vrijdag 31 augustus 2018

Oliver Reps - De dag die nooit komt


Recensie van Roosje
Uitgeverij De Harmonie



Een driehoeksverhouding

Dit debuut van Oliver Reps heeft drie hoofdpersonages: de ik-figuur, die Elias heet, zijn invalide zusje Evi en Polly, zijn en ook haar vriendin.
Een opmerking terzijde even vooraf. Dat de ik in een ik-verhaal toch een naam krijgt, vond ik aanvankelijk overbodig maar ik kreeg ineens de ingeving dat ‘onze’ Elias veel weg had van de Elias van Maurice Gilliams in diens boek Elias of het gevecht met de nachtegalen, uit 1936. Een dromerige coming-of-age, die een hele tijd tamelijk iconisch was in de Nederlandstalige letteren, toen vergeten maar nu weer een beetje in de belangstelling; het is in 2017 opnieuw uitgebracht.

Elias is een dromerige en melancholieke jongen, die moeite heeft zich te uiten en zich met de andere jongens op te houden. Die van tijd tot tijd niet weet waar hij het zoeken moet en geneigd is tot agressie en sadisme. Zijn zusje, die hij eerst niet zag zitten maar die na haar geboorte direct een onweerstaanbare indruk op hem achterliet, is zijn symbiotische wederhelft. Nou misschien niet zijn wederhelft maar wel zijn Muze, zijn niet los te maken vriendin, maar ook het meisje voor wie hij moet zorgen, het zusje dat altijd een beroep op hem kan doen. Toch een soort tweeling, maar wel een speciale soort.

Elias is een stil water met een heel diepe grond. Hij leeft bij films en muziek, heel veel titels laat Reps in zijn boek rond wervelen. Een onsje minder had gemogen. Een beetje een overkill. Ze duiden op zijn melancholieke aard, zijn zoeken naar waarheid, werkelijkheid. Hij neigt naar sympathie met de dood, via de dood. Een Romantische ziel bij uitstek. Je voelt het als het ware aanstormen...

De puberteit slaat toe in de gedaante van Polly, die eerst zijn en dan ook Evi’s innige vriendin wordt. De focus op zusje Evi wordt vervangen door de focus op Polly, een meisje net zo ‘awkward’ als hijzelf.

De dromerigheid en de afkeer van het werkelijke leven, waarvan Elias vermoedt dat het misschien niet het echt leven is, zoals gesuggereerd wordt in de film The Matrixx, krijgen een hoogtepunt wanneer Elias een verborgen plek in het bos vindt. Een plek, een kreek, een waterplek, verborgen tussen manshoge rododendrons met het graf van een hond, een Cerberus, de wachter van de dodenwereld, de Hades.
De meeste motieven in dit boek hebben een verwijzing naar en een relatie tot de dood.

Polly wordt ook meegenomen naar deze paradijselijke plek, de Elyzeese velden, het land van de Lotofagen waarin het zo heerlijk toeven is dat je niet meer verlangt naar de echte wereld, sterker nog dat je de herinnering aan de echte wereld met man en macht wilt vergeten. De paradijselijke plek die een herinnering is aan de hortus conclusus, de ommuurde hof van de moedermaagd Maria, die op zijn beurt weer een afspiegeling is van de oorspronkelijke Hof van Eden. Zo paradijselijk dus.

De komst van Polly zet de relatie van Elias en Evi onder druk. Het paradijs lijkt geen plaats te kunnen bieden aan hun ménage a trois, die de drie zijn gaan vormen, huns ondanks. De natuur verzet zich ertegen. Trouble in Paradise. De relatie van Elias en Evi lijkt in de verte iets incestueus te hebben. Zo niet fysiek dan toch zeker geestelijk. De half-goddelijke tweeling, Castor en Pollux - vergeet even dat dat deze tweeling broers zijn, jongens. Het gaat om het iconische van een tweeling-zijn, al zijn Evi en Elias niet in strikte zin een tweeling.

Niet toevallig weid ik een beetje uit over het mythische en iconische, of zoals dat tegenwoordig heet ‘epische’ van de relatie tussen tussen broer en zus. Reps heeft dat, denk ik, ook zo bedoeld. Zijn explicite intertekstualiteit, de verwijzing naar de roman van Gilliams uit de dertiger jaren van de vorige eeuw en onlangs opnieuw uitgegeven, en naar het pistool van Tjechov* en op die manier indirect naar WF Hermans, die het pistool-motief ook aangesneden heeft, billijkt een (zeer) brede visie op zijn thematiek.

Een andere kwestie is of dat brede thema en die over elkaar heen buitelende motieven in een betrekkelijk korte roman niet wat aan de overdreven kant is, een beetje overdone is. Zelf vind ik dat wel. Jammer, less is more, in dit geval. Het kan namelijk ook een stijlcomponent zijn: een overvolle roman, bijvoorbeeld in dienst van ironie, maar dat is hier niet de bedoeling, dunkt me.
En tussen haakjes: niet iedereen is een Thomas Mann of een Jeroen Brouwers: oppergoden in het gebruik van motieven.

Een uitstekend debuut, dat dan toch wel!

*Tsjechov(s) pistool is een literaire techniek waarbij elk object een speciale betekenis krijgt binnen een verhaal en dat moet worden gebruikt op een later moment. De techniek komt van Anton Tsjechov, die uitlegde dat een pistool opgehangen aan een muur in het eerste bedrijf van het stuk, moet worden gebruikt op enig moment later in het verhaal. Als het wapen niet gebruikt wordt, dan dient het geen enkel doel en is slechts een afleiding - tenzij het is bedoeld als een 'rode haring'. De ideale situatie voor Tsjechov's pistool is er een waarin het object wordt opgemerkt maar  in eerste instantie gedeeltelijk vergeten, en dan later in het verhaal relevant wordt. 

Auteur

Oliver Reps is op zesjarige leeftijd vanuit Duitsland naar Nederland verhuisd. Hij woont met zijn gezin in Amsterdam en is oprichter en mede-eigenaar van kinderboekwinkel Casperle. De dag die nooit komt is zijn debuut.

Titel: De dag die nooit komt
Auteur: Oliver Reps
Pagina's: 174
ISBN: 9789463360388
Uitgeverij De Harmonie
Verschijningsdatum: april 2018

woensdag 29 augustus 2018

Marc-Uwe Kling - De kangoeroekronieken

Recensie door Tea van Lierop
Uitgeverij De Harmonie





Aartsluie brutale en kritische kangoeroe trekt in bij kleinkunstenaar….




