
(3)   Maser beweerde in dit boek bijvoorbeeld dat Hitler tijdens WO I in Frankrijk een zoon had verwekt, en hij noemde hem zelfs bij naam: Jean Loret. Intussen staat vast dat dit pure speculatie was.
(4)   Originele titel Hitler: a study in tyranny (1952). De Nederlandse vertaling verscheen in 1958 bij uitgeverij Zwarte Beertjes.
(5)   Originele titel Hitler (1972). De Nederlandse vertaling verscheen in 1975 bij uitgeverij In den Toren (Baarn).
(6)   Originele titels Adolf Hitler: Jahre des Aufstiegs 1889-1939 (2013) en Adolf Hitler: Jahre des Untergangs 1939-1945 (2018). Nederlandse vertaling: De Arbeiderspers.
(7)   Ian Kershaw, Hitler 1889-1936: Hoogmoed, p. 415
(8)   Begin jaren dertig ging de Europese economie bergaf, en de overwinnende staten zagen in dat het faillissement van Duitsland daar mede ‒ of zelfs vooral ‒ de oorzaak van was. Eerst werd de schuldeis fors verminderd, om tenslotte, in 1933, als afgelost te worden beschouwd. Duitsland had dan wel nog een zware leninglast af te betalen.
(9)   Met 38,4 miljoen stemmen voor, en slechts 4,3 miljoen tegen.
(10)De Joden waren bijna allemaal handelaars, die door hun welstand economisch iets       weerbaarder waren dan ‘Otto Normal’, de Duitse Jan-met-de-pet.


Nederlandse titel:
Hitler 1889-1936: Hoogmoed (deel I, Het Spectrum, 1999, 839 pagina’s)
Hitler 1936-1945: Vergelding (deel II, Het Spectrum, 2000, 1200 pagina’s)
Originele Engelse titel:
Hitler 1889–1936: Hubris (deel I, London, 1998)
Hitler 1936–1945: Nemesis (deel II, London, 2000)
Auteur: Sir Ian Kershaw
Nederlandse vertaling: Margriet Agricola en Margreet de Boer
Pagina's Hoogmoed: 839
Pagina's Vergelding: 1200
ISBN Hoogmoed: 978900322749
ISBN: Vergelding: 9789027467348
Uitgeverij Spectrum
Categorie: historische non-fictie

dinsdag 15 oktober 2019

Rian Meulenbroeks - Goed gek, Verhalen uit de psychiatrie

Recensie door Truusje
Uitgeverij Brave New Books



Ooit een normaal mens ontmoet? En... beviel het?

Al ruim dertig jaar werkt Rian Meulenbroeks als activiteitenbegeleidster, creatief therapeut en groepsbegeleider binnen de GGZ. In 1988 start ze haar eerste dag als stagiaire op de PAAZ en stelt zich voor aan de eerste persoon die ze tegenkomt. Enigszins in verwarring hoort ze het wedergeluid van de man aan.

'Pas maar op, je wordt in de gaten gehouden,' zei hij, mijn uitgestoken hand negerend. 'Er hangen hier overal camera's!' En vervolgens: 'Je bent écht goed gek als je hier wilt werken! 'Hoofdschuddend liep hij door.Was dit nou een patiënt of een verpleegkundige? Ik had me ingesteld op patiënten die pasten in het stereotype beeld dat ik had; verward, extreem gekleed of onverzorgd. Angstig of agressief. Manisch of hysterisch.'

Onder andere dit voorbeeld is voor Meulenbroeks de drijfveer geweest om dit boek te schrijven en hiermee te trachten de beeldvorming en de stereotype beelden, ideeën en vooroordelen die velen nog steeds hebben bij de psychiatrie te nuanceren.

Met veel compassie, empathie en bevlogenheid beschrijft ze aan de hand van korte hoofdstukken, diverse verhalen en ervaringen van de werkvloer en in patiëntencontact. Er wordt gehuild en gescholden, onzekerheden worden geuit en allerlei ziektebeelden komen voorbij, maar vooral wordt er ook gelachen binnen de psychiatrie.

Met het volgende klassieke voorbeeld brengt de auteur iemand in beeld die te kampen heeft met psychoses en bevestiging zoekt dat hij het zich inbeeldt.

