woensdag 31 oktober 2018

Jean-Marc van Tol - Musch


Recensie door Koen de Jager
Uitgeverij Catullus

'Als u dit leest, ben ik dood. Mijn einde is onvermijdelijk.
Wanneer ik de laatste zin van dit gedenkschrift geschreven heb,
leg ik mijn pen neer - voor eeuwig - [...].'

Cornelis Musch, 
griffier der Staten-Generaal, december 1650


De queeste van Cornelis Musch

Musch, het literaire debuut van Jean-Marc van Tol is het eerste deel van wat een trilogie moet worden over het leven van Johan de Witt. Deel 1 is 500 pagina’s dik en wordt verteld via de fictieve memoires van Cornelis Musch, de griffier van de Staten-Generaal in de periode 1628 tot 1650.

De memoires van Musch worden afgewisseld en ingekleurd door het leven van de gebroeders De Witt. De jongste, Johan is advocaat bij het Hof van Holland én wiskundige en zijn oudere broer Cornelis is schepen van Dordrecht. Op een dag wordt hun vader, oud-burgemeester van Dordrecht, samen met andere bestuurders gevangen gezet op Slot Loevestein door de Stadhouder Willem II. Tegelijkertijd pleegt deze met zijn neef, graaf Willem-Frederik van Nassau-Dietz een aanval op Amsterdam, die jammerlijk mislukt omdat een deel van de troepen in het slechte weer op de heide verdwaalt.

Die aanval was Willem II ingefluisterd door Musch vanwege onenigheid over het afbreken van de Tachtigjarige Oorlog. Sommigen varen nu eenmaal beter bij ellende en Musch was er zo één. Hij was getrouwd met de dochter van Jacob Cats, dichter en raadspensionaris van Holland. Verder was Musch hopeloos corrupt en belust op macht;

'Het ging mij nooit om status. Ik streefde altijd naar hogere doelen. Rijkdom was slechts bijvangst; macht, werkelijke macht, dát was mijn streven. En met een raadspensionaris als schoonvader en een onervaren prins die mijn advies in alles volgde, was ik niet alleen de rijkste maar ook de machtigste inwoner van Den Haag. Nee, van de Republiek. En daarmee, waarschijnlijk, van de wereld.'

Cornelis de Witt
Hoe het afloopt met Musch geef ik niet weg, dat doet de auteur zelf al vrij snel, maar hij vertelt vooral het verhaal van de aanval op Amsterdam en van de intriges in en om het hof. Het boek is een afwisseling van de memoires van Musch, brieven en dagboeken van regenten en zelfs gedichten van Cats. Dat maakt het een erg afwisselend boek. Zo staan er delen in uit een zogenaamd blauwboekje, een pamflet om mensen te informeren of te overtuigen, in dit geval een samenspraak tussen vier mensen over wat er is voorgevallen tussen Willem II en de stad Amsterdam;

'AMSTERDAMMER: ‘Waren onze heren van Amsterdam niet ontboden om diezelfde morgen bij Zijne Hoogheid te komen?’
BODE: “Neen, niet dat ik weet. De heren van Amsterdam waren vroeg bij het Hof gekomen. De heer Cats…was nog boven bij Zijne Hoogheid. Ze wachtten, terwijl het regende, onder de galerij op het Binnenhof en gingen daarna, nadat de heer Cats weer van boven was gekomen, naar de vergadering. Toen hoorden ze van de arrestatie. De heer Cats zei dat Zijne Hoogheid er niet aan twijfelde dat de troepen onder leiding van Zijne Excellentie graaf Willem Frederik, stadhouder van Friesland, reeds binnen Amsterdam waren.’
BURGER: ‘Dus de heer Cats deelde mee wat Zijne Hoogheid hem gezegd had?’
BODE: ‘Ja, in goed vertrouwen. Dat had Zijne Hoogheid ook van hem verlangd. Maar hij was zo geëxalteerd, wat niet verwonderlijk is, dat hij nauwelijks uit zijn woorden kon komen.’
WAARD: ‘Dat kan men zich waarachtig wel voorstellen.’

Johan de Witt
Een levendig stuk geschiedenis dus, origineel en afwisselend verteld. Illustere figuren uit de geschiedenis als de gebroeders De Witt, Jacob Cats, Frans Banninck Cock en Nicolaes Tulp (u weet wel, geschilderd door Rembrandt), Hugo de Groot, Johan van Oldebarnevelt, Christiaan Huygens, ze komen allemaal voorbij en de meesten tot leven (Van Oldebarnevelt was al onthoofd). 

Ik heb in recensies gelezen dat er wel heel veel personen voorbij kwamen, maar ik heb dat geen enkel moment als bezwaar gezien. Het verhaal is prima te volgen en anders staat er achterin het boek een volledige lijst met alle Dramatis personae. Overigens is het boek prachtig uitgegeven, maar leg de omslag van de hardcover even weg tijdens het lezen, die schijnt af te geven…     
Ik kijk uit naar deel 2.

Auteur

Jean-Marc van Tol (Rotterdam, 6 juli 1967) is een Nederlands illustrator, striptekenaar en cartoonist.
Hij specialiseerde zich bij zijn studie Nederlands in het Middelnederlands en is momenteel werkzaam als freelance striptekenaar. Zijn opdrachten ontvangt hij onder andere van het bedrijfsleven, de reclamewereld, de (semi)-overheid en vanuit de woningcorporatiebranche. Zijn belangrijkste werk is de cartoonreeks Fokke en Sukke, waar hij samen met John Reid en Bastiaan Geleijnse de geestelijk vader van is. Van het drietal is Van Tol degene die de tekeningen maakt. Van Tol wordt wel de 'inkopper' van het team genoemd.

Slot Loevestein
In 2003 wonnen Reid, Geleijnse en Van Tol de Stripschapprijs voor hun gezamenlijke stripwerk (en dan met name Fokke & Sukke).

In 2006 lanceerde Van Tol samen met Gerrit de Jager het boek "Strips in Stereo" waarin zij en Maaike Hartjes, Hanco Kolk, Erik Kriek, Dick Matena, Peter Pontiac, Mark Retera, Barbara Stok, Joost Swarte, Thé Tjong King, Typex en Henk Kuijpers een stripversie maakten van een lied van een Nederlandse artiest. Bij de presentatie hiervan op 11 maart 2006 in Paradiso werden de originele nummers ten gehore gebracht. Het boek kreeg goede kritieken, werd meermalen herdrukt en Van Tol en Gerrit de Jager ontvingen later dat jaar tijdens De Stripdagen 2006 de P. Hans Frankfurtherprijs voor dit bijzondere project.