Kleine porties

In 79 hoofdstukjes worden maatschappelijke thema’s besproken en vooral bekritiseerd. De auteur gebruikt de kangoeroe als medium om de maatschappij op de hak te nemen, een kangoeroe kan immers niet spreken?
Er wordt gebruik gemaakt van dialogen, er zit humor in, geen onderwerp is taboe. Aan de lezer de schone taak de stukjes te lezen en te interpreteren.
Een goede raad vooraf: lees ze niet achter elkaar, maar in kleine porties zodat er elke keer met een frisse blik gekeken wordt. 
 
Het boek is vertaald uit het Duits en niet alle onderwerpen zullen door een niet Duitser meteen herkend worden en daardoor zou een deel van de humor niet begrepen kunnen worden.
Voor de volledigheid is er natuurlijk veel te vinden op internet. Namen van auteurs, politici, titels van artiesten in de ruimste zin van het woord worden vermeld in de stukjes en aanvullende informatie is dan meer dan welkom.
Ga mee naar het huis van de kleinkunstenaar die een ongevraagde gast krijgt.

Dingdong

Dingdong. De bel. Ik loop naar de deur, doe open en sta oog in oog met een kangoeroe. Ik knipper met mijn ogen, kijk achter me, de trap op, de trap af. Kijk recht vooruit. De kangoeroe staat er nog steeds.’ (blz 11)

In de eerste passage, die tevens erg humoristisch geschreven is, komt de kangoeroe een pan lenen. Hij wil pannenkoeken bakken en komt erachter dat hij geen pan heeft. Gedurende het stukje blijkt dat hij, behalve geen pan, ook de rest van de benodigdheden mist voor zijn doel, zelfs een fornuis!
Zo komt het dat de kleinkunstenaar, zelf haat hij die kwalificatie, een huisgenoot krijgt. Meteen komen er in de dialoog een aantal thema’s aan de orde zoals de buurvrouw met het hitlersnorretje, migratie, het communisme en de kersenbonbons van de Lidl!

Satire

Onder het mom van satire wordt geen onderwerp geschuwd. In het stukje ‘Wie zijn er helden’ wordt Franz Jozef Strauss (1915-1988) opgevoerd, dit was naar aanleiding van een Franz Jozef Strauss-tentoonstelling. Deze omstreden Beierse CSU-politicus was fel anticommunistisch en als minister van defensie voorstander van herbewapening. Op een spandoek aan het begin van de tentoonstelling staat:

Een volk dat zulke economische prestaties heeft geleverd, heeft er recht op om niets meer over Auschwitz te hoeven horen’ (blz 192)

Speelse opbouw

De stukken worden aangekondigd met aan de rechterkant bovenaan de pagina een vodje afgescheurd papier met daarop de titel, ziet er leuk uit. Door het boek heen staan ook een aantal scenes uit ‘Opportunisme & Repressie’, deze worden gepresenteerd op een recht stukje papier en maken een serieuzere indruk. De onderwerpen zijn divers en hebben titels als ‘God is geen dj’ en ‘Leed van Hippocrates’, in dit laatste hoofdstuk wordt het sprookje Roodkapje gebruikt om de draak te steken met het verstrekken van grote hoeveelheden medicijnen, waarvan de bijverschijnselen bestreden moeten worden met weer andere medicijnen. De farmaceutische industrie houdt hiermee zichzelf in stand. De auteur strooit royaal met namen van bekende personen, zo wordt Marcel Proust in de context van medicamenten en ziekte aangehaald:

De kangoeroe ligt onder een rode lamp in een deken gewikkeld in zijn hangmat en zwaait met een boek naar me. ‘Hier,’roept hij. ‘Proust: “Voor elke kwaal die artsen met medicamenten genezen, als ze dat ooit al hebben gedaan, veroorzaken ze tien nieuwe bij kerngezonde mensen door ze een ziekteverwekkende stof in te spuiten die duizendmaal besmettelijker is dan alle microben bij elkaar; het idee dat je ziek bent.’” (blz 160)

Veel stukjes

Door het enorme aantal onderwerpen is het samenvatten niet eenvoudig. Er zijn wel punten waaronder meerdere stukjes geplaatst kunnen worden zoals humor, maatschappijkritiek of irritant menselijk gedrag, maar het boek zou tekort gedaan worden wanneer dat de hele kapstok is om het boek aan op te hangen. 
 
Elk deeltje is de moeite waard gelezen te worden, verplaats je in het Duitsland van 2009, probeer je in te leven in de naoorlogse houding van Duitsers die WOII meegemaakt hebben of erover hoorden van hun ouders, denk mee met het verdwijnen van je privacy, denk over eerlijk delen van werk en kapitaal en alle andere pittige vraagstukjes die aandacht verdienen. Probeer ook de zaken wat luchtig te bekijken en heb oog voor de vertaler die alle specifieke (woord)grappen heeft weten te vertalen.
Niet alle onderwerpen waren voor mij even aansprekend, soms snapte ik ze niet (denk ik), of ik vond ze grensoverschrijdend. Dit is een boek dat discussie kan uitlokken, alleen dat is al een reden om het boek te gaan lezen!

De auteur

De Duitse Marc-Uwe Kling (1982 Stuttgard, Duitsland) is kleinkunstenaar en poetryslammer. Van De kangoeroekronieken werden in Duitsland een half miljoen exemplaren verkocht en van het luisterboek nog eens een half miljoen. De filmrechten zijn verkocht en op de verhalen werd een toneelstuk gebaseerd dat inmiddels in 10 steden is opgevoerd. (Bron: De Harmonie)




Titel: De kangoeroekronieken
Titel oorspronkelijk: Die Känguru-Chroniken
Auteur: Marc-Uwe Kling
Uitgever: De Harmonie
Vertaler: Elbert Besaris
ISBN: 9789463360371
Pag.: 232
Genre: literaire fictie
Verschenen: april 2018

dinsdag 28 augustus 2018

Máirtín Ó Cadhain - Onder de zoden


Recensie door Truusje
Uitgeverij Bananafish


'Ní mé an ar Áit an Phuint nó na Cúig Déag atá mé curtha?
D’imigh an diabhal orthu dhá mba in Áit na Leathghine a chaithfidís mé,
th’éis ar chuir mé d’fhainiceachaí orthu!'

'Lig ik nou op het perceel van een pond of op het perceel van vijftien shilling?
Of zijn ze helemaal van de pot gerukt en hebben ze me,
tegen al mijn aanwijzingen in, toch op het perceel van een halve guinea gegooid?'
 Caitríona van kleine Pádraig


Gekakel, gekonkel en geklaag op een begraafplaats

'Onder de zoden' - in Ierland in 1949 uitgebracht onder de titel 'Cré na Cille' - wordt gezien als het meesterwerk van Máirtín Ó Cadhain (spreek uit als ‘Moortsjien O Kain’).
Hij geldt als de belangrijkste Iers-talige schrijver van de 20ste eeuw en wordt vaak in één adem genoemd met James Joyce, die ook wel weg wist met experimentele schrijverijen, zoals hij dat in Ulysses vertoont.
'Onder de zoden' is zo'n experimentele, modernistische klassieker, geschreven in het oorspronkelijke, Ierse dialect (Gaelic), de moedertaal van de auteur. Hierdoor bleef de internationale erkenning voor zijn werk uit. Deze roman is opgebouwd uit tien bedrijven, die op hun beurt weer bestaan uit zes hoofdstukken.