'Die prikkelende kriebels in mijn hoofd zijn normaal, toch? Ik bedoel, dat heb jij toch ook wel eens; van die trillingen achter je oren?' 'Hoe bedoel je, Ivo?' 'Ik bedoel die inwendige jeuk alsof er een kriebel door je hoofd trilt waar je met krabben niet bij kan komen.' 'Ik heb wel eens een kloppend ooglid, bedoel je zoiets?' 'Misschien ja, maar dan in mijn hoofd. Dat betekent toch niet dat er kankercelletjes aan het groeien zijn of zoiets hè?' 'Volgens mij niet hoor Ivo, maar zo te horen maak je je wel zorgen?' 'Nee hoor. Ik zeg gekke dingen hè? Laat maar!'

Psychiatrische patiënten hebben niet per definitie een laag IQ. Ook zeer intelligente mensen kunnen te maken krijgen met depressies, psychoses, wanen, bipolaire stoornis, hallucinaties, automutilatie, angsten of paniekaanvallen, al dan niet getriggerd door (externe) factoren, zoals bijvoorbeeld een verstoorde thuissituatie/relatie, trauma's, middelengebruik of domweg genetische aanleg. Zo kan gebeuren dat iemand jarenlang een directeursfunctie bekleedt en jaren later tóch psychisch decompenseert.
Sommigen krijgen orders vanuit een ander universum of krijgen te maken met een verstoord zelfbeeld. Anderen zijn zó depressief dat ze tot niets kunnen komen en apathisch voor zich uitkijken, veel huilen of zich steeds negatief uiten. Het hoeft niet, maar het kán. Ook suïcides komen helaas voor. Als begeleider schrik je daarvan, het raakt je diep in je ziel, maar het laat ook een scherpe vore achter bij de medepatiënten.

Op het DAC (Dag Activiteiten Centrum) heeft Meulenbroeks met allerlei ziekte beelden te maken en probeert ze, door middel van het aanbieden van een therapeutische activiteit, de zinnen te verzetten. Ook het bieden van een luisterend oor behoort tot de taken. Dat het meebewegen, inleven en meevoelen met de patiënt, ook haar als begeleider niet altijd goed lukt en soms zelfs leidt tot wanhoop en machteloosheid, beschrijft ze op een oprechte manier. Toch lukt het haar ook veelal weer om de draad op te pakken, de patiënt naar het hier en nu terug te halen en zodoende het gedrag om te buigen.

'Ik (Rian tt) voel me machteloos als ze mij confronteert met haar last. Iedereen lijkt dat zo te ervaren. Natuurlijk doe ik mijn best iets voor haar te betekenen, maar wat ik ook probeer, verder dan 'ik zie allemaal strepen', gevolgd door een diepe zucht komt ze niet. Een gesprek voeren is bijna niet mogelijk. bij elke voorzichtige poging van mij om het gesprek naar een ander onderwerp te kantelen, zoekt ze contact met haar waterige ogen en valt weer helemaal terug [...]. Ik heb geen remedie, weet het niet meer, voel me voortdurend tekort schieten.'

Door in helder taalgebruik haar ervaringen te beschrijven haalt ze een stukje angel uit het stigma dat de psychiatrie nog altijd niet is kwijtgeraakt. Onbekend maakt immers vaak onbemind.
Verhalen schrijven is voor haar altijd al een passie geweest, dus het moest er gewoon eens van komen dat ze haar werkervaringen aan het papier toevertrouwde. Vanzelfsprekend zijn de namen die ze noemt vanwege haar beroepsgeheim gefingeerd en de verhalen niet terug te leiden naar specifieke personen. Haar onvrede met de negatieve geluiden die er nog altijd over de psychiatrie rondwaren, hebben haar doen besluiten om haar verhalen gebundeld uit te geven.

In het voorwoord benadrukt Esther Fenema, psychiater, dat 'Goed Gek' een lofode is op de dagelijkse praktijk en met veel liefde, respect en warmte een ode brengt aan mensen die toevallig patiënt zijn geworden. Toevallig? Ze denkt van wel. Maar het is natuurlijk veilig en comfortabel om die denkbeeldige scheidslijn tussen mentaal ziek en gezond zo scherp mogelijk te trekken: 'psychiatrische patiënten zijn ziek en ik niet.'  

Liefde, respect en warmte; ik kan het niet beter omschrijven, want Meulenbroeks toont het allemaal voor de meest kwetsbaren van onze maatschappij. Ze geeft middels dit boek een gezicht aan 'de gek'.
Chapeau en een diepe buiging!!!

Achterin het boek is een bronnenlijst en verklarende woordenlijst opgenomen.

Titel: Goed Gek. Verhalen uit de psychiatrie
Auteur: Rian Meulenbroeks
Pagina's: 172
ISBN: 9789402188011
Uitgeverij Brave New Books
Verschenen: september 2019

zondag 13 oktober 2019

Imre Kertész – Kaddisj voor een niet geboren kind

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Van Gennep B.V.