Sinds 1 januari 2007 is Jean-Marc van Tol zijn uitgeverij begonnen, Catullus. De naam is ontstaan uit het pseudoniem waarmee hij 1989 de kerstprijsvraag van Propria Cures won.
Daarnaast tekent Van Tol ook elke week de strip Kort en Triest in de jongerenkrant 7Days. Van Kort en Triest zijn inmiddels twee stripalbums uit, 'Verdwaald' en 'Opgepeuzeld'.

In 2011 presenteerde Van Tol bij de VPRO het televisieprogramma 'Beeldverhaal', waarin hij een overzicht gaf van diverse stromingen en belangrijke personen uit de geschiedenis van het stripverhaal.

Titel: Musch
Auteur: Jean-Marc van Tol
Pagina's: 512
ISBN: 9789492409348
Uitgeverij Catullus
Verschenen: mei 2018

dinsdag 30 oktober 2018

Leonora Carrington - Alle verhalen


Recensie door Truusje
Uitgeverij Orlando


'Alle verhalen zijn waar,
alleen zijn ze misschien niet echt gebeurd.'


Surrealisme van de bovenste plank

Leonora Carrington schilderde en schreef haar verhalen. Eerder gaf Uitgeverij Orlando de novelle Beneden uit. Hierin beschrijft ze de verstikkende periode dat ze opgenomen was in een psychiatrisch ziekenhuis. De bundel Alle verhalen is één van de zes titels die zijn opgenomen in de Herfstactie 2018 van Schwob.

De verhalen in dit boek hebben allemaal veel expressie, iets mysterieus, soms iets sprookjesachtigs, met een flinke zweem magisch realisme. De rode lijn in deze verhalenbundel is zonder twijfel het surrealisme. Hierover wordt gezegd dat het de belevingen weergeeft en het innerlijke van de auteur blootgeeft. Haar roerige leven en trieste ervaringen hebben hun stempel nagelaten op het werk van deze kunstenaar.
Te beginnen bij de prachtige cover, die een deel weergeeft van een schilderij van Carrington, dat ze schilderde op ongeveer twintigjarige leeftijd, tussen 1937 en 1938. Pas omstreeks 1976 kwam dit schilderij onder het stof vandaan.
Zelf noemde ze het 'Self portrait', maar het is ook wel bekend onder de titel 'The inn of the dawn horse' en werd het symbool van de kunst van vrouwen uit de twintigste eeuw.

Dieren met de meest vreemde eigenschappen spelen een grote rol in de verhalen.
Wat regelmatig terugkeert zijn het thema's 'hyena' en 'paard' als alter ego. Ze verwerkt vele eigen ervaringen in de verhalen. Zo heeft Elena Poniatowska (1932) een biografie over haar vriendin Carrington geschreven en daarin beschrijft ze voorvallen die ook in deze verhalen terugkeren. Zelf beweerde Carrington altijd dat haar verhalen autobiografisch zijn. Ze fabuleert er lustig op los in haar hallucinante verhalen.

Leonora Carrington - Daughter of the minotaur
In het verhaal De ovale dame gaat de ik-figuur naar binnen bij een dame, Lucretia genaamd. Bij haar op zolder staat een hobbelpaard met de naam Tartar en deze heeft een hekel aan de vader van Lucretia, net als zijzelf. Dan verandert ze in een sneeuwwit paard en krijgt ze gedwongen een bit tussen de tanden, omdat ze kabaal maakt met haar dartele sprongen.
Dit voorval komt op de volgende manier terug in de biografie;

''Ik ben een paard, mama, dat weet ik. Ik ben van binnen een paard.'
[...] 'Ik ben een paard verkleed als meisje.'
Tataar is een houten paardje waarop ze al van kleins af aan een paar keer per dag gaat rijden. 'In galop, in galop Tataar.' [...] 'Kom er nu maar af, Prim, (zo noemde de Nanny haar tt) zegt Nanny. 'Nu is het wel genoeg. Als je er niet af komt, doet je vader straks nog het bit in je mond om je te laten stoppen.'
De kinderen van Harold Carrington zijn bang voor hun vader.'

In Carringtons jeugd is het de Nanny die de kinderen verhalen vertelt, die meestal een surrealistisch tintje hebben, zoals het welbekende Alice in Wonderland en Gullivers reizen. Het is de invloed van dit soort verhalen die ook duidelijk herkenbaar is in Alle verhalen. Ze geven me de associaties van het me bewegen in de wereld van de schilder Jheronimus Bosch (1450 - 1516).

Het verhaal Witte konijnen heeft de exentrieke, eigenzinnige Carrington geschreven na een ervaring in New York. Ze wordt gevraagd om bij een aan lepra lijdende overbuurvrouw binnen te komen die honderden vleesetende konijnen blijkt te hebben. Wanneer zij en haar man Lazarus haar vragen of ze bij hen wil blijven, vlucht ze weg en ziet op het moment dat ze nog even omkijkt, nog nét dat de vingers van de vrouw loslaten wanneer ze naar haar wuift.

Self-Portrait with Orthopedic Brace
Personages die ze beschrijft hebben allemaal uiterlijk iets bijzonders, zoals vreemde kleding, kleuren of huidskleur.

'Op een benauwde, zwoele lentemiddag rustte monsieur Cyril de Guindre elegant op zijn ijsblauwe sofa. Bewegend als een lome slang speelde hij met zijn kat. Ondanks zijn leeftijd was hij zeer knap.
'Hij heeft het gelaat van een albino orchidee,' zei zijn goede vriend Thibaut Lastre. 'Zijn gulzige violette mond lijkt op een giftige bijenorchis gevormd naar een maaninsect, en noem mij eens het zeldzame dier met een vacht die aan zijn lokken kan tippen?'
Thibaut [...] had een goudkleurige huid als een kinderlijkje dat in een oude, uitstekende likeur was geconserveerd. Hij droeg een elegante kamerjas in de kleur van forellenvlees.

Morbide, macaber en luguber zijn woorden die onvermijdelijk in je gedachten komen bij het lezen van onder andere Een Mexicaans sprookje. Hierin wordt Juan in mootjes gehakt en zijn hoofd op een agavedoorn geplaatst. Maria plengt een harde traan die ze in zijn mond legt, zodat hij kan praten. Op zijn verzoek naait ze hem weer aan elkaar. Hij moet dan vervolgens zelf een boom in klimmen om zijn hart te pakken te krijgen. Vlak voor zijn neus wordt deze echter weggegrist door een zwarte gier.

Toch hebben de verhalen ook een lucide karakter en komen er hier en daar komische noten voorbij.

'Op zoek naar een goede plaats voor onze picknick baande ik me een weg naar een betrekkelijk open plek, waar twee mannen een gat stonden te graven. Ze vertelden me dat het stoffelijk overschot werd opgegraven van Lady Hoog in de Bol. [...] Ze vroegen me of ik even in het gat wilde gaan liggen om de juiste afmetingen te bepalen. De klamme grond was gerieflijker dan verwacht. Ik werd zelfs een beetje loom en soezerig [...].'