Zoals toentertijd wel gebruikelijk was, kwam het in 1949 eerst in feuilletonvorm uit in de krant. Hierdoor komen er - overigens absoluut niet storende, maar juist bevestigende - herhalingen voor in de tekst. De eer viel The Irish Press te beurt.
In hetzelfde jaar kwam 'Cré na Cille' uit in boekvorm. Heden ten dage is het in Ierland nog altijd het meest (voor-)gelezen boek, dat ook regelmatig het onderwerp is van leesclubs. Uitgeverij Bananafish heeft zich niet laten kisten en heeft deze wonderlijke klassieker nu ook voor de Nederlandse lezer bereikbaar gemaakt.

'Ik ben de klaroen van het kerkhof. Laat mijn stem gehoord worden! Er moet worden geluisterd ...
[...] Onder de zoden bestaat tijd noch leven. Er is licht noch duister. Hier is geen zonsondergang, geen springvloed, geen veranderlijke wind, geen weersomslag. Noch lengen hier de dagen, noch verschijnen hier het Zevengesternte en de Grote Beer; noch hult het rijpende wezen zich hier in vrolijke feestkledij. Hier geen dartele kinderogen. Noch de fiere verlangens van de jonge man. Noch de rozerode wangen van een jonge vrouw. Noch de stem van een lieve moeder. Noch de berustende glimlach van de ouden van dagen. Ogen, verlangens, wangen, stemmen, een glimlach: in de onverschillige mengkroes der aarde wordt alles één pot nat. [...] Dit is niets anders dan een aarden kleerkast waar de afgedragen pakken des levens door de motten worden aangevreten ...'

Het heeft lang geduurd voor iemand zich op de vertaling durfde te storten, omdat er heel lang vanuit werd gegaan dat het simpelweg onvertaalbaar zou blijken. Alex Hijmans studeerde Iers in 1995 en heeft de stoute schoenen aangetrokken om dit lijvige en gecompliceerde werk, in anderhalf jaar tijd, vanuit het dialect van de streek rond Conamara in het Nederlands te vertalen. Het is een boek met een absoluut hoge graad van originaliteit, want de personages zijn allemaal........dood.

Gesprekken onder de grond? Dat is nou precies waar het in dit boek om draait. Het hele boek is één grote dialoog. Dit houdt automatisch in dat er van het eerste tot en met het laatste woord in spreektaal is geschreven. De doden klagen, mopperen, maken ruzie en schelden op elkaar dat het een lieve lust is. Hele gesprekken worden er onder de zoden gevoerd. Het dorp boven de grond is een besloten gemeenschap, waar de levenden elkaar nauwgezet in de gaten houden, alles van elkaar lijken te weten en ze elk dubbeltje moeten omdraaien in een tijd dat de Tweede Wereldoorlog zijn sporen achterlaat. De graven op het kerkhof zijn gebruikt als metafoor voor het beklemmende en benepen leven in het dorp. Het zet zich na de dood gewoon voort.

'- Op mijn begrafenis zijn weinig mensen gekomen. Het hele dorp van Ouwe Donncha was net naar Engeland vertrokken, en hunnie van het schrale veld en van bij de van Ouwe Sadhbh ook...
-En wat zeg je van Caitríona, Kitty, die sinds de dag dat mijn vader is overleden geen voet meer over de drempel heeft gezet, terwijl zij ik weet niet hoeveel pond van zijn goede thee opgedronken heeft... [...]
- Horen jullie die sloerie van een Bríd? En die kale kip van een Kitty met die in de haardas opgewarmde piepers van haar?... [...]
-De hele streek is op onze begrafenis geweest. Er waren journalisten van de krant en fotografen en...
- Op mijn begrafenis kwam eerst een telegram van Arthur Griffith en over mijn graf werden ereschoten afgevuurd...
-Je liegt!'

Voor de lezer is het beslist een uitdaging om dit hilarische boek te lezen en 'brood te bakken' van de kakofonie van gekonkel en gepoch op het kerkhof van Conamara.
Het vergt even tijd om de personages te leren kennen, want slechts zelden worden ze met hun naam aangesproken. Ze kakelen door elkaar heen, luisteren bijna niet naar elkaar, proberen elkaar te overtreffen, bespreken met elkaar waar ze eigenlijk dood aan zijn gegaan en wie kan zeggen dat zijn kist van betere, dus duurdere kwaliteit is dan die van de ander.

Om nieuwtjes uit de wereld boven de grond te horen moeten de bewoners van het kerkhof wachten op nieuwe overledenen. Hierdoor komt ook de lezer steeds meer te weten over hetgeen er zich boven de grond heeft afgespeeld.
Door al dat geklets wisselen de perspectieven bliksemsnel. Al zal het in het begin lijken of er geen touw aan de gesprekken vast te knopen is, al lezende wordt het snel duidelijk met wie je te maken hebt. Ongetwijfeld is het niet altijd even helder, maar dat is dan ook niet belangrijk. Gewoon doorlezen en je mee laten voeren.
Elke dode heeft een eigen stem gekregen, zijn eigen typerende woorden en manieren van spreken, waardoor het steeds duidelijker wordt wie er aan het woord is. Om maar eens een paar uitspraken te noemen; 'Bah, boe! Godnogantoe!', 'Potvolblommen', 'Honest', 'Bij de bloederige tranen en wonden van Jezus Christus', 'My goodness me'.

Caitríona van kleine Pádraig, een nog vers lijk, opent het verhaal met de vertwijfelde vraag of ze wel op het juiste perceel ligt, het duurdere welteverstaan, want die instructie had ze voor haar dood al gegeven. Ook was het haar uitdrukkelijke wens (lees: eis!) dat er 'een kruis van grijs kalksteen, kalksteen van het eiland, net zo een als op het graf van Peadar van de pub' op haar graf zou tronen, maar ook dat lijkt een onvervulde wens te worden.
In deze roman heeft ze het hoogste woord en je kunt van haar niet zeggen dat ze liefdevol praat over de levenden. 
Met name haar zus Nell van kleine Pádraig - die door de mensen uit hun buurt wél wordt gewaardeerd - moet het bij haar ontgelden. Het is haar namelijk  gelukt om met Jack Keuterboer in het huwelijk te treden. Iets waar Caitríona zich mateloos kwaad om maakt, omdat zij Jack graag zelf had willen strikken, maar zij is getrouwd met Seán Ó Loideáin
Dat haar zoon tegen haar wil in is getrouwd met 'Nóra, dat wijf van ginder bij het schrale veld vol modderpoelen, waar ze naar verluidt de eenden melken' is een nagel aan haar doodskist. Wanneer er een jonge knul boven haar wordt begraven, vraagt ze hem het hemd van het lijf. Wie er naar haar uitvaart zijn gekomen en hoeveel belangstelling er was? Hoeveel geld er in de collectezak is beland? Door alle nieuwtjes en haar opgekropte woede, wordt ze steeds kwader. De uitbarsting van al haar ergernissen bewaart ze voor het einde van de meeste hoofdstukken wanneer ze uitroept 'ik ontplof, ik ontplof, ik ontpl..!'