Sprakeloos ondergedompeld 


Zoals Kertész zijn gevoelens kan verwoorden is bijna niet te evenaren. Zijn persoonlijk relaas is zo rauw en zo oprecht (dat denk ik op te kunnen maken uit het verhaal) dat het bijna non-fictie lijkt, autobiografisch, maar dat is het niet precies. Kaddisj voor een niet geboren kind is deel drie van de trilogie die begint met Onbepaald door het lot en verder gaat met Het fiasco. Deze drie titels kunnen het best achter elkaar gelezen worden omdat ze alles met elkaar te maken hebben.

Werd ik al volledig omvergeblazen door Onbepaald door het lot en iets minder intens geraakt door Het fiasco, het derde deel deed de aarde beven en zal blijvend in m’n geheugen gegrift staan.

Het is de combinatie van de vorm, het taalgebruik, de puurheid en de existentiële vragen die de auteur oproept en beantwoordt.




De monoloog begint met deze regels

‘... streicht dunkler die Geigen dann steigt ihr
als Rauch in die Luft
dann habt ihr ein Grab in den Wolken da liegt
man nicht eng’

                                             Paul Celan, Todesfuge

Dit gedicht werd geschreven door een joodse dichter uit Roemenië, hij verloor beide ouders in WOII en werd zelf tewerkgesteld.
Het is een zeer donker gedicht dat erop neerkomt dat joden vergast werden en dus geen graven nodig hadden. Je kunt meteen aan het begin van dit deel al bijna niet meer verder lezen omdat deze regels dwingen tot visualiseren en stilstaan bij het gebeurde. Voor wie meer wil weten over dit gedicht zijn er diverse sites waarop uitgelegd wordt waarover het gedicht precies gaat, echt de moeite waard.*

Nu de monoloog van de verteller. Hij heeft het tegen het ongeboren kind, hij wil geen kind, dat werd hem duidelijk na alles wat hij meegemaakt had in het kamp waarmee zijn hele leven verder moest. Dit schud je niet meer van je af. In een gedetailleerd verslag vertelt hij over zijn ervaringen en welke gedachten hij heeft bij zijn lot, het lot jood te zijn en dan de vraag te stellen aan zijn ongeboren kind

‘Nee, ik heb daar nooit aan gedacht, ik heb nooit gedacht dat ik daaraan moest denken, totdat deze nacht zich over me uitstortte, deze alles verhelderende en toch stikdonkere nacht, tot deze vraag voor mij rees (of liever gezegd achter mij rees, achter mijn reeds lang verleefde leven, want het is godzijdank te laat en zal altijd te laat blijven), de vraag of je een donkerogig meisje zou zijn geweest met een wolkje bleke sproetjes om je neus, of een koppige jongen met ogen vrolijk en hard als grijsblauwe kiezel. Ja, had ik mijn leven als de kiem van jouw leven moeten beschouwen?’

Het boek is zo indringend en staat zo bomvol door mij aangestreepte passages dat het niet eenvoudig is de essentie weer te geven, alleen dat deze woorden gezegd moesten worden en wel blijvend in de vorm van een boek. Het schrijverschap ging hem trouwens helemaal niet eenvoudig af. In eerste instantie wilde de uitgever het manuscript of typescript niet hebben want ‘wie wilde daar nu over lezen? ‘. Daarover gaat het ook in deze monoloog, hoe verder te leven? Wanneer het gesprek ergens op Auschwitz kwam werd gezegd: ‘Auschwitz is niet te verklaren.’, waarmee eigenlijk gezegd werd dat er maar beter niet over gesproken kan worden, waarop de verteller juist aangespoord werd door te gaan met de verhalen. Als een goed observator doorziet hij deze domme opmerkingen dat het niet verklaard zou kunnen worden, het is er toch? En zo gaat het verhaal verder, met veel herhalingen die het verhaal enorm versterken en waarschijnlijk daardoor als mokerslagen binnen blijft komen opdat wij, de lezers, de boodschap goed meekrijgen.

Tijdens zijn monoloog citeert hij auteurs en filosofen waardoor het niet meer zo persoonlijk wordt, maar universeel. Zo schreef Musil in De man zonder eigenschappen 

Als de mensheid in haar totaliteit begint te dromen, wordt Moosbrugger, de sympathieke lustmoordenaar, werkelijk geboren.’ 