Als bibliofiel zijnde is het alleen al heerlijk om dit boek in handen te hebben. Het materiaal van de cover voelt fluweelachtig aan. Tja, het klinkt misschien wat maf, maar ik kon de verleiding niet weerstaan om er steeds even met mijn vlakke hand over te strijken.

Het heeft me veel plezier opgeleverd om me wat te verdiepen in de handel en wandel van de auteur. De biografie van de hand van Elena Poniatowska - overigens ook door Uitgeverij Orlando uitgegeven - is een prachtige aanvulling en geeft veel duidelijkheid over de raakvlakken die er zijn tussen de fictie en het leven van Carrington.

Het is een lust om de verhalen te lezen en te herlezen én te herlezen. Gun jezelf net zoveel plezier als ik tijdens het lezen had om te genieten van het fascinerende proza en te griezelen bij de bizarre vertellingen, gebaseerd op de werkelijkheid met een magische twist.

Auteur
Leonora Carrington

Leonora Carrington werd geboren in Clayton-le-Woods. Haar vader was een rijke textielfabrikant. Haar moeder was van Ierse afkomst. Ze had in haar jeugd ook een Iers kindermeisje, Mary Cavanaugh. Verder had ze drie broers.
Ze kreeg vooral les van gouvernantes, nonnen en privéleraren, omdat ze vanwege haar rebelse houding tweemaal van een school werd gestuurd. Haar vader was erop tegen dat ze kunstenaar wilde worden. In Londen studeerde ze aan de Chelsea School of Art en de academie van Amédée Ozenfant. In 1927 maakte ze op 10-jarige leeftijd haar eerste surrealistische schilderij.

In 1936 kwam Carrington in contact met kunstenaar Max Ernst, tijdens de International Surrealist Exhibition in London. De twee vertrokken samen naar Parijs, waar Ernst scheidde van zijn vrouw. In 1938 vertrokken Carrington en Ernst naar Saint Martin d'Ardèche in het zuiden van Frankrijk. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak werden beide opgepakt door de Franse autoriteiten als 'ongewenste vreemdelingen'. Mede door tussenkomst van Paul Éluard en enkele kennissen van Ernst uit Amerika (waaronder journalist Varian Fry) werden ze na een paar weken vrijgelaten.

Leonora Carrington en Max Ernst
Toen Frankrijk werd veroverd door nazi-Duitsland, werd Ernst opnieuw gearresteerd; ditmaal door de Gestapo. Hij wist te ontsnappen en met hulp van Peggy Guggenheim naar Amerika te vluchten. Carrington zelf was na Ernsts tweede arrestatie naar Spanje gevlucht en wist daar de Britse ambassade te bereiken. Haar ouders lieten haar hier ophalen en in een kliniek opnemen vanwege de depressie die ze had opgelopen door het verlies van Ernst. Ze kreeg onder andere een behandeling met cardiazol. Na te zijn toevertrouwd aan de zorg van een zuster, die haar meenam naar Lissabon, vluchtte Carrington naar de Mexicaanse ambassade. Hier wist ze diplomaat Renato Leduc, een vriend van Pablo Picasso, over te halen haar mee te nemen naar Mexico. Carringtons ervaringen uit deze periode hebben haar werk sterk beïnvloed.

Na in de jaren 60 nog een tijdje in New York City te hebben gewoond, vestigde Carrington zich uiteindelijk definitief in Mexico. Ze werd nooit herenigd met Ernst en trouwde uiteindelijk met Emericko Weisz. Samen kregen ze twee kinderen: Gabriel Weisz en Pablo Weisz.

Carrington stierf op 25 mei 2011 in een ziekenhuis in Mexico-Stad aan de gevolgen van een longontsteking.

Werk

De eerste grote tentoonstelling van Carringtons werk vond plaats in 1947, in de Pierre Matisse Gallery in New York City. Ze was de enige vrouwelijke Britse schilder die haar werk hier tentoonstelde. Ze werd door de tentoonstelling in een klap beroemd. De tentoonstelling werd mede geregeld door Edward James.

In Mexico besloot ze zich ook bezig te gaan houden met schrijven.

De eerste grote tentoonstelling van haar werk in het Verenigd Koninkrijk in 20 jaar tijd, vond plaats van 17 juni tot 12 september 2010.

Carrington was een van de laatste nog levende surrealistische schilders uit haar periode. Haar schilderij Juggler werd in 2005 verkocht voor $713.000, destijds een record voor werk van een levende surrealistische schilder op een veiling.

Leonora Carrington - Juggler













Titel: Alle verhalen
Auteur: Leanora Carrington
Vertaling: Nelleke van Maaren
Pagina's: 240
ISBN: 9789492086884
Uitgeverij Orlando
Verschenen: oktober 2018

maandag 29 oktober 2018

Jane Gardam-Laatste vrienden

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Cossee





Zo zit het dus met Sir Terence Veneering!



De schrijfster trekt alle registers open om deel drie van de Old Filth trilogie verrassend af te sluiten. Dit deel speelt zich niet af in het exotische Brits Indië, maar is grotendeels gewijd aan de coming of age van de jonge Terrence Veneering in Engeland. Het begin is meteen raak. Filth en Veneering zijn dood, zij worden vergeleken met de titanen, dat zegt wel iets over beide heren. Zij hadden niet alleen beroepshalve met elkaar te maken. Beiden waren vermaard om hun kennis van het Engelse en internationale bouwrecht en experts op het gebied van milieu-ethiek, maar ook privé kruisten hun wegen. In deel één en twee maakte de lezer kennis met beide heren en ook met Betty, de echtgenote van Filth. 

Om niet teveel van de betovering weg te geven moet het in de bespreking vooral gaan om de manier waarop Jane Gardam de spanning er weet in te houden door het verhaal niet chronologisch te vertellen en haar informatie gedoseerd en vooral subtiel prijs te geven. Want dat doet ze. De auteur weet te boeien door afwisselend te vertellen over het leven in het dorpje Donhead St Ague en over flashbacks die de lezer de schellen van ogen doen vallen door hun onthullende karakter. Geweldig zijn de beschrijvingen van de situaties, ze doen een beetje denken aan miss Marple en zijn zowel droog, humoristisch als ironisch.
Bij de voorkant van de trein stond de dorpsoudste: de oude weduwe Dulcie, met haar dochter Susan en haar twaalfjarige kleinzoon Herman, een Amerikaans kind, ernstig en erg vrij in het uiten van zijn mening. Dulcie was half zo lang als hij, een tenger vrouwtje in een grijze moleskin jas, met een hoed die van de veren van de dorpsroeken gemaakt had kunnen zijn. Ze had de hoed veertig jaar eerder in Bond Street gekocht ter gelegenheid van de verjaardag van de koningin in Dar es Salaam, waar Dulcies echtgenoot een ontspannen, tevreden rechter was geweest, zelfs bij ophangingen.’ (pag.14)

De titel Oude vrienden doet zijn naam eer aan. Het zijn vooral de ouderen die elkaar opzoeken en spreken over het verleden, waarbij er onhebbelijkheden opgerakeld worden en er ook regelmatig gemopperd wordt over wederzijdse zwakke eigenschappen. De twee overleden titanen vormen het kader waarbinnen de nog levenden hun leven voortzetten met alle bijbehorende ongemakken en de doden hun echo laten horen door wat er allemaal over hen verteld wordt. Soms zijn dat waarheden, veel vaker nog zijn het speculaties. Dit mystieke sfeertje past perfect bij hun verleden, toen ze als expats woonden en werkten in het Verre Oosten.