Een kleine greep uit de namen en bijnamen van personen ónder en bóven de grond zijn:
Nóra van de vieze voeten, Kitty van de in de haardas opgewarmde piepers, Máirtín Pokkenkop, Rooie Tom, Gladde Stiofán, en Tante Pos die in het postkantoor enveloppen open stoomde, het geld dat ze daarin vond inpikte en vervolgens de enveloppe weer dichtplakte.
Vooral de Schoolmeester heeft onder de zoden een metamorfose ondergaan. Hij was altijd zo'n keurig man, een voorbeeld voor elke bewoner, maar wanneer hij verneemt dat zijn vrouw er geen gras over heeft laten groeien en al zo snel opnieuw is getrouwd, is zijn boosaardige gevloek niet van de lucht.

De auteur laat haarfijn doorschemeren hoe de verhoudingen tussen de bewoners liggen en zich ontwikkelen. Zoals ik al aangaf, het boek bestaat alleen uit dialogen en er wordt niets over de omgeving geschreven, maar het is niet moeilijk om je een voorstelling te maken van de 'huisvesting' van de doden. Ze kunnen geen kant meer op, kunnen niemand ontwijken en zijn aan elkaar overgeleverd. En een belangrijke boodschap is het feit dat ze niets geleerd lijken te hebben van de fouten die ze bij leven hebben gemaakt. Hier onder de zoden gaan ze gewoon weer verder waar ze eens zijn opgehouden.


De cover van dit boek is heel 'sprekend'. Het zijn tekstballonnetjes die hun pijl naar beneden richten. De woorden komen van onder de grond.
Voor wie de uitdaging van het lezen van deze hilarische, maar tevens hartverscheurende satire aangaat, zijn er prachtige leesuren te beleven. Ik noem het een uitdaging, omdat het geen gemakkelijke roman is, maar absoluut de moeite waard om te beleven. 
Een meesterwerk! Zo wordt het niet voor niets genoemd!

Auteur

Máirtín Ó Cadhain (1906 - 18 oktober 1970) was een van de belangrijkste schrijvers van het Iers. Hij schreef drie romans en zes verhalenbundels. Zijn bekendste werk, Cré na Cille, verscheen in 2017 in het Nederlands als Onder de zoden. Ó Cadhain speelde een belangrijke rol bij het introduceren van het literair modernisme in de Ierse literatuur. Hij was een Ierse nationalist en socialist, die de Keltische cultuur wilde inzetten als politiek instrument. Hij was tijdens de Ierse noodtoestand samen met Brendan Behan lid van het Ierse Republikeinse Leger, de IRA.(Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/M%C3%A1irt%C3%ADn_%C3%93_Cadhain)


Titel: Onder de zoden
Oorspronkelijke titel: Cré na Cille 
Auteur: Máirtín Ó Cadhain
Vertaling: Alex Hijmans
Inleiding: Rashid Novaire
Pagina's: 411
ISBN: 9789492254061
Uitgeverij Bananafish
Verschenen: augustus 2016
Oorspronkelijk verschenen: 1949

zondag 26 augustus 2018

Jón Kalman Stefánsson-Zomerlicht, en dan komt de nacht

Recensie door Tea van Lierop
Ambo | Anthos





Peilloze hoogten en diepten….




Onherbergzaam

Dit is zo'n boek waarin je je volledig geborgen voelt. Het is alsof je geen lezer bent, maar een medebewoner van een onherbergzaam IJslands dorp, waar iedereen elkaar kent en waarin het gevoel de ruimte heeft om te gisten. Slechts 400 mensen wonen er in dit dorp. Voor het sociale verband en de werkverschaffing waren er het abatoir, de zuivelfabriek, de Co-op en de breifabriek. Zo is dit boek, er is geen afstand. 

Het verhaal van deze wonderlijke gemeenschap wordt verteld door ‘we’, dit zijn niet nader genoemde bewoners, maar zij kunnen het weten, zij leven hier. In de inleiding beloven ze te vertellen over ‘vreugde en eenzaamheid, bescheidenheid en nonsens, leven en droom-ach ja, dromen.’

Verspringen

In acht hoofdstukken wordt er iedere keer verteld over één of meerdere personen die alleen of met elkaar een bijzondere band hebben, krijgen of willen. Daarbij komen de andere bewoners min of meer zijdelings ook aan bod, maar de focus ligt op de hoofdrolspeler van dat moment. Stuk voor stuk raken de verhalen de kern van het bestaan, zoals gezegd gaat het onder andere over eenzaamheid. Na het failliet van de breifabriek kreeg Helga een gecreëerde baan, ze werd achter de telefoon gezet op een school:

Zo simpel is het, desalniettemin is het niet zo eenvoudig. Sommige mensen bellen alleen maar op om te kletsen, zijn eenzaam, willen iemands ademhaling horen, anderen daarentegen moeten opeens alles kwijt, al het ondraaglijke, de hele ergernis en onrust die het kortademige heden in ons opwervelt. Solrun beweerde dat Helga’s werk de mensen van hun stress zou verlossen, bij anderen de knagende eenzaamheid zou verlichten. Over stress schreef ze in een brief: ‘... een fenomeen dat zich in ons ophoopt en dus noodzakelijkerwijs af en toe moet worden geventileerd.’

De personages worden geweldig beschreven. Hun, vaak imperfecte, uiterlijk maakt hen menselijk en contrasteert met de enkele bewoner die begerenswaardig rijk bedeeld is door moeder natuur; prachtige haren, weelderige vormen of een krachtig, gespierd lijf. Dat lijfelijke is beslist een rode draad in alle verhalen. Wederzijdse of juist niet wederzijdse aantrekkingskrachten spelen gedurende alle seizoenen een grote rol, niet dat er altijd zo open over wordt gedaan, maar het is er altijd. Net alsof de oerdriften daar in het hoge noorden behoren tot de cultuur.

Contrasten

Het hele boek staat vol contrasten, waarvan de allerbelangrijkste het leven tegenover de dood is en waartussen de scheidslijn heel dun is.