En even daarvoor citeert hij H. ( Hegel tvl) ‘De wereld is zowel afspiegeling als daad van de menselijke geest.’ Dat alles gaat door hem heen wanneer hij verklaringen zoekt en zijn positie in het leven probeert te vinden. Hij schuwt hierbij geen enkele mogelijkheid, in zijn diepste gevoel van eenzaamheid roept hij uit dat hij misschien wel een tiran nodig heeft om zich goed te voelen. En ook dat is een punt van aandacht, zijn vader had twee vrouwen, er was een machtsstrijd gaande tussen de twee moeders en de klassieke complexen kregen hierdoor vrij spel, hoe zat het precies? Leed hij aan een oedipuscomplex waardoor hij neigt naar zelfliquidatie? In ieder geval zorgt de misère voor scheppingskracht, hoe meer kwellingen hoe meer werklust, dat was zijn conclusie.
Moet ik nog betogen dat deze trilogie zeer lezenswaardig is?

        *Sirene

Zwarte melk van de vroegte we drinken haar ’s avonds
we drinken haar ’s middags en ’s morgens we drinken haar ’s nachts
we drinken en drinken
we graven een graf in de lucht daar ligt men niet krap
Er woont een man in dit huis
hij speelt met de slangen hij schrijft
hij schrijft als het schemert naar Duitsland je goudblonde haar Margarete
hij schrijft het en komt uit z’n huis en de sterren beginnen te flonkeren hij fluit z’n honden naar buiten
hij fluit z’n joden naar voren beveelt ze een graf in de aarde te graven
hij beveelt ons speel dat de dans kan beginnen

Zwarte melk van de vroegte we drinken je ’s nachts
we drinken je ’s morgens en ’s middags we drinken je ’s avonds
we drinken en drinken
Er woont een man in dit huis hij speelt met de slangen hij schrijft
hij schrijft als het schemert naar Duitsland je goudblonde haar Margarete
Je asgrauwe haar Sulamith we graven een graf in de lucht daar ligt men niet krap

Hij roept steek dieper de grond in jullie hier jullie daar zing en speel
hij rukt aan het staal van z’n riem hij zwaait het z’n ogen zijn blauw
steek dieper de spaden blijf spelen opdat men zal dansen

Zwarte melk van de vroegte we drinken je ’s nachts
we drinken je ’s middags en ’s morgens we drinken je ’s avonds
we drinken en drinken
er woont een man in dit huis je goudblonde haar Margarete
je asgrauwe haar Sulamith hij speelt met de slangen
Hij roept speel de dood eens wat zoeter de dood is een meester uit Duitsland
hij roept strijk de violen wat triester dan stijg je als rook naar de hemel
dan krijg je een graf in de wolken daar ligt men niet krap

Zwarte melk van de vroegte we drinken je ’s nachts
we drinken je ’s middags de dood is een meester uit Duitsland
we drinken je ’s avonds en ’s morgens we drinken en drinken
de dood is een meester uit Duitsland en blauw zijn z’n ogen
hij raakt je met kogels van lood hij staat onbewogen
er woont een man in dit huis je goudblonde haar Margarete
hij hitst z’n bloedhonden tegen ons op hij schenkt ons een graf in de lucht
hij speelt met de slangen en droomt dat de dood is een meester uit Duitsland

je goudblonde haar Margarete
je asgrauwe haar Sulamith

(vertaling Peter Nijmeijer) bron


De auteur

Imre Kertész (Boedapest, 9 november 1929 – aldaar, 31 maart 2016) was een Hongaarse schrijver. Hij overleefde de Holocaust en won de Nobelprijs voor Literatuur (2002).

bron
Kertész werd in 1944 door de Duitse bezetter vanwege zijn Joodse afkomst naar het concentratiekamp Auschwitz afgevoerd, vervolgens naar het kamp Buchenwald en het kamp Tröglitz/Rehmsdorf bij Zeitz. Na het behalen van zijn middelbareschooldiploma in 1948 werkte hij voor de kranten Világosság en Esti Budapest. In 1951 werkte hij een tijdje als fabrieksarbeider. Van 1951 tot 1953 was hij medewerker bij het Ministerie van Metallurgie en Werktuigindustrie. Vervolgens zat hij twee jaar in militaire dienst. Daarna werd hij beroepsschrijver en vertaler.(bron)

Titel: Kaddisj voor een niet geboren kind (uit de trilogie Onbepaald door het lot)
Auteur: Imre Kertész
ISBN: 9789055153800
Vertaling: Henry Kammer
Pag.: 115
Genre: fictie
Verschenen.:2003