Een van de geweldig uitgewerkte karakters is Fiscal-Smith. Fiscal is later toegevoegd aan zijn nogal gewone naam Smith, maar een bijnaam was heel gewoon en een dubbele naam klinkt natuurlijk veel voornamer. Deze Fiscal-Smith staat bekend om zijn gierigheid en als het even kan laat hij zich uitnodigen of hij nodigt zichzelf uit. Wanneer hij voor de begrafenis van Filth een logeerplek zoekt klopt hij bij de Dulcie - weduwe van Pastry Willie, ook expat - aan met... een royale hoeveelheid logeerspullen.
Allebei op leeftijd, de één moeder van Susan, de ander alleen op de wereld en hunkerend naar gezelschap, zoeken ze elkaar op. 

Natuurlijk mag het verleden van Veneering, de naam is ontleend aan een personage uit één van Dickens romans, niet onvermeld blijven. Deze excentrieke man had een bijzondere jeugd. Als zoon van een Engelse moeder en een Russische vader - geniet van de fantastische geschiedenis van hun kennismaking! - groeit de intelligente jongen op in een ongewone gezinssituatie. Moeder moet noodgedwongen de kar trekken, letterlijk en figuurlijk.

Florrie reed de kar achterom. Ze bracht het paard naar zijn stal, voerde het en wreef het droog, en als er niemand was om haar te helpen sleepte ze zelf de kar de schuur in. Er was een gemeenschappelijk badhuis voor Muriel Street en ze betaalde een penny om dat op kolendagen voor zichzelf te hebben. Ze goot een blik met warm water uit de stenen tobbe over zich heen. Ze waste haar haren, voeten en handen en daarna haar lijf met een blok doorschijnend groene Fairy-zeep. Daarna droogde ze zich af met een bruine handdoek, ruw als heide.’ (pag. 74)

Veneering wordt op de een of andere manier elke keer gered door een weldoener of door zijn eigen verstand. De jongen met de briljante geest weet zich op te werken. Wat het verband is tussen hem en Betty was deels al duidelijk geworden in vooral deel twee, maar nu wordt de hele sluier opgelicht, waardoor duidelijk wordt dat het verleden een grote rol gespeeld heeft en dat niets zomaar ontstaan is.
De titanenstrijd tussen Veneering en Old Filth lijkt afgelopen door de dood van beiden, maar zij zullen voortleven in herinnering. Het toeval waarmee de twee op hoge leeftijd buren werden leidde tenslotte tot een voorzichtige verzoening.

Zestig jaar later daalde er in de winterse zitkamer, waar het haardvuur loeide, de whisky elk moment tevoorschijn kon worden gehaald en hij zojuist – haha! – Veneerings dame had gepakt, een zoete vrede over Edward Feathers neer, en voor het eerst sinds hij de ontrouw van zijn vrouw met die goed uitziende parvenu, die proleet had ontdekt merkte hij dat zijn jaloezie was verdwenen en dat hij nu met trots en genoegen op zijn leven – en zijn geliefde vrouw – kon terugkijken. Of misschien ook niet. Misschien moet je de liefde altijd gescheiden houden van de tijd.’ (pag. 271)

Lees deze trilogie! Hij is onderhoudend, exotisch, prachtig beschreven met een spanningsboog die precies goed is en...de onderwerpen zijn van deze tijd. Wat te denken van echte liefde, passie die niet altijd samenvalt met de gekozen echtgenoot, hoe dacht men over homoseksualiteit en hoe ging men om met klassenverschillen? 
 
Geniet van Old Filth ((Failed in London Try Hong Kong), geschreven door een auteur die pas op latere leestijd begon met schrijven toen haar kinderen naar school gingen.
Toevallig stond er onlangs een artikel in het NRC* waarin vier schrijfsters geroemd worden om hun auteurschap. Na een periode in vergetelheid te zijn geraakt worden ze nu herontdekt en gewaardeerd, Jane Gardam is één van hen.




De auteur

Jane Gardam (Yorkshire, 1928) is de enige schrijver die twee keer met de Whitbread/Costa Award bekroond is. Met haar trilogie rond het echtpaar Edward en Betty stond ze al meer dan een jaar op de bestsellerlijst in Duitsland. Een onberispelijke man werd in maart 2017 bij DWDD Boek van de maand en stond wekenlang in de bestseller top 60. Het tweede en derde deel van haar trilogie, Een trouwe vrouw en Laatste vrienden, kwamen respectievelijk in september 2017 en januari 2018 uit. Ook is ze de auteur van het Cossee Broekzakbibliotheek-boekje De geheime brieven. Haar oeuvre omvat meer dan dertig boeken, romans, verhalen en kinderboeken. Ze is Fellow van de Royal Society of Literature en woont in East Kent.(http://www.uitgeverijcossee.nl/auteur/Jane-Gardam-A208.php)


Titel: Laatste vrienden
Titel oorspronkelijk: Last Friends
Auteur: Jane Gardam
Vertaling: Gerda Baardman
Uitgever: Uitgeverij Cossee
ISBN: 9789059367319
Pag.: 320
Genre: Literaire roman
Verschenen: deze editie 2018 , oorspronkelijk 2013


zaterdag 27 oktober 2018

Dmitri Danilov - Er zijn belangrijker dingen dan voetbal


Recensie door Truusje
Uitgeverij Douane



Voetbal heeft een zekere betekenis!


Toen me werd gevraagd om een boek over voetbal te lezen, was ik wel even aan het twijfelen. Ik? Die niets van voetbal weet? Is dat wel een goed idee?
Er werd me verzekerd dat het misschien juist wel leuk zou zijn wanneer een voetbal nitwit - ook nog eens vrouw, ook nog eens blond, hoewel dat toch écht uit een tube komt - dit eens zou lezen en recenseren.

Dus....ik ben vol goede moed aan het lezen geslagen.