Er wordt beweerd dat leven en dood hand in hand gaan, dat er enkel een dunne scheidingswand tussen zit en dat wij daarom soms schaduwen uit het dodenrijk zien. We hebben het over de dood en denken dan aan geesten en spoken, want ooit stond er op de plek waar vandaag de dag Het Warenhuis staat een boerderij waar zich bepaalde dingen afspeelden: een boer ging in het visseizoen naar Snæfellsnes, kwam ’s nachts terug en vond zijn vrouw in de armen van een onbekende man met donker haar, onwezenlijk knap’

De tegenstelling in de titel is ontleend uit het laatste verhaal. Hij heeft iets heel moois, maar is ook bedreigend vanwege die dunne scheidslijn. Gesproken wordt er wel, maar veel vaker wordt er gezwegen, waardoor de spanning te snijden is. Je voelt en ziet de stugge figuren worstelen met hun gevoelens, de kop in de wind gooien of de zaak met de botte bijl forceren. Poëtisch en rauw taalgebruik wordt afgewisseld, soms gebeurt dit volstrekt onverwacht, ook dat levert spanning op. Eigenlijk leef je met elk personage mee, dader of slachtoffer, allemaal blijven het personages met hun eigen verleden, afwegingen en dromen.

Universum

Een apart plekje verdient de directeur van de breifabriek. Op een nacht droomde hij in het Latijn en sindsdien is niets meer hetzelfde in het dorp. Zijn naam werd De Astronoom, hij verkocht zijn hele hebben en houen om Latijn te leren in Reykjavik en vele exclusieve oude boeken te kopen over astronomie. Hijzelf veranderde ook, hij richtte zich meer tot de hemel dan tot de aarde.

Zijn vastberaden blik was verdwenen, in plaats daarvan was iets gekomen waarvan we niet wisten hoe het te benoemen, misschien was het verstrooidheid, misschien dromerigheid en tegelijkertijd leek het alsof hij dwars door alles heen keek, door al het gedoe, het geleuter en de poeha die ons leven kenmerkt, dat we ons druk maken over overgewicht, over geld, rimpels, de politiek en een kapsel.’

Zijn kennis gebruikte hij om lezingen te geven in het gemeenschapscentrum en later kwam die kennis nog van pas toen er vragen gesteld werden over bijgeloof, want dat hoorde ook bij het leven van de dorpelingen. Het verleden heeft zijn sporen achtergelaten en wanneer je overgeleverd bent aan lange, donkere winters en er vinden onverklaarbare dingen plaats kun je zomaar bijgelovig worden. Maar een antwoord komt er niet, zeker niet van De Astronoom.

Vissen tellen

De man die zich afvraagt waarom hij noch de vissen noch zijn tranen kan tellen is de man die een vraagteken zet bij de reden van zijn bestaan. Gevlucht in cijfertjes leidt hij z’n leven. Hij is de meest eenzame figuur, stel je voor hoe het moet zijn wanneer je je zorgen maakt dat je de vissen niet kunt tellen. Dit is wel heel mooi verwoord, vooral in combinatie met de tranen en dat alles op het door zee omsloten IJsland. Maar juist deze man wordt gered uit totaal onverwachte hoek.

Mijn conclusie

Adembenemend! Omdat het hele boek raakt aan de ziel, de lelijke en mooie kanten erkent en beschrijft en de mens één maakt met de natuur met al zijn driften.
Ongepolijst en puur, zo wil ik er wel meer lezen, machtig mooi!

De auteur

Jón Kalman Stefánsson (1963) werd geboren in Reykjavík. Hij behoort tot de grootste Europese schrijvers van deze tijd. In een poëtische en beeldende stijl schrijft hij over IJsland. Stefánsson werd genomineerd voor de Nordic Council Literature Prize en won de IJslandse literatuurprijs en de Per Olov Enquistprijs.
Eerder verschenen onder andere deze romans, die samen een tweeluik vormen
Vissen hebben geen voeten (2015)
Iets ter grootte van het universum (2016)




Titel: Zomerlicht, en dan komt de nacht
Auteur: Jón Kalman Stefánsson
Vertaler: Marcel Otten
Uitgever: Ambo | Anthos
ISBN: 9789026339158
Pag.: 237
Genre: literaire fictie
Verschenen: februari 2018

vrijdag 24 augustus 2018

Christine Féret-Fleury - Juliette of het geluk van boeken


Recensie door Truusje
Uitgeverij Harper Collins

'Ik heb me het paradijs altijd voorgesteld
als een soort bibliotheek'
- Jorge Luis Borges, De Aleph



Het principe van reizende boeken

Wat kan een bepaald boek voor iemand betekenen? Hoe kan het ene boek wel bij iemand passen en een ander juist niet? Welk boek kan je leven veranderen?
Deze vragen staan in de roman centraal en Christine Féret-Fleury heeft de term bookcrosser of doorgever verwerkt in het verhaal over Juliette.

Juliette, werkzaam op een makelaarskantoor in Parijs, leidt een voorspelbaar, horizontaal geprogrammeerd en niet echt spannend leven. Elke morgen reist ze met de metro naar haar werk, om precies te zijn; lijn 6. Ze gebruikt deze tijd graag om te lezen. Ook de man met de groene hoed stapt dagelijks in op lijn 6 en elke keer haalt ook hij een boek tevoorschijn, een dik insectenboek dat hij liefdevol uit beschermend, doorzichtig papier haalt.

'Hij liet zijn hand over het gevlekte leer van het omslag gaan, de rug versierd met gouden lijntjes, met daartussen de titel op een rode ondergrond. Vervolgens liet hij een vinger tussen twee bladzijden glijden die reeds waren gescheiden door een strook van hetzelfde papier. Hij sloeg het boek open, bracht het naar zijn gezicht en snoof de geur op, zijn ogen half gesloten.'

Zo observeert ze ook andere reizigers. Een oude vrouw met steeds hetzelfde, dikke kookboek op haar schoot - wat is er van de vrouw geworden? - en een meisje waarbij steevast op bladzijde 247 - wat gebeurt er toch op die bladzijde? - de tranen over haar wangen biggelen.

Wanneer Juliette een keer afwijkt van de route naar haar werk, loopt ze langs een pand waarvan de deuren worden opengehouden met een boek - voor een bibliofiel bijna net zo erg als vloeken in de kerk - , op de deur staat vermeld; BOEKEN ZONDER GRENZEN. Ze wordt bijna onderuit gelopen door een jong meisje, Zaïde genaamd, die haar uitnodigt om binnen te komen. De eerste vraag die haar door de heer des huizes -Soliman - wordt gesteld is: 'Ben je een doorgever?', en zo belandt Juliette in een ruimte vol boeken.