De auteur, Dmitri Danilov, is Rus en supporter van Dynamo Moskou. Hoewel hij in zijn achterhoofd eigenlijk wel weet dat zijn club al een poosje niet meer tot de top behoort, blijft hij stijfkoppig trouw aan zijn liefde voor Dynamo met het blauwe tenue. De club mag zich wentelen in het geluk een grote naam te hebben en is destijds tot stand gekomen vanuit de KGB.

Wat deze onvoorwaardelijke liefde betreft wordt Dmitri wel op de proef gesteld, want de club Spartak Moskou gaat als een speer in de ranglijst omhoog. Het lijkt ze zelfs weinig moeite te kosten om dat resultaat te behalen.

De auteur gaat terug in de tijd dat voetbal nog helemaal niet speelde in zijn jonge leventje. We spreken dan over eind jaren '70 en van het kijken naar voetbal op de tv had hij nog geen kaas gegeten. Tot het moment aanbrak dat hij bij zijn oma logeerde en een groep jongens achter een aan bal zag rennen. Ineens ging er een wereld voor hem open en werd hij meegesleept in het enthousiasme. Hij kreeg het virus toegeworpen en is er nooit meer van genezen.
Zelf aan voetbal doen liet zijn gezondheid niet toe en wat doe je dan? Je wordt supporter!

In dit boek beschrijft hij talloze wedstrijden, het aantal toeschouwers, het scoreverloop, de ranglijsten, de scheidsrechters, de gele en rode kaarten, de wisselspelers, coaches en ga zo maar door.
Hij toont zich ook als dichter en in meerdere verhaallijnen beschrijft hij minutieus hele wedstrijden, alsof hij jarenlang een dagboek heeft bijgehouden.

De roman bevreemdde me. Hoe is het toch mogelijk dat iemand 315 bladzijden vol kan schrijven over een club waar hij, ondanks te verwaarlozen succes, zo trouw aan is gebleven? Dat het zelfs een echte literaire roman genoemd mag worden.
Als 'Absoluut-nooit-naar-voetbal-kijkende-veellezer' had ik toch wel een paar - understatement - momenten dat ik me met wanhoop door dit boek heb geploeterd.
Toch denk ik dat er liefhebbers zijn van deze hemelse sport die veel herkenning kunnen vinden in dit boek. De auteur laat zijn liefde, hoop, wanhoop, ontnuchtering en dromen zien. Is zelfs af en toe wat cynisch en sceptisch, maar dat is toch ook wel weer heel aandoenlijk om te lezen. Hij is in ieder geval heel erg eerlijk in zijn relaas.

Een mooi boek voor een voetbalminnend medemens, die van lezen houdt.

Auteur
 
Dmitri Danilov (Moskou, 1969) – Russisch schrijver van romans, verhalen en (recent) gedichten. Man met een zeer eigen geluid, schrijft persoonlijk onpersoonlijk, oftewel: de autobiografie van iedereen.

Titel: Er zijn belangrijker dingen dan voetbal
Auteur: Dmitri Danilov
Vertaling: Arie van der Ent
ISBN: 9789082723168
Uitgeverij Douane
Verschenen: mei 2018

vrijdag 26 oktober 2018

Erich Maria Remarque - De nacht in Lissabon


Recensie door Truusje
Uitgeverij Cossee


Agonie van de angst


Erich Maria Remarque (1898- 1970) schreef in 1929 zijn debuutroman 'Van het westelijk front geen nieuws', die zijn meest succesvolle werk was. Hierin beschrijft hij zijn eigen ervaringen en die van andere frontsoldaten in de Grote Oorlog. In Duitsland werd dit boek niet met open armen ontvangen. Er werd druk gespeculeerd over de persoon Remarque. Hij zou een provocerende dandy zijn, Joods bloed hebben en uit Frankrijk komen. Zijn debuut werd als té pacifistisch en politiek  controversieel bestempeld. Ook zijn naam was onderwerp van speculaties en men was ervan overtuigd dat hij eigenlijk Kramer zou heten, een anagram van Remark, zoals hij officieel heette. Deze mythe leeft bij sommigen nog altijd.

In 1963 verscheen van zijn hand 'De nacht in Lissabon'. Een absoluut indrukwekkende roman, die diepe indruk op me heeft gemaakt. De hoop en wanhoop hielden me tot het einde gekluisterd aan het verhaal.

Het is 1942 en de Tweede Wereldoorlog houdt de wereld in zijn greep. Portugal is neutraal en in Lissabon staat een man op de kade aan de Taag en staart naar het passagiersschip, dat voor anker ligt. De volgende avond zal het vertrekken, -´alsof het een ark was ten tijde van de zondvloed´ - met als bestemming Amerika; het beloofde land. Als Joods emigrant wil de Duitser samen met zijn vrouw Ruth de overtocht maken, omdat hun Portugese visa zijn verlopen, maar de financiële middelen zijn niet aanwezig. Om zijn geluk te beproeven is hij een casino in gegaan.

'Het was zinloos geweest, want zelfs al had ik gewonnen, dan zou er toch nog een wonder hebben moeten gebeuren om op het schip te komen. Maar op de vlucht en in vertwijfeling en gevaar leer je in wonderen geloven; anders zou je bezwijken. Ik had van de tweeënzestig dollar die wij nog bezeten hadden, er zesenvijftig verloren.'

Dan ziet hij een man over de kade heen en weer lopen en zijn eerste gedachte is dat het een politieagent zou kunnen zijn die van zins is hem te arresteren. De man spreekt hem aan, laat twee tickets voor de overtocht naar New York zien en doet hem een genereus aanbod; de ik-figuur kan ze krijgen op één voorwaarde. Hij - de man stelt zichzelf voor als Joseph Schwarz - zal de volgende morgen uit Lissabon vertrekken, maar wil de nacht niet alleen zijn, wil gezelschap en een luisterend oor.

Nieuwsgierig naar zijn beweegredenen gaat de ik-figuur in op het verzoek en gaan ze een sjofel kroegje binnen, waar Schwarz zijn verhaal uit de doeken doet. Hiermee start een ontroerende, onthutsende raamvertelling over de ervaringen van een man in nazi-Duitsland. In een lange monoloog, slechts hier en daar onderbroken door dialoog in de pauzes van het verhaal, doet hij een belangrijk deel van zijn leven uit de doeken.

Zijn verhaal te kunnen doen lijkt voor de vluchteling Schwarz louterend te werken en hem te troosten, door alles wat hij op zijn hart heeft nog éénmaal in zijn geheel te vertellen aan die andere vluchteling, die zomaar op zijn pad verscheen.

Al vijf jaar is hij op de vlucht en zijn vrouw Helen, waarmee hij niet lang daarvoor in het huwelijk is getreden, is in Duitsland gebleven. Haar broer Georg - een nazi - en heeft de Joodse Schwarz opgepakt en vastgezet, waarna er gruwelijke martelpraktijken op hem worden botgevierd. Hij weet te vluchten naar Frankrijk.
Schwarz blijkt niet zijn werkelijke naam te zijn. Deze heeft hij aangenomen, nadat hij van een stervende, oude gevluchte Duitser, diens paspoort en een aanzienlijk fortuin, in de vorm van postzegels en twee tekeningen van Degas. Vanaf dat moment is de naam Schwarz van eigenaar gewisseld en besluit hij in een opwelling naar Helen terug te gaan. Niet echt helemaal slim, blijkt al snel. Na vijf jaar van elkaar gescheiden te zijn geweest, blijkt de liefde niet verdwenen te zijn en vluchten ze samen naar Frankrijk wanneer Georg er lucht van krijgt dat zijn zwager weer in de buurt is. Helaas wordt, na een aantal weken van relatief gelukkig samenzijn, ook Parijs door de Duitsers bezet.

'Het was de schemering van hoop en vertwijfeling. De tijd hield de adem in. Alleen daarvoor scheen er een schaduw te vallen onder de doorschijnende en onwerkelijke schim van de grote dreiging. Het was of er een reusachtige, middeleeuwse komeet samen met de zon aan de stralende hemel stond. Alles stond op losse schroeven. En alles was mogelijk.'

Na die passage komt de spanning goed op stoom.
Het stel belandt in een interneringskamp, weet te ontsnappen en over de Via Dolorosa* naar Lissabon te vluchten. Daar komt Schwarz erachter dat Helen iets voor hem heeft verzwegen en dat 'iets' blijkt grote gevolgen te hebben, wat Schwarz doet besluiten om, tezamen met de passagetickets, ook zijn valse identiteit nog eens door te geven aan de man die hem die nacht zijn luisterend oor heeft geboden.

Stukje bij beetje en in een vrij sobere, maar krachtige schrijfstijl, geeft dit boek de puzzelstukjes vrij, die samen het geheel vormen van dit beklemmende verhaal. Pareltjes van zinnen in het sobere proza, maken van 'De nacht in Lissabon' een prachtige, melancholieke en zeer beslist een beklijvende klassieker. 
Als het aan mij lag zou ik meteen de sticker 'verplichte kost op de middelbare school' op de cover willen plakken, omdat het onderwerp helaas nog steeds actueel is.

Een Juweeltje!!!


* De Via Dolorosa loopt van België naar de Pyreneeën en gold in de Tweede Wereldoorlog als vluchtroute voor vele vluchtelingen.

Auteur

Erich Maria Remarque, oorspronkelijk Erich Paul Remark (Osnabrück, 22 juni 1898 – Locarno, 25 september 1970)
was een van de bekendste en meest gelezen auteurs van Duitse literatuur in de twintigste eeuw. Nadat hij zijn Duitse nationaliteit tijdens het nazi-regime in 1938 verloor, verkreeg hij in 1947 die van de Verenigde Staten.

Zijn ouders waren van bescheiden afkomst. Hij herstelde de originele spelling van zijn familienaam "Remarque", die in de 19e eeuw was veranderd in "Remark", om zich te distantiëren van zijn eerste roman Die Traumbude. In 1929 veranderde hij zijn tweede voornaam "Paul" in "Maria" om zijn moeder te eren.

Tijdens zijn studie aan de Universiteit van Münster werd hij in 1916 opgeroepen om zijn legerdienst te vervullen. Remarque vocht aan het Westelijk Front en werd verscheidene keren gewond. Nadat hij in 1917 in België door een Shrapnel-granaat was geraakt verbleef hij tot het eind van de oorlog in een Duits militair hospitaal.

Na de Eerste Wereldoorlog volgde hij een leraarsopleiding, door de overheid aan oorlogsveteranen voorbehouden. Hij gaf enige tijd les en was ook actief als steenhouwer, bibliothecaris, zakenman, journalist, redacteur en testrijder voor een Berlijns bandenbedrijf. Zijn schrijverscarrière startte hij als toneelcriticus (voor de Osnabrücker Tageszeitung) en sportjournalist (Sportbild).

Op 31 januari 1929 verscheen zijn eerste echte roman, tevens zijn meest succesvolle boek Im Westen nichts Neues, waarin hij de ervaringen weergaf van Duitse frontsoldaten in de Eerste Wereldoorlog. Het riep veel weerstand op in het Duitsland van de Weimarrepubliek. De eerste uitgever aan wie hij het boek aanbood, weigerde het te publiceren. Ondanks de enorme politieke controverse werden er het eerste jaar al 1,2 miljoen exemplaren van verkocht. Het vervolg, Der Weg zurück, verscheen in 1931.

Na de machtsovername door de nazi's in 1933 werden zijn boeken op instigatie van Joseph Goebbels in het openbaar verbrand en zijn werk werd in Duitsland verboden. In 1938 werd hem zijn Duits staatsburgerschap ontnomen, maar hij verbleef al sinds 1932 in Zwitserland. In 1939 emigreerde hij naar de Verenigde Staten en hij verkreeg de Amerikaanse nationaliteit in 1947. Later woonde hij afwisselend in Zwitserland en de Verenigde Staten.

Remarque huwde twee keer met Jeanne Zamboul (in 1923 en 1938) en scheidde ook twee keer van haar. In 1958 trouwde hij met de actrice Paulette Goddard.

Titel: De nacht in Lissabon
Auteur: Erich Maria Remarque
Vertaling: Frederique van Schouwen
Pagina's: 284
ISBN: 9789059712836
Uitgeverij Cossee
Verschenen: april 2017

donderdag 25 oktober 2018

Michael Köhlmeier-Twee heren op het strand

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij Aldo Manuzio






Een opmerkelijke zielsverwantschap



Van Charlie Chaplin en Winston Churchill zullen maar weinig mensen niet gehoord hebben, maar wie kent hun mysterieuze vriendschap en wie kent de grond waarop deze gebaseerd is? Wie daarop een antwoord wil hebben kan zich met een gerust hart overgeven aan dit boek dat zich laat onderbrengen in het genre ‘faction’, een roman waarin feiten en fictie het verhaal maken. Je ziet de twee heren helemaal voor je, dit is niet zo moeilijk, want de gestaltes van beide personen zijn zo vaak in beeld geweest dat ze zonder meer levensecht in beeld komen.

Maar hun wat duistere kanten bleven misschien wat onderbelicht en het is juist die kant die de twee heren samenbrengt.
Beiden waren prominente publieke figuren en beiden hadden een briljante geest.