'U kent het principe van reizende boeken?' vervolgde hij na een stilte van een paar seconden. 'Het was een Amerikaan, Ron Hornbaker, die het concept in 2001 heeft verzonnen, of liever gezegd, gesystematiseerd. Maak van de wereld een bibliotheek... een mooi idee toch? Je legt een boek neer op een openbare plaats, een station, een bankje op het plein, de bioscoop, iemand neemt het mee, leest het en laat het vervolgens op zijn beurt, een paar dagen of een paar weken later, weer ergens anders achter.'

Maar bij Soliman, die er stellig van overtuigd is dat verhalen levens kunnen veranderen, werkt het anders. De doorgever observeert of volgt iemand om er achter te komen wélk boek deze persoon nodig heeft.
Dan vertelt hij haar dat hij een poosje weg moet en vraagt haar om de honneurs waar te nemen en op Zaïde te passen. Uit onverwachte hoek krijgt ze de hulp die ze nodig heeft nu ze tussen al die boektitels leeft.
Aldus verandert ook het leven van Juliette, doordat ze in de wereld van de doorgeefboeken terecht komt.

De dialogen zijn op een geloofwaardige manier neergezet. Het proza is voor een groot deel poëtisch te noemen. Lange, meanderende zinnen en bijzinnen - soms komen ze wel ietwat geforceerd over - die zorgvuldig gelezen moeten worden, om de betekenis optimaal aan te voelen. Filosofische overwegingen larderen het verhaal, maar er zijn ook vele metaforen en beeldspraak gebruikt.

'Juliette kroop in elk boek alsof het een nieuwe huid was: een huid waarop de sporen achterbleven van zout en geuren en van de soda die werd gebruikt om de ledematen van de Tahoser, de vrouwelijke hoofdpersoon uit 'Roman de la momie', soepel te houden, van strelingen van een onbekende ontmoet aan boord van een schip, van stuifmeel van bomen die aan de andere kant van de wereld groeiden, en soms van het bloed dat uit een wond was opgeborreld.'

En wat écht smullen is, zijn de vele boektitels en auteurs die de revue passeren, die steeds voor herkenning zorgen. De ruim twee pagina's met boektitels die achterin staan vermeld is een goede zet en heel inspirerend voor de book-a-holic.

Het thema eenzaamheid, individualisme komt heel helder naar voren. Eigenlijk worstelen alle personages met het niet gezien of gehoord worden, een klein netwerk hebben, verloren vrienden en verloren raken in de massa. Ze vinden hun plezier in het lezen en beleven van de geschreven taal.

Het hoofdpersonage is Juliette, maar tevens zijn dat ook de vele boeken en de diverse titels die voorbij komen.
Soliman heeft gezegd dat het belangrijk is dat de bookcrosser iemand goed observeert en misschien zelfs volgt 'om te weten te komen welk boek deze persoon nódig heeft.' Het zou interessant geweest zijn wanneer dit beter uitgewerkt was. Wie observeert Juliette en welk karakter heeft die persoon? Met welke reden geeft ze een boek aan iemand die ze heeft geobserveerd? Hoe kiest ze uit al die titels het juiste boek?

De personages rondom Juliette blijven wat aan de oppervlakkige kant. Alleen over Juliette zelf wordt iets meer verteld, hoewel ze me als persoon niet echt kon raken.
Zou het misschien juist de bedoeling kunnen zijn van de auteur, omdat hier de boeken eigenlijk de hoofdrol spelen? Geen idee, het is een leuk verhaal, het onderwerp heeft beslist een hoge graad van originaliteit, maar het gaat psychologisch toch iets te weinig de diepte in en ik kon me niet gemakkelijk inleven in de personages. 

Auteur

Christine Féret-Fleury, geboren in 1961, is een uitgever en een Franse auteur, vooral van boeken voor de jeugd.
Na het bestuderen van literatuur en een paar jaar universitair onderzoek naar tekst en muziek in opera, startte Christine Féret-Fleury haar uitgeverscarrière bij Uitgeverij Galimard Jeugd.
In 1996, werd haar eerste kinderboek gepubliceerd, Le petit Tamour (Flammarion), gevolgd in 1999 door een roman Les vagues sont douces comme des tigres (Arléa), bekroond met de Antigoneprijs .
Sinds 2001 wijdt ze zich voornamelijk aan het schrijven en zorgt ze tegelijkertijd voor de redactionele richting van de edities van Les 400 Coups France, een uitgeverij die werd opgericht in 1996. 

Titel: Juliette of het geluk van boeken
Auteur: Christine Fèret-Fleury
Pagina's: 176
ISBN: 9789402701524
Uitgeverij Harper Collins
Verschenen: juli 2018

woensdag 22 augustus 2018

Hugh Walpole - De verborgen stad

Recensie door Roosje
Uitgeverij van Maaskant Haun




Ooggetuige van de revolutie



De naam van auteur Hugh Walpole kwam me wel vaag bekend voor, toen ik de heruitgave van De verborgen stad tegen kwam in de lijst van nieuw aangeschafte boeken van de plaatselijke bibliotheek, die wonderbaarlijke uitvinding van volksverheffing. Die wil ik dan wel eens lezen, dacht ik meteen en ook direct mijn veel te lange ‘nog-te-lezen-lijst’ negerend, dol als ik ben op Angelsaksische schrijvers. Ik heb geen spijt gehad van mijn impulsieve reactie. Storm loopt het niet voor dit boek. In de bibliotheek en op Hebban ben ik de eerste die het gelezen heeft.

De spil van het verhaal is John Durward, Ivan Andrejevitsj op zijn Russisch, een Engelse paramedicus bij het Rode Kruis die in ergens in Galicië, Polen, gewond is geraakt, fysiek en psychisch, hij verliest twee goede vrienden en Marie Ivanovna. Hij zoekt rust en beterschap in Petrograd, zoals St. Petersburg in WOI heette. Het is de periode van nét voor en helemaal aan het begin van de Russische Revolutie van 1917. En grappig genoeg speelt Lenin een figurantenrolletje als makker van Boris Grogov, een soort huisvriend van de familie Markovitsj.

John Durward probeert een beetje bij te komen van zijn traumatisch ervaringen aan het front en hij fungeert bij zijn vrienden als praatpaal. Alles wat er gebeurt in deze roman weten wij door Durward, die ook de auteur is van dit boek. Ogenschijnlijk heeft deze Durward veel trekken van Walpole zelf, maar ik vermoei me weinig met autobiografische gegevens in een roman. Zijn vrienden praten rechtstreeks met hem, of sturen hem briefjes, of vertellen over anderen aan hem, of anderen vertellen Durward over weer anderen. Maar altijd is John Durward, Ivan Andrejevitsj, de centrale figuur, de ik, de verteller in deze roman.