De vader van de verteller van dit bijzondere boek heeft Chaplin en Churchill persoonlijk ontmoet. Hij was nog maar een kind toen hij beide heren ontmoette en zij merkten ook het kind op. De heren maakten grote indruk op de jongeman en hij koesterde de wens om clown of staatsman te worden. Dat hij gemeenteambtenaar werd veranderde niets aan zijn fascinatie voor zijn helden. Vrolijkheid voerde in het huis van de verteller en zijn vader absoluut niet de boventoon. De dood van de moeder en het drankgebruik van de vader maakte de sfeer thuis melancholiek. In een enkel regeltje stipt de auteur in wat dat voor hem betekende, hij werd depressief en zijn vader gaf daarop te kennen dat hij direct zou stoppen met drinken. Hij besloot een biografie te schrijven over Winston Churchill.

Depressie was ook wat de twee heren, Churchill en Chaplin deelden. Het herkennen van deze geestestoestand gaf een stevige lotsverbondenheid, de benaming voor deze gevreesde vijand was ‘de zwarte hond’. Dit was was een niet graag geziene gast, kwam nooit gelegen. (pag. 18)

Dit is de rode draad in het boek. De stukken over Chaplin en Churchill wisselen elkaar af en in flashbacks komen de levens van beide heren uit de verf. De auteur weet de lezer te boeien door sappige details te verweven met serieuzere zaken. Familie, ambities, politiek, omgaan met succes en tegenslag zijn elementen die besproken worden. Interessant is de aanloop naar de populariteit van Hitler. En niet zomaar interessant vanwege het tijdsbeeld, maar juist doordat beide heren te maken hadden met deze opkomende dictator. Chaplin heeft een kleurrijk verleden, zijn afkomst is een beetje geheimzinnig, hij werd geboren in een artiestenfamilie, maar waar hij precies geboren is, is niet helemaal zeker, in elk geval had hij een Joodse halfbroer.

Charlie Chaplin (afbeelding publiek domein)
Over Churchill is ook een en ander te vertellen. De rol van zijn gouvernante is hierbij essentieel, zij bezorgde hem het gevoel dat hij het intelligentste kind op aarde was. Des harder kwam de klap aan toen hij op het internaat geconfronteerd werd met zijn onwetendheid en onwil om verplichte lesstof te leren.
Het kwam tot een rel waarop hij het internaat ontvluchtte en een opmerkelijke daad verrichtte, het werd en tevens een keerpunt in zijn leven. Vanaf dat moment bekeek hij de wereld heel anders dan in de tijd van zijn gouvernante, Mrs Everest. Dat vertelde hij allemaal aan Charlie terwijl ze samen op het strand liepen. Ook Charlie vertelde zijn verhaal.

Winston Churcill ( afbeelding publiek domein)
Het hele boek is een aaneenschakeling van elke keer weer een onderwerp dat betrekking heeft op één van de twee mannen, of allebei omdat het de tijdgeest betreft. Natuurlijk is er volop aandacht voor het werk van de artiest Chapluin. Zo wordt er gesproken over de ontwikkeling van de stomme film naar film met geluid, de koppigheid waarmee hij zijn zin doordrijft, de depressie die hem tot wanhopig maakt en werken onmogelijk wordt, de redder in nood waardoor hij weer energie krijgt, zijn relatieproblemen, het komt allemaal voorbij en het totaal zorgt voor een duidelijk beeld van de mens achter het masker van de clown.

Churchill was als jongetje al volledig gefascineerd door oorlog voeren, hij was gek op het naspelen van veldslagen. Groot was zijn nieuwsgierigheid naar één van zijn verwanten John Churchill *, hij schreef er zelfs een biografie over. Dit hielp hem zijn moeilijke periode door te komen.

Dat Hitler beide mannen in actie bracht wordt door de auteur op een spannende manier uitgewerkt, ieder brokje informatie geeft weer een deel van het verhaal. Het geeft te denken hoeveel of hoe weinig bewegingsvrijheid artiesten en politici in de aanlooptijd van Hitlers overheersing hadden om in te grijpen. Met het netwerk dat Hitler om zich heen verzameld had viel het niet mee het verschil te maken. Toch toonden de twee mannen moed en wendden ze hun kennis en invloed aan om te handelen. Het deed denken aan het boek De wereld van gisteren Stefan Zweig, waarin juist beschreven wordt hoe naïef de kunstenaarswereld was, hoe weinig men het naderende gevaar zag.

Nu ik dit boek uit heb kijk ik met andere ogen naar Churchill en Chaplin, ik weet nu waarom Churchill slissend sprak, ken de methode van de clown, weet waartoe hij dient en waar hij vandaan komt. Dit boek kun je niet zonder meer lezen en wegleggen, daarvoor is het te veelzeggend en ook zo ontroerend. Twee beroemdheden, elkaars tegenpolen die elkaar toch vonden op het strand. Tijdens een feestje ontsnapten ze aan het gedruis en besloten elkaar te vertrouwen en een alliantie te sluiten, geweldig!

Charlie Chaplin en Winston Churchill
De auteur

Michael Köhlmeier (1949) is een succesvol Oostenrijks schrijver. Hij bracht sinds 1974 een omvangrijk literair oeuvre voort. Vele van zijn boeken werden bestsellers – waaronder Twee heren op het strand. Zijn werken werden maar liefst twintig keer bekroond.



Titel: Twee heren op het strand
Titel oorspronkelijk: Zwei Herren am Strand
Auteur: Michael Köhlmeier
Vertaling: Marianne van Reenen
ISBN: 978949260080
Uitgever: Aldo Manuzio
Pag.: 256
Genre: Roman
Verschenen: deze editie 2018
Verschenen oorspronkelijk: 2014


*John Churchill (Devon, Ashe House, 26 mei 1650 – Windsor Lodge, 16 juni 1722), eerste hertog van Marlborough, was een Brits veldheer. Hij verloor geen enkele veldslag.

woensdag 24 oktober 2018

Nescio - De uitvreter, Titaantjes, Dichtertjes, Mene Tekel


Recensie door Koen de Jager
Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar



Ik weet het niet


Van Nescio ("Ik weet niet", pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) had ik nog niets gelezen, maar de titels De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje, Mene Tekel waren genoegzaam bekend. Ik wist dat deze gelezen dienden te worden als Nederlands literatuurliefhebber.
Die vier verhalen bieden 150 pagina's met een aantal van de bekendste karakters en zinnen uit de Nederlandse literatuur. Een must read? Dat weet ik niet maar ik ben blij dat ik ze heb gelezen, omdat ik die zinnen en karakters kan plaatsen nu.

Als eerste De uitvreter. Nescio debuteerde ermee in 1911 in het literaire tijdschrift De Gids. Het verhaal gaat over Japi, de uitvreter, die op ieders zak leeft behalve de zijne. Het begint met één van Nescio's beroemdste zinnen:

'Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.'

Het verhaal wordt verteld door de journalist Koekebakker en gaat naast Japi over de niet-succesvolle schilders Bavink en Hoyer. Het zijn allemaal figuren die zich afzetten tegen de maatschappij, maar waarbij dat niet bijster goed lukt. Het gaat zelfs zover dat het niet goed afloopt met Japi, maar leest u dat vooral zelf. De schrijfstijl is sober en prettig archaïsch. Zo vertelt de auteur over Japi;

'Schilderen leek 'm wel aardig, als je 't goed kon. Hij kon niks, en daarom deed i maar niks. Je kon toch de dingen niet zoo weergeven als je ze onderging. Hij had maar één wensch: te versterven, onaandoenlijk te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Dat waren je grote vijanden.'

Ook Titaantjes begint met een klassieke zin: 'Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't ze.'.  Koekebakker en Bavink komen in dit verhaal terug en de thematiek is dezelfde als in het eerste verhaal, protest tegen de maatschappij, maar ook weer tegen wil en dank. Ook dit mislukt ten dele, wamt Koekebakker blijkt ineens redelijk succesvol te zijn en ook Bavink schildert een meesterwerk. De tragiek is dat hij eindigt in het gesticht.

Dichtertje Ee is kantoorbediende die daarnaast verzen schrijft. Hij wil een groot dichter worden maar is te fatsoenlijk om meeslepend te leven:

'Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Als 't dichtertje er over dacht, wat hij eigenlijk 't liefst zou willen, dan was 't dat. De wereld ééns te verbazen en ééns een liaisonnetje te hebben met een dichteres. Jarenlang had hij dit telkens weer gedacht, naïvelijk.'

Opmerkelijk in dit verhaal is de invoeging van een persoonlijke noot van Nescio. Zijn vrouw hielp hem als corrector van zijn teksten, maar de teksten van dit verhaal vielen niet altijd in goede aarde bij haar, omdat hij zich afzette tegen de burgerlijkheid van het huwelijk. Daarom last Nescio aan het begin van hoofdstuk zes de volgende tekst in:

'Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten door mijn vrouw worden overgeschreven en dat ze de poëzie in dit verhaal niet begrijpt. [...] Gek, in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet zoo erg. 'k Denk dat 't komt doordat ik dit geschreven heb. Ze moet toch den auteur weten te onderscheiden van meneer Nescio, maar dat gaat haar te hoog. De situatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk geluk is ietwat gestoord, toch ga ik door.'

Het laatste verhaal, Mene Tekel, werd pas toegevoegd bij de vierde druk. Het bestaat uit een aantal korte verhalen die eerder los werden gepubliceerd. Ook hier speelt Bavink weer een rol, als Nescio's beschrijving van een zonsondergang ruw wordt onderbroken:

'Toen zei Bavink: 'Ik word een beroemd man,' zooals een ander zou zeggen: 'Ze hebben me een dubbeltje te veel afgezet,' en we voelden ons bekocht, alle drie, Bavink, Bekker en ik.'

Dat is meteen de verwijzing naar de titel Mene Tekel, uit het feest van Belsazar (het boek Daniël uit de Bijbel), wat zoveel betekend als 'geteld en gewogen'.
In de tijd bezien waren dit opzienbarende verhalen, over het zich afzetten tegen de maatschappij, in begrijpelijke burgermanstaal, door figuren waarmee het niet zelden tragisch afliep. Die ophef zou er nu niet meer zijn, maar lees je wat meer over de achtergronden en herlees je dan stukken zoals ik heb gedaan met dit boek, dan komen de verhalen tot leven. Het loont de moeite.

Auteur

Jan Hendrik Frederik Grönloh (Amsterdam, 22 juni 1882 – Hilversum, 25 juli 1961), pseudoniem Nescio (Latijn voor "Ik weet (het) niet"), was een Nederlandse schrijver van neoromantische verhalen in een deels op Multatuli geïnspireerde stijl. Zijn bekendste titels zijn de drie novellen De uitvreter (1911), Titaantjes (1915) en Dichtertje (1918).

Hij werd op 22 juni 1882 in de Amsterdamse Reguliersbreestraat 49 geboren als oudste van vier kinderen van een eveneens Jan Hendrik Frederik Grönloh genaamde winkelier en smid en Martha Maria van der Reijden. Zijn roepnaam was Frits. Na zijn geboorte verhuisde het gezin naar Amsterdam-Oost, waar hij vanaf februari 1888 de openbare lagere school in de 1ste Van Swindenstraat bezocht en in 1894 naar de driejarige HBS ging aan de Mauritskade te Amsterdam. Van 1897 tot 1899 zat hij op de Openbare Handelsschool aan de Keizersgracht. Vanaf 1899 vervulde hij verschillende kantoorbaantjes, tot hij in 1904 in dienst van de exportfirma Holland-Bombay Trading Company trad en in de jaren daarna opklom.

Van 1901 tot 1903 was hij betrokken bij de idealistische kolonie Tames, die hij met een aantal vrienden had opgericht in de buurt van Huizen. Dit was in navolging van de kolonie Walden, opgericht door Frederik van Eeden. Nescio was lid van de SDAP. Hij was dus duidelijk een idealist, al had hij zich in het dagelijks leven neergelegd bij de plichten van de moderne maatschappij.

De onbereikbaarheid van idealen was een belangrijk thema in zijn literaire werk. De vrienden van de Tames stonden model voor Bavink, Bekker en Kees Ploeger, die in het werk Titaantjes van Nescio een grote rol spelen.

In 1906 trouwde hij met Aagje Tiket. Het echtpaar kreeg vier dochters. Ze woonden eerst op de Ringkade, die later Transvaalkade ging heten, maar verhuisden verschillende keren binnen Amsterdam; naar de Laanweg in Noord, en de Middenweg en het Linnaeushof in Oost. Nescio verbleef ook enige tijd aan de Achterweg 22 in Groet.

In zijn werk vormt Amsterdam meestal het decor. Nescio kon zich nogal opwinden over de veranderingen in de stad. In het emotioneel geladen slot van De uitvreter wordt in een bijzin nog stelling genomen: "Den winter bracht ik in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren, mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten, al tobbende." Behalve de stad Amsterdam speelt ook het platteland rondom de hoofdstad en rondom Nijmegen een zeer belangrijke rol in Nescio's werk. Zijn beschrijvingen van het weer, de natuur en het landschap van dit gebied vormen een belangrijk deel van zijn literaire nalatenschap.

Nescio overleed op 79-jarige leeftijd in ziekenhuis Zonnestraal te Hilversum en werd begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Hoewel hij in 1954 de Marianne Philipsprijs ontving, volgde pas na zijn dood werkelijke erkenning voor zijn belangrijke bijdrage aan de Nederlandse literatuur.

Titel: De uitvreter, Titaantjes, Dichtertjes, Mene Tekel
Auteur: Nescio
Pagina's: 131
ISBN: 9789038897653
Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
41e Druk!!!!!!!
Verschenen: Juli 2013