De scènes doen vaak toneelmatig aan, met hun vele dialogen en hilarisch verstoppertje-spelen in donkere hoekjes en achter deuren en bij nachtelijk dwalen door appartementen en toevallige ontmoetingen. Daartegenover staan uiterst poëtische en lyrische beschrijvingen van Petrograd en met name van de rivier de Neva, de rivierendelta eigenlijk, in de winter en het vroege voorjaar, de periode voorafgaand aan de ‘witte nachten’ van de stad, de zomer waarin het ‘s nachts niet helemaal donker wordt. Je snapt helemaal dat Durward zich verstopt in Petrograd te midden van de mysterieuze en warme Russen en hun nog mysterieuzere Russische ziel.

Durwards vrienden zijn leden van de familie Markovitsj: Vera Michajlovna en haar veel jongere zusje Nina, voor wie Vera, kinderloos, een moeder is. Vera’s man Nicolaj Leontjevitsj, een arme soeber zonder baan, een obsessieve en nerveuze uitvinder van nutteloze zaken. Nicolaj houdt veel van Vera, maar zij niet van hem, niet in romantische zin, maar zij heeft medelijden met hem en zorgt voor hem. Dan zijn er nog de ooms Semjonov, een onsympathieke en diabolische arts, die Durward nog kent van het front. Zij hadden een gemeenschappelijke vriendin, Maria Ivanovna. En dan is er nog oom Ivan Petrovitsj, die alleen van lekker eten houdt. Boris Grogov is al genoemd; niemand weet eigenlijk waarom hij een huisvriend is.
Het Engelse deel van de vriendenkring bestaat uit Durward zelf, zijn oude schoolvriend Jerry Lawrence en diens reisgenoot, Henry Bohun. Deze twee werken voor de Engelse overheid in Rusland.

Ik heb direct een namenlijstje gemaakt - in mijn achterhoofd Oorlog en vrede van Tolstoj met die enorme hoeveelheid namen - en daar had ik geen spijt van. Overigens heeft deze roman van Walpole ook wel iets van een Russische roman, hij is iets minder lijvig, maar toch...

De verwikkelingen tussen al die vrienden, Russen en Engelsen, zijn legio en van complexe aard. Liefde en haat, jaloezie en antipathie, hartstocht en vriendschap, doodsverlangen, verlangen om te zorgen, onevenwichtige relaties, raadsels, puzzels, verborgen agenda’s; vooral dat laatste. Vanwege de spoilers kan ik daar niet zo veel over zeggen, maar het zit in de hoek van het pistool in een stuk van Tsjechov; tenminste ik meen dat het Tsjechov is.

De chaotische verwikkelingen tussen de vrienden houden gelijke tred met de politieke ontwikkelingen in Petrograd en in heel Rusland: de revolutie neemt eindelijk een aanvang, niemand geloofde er meer in, niemand verwachtte haar en toen was zij er ineens. Onrust, gewapende volksmilities, afrekeningen, moorden, plunderingen zijn aan de orde van de dag. Er is geen leiding - Lenin moet nog komen - en de meningen van de Russen zijn - als altijd al - zeer verdeeld.

Durward is voortdurend op zoek naar dé Russische ziel, hij wil die zo graag leren kennen; dat lijkt van levensbelang voor hem. Feitelijk is hij natuurlijk op zoek naar zichzelf en naar vooral naar de rust in zichzelf. Hij leest talloze boeken, vooral Engelse en Russische, maar ook wel Franse. Duitse boeken komen er niet in. De Duitsers zijn de boosdoeners. Er is ook voortdurend vrees dat de Russen het op een akkoordje zullen gooien met de Duitsers omdat het eigen land alle aandacht eist.

Toevallig las ik onlangs van Penelope Fitzgerald Het begin van de lente, dat ook gaat over een Engelsman in Rusland, Moskou weliswaar, vlak voor de Revolutie, een iets eerdere periode. En ook heeft de lente hier net als bij Walpole een centrale plaats: de ontwaking, de bewustwording als het ware, het uit de schulp kruipen na een koude en dwingende winter, ook symbolisch, vooral symbolisch, zou ik zeggen.

Hoewel dit boek van Walpole uit 1919 stamt, doet het nergens ouderwets aan. Zelf schrik ik niet van een wat ouder boek, sterker nog ik mag graag een klassieker lezen. Het is prachtig geschreven: over zijn eigen dwalingen en nachtmerries, de verwikkelingen tussen zijn vrienden, incluis Durward zelf, hoewel hij wel een tamelijke buitenstaander is; de stad Petrograd met zijn gebouwen, zijn mensen, de schoonheid en de lelijkheid, de armoede en de pracht en praal van kerken, de vulgariteit van het variété, dronkenschap, de vuigheid van de boeren, de vooringenomen van de rijke mensen, de schoonheid en de hardheid van winter, sneeuw en ijs. En dan ook de revolutie in de visie van mensen die het meemaken en die niet weten wat er aan de hand is.

Het lijkt op wat Durward zegt over oom Ivan Petrovitsj: de oom zal de apocalyps niet zien al staat hij er met zijn snufferd bovenop. Oom Ivan geeft namelijk alleen om lekker eten. Maar zo is het ook met die revolutie. Niemand snapt wat er gebeurt, wel dat er opstand is, ja, en dat de tsaar is afgezet, maar verder, hoe moet dat nou en is het morgen misschien afgelopen? Wie zal het werk doen als de arbeiders weglopen, hoe komen we nog aan eten als de boeren de wapens opnemen? Kun je nog wel veilig over straat? Rijdt er nog wel een koets of liggen de koetsiers dronken in de goot?

Ondanks de heftige en chaotische problematiek, blijft de toon vrij luchtig en typisch Engels met zijn tongue in cheek. Dat is een van de dingen die ik zo aantrekkelijk vind in de Angelsaksische literatuur.

Ik ben me ervan bewust dat ik iets weg heb van een repeterende breuk, maar ik zou met klem willen benadrukken: lees dit boek!



Over de auteur:

Geboren: 13 maart 1884, Auckland, Nieuw-Zeeland
Overleden: 1 juni 1941, Keswick, Verenigd Koninkrijk
Opleiding: Emmanuel College, Universiteit van Cambridge

Zeer uitgebreide Engelstalige beschrijving is te vinden op: https://en.wikipedia.org/wiki/Hugh_Walpole


Bibliografische gegevens:

Auteur: Hugh Walpole
Ttiel: De verborgen stad
Uitgeverij van Maaskant Haun
320 pagina's
Vertaald door Meta Gemert
Verschijningsdatum september 2017
ISBN: 9789081786126
Categorie: Literaire roman

dinsdag 21 augustus 2018

Ton den Boon - De taal der liefde


Recensie door Truusje
Van Dale Uitgevers

'Seks! Als er toch één taal is die we allemaal spreken
 dan is het wel 'de taal der liefde'.'
- Ronald Giphart


'Seks is een productieve inspiratiebron voor de taal.'


Hier naast mij ligt 'De taal der liefde, Literair woordenboek van seks en erotiek', en ik ben bezig om een recensie te schrijven over dit boek. Een boek zonder plot of clou, maar het zou toch moeten lukken.

Ton den Boon schrijft in het voorwoord dat hij al ruim twintig jaar bezig is met het verzamelen van citaten met en over woorden op het gebied van liefde, erotiek en seks, en in dit geval vooral van Nederlandstalige auteurs.
Tja..., dacht Den Boon, wat zou je daar eens mee kunnen doen? Hij heeft zich laten overtuigen om het uit te geven in boekvorm. Een boek waarbij hij zich al bij voorbaat realiseerde dat het nooit volledig zal kunnen zijn. Een sympathieke geste van de auteur; wie een favoriet erotisch woord uit een citaat mist, mag het mailen naar erotiek@tondenboon.nl. Ik zal het spits afbijten: 'hatseflatsen'.

Dit woordenboek telt ruim 2600 trefwoorden, die regelmatig zijn gebruikt in de Nederlandstalige literatuur vanaf 1900. Er is dus niet voor gekozen om de 'platte taal' van het internet te plukken. Welke schrijvers onder de term 'literatuur' vallen, wordt in de inleiding uitgelegd.

'A
zich aanbieden - zich prostitueren, zowel van vrouwen als van mannen gezegd;
een specifieke toepassing van zich aanbieden in de neutrale betekenis 'zich presenteren als kandidaat voor een taak of functie'; ook in combinaties als zijn/haar lichaam aanbieden.
'In alle steden, waar Titus komt, vindt hij vrouwen, die zich aanbieden. Men gaat gezamenlijk naar hen toe, zoals men gezamenlijk een glas wijn gaat drinken. En wat zijn zij anders dan gebruiksvoorwerpen?'
(Theun de Vries, Rembrandt, 1931)'

De alfabetisch geordende - zoals dat in een woordenboek hoort - trefwoorden worden kort uitgelegd, eventueel met bijbehorend synoniem. Indien van toepassing staat achter het woord of het hier gaat om een informeel of een vulgair trefwoord of dat het een eufemisme betreft. Wie dit boek leest - of misschien beter, heeft doorgenomen - zal óf zijn vocabulaire hebben uitgebreid, óf zal zich verbazen dat hij/zij al zoveel weet.
Encyclopedische informatie wordt niet gegeven. Wat opvalt is dat er relatief veel citaten afkomstig zijn van Vlaamse auteurs én dat wij graag gebruik maken van leenwoorden uit het Engels (barebacking, lapdance) en het Frans (capote anglaise, villa bellevue, frottage).

Niet alleen bevat dit werk woorden en citaten waarin het betreffende woord gebruikt is, maar er zijn tevens 30 kaderteksten van evenzoveel Nederlandse en Vlaamse auteurs in het boek opgenomen. Twee literaire vliegen in één klap.

‘Ik houd van metaforen en van eufemismen’, vertelt Ton den Boon. ‘Prachtig zoals schrijvers verschillende termen en beschrijvingen hebben voor dat ene onderwerp. Want eigenlijk gaat het hele boek slechts over drie onderwerpen: het vrouwelijk geslacht, het mannelijk geslacht en de daad. Maar als je dan ziet welke variatie aan woorden schrijvers hiervoor gebruiken, dat vind ik geweldig.’ Een van de leukste ingangen vindt Den Boon zelf de ‘banaan’. ‘Zoals ‘zijn banaan in haar fruitmandje’, mooi! Of het woord ‘beddendood’, voor het afnemen van seks in een langdurige relatie.’

De eerste kadertekst is ontleend aan het brievenboek 'Nader tot u' van Gerard Reve, waarin de verteller 'God Zelf'  uit liefde meeneemt 'naar het slaapkamertje' om 'Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening' te bezitten. Het leverde de auteur een aanklacht wegens godslastering op. Alle ophef hierover leidde er evenwel toe dat 'geheime opening' al snel regelmatig werd gebruikt voor mannen- of jongenskont. Als baanbreker op het gebied van homo-erotische literatuur, heeft hij zijn best gedaan om allerlei beschrijvingen te creëren van woorden die de herenliefde betreffen, zoals hij de bilpartij in zijn werk ook met 'jongensvallei' of 'fluwelen zadel' aanduidde.
Mede dankzij Reve is een normaal gebruikt woord als 'artiesteningang' ingeburgerd voor de mannelijke én vrouwelijke anus. Meerdere auteurs hebben het op kun conto staan dat woorden en citaten uit hun werk algemeen gebruik zijn geworden.

In het werk van A.F.Th van de Heijden is het thema 'onmacht' of 'machteloos' een veelgebruikt eufemisme voor 'impotentie'.
Hella Haasse gebruikte woorden als 'gunsten', 'zinnelijk', 'lijfelijk', hoewel ze er ook niet voor terugschrikte om minder 'beschaafde' woorden te gebruiken, zoals in een passage over iemand uit lagere kringen: 'Wat hebben we aan die geile meid?' of 'Vrijen zonder verliefdheid is alleen maar neuken, en daar vind ik ook niets aan.'
Veel explicieter is Jan Wolkers: 'De meisjes hadden er onder elkaar over gekletst en gekonkeld, verlekkerd en huiverend dat één van hen het gewaagd had om met volle teugen te gaan genieten van de vruchten van de boom der kennis des goeds en des kwaads.' of 'Ik kreeg een erectie als een pompzwengel en ik had me van opwinding bijna staande leeggeschud.'

Hoewel de lezer niet moet verwachten dat 'De taal der liefde' een seksueel getint boek is, zal degene die van taal houdt dit boek zeker willen lezen om aan zijn/haar literaire 'gerief' te komen en om te begrijpen wat iemand bedoelt wanneer er over 'stofferen' wordt gesproken, 'van piepjanknor gaan' of het verlangen voelt om er snel een kopje thee bij te gaan zetten wanneer het woord 'chocoprins' valt.

Auteur

Ton den Boon (1962) studeerde Nederlandse en Algemene Literatuurwetenschap en is hoofdredacteur van de Dikke Van Dale, ook wel Grote van Dale genoemd. Als woordenboekmaker en uitgever schrijft hij daarnaast over taal, literatuur en beeldende kunst. Regelmatig verschijnen er bijdragen van zijn hand in tijdschriften als Onze Taal en  NWT Magazine over taalvernieuwing en neologismen, oftewel nieuwe woorden.

Op deze blogspot is ook de recensie van aan ander boek te vinden van de auteur:
'Dat gaat 'm niet worden'

Titel: De taal der liefde
Auteur: Ton den Boon
Pagina's: 296
ISBN: 9789460773600
Van Dale Uitgevers
Verschenen: oktober 